Naar de inhoud

Mijn boeken

populaire geloofshandleiding
akke.beakke.be

Archief

5.1.5.

5.1.5.

HET JOODSE VOLK; HOE HET BEDERF DOORVRAT.

 

-         Toen de HERE u van Kades Barnea uitzond met de opdracht:

            “Trekt op en neemt het land in bezit, dat Ik u gegeven heb”,

      toen waart gij weerspannig tegen het bevel van de HERE uw God; gij geloofdet Hem niet             en luisterdet niet naar Hem. Weerspannig waart gij tegen de HERE, zolang ik u ken.             (Deut. 9:23).

 

In de vorige gedachte schreef ik het een en ander over ‘beginnend bederf’. Dat eist nog wel een rechtzetting en aanvulling. Uit het daar vermelde zou men namelijk af kunnen leiden, dat pas op het moment, dat de Israëlieten weigerden het rijk van de vijand te bestormen, het bederf begon. Nu betrof het wél een mijlpaal: voor het eerst openlijke insubordinatie. Het bederf begon duidelijker dan ooit naar buiten te treden. Maar: de kíem van dat bederf was eigenlijk al aanwijsbaar, vlak na het ogenblik, dat de Israëlieten aan de goede kant van de Rode (schelf)zee de Heer stonden te loven.

........................

Een paar maanden nadien (Exodus 19:1) was het al hevig mis. (Deut. 9:8). Ach; was het niet altijd, op die ene uitschieter na, mis gewéést!(:7). Maar bij de berg Horeb, toen de HERE zich officieel aan hen wilde verbinden(:10,11)...mensenlieve!! Terwijl Mozes die eer in extase en buiten zijn normale menselijke mogelijkheden beleefde (:9), verziekten zíj de boel (:12).

Waarom?!... hun hardnekkig niet-willen deed hen maar iets verzínnen:

“Die Mozes, met al dat griezelig-onbekende heilige om zich heen, die zien we nooit meer terug (Ex 32:1). Laten we ons, nu die beschermer-pottenkijker weg is, maar weer keren naar de vertrouwde, bekende, volgens hém onheilige dingen”.

En het was, dat Mozes voor hen in de bres blééf staan, anders zou het tóen al kwaad met hen zijn afgelopen (:9,10). Géén geloof meer in God...

En dan bij Tabéra!: kankeren...klagen...urmen...zonder dat er een bepaalde reden was (Num. 11:1). Wél gekerm, toen het fout liep (:2), maar geen echte bekering, geen geloof in de Machtige.

 

En Massa en Meriba!: nu was er wél een reden: er was geen water (Ex 17:1). Maar dat óngeduld. Alleen ónwil kan zó blind maken voor wat er al gebeurd wás. De Heer kon hoogstens wat tijdelijke goodwill bij hen krijgen; een kern van ‘badwill’ was blijvend (3). Het zal je volk maar wezen(4); zo’n volk zonder geloof in de Eeuwige.

 

Nu even een onderbreking. Toen mijn vader dit gedeelte eens aan tafel las, richtte hij zich tot over onze hoofden heen tot moeder, zeggende:

“Wat waren het toch eigenlijk lastige krengen, hè Mina. Kun jij je nou voorstellen, dat wij en de kinderen...”

Met alle respect voor mijn vader toch even het volgende: er was hier wel wat meer aan de hand dan in de levensgang van Koos en Mina:

De duivel moest het aanzien, dat het volk, waaruit ‘het grote gevaar’ ging komen, zich begon te vormen. Begrijpelijk, dat hij in deze kern-frontsector in het bijzonder de boel ophitste. Door deze kwalijke inmenging kwamen de Israëlieten onvoordeliger in beeld dan in een wat minder er op aan komende toestand het geval zou zijn geweest.

 

Vervolgens: Kibroth Hattaäwa. Nou nou...dat gebrek aan stijl hè. Ze hadden van de Hoogste Koning een vorstelijk geschenk gekregen (Num. 11:31). Nu ja; min of meer afgedwongen, afgedreind(10).

Ze wilden vlees...er kwám vlees in onvoorstelbare hoeveelheden. (32). En dan: in onbeschofte gulzigheid (34) de eerste begeerte stillen, waarschijnlijk door dat ‘vogelgeschenk’ van God rauw, misschien nog levend, naar binnen te schrokken(33).

Wat grof, wat oneerbiedig, wat liefdeloos, wat vijandbeledigend ten opzichte van de Gever. Zo náákt getuigend van gebrek aan égards mét, van geloof ín Hem.

 

En tenslotte: de klap op de vuurpijl: wanneer God een opdracht gééft, zeggen: “Neen”. Tóen helemáál leidde het niet-geloven in God tot het niet-luisteren náár en het niet-gehoorzamen áán God.

...Zó vreet het bederf door!...

 

U, wedergeborene, zullen we even –voor wat betreft ú- de boel op een rijtje zetten?

De tijd, dat het allemaal zo van een leien dakje ging, ligt al ver achter u. U zat aan de chocoladekant van het leven. Uw verslaving aan roken, drinken, eten, kalmeringsmiddelen: alles was overwonnen. Uw kwelgeesten hadden geen toegang meer tot u. Ze waren dood voor u. U zag hun lijken als het ware aanspoelen (Ex. 14:30). Toen geloofde u in God.

 

Hoe ging het daarna?...toen God dieper met u wilde gaan, maar in dat verband even uw geduld en vertrouwen op de proef stelde...?!

Met degenen, die u tot het geloof gebracht hadden, werd het contact op de een of andere wijze tijdelijk verbroken. U moest alléén in het diepe. Het was zwemmen of verzuipen. U bént verder gekomen, verdrinken is het niet geworden. U kwam er góed door.

Het was Jezus, die u er door haalde. Ik weet het, ik weet het. Ik weet ook, dat u veel betere kansen had dan dat onderontwikkelde (Ex. 2:23) volk-in-wording van tóen.

Dogmatisch is het niet verantwoord, maar ik wil van mijn bewondering voor u doen blijken. Uit de grond van mijn hart zeg ik:

            “Bravo...wat was u mooi...vechtjas...commando van Jezus. U behield het geloof in      uw Vader”.

En wat later; er was zo’n ongelukkig ogenblik in uw leven. Alle mistroostigheden vloeiden samen.

            Iedereen heeft dat immers wel eens. Een moment, dat men zegt;

“Ik weet niet, wat het is; er is toch niets bijzónders! Maar ’t is of er een steen op mijn borst ligt”.

De demonen waren er als de kippen bij, om via de diepste diepte van uw verslagenheid als stinkend modderwater op te borrelen. Maar u riep tot de Heer vanuit uw onverklaarbare benauwdheid en Hij verhoorde u uit uw onbegrepen angsten (Ps 107:6).

            “Bravo...bravo...voor Hém...voor ú...u hield het geloof in de Geprezene vast!”

 

En vervolgens; toen er écht wel reden was voor angst...voor paniek...u kon geduldig stand houden en u zag toen ook de uitreddingen van God (Ex 14:13,14).

            “Bravo, bravo, bravissimo...u liet het geloof in de Onuitsprekelijke niet los”.

 

Nu ja; het ging ook een keer schééf. Weet u wel, die keer, toen God in uw leven zegende met stoffelijke mogelijkheden. U had er zelf om gevraagd: om nu-ook-eens geld voor een luxe, winterbestendige caravan. En ja hoor: het lukte.

Jammer, heel jammer; direct, begon u er elk weekend op uit te trekken. Het ding moest z’n geld toch opbrengen, nietwaar!

Naar de sam: ho maar.

Nou, u hebt het geweten! Wat loogde u zichzelf geestelijk uit. Gelukkig; u hebt uw evenwicht hervonden. U hebt uw caravanbenutting harmonisch leren inpassen in Gods plan met uw leven.

 

Volle overwinning...nipte overwinning. Wel even in de gaten houden, dat het nooit tot een nipte nederlaag komt. De gróte opdracht kan elk ogenblik in uw leven komen, ligt er misschien al:

-         uit de loopgraaf

-         recht voor je uit rennend

-         op de muur af

-         juichen: dan zorg Ik voor het instorten van de muur (Joz. 6:20).

Hoe kan die opdracht er in de praktijk uitzien? Van de miljoenen mogelijkheden drie voorbeelden:

-         schrijf die giro. Dadelijk houdt er iemand in Tripoli-Libanon bijbelstudie. Dat is mede      mogelijk geworden door uw juichend-blijmoedig geven, niet afgeperste gift (2 Cor 9:5). Muren gaan dáár om.

-         zíng dat lied bij het ziekbed van die oude dame. Ze heeft dat nu nét nodig om haar laatste reserve op te geven. Daardoor kan ze zich overgeven aan de engelen, die haar weg willen dragen naar dáár, waar het góed is (Luc. 16:22).

-         zég liefdevol die dingen tegen deze harde, bitse man. Ren op zijn muur af. Onder de stenen schreeuwt zijn nood. U hebt het dynamiet, dat de rots verpulvert.

Zeg bij zulke opdrachten niet: “Nee”.

Laat bij dergelijke kansen het geloof in de Lichtende niet los.

Och; ik hoef mij eigenlijk ook niet benauwd te maken over u.

Toen u zich bekéérd had... ómgekeerd... was alles nog veel kritieker, kwetsbaarder dan nú.

U was toen te vergelijken met een ondeskundige, die machteloos voor een computer staat en daaruit maar geen gegevens weet lós te peuteren. En dat, omdat hij de computertaal niet beheerst.

Goed; u bespeurde uw manco. Dat was al een hele vooruitgang, vergeleken met eerdere tijden, toen Gods geheimen u geen steek konden schelen.

Maar nu u wedergeboren bent!...nu begint Gods genade de taal van het koninkrijk te spreken. Gods heerlijkheid begint gegevens aan u door te spelen. U hebt in ieder geval de code: geloof in God.

Houdt, wat u hebt!...(Op 3:11)

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Gerritse om 20:58 Reageer op dit bericht

5.1.4.

5.1.4.

Het volk Israel; hoe het bederf begon.

 

-         Ik (Mozes) zei wel tot u:

“Beeft niet...vreest niet voor (de Enakieten). De HERE uw God, die voor u uitgaat: Híj zal voor u strijden in overeenstemming met álles, wat Hij voor uw ogen gedaan heeft in Egypte en in de woestijn, waar gij hebt gezien, hoe de HERE uw God u droeg, zoals een man zijn kind draagt op heel de weg, die gij gegaan zijt, totdat gij op deze plaats gekomen zijt...”

................

Doch ondanks dit woord geloofde gij niet in de HERE uw God...

................

Die voor u uitging op de weg om voor u een plaats te zoeken, waar gij u kon legeren: des nachts in een vuur om u te doen zíen op de weg, waarlangs gij moest gaan en des daags in een wolk… (Deut.. 1:29-33)

 

Hiervóór zagen wij -5.1.3.- dat de Israëlieten ertoe kwamen in God te geloven, toen Hij hen redde uit gevaar. Een goede zaak, maar God wilde nu een grote sprong vooruit maken met hen. Niet langer zou het zijn:

            “O...o..o..o...wat deed Hij voor mij”.

Nu kregen zij de gelegenheid iets voor Hém te doen.

 

De Israëlieten waren als Abrahams nakomelingen uitgekozen om de beloften, die door God aan hém waren gedaan, verder wáár te maken. Dat uitkiezen had dus niets met hun eigen kwaliteiten te maken. Zo’n machtig, krachtig, groot volk was het nu ook weer niet (Deut.. 7:7).

De Israëlieten werden –of ze het nu wilden of niet- een voorbeeldvolk. Hun bokkensprongen in het aardse, zielse leven, hebben, tot op de dag van vandaag een parallel. Zij kunnen namelijk vertaald worden in de bokkensprongen in het hemelse, geestelijke leven van nú levende volgelingen van Jezus.

En waarom zijn de Israëlieten zo’n prima voorbeeldvolk geworden? Omdat ze zo’n prima doorsnee volk wáren. Niets menselijks was hun vreemd.

 

Overigens: -dít even tussen haakjes-: de Joden, (Israëli’s), zoals wij die tegenwoordig kennen, hebben wel opmerkelijk veel intellect in hun midden. Hun score aan Nobelprijswinnaars is in een promillage hoger dan die van welk ander volk ook. In zoverre zijn ze dus géén doorsnee volk.

En ook nog dít: een zekere extra weerbarstigheid bij hen –althans toen- kan niet ontkend worden (Jer. 5:23). In zoverre wáren zij geen ‘doorsnee volk’.

(En daarbij moet weer dit in aanmerking genomen worden: satan maakte extra werk van hen. Altijd was er de alertheid bij hem: uit dit volk komt ‘de vervaarlijke tegenstander’ voort)

 

Terug naar de tekst: er moest een karwei worden geklaard; en was een land, vol met vijanden van God, die echt de maat van slechtheid nu wel vol gemaakt hadden (Gen. 15:16). Dat land moest gezuiverd worden van die verdorven mensen.

Maar: de Israëlieten dúrfden niet

-         die mannen waren zo gróót

-         die steden waren zo sterk

-         en... er waren reuzen! (Deut. 1:28). Nog weer grotere mannen, die door hun ongebruikelijk lange nekken...

-         daarop lijken sommige namen te wijzen

-         en afwijkende hand- en voetanatomie (1 Kron. 20:6) nog eens extra eng waren.

Ze durfden niet...durfden niet.

Zat er soms ook iets van luiheid bij; iets van:

-         wel verwend willen worden,

Maar níet:

-         de handen uit de mouwen willen steken.

...................

Mozes pleitte nog:

-         niet bang zijn, ook niet voor de reuzen

-         als jullie maar mee willen werken, doet de HERE het eigenlijke werk.

-         dat deed Hij toch altijd!...waarom dan nú niet. Hij verandert toch nooit (Mal 3:6).

-         jullie hebben toch zelf als het ware zijn armen gevoeld, waardoor je gedragen werd!

-         Hij was toch altijd voor jullie op zoek naar veiligheid...en...met succes! Daarbij schonk Hij ook nog warmte of koelte, al naar het nodig was.

..................

Maar Mozes kwam er niet dóór. Ze konden...ze wilden het geloof in God niet meer opbrengen. In hun wrevel om eigen bangheid begonnen ze zelfs te zeggen, dat God bepaald een hekel aan hen had (Deut. 1:27).

 

Ik meen te mogen zeggen, dat hun onvermógen om te strijden samenhing met hun onwíl om te strijden. Hoor namelijk zo’n Mozes nu eens argumenteren...zo haast-niet-te-weerstaan...

-         als er werkelijk iets van eenswillendheid in hen zou hébben gegloeid, dan zou die gelijkgestemdheid door zulke woorden zeker zijn aangeblazen tot nieuw vuur.

-         als ze ‘nóten’ waren geweest, dan was de harde schil door zo’n oproep beslist gekraakt. Maar ze waren pruimenpitten, het vruchtvlees was eraf. Het had geen zin om op die ondoordringbaarheid te blijven kauwen. Mozes distantieerde zich op dat ogenblik echt even van hen.

Die houding veranderde niet, zelfs niet, toen hun ‘pruimenpitten’ een ogenblik wat zachter leken (Num. 14:43-44)

 

Er is een gevoelige tijd voor ‘van alles’:

-         om te leren lachen

-         om te leren lopen

-         om te leren praten.

Het is niet goed, als voor de zuigeling, de peuter, die tijd om de een of andere reden onbenut blijft.

 

Er is ook een gevoelige tijd om de Here te gehoorzamen bij elke nieuwe stap, die hij met mensen wil gaan. Er is een gevoelige tijd om in steeds weer wisselende omstandigheden te blijven bij het geloof in Hem. Toen de Israëlieten hun kans misten, kwam in die leegte het bederf binnen van...het op God schélden!

 

De volgende dag gingen ze dan toch maar ‘uit vechten’(14:40). Toen was echter Góds tijd voorbij(:41,42). Hun motieven waren ook niet zuiver. Er zat iets dóórgemengd: ze wilden hun straf (:39) ontlopen, door alsnog iets te dóen(:40). Ze vonden echter geen mogelijkheid om hun fout te herstellen, hoewel zij er misschien onder tranen naar hebben gezocht (Hebr. 12:17). Hun uitgestelde veldtocht werd een sof (Num. 14:45).

 

Nu wéét ik wel: later kwam er een herkansing. Toen juichten zij in een gelouterd geloof in God Jericho’s muren óm (Jozua 6:20). Maar:

-         veertig jaren in die vreselijke woestijn (14:33, Ex 16:35) (Deut. 1:19), terwijl het er twéé hadden kunnen zijn (Num 1:1)

-         achterdertig jaar om het bederf van die weigering ‘uit te zieken’ (14:34)

-         achtendertig jaar, waarin de weggeworpen pruimenpit in het tenietgaan (:32) openspleet om –toch nog- ruimte te maken voor de generatie van de hóóp (:31)...

Tjonge!

 

U, wedergeborene; u denkt misschien ook wel eens:

            “He nee, nu even níet! Laat nu een ander het maar eens opknappen!”

Over u komt misschien ook wel eens die lusteloosheid, die dwarsigheid, waardoor u reageert, zoals iemand, die, wanneer hij een hond wil slaan, best een stok kan vinden. God zegt ook tegen ú:

“Over die Jordaan (Jozua 3:17)...dóór Jericho héén (6:20)... niet er ómheen. De maat van de slechtheid van de boze geesten is nu vól”.

Maar u hebt allerlei bezwaren. U zegt:

            “Ach; het haalt allemaal niets uit:

o       éven bekeerde mensen worden toch weer teruggezogen

o       de verleidingen van het leven zijn zo groot

o       de troeven van de gang van zaken, zoals die nu eenmaal ís, zijn zó sterk: die trein is niet te stoppen

o       de afleiding door allerlei slogans is zo indringend....zo reusachtig”.

 

Dan haalt het niet uit, of anderen zeggen:

-         “Niet bang zijn”.

            Dat is de kwaal immers niet, waaraan u leidt; die kwaal heet eigenlijk: ónwil.

-         “Blijf God helpen”.

            U hebt er geen aardigheid meer in; dát is het.

-         “God wil jóu helpen”.

            Ach, het verveelt zo, om dat te horen.

-         “Gedragen worden, behaaglijke warmte, verkwikkende koelte”.

            Allemaal: wóórden...wóórden...

........................

Een gevaarlijk ogenblik; het kómt. U bent allemaal maar: Jan Modaal.

Niets menselijks is ook u vreemd. Weerbarstigheid is er ook bij ú.

Wanneer het komt en u doorstaat het niet goed –u wordt zelfs wantrouwend jegens God- moet u die repetitie tóch overdoen. En de tijd van de herkansing kan vervelend lang uitblijven.

Ach; ik geloof, dat u toch best wel eens de vluchtende reuzen ná zult hollen en de sterke muren óm zult juichen.

Maar als u het bederf van het blasé-zijn ook maar éven toelaat, doet u zoch mogelijk voor een lange tijd schade. Laat daarom uw harde bolster nú kraken, zodat de blanke pit tevoorschijn komt. Trek geen wissel op de toekomst door uzelf op te zadelen met de in ieder geval nú nutteloze pruimepit-rol.

Wanneer het moment komt, doe dan als Jezus: houd de duivel Gods woord voor (Matth 4:4). Zeg:

-         ik vrees niet (Ps 27:1)

-         ik ben bereidwillig (1 Kron. 28:9)

-         ik weet, dat God mij helpt (Ps 28:7)

-         ik wil door Hem geholpen worden (2 Kron. 18:31)

-         ik weet, dat Hij mij tot hiertoe gebracht heeft (1 Sam 7:12)

-         ik wíl door Hem verder gebracht wórden (Psalm 43:3)

-         k weet, dat God mij dáárheen zal leiden, waar het góed is (Psalm 23:1). Daar wíl ik ook heen!

-         ik wil de koestering van zijn warmte (Deut. 1:31) en de zaligheid van zijn zachte bries (1 Kon. 19:12) voelen

-         ik wil in Hem blijven geloven en ik dank Hem, dat Hij ook dáárin helpt.

.................................

Dan krijgt het bederf geen kans.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Gerritse om 22:07 Reageer op dit bericht

5.1.3.

5.1.3.

Abrahams nakomelingen: eerst pioniers!

 

-         Toen (zij op het droge midden door de zee gingen) zag Israël, welk een machtige daad de HERE tegen Egypte gedaan had; en het volk vreesde de HERE en zij geloofden in de HERE en in Mozes, zijn knecht (Exodus 14:31)

Altijd slaaf geweest in Egypte (Deut. 24:18)...dan: tien geweldige gebeurtenissen (Ex. 7-12)... als vrije mensen weggegaan (Ex. 12:41); dát had het volk Israël meegemaakt.

Daarna toch: de twijfel...

-         waar zijn we mee bézig. Dit is toch eigenlijk idioot.

-         als slaven hadden wij een triest-arm leven, maar er was zekerheid (12).

-         Mozes belooft ons een blij en rijk leven, maar wat zijn er een ónzekerheden.

-         wás die farao nu eigenlijk wel zo kwaad?

-         is God nu écht wel sterk.

-         ís die Mozes nu wel zo goed; is hij geen gevaarlijke fantast(11).

Dan bewijst de farao, dat hij heus wel een kwade is (:5-8).

God bewijst zijn kracht; zij hebben licht, de onderdrukker duisternis (20).

....en Mozes?!...terwijl iedereen gilt van angst (11) ontketent hij met die staf van hem een elfde, alles overtreffende gebeurtenis (21).

Over drooggevallen zeebodem trekken zij hun volledige bevrijding tegemoet (22). En dan verandert er wat; nog niet voor altijd...was het maar waar...maar er is toch iets nieuws: een miljoenenvolk staat God te loven en te prijzen voor zijn máchtige daden.

In een groot volk is vertrouwen ontstaan in een door God gegeven leider en...wat méér is: eerbiedige verbondenheid áán en geloof in God.

..............

Wat een slag voor satan. Al duizenden jaren is hij muren aan het optrekken tussen God en de mensen. Een enkele pionier –zo’n Abraham bijvoorbeeld- brak er dóór...keek er overheen; dat was érg.

Maar nú: een heel volk, nota bene afstammelingen van die man: breekt door...heeft ‘de blik’!... dat is erger.

Een heel vólk van pioniers en als het ware een profetie van eens een hele wéreld voor God (Jes. 2:2). Dat is voor hem het ergste.

 

U –die dit leest- herkent u er iets in?!: u was ook een slaaf van uw negativisme en van uw doemdenken.

 

...u begrijpt: dit geldt niet voor u allen. Ik haal er zo maar eens een van mijn gesprekspartners uit.

..........................

Dat verhaaltje van u sprong er in alle discussies weer even uit, weet u nog wel:

“Mijn leven is zinloos. Ieders leven is zinloos. Helpen heeft geen zin. Je verlengt alleen zinloos lijden”.

Tjonge; wat was u een lolbroek. Wat een vrúcht droeg u. Hé...pffff...bij de herinnering krijgt u het nóg warm (Rom. 6:21).

En later...was u bekeerd en op weg naar het land van God. Maar: Egypte lag niet helemaal áchter u. Er ging nog heel wat ‘Egypte’ ín u en mét u mee (Num. 11:4).

Het geprakkiseer begon:

-         u telde met die sombere babbel vroeger toch méé. De mensen hadden de pest aan u, maar toch: u had uw plek. In de algemene disharmonie zorgde u voor uw eigen vaste wanklank.

-         die evangelist, die u tot Jezus leidde...en al die andere Christenen: wat zijn dat eigenlijk voor mensen. Die denken vast en zeker over u:

            “Hij is d’r enkel en allenig voor de centen en de rest is flauwekul”.

-         en God?!...alles is bij Hem zo hóóg...zo rúim...zo báng makend licht... zo weinig vertrouwd.

Je vroegere bekrompen, benauwde, lekker donkere denkwereldje, zo vertrouwd toch; je zou er soms wel weer naar terug willen kruipen (2 Petrus 2:22).

En toen kwam die stresssituatie, herinnert u het zich nog? Alles leek tegen u samen te spannen. Uw vroeger leven trachtte u te heroveren. En o...wat was het rót...wat was u blíj, dat de naam van Jezus zo’n sterk fort was om naar toe te vluchten (Spr. 18:10).

Uw medegelovigen waren góed: ze sleepten u er dóór; het gíng hun niet om uw centen, maar om uw héil!

En God!...; wat deed Hij toch voor heerlijks: er kwam een zee tussen u en alles van vroeger. U steeg óp in zijn hoogte. U haalde opgelucht adem in zijn ruimte. U baadde onbevreesd in zijn licht!

U looft en prijst Hem, bent aan Hem verbonden als een kind aan een goede vader. Er is een nieuwe relatie. U gelooft niet áán Hem, maar ín Hem. U bent wedergeboren!

Goed zo; pionier tussen vele pioniers. Laat de vijand het maar weten: de waarheid is op mars en niets zal haar tegenhouden. (La vérité est en marche en rien ne l’arrêtera).

 

Ik zie u staan in de sam; handen hoog uitgestrekt, handpalmen horizontaal, naar boven geópend.

Wat bent u –geestelijk gezien- hemels mooi, u, die vroeger zo ‘aartslelijk’ was. U wilt zoveel mogelijk van Jezus ópvangen... óntvangen...: uw houding drukt het uit.

Het lied wordt gezongen:

            “Want U o Heer, bent God, de Allerhoogste”.

Die strofe:

            “Ik verhoog U...ik verhoog U...ik verhoog U...o Heer”...

Ik weet, wat u ervaart. Terwijl u Hem verhoogt; terwijl u bezig bent om uw geloof ín Hem uit te zingen, komt er iets ván Hem bij u binnen. Maar ach, dat doet er ook niet toe. Het heerlijke, dat binnen komt drukt het futloze denken weg. Plaats wordt gemaakt voor sterk licht vol sterke daden (Dan. 11:32).

Ga door pionier. Geloof ín God leidt tot ruimte vóór God.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Gerritse om 20:51 Reageer op dit bericht

5.1.2.

5.1.2.

Abraham: een pionier

Abraham geloofde in de HERE en Hij rekende het hem tot gerechtigheid (Genesis 15:6)

 

-         God ziet de mensen heel anders dan zij zichzelf en anderen zien. Mensen zijn geneigd buitenkanten te zien, maar God kijkt dieper. (1 Samuel 16:7)

Neem nu Gideon. ‘Een antiheld’, zouden wij zeggen. Zit –bangelijk verscholen voor de bezetter van zijn land- wat illegale voedselvoorraden aan te leggen (Richt 6:11). Maar een engel zegt namens God tegen hem....dat hij een dappere held is!(12). Raar hè; zag God dat wel góed?...Nou...en of!: de ‘held’ in Gideon moest even uit zijn slaapje worden gehaald, maar: hij wás er wel! Anderen werden zelfs door zijn uitstraling bezield (7:20).

 

Wel; zo wist God ook mest Abraham, wat voor ‘vlees Hij in de kuip had’, (nu ja: eigenlijk: wat voor géést). God begon steeds duidelijker van alles te beloven. (Gen. 12:2,3,7; 13:14-17), omdat Hij wist, dat er pit in die man zat.

Wat was dat nu een belangrijk kernpunt in de omstandigheden, waaronder deze beloften geschiedden? Veel draaide hierom: Abraham en zijn vrouw waren al oud, toen hun voor de eerste keer beloofd werd, dat zij samen een kind zouden krijgen. (Goed, goed, ik wéét, dat Abraham toen nog Abram heette, maar dat laat ik nu maar even).

In de tijd, waarin het in de hierboven vermelde leidende tekst voorviel, waren ze al weer óuder. Maar Abraham geloofde nu nóg, dat God waarheid sprak. Zo’n geloof ontstaat niet als gevólg van stormen; zo’n geloof is er, ondanks de stormen. Zulk een geloof blijft voortdurend bij het eens aan de Heer geschonken vertrouwen.

Natuurlijk is het wél zo, dat stormen een reeds aanwezig geloof uiteindelijk positief beïnvloeden.

U zult opmerken:

“Ja; maar Abraham twijfelde toch dikwijls. Er was toch die kanjer van een uitglijder, die toestand met Hagar, weet je wel (Gen 16:4)”.

Zie dat nu eens zó: er kan aan de oppervlakte van de geloofszee een geweldige golfslag zijn bij zware storm; dat doet echter aan de diepere zekerheid niets af.

En de beloning? Abraham wás door zijn geloof niet rechtvaardig en wérd er ook niet rechtvaardig door. Maar God zei:

“Zijn geloof is een beslissend processtuk bij de beoordeling van zijn leven. Wanneer Ik zijn dossier doorblader en Ik vind daar dit stuk, dan is mijn oordeel positief. Dan hóud ik hem voor rechtvaardig”.

 

Dit is het eerste duidelijke voorbeeld in de bijbel van dit soort situaties. Daarom had ik het over ‘een pionier’. Wat betekent dit evenwel nú voor ú? Kent u –ondanks alle gesukkel aan de oppervlakte van uw leven- daaronder de stille wérkelijke zekerheid van uw hechte verbondenheid met God? Dan is die verbondenheid úw geloof in de Heer. Vast en zeker komt Hij u dan eens een keer begroeten en ook u een held noemen. Al voelt u zich nog zo zwak, getuig dan toch maar met Hem mee (Joël 3:10). Hij heeft het heus wel goed.

God komt dan ook bij u met zijn beloften. Hij probeert u echt wel even uit, om te zien, wat er ín u zit (Deut. 8:2).

Echter: als Abraham zult u kunnen volhouden. Wanneer de duivel bij u komt om u te doen twijfelen aan uw eeuwig heil, zult u kunnen zeggen:

            “Satan; er staat geschreven:

                        ‘Geloof in God wordt als rechtvaardigheid toegerekend’:

Door genade héb ik de papieren...ik ben veilig (Ps. 4:9). Wijk in de wonderbare naam van Onze Heer Jezus Christus, de Zoon van de Levende God”.

Nu kán het zijn, dat het geloof in God als fundamentrést bij u aanwezig is...of mogelijk ook als fundamentbegin.

Wel; hoe staat de zaak er bij u voor?:

-         U hebt zich bekeerd.

-         U staat Gods Geest toe, u nieuw te maken door de wedergeboorte.

-         Kritisch bekijkt u uw daden, of ze al nieuw zijn en stralend of nog vaal en oud.

(Ik neem immers aan, dat u zich het vroeger door mij geschrevene eigen hebt gemaakt).

Alle voorwaarden zijn aanwezig, om uw fundament te herstellen, dan wel uit te bouwen. Wees daar maar blij over, vertrouw maar, dat God ook in dit opzicht uw gebed verhoort...dan dóet Hij het ook (Mark. 11:24).

....................

Ik kom nog even terug op Abraham...hij had een niet-te-betalen schuld aan God. Zoals alle mensen (Rom. 3:23) was ook hij door verkeerd denken en doen hopeloos ver van de Heer weggeraakt. Door zijn geloof in God was hij echter zó succesvol, zo creditwaardig naar de normen van God, dat zijn schuld via die ‘credit card’ in de eerste aanleg werd verrekend. In tweede aanleg hoefde hij dat kaartsaldo niet zélf aan te zuiveren. Dat deed Jezus voor hem (1 Cor. 6:20).

 

Hiervóór viel even het woord ‘succesvol’. Ik borduur daarop nog even door.

......................

-         Succes bij God is zo iets anders dan succes bij ménsen. Er zijn net zo veel soorten mensensuccessen als er mensen zijn. Een punkjochie met een rat op zijn schouder maakt de blitz in zíjn milieu. Een rijke zakenman met een verzameling antieke auto’s in het zijne. Zij zijn de overwinnaars in hún kring.

-         Geloof in God echter maakt u tot een overwinnaar over satan. Dat succes telt voor God. Dán bent u een overwinnaar in zíjn ‘cercle’.

Nog iets:

-         De wereld kent: overwinnaars

-         God kent: méér dan overwinnaars.

Schijnbaar gaan die superhelden onder, maar: ze buigen een nederlaag om tot victorie. Nu kennen wij dat begrip ook wel op aarde, maar toch niet zó diep.

Denk maar eens aan:

-         De drie mannen in de gloeiend hete over (Dan. 3:24, 25)...en toen was er...die víerde!

-         De getuigen van Jezus, die gedood worden (Op 11:7) en herleven (11)

-         Jezus’ stervende aan het kruis (Matth. 27:50); met nog daarvóór al: die uitroep! (Joh. 19:30).

Geloof ín God opent de weg naar overwinning mét God.

.....................

 

Abraham en Saraï werden nóg ouder: hij: honderd...zij: negentig (Gen. 21:5, Gen. 17:17). Geen twijfel desondanks bij hem (Rom. 4:20), noch bij haar (Hebr. 11:11).

Van de zeventienjarige Ismaël, Hagars zoon, is een vreemd, lelijk streekje in de bijbel opgetekend (Gen 21:9). Ik leg dat voorvalletje uit als een zure-druiven-reactie. Hij zal heus wel eens gedacht hebben:

            “De erfenis is voor míj!”

Volop nederlaag voor de oudjes. En toen tóch: die sprakeloze vreugde, die overging in gelach(Gen 21:6):

            “Ha...ha...ha...ha...ha...I...za...ak”.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Gerritse om 19:13 Reageer op dit bericht

5....5.1....5.1.1.

Deel vijf van bijbelstudie:

 

HET NIEUWE LEVEN

 

                                               Wedergeboorte

 

                                               Werkelijk in God gaan geloven

 

-Trait d'union met vorig deel:

                                               Ik heb geantwoord:

Jan; we zijn bezig om de bezem te halen door alle doods, onnut gedoe. We leggen de loper uit voor al wat leven en nuttig is….. Maar: er is méér….. Ik verlang er zo naar, om werkelijk in God te gaan geloven! …..Ons leven kreeg een nieuwe glans….oud huisraad wérd door nieuw vervangen. Ik verlang echter naar God….helemaal als ‘het Middelpunt van ons denken’ “

 

 (Joke in 4.8.8.4.)                                          

 

 

WEDERGEBOORTE: WERKELIJK IN GOD GAAN GELOVEN

 

Hoofdgedachten:

-         Geloof in God: het was er al in het verre verleden                                                  5.1

-         Geloof in God: het was er al in het verleden                                                                      5.2

-         Geloof in God: het is er en het zál er zijn                                                               5.3

-         Geloof in God: veredelt het diepste van uw wezen                                                 5.4

-         Geloof in God: veredelt de oppervlakte van uw wezen                                                      5.5

-         Geloof in God: verrijkt uw oppervlakkige contacten met mensen                           5.6

-         Geloof in God: verrijkt uw diepere contacten met mensen                                     5.7

-         Geloof in God: verrijkt uw contact met….. HEM                                                  5.8

 

Ons verhaal:

-         De deining in de groep bij de vál van Jan; de vreugde bij zijn weer ópstaan                       5.9

 

5.1.0.

Hoofdgedachte:

GELOOF IN GOD: HET WAS ER AL IN HET VERRE VERLEDEN.

Gedachten:

-         Inleiding: 5.1.1

-         Abraham: een pionier: 5.1.2

-         Abrahams nakomelingen: eerst pioniers: 5.1.3

-         Het volk Israël: hoe het bederf begon: 5.1.4

-         Het joodse volk: hoe het bederf doorvrat: 5.1.5

-         Het volk van de belofte: welke gevolgen het bederf had: 5.1.6

-         Hoe andere volken soms even de banier overnamen: 5.1.7

-         Hoe Abrahams nakomelingen zich soms in de kaart lieten kijken: 5.1.8

-         Hoe Abrahams nakomelingen nieuwe kansen kregen: 5.1.9

-         .

5.1.1.

Inleiding

 

Zullen we eerst even babbelen over de opzet van deze studie?...

Werkelijk in God gaan geloven:

-         Onderdeel van het fundament: (Hebr. 6:1)

-         Gevolg en nadere uitwerking van de wedergeboorte

-         Voorbereiding op de doop in de Heilige Geest.

 

Allereerst: in welk ráám past dat geloof

 

Wel: even het verband met de vroegere studies:

In de inleidende studie, nummer 0, vertelde ik, dat ik het achtereenvolgens wilde hebben over:

-         De omkeer náár God

-         Geboorte úit God

-         Dopen (afkomstig) ván God

-         Genezing dóór God

-         Gaven (afkomstig) ván God

-         Vrucht vóór God

-         Karaktervorming dóór God

-         Begripsvernieuwing dóór God

-         Toekomst mét God.

Voor ik nu verder op de stof indook, bracht ik eerst het verhaal, binnen het kader waarvan alles paste, (bijbelstudie één):

-         Van God, die eeuwig is

-         Van zijn Woord en zijn Kracht, die eeuwig zijn en die door ons benoemd worden als

o       Gods Zoon

o       Gods Heilige Geest

-     Van de schepping van dienaren van God: heerlijke geestelijke wezens –engelen- in een heerlijke geestelijke sfeer: de hemel

-     Van de schepping van kinderen van God, heerlijke geestelijke en stoffelijke wezens –mensen- in een heerlijke geestelijke én stoffelijke sfeer: de aarde

-         Van opstand van engelen, bederf van mensen, chaos

-         Van het zich opofferen van Gods Zoon, beginnend herstel van mensen, diepere harmonie

-         Van overwinning van Gods Zoon, vóórtgaand herstel van mensen, diepere harmonie

-         Van eindoverwinning, eindherstel, totále harmonie

 

Negenennegentig procent van alle bijbelstudies betreft het gedeelte: beginnend herstel van mensen.

In bijbelstudie twee schetste ik de eerste aanzet: bekering.

In bijbelstudie drie de wedergeboorte.

In bijbelstudie vier de levende werken van de wedergeborene.

In bijbelstudie vijf zal het nu gaan over het sprankelend geloof van de wedergeborene.

 

Ik beperk mij tot het teksten, die van ‘geloof’ en van ‘geloven’ spreken. Binnen dat kader beperk ik mij dan weer nader tot de teksten, die spreken van geloof in God...De Here...Jezus (Christus)...de naam...de Zoon. Zo beperkt, gaat het toch nog om eenenzeventig teksten.

 

Er is nog een ándere lijn. In 4.2.1 vertelde ik van een zwarte, van binnen lichtloze kubus. Wanneer er op een knop gedrukt werd, ontrolde die kubus zich tot een schitterend, lichtend kruis.

 

Weet u nog:

 

 

 

-         Bij de wedergeboorte sprong zijde D open

-         Bij het afrekenen met dode werken zijde E

-         Nu- acht hoofdgedachten, 72 gedachten lang, duwen we tegen zijde F. Wanneer die omklapt, is er weer wat meer van dat kruis zichtbaar. Daarna de ‘Jan-Joke’ verhalen, het tekstenregister en: …we haasten ons al weer naar de volgende kubuszijde. Maar dan zijn we al weer bij deel 6.

 

Daar gaat-ie.

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Gerritse om 00:00 Reageer op dit bericht

4.7.5., tweede deel

Tweede deel


U –wedergeborene- heeft nu heel het geweld ondergaan van het in vele punten tot u brengen van levende en dode werken. Bravo voor uw incasseringsvermogen. Hebt u het geloof behouden?! Ik hoop van wel. Anders zou ik mijn doel danig hebben voorbijgeschoten.

Misschien tobt u:

            “Hé, wat moet ik nu aan veel dingen denken!

o       ik kan niet eens lekker zingen in de sam; daar is die vinger: gaat het je niet teveel om die mooie stem van jou?

o       En in m’n handen klappen; wéér die vinger: zit daar niet iets demonstratiefs in?”

Kom nou, u weet best, dat ik het niet zó bedoelde. Onthoud nu tenminste eens dit:

Vele geslachten vóór ons moesten zich met een pont behelpen. Wij hebben een vierbaansbrug ter beschikking. U hoeft niet zo krampachtig te denken:

            “Waar zit iets doods in mijn werk, dat ik toch zo levend wens.”

Neem eens een voorbeeld aan die Joden van vroeger.

Ze waren zó blij met die offers van bokken, stieren en vaarzen. Ze waren zó razend opgelucht, wanneer bloed of reinigingswater hen had besproeid. Zelfs, wanneer hun óórlel maar was aangeraakt

-         eerst met bloed; ‘nee’ tegen het negatieve,

-         daarna met olie: ‘ja’ tegen het positieve,

sprongen ze al een gat in de lucht.

Die wet van tóen; die moeizame weg… gaf hun al zó’n blij gevoel van reiniging en heiliging. Ze dansten van vreugd (2 Sam. 6:5) voor die wet (Jer. 15:16).

… U hebt zoveel méér! Jezus, de koninklijke Wegbereider, helpt u met zijn intense kracht. U hoeft niet bang te zijn, dat u iets vergeet. Hij helpt u om er aan te denken. Wees ook maar eens heerlijk ontspannen blij om zíjn bloed, zíjn offer. Dat offer reinigt u niet alleen in de bovenlaag van uw persoonlijkheid. Nee; het maakt u schoon in heel uw bewustzijn, ja, op de duur zelfs in uw onderbewuste en uw onbewuste.

 

Vind uw muziekinstrument maar niet te klein. Zet uw piccolo aan de mónd. Als u het niet doet, tikt de grote Concertmeester wis en zeker bij de repetitie af en zegt:

            “Waar zijn die heel hoge, ijle fluittonen?”

Blaas dóór!

Hebt u een triangel… nog zo iets…: die priemende, doordringende klank, denk er niet te gering over. Piccolo en triangel: ze horen er in hun nietigheid tóch bij.

Wanneer dadelijk het grote koor losbarst (Op. 5:9), doet het u nut, dat u het kleine werk niet geschuwd hebt (Zach. 4:10). Wie weet overigens, welk instrument u dán bespeelt.

Wanneer de oudsten hun kronen neerwerpen voor Jezus’ voeten om Hem te huldigen (Op. 4:10), stemt u daar volledig mee in .En u zingt met al die anderen zó uit volle borst, dat de hemeldorpels trillen (Jes. 6:4).

-         Dank U Jezus, U hielp mij beslissend bij de doorbraak naar Gods hart.

-         Dank U Jezus, U hielp mij af van wat doods is en mij scheidde van de Levende.

-         Dank U Jezus, U hielp mij bij het verkrijgen van wat levend is. Nu zie ik God, zoals Hij is (1 Joh. 3:2).

-         Dank U Jezus, U hielp mij om het vuil weg te kloppen en te blazen.

-         Dank U Jezus, vanuit Sion zegen ik U (Ps. 118:26).

 

Toch nog even een opmerking achteraf. Ik doe dat niet graag, het maakt alles wat rommelig. Ik kon die aanvulling echter niet meer in de tékst verwerken.

 

Dat vóórbeeld hè, van die pont en die brug: dat ging tóch mank De tijd van het herstel was er vóór Christus niet. De toegang tot Gods heiligdom –waarvan wij nu mogen genieten- was nog niet vrij (Hebr. 9:8). Het was nog niet de tijd van uitgedelgde (Hand. 3:10), uitgewiste (Col. 2:14) zonden. Men moest zich nog behelpen met bedekking (Ps. 32:1) van die zonden.

Nee, de pont van tóen bracht zelfs de besten van toen een etappe minder ver dan nu mogelijk is met de brug (Matth. 11:11).

Sneu, maar niet het laatste woord. Op de tribune (Hebr. 12:1) moedigen de gelovigen van tóen de ploeg van nú aan. Ze roepen in koor:

            “Help ons bij dat laatste stukje.”(Hebr. 11:40).

 

U maakt deel uit van die eindselectie. Stel onze supporters niet teleur. Leg alles, wat belemmert, af. (Hebr. 12:1).

 

Scoor…!!

Vak E valt open (zie 4.2.1.).

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Gerritse om 20:38 Reageer op dit bericht

4.7.5., eerste deel

4.7.5.

Jezus wil ons helpen om eensgezindheid met God te bereiken

 

-         Als reeds het bloed van bokken en stieren en de besprenging met de as der vaars hen, die verontreinigd zijn, heiligt, zodat zij naar het vléés gereinigd worden, hoeveel te meer zal het bloed van Christus, die door de eeuwige Geest Zichzelf als een smetteloos offer aan God gebracht heeft, ons bewústzijn reinigen van dode werken om de levende God te dienen (Hebr. 9:13, 14).

 

Jezus is voor ons –gelukkigen- een geweldig, onovertroffen fundament om ons geloof op te bouwen (1 Cor. 3:11).

Vroeger – in de tijden vóór Jezus- gaf God echter ook al steunpunten om dat geloof aan vast te hechten. God had aan het volk, waaruit Jezus geboren zou worden -de Joden- allerlei rituelen gegeven. Hij gaf hun als eerste opdracht om dierenoffers te brengen.

 

Maar de tweede opdracht was: gelóóf, dat je na die offers gereinigd bent van naar buiten bekend geworden zonden. Die reiniging is je deel door het bloed van zulk een ritueel gedood dier. Die heiliging heb je door de as van zo’n ritueel verbrand rund. Gelóóf, dat je gereinigd en geheiligd bént, wanneer je met zulk bloed of met zulke –in water opgeloste- as bent besprenkeld.

Die prachtige symbolieken hadden de bedoeling om het volk Israël te oefenen in het geloof. Door die geloofsoefening zouden zij een volk apart blijven. Door die ‘apartheid’ zouden zij in staat zijn, hun grote eindtaak te vervullen: Jezus voort te brengen. Met alle vallen en opstaan hebben zij dat doel dan toch maar bereikt…: dat is echter op dit ogenblik niet aan de orde.

Evenwel: zo’n offerdier kon niets meer doen, nadat het bloed had gevloeid: zijn bestaan was afgelopen. Uiterlijk –naar het vlees- was wel alles in orde, maar innerlijk hoefde dat níet het geval te zijn. De wórtels van allerlei misdragingen konden niet worden aangetast. Die wortels waren in het ínnerlijk ingebracht door demonen, geestelijke wezens. Bloed van de aardse dieren had in die sfeer geen macht. Het wachten was op de Beloofde.

-         Zíjn bestaan zou voortduren, ook nadát zijn bloed had gevloeid.

-         Zíjn bloed zou wél macht hebben in de diepere regionen.

-         Hij zou het pad banen om werkelijk met God samen te groeien.

 

Even een voorbeeld: vele jaren geleden reisde ik eens naar een Zeeuws eiland met een pont. Een moeizame tocht. Naast de voortploegende boot was een brug in aanbouw. Maar daar had je nog niets aan. Later ging ik wéér, over de inmiddels gereedgekomen brug: een hemelsbreed verschil.

 

Waarom lijkt het voorbeeld ietsjes mank te gaan. De pont bracht je, waar de brug je bracht, alleen veel omslachtiger.

De oude riten kónden een mens niet brengen, waar Jezus later de zijnen naartoe zou leiden. Dat wil echter nu ook weer niet zeggen, dat alle mogelijkheden voor dieper denken afgesloten waren voor mensen uit vroeger tijd. Velen vonden de weg naar een beter ontwikkeld innerlijk leven en riepen ook anderen daartoe op. Denk maar aan al die honderden schitterende uitspraken van de profeten. In zoverre was er toen toch ook wel een pont, die je uiteindelijk dáár bracht, waar je zijn moest. Daarom kon Abraham –in die bekende gelijkenis- ook tegen de rijke man zeggen:

            “Met Mozes en de profeten kom je overal. Méér is niet nodig.” (Luc. 16:29).

Weet u nog, dat die rijke man nog eenmaal tegensprak:

            “Nee; iemand, die uit de dóden opstaat: dat is het pas helemaal!”(Luc. 16:30).

Abraham stelde ook dát toen hogelijk discutabel (Luc. 16:31). Wel, zíj hébben nu Iemand, die uit de doden is opgestaan: Jezus. Wat Mozes en de profeten zeiden, heeft Híj nog veel duidelijker gezegd. Abraham was sceptisch ten aanzien van de positieve uitwerking van zulk een geweldig gebeuren. Voor wat betreft vele mensen, krijgt hij gelijk: zelfs dát haalt niet uit.

Maar voor degenen, die zich tóch al zouden hebben laten overtuigen door Mozes en de profeten, hen die eigenlijk al bij God horen (Joh. 17:6) geldt dit:

Zij hebben nu een Jezus, die met zijn offer doeltreffend de kloof overbrugde, die de mensheid scheidde van het heerlijke, klaterende, feestelijke, wederzijdse begrip met de Schepper. Zij hebben een Jezus, die hen uit het doodse werk met de wanklanken tílt naar het levende werk vól harmonie.

Zij hebben nu een brug in plaats van een pont.

En wát voor een brug: ik verlaat nu even de beeldspraak. Het bloed van een offerdier bracht al iets positiefs teweeg. Maar bloed van een zich voor medemensen aan God opofferend méns: dat heeft méér kracht.

En wát voor een mens! Smetteloos: helemaal overeind gebleven in de strijd tegen de zonde.

Vervuld met Gods Geest: niet alleen had het donkere kwaad geen tóegang, maar een zee van het goede licht straalde van Hem uit. Niet zomaar: overeind gebleven, maar: meer dan overwinnaar.

En dan nog die extra dimensie! Al maakte Jezus al die dingen, die Hij voor ons deed, als mens dóór: daarachter was toch ook –hoewel niet uit te leggen- zijn  Godheid.

Zo Iemand… voor Wie het offer dan ook nog eens een bewuste dáád is: Peilloos ver verheven boven een dier, voor welk dier het offer dan ook nog eens ‘gewoon een lot’ is.

Die kracht reinigt onze hele denkwereld van alle lariekoek, alle show, alle flut-ideetjes, alle dood werk. Die kracht brengt ons vast en zeker op een dergelijk peil, dat wij het wáárd en dat wij in stáát zijn om de levende God te dienen met levend werk.

 

            Jézus breekt elke keten,

            Jezus bréékt elke keten,

            Jezus breekt élke keten

            … en Hij maakt ons vrij.

 

Hij maakt ons ook vrij om onze hand in de hand van de Vader te leggen.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Gerritse om 21:57 Reageer op dit bericht

4.7.4.

4.7.4.

Het is goed om de staketsels, die eensgezindheid met God in de weg staan, af te breken

 

-         Ieder moet zijn eigen werk toetsen, dan zal hij slechts voor zichzelf stof tot roem hebben en niet voor een ander (Gal. 6:4).

 

In dit schriftgedeelte wordt als eerste aanbeveling gedaan om niet direct een medegelovige om een gemaakte fout in elkaar te rammen. Niet teveel praatjes wanneer een ander eens ‘uit de rails loopt’. Je hoort je eigen zwakke plekken te kennen. Ook voor jóu kan er een verleiding komen, die je scheef doet gaan. Als het zover komt, zal je blij zijn, als fijne, geestelijke mensen je zachtmoedig, zonder onnodige beschadiging weer in die rails tillen (6:1). Wel, doe zélf aan anderen, wat je zou willen, dat die anderen aan jóu deden (Matth. 7:12).

 

Niet ongeduldig worden, wanneer je de onhandigheden en lompheden van medegemeente-leden zo overduidelijk ziet. Ze zien ze van jóu ook. Ieder mens heeft zijn grofheden en tactloosheden, al behoort hij die niet te hóuden. In een groep gelijkgezinden word je met je neus gedrukt op de tekortkomingen van een klein gedeelte van de totale mensheid. Het is fout om te zeggen:

            “De mensen van buiten de kerk zijn beter dan die van daarbinnen.”

 Het is júist om te zeggen:

“Ik oefen erin om de onvolkomenheden van de mensen, die ik in gemeenteverband ontmoet, te verdragen. Ik ruim met Gods hulp bij mezelf alle staketsels op van arrogantie, neus-in-de-wind-stekerij en spoedige beledigdheid. Niets mag mijn eensgezindheid met God in de weg staan.”

 

En dan zoudt u verder kunnen overwegen:

Zo oefen ik ook in de liefde. Christus heeft die voorgeleefd jegens alle mensen. Als ik volhoud  de kleine groep ‘oefenexemplaren’, die gevormd wordt door mijn kring, te verdragen en lief te hebben, is dat een prima training. Zij zijn een dwarsdoorsnede van de hele mensheid. Als ik met hén kan leren leven, hén door alles heen liefhebben, komt daaruit een groots product te voorschijn. Ik kan dan namelijk op de duur voor de héle mensheid tot een zegen zijn (Gal. 6:2).

… Ik verbeeld me niet, dat ik ‘super’ ben; zó dom vergis ik mij niet meer. Anderen moeten ook wel eens wat wegslikken, wanneer ze míj bezig zien. Ik reken op hún elasticiteit. Zij moeten ook op de míjne mogen rekenen (:3).

… en dán volgt de tekst, die aan het begin van deze gedachte is vermeld.

… Ik toets hun werk niet… ik zeg niet:

            “Wat brengen zij het er goed af.”

of:

            “Wat brengen zij het er slecht af.”

Ik vergelijk ook mijn werk niet meer met dat van hen:

-         Geen meerderwaardigheidscomplex… ik máák er wat van: uit hún handen komt níets.

-         Geen minderwaardigheidscomplex… wat doen zíj veel voor de Heer. Wat ben ík, daarbij vergeleken, een onbenul.

Maar: wat toets ik wél? Of míjn werk overeenstemt met wat God míj aan mogelijkheden geeft:

-         Ik heb geld; pas ik het door mijn offerbereidheid in Gods plannen in.

-         Ik heb bestuurskracht. Heb ik terecht laatst die voorzittersfunctie geweigerd, omdat ik ’s avonds thuis wilde zijn. Voldeed ik zo wel aan mijn roeping van Godswege?

-         Ik heb een goede stem. Smaal ik terecht op het iele geluid van ons koor? Zie ik wel voldoende Gods plan om door míjn inzet hun sound voller te maken?

Kijk, wanneer je jezelf zó nagaat, en alles zit voor je besef redelijk goed, dan kun je zeggen:

“Dank U Heer, dat U met mij bezig bent. Ik roem uw werk in mij. Dank U Heer, dat u met iedere Christen uw weg wilt gaan. Dank U, dat ik niet over hún prestaties hoef te roemen, maar dat ik mag roemen over mijn eigen innerlijke staat. Die is door uw genade aan het verbeteren. Ik geef mijzelf rekenschap voor eigen daden. De gevolgen voor wat ik ooit verkeerd deed, aanvaard ik dapper. Het zijn mijn eigen verantwoordelijkheden. Maar wat bén ik blij, dat mijn werk van nu geen zúre, maar zóete druiven draagt. Wat is het goed, dat ik met Gods hulp de versperringen geruimd heb, die een vrije en onbelemmerde communicatie met Hem in de weg stonden. Wat is het goed, dat ik het dode werk van het mechanisch omgaan met anderen heb afgezworen. Dát bracht eensgezindheid met God geen millimeter dichterbij. Levend, bewust, liefdevol omgaan met ander ménsen: dát helpt om de route naar eenswillendheid met Hém vrij te maken…”

 

U –wedergeborene- hebt al geleerd om een medegelovige, die fout is gegaan, te ontzien.

Iemand in de gemeente dronk teveel… kwam er vanaf. Nu overliep u hem thuis… en … hij was volledige in de lorem.

Vroeger zou u zich misschien van hem afgekeerd hebben:

-         Hopeloos geval.

-         Geen eer aan te behalen.

-         Moet er altijd ín worden onderricht, zonder er ooit áchter te komen (2 Tim. 3:7).

-         Ach, maar laten gáán.

Maar nú hebt u de moeite genomen om hem even in dat slappe, ontredderde gezicht te kijken. Uw hardheid, die er eerst wel wás, ebde weg. Met iets heel zachts in uw binnenste begon u hem moed in te spreken. Wat bleek! Er was een verlokking in zijn leven gekomen. Die verleiding was zó zwaar, zó listig, dat het terugvallen in het oude kwaad in een ander licht kwam te staan: geen brute zonde van onverschilligheid, maar een overtreding door misleiding. U blies opeens veel minder hoog van de toren: dacht aan uw eigen innerlijk met ándere zwakke plekken: hoogmoed, nauwelijks te breidelen fantasie (Gal. 6:1).

 

U –wedergeborene- was nog kort vóór die wedergeboorte in een eerdere opbouwfase: de bekering. Wat kón u zich toen máteloos ergeren, wanneer u naar de verwaten, geborneerde kopjes keek van anderen, die in hetzelfde stadium verkeerden. Uw inzicht wás al scherper geworden na uw omkeer tot God. Het was echter nog niet verdiept door liefde van Godswege. Daardoor kon u de andere pas gestarten amper verdragen. Nú ziet u, dat verdragen een wederzijdse zaak is. U stelt zich duidelijk voor ogen, dat anderen in de omgang met u ook over schokbrekers moeten beschikken. Wanneer uw levensschip met dat van een medegelovige in aanvaring dreigt te komen, houdt u er afdempende lagen tussen.

Lagen van liefde, begrip en innerlijke aanvaarding. De onnutte uitsteeksels aan dat levensschip heet u afgevijld. Ze kunnen niet meer door hun vasthaken aan andere scheepjes de vaart er bij ú uithalen. En, u breidt dat liefdevol verdragen gaandeweg uit van de engere kring van medegelovigen tot de ruimere kring van de hele mensheid (6:2).

 

U –wedergeborene- spiegelt zich niet meer aan anderen. Ten dele is zulk gespiegel een aangename bezigheid: zo op het oog is het werk van anderen veel minder dan het uwe. Ten dele is het een vervelende activiteit: er zijn volgelingen van Jezus, die veel méér doen dan u. U gaat alleen uw eigen opdracht na. De bijbel geeft zoveel richtlijnen:

-         Geeft u zich volledig aan de gemeente, waar u bij hoort.

-         Ondersteunt u uw medegelovigen met gebed.

… mogelijk zijn er profetieën over u uitgesproken: richt u zich naar de aanwijzingen en terechtwijzingen daarin? (1 Tim. 1:18).

Licht u zelf eens door: is alles goed met u?

Dan kunt u zeggen:

“Dank U Heer, dat ik door uw genade ben, wat ik ben en heb, wat ik heb. Dank U Heer: het is niet wáár, dat de jeugd de toekomst heeft. U hebt de toekomst en ín U heb ík die. Dank U, dat U ook in anderen werkt. Ik heb er gelukkig geen inzicht in, hoe het met hen staat. Dank U Heer, dat U mij een tang hebt gegeven om al het prikkeldraad door te knippen, dat mij van uw omarming afhoudt.

Dank U Heer, dat mijn dode werk dáár ligt, achter die gesloopte wegversperring. Met het levende werk van ware mensenliefde rén ik in uw armen.

Laat de bulldozer van uw liefdevolle tuchtiging (Hebr. 12:11) de resten van de barricade maar opruimen. Ik steek de vlag uit voor het opbouwend voorthelpen van de ander en het stevig aanpakken van mijzelf.”

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Gerritse om 22:01 Reageer op dit bericht

4.7.3.,tweede deel.

Tweede deel

Tot zover Paulus. Geparafraseerd (zoals gewoonlijk).

 

U –wedergeborene- hoef ik niet zoveel meer te vertellen. U heeft de grote zegen van milde offervaardigheid zelf al ontdekt. In uw woekeren met uw weinige gaven toonde zich al goed, veelbelovend zaad. Een honderdvoudige oogst komt er aan (Matth. 13:8).

 

Toch even een vraag. Is uw hart blijmoedig gebleven, óók toen u, na de scheuring in uw gemeente, als zijnde melaats, werd uitgekreten. Bent u afdoende hersteld van uw verwonding, toen u als zondebok de woestijn in werd gestuurd? Kunt u alles, wat aan u werd toevertrouwd, geld, maar ook inzichten van Godswege, uitdelen vanuit een blij hart? Hebt u alle bitterheid beleden, eerlijk die aan God uitgezegd en Hem om vergeving gevraagd? Dán is die voormalige bitterheid geen liegende slang meer van binnen. Dan heeft u in plaats daarvan een gordel er waarheid rondom u gekregen (Ef. 6:14). Alle verdere uitmonsteringstukken van uw hemelse wapenrusting kunt u eraan vastmaken. Alleen blijmoedigheid leidt u tot volle vrijmoedigheid bij het uitdelen van al het goede, dat aan u is geschonken.

Ik zíe u ríjk worden. Er vállen tranen bij het met brede zwaaien uitwerpen van woorden van troost en redding. Het is echter een weergaloze diepte-investering. Op de dag van de oogst komt aan uw gejubel geen eind (Ps. 126:6). U hoeft echter niet te volstaan met op die dag te wáchten. Nú al maakt God u blij door zijn bemoediging. God beloont u opnieuw: een omhoog draaiende spiraal. God zegent een offerrijk leven. Een goede start met het eerste, wat levend werk kan worden: uw geld.

Eensgezind met God besteedt u een ruim, maar niet onredelijk deel (Lev. 27:30). Steeds weer zegt u bij nieuwe verrassingen van vindingrijkheid en durf en originaliteit en krachtontplooiing:

            “Ik wist niet, dat ik het in me had!”

 

Wég met alle krampachtige geldingsdrang, met de dwang van:

             “Ik moet me waarmaken.”

Alleen maar dat ontspannen beetpakken van Gods hand. Niet meer dat gespitste letten op duizend gevaren. Aan Vaders hand blijmoedig door het drukke verkeer. U bent dan veiliger voor de altijd weer andersoortige bedreigende situaties dan u ooit door eigen oplettendheid zou kunnen zijn. Durf de originele gedachte te volgen, die na gebed tot God in uw hart opkomt. Gebruik veel meer uw duizenden geestelijke oren en gebruik wat minder die ene lichamelijke mond (Maar dit terzijde).

Wanneer uw salaris binnenkomt: geeft God de eerstelingen (Gen. 4:4): levend werk. Wacht niet met geven, tot u iets overhoudt: dood werk; u kunt wachten tot Sint Juttemis.

U hebt zo’n wonderbaar rijke Vader. Hij denkt in zulke juichende termen als:

-         alle genade

-         overvloedig

-         schenken

-         altijd van alles genoegzaam voorzien

-         alle goed werk

-         uitdelen

-         eeuwige gerechtigheid.

Het is állemaal voor ú.

……

U hebt het begin van het miljoen gevonden. God zorgt, dat u ook het eind vindt. Er groeit in u iets van kameraadschap met God, vrucht van levend werk. Het is het begin van een harmonische vriendschap. Die is van Gods kant gekenmerkt door koninklijk geven.

Van uw kant staat daar tegenover: een zich vrijmoedig uitstrekken naar steeds meer (Ps. 81:11).

Toen u bij uw giften alleen nog maar dacht:

            “Ik mag het toch van mijn inkomen aftrekken”,

was er geen blijmoedigheid, die tot eensgezindheid met God leidde. Nu die doodse gedachte wat naar de achtergrond is geweken, wordt u door levend, bewust geven steeds meer eenswillend met God. U voelt zich stees meer ‘aandeelhouder in zijn zaak’ (Jes. 53:12).

 

Weg dus met alle schrielheid. De weg vrij voor de mildheid. En: God doet de vensters van de hemel open (Mal. 3:10).

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Gerritse om 20:58 Reageer op dit bericht

4.7.3. eerste deel.

4.7.3.

Een goed begin van eensgezindheid, verkregen door levend werk, wordt door God voortgestuwd naar oneindige harmonie

 

-         Wie karig zaait, zal ook karig oogsten, en wie mildelijk zaait zal ook mildelijk oogsten. Een ieder doe, naar hij zich in zijn hárt heeft voorgenomen, niet met tegenzin of gedwongen, want God heeft de blijmoedige gever lief. En God is bij machte alle genade in u overvloedig te schenken, opdat gij, in alle opzichten, te allen tijde van alles genoegzaam voorzien, in alle goed werk overvloedig moogt zijn, gelijk geschreven staat:

“Hij heeft uitgedeeld, aan de armen gegeven: zijn gerechtigheid blijft in eeuwigheid” (2 Cor. 9:6-9).

 

De hierboven aangehaalde teksten kunnen uiteraard vanuit verschillende standpunten worden beschouwd. In de hiernavolgende overdenking, volg ik déze leidraad:

Levend werk zal zich dikwijls het eerst manifesteren in het blijmoedig uitschrijven van giro’s ten behoeve van het werk van God. Dit bescheiden begin kan zich ontwikkelen tot een veelheid van levend werk. Door Gods ondersteuning komen wij met behulp van dat levende werk Hem steeds meer nabij.

 

Paulus richt zich in dit schriftgedeelte tot een groep Christenen, die grote verwachtingen heeft gewekt door bereidheid tot het brengen van offers in geld. Hij geeft richtlijnen voor een grote collecte daar ten behoeve van noodlijdende gelovigen elders. En dan ‘zegt’ hij…(vrij weergegeven):

…………..

Doe nu niet je best om vooraan te staan bij die collecte uit een soort prestatiezucht. Als je er innerlijk tegen rebelleert, doet het je geen nut. Als je er min-of-meer toe genóópt wordt door je wil om je weer eens goed te profileren, doet het je innerlijk geen goed. God heeft alleen blijmóedige gevers lief. Gevers met ‘gespannen kaken van de inspanning’ kan Hij niet zo echt zijn liefde ten vólle mededelen. Ga niet op je tenen staan, laat je ook niet opjutten, maar overleg innerlijk met God. Voer uit, wat daarna als beslissing in je hart komt bovendrijven. Weet echter wel dit: als er in verhouding tot je mogelijkheden weinig uitkomt (Mark. 1:41), dan zullen jullie zegeningen navenant zijn: maar lala…

Maar kijk nou uit, als er in verhouding tot je mogelijkheden, veel uitkomt (Mark. 12:42-44); dán: geen woorden daarvoor!

Laat ik het toch eens proberen, die woorden te vinden:

Jullie geven geld; God geeft genade…

Jullie geven ‘flink wat’. God geeft overvloedig.

Hij heeft de mácht ertoe, Hij kán het en Hij dóet het.

Begin maar vrijmoedig te geven van wat je hebt, doe dat ene goede werk, waartoe je in ieder geval wél bij machte bent: naar vermogen geven van je inkomen in geld. Dat is een mogelijkheid, die iedereen wel heeft. Het is een goed begin van eensgezind zijn met God; meedenken met Hem. Het is levend werk, waar Híj een geweldige kracht aan geeft. Die kracht voert dat bescheiden, overzienbare begin tot een overvloedige, onoverzienbare, oneindige climax.

Wát ga je namelijk zien?! De Heer gaat je meer goed werk toevertrouwen. Nu ben je scheutig met geld. Wat wordt je loon en je toekomst?! Overvloedig zijn in álle goed werk. In alle opzichten, in getuigen, troosten, onderwijzen en vermanen, wil God je altijd alles geven om goed bevoorraad en bewerktuigd te zijn. Nú offer je nog geld voor de armen in stoffelijk opzicht. Wat is de bedoeling en het perspectief? Je zult de blijde boodschap van Jezus, je zult de bemoediging, lering en wegaanwijzing maar voor het úitdelen hebben. De wereld is vól armen-in-niet-stoffelijk-opzicht. Je vooruitzicht is, dat je ook díe zult kunnen helpen. Je zult géven en géven en zélf eeuwige gerechtigheid krijgen. Meestal heb je aan het begin van je goede werk voor God alleen geld, soms maar heel weinig. Als je zegt:

“Heer, ik geef het door U aanbevolen gedeelte áán U (Hebr. 7:5). In feite ís het immers allemaal ván U (Ps. 50:10; Haggaï 2:9).”

Dan wordt dat dode geld door die eensgezindheid met God levend! De Geprezene geeft er steeds meer bij: ik noem maar wat: goed kunnen zingen en liefdevolle oplettendheid en warme belangstelling en opbouwende opmerkingen…; o, die symfonie van gave na gave na gave. Dat gáát maar door van hoogtepunt naar hoogtepunt.

Naarmate uit dat begin van je levende werken het doodse wijkt, ga je Gods bedoelingen steeds beter begrijpen. Je krijgt steeds beter aansluiting op zijn plannen. Jouw instrument valt in Gods harmonie uiteindelijk altijd op de júiste momenten in.

………………..

Tot zover Paulus. Geparafraseerd (zoals gewoonlijk).

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Gerritse om 19:03 Reageer op dit bericht

Meer van Mijn boeken

↑ Terug naar de berichten