Naar de inhoud

Mijn boeken

populaire geloofshandleiding
akke.beakke.be

Archief

1.6.5 Algemeen overzicht van de derde strijdfase

“Wie vuil is, hij worde nog vuiler; wie rechtvaardig is, hij worde nog meer gerechtvaardigd” (Op. 22:11).
“Verschemerd” zal niet meer de bepalende “lichtkleur” zijn van alle mensen. Zij die, met Gods Geest gedoopt, Jezus volgen zullen tot steeds diepere inzichten komen. In hun geest en ziel worden zij steeds meer de “hoogste schepselen”, zoals God die heeft bedoeld (zie 1.3.3).
De duivel voert een tegengesteld gerichte campagne. Hij heeft iets geleerd, maar past het - zoals altijd - weer verkeerd toe. Dit heeft hij gezien: God ondersteunt met Zijn Heilige Geest Jezus. Jezus deelt die Geest mede aan de gelovigen, Zijn gemeente. Door dat toedelen ontwikkelt de gemeente een steeds grotere kracht.
Satan trekt uit een en ander de volgende conclusie: “God schenkt Zijn Heilige Geest aan Zijn zoon. Ik schenk één van mijn machtigste geesten aan een nog uit te kiezen mens. Die mens is mijn tegen-Jezus, mijn antichrist. Lapmiddelen zoals verdeeldheid en een valse kerk, helpen in dit stadium niet meer. Tegenover de kracht van de gemeente kan ik alleen de kracht van een tegengemeente plaatsen.”
De duivel vindt voor zijn opzet èn een mens èn een geest. Hij selecteert:
– een mens, die voldoende inhoud en geestkracht heeft om de zware rol op zich te nemen een tegenspeler voor Jezus te zijn;
– één van de voornaamste overheden uit zijn rijk - de geest van toverij. Deze neemt de taak op zich om de mens, die als antichrist is uitgekozen, helemaal te vervullen en te bezetten. In Openbaring: de geest van toverij: het beest (11:7; 13:1, 4, 6 enz.); de antichrist: de valse profeet (16:13; 19:20).
Jezus weet met de Heilige Geest Zijn gemeente te doordringen en te inspireren. De antichrist is zelf vol met de onheilige geest van het occultisme. Hij vormt, beïnvloedt en bezielt een tegengemeente. Die tegengemeente wordt in Openbaring genoemd: “het beeld van het beest” (13:14, 15; 14:9). Het komt nu tot een hevige geestelijke strijd tussen de “verlichten” (volgelingen van Jezus, vervuld met de Heilige Geest) en de “verduisterden” (volgelingen van de tegen-Jezus, vervuld met de onheilige geest). Het gekke is nu dat de “verschemerden” dat niet helemaal of helemaal niet in de gaten hebben.

Even een tussenopmerking. U zult zeggen, wat wordt hier toch gewerkt met vreemde, ongebruikelijke woorden: verlicht, verduisterd en vooral “verschemerd”. We begrijpen het wel, maar waarom niet eenvoudig gezegd: grijs verdwijnt, wit en zwart blijven over. Het antwoord: “zwart” is zo'n beladen woord. Als ik het voortdurend in ongunstige zin heb over “de zwarten”, doe ik daarmee donker getinte medegelovigen verdriet. Vandaar . . .

Verschemerd kent vele schakeringen. Er bevinden zich mensen onder die Jezus liefhebben, maar nèt niet de laatste ontdekking hebben gedaan. Die laatste - tweeledige - ontdekking is:
– dat er geestelijke strijd moet worden geleverd om Gods werkelijke Koninkrijk geestelijk te beleven;
– dat de doop in en het vervuld zijn met Gods Geest absoluut onmisbaar zijn om die geestelijke strijd te kunnen leveren.
Er bevinden zich onder de verschemerden ook mensen die Jezus minachten, maar nèt niet de laatste ontdekking hebben gedaan. Die ontdekking is, dat de èchte haters elkaar vinden rondom het door de antichrist ontplooide vaandel. Daar alleen is de tegenkracht te vinden, uit de onzichtbare wereld afkomstig duivels vuur (Openb. 13:13), dat ter beschikking gekomen is toen de put openging (Openb. 9:1, 2). Laat dat vuur dan al vernietigend zijn voor de eigen persoonlijkheid (Openb. 16:11), alleen daarmee is de overwinning te behalen (Openb. 11:7). Zie ook 1.5.5.
Tussen “bijna verlicht” en “bijna verduisterd” zijn er onnoemelijk veel schakeringen. Als altijd en overal ligt de grote massa van die schakeringen toch weer in het midden. Die middenmoot van “verschemerden” regelt zo goed en zo kwaad als het nog gaat de aardse zaken. Die aan de gang zijnde felle geestelijke strijd laat die aardse zaken niet ongemoeid. Dat is logisch: de val van satan indertijd liet de planeet in zijn toenmalige staat ook niet onberoerd (1.4.4). De regelaars vragen zich soms verbaasd af: “Wat gebeurt er toch? Alles loopt spaak!” Maar dan tobben ze maar weer door. Wat ze doen lijkt erg belangrijk, maar is het in wezen niet. De kernbeslissingen vallen in de strijd tussen verlichten en verduisterden, een strijd die voor de verschemerden onbegrijpelijk blijft en schromelijk door hen wordt onderschat.
In de felle, geestelijke worsteling met keiharde - eveneens geestelijke - tegenstanders groeit het keurkorps van Jezus naar de volwassenheid. Dan gebeurt alles heel snel. Met geest en ziel zijn de volgelingen van Jezus - gelouterd door het gevecht - reeds in Gods Rijk. De satan vindt niets meer in hun innerlijk wezen, waaraan hij houvast heeft (Openb. 14:5). Dàt is de overwinning waar God hen van meet af aan naartoe wilde leiden. Als zij door harde verdrukking heen (Openb. 15:2) door Zijn genade dit stadium bereiken, wordt ook hun lichaam in de overwinning van hun ziel en geest betrokken. Ze treden - ook met hun lichaam - binnen in de geestelijke wereld. Dat is hun hemelvaart (Openb. 11:12). Eindelijk is het zover: de druk van satan en zijn handlangers heeft juist dat bewerkt, wat de duivel altijd wilde verhinderen: ze hebben door hun liefdevolle toewijding aan God en aan Zijn Zoon (Openb. 14:4) hun plaats als machtigsten in Gods schepping ingenomen. Knarsetandend van woede staan de verduisterden hen na te kijken (Openb. 11:12). De verschemerden begrijpen er niets van (waar zijn die godsdienstfanaten nu opeens?), maar de antichrist en de zijnen begrijpen het opperbest: hun schijnoverwinning gaat in een nederlaag verkeren; hun prooi ontkomt (zelfde vers).
Als de tegen-Jezus uitroept: “aanvallen, hen achterna”, stormen de verduisterden de verlichten na, de gewestelijke wereld in (Openb. 19:9). Wat Gods kinderen gelukt is door de bijstand van de Heilige Geest, apen zij na door middel van toverij.
In de onzichtbare wereld ontmoeten de beide legers elkaar. De verlichten zijn alweer naar de aarde aan het terugkeren. De schrik bij de verduisterden is groot. Jezus Christus stormt voor de zijnen uit. Als een wolk, een erehaag, stromen de verlichten in verblindend witte kleding Hem na (zie 1.4.2). Hij heeft als onderscheidingsteken rode vlekken op Zijn witte uniform. Die herinneren aan Zijn zwaar bevochten overwinning op Golgotha (Openb. 19:12, 13). Nu de eersten van Zijn volgelingen klaar zijn en de bedoeling van God met hen hebben bereikt, houdt niets Hem meer tegen. Nu gaat Hij de regering van de wereld op Zich nemen.
In een oogwenk zijn de verduisterden, de antichrist en het beest, machteloos gemaakt (Openb. 19:20, 21). En de duivel . . . hij had àlles (Openb. 13:2) op deze ene kaart gezet . . . ook hij is machteloos, wordt gebonden en onder arrest gesteld (Openb. 20:3).

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Gerritse om 15:06 Reageer op dit bericht

1.6.4 Het in de strijd werpen van Gods zonen

Altijd waren er mensen geweest die van de doop in de Heilige Geest wisten, dat het een toegangspoort was tot Gods denkwereld. Zij hadden er oog voor dat de mens pas ècht aan Gods bedoelingen ging beantwoorden als hij in Zijn Geest leerde handelen. Maar het waren er altijd maar enkelen . . . de ramp zou voor satan niet te overzien zijn, als die ontdekking algemeen werd.
Ondanks alle vertragingstactieken gebeurde dat toch. De mens komt immers op de plaats waar God hem hebben wil. Gods plannen gaan altijd door.
Aan het begin van deze eeuw werden er stemmen gehoord: “Hierheen . . . naar de doop in de Geest, het spreken in tongen, het handen opleggen voor genezing.” Miljoenen stroomden toe; het gigantische gevecht om de waarheid was in een stroomversnelling gekomen.
Nu, in deze tijd, zitten wij volop in die versnelde beweging. Er worden kanjers van fouten gemaakt bij het zoeken naar de overwoekerde weg. Wie had anders gedacht? Maar het pad tekent zich voor steeds meerderen, steeds duidelijker af. Wie had anders gedacht? (Spr. 4:1icon_cool.gif.
Overal proberen boze geesten de gelovigen tegen te houden, òm te laten keren. Wie had anders gedacht? Hun hoop op afstel is vervlogen, hun uitstel is aan het voorbijgaan. Nog een betrekkelijk korte tijd en ze zitten te kniezen in een ledigheid die voor hun bezig-willen-zijn de ergst mogelijke kwelling is.
Wie door Gods Geest geleid wordt is een zoon van God (Rom. 8:14). Er is daarbij geen sprake van neger of blanke, van rijk of arm, jong of oud, man of vrouw (Gal. 3:2icon_cool.gif. Dat leger komt in beweging. Steeds weer nieuwe mensen worden zich bewust wie ze zijn in Christus. Ze gaan zien dat ze alle dingen kunnen in Zijn kracht (Philipp. 4:13). Ze doen hun wapenrusting aan (Ef. 6:11). Het leger neemt zijn slagorden in met al zijn vaandels, al zijn banieren samengetrokken rond de banier van de Generaal. Geworteld en gegrond in eeuwige waarden jaagt dat leger zelfs de meest stoutmoedige verleidende geest nu al schrik aan. En de kracht groeit.


Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Gerritse om 14:42 Reageer op dit bericht

1.6.3 Overzicht van de tweede strijdfase

Na die grote overwinning werd veel anders. Eén ding bleef gelijk: de duivel gaf het niet op; hij is immers de “super-volhouder” (1.5.2). Maar overigens: de Heilige Geest waardoor Jezus zo onweerstaanbaar krachtig was geworden, werd uitgestort (Hand. 2:3). Die Geest kwam ter beschikking van alle mensen, die Jezus liefhadden en Hem volgden. Zij werden als het ware “ingeboren”, wedergeboren in de nieuwe, feestelijke werkelijkheid.
Dat waren voor de duivel en zijn helpers vreselijke tijden; het ras van overwinnaars begon zich af te tekenen. Wie gedoopt was in de Geest, werd een zoon van God (Gal. 4:6), kreeg autoriteit en gaven (1 Cor. 12:8-11). Die gaven groeiden uit tot functies, bedieningen (1 Cor. 12:5,2icon_cool.gif. Zulke Geestvervulden begonnen vrucht te dragen, zoals God dat wilde (Gal. 5:22). Heel hun karakter veranderde. Van geestelijk lui waren zij ijverig geworden. Bangeriken (Matth. 26:69-75) werden helden(Hand. 4:8-12). Was die vloedgolf nog te keren? Maar dat mocht geen vraag zijn - het moest! Als de mensen de weg naar Gods wereld vonden, was het afgelopen met alle duivelse activiteit. En . . . voor eeuwig werkeloos te worden, voor altijd op dood spoor te komen . . . dat was de hel (Matth.8:29).
Als demon stond je met de rug tegen de muur. Er was geen keus. “Al het intellect er tegenaan, medeverdoemden, dan krijgen we uitstel. En wie weet (want duivels zijn volstrekt hardleers) komt van dat uitstel afstel!”
En, lukte het met dat uitstel? Ja, inderdaad . . . de mensen hadden een te grote karrenvracht bij zich van oude gewoonten, zondige aanwensels, aards denken. De vaart ging eruit. De glorie ebde weg. De weg die omhoog leidde, raakte vergeten, overgroeid. Kolossale kerkgebouwen verrezen. Alle activiteit werd opgezogen door de inspanning om die te voltooien. Van verlangen naar de doop in de Heilige Geest bleef weinig over.

En toch . . . zoals vroeger werd het nooit meer. Het lukte de duivelen niet om het goede Godsbegrip zó vrijwel onbereikbaar weg te duwen als voor Jezus komst. Het was toen niet helemaal gelukt. Eeuwenlang was het zuivere Godsvertrouwen bewaard gebleven in het volk Israël. Toegegeven: met alle lek en gebrek, met vallen en opstaan, zo goed en zo kwaad als het ging, maar . . . de kern was onaangetast gebleven. Maar nu was het geloof in de ene God (Deut. 6:4) oneindig veel meer verdiept en verrijkt met de leer van Jezus. Wat in het verleden niet helemaal was gelukt, was voorbestemd om nu helemaal niet te gelukken. Het geloof in de Ene vond zijn weg bij alle volken. Velen stonden op, zoals de in de bijbel beschreven helden. Het nieuwe elan, de frisse aanvalsgeest die Jezus erin had gebracht, kon niet blijvend worden afgedempt.
De duivel en zijn trawanten probeerden werkelijk alles . . . zo zaaiden zij bijvoorbeeld verdeeldheid. De volgelingen van God en Jezus raakten versplinterd over duizenden groepen, die er allemaal nèt iets anders over dachten. Probaat was dat middel niet.
Iets anders werd uitgevonden: de valse kerk; er kwamen veel mensen die het soms wel goed bedoelden maar in de praktijk een allerverschrikkelijkste anti-reclame maakten. Ze riepen: “Jezus is Heer”, maar ze werkten samen met allerlei wrede onderdrukkers. Ze riepen “het is zalige te geven dan te ontvangen”, maar ze spekten hun eigen kerkinstituut. En ten slotte . . . doodden zij - juist zij - de echte goed handelende kinderen van God. Voor zover zij de macht om te doden niet hadden, maakten zij Gods kinderen op andere wijze het leven zo zuur mogelijk. Maar ook die verwarring-zaaiing was niet afdoend. De duivel kreeg zijn uitstel, heeft misschien wel eens gehoopt op afstel, maar toen1.6.4 Het in de strijd werpen van Gods zonen


Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Gerritse om 18:35 Reageer op dit bericht

1.6.2 De overwinning door Jezus - Gods Zoon - behaald

Zo trad Gods Zoon binnen in het mensenleven, net zoals wij, maar toch . . . met een extra . . . een bestandheid tegen de zonde. Hij wàs niet om te gooien. Maar . . . Zijn grote afmetingen bleken pas toen Hij Gods Heilige Geest deelachtig werd, toen Hij daarin gedoopt en daarmee vervuld werd (Matth. 3:16). Eigenlijk was bij Hem als Eerste de band met God - ten tijde van Adam en Eva doorgeknipt - weer ongeschonden aanwezig.
Altijd al . . . door Zijn zondeloosheid. Maar die verbinding begon te werken als een “kracht-inlaat” bij de doop in de Geest. Op die doop in de Geest hadden Adam en Eva behoren te wachten. Dan hadden ze te rechter tijd gekregen waarnaar ze voortijdig grepen: kennis . . .
Maar dat is nakaarten.
Jezus - want zo heet onze Kampioen - speelde het in ieder geval eindelijk helemaal goed. Niet een beetje goed, zo nu en dan, zoals David of Hizkia, maar helemaal en steeds - geen enkele misser!
Hij leerde de mensen geheel nieuwe dingen over: liefde, vergeven, genezen, de demonen verjagen en de Heilige Geest ontvangen. Daarnaast was Hij een geweldige Vechter! Door verschrikkelijke verzoekingen groeide Hij overwinnend naar de eindstrijd (Matth. 4:1-10). De satan had Hem al direct in het oog. Dat kon ook moeilijk anders. Eerst was er dat vóór-waarschuwingsbord geweest: het gebeuren rond Zacharias (zie 1.5.icon_cool.gif. Dan de aankondiging aan Maria. En bij de geboorte had een ontvangstcomité van engelen een cantate opgevoerd van jewelste (Lukas 2:13). In de zichtbare wereld was de geboorte ergens in een uithoek gebeurd. In de onzichtbare wereld stond die geboorte helemaal in het middelpunt. De mensenwereld dommelde door. De demonenwereld - maar gelukkig ook de engelenwereld (Matth. 4:11) - was klaar- en klaarwakker, tot het uiterste bij de zaak betrokken.
De eindstrijd - Jezus grote doel - was eigenlijk niet “om te doen”: God zou Zijn eigen zoon prijsgeven. De duivel zou Hem als buit aanvaarden. In de ogen van satan was Jezus een parel van grote waarde. Die moest hij hebben. De andere parels - vele mensenzielen - had hij al. Maar die zette hij graag in om die Ene te winnen (Matth. 13:45 46).
Wat kon het hem schelen, het risico om alles te verliezen?
Stel je toch voor: Gods Zoon, een deel van Gods Wezen, die àlle zonden van àlle mensen van àlle tijden op Zich nam. Daardoor werd Hijzelf zonde. De band met God de Vader brak. De dood kreeg macht over Hem. En dan . . . het onvoorstelbare. In triomf zouden de boze geesten “God-zelf-toch-eigenlijk” binnenbrengen in het dodenrijk. “God is dood”, zou het koor zingen. Ha, dat was nog eens een ander lied dan het feestkoor in die geboortenacht. God had gegokt, God had “Zijn hand overspeeld”. God was monddood. God werd een machteloze gegijzelde.

Het grootste van alle gevechten kwam. Het begon met een verrassende handeling van God. Herinnert u zich die zee van zonden, die niet leeg te drinken was (1.5.4); die zee die tegelijk de niet-te-slopen muur was die God scheidde van de mensen? God breidde die zee eerst nog tot in het bijna onmetelijke uit: alle zonden van alle mensen van alle tijden, ook van de nog komende eeuwen, werden eraan toegevoegd. Ook uw zonden en de mijne, onze miskleunen, onze verbijsterende stommiteiten liepen als beken leeg in die immense zee (1.5.4).
Als stenen verdikten ze de muur. Immers: de genade van God is verschenen, heilbrengend voor alle mensen (Titus 2:11).
Toen . . . verdichtte God die zee tot één enkele bekerinhoud. Niet voor te stellen . . . nee . . . en . . . ja! Een voorbeeld uit de stoffelijke wereld kan misschien een beetje helpen. Er zijn hemellichamen waar de materie zo enorm is samengeperst, dat onze aarde - in die omstandigheden gebracht - niet groter zou zijn dan een voetbal! Als zulk een concentratie in de stoffelijke wereld mogelijk is dan kan dat ook in de geestelijke.

Onvoorstelbaar vreselijk moet de loodzware inhoud van die beker Jezus toegefonkeld hebben. Ontzettend was ook Zijn aarzeling (Matth. 26:39). Maar Zijn grote liefde voor ons hielp Hem over dat terughuiveren heen (Matth. 26:42).
Hij - de Zondeloze - zette de beker aan de mond en . . . dronk hem leeg. Heel dat tot het uiterste samengebalde gewicht daalde in Zijn innerlijk in. De band tussen God, de Vader en deze “grootste zondaar aller tijden” brak (Matth. 27:46). Zij hadden Elkaar zo lief . . . wat zullen Zij Allebei geleden hebben . . . (zelfde vers).

De vordering die de duivel op alle mensen van altijd en overal had en heeft en zal hebben, had hij nú op Jezus. De mensen waren vrij van schuld, voor zover zij althans het “door Jezus leegdrinken van de beker” voor zichzelf aanvaardden.
Vooral in de drie uren van duisternis (Matth. 27:45) is er vervolgens iets gebeurd, dat wij ons niet kunnen voorstellen en dat de duivel ook niet in zijn berekeningen heeft kunnen opnemen. Anders had hij immers de gok nooit gewaagd (1 Cor. 2:icon_cool.gif. In een met geen pen te beschrijven worsteling boette Jezus al onze zonden - nu de Zijne - uit! Hij kon wat wij niet kunnen. Onze zonden brengen ons oneindig ver weg van de Eeuwig Levende. Onze eindigheid houdt ons eeuwig bezig om die afstand te overbruggen. Maar nu kwam de Oneindige ons te hulp. Zij peilloos vermogen deed de schuld slinken en slinken. Toen Jezus uiteindelijk overwinnend riep: “Het is volbracht”, had Hij geen schuld, hadden wij geen schuld en was de duivel geruïneerd. Hij was zijn kleine parels kwijt, de grote was hem ontgaan: niets had hij meer . . .
Nog even bleef de grootsheid van de overwinning bedekt. Jezus stierf en kwam in het dodenrijk. Maar . . . wat had Hij daar te maken? De bezoldiging van de zonde is de dood (Rom. 6:23), maar Zelf had Hij geen zonde en de onze had Hij doorgeboet. Daarom gingen de poorten van het dodenrijk - alleen op binnenlaten berekend - nu naar buiten open. Leeg en ontredderd bleef dat rijk achter. Niet Gods Zoon was daarvan de vulling, maar het gegil van de ontgoochelde demonen. Een blijde hemel die Hem al wachtte, werd weer vol toen Hij na Zijn hemelvaart (terugkeer in de onzichtbare wereld) binnentrad. Nooit eerder zullen de opgeluchte engelen zo gezongen hebben als toen (Ps 24:7-10).

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Gerritse om 19:09 Reageer op dit bericht

1.6 VAN DE EERSTE KOMST VAN JEZUS TOT ZIJN TWEEDE KOMST

Gedachten:
– Het in de strijd werpen van Gods Zoon (1.6.1)
– De overwinning door Jezus, Gods Zoon, behaald (1.6.2)
– Overzicht van de tweede strijdfase (1.6.3)
– Het in de strijd werpen van Gods zonen (1.6.4)
– Algemeen overzicht van de derde strijdfase (1.6.5)
– Eerste detailoverzicht: ooggetuigenverslag van een verduisterde (1.6.6)
– Tweede detailoverzicht: ooggetuigenverslag van een verlichte (1.6.7)
– Derde detailoverzicht: ooggetuigenverslag van een verschemerde (1.6.icon_cool.gif

1.6.1 Het in de strijd werpen van Gods Zoon

Terwijl de strijd zo hevig woedde als ik heb geprobeerd te schetsen, deed God een meesterzet. Hij “riep” Zijn Stem, Zijn Woord, Zijn Zoon, “Wil Jij die Ene zijn, Die Ik heb beloofd?”
De Zoon keek naar de planeet aarde. Hij zag de mensen van alle tijden. Hij zag ook u en mij. Hij zag de mensen die “ja” wilden zeggen, maar “neen” moesten zeggen. Het was als een schat die ergens in de grond begraven ligt. Verroest, aangetast, besmeurd . . . tòch: een schat! (Matth. 13:44).
“Vader”, zei Hij, “hier ben Ik om Uw wil te doen! (Ps. 40:8, 9). Ik ga incognito. Mijn Godheid kan ik niet afleggen, maar Ik maak er geen gebruik van (Philipp. 2:7) Laat Mij maar binnentreden in de mensenwereld door de poort van de geboorte, de weg van iedereen. Dáár - in de mensenwereld - moet de strijd immer geleverd worden door een mens!
. . . U hebt in Uw liefde niet gerekend . . . U hebt niet gezegd: “met hoe weinig kan ik toe”. U staat op het punt Uw hele hemel leeg te geven . . . (Joh. 3:16)
. . . Ik reken ook niet. Ik zeg ook niet: “met hoe weinig kan Ik toe.” Ik zal de muur slopen, Ik zal de zee leegdrinken. Ik zal daarvoor Mijn leven opofferen . . .
. . . O, die schat . . . die arme, verdoolde, misleide ja-zeggers . . . Ik ga . . . Ik GA . . . ! !”

Subliem: dat plan van God. Natuurlijk: volmaakt overbodig om dat te zeggen en toch zeg ik het nog eens: absoluut origineel:
– wat de persoonskeus betreft: wie had dat nu ooit kunnen denken. Hoe dikwijls zal de duivel zich gepijnigd hebben met deze gedachte: “Wanneer ik (als openbaar aanklager) uit de tenlasteleggingen de wandaden van alle mensen voorlees (Openb. 20:12), moet God (als Rechter) hen wel veroordelen. Hij is immers geheel gescheiden van het duister, maar: Hij kan ze niet veroordelen, want Zijn plan met hen moet doorgaan. Waar haalt Hij een verdediger vandaan?”
– En het antwoord: terwijl God de oneindig strenge Rechter bleef, werd Hij ook Zelf de oneindig bekwame Verdediger. De raadsels hieromheen èn het mens-zijn èn het God-zijn van Jezus blijven voor ons uiteraard niet te doorgronden (zie 1.2)
– wat het tijdstip betreft: een wereldrijk was bezig zich te vormen. Binnen enkele tientallen jaren zou in een uitgebreid gebied waar bijna de helft van de wereldbevolking leefde, rust gaan heersen, een goede, snelle berichtgeving mogelijk worden. Een nieuwe boodschap zou zich vlug kunnen verspreiden. Bovendien zou juist dan de mensheid in het betreffende gebied beu zijn van allerlei godsdiensten. Zij zou bewust hongeren naar een volslagen ander geluid. Zo bezien kwam de boodschap die Gods bijzondere afgezant, Gabriël, ging brengen aan Maria (Lukas 1:28-33) op precies het goede ogenblik.
Gods Zoon had al eerder de aarde bezocht. Er waren al oriënterende, kennismakende reizen geweest. Hij had Zijn warme belangstelling al diverse malen getoond (Gen. 16:7, 21:17, 22:11; Exodus 3:2, 14:19; Num. 22:22; Richt. 2:1, 6:11, 13:3 e.v.a.). Maar . . . men mag deze contacten geen komen in onze levenssfeer noemen. Nu werd het ernst: nu kwam de blijvende band met de mensheid.

Maria was een meisje uit het volk Israël
Eerst even over dat volk: het was door God aangewezen als de leefgemeenschap, waaruit de grote Strijder voort zou komen (zie 1.5). Wanneer dat gebeurd was, had het zijn eervolle taak volbracht. Het behoefde en behoorde dan geen afzonderlijke plaats onder de andere volken meer te hebben. Alleen de naglans zou blijven: een gewoon volk als de andere, geen enkel “streepje voor”, behalve die ene belofte: dat het nooit in andere volken zou opgaan. Toch: een kleine, niet vervagende glorie tot in onze tijd toe: het volk waaruit HIJ is geboren. De duivel zal altijd woedend blijven bij de herinnering daaraan. Hoezeer hij het ook alle volken moeilijk maakt, dit volk kwelt hij nog extra. Werkelijk alles doet hij eraan om de grote Verlosser bij hen gehaat te maken. Hij laat de joden (Israëlieten) zelfs door slechte mensen vermoorden, zogenaamd in opdracht van de Redder. Maar . . . zijn nederlaag wordt volkomen als vele joden door die versperring - speciaal nog eens voor hen opgericht - heenbreken. Wij zullen hen helpen om die muur van misverstand, die hen - meer nog dan ons - van de Bevrijder scheidt, te slopen. Wat een glorie als ook zij doorbreken (Rom. 11:15).

Nu weer over Maria. Dit meisje was ongetrouwd en maagdelijk (Lukas 1:27). Gabriël bracht de boodschap dat zij voor het oog van de wereld haar eer zou kwijtraken, terwijl zij juist de hoogste eer ging ontvangen (Lukas 1:35). Gods Heilige Geest zou bij haar een Kind verwekken: de grote Overwinnaar. Daaraan was niets vreemds. Zou God Die het oor plantte niet horen (Ps 94:9). Zou daarom ook Hij Die miljarden verwekkers tot ontwikkeling brengt, van cel tot voldragen vrucht, niet Zelf kunnen verwekken?

13-05-2006 om 16:04 geschreven door Gerritse

0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Gerritse om 17:00 Reageer op dit bericht

1.5.7 De grote massa

En dan waren er tenslotte: de anderen. Zo op het oog een gemakkelijker hanteerbare groep. Veel massawerk. Je had het onuitsprekelijke voordeel dat je uit de onzichtbare wereld ongezien en onverhoeds kon aanvallen door de meest gewone voorvallen. Je hoefde ze alleen maar dom te houden. Wat was het gemakkelijk om hen te brengen tot overtreding van de inzettingen van de vijand. Er werden steeds meer dwaalwegen gevonden om hen daartoe te leiden. Maar . . . had je ze dan? Velen waren er die innerlijk bleven hunkeren naar hem, die hun soort het leven had ingeblazen. Al wisten ze niets van de vijand, al konden ze hun verlangen naar hem geen naam geven, zijn wét waren zij eigenlijk niet kwijt (Rom. 2:14).
Waren ze wel tot in hun diepste wezen vervormd? Waren ze eigenlijk wel ooit nee-zeggers geworden? Dat was toch nodig, wilde je gezelschap hebben in de vreselijke tijden die ooit eens zouden komen (Matth. 8:29). Het idee dat er voor hen misschien toch nog vrijspraak zou komen (Rom. 2:15) en genezing (Openb. 22:2).
Soms had je als getrouwe het afschuwelijke idee, dat al je gesloof voor niets was. Nee, erger nog: of al je werk uiteindelijk toch de vijand diende. Zelf was je indertijd nee-zegger geweest. Nu was het misschien wel zo, dat door jouw gedram de nee-zeggers en de ja-zeggers onder de mensen uitkristalliseerden. Maar dàn . . . werd je gebruikt om de mensen middellijk de proef te laten ondergaan, waarvoor je zelf destijds onmiddellijk was gesteld geweest.
Beangstigend waren de overwegingen met betrekking tot de overduidelijke nee-zeggers. Meer beangstigend die aangaande de uitgesproken ja-zeggers. Maar het meest werd je nog beangstigd als je over de anderen nadacht . . .

1.5.8 Overgang naar de volgende strijdfase

. . .
“Ja, hallo.”
. . .
“Een spoedbericht? Geef maar door.”
. . .
“Wat!? EN DAT HOOR IK NU PAS?!
. . .
“En de naam was . . . ?”
. . .
“Zacharias. O, dat is die priester . . . “ (Lukas 1:5)
. . .
“Nee, ik kom zelf. Direct. De stukken worden wel nagezonden.”
. . .
Weg met alle muizenissen. Ik reinig mijn gedachten ervan. . . dat zal blijken bij de breincontrole . . . en overigens, dit is groot nieuws: het spoor is terug, het spoor . . . ! !

Naar boven

Beantwoorden
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Gerritse om 15:44 Reageer op dit bericht

1.5.6 De leidende ja-zeggers

Het zijn niet de aantallen die beslissen - het aantal geharde nee-zeggers was klein, maar wat waren ze belangrijk in de totaal-strategie.
Klein was ook het aantal van de geharde ja-zeggers. Maar . . . wat waren ze fnuikend voor het moreel. Het was al begonnen met Henoch. Wat was die vertrouwd met de vijand. Geen sprake van een muur en een zee. De vijand had hem in zijn rijk toegelaten. Nee, niet na zijn dood. Gewoon bij zijn leven was hij overgegaan in de geestelijke wereld (Gen. 5:24). Algemeen was de ontreddering geweest.
Daarna waren er veel van die “harde jongens” geweest:
– De getrouwen hadden steeds veel aandacht besteed aan pogingen om het volk waaruit de tegenstander zou worden geboren, onbruikbaar te maken voor de doelstellingen van de vijand. Eenmaal was dat geprobeerd door ze te laten opgaan in een ander volk. Maar op het laatste ogenblik was daar ene Mozes die zijn volksgenoten hielp om hun identiteit te hervinden.
Een andere maal was het gespeeld via de kaart van de totale vernietiging. Maar toen verziekten Mordechai en Esther alles weer.

Ook had men het volk willen brengen van zijn “eigenheid” door hen te laten afvallen van wetten en gewoonten die met die “eigenheid” verband hielden. Maar toen staken Ezra en Nehemia een spaak in het wiel.
– De standvastigen waren steeds in touw om altijd maar weer te bewijzen, dat de mensen nietswaardige mislukkelingen waren zonder enige diepgang. Maar eens waren er drie mannen die voor de vuurdood stonden. Zij waren reuzen gebleken (Daniël 3:1icon_cool.gif.
En er was die toestand met Job. De Chef zelf had zich heel intensief met die zaak bemoeid (Job 1:9), dus dan hoef je toch niet meer te vragen naar het belang. Maar . . . de vent had geen krimp gegeven.
– De trouwgeblevenen waren er altijd op gebrand om ervoor te zorgen dat de mensen nooit of te nimmer een engel als knechtje konden gebruiken. Dàt wou de vijand, dàt moest voorkomen worden. Toch was er dat ellendige geval met die Daniël. Toen bleek de gebedskracht van een mens dan toch maar een bepalende factor in de engelenwereld. Een hooggeplaatste verrader verlaagde zich ertoe aan het bevelend gebed van een mens te gehoorzamen. Topverrader Michaël moest zo nodig een handje helpen. Van de kant van de getrouwen waren prima krachten ingezet om de mensen gescheiden te houden van de verrader. Maar het was - voor die ene maal - niet gelukt . . . (Dan. 10:2-21).
Waren de “harde jongens” dan brandschoon? Welneen: voor hen allen was een dossier waarin heel wat stond (Openb. 20:12). Met eigen kracht kwamen ze niet door de muur. Daar ging het ook niet om . . . die taak was toebedeeld aan de komende tegenstander. Maar waar het wel om ging was dit: ze toonden iets van de kracht die ooit door de vijand aan de mens was toegezegd.
Wanneer je de ervaringen tot dusver met de duidelijke nee-zeggers op een rijtje zette, was dat beangstigend.
Maar . . . wanneer je de bevindingen met de duidelijke ja-zeggers recapituleerde, was dat meer beangstigend.


Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Gerritse om 19:12 Reageer op dit bericht

1.5.5 De strijdbare nee-zeggers

Wanneer je nu de mensenwereld overzag vielen er drie groepen te onderscheiden:
– de uitgesproken nee-zeggers: 1/2 procent
– de overduidelijke ja-zeggers: 1/2 procent
– de anderen.
Wat de geharde nee-zeggers betreft: veel aardigheid was daar niet aan. Je behoefde ze niet te verleiden. Ze zaten als het ware op je te wachten. Waren ze eenmaal met een demon verbonden dan was er groot gevaar, dat de omarming van hen door de demon gevolgd werd door een omarming van de demon door hen. Geen van beiden kon dan meer los. Stierf de nee-zeggende mens dan sleurde hij de hem begeleidende geest mee (zie Openb. 19:20, hoewel niet gehele vergelijkbaar). Die geest werd dan “in de diepe afgrond” werkeloos. Zo waren de rijen der loyalen al enigszins uitgedund.
Maar . . . de denkers rond de troon, geïnspireerd door het Meesterbrein, hadden een plan in bewerking. Eenmaal zouden de mensen zo bekwaam worden in toverij, dat het deksel van de diepe afgrond af zou gaan (Openb. 9:2). Alle gevangen “getrouwen” zouden dan vrijkomen voor een beslissend gevecht. Er was echter een maar. Er zou een prijs betaald moeten worden, die heel hoog was. De Leider zou alle krachten die Hij had, afstaan aan een mèns, de grote, komende tovenaar. Hij zou dit doen door die krachten eerst ter beschikking te stellen van één van de belangrijkste trouw gebleven geesten. Met die geest zou de uitgekozen mens worden bezield (Openb. 13:2, 11, 12). Alle trouw geblevenen zouden die mens moeten helpen. Alleen door hem zouden ze kunnen overwinnen. Dat was heel pijnlijk. Op die manier zou de mens toch haantje-de-voorste zijn . . . ook maar niet meer over denken: de “braintrust” zou dat weten te regelen (zie ook 1.6.5).

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Gerritse om 15:18 Reageer op dit bericht

1.5.4 Detail-overzicht, één bepaald volk – de Israëlieten – betreffende

Merkwaardig daartegenover was zijn haast uitdagende domheid op een ander gebied. De hele schepping van de mens was al zo\'n provocerende onbegrijpelijkheid. Daardoor had de vijand zich beroofd van de krachten van de besten onder zijn medewerkers. Hij had zichzelf beslissend verarmd door zich te vervreemden van Hem, die diep beneden zetelt. Wat was hem overgelaten: een zielig groepje zwakkelingen, de verraders. Nu waren er dan mensen geschapen, maar door de genialiteit van de Leider konden die mensen niet uitgroeien tot de - stel je voor - boven de engelen verheven wezens, zoals de vijand bedoeld had. Hun overtredingen van zijn verordeningen waren zovele, dat:
– er een - nog steeds dikker wordenden - muur was gegroeid tussen hen en hem. Niemand kon daarin een bres slaan;
– er een zee van verwijdering was ontstaan tussen hen en hem. Elke dag werd die zee voller. Niemand kon haar leegdrinken.
Maar de vijand erkende zijn nederlaag niet. Hij gaf zijn plan niet op. Neen, heel openlijk had hij zijn opzet bekendgemaakt: hij zou iemand sturen die de muur zou slopen en de zee zou leegdrinken. Hij had zelfs het volk aangewezen, waaruit de tegenstander zou voortkomen; het leek wel of hij daarmee alle trouw geblevenen, hun Leider inbegrepen, uitlachte en bespotte (Ps. 2:4). De aanwijzingen waren steeds sterker geworden. Bij ene Abraham zelfs overduidelijk (Gen. 22:17, 1icon_cool.gif. Alles, letterlijk alles, was gedaan om de geboorte van een zoon te voorkomen. Wat kon de vijand toch bewogen hebben om zo uitdrukkelijk de afkomst van de tegenstander aan te wijzen. Hij kon toch weten, dat alle krachten van alle getrouwen zich daar zouden samentrekken!
Hoe dan ook – de geboorte van Izaäk was een feit geworden. Diens zoon Jakob kreeg twaalf zonen; één van hen – Juda – bleek uitgekozen (Gen. 49:10). Bij ene David dook het spoor weer op (2 Sam. 7:13). Op dit ogenblik waren er geen duidelijke aanwijzingen. Alle nakomelingen van David werden scherp in het oog gehouden. In ieder geval wisten alle strijders op welk volk, op welke stam, op welk geslacht heel in het bijzonder gelet moest worden. Dat betekende een grote besparing in tijd en mankracht.
Dom van de vijand: een schot in eigen doel!


Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Gerritse om 17:50 Reageer op dit bericht

1.5.3 Algemeen overzicht van de eerste strijdfase

Ik wil een tussenbalans opmaken op een tijdstip, zeer kort vóór de eerste komst van Jezus. Ik giet die tussenbalans in de vorm van - door mij gefingeerde - innerlijke overwegingen van één der gevallen engelen. De demon in kwestie heeft een vrij hoge positie in dat gedeelte van het rijk van de duisternis dat bemoeiingen heeft met een volk, dat in Jeruzalem en omgeving leeft: de dusgenaamde Joden. Als verbindingspersoon heeft hij een diepgaand inzicht in de gang van zaken op en om de hele planeet. God is in zijn kwalijke woordkeus: “de vijand” en dat heel bewust zonder hoofdletter. De trouw gebleven engelen zijn voor hem “verraders”. De demonen zijn voor hem “de getrouwen”, satan is voor hem “de Leider” en dat heel bewust met een hoofdletter. Sommigen van u zullen na lezing honend zeggen: “Je reinste plagiaat van Lewis . . .”
Nou, en? U zult al best gemerkt hebben dat ik geregeld leentjebuur speel. Ik kom daar rond voor uit, ik probeer alleen al de interessante uitspraken die ik ooit gehoord heb, in één verband bijeen te brengen.

Soms is het goed om alles eens ordelijk op een rijtje te zetten. Een enkele maal gaan de gedachten terug naar heel vroeger, zo lang geleden, maar niet meer aan denken . . .
Toen die lange periode van werkeloos afwachten. De vijand druk bezig met het oplappen van de planeet en uiteindelijk de schepping van de mens.
Daarna kwam er werk aan de winkel. Onze Vader beneden vernietigde de schepping van de vijand in beginsel, maar de uitwerking van die vernietiging eiste alle krachten van alle “getrouwen”. Een hele taak, want de mens bleek een moeilijk, ingewikkeld wezen met onbeschrijfelijk veel kanten aan zijn persoonlijkheid . . . en: ieder mens moest persoonlijk omgeturnd worden (Ezech. 18:20). Door de verrukkelijke stommiteit van Adam en Eva was er wel een toegangspoort gekomen, maar ieder afzonderlijk mens moest toch weer tot persoonlijk, bewust ingaan tegen de geboden van de vijand gebracht worden. Alleen dat telde en wat waren er al veel van die onwezens geboren. Het was bijzonder arbeidsintensief werk.
Je had het allemaal zo intensief meegemaakt. Dat inzicht, hè, dat je krijgt als je tot het hogere kader behoort! De eerste periode met de mens, zo sterk en zo lang levend. Wat hadden ze een hoogmoed kunnen ontwikkelen, wat bleken ze vindingrijk in het kwaad. Maar toen was “de ramp” gekomen, alle mensen waren in de watervloed omgekomen (Genesis. 7:23), niet alleen degenen die al voldoende bewerkt waren, maar ook ontelbaar velen van wie de behandeling nog lang niet voltooid of nog maar nauwelijks begonnen was. En die ene, die Noach waar het nu nèt om ging, een ja-zegger, was ontkomen (zelfde tekst). Helemaal opnieuw beginnen . . . nieuwe mensen-zeeën. Het wachtwoord: “Houd ze bij elkaar. Zo zijn ze gemakkelijker te manipuleren”. Die uitstekende vondst van de denkers rondom de TROON om ze zo tot toverij te brengen, dat ze net zo onaanvaardbaar werden voor de vijand als jij en alle andere getrouwen. Weer de tegenzet: onderling wanbegrip, verwarring (Genesis. 11:7) en . . . fft . . . daar gingen ze: de hoofdstroom naar het noordoosten en later naar het zuiden, andere stromen naar noordwest en zuid. Niet meer handzaam bij elkaar tussen Eufraat en Tigris. Overal verspreid. Kleine, totaal van elkaar vervreemd rakende groepen. Een belangrijk nadeel. Om het werk van de vijand teniet te doen, had je zo groot mogelijke, samengebundelde groepen nodig. En nu: . . . had je ergens een toppunt van verzet gekweekt, dan was er altijd maar een betrekkelijk klein percentage van de totale mensheid mee gemoeid.
Niet ontkend kon worden dat deze zet van de vijand slim was. Het zou dwaasheid zijn om hem te onderschatten.


Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Gerritse om 15:32 Reageer op dit bericht

Meer van Mijn boeken

↑ Terug naar de berichten