Naar de inhoud

Mijn boeken

populaire geloofshandleiding
akke.beakke.be

Archief

2.2.6 Het merkteken van de aanstaande ondergang

“God hoort en zal hen vernederen – Hij, Die van oudsher troont, sela – hen, die onbekeerlijk zijn en God niet vrezen” (Psalm 55:20).

“Jezus zei: “Als gij u niet bekeert, zult gij allen evenzeer omkomen” (dat ‘evenzeer’ slaat op een aantal mensen, die op opzienbarende wijze waren omgebracht) (Lukas 13:3).

“Gij hebt sommigen onder u, die aan de leer van Bileam of aan die van de Nikolaïeten vasthouden (twee valse leerlingen). Bekeert u dan, maar zo niet, dan kom Ik tot u en Ik zal strijd tegen hen voeren” (Openb. 2:14-16).

“En wie van de mensen overgebleven waren, die niet gedood waren door deze plagen, bekeerden zich toch niet van de werken hunner handen om de boze geesten niet (meer) te aanbidden en de afgoden. En zij bekeerden zich niet van hun moorden, noch van hun toverijen, noch van hun hoererij, noch van hun dieverijen” (Openb. 9: 20,21).

In de eerste tekst wordt de ondergang aangekondigd van mensen, die steeds maar onbekeerlijk blijven. God, die onuitsprekelijke, geprezen zij zijn naam – want dit kan ‘sela’ betekenen – zal tenslotte voor hen onbereikbaar worden. Zelf halen zij allerlei vernederende verslavingen over zich. Verwonderd zeggen ze: “Ik moet altijd aan vrouwen denken. Het haalt me neer en verknoeit de sfeer thuis. Maar ik kan niet anders; en transcendente meditatie helpt ook al niet” (uiteraard is dit maar een voorbeeld uit vele).

In de tweede tekst gaat het over een gebeurtenis, die veel opschudding heeft verwekt. Een aantal mensen was juist aan het offeren, toen soldaten van de bezettende macht hen overvielen. De militairen doodden de offeraars. Hun bloed vermengde zich met dat van de offerdieren: wat een gruwelijk levenseind. Men legde aan Jezus de vraag voor, hoewel onuitgesproken: “Was dat offeren een grote fout en hield die ellendige dood daarmee verband?” Jezus antwoordt: “Neen, er is niet altijd een rechtstreeks verband tussen zonde en tegenspoed” (Johannes 9:2). Hij voegt er echter aan toe: “Eén ding is evenwel zeker: wanneer mensen zich niet bekeren, gaan ze naar de eeuwige dood”. Temidden van al hun idealen – hun offerdieren – die zinloos zijn geworden, liggen ze: dood, zoals al hun activiteiten. Eén ding waren ze vergeten: die ene, beslissende activiteit, om zich toe te keren naar God. Ze bleven de berg afhollen naar het ravijn, totdat… ze hun loop niet meer konden stuiten.

In de derde tekst gaat het over een gemeente, waarin mensen als leraars werden toegelaten, die gevaarlijke dingen onderwezen. Zo zeiden zij, dat er heus niet zulk een scherpe scheiding behoefde te zijn tussen de volgelingen van Jezus en hun omgeving. Men hoefde niet zo nauwkeurig en oplettend te leven. Er kon beste eens een ‘vrijerijtje’ plaatsvinden met de ‘gewone’, gezellige dingen van elke dag: een beetje roddel, een tikje ontrouw, een snuifje corruptie, een overdadige maaltijd, een dronkenschapje… kom, kom… een mens is niet van steen. Maar Jezus zegt: “Niet bekeren van de door hen voorgestane ideeën betekent: strijd tegen Mij, allereerst van henzelf, maar ook van degenen die hen volgen”.

In de vierde tekst worden mensen getekend, die definitief “nee” hebben gezegd tegen God. Uit dat “nee”-zeggen tegen God is “nee”-zeggen tegen de maatschappij ‘als vanzelf’ voortgevloeid (min of meer in deze lijn ook Jesaja 8:21 en 22). Ze kunnen niet meer terug van hun verachting van God, Dien zij honen met hun afgoden. Zij kunnen ook niet meer terug van hun verachting van hun medemensen, die ze kwellen met geweld, lawaai, getover, aanrandingen, vandalisme en dagdieverij.

Als u iets in uzelf bespeurt van al de verschrikkelijke dingen, die in deze vier teksten aangeduid worden, druk dan uw hielen in het wegrollende gruis op de hellende rots. Grijp naar boomtakken, waaraan u zich kunt vastklemmen. Het donker is nu vlakbij! Alarm……..
– als u al dwars wordt, als iemand maar naar Jezus als uw redder wíjst;
– als u achter allerlei idealen aanholt; ze ruilt voor nieuwe, als ze niet meer voldoen, maar vergeet orde op zaken te stellen in eigen leven;
– als u zegt: “Leve de lol, toe nou, er mag een heleboel”. Wie roekeloos langs het randje loopt, schiet er onverhoeds overheen;
– als u een hekel krijgt aan de maatschappij en alles-en-alles wel kort en klein wilt slaan.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Gerritse om 18:39 Reageer op dit bericht

2.2.4 Het merkteken van het steeds verder van huis raken

“Bekeert gij u tot Mij en onderhoudt gij naarstig mijn geboden... al waren uw verdrevenen aan het einde des hemels, Ik zal hen vandaar vergaderen” (Nehemia 1:9).

“Assur zal (hun) koning zijn, omdat zij geweigerd hebben, zich te bekeren” (Hosea 11:5).

In de eerste tekst bidt Nehemia met betrekking tot zijn volksgenoten - de Joden - tot God. Hij herinnert God aan Mozes, die al lang geleden op het gevaar had gewezen, dat ze onbeschrijflijk ver zouden wegdwalen. Dan komt hij op de situatie van dat ogenblik. Ze zijn ver weg in ballingschap, ze willen graag terug, maar: zonder bekering gaat dat niet. Hosea laat zien, hoe het volk is weggedwaald. Ze wilden zich niet keren tot God. Toen kwam er een buitenlandse macht, bezette het land en deporteerde de Joden. Er zijn mensen - nu ja; ik schets nu wel uiterste gevallen - die misschien wel eens uitroepen: “Wat ben ik ver weg van een gelukkig leven! Wat doe ik nu toch in dit onbewoonbare pand! Wat moet dat toch met die injectienaald. Waarom die zinsbegoocheling, als ik trip en die enorme kater daarna. En waarom trip ik niet eens meer fijn! Waarom flippen zoveel trippen tot een flop?” Zijn die even ver weg! Die zijn nu werkelijk ‘aan het eind van de hemel’, zeg maar gerust ‘aan het begin van de hel’. Maar ook tot zulke stakkers wordt gezegd: “Als jij tot jezelf komt en je omkeert tot God (Lukas 15:1icon_cool.gif, omarmt Hij jou, zoals de Vader de verloren zoon” (Lukas 15:20).
U, die dit leest, zult wel niet zover weg zijn, maar wat is ver? Of u tien kilometer of ‘tienduizend kilometer’ van het koninkrijk van God bent, is maar een betrekkelijk verschil. U bent buiten en behoort binnen het koninkrijk der hemelen. Voelt u zich wel ‘honderd kilometer’ weg van het land van het geluk? Keer om, voordat u in de ijskou bent op ‘honderdduizend kilometer’. Daar is de warmte van Gods huis alleen nog maar een vage gloed in de verte. Moet God u van zó ver halen? Hij kan het als u meewerkt. Het is echter dom en gevaarlijk, om het zover te laten komen!

2.2.5 Het merkteken van het in de wind slaan van Gods aanwijzingen

“Na deze gebeurtenissen bekeerde Jerobeam zich niet van zijn kwade weg, maar hij stelde opnieuw uit alle kringen van het volk priesters aan voor de hoogten” (1 Kon. 13:33).

“Misschien zullen zij gehoor geven en zich bekeren, een ieder van zijn boze weg” (Jer. 26:3).

“Ik heb u gegeven reinheid van tanden in al uw steden en broodgebrek in al uw woonplaatsen. Toch hebt gij u niet tot mij bekeerd, luidt het woord des Heeren” (Amos 4:6)

“De mensen werden verzengd door de grote hitte en zij lasterden de naam van God en zij bekeerden zich niet om Hem eer te geven. Zij kauwden op hun tong van pijn en zij bekeerden zich niet” (Openb. 16:9-11).

Jerobeam, koning over een deel van het Israëlitische volk, de voorzaten van de huidige Israëli´s, deed zijn best voor God. Maar: hij deed het wel op zijn eigen manier. God had regels gegeven, hoe Hij gediend wilde worden. Jerobeam moest het zo nodig anders doen. God maakte hem opmerkzaam op de onjuistheid van zijn gedrag. Dat ging vrij hardhandig, maar: Jerobeam kwam nog met de schrik vrij. Wat een kans voor koersverandering! Hij benutte die kans niet, verviel toch weer in dezelfde fout. Bij een andere gelegenheid, bij weer andere mensen dan Jerobeam, lijkt God haast moedeloos: “Misschien zullen ze zich bekeren” klinkt het bijna mat. Maar: ’t zat er niet in en dus kwam het er ook niet uit. Bij nog weer een andere gelegenheid, maakte God heel duidelijk, dat er gevaar was: de gebitten van alle mensen waren vrij van etensresten. Dat kwam niet, omdat die mensen zo keurig hun tanden poetsten; nee: er wás geen eten. Maar de bekering – als enig logisch antwoord op de dreiging van hongersnood – kwam er niet. Eens komt de tijd, dat de ‘grijze tinten’ verdwijnen, althans niets meer te betekenen hebben. Wit en zwart blijven over; bepalend zijn alleen nog maar:
– enerzijds de Geestvervulde kinderen van God;
– anderzijds de ‘honderd procent’ volgelingen van satan (zie 1.6.5).
Zelfs die satansdienaars, die verbitterde tegenstanders, zouden nog een kans hebben. De hel, die wacht, begint al op aarde; o die hitte, die pijn! Als ze maar riepen tot God; er zou uitkomst komen. Maar ze roepen niet; eigener beweging zijn ze ook de laatste grens gepasseerd.

Jerobeam kreeg een krachtige aanwijzing. Maar hij keerde niet terug van de zonde, die hij deed: handelen in de lijn van een zelfbedachte, ‘eigenwillige’ godsdienst. Mogelijk koestert ook u een dergelijke zonde: een ‘vrome’ gedachte of handelwijze, die toch ingaat tegen Gods bedoelingen. Wellicht kunt u zich herinneren, dat u al eens van Godswege een aanwijzing hebt gehad, dat Hij nu niet zo gelukkig is met uw gedragspatroon. Wat hebt u met die aanwijzing gedaan? Naast u neergelegd met een leeg: “Hé; typisch hè”! Dat u niet meer ontvankelijk bent voor Gods tips, maar ze in de wind slaat, is een alarmsein: u bent bezig, onbereikbaar te worden. Laat het niet zo ver komen, dat God moet zeggen: “Ik zal het nog één keer proberen; misschien helpt het dan!” Als u nu zijn aanwijzingen in de wind slaat, wie garandeert dan, dat het straks anders is? Ik weet wel: God heeft in zijn liefde en lankmoedigheid veel geduld (Micha 2:7). Maar neem geen risico: op de lange duur help niets meer: de grootste tegenspoed is dan alleen maar een aanleiding om God te lasteren. U wilt toch niet over de rand heen in de afgrond vallen? Doe iets!

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Gerritse om 15:33 Reageer op dit bericht

2.2.3 Het merkteken van de steeds grotere moeilijkheden

“Bekeert iemand zich niet, dan wet God zijn zwaard, spant zijn boog en legt aan. Hij richt op hem zijn dodelijke wapenen, maakt zijn pijlen tot brandende schichten” (Psalm 7:13,14).

“Zoals geschreven staat in de wet van Mozes, is al het (door hem geprofeteerde) onheil over ons gekomen en wij hebben de Here onze God niet vermurwd door ons te bekeren van onze ongerechtigheden” (Daniël 9:13).

Het volk Israël krijgt in de bijbel allerlei waarschuwingen, die in ruimer verband voor allerlei mensen van belang zijn. Als iemand blijft doorgaan met weghollen van God, raakt hij steeds verder van het lichtrijk vandaan. Hij komt dan in een gebied, waar God hem niet meer zo goed kan helpen. De ene moeilijkheid treft hem als een zwaard, de volgende als een pijl. Dat gaat zo steeds feller dor, tot het haast wel lijkt of bliksemstralen hem treffen. Hij kan God dienaangaande geen verwijten maken. Zélf loopt hij immers het rijk van het duister binnen.

Mozes heeft met het oog op deze situatie al een staalkaart van verschrikkingen laten zien (Deut. 28:15-44):
– geen opbrengst van de arbeid;
– tegenslagen met de kinderen;
– geen jongvee;
– geen succes in het leven;
– ziekten, misoogst;
– uitblijven van regen;
– invallen van vijandelijke legers;
– geen kracht om tegen die invallen stand te houden;
– volslagen verwarring.
In de dagen van Daniël overstroomden al die narigheden een volk, dat zich niet tot God wilde bekeren.

Bespeurt u in uw leven snel opeenvolgende steeds ernstiger wordende moeilijkheden?
– komt het steeds meer voor, dat u aan het eind van uw geld nog een heleboel maand over hebt?
– zijn er allerlei toestanden met de kinderen?
– blijft uw promotie steeds maar uit?
– blijft u maar zakken voor examens?
– plagen ziekten en nervositeit u?
– is er nooit eens een verkwikkend meevallertje?
– hebt u geen verweer meer tegen de aanvallen, die de duivel voortdurend op uw leven doet?
Dit alles kan een merkteken zijn, dat u op een afhellende weg bent. Kán... want u weet, dat ik al eerder een voorbehoud maakte. Ook kinderen van God ervaren vele van de rampen, die hierboven zijn geschetst, maar zij hebben een uitzicht op uitkomst. Zij weten, dat wie in oprechtheid wandelt, gered zal worden (Spreuken 28:1icon_cool.gif. Maar wanneer u weet: “Die rampen; het klopt precies op mij, maar die oprechtheid: als ik mijzelf goed nakijk, zeg ik: dát klopt niet”, dan wordt het echt tijd, dat u Gods hand zoekt om niet verder af te glijden.

Maar hoe zit het nu, als u God níet erkent en alles gaat voor de wind? Roep geen “Hoera” voor u over de brug bent. De bui is nog achter de kim, maar: komen doet hij! (Psalm 73:17-19).

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Gerritse om 15:27 Reageer op dit bericht

2.2.2 Het merkteken van het steeds meer ontregeld raken

“Maak het hart van dit volk vet, maak zijn oren doof en doe zijn ogen dicht, opdat het met zijn ogen niet zie en met zijn oren niet hore en opdat zijn hart niet versta, zodat het zich niet bekere en genezen worde” (Jesaja 6:10).

“Het volk heeft zich niet bekeerd tot Hem, die het sloeg en heeft de Here der Heerscharen niet gezocht. Tóen sneed de Here op één dag van Israël af: kop en staart, palmtak en riet” (Jesaja 9:12,13).

Jesaja richt zich in deze teksten tot het volk, waartoe hij behoorde. Dat volk wilde zich maar niet bekeren. Als gevolg daarvan werd het ook steeds moeilijker om tot levensverandering te komen. Geestelijk gezien, konden zij geen hart meer krijgen, dat brandde van toewijding aan God, zij konden zijn stem niet meer verstaan, zijn heerlijkheid niet meer zien. Het gehalte van het volk liep daardoor terug. De koning en de profeet - kop en staart (Jesaja 9:14) - waren van mindere kwaliteit dan vroeger. De hele plant van het volksbestaan - palmtak en riet - was aangetast. Waar vond je nog puike, hoogstaande, betrouwbare, evenwichtige mensen?

Kijk eerst eens naar uzelf:
– hoe dikwijls zegt u: “Ja, ja, dat zal wel” .... “´t Zal wel zo zijn of anders”, of meer van dat zuurs; bent u blijkens zulke uitspraken wantrouwig geworden?
– kunt u niet meer echt in vuur raken? Is uw warmlopen voor sommige zaken onecht omdat u alleen uw eigen gevoelens van onbehagen zo probeert te overschreeuwen?
– denkt u met een meewarig lachje aan uw vroegere idealen terug, zonder dat u er iets beters voor hebt teruggekregen?
Wel, dan hebt u de oproep om u te bekeren, al eens gehoord en veronachtzaamd. Dit zijn de wrange vruchten. Uw hart is onontvankelijk (vet) geworden.
– kunt u de stem van God niet meer horen tussen alle stoorzenders door?
– doet u er niet eens moeite voor om uw radio op God af te stemmen?
– laten zelfs die stoorzenders u koud?
– kunt u Gods heerlijkheid niet meer zien tussen alle blikkerige pleziertjes van de wereld door?
– hebt u misschien zelfs in de gaten, dat al dat andere blik is, zonder de fut te hebben, naar goud te grijpen?
Wel, dan hebt u de stem van God om tot omkeer te komen, verstaan en genegeerd. Daardoor bent u bezig, geestelijk doof en blind te worden. Uw kil geworden hart, uw onvermogen om ‘innerlijk’ te zien en te horen, zijn merktekens, dat u op de verkeerde weg zit. En wat ‘kop en staart’, ‘palmtak en riet’ betreft, nog even dit:
– zijn er hele groepen mensen om u heen van laag allooi, wormstekig, platvloers, onbetrouwbaar, onevenwichtig?
– is er niemand in uw omgeving, zo gaaf, dat u zich aan zijn leiding zou durven toevertrouwen?
– is er niemand in uw kennissenkring, die in plaats van het gebruikelijke gewauwel eens iets echt dieps zou kunnen zeggen?
Dan is dat een teken, dat uw omgeving net is als u: ontgoocheld, ontworteld, ontheemd, ontredderd. U hoeft de mensen, waarmee u omgaat, niet te haten of te minachten. Waarom zoudt u niet als eerste de ommezwaai maken, waarop God al zo lang aandringt. Wat kunt u dan in uw eigen kring aan de slag!


Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Gerritse om 20:30 Reageer op dit bericht

2.2.1.2 Tegenspoed en ziekte

“Wanneer Ik de hemel toesluit, zodat er geen regen is, wanneer Ik de sprinkhanen gebied, het land kaal te vreten, indien Ik pest onder mijn volk zend en mijn volk, waarover mijn naam is uitgeroepen, verootmoedigt zich en zij bidden en zoeken mijn aangezicht en bekeren zich van hun boze wegen, dán zal Ik horen” (2 Kronieken 7;13,14).

Deze tekst is veel moeilijker dan de vorige. Allereerst om de zinsneden:
– Ik sluit de hemel toe;
– Ik gebied sprinkhanen;
– Ik zend de pest.
Uit het Nieuwe Testament weten wij, dat de goede dingen van God komen (Jac. 1:17) en de slechte dingen van de duivel (Joh. 10:10). Wij kunnen van het Oude Testament niet eisen, dat het zich even precies uit met betrekking tot diepere begrippen, zoals het Nieuwe dat doet. God moest zich bij het aan ons bekend maken van deze richtlijnen van Hem bedienen van de ideeënwereld van Salomo. Die wereld had zijn grenzen, gesteld door het mindere inzicht, dat er toen was. God ging niet buiten de begrenzing van Salomo´s gedachten om. Wij mogen - naar mijn mening - lezen:

“Wanneer mensen zich van God afkeren, komen zij buiten het lichtrijk, buiten Gods bescherming (Matth. 23:37) en binnen het bereik van droogte, sprinkhanenvraat en pest (beelden van allerlei tegenspoed)”.

Zo is er één moeilijkheid weggenomen. Maar er is er nog één. In de eerste tekst was het verband tussen nederlaag en zonde duidelijk. Maar bij tegenspoed en ziekte is het verband met zonde niet zo gemakkelijk te leggen. Vele van Gods trouwe kinderen hebben ook met die twee te maken en dan loopt er geen lijn naar een eerder afwijken van Gods geboden. U moet het dus helemaal zelf uitmaken. Zijn er tegenspoed en ziekte in uw leven, terwijl u toch de Heer oprecht liefhebt? Leg dan deze tekst terzijde, als u niet direct rakende. Leg mijn opmerkingen bij deze tekst in dat geval naast u neer. U hebt immers de alles overtreffende troost, dat er wel rampen in uw leven kunnen zijn, maar dat de Heer u uit al die rampen redt (Psalm 34:20). Maar al uzelf wel een verband ziet, dan hebt u hier weer een merkteken. Dan zijn uw tegenspoeden en ziekten een aansporing om tot koerscorrectie over te gaan van niet minder (1 Sam. 7:3) en niet meer (Pred. 7:16) dan 180 graden.


Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Gerritse om 16:37 Reageer op dit bericht

2.2 DE SLECHTE WEG EN ZIJN MERKTEKENS

Gedachten:
– het merkteken van nederlaag, tegenspoed en ziekte (2.2.1);
– het merkteken van het steeds meer ontregeld raken (2.2.2);
– het merkteken van steeds meer moeilijkheden (2.2.3);
– het merkteken van het steeds verder van huis raken (2.2.4);
– het merkteken van het in de wind slaan van Gods aanwijzingen (2.2.5);
– het merkteken van de aanstaande ondergang (2.2.6);
– o, wat is die slechte weg slecht! (2.2.7);
– hoe Jan en Joke in de val liepen (nee, niet smokkelen, niet alleen) (2.2.icon_cool.gif;
– slotopmerkingen (2.2.9).

2.2.1 Het merkteken van nederlaag, tegenspoed en ziekte

Overwegingen (daar zijn ze dan):
– nederlaag (2.2.1.1);
– tegenspoed en ziekte (2.2.1.2).

2.2.1.1 Nederlaag

“Indien uw volk verslagen wordt door de vijand, omdat zij tegen U gezondigd hebben en zij zich bekeren, uw naam belijden en voor uw aangezicht in dit huis bidden en smeken; hóor dan o Here” (2 Kronieken 6:24,25).

Salomo pleit hier voor het volk Israël, waarvan hij koning is. Hij voorziet een situatie, waarbij dat volk tegen voorschriften en instellingen van God ingaat. Als gevolg van die levenshouding worden ze verslagen door de vijand. Voorwaarde voor een verbetering van hun toestand is, dat zij zich omkeren van hun handelwijze, die tegen Gods geboden ingaat. Hoe moet dat omkeren nu blijken? Hieruit, dat ze God erkennen als hun meerdere, wiens gezag ze aanvaarden. Ook hieruit, dat ze al hun nood bij Hem uitzeggen. Dat ‘uitzeggen’ moet met klem, met aandrang gebeuren. Dán kan God weer naar hen luisteren. Nu is het niet mijn bedoeling om u frustraties te bezorgen, maar het is toch een doodnuchtere zaak, dat u van tijd tot tijd de balans eens opmaakt. Voor een zaak, een instelling, een staat, gebeurt dat tenminste eenmaal per jaar. Zoudt u dan ook niet geregeld uzelf eens ‘doornemen’? Zoudt u niet eens kritisch uw instelling tegenover de wereld om u heen en uw geestelijke staat bekijken? Probeer eens een antwoord te geven op vragen, zoals deze:
– wordt u ook door vijanden verslagen?
– kunt u uw snoepzucht, uw driftbuien, uw roddel, uw onreine gedachten, uw haat, enz. niet de baas?
– verliest u steeds meer terrein, waar het betreft uw ‘baas-zijn’ over uw eigen persoonlijkheid?
Achter al die aanvallen zit een vijand, Gods vijand, uw vijand, de duivel. Maar: hoe kreeg hij vat op u? Hoe kon hij zijn breekijzer in de voegen van uw muren zetten? Hoe kreeg hij die koevoet in de raamsponning van uw levenshuis? Denk eens terug: hebt u een eis van God verwaarloosd? (ik doe maar een losse greep):
– had u uw vrouw wel voldoende lief? (Ef. 5:25);
– haalde u - hoogmoedig en onwelwillend u afsluitend - de schouders op over het bijbelse scheppingsverhaal?
– knoeide u met uw belastingaangifte? (Matth. 22:21).
Heel verschillende zaken. Maar alle drie betekenen ze: ingaan tegen een wijze verordening van God. Als u dát doet, komen - zo zeker als een huis - ook de nederlagen. Bekijk uw terreinverliezen aan de machten van het kwaad nu eens zo. Ik praat u echter niets aan. U beslist zelf. Mogelijk zegt u: “Alles zal altijd alleen maar goed. Waar die verslaving aan de drank vandaan komt, waar ik dat aan verdiend heb, weet ik ook niet!” Wel, dan praten we er niet meer over. Maar misschien zegt u: “Ik zíe het. Ik ben begonnen ergens scheef te gaan. Dat overmatig roken van mij is een waarschuwingsteken”. Als het zo gesteld is, dan is het ook voor u heel nuttig om te doen, wat Salomo raadzaam achtte voor zijn volk.


Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Gerritse om 16:13 Reageer op dit bericht

2.2.1.2 Tegenspoed en ziekte

“Wanneer Ik de hemel toesluit, zodat er geen regen is, wanneer Ik de sprinkhanen gebied, het land kaal te vreten, indien Ik pest onder mijn volk zend en mijn volk, waarover mijn naam is uitgeroepen, verootmoedigt zich en zij bidden en zoeken mijn aangezicht en bekeren zich van hun boze wegen, dán zal Ik horen” (2 Kronieken 7;13,14).

Deze tekst is veel moeilijker dan de vorige. Allereerst om de zinsneden:
– Ik sluit de hemel toe;
– Ik gebied sprinkhanen;
– Ik zend de pest.
Uit het Nieuwe Testament weten wij, dat de goede dingen van God komen (Jac. 1:17) en de slechte dingen van de duivel (Joh. 10:10). Wij kunnen van het Oude Testament niet eisen, dat het zich even precies uit met betrekking tot diepere begrippen, zoals het Nieuwe dat doet. God moest zich bij het aan ons bekend maken van deze richtlijnen van Hem bedienen van de ideeënwereld van Salomo. Die wereld had zijn grenzen, gesteld door het mindere inzicht, dat er toen was. God ging niet buiten de begrenzing van Salomo´s gedachten om. Wij mogen - naar mijn mening - lezen:

“Wanneer mensen zich van God afkeren, komen zij buiten het lichtrijk, buiten Gods bescherming (Matth. 23:37) en binnen het bereik van droogte, sprinkhanenvraat en pest (beelden van allerlei tegenspoed)”.

Zo is er één moeilijkheid weggenomen. Maar er is er nog één. In de eerste tekst was het verband tussen nederlaag en zonde duidelijk. Maar bij tegenspoed en ziekte is het verband met zonde niet zo gemakkelijk te leggen. Vele van Gods trouwe kinderen hebben ook met die twee te maken en dan loopt er geen lijn naar een eerder afwijken van Gods geboden. U moet het dus helemaal zelf uitmaken. Zijn er tegenspoed en ziekte in uw leven, terwijl u toch de Heer oprecht liefhebt? Leg dan deze tekst terzijde, als u niet direct rakende. Leg mijn opmerkingen bij deze tekst in dat geval naast u neer. U hebt immers de alles overtreffende troost, dat er wel rampen in uw leven kunnen zijn, maar dat de Heer u uit al die rampen redt (Psalm 34:20). Maar al uzelf wel een verband ziet, dan hebt u hier weer een merkteken. Dan zijn uw tegenspoeden en ziekten een aansporing om tot koerscorrectie over te gaan van niet minder (1 Sam. 7:3) en niet meer (Pred. 7:16) dan 180 graden.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Gerritse om 18:45 Reageer op dit bericht

2.2 DE SLECHTE WEG EN ZIJN MERKTEKENS

Gedachten:
– het merkteken van nederlaag, tegenspoed en ziekte (2.2.1);
– het merkteken van het steeds meer ontregeld raken (2.2.2);
– het merkteken van steeds meer moeilijkheden (2.2.3);
– het merkteken van het steeds verder van huis raken (2.2.4);
– het merkteken van het in de wind slaan van Gods aanwijzingen (2.2.5);
– het merkteken van de aanstaande ondergang (2.2.6);
– o, wat is die slechte weg slecht! (2.2.7);
– hoe Jan en Joke in de val liepen (nee, niet smokkelen, niet alleen) (2.2.icon_cool.gif;
– slotopmerkingen (2.2.9).

2.2.1 Het merkteken van nederlaag, tegenspoed en ziekte

Overwegingen (daar zijn ze dan):
– nederlaag (2.2.1.1);
– tegenspoed en ziekte (2.2.1.2).

2.2.1.1 Nederlaag

“Indien uw volk verslagen wordt door de vijand, omdat zij tegen U gezondigd hebben en zij zich bekeren, uw naam belijden en voor uw aangezicht in dit huis bidden en smeken; hóor dan o Here” (2 Kronieken 6:24,25).

Salomo pleit hier voor het volk Israël, waarvan hij koning is. Hij voorziet een situatie, waarbij dat volk tegen voorschriften en instellingen van God ingaat. Als gevolg van die levenshouding worden ze verslagen door de vijand. Voorwaarde voor een verbetering van hun toestand is, dat zij zich omkeren van hun handelwijze, die tegen Gods geboden ingaat. Hoe moet dat omkeren nu blijken? Hieruit, dat ze God erkennen als hun meerdere, wiens gezag ze aanvaarden. Ook hieruit, dat ze al hun nood bij Hem uitzeggen. Dat ‘uitzeggen’ moet met klem, met aandrang gebeuren. Dán kan God weer naar hen luisteren. Nu is het niet mijn bedoeling om u frustraties te bezorgen, maar het is toch een doodnuchtere zaak, dat u van tijd tot tijd de balans eens opmaakt. Voor een zaak, een instelling, een staat, gebeurt dat tenminste eenmaal per jaar. Zoudt u dan ook niet geregeld uzelf eens ‘doornemen’? Zoudt u niet eens kritisch uw instelling tegenover de wereld om u heen en uw geestelijke staat bekijken? Probeer eens een antwoord te geven op vragen, zoals deze:
– wordt u ook door vijanden verslagen?
– kunt u uw snoepzucht, uw driftbuien, uw roddel, uw onreine gedachten, uw haat, enz. niet de baas?
– verliest u steeds meer terrein, waar het betreft uw ‘baas-zijn’ over uw eigen persoonlijkheid?
Achter al die aanvallen zit een vijand, Gods vijand, uw vijand, de duivel. Maar: hoe kreeg hij vat op u? Hoe kon hij zijn breekijzer in de voegen van uw muren zetten? Hoe kreeg hij die koevoet in de raamsponning van uw levenshuis? Denk eens terug: hebt u een eis van God verwaarloosd? (ik doe maar een losse greep):
– had u uw vrouw wel voldoende lief? (Ef. 5:25);
– haalde u - hoogmoedig en onwelwillend u afsluitend - de schouders op over het bijbelse scheppingsverhaal?
– knoeide u met uw belastingaangifte? (Matth. 22:21).
Heel verschillende zaken. Maar alle drie betekenen ze: ingaan tegen een wijze verordening van God. Als u dát doet, komen - zo zeker als een huis - ook de nederlagen. Bekijk uw terreinverliezen aan de machten van het kwaad nu eens zo. Ik praat u echter niets aan. U beslist zelf. Mogelijk zegt u: “Alles zal altijd alleen maar goed. Waar die verslaving aan de drank vandaan komt, waar ik dat aan verdiend heb, weet ik ook niet!” Wel, dan praten we er niet meer over. Maar misschien zegt u: “Ik zíe het. Ik ben begonnen ergens scheef te gaan. Dat overmatig roken van mij is een waarschuwingsteken”. Als het zo gesteld is, dan is het ook voor u heel nuttig om te doen, wat Salomo raadzaam achtte voor zijn volk.


Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Gerritse om 19:19 Reageer op dit bericht

2.1.3 Rangschikking van de hoofdgedachten

In deze bijbelstudie komt voor het eerst de verdeling:
– hoofdgedachten;
– gedachten;
– overwegingen
zoals toegezegd bij 0.3.1 tot volledige ontplooiing. In de wat globale studie 1 waren er nog geen ‘overwegingen’. Nu echter kan ik u die niet meer besparen. Maar voorlopig verontrust ik u daarmee niet. Ik geef u op dit moment alleen de hoofdgedachten. Anders ziet u door de bomen het bos niet meer. Hier komen ze:
– de slechte weg en zijn merktekens (2.2);
– wat u kunt overwegen, als u ontdekt, dat u op de slechte weg zit (2.3);
– hoe u daadwerkelijk van de verkeerde weg af komt en af blijft (2.4);
– de goede weg en zijn richtingaanwijzers (2.5);
– wegwijzer zijn naar Gods rijk (2.6);
– tekstenregister en epiloog bij geheel deel 1 (2.7).

O ja, nog even attentie: hoofdgedachte 2.2 is echt geen vrolijke lectuur. Ik hoop toch zo, dat u er doorheen komt! Het is niet taai hoor, maar wel triest. Maar: het moet even. Niet overslaan. Het hoort er echt helemaal bij.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Gerritse om 16:45 Reageer op dit bericht

BIJBELSTUDIESERIE “HET NIEUWE LEVEN”
Deel 2: bekering

Inhoud:

2.1 Algemeen overzicht 2
2.2 De slechte weg en zijn merktekens 3
2.3 Wat u kunt overwegen, als u ontdekt, dat u op de slechte weg zit 21
2.4 Hoe u daadwerkelijk van de verkeerde weg af komt en er af blijft 42
2.5 De goede weg en zijn richtingaanwijzers 83
2.6 Wegwijzer zijn naar Gods rijk 126
2.7 Tekstenregister 177

Bronvermelding:
Op talloze plaatsen in de hierna volgende bijbelstudies, putte ik uit deze bronnen:
– NBG-vertaling met verklarende aantekeningen;
– Korte Verklaring, uitgegeven bij Kok in Kampen;
– de boeken van J.E. v.d. Brink, van zijn echtgenote en van P. Bronsveld, uitgegeven door Kracht van Omhoog, Gorkum.
Het is niet mogelijk deze bronnen overal specifiek te vermelden, daarom volsta ik met deze algemene aanduiding.
2.1 ALGEMEEN OVERZICHT

2.1.1 Inleidende opmerkingen

De eerste bijbelstudie had een heel eigen karakter. Alles kon een beetje oppervlakkig worden aangestipt, teksten behoefden niet zo tot het uiterste te worden uitgekauwd; er kon nog eens een verhaaltje tussendoor; ik heb de idee, dat er wel door te komen was. Nu – met deze bijbelstudie – begint het eigenlijke, taaie werk. Maar: ik mag het niet te taai maken. Dat straft u direct af, door mijn gedachten ongelezen te laten. En dat is de bedoeling niet. Hierna behandel ik de stof voor deze bijbelstudie aan de hand van vijf hoofdgedachten. Ik stel mij voor, aan het slot van elke hoofdgedachte alle gedachten en overwegingen daaruit te laten terugkomen in een verhaal van dagelijkse gebeurtenissen, die een mens kunnen overkomen. Dus: eet dapper door de vijf rijstebrijbergen heen, dan vindt u telkens een verhaal als beloning. Doe het echter niet zo, dat u alleen de verhalen leest. Dan komen die ook weer niet tot hun recht.

2.1.2 Zich omkeren in het ‘natuurlijke’ leven is vergelijkbaar met ‘zich bekeren’ in het geestelijke leven

Stel, dat u met de auto op weg bent van A naar B en u ziet wegwijzers, die aangeven, dat u steeds dichter bij A komt. Uw gevolgtrekking is: “Hé, ik ga verkeerd”. U stopt uw auto en zodra er gelegenheid is, draait u honderd en tachtig graden. Stel nu, dat het werkelijk een moeilijke weg is, dan kan het voorkomen, dat u nog een keer fout rijdt, dat u nog eens moet omkeren. Later vertelt u dan: “Ik heb zo´n moeite gehad om B te vinden. Telkens zat ik weer op de weg naar A, waar ik helemaal niet moest zijn. Ik heb wel driemaal halt en rechtsomkeert moeten maken. Stom van mij hè; en dat, terwijl er toch wegwijzers zijn. Gelukkig, dat ze er zijn, anders had ik nu in A gezeten en ik weet toch werkelijk niet, wat ik daar nu had moeten doen. O ja zeg; ik vroeg nog aan een paar mensen de weg; sommigen hielpen wel, maar er was er één die wees dwars tegen alle wegwijzers in en zó overtuigend, dat ik er finaal intuinde. Pffff.... wat kostte dat een tijd; maar nu ja, ik ben er!”

Wel, u en ik, we rijden allemaal op de levensweg. Met onze geest geven wij opdrachten aan onze ziel, de motor van onze levensauto. Onze ‘carrosserie’, ons lichaam, onze verschijningsvorm naar buiten toe, rijdt en rijdt en de wegwijzers flitsen voorbij. Soms kunnen wij die wegwijzers niet goed begrijpen, we vragen dan maar om raad aan voorbijgangers. Adviseurs genoeg, maar soms kunnen zij of willen zij de wegwijzers ook niet goed lezen. We rijden van hot naar haar, roepen soms uit: “Moet je kijken, dit kan toch nooit de bedoeling zijn. Ik kan hier niet eens keren, moet eerst een eind achteruit. De man, die me hierheen wees, mag me nog eens helpen, maar niet heus”. Bij dit ‘geestelijk omkeren’, in de bijbel ‘bekering’ genoemd, wil het hierna volgende u van dienst zijn.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Gerritse om 19:19 Reageer op dit bericht

Meer van Mijn boeken

↑ Terug naar de berichten