Zaterdag 15 december 2007
3.2. Hoofdgedachte: Wedergeboorte brengt u vanuit het opvangcentrum in Gods rijk zélf. Gedachten: - Voorbeeld uit het dagelijkse leven 3.2.1…
3.2.
Hoofdgedachte:
Wedergeboorte brengt u vanuit het opvangcentrum in Gods rijk zélf.
Gedachten:
- Voorbeeld uit het dagelijkse leven 3.2.1.
- Vertaling van het voorbeeld in geestelijke begrippen 3.2.2.
- Hoe een man, die Gods kritiek in het hart van zijn zelfkritiek durfde plaatsen, een plaats kreeg in Gods hart
3.2.3.
- Van een deur, die openging, toen een andere deur in het slot sprong 3.2.4.
- Hoe een vrouw, die tegen de stroom in durfde te roeien, de oever van het geluk bereikte
3.2.5.
- Van sleutels, die kónden worden gebruikt, nadat een andere sleutel wás gebruikt 3.2.6.
- Hoe een man door goede, geestelijke contacten afrekende met een wáárdeloos verleden en uitzicht kreeg op een waardevólle toekomst
3.2.7.
- Hoe een vrouw, die ontvankelijk was voor edele en grootse gedachten, edele en grootse ervaringen kréég
3.2.8.
- Hoe ú attent kunt zijn op de vele manieren om de toegangspoort naar het goede land te laten opengaan
3.2.9.
3.2.1.
Voorbeeld uit het dagelijkse leven.
De directeur:
"Zo Jansen, je had een onderhoud aangevraagd? Dat komt goed uit; ik had je tóch al eens bij me willen roepen. Maar nu jíj er over begonnen bent, laat ik het aan jou over, het initiatief te nemen; vertel eens!".
Jansen:
".U weet, mijnheer, dat ik hier nu drie maanden als schaderegelaar werk. Ik heb het naar mijn zin, dat is het punt niet. Laat ik echter heel eerlijk zijn: ik kán me haast niet voorstellen dat u allemaal hier nu zo verrukt over míj bent. In normale omstandigheden, op een gewoon doorsnee kantoor, zou ik mij wel duizendmaal bedenken, voor ik zoiets zei. Maar de sfeer is hier zo ánders; hier durf ik een vertrouwelijk gesprek veel beter aan. Ik weet op dit ogenblik eigenlijk niet zo veel meer te zeggen; wat zijn nu eigenlijk uw indrukken, als ik vragen mag; ik zou zo graag, naast alles, wat ik al weet, de áánpak van hier erbij willen hebben".
De directeur:
".Je bent ijverig en van goede wil, dat is buiten kijf. Je draagt evenwel nog teveel herinneringen aan vroeger mee. Ik weet uiteraard, waar je tot drie maanden geleden elders schaderegelaar was. Ik weet echter meer: ik kén de sfeer en de tactiek daar. Hun voornaamste doel is: beknibbelen op elke schadevergoeding, met behulp van alle formele gronden, die ze maar kúnnen bedenken. Daarbij gaan ze desnoods tegen de rechtvaardigheid in. En tóch vliegen ze er soms op een heel domme manier in. Bij óns gaat het kóninklijk toe. Déze vraag stellen wij: wat is récht? Naar formele gronden om uit te komen van onder dat wat rechtvaardig is, zoeken wij niet; wij zíjn niet 'penny wise'.
Aan de andere kant hebben wij onze ogen wíjd open voor échte gevaren. Wij zijn ook niet 'pound foolish'. Dat is, wat wij hier hebben en wat jíj nog mist. Je moet niet iets hebben 'erbij', je moet iets hebben 'in plaats ván'.
Jansen:
"Ik word hier eigenlijk een klein beetje mierig over. Ik heb in mijn vorige baan toch véél geleerd. U doet maar net, of ik daar niets aan heb, of ik het maar beter vergeten kan .Ik had er toch óók een goede positie. Ik kán me haast niet voorstellen, dat ik de zaken altijd principieel verkeerd heb gezien. Ik heb toen van harte meegedaan aan alles, zoals het daar reilde en zeilde. Het is zo'n verdrietig idee, om te moeten denken, dat het verknoeide jaren zouden zijn geweest".
De directeur:
"Je hebt míj niet horen spreken over 'verknoeide jaren'. Noem het 'leerjaren'. Overigens: je wilde zélf overstappen, omdat de sfeer daar jou niet beviel. Wat is de kern van de moeilijkheid?!
Jij draagt de geest van je vorige firma nog mee: een zonderling mengsel van benepenheid, waar het tientjes, en verspilling waar het duizenden betrof.
Weet je, je moet de geest van onze zaak indrinken. Hoorde je daar even, toen de deur een poos open was, de chef van je afdeling bezig met een telefoongesprek? Híj heeft de esprit-de-corps', dat vriendelijke, voorkomende, royale, evenwichtige en deskundige, dat het kenmerk is van onze zaak.
Lúister naar hem; ik weet, dat dóe je al, maar nog méér; totdat je 'aangepast aan jóuw persoonlijkheid- doet als hij, denkt als hij.
Dan word je als het ware íngeboren in de zaak, dan ga je deel uitmaken van 'de familie', dan wordt de zaak een deel van jou; en jij een deel van de zaak".
Jansen:
"Maar hóe?... wanneer weet ik nu, dat ik het héb' dat ik er dóór ben".
De directeur:
"Ik kán je niet precies uitleggen, hoe dat gaat. Maar; je hébt de juiste gezindheid. Op enig ogenblik zal er de zekerheid bij je zijn:
'Het ís er, hún stijl is de míjne, ik heb hun denkpatroon aanváárd. De tijd van het kleine denken ligt achter mij' .
Spreken we af, dat je doorgaat zoals nú? Laten wij het dan hierbij maar laten".
3.1.4. Hoe iemand maar blééf denken aan de wereld van alle dag en zo in de versukkeling raakte. Laten we nu eerst alles weer eens op een rij…
3.1.4.
Hoe iemand maar blééf denken aan de wereld van alle dag en zo in de versukkeling raakte.
Laten we nu eerst alles weer eens op een rijtje zetten. Wáár waren we mee bezig?! Hiermee: bekeerden mogen gaan zitten in de eerste klas van Gods kleuterschool. Verslóffen ze evenwel de lessen, dan komen ze niet écht met God in geestelijke gemeenschap. Ze krijgen dan niet dié vrucht uit de genomen bekeringsbeslissing, die er bij volhouden zou blijken in te zitten.
Stilstand is achteruitgang: wie zijn door liefde aangedreven ijver verzaakt, valt van een hoogte (Op. 2:5). Het zout wordt smakeloos (Matt. 5:13). Wat kún je veel kwijtraken, als er veel aan je gegeven is.
Bij die redenering zochten we bijbelse voorbeelden. De keus was beperkt: géén figuren zoals Saul of de Farao van Egypte. Nee; écht veelbelovende mensen, die nét niet het vermogen hadden om de zaak af te ronden. Uzzia was de eerste: hij híeld de band met de hoogmoed maar aan.
Wat dacht u van Demas als tweede. Hij kón het maar niet laten om de pleziertjes van het gewone leven te blijven 'eten'.
Ik heb niet honend over Uzzia gedaan, ik heb ook álle begrip voor Demas. Maar: t blijft een sneue story.
- (Paulus zegt):
" De geliefde geneesheer Lukas en ook Demas laten u groeten (Col. 4:14)".
" Demas, mijn medearbeider laat u groeten ".(Philemon 24)
(maar veel later moet hij zeggen):
- Demas heeft mij uit liefde voor de tegenwoordige wereld verlaten (2 Tim. 4:10).
Eerst is Demas bij Paulus, een medearbeider temidden van de andere medearbeiders. Wat ís die jongen bij de in-crowd (de kernmensen). En daarna laat hij Paulus alleen. Dat woord 'verlaten' is zó geláden. Paulus staat kort voor zijn terechtstelling. Wanneer zijn hand om hulp zoekt bij Demas, tast die hand op een lege plek.
Demas hiéld zo van het volle, bruisende, meeslépende leven. Het kón het niet uit zijn gedachten zetten; hij móest er van eten.
Daardoor verloor hij het zicht op het vóllere, oneindig veel meer bruisende en meeslepende leven op hoger plan. Wat zou deel geweest zijn van dat nieuwe leven in grotere stijl? Hij zou zijn teamleider hebben kunnen troosten in diens moeilijkste ogenblikken. Wat een eer, wat een ervaring, om het goede werk te doen, dat God voor hem kláár had liggen (Ef. 2:10).
Terwijl Paulus wanhopig naar hem zocht, genoot hij wellicht met volle teugen van de een of andere áárdse vreugd.
Maar elk aards plezier was toch van onbeschrijflijk veel lager allooi dan de hemelse blijdschap, die hij had kúnnen hebben. Zó verdonkerde het goud (Klaagl. 4:1); zó versukkelde zijn leven tot een dertien-in-een-dozijn-bestaantje.
En u?!; kunt u dat nieuwe leren bankstel, dat nu éindelijk bij u bínnen staat, misschien wel 'met uw ogen opeten'. Dolle pret, nu u daarenboven ook nog eens het enig juiste plaatsje voor de poef hebt gevonden. Maar: op een plein vlakbij zwoegen in de evangelisatiekaravaan veel te weinig volwassenen met veel te veel kinderen. Spijtig denkt een van hen aan uw hulp nog vorig jaar.
Bij gebrek aan opvang dáár gaan kinderen zonder nagesprekje naar huis. U staat zich intussen híer te vermeien in uw nieuwe staande lamp.
Zou u toch maar niet gauw die les in onthechting aan het al-te-stoffelijke gaan volgen? Zou u maar niet teruggaan naar uw lokaal in het oefenkamp??
Even terzijde; zeg nu niet:
"Ger háát vrouwen met hart voor het interieur van hun huis".
Helemaal niet waar. Het accent ligt heel anders; als u eerst het koninkrijk van God zoekt (Luk. 12:31), wordt u daarnaast ook nog eens een betere huisvrouw, misschien wel een super (Spr. 31:10-31).
3.1.3. Hoe iemand, die hebbelijkheden niet losliet, zichzelf ontriefde. Uzzia (een koning van Israí«l), zocht God, zolang (zijn leermeester)…
3.1.3.
Hoe iemand, die hebbelijkheden niet losliet, zichzelf ontriefde.
Uzzia (een koning van Israí«l), zocht God, zolang (zijn leermeester), die hem onderrichtte in de vreze Gods, leefde en : zolang hij de HERE zocht, maakte God hem voorspoedig. God hielp hem tegen (zijn vijanden) ; hij klom tot een toppunt van macht, wónderbaar werd hij geholpen, totdat hij machtig geworden wás.
Maar tóen..." werd zijn hart zó hoogmoedig, dat hij zeer snood handelde en ontrouw werd jegens de HERE zijn God (door priesterdiensten te willen verrichten, waartoe hij geen bevoegdheid had).
Terwijl (Uzzia) tegen de priesters (die hem waarschuwden), toornde, brak melaatsheid uit aan zijn voorhoofd.
Háástig dreven ze hem vandaar weg en ook hijzélf haastte zich naar buiten te gaan Hij was melaats tot de dag van zijn dood . (2 Kronieken 26:5,7,8,15,16,19,20).
Uzzia deed het goed. Een prima dominee hield hem op koers. Alles, wat hij ondernam, gelukte hem (Ps. 1 v 3). Zolang hij Gód maar zocht.
Maar; het zijn sterke benen, die de weelde kunnen verdragen. In al die jaren van samengaan met de Heer had hij geen orde op zaken gesteld. Hij had vérder kunnen komen, díeper met de Heer kunnen gaan leven: hoogmoed, nóóit ten bloede toe bestreden (Hebr. 12:4), hield hem tegen.
Toen zijn leraar was overleden, trok die hoogmoed hem geleidelijk aan wég. Een sluipend proces, dat opeens naar buiten toe bleek. Hij wilde iets bereiken dat - gegeven die tijd - niet voor hem was weggelegd. Hij wás koning, maar wilde óók priester zijn: en : wég carrière.
Daar héb je nu zo'n man; in het doorlaatkamp; uitzicht op steeds maar betere dingen. In het lesrooster daar komt echter het vak 'hoogmoed' niet voor. Het vak 'ootmoed' daarentegen wél. Tot het úiterste vermaand, wilde hij geen les nemen in ootmoed.
Toen bracht hij zichzelf buiten het bereik van God, Die altijd alles maar béter, mooier wil maken. Hij kwam binnen de werkingssfeer van de dodende machten (Job 33:22), die altijd alles maar slechter, lelijker willen maken.
Hij wilde de les van de ootmoed niet leren: Nu leerde hij een les van de ervaring; maar die zijn heel duur.
Kijk, dat is het nu, wat ik bedoel: het nieuwe leven, waarin u met uw bekering de eerste, aarzelende stappen deed, verdraagt zich niet met oude hebbelijkheden. Geen nieuwe bruisende, tintelende wijn in oude, versleten zakken vól materiaalvermoeidheid (Mark. 2:22). U bént bekeerd, maar ga even na: is het uw sterke omgeving, die u overeind houdt, die het bederf weert? Prijs de Heer voor die omgeving, maar tóch kunt u beter het bederfwerende zout in uzélf hebben (Mark. 9:50). Zo bar als het Uzzia verging, zult u het wel niet meemaken. Echter: elke pijnlijke ervaring, die men aan eigen tekorten heeft te wijten, is een verdrietige zaak.
Even een opmerking terzijde: Uzzia heet ergens anders Azarja (2 Kon. 14:21). Sommige mensen wijzen daarop met een zeker plezier:
"Zie je wel, dat de bijbel ook niet onfeilbaar is!"
Het is een gemakkelijk te verklaren verschilletje, maar het lijkt wel, of ze van geen verklaring willen weten, alsof je ze met een redelijke uitleg een mooi speelgoedje afneemt. Ik denk dan wel eens: kinderachtig eigenlijk. Bombarie maken over elk vermeend of echt rimpeltje in de tekst. Het gaat toch niet om de letter, maar om de Geest, de algemene strekking (2 Cor. 3:6).
Er is een zegswijze: wie een hond wil slaan, kan licht een stok vinden. Als men de bijbel niet wíl aanvaarden als richtsnoer voor eigen leven, is een alibi gauw gevonden. Let wel deze gedachte geldt niet algemeen voor alle mensen, die op dergelijke oneffenheden wijzen. Ga echter uzelf na, of ú wel eens gedacht hebt:
0Moet je toch hóren; dan zal de rest wel navenant zijn".
Zaterdag 24 november 2007
3.1.2. Vertaling van het voorbeeld in geestelijke begrippen. Wat hebben wij tot dusver gedaan? Deel één, het 'raamverhaal' hebt u gelezen; d…
3.1.2.
Vertaling van het voorbeeld in geestelijke begrippen.
Wat hebben wij tot dusver gedaan?
Deel één, het 'raamverhaal' hebt u gelezen; daar ga ik althans van uit. Daarin werd deze algemene samenvatting gegeven:
God en de mensen horen bij elkaar. Gods vijand - de duivel - heeft die samenhang kapotgemaakt. Gods Zoon - Jezus - heeft het verband hersteld. Om nút te kunnen hebben van dat herstel dienen mensen vrijwillig en zo volledig mogelijk met Jezus mee te werken. Doen ze dat, dan zijn onvoorstelbaar fijne dingen mogelijk.
Deel twéé maakte uitvoerig duidelijk, wat het verbroken zijn van de samenhang tussen God en de mensen inhoudt: ieder mens is eigenlijk op een slechte weg, die hem of haar steeds verder van God wegbrengt.
Oók werd in deel twee uitgelegd, wat het betekent, als Jezus het verband herstelt. Ieder mens kan op een goede weg komen, die hem of haar steeds dichter naar God toebrengt.
U hebt gelezen, hoe spannend en inspannend die eerste passen van Jan en Joke, hun vrienden en vriendinnen verliepen. U hebt ook gelezen, hoe hevig Schreeuwschrik (2.6.6.1.) en Klankvol (2.6.2.2.) bij de hele toestand betrokken waren. Schreeuwschrik doet al zijn best om het hele stel op de slechte weg terug te drukken. Klankvol doet wat hij kan om hen in het goede spoor te leiden en te houden. Beiden denken daarbij niet op de korte, maar op de lange termijn.
In dit verband zal u één ding heel duidelijk geworden zijn: bekering is een eerste stap. Er moet iets bijkomen. Het gewonnen terrein moet worden geconsolideerd. Gebeurt dat niet, dan maakt men het gemakkelijker voor de demonen en moeilijker voor de engelen.
Ik vond de opmerking heel waardevol, die Joke aan het eind van deel twee maakte (2.6.4.9.). Die Jo is eigenlijk een erg schrander meisje. Ze had iets extra's nodig om de vreugde van haar bekering te kunnen vásthouden. Dáár kwam, wat ze zei, op neer.
Díe uitspraak is het koord, waarmee deel twee aan dit deel drie vastzit. Want wat dat 'iets extra's inhoudt, gaan we nu bezien.
Voorlopig wég bij Jan en Joke: de zaak op ú toegespitst.
Ú bent iemand, die bekeerd is. U hebt de slechte weg verlaten en bent op de goede gekomen. U bént in het doorlaatkamp. U bént aan de ingang van Gods rijk. God -de grote Gezaghebber - staat gereed om u te begroeten. Hij wil u helemaal gelukkig maken. Hij wil u sfeer en stijl van zíjn land leren, totdat u die niet alleen ként, maar één daarmee bent. Nú bent u nog een beetje als het volk Israel in de woestijn, wél wég uit Egypte, maar nog niet in het beloofde land.
Veertig jaar, een lánge, lánge tijd zwierven zij rond (Num. 14:33). Voor ú behoeft dat zwerven geen veertig jaar te duren.
Als u wílt, kunt u snel dóórstromen.
Ik zou toch zo graag zien, dat u déze instelling had; (zie voor het tegendeel 3.1.1.):
- wél contacten hier: mijn belang is er mee gediend, als mijn levensritme doordrongen wordt van de Geest, die híer heerst.
- Geen banden meer met vroeger. Niet meer eten, niet meer lezen, niet meer zien zoals daar.
- Géén uitstapjes daarheen, geen samenwerking met dwarsdrijvers in het doorlaatkamp. Niets mag mij hinderen om gereed te zijn voor de grote cursus. Ik zit kláár. Kom maar óp met die lessen.
Als u zo bent gezind, gaat de scholing beginnen en heel spoedig daarna 'gaan de hekken open'.
Nu kunt u mogelijk zeggen:
"Ger, wat doe je móeilijk. Ik héb me bekeerd; ik bén in Jezus gaan geloven om- nou ja, om zekerheid te hebben voor de toekomst- om later in de hemel te komen zogezegd. En jij wil maar steeds méér- nu wedergeboorte- daarna weer wat anders. ik vóel het al aankomen. Ik ben er zeker van, dat het genoeg is, als ik mij aan Jezus vasthoud, als ik zijn naam te hulp roep in moeilijke ogenblikken (Joel 2:32).
Mijn antwoord: ik zeg ook niet, dat u het Godsrijk níet bereikt. Maar waarom na lang uitstel (Op. 20:5), ziek (Op. 22:2) en beschadigd (Op. 2:11).
Hoe verder u zich in dít leven door Jezus laat leiden, van hoe minder ver behoeft u in het toekomstige leven te komen.
Lees het vertelde in de hierna volgende punten eens. U zult daar horen over mensen, die op de goede weg wáren. Toch brachten ze zichzelf in moeilijkheden, doordat ze;
- banden met vroeger aanhielden
- bléven eten, wat ze al aten
- bléven lezen, wat ze al lazen
- de dingen bléven zien, zoals ze die vroeger zagen
- op nieuw leven gerichte contacten verwaarloosden
- naar het oude leven terug zuigende contacten activeerden.
Deel drie van bijbelstudie: HET NIEUWE LEVEN Wedergeboorte U kunt niet zonder en: U hoeft niet zonder. Trait d'union met vorige deel: "Jan; …
Deel drie van bijbelstudie:
HET NIEUWE LEVEN
Wedergeboorte
U kunt niet zonder en:
U hoeft niet zonder.
Trait d'union met vorige deel:
"Jan; ik wou iets vertellen van mijn giropas. Ik heb hem al jaren en hij is nóg schoon en heel en toonbaar: door dat beschermende laagje er over;
luister: Wij zijn brieven van Jezus. Maar zullen wij schoon en heel en toonbaar blíjven? Ik zoek naar het beschermende laagje".
(Joke in 2.6.4.9.)
WEDERGEBOORTE; U KUNT NIET ZONDER; EN U HOEFT NIET ZONDER
Hoofdgedachten:
- Bekering brengt u in het 'opvangkamp' van Gods rijk; laat u niet terugpraten. 3.1.
- Wedergeboorte brengt u vanuit het opvangkamp in Gods rijk zélf. 3.2.
- Wedergeboorte? Geestelijk geboren worden? Wie zijn dan moeder en vader van het nieuwe leven?!
3.3.
- Geestelijk geboren worden leidt tot een beter zicht op Jezus en op onze medemensen.
3.4.
- Geestelijk geboren worden leidt tot een beter inzicht in Gods Koninkrijk.
Het geeft ook meer inzicht in 'koninklijk leven'.
3.5.
- Geestelijk geboren worden (wedergeboorte) leidt tot toenemende kracht. 3.6.
- Geestelijk geboren worden leidt tot overwinning. 3.7
3.1.
Hoofdgedachte:
Bekering brengt u in het opvangkamp'' van Gods rijk; laat u niet terugpraten.
Gedachten:
- Voorbeeld uit het dagelijks leven. 3.1.1.
- Vertaling van het voorbeeld in geestelijke begrippen. 3.1.2.
- Hoe iemand, die hebbelijkheden niet losliet, zichzelf ontriefde. 3.1.3.
- Hoe iemand maar blééf denken aan de wereld van alle dag en zo in de versukkeling raakte
3.1.4.
- Hoe iemand, die voor alles en iedereen aandacht blééf houden, in de vernieling kwam.
3.1.5.
- Hoe iemand, die de dingen altijd maar zo aards blééf zien, heel rare dingen ging doen.
3.1.6.
- Hoe mensen, die van goed onderwijs géén gebruik maakten, het spoor bijster raakten.
3.1.7.
- Hoe mensen, die naar medestanders zochten, om samen op-de-rem te trappen, uiteindelijk zichzelf uitrangeerden.
3.1.8.
- Hoe u waakzaam kunt zijn ten aanzien van al die honderden manieren om uw toegangsbewijs kwijt te raken.
3.1.9.
3.1.1.
Voorbeeld uit het dagelijks leven.
Stel: iemand emigreert naar een ander land. In dat andere land stelt men zijn komst erg op prijs. Maar tóch hebben de gezagdragers déze gedachte:
"Het is niet voldoende, dat hij náár ons toekomt, hoe blíj we daarmee ook zijn. Nee, het is pas áf, wanneer hij helemaal gelukkig is geworden bíj ons. Het is allereerst nodig, dat hij onze levensstijl en levenssfeer helemaal leert begrijpen. Daarom gaan we alle binnenkomende gezinnen een scholing geven. Wanneer ze daaruit komen, moeten ze onze stijl en sfeer niet alleen kénnen, neen: ze moeten die hébben. Eerder komen ze niet écht binnen".
U begrijpt, dat de houding van de binnenkomenden erg belangrijk is. Wanneer de grensoverschrijders denken:
- géén contacten; ik ben hier niet voor hún sfeer en stijl, maar om mijn eigen belang te dienen.
- Zo véél mogelijk banden met het land, waar ik vandaan kom. Ik blíjf eten en lezen, wat ik dáár at en las. Ik blíjf de dingen zien, zoals ik ze dáár zag. Ik ga bij elke mogelijke gelegenheid met verlof dáárnaar terug.
- Ik zoek hier de mensen op, die er net zo over denken als ik. Sámen vormen wij een vooruitgeschoven post van 'ons eigen land' in deze vreemde omgeving.
dan wordt de omscholing erg verzwaard.
Tijdenlang blijft de immigrant in het 'doorlaatkamp' zeuren:
"Is dít nu het beloofde land. Dat valt dan wel bár tegen".
Pas, wanneer hij zijn onwillige houding opgeeft, kan de eigenlijke scholing beginnen. En dan, na een spijtige vertraging, zwaaien de hekken open en kan hij eindelijk verder.
U begrijpt: dit voorbeeld is vóórgevormd en daardoor wat gekunsteld. Het gaat uit van:
- een ideaal immigratieland met fijne, wijze, 'innige' mensen aan het hoofd; zo'n land is er natuurlijk niet.
- Een emigratieland, waarvan nu letterlijk níets deugt. Alles was daar vuilnis, waarmee je nooit meer van doen behoort te hebben (Philipp. 3:8). Dat is óók veel te zwartwit.
- Doorlaat-, quarantaine-, trainingskampen, die er in de letterlijke zin van het woord over het algemeen niet zijn. Voor zover ze er wél zijn, zit er wel eens een luchtje aan van 'hersenspoeling'.
Ik noem dit even. Dan kunnen sommigen me dáármee alvast niet op mijn nek springen. Overigens zullen mensen, die geïmigreerd zijn (geweest), de algemene strekking van mijn betoog wel kunnen beamen, naar ik aanneem.
Maar goed: uitgaande van dit voorbeeld nu vérder.
Zaterdag 10 november 2007

2.6.1 Zij, die Wegwijzer zijn (gedachte)
Overwegingen:
– eens Wegwijzer (2.6.1.1);
– altijd Wegwijzer (2.6.…
2.6.3.4 Zij, die wegwijs worden, zullen weten, wat daarna komen gaat "Daarna zullen de Israí«lieten zich bekeren en de Here hun God zoeken e…
2.6.3.4 Zij, die wegwijs worden, zullen weten, wat daarna komen gaat
"Daarna zullen de Israí«lieten zich bekeren en de Here hun God zoeken en David hun koning en bevende komen tot de Here en tot zijn heil in de dagen der toekomst" (Hos. 3:5).
In de tijd van de 'pastorale' zal er een wereldwijde bekering zijn. Alle mensen, die innerlijk 'Godlover' zijn, die innerlijk zijn besneden (Rom. 2:28), zullen God en Jezus, de grote Zoon van David (Matth. 15:22) zoeken en 'vinden! (Zach. 14:16). Met een bevend hart over hun besmeuringen zullen velen tot Hem komen. Maar daarna zal hun hart beven van liefde en ontzag voor Hem. Als een rechtvaardige President (Jes. 32:1) zal Hij de gekneusde patiënt 'Aarde' voeren naar eindeloze tijden van geluk. Woestijnen in mensenharten en in de natuur zullen verdwijnen (Jes. 35:7).
Velen zoeken ernaar, hoe de toekomst gaat worden. Velen zijn wegwijs aan het worden en verzamelen steeds meer hemelse kennis (Dan. 12:4).
Wegwijzers, vrienden en vriendinnen, broeders en zusters van mij! Het is uw taak om anderen tot die stralende inzichten te brengen. God zegene u daarbij!
2.6.3.3 Zij, die wegwijs worden, zullen weten, wat spoedig komen gaat
"Hij komt als Verlosser, voor wie zich in Jakob van overtredingen bek…
2.6.3.3 Zij, die wegwijs worden, zullen weten, wat spoedig komen gaat
"Hij komt als Verlosser, voor wie zich in Jakob van overtredingen bekeren". (Jes. 59:20).
De tijd spoedt naar een toppunt. Alles gaat sneller, harder, heviger. Het muziekstuk van de menselijke geschiedenis gaat fortissimo naar een grote climax. Alle instrumenten doen mee aan een grote finale. De akkoorden worden nog eenmaal herhaald, dieper, intenser. Straks is daar de paukenslag. En dan begint die menselijke geschiedenis aan een nieuw hoofdstuk: de pastorale wordt ingezet. Jezus komt: een beklemmend gebeuren voor wie Hem niet tot hun heil verwachten. Maar voor hen, die zich op tijd hebben bekeerd, is Hij de grote Bevrijder.
Er is een geslacht van 'wegwijzers' in aantocht, dat weet, wat spoedig komen gaat. Ze staan daar, met hun hoofd niet meer moedeloos voorover geknikt, maar recht. Hun oren staan als het ware op 'steeltjes' . Verwachtingsvol luisteren ze; hun Verlosser komt eraan (Luk. 21:28).
Wat een volk, wat een geslacht. U - wegwijzers - ik gun u, dat u erbij bent. U mag ook aan het ontstaan van dat nieuwe ras van durvers, denkers en doeners medewerken.
2.6.3.2 Zij, die wegwijs worden, zullen weten, wat nodig is "Bekeert u tot Hem, van Wien de kinderen Israí«ls diep zijn afgevallen. Want te …
2.6.3.2 Zij, die wegwijs worden, zullen weten, wat nodig is
"Bekeert u tot Hem, van Wien de kinderen Israí«ls diep zijn afgevallen. Want te dien dage zal ieder van u de afgoden versmaden, die uw handen - u tot zonde - hebben vervaardigd (Jes. 31:6,7).
In de jaren, die achter ons liggen, waren er bekeringen zo nu en dan van deze en gene. Nu leven we in de tijd, dat bij elke oproep velen opstaan. Dat verschijnsel komt steeds sterker naar voren. Er is een diep besef bij velen, hoever ze zijn weggezonken. Steeds meerderen stellen zich niet meer tevreden met oppervlakkig gepraat over nieuwe bevrijdingsacties. Zij schreeuwen om persoonlijke bevrijding en niets anders. In de scharen, die nu naar voren komen, zie je de meest heerlijke dingen gebeuren. Om maar een voorbeeld te noemen: uit elkaar gegroeide echtparen vinden elkaar terug. Huilend - arm in arm - beginnen ze aan een nieuw leven met God en met elkaar. O, wat een heerlijk gezicht.
Het wordt steeds grootser. De diepe afval wordt gevolgd door een diep réveil. Wegvallen zullen alle tot god verheven bedenksels. Losgelaten zullen ze worden, die verleiders tot zonde. Er groeit een geslacht van wegwijzers, die beseffen wat nodig is: een innerlijk, dat weet, hoe het ervoor staat, dat weet, hoezeer het kapot is. Een innerlijk ook, dat - hoezeer ook daardoor verslagen - weet, dat God klaarstaat om voor herstel te zorgen (Ps. 51:19).
U - wegwijzers - mag aan het doorbreken van dat inzicht medewerken.
Zaterdag 13 oktober 2007

2.6.3 Zij, die wegwijs worden… (gedachte)
Overwegingen: Zij, die wegwijs worden, zullen weten: - wat nodig was (2.6.3.1); - wat nodig is (2…
2.6.3 Zij, die wegwijs worden… (gedachte)
Overwegingen:
Zij, die wegwijs worden, zullen weten:
- wat nodig was (2.6.3.1);
- wat nodig is (2.6.3.2);
- wat spoedig komen gaat (2.6.3.3);
- wat daarna komen gaat (2.6.3.4).
2.6.3.1 Zij, die wegwijs worden, zullen weten, wat nodig was
"Alle einden der aarde zullen het gedenken en zich tot de Here bekeren. Alle geslachten der aarde zullen nederbuigen voor Uw aangezicht" (Ps. 22:28).
David, de dichter van deze psalm, is in grote nood. Hij roept tot God vanuit die nood. Reeds tijdens dat hulpgeroep krijgt hij vertrouwen, dat hij gered zal worden. En dan spreekt hij de woorden, die hierboven staan. Die woorden zou je - wat vrij - als volgt kunnen weergeven:
De manier, waarop God mij uitredde, zal bekend worden bij alle volkeren. Het doet er niet toe, hoe ver mensen weg zijn, tot aan het eind van de wereld toe. Het doet er evenmin toe, of ze vroeger leefden, of ze nu leven of dat ze later zullen leven. Horen zullen ze het allemaal. Bekeren zullen zij zich allemaal. God de eer geven zullen zij allemaal".
Dat is een gedurfde uitspraak. Toch is die uitspraak wel enigszins uitgekomen, als wij haar op David betrekken. De leiding, bescherming, nood en uitredding door God in zijn leven, hebben ruime bekendheid gekregen. Japanners en Schotten, Argentijnen en Australií«rs, zij allen weten ervan. Alle eeuwen door hebben gelovigen er moed uit geput, hebben er grond in gevonden om zich te bekeren en hun Schepper te loven.
Helemaal echter is die uitspraak, die profetie uitgekomen, als we die op Jezus betrekken. Zijn liefde tot God en tot de mensen bracht Hem er toe, onze zonden 'over te nemen, van ons '' weg te nemen'. (Joh. 1:29). Zo kwam Jezus in het allergrootste, onuitzegbare gevaar van het eeuwig verlaten zijn door God (Matth. 27:46). Zijn gehoorzaamheid aan en vertrouwen op God leidden Hem daar weer uit. De band werd hersteld (Luk. 23:46). Dat is nood en uitredding, zo diep en zo totaal; dieper en totaler valt niet te bedenken. Elke gelovige, tot in de verste uithoek van de aardbol, weet daarvan. Iedereen kan uit deze uitredding kracht putten, zich daardoor bekeren, daarom God prijzen. Er was veel nodig om ons te redden. Veel liefde van God, veel offerbereidheid van Jezus. Eens zullen alle geredden volledig wegwijs geworden zijn: eens zullen zij allen weten, wat nodig was (Jes. 25:7). U - wegwijzer - mag aan het doorbreken van dat inzicht meewerken.