Deken Flor Brondeel: 'Binnen de tien jaar zie ik wel tot tien kerken verdwijnen'
GENT - 'Van de dertig cultusplaatsen in Gent zullen er binnen de tien jaar toch zeker vijf tot tien verdwijnen', verwacht deken Flor Brondeel. Toch zijn hij en pastoor Geert Cattrysse, die in zijn eentje vier parochies bedient, voor hun gevoel niet bezig met iets wat ten einde loopt - integendeel.
Samen bedienen ze zeven parochies met in totaal zo'n 35.000 zielen. Flor Brondeel (63) is deken voor 24 parochies in de zone 9000 en pastoor van de Sint-Michielskerk, Sint-Niklaaskerk en Sint-Baafskathedraal. Geert Cattrysse (49) is actief in drie parochies op de Brugsepoort (Sint-Jan-Baptist, Sint-Theresia, Malem) en Sint-Martinus Ekkergem.
'Dat er, zoals het weekblad Tertio schrijft, op termijn zal moeten worden gesnoeid in het aantal parochies, is wellicht onvermijdelijk. Toch staan we er in Gent nog niet zo slecht voor. De gemiddelde leeftijd van onze priesters ligt rond de 60 jaar. Bovendien hebben we nog altijd 13 priesters voor 24 parochies en krijgen we nog hulp van onderpastoors', zegt Flor Brondeel.
Hoewel ze allebei verscheidene parochies hebben, dragen Brondeel en Cattrysse paradoxaal genoeg minder missen op dan in het begin van hun carrière. 'Toen ik onderpastoor was, waren het er soms drie per dag', zegt Cattrysse. 'Dat doe ik nu niet meer.'
Maar dat betekent niet dat ze nu minder uren bezig zijn met hun priesterschap dan vroeger, zeggen Brondeel en Cattrysse. 'Ik begin de dag vaak met een mis om acht uur en meestal blijf ik bezig tot 23 uur 's avonds', zegt Brondeel. 'Pastoraal werk is zo veel meer dan de vieringen alleen', vult Cattrysse aan. 'Op de Brugsepoort hebben wij bijvoorbeeld een sociale dienst, we proberen sociaal zwakkeren rustpunten te geven in de stad... Je blijft bezig - en als priester werk je zeven dagen op zeven. Al probeer ik wel om op zondagavond of maandag toch een rustpunt in te bouwen, zodat de weken niet in elkaar overlopen. Ik wil kunnen herbeginnen.'
Biechten zoals vroeger, gebeurt niet meer. 'Wel hebben we in de vasten en de advent verzoeningdiensten. Maar bij sacramenten als de doop, het vormsel of het huwelijk zien we de mensen wel nog komen. We werken daarvoor ook samen met leken, bijvoorbeeld voor de doopcatechese.'
Brondeel schat dat hij jaarlijks nog een 40 kinderen doopt, voor Cattrysse zijn er dat een 60-tal. 'Een keer per maand probeer ik een doopweekend te organiseren - we bundelen een aantal dopen, al probeer ik om het persoonlijk te houden het wel te houden bij maximaal drie dopelingen per viering.'
Cattrysse probeert zijn parochies ook meer en meer samen te laten werken. 'Zo organiseer ik het laatste weekend van de maand één gemeenschappelijke eucharistieviering voor alle drie de parochies van de Brugsepoort. Dat is soms wat moeilijk voor de mensen: je schaft iets af. Maar er komt ook iets in de plaats. Het geeft ruimte om de dienst extra te omkaderen. Met een bijbelgesprek voor de viering, bijvoorbeeld. Of met een koffie erna. Ik vind het trouwens ook een verrijking dat ik naast mijn drie Brugsepoort-parochies ook de wijk Ekkergem heb. Dat zijn twee verschillende culturen. Maar mijn parochianen van Ekkergem zeggen vaak dat ze het aangenaam vinden om af en toe eens met de mensen van de Brugsepoort samen te komen. De gemiddelde leeftijd is daar een stuk lager. En je hebt er al die verschillende culturen... Ik heb dit jaar al meer Slowaken gedoopt, dan Belgen.'
Een andere manier om om te gaan met het slinkende aantal priesters en parochianen, is om de verschillende kerken te diversifiëren, zegt Brondeel. 'In het centrum zijn we daar jaren geleden al mee begonnen: de Sint-Baafskathedraal is de bisschoppelijke kerk, de Sint-Niklaaskerk is een stadskerk en wordt ook gebruikt voor culturele evenementen en de Sint-Michielskerk is de eigenlijke parochiekerk. Nu hebben we Sint-Antonius als de multiculturele kerk, hebben de jongerengroepen hun stek op Sint-Pieters-Buiten en ontwikkeld Sint-Macharius zich tot de kerk van de mensen die op zoek gaan naar zin, die wat dieper willen graven.'
Met al die evoluties, zien Brondeel en Cattrysse zich niet als vertegenwoordigers van een kerk die op zijn laatste benen loopt. 'We moeten niet blind zijn voor het feit dat het aantal priesters slinkt. Maar de kerk heeft nog een toekomst. Zeker in de stad. De vernieuwing zal van hieruit komen. En dan is het misschien op termijn moeilijk om alle kerken open te houden, maar ook dan moeten we goed nadenken wat we ermee doen. Ik merk dat de roep van een aantal jaren geleden, om kerken te veranderen in concertzalen of musea, is afgenomen. De meeste mensen - ook niet-gelovigen - willen dat de kerken kerken blijven.'