Geef me niet alles wat ik vraag. Soms vraag ik alleen om te weten hoeveel ik kan krijgen. Roep niet op mij. Als jij roept, heb ik minder respect voor je. Daarbij leer je me dan ook roepen en dat wil ik niet. Geef niet altijd bevelen. Als je mij iets vraagt in plaats van te bevelen, zal ik het vlugger en liever doen.
Doe wat je belooft, om het even of het goed of slecht is. Als je me een beloning belooft of straf, geef ze dan. Vergelijk me met niemand, zeker niet met mijn zus of broer. Als ik beter lijk dan een ander, zal die er onder lijden en als ik slechter lijk, zal ik er onder lijden. Laat mij zelf mijn eigen weg vinden. Als je alles in mijn plaats doet, zal ik het nooit leren.
Vertel mij geen leugens en vraag mij ook niet te liegen, zelfs niet om uit een probleem te geraken. Bij leugens voel ik mij niet goed: ik verlies dan mijn geloof in wat je zegt. Wanneer ik iets verkeerd doe, vraag mij dan niet steeds naar het 'waarom'. Ik weet het zelf niet altijd. Wanneer jij je vergist hebt, geef dit dan toe. Dat zal mijn geloof in jou versterken en het zal mij leren mijn eigen vergissingen ook toe te geven.
Leer mij God kennen en liefhebben. Het heeft geen zin er over te leren op school als ik er bij jou niets van zie. Wanneer ik een probleem voorleg, zeg dan niet: 'Ik heb geen tijd voor onbenulligheden' of 'dat heeft geen belang'. Probeer me te begrijpen en te helpen. Zie mij graag en zeg het mij. Ik heb graag dat je het zegt, ook al vind je dat niet nodig.