Naar de inhoud

Mijn boeken

populaire geloofshandleiding
akke.beakke.be

Archief

Blogs-overzicht

Dag mensen,

Ik dacht, dat het goed was om een overzicht te geven van al mijn blogs.
Misschien zijn er sommige daaronder,  die jullie niet kennen.

Lezen hoor !...allemaal helemaal lezen...!!
........
Mag ik jullie aandacht eens vestigen op mijn zes blogs.

Op actualiteiten vind je er twee:

-         Jan en Joke, lotgevallen van een groep personen

-         Jan en Joke, vervolg.

Jan en Joke loopt een beetje rommelig. Het begint bij twee jonge mensen, Jan en Joke. Maar later worden het dan opeens: Bijbelstudies in het Duits en Frans. Maar alles zeer lezenswaard, vind ik.

Maar ‘het vervolg’; daar is niets mis mee

 

Op ‘ andere’ vind je er vier:

- Bijbelstudies,

(Onderschrift: Wegwijzer naar het land van de jubelende vreugd en de eeuwige blijdschap).

- Geloofsaangelegenheden

( Onderschrift: Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid

- Mijn boeken

(Onderschrift: Gedachten over bekering, wedergeboorte en doop in de Heilige Geest enz.)

-         Mijn leven.

( Onderschrift: Verhalen vanaf mijn prilste jeugd, steeds zoekend naar de Goddelijke leiding daarin)

 

Nog even een  nieuwigheid: je kunt mij ook bereiken  op www.hyves.nl onder Gerritse88. Bij ‘profiel’ verder clicken naar ‘blogs’ en ‘geloofsaangelegenheden’,

Ook aan te bevelen om eens iets goeds , ( nou ja, vind ik dan), te horen. 

Daag
Ger

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Gerritse om 13:46 Reageer op dit bericht

4.6....4.6.1.

4.6.

Hoofdgedachte:

Dode werken leiden níet tot rechtvaardigheid; levende wél

 

Gedachten:

-

Niet het doods naleven van wetten, maar levend geloof in Jezus leidt tot rechtvaardigheid

4.6.1.

-

Niet ónze zogenáámde initiatieven, maar Gods werkelijke initiatief voert tot gerechtigheid

4.6.2.

-

Níet alléén maar wérken, níet alléén maar gelóven. Zelfs niet: geloven én werken. Nee: ‘gelóven en van dááruit werken’ laat ons binnentreden door de poort van de gerechtigheid

4.6.3.

-

Ten behoeve van onze rechtvaardiging weet God dood en levend werk naar waarde te schatten

4.6.4.

-

Doods werk helpt ons van de wal van de gerechtigheid in de sloot van de ongerechtigheid

4.6.5.

-

Levend werk helpt ons uit de sloot van de ongerechtigheid op de wal van de gerechtigheid

4.6.6.

-

Als men jaagt naar rechtvaardigheid, is dood werk alleen maar ballast

4.6.7.

-

Dood werk geeft misschien tijdelijke rechtvaardiging bij mensen, maar geen eeuwige rechtvaardiging bij God

4.6.8.

-

Levend, rechtvaardig makend werk voert tot de hoogste toppen van geluk

4.6.9.

 

4.6.1.

Niet het doods naleven van wetten, maar levend geloof in Jezus leidt tot rechtvaardigheid

 

-         Wij –geboren Joden en geen zondaars uit de heidenen- wij wéten, dat de mens niet gerechtvaardigd wordt úit werken der wet, maar dóór het geloof in Christus Jezus. (Gal. 2:15, 16).

 

Paulus trekt hier nogal fel van leer tegen zijn medeapostel Petrus. Die had een duidelijke pastorale blunder begaan:

-         Hij bracht heidenchristenen ertoe, te gaan denken, dat zij pas volwaardige gelovigen zouden zijn, als zij hun christelijke vrijheid prijsgaven.

-         Hij gaf hun het idee, dat de wetten van het Jodendom toch maar ‘jé van hét’ waren.

-         Door zijn houding moesten ze welhaast gaan menen, dat ze nóg niet tot de ‘inner circle’ behoorden.

-         Zijn optreden suggereerde, dat je pas helemaal ‘in’ was, wanneer je de Joodse spijswetten ging onderhouden.

 

En nu zegt Paulus:

“Hoe heb ik het nou met je Petrus! Dat kan je toch niet dóen… jij en ik… we zijn van afkomst zondaars, net als de Christenen uit de heidenen. We behoren echter toch wel allebei tot ‘het volkje’, jij en ik. We weten van de hoed en de rand. Was het daar vroeger allemaal zo gezellig? Kom nou, dat weet jij net zo goed als ik…

Gezúcht hebben wij allebei onder al die voorschriften. Wij hebben vertwijfeld gezien, dat ons innerlijk níets opknapte, ook al sloofden wij ons uiterlijk nog zo af. Dat naleven van dode werken brácht ons eenvoudig niet in een levend, onbevreesd contact met God.

……

We zijn eruit gekrabbeld… we hebben gezien, dat het geloof in Jezus ons over alle –vroeger onneembare- hindernissen heen tilde. En nú!!! Nu kruip jij weer in die oude wetten terúg!! En al die anderen, die de vrijheid van Jezus wél, maar de slavernij van de oude wetten níet kennen… die laat je met je méékruipen!

… Maar dat kán toch helemaal niet.”

……

En zo gaat hij nog een poosje door. Voor ons onderwerp echter hebben wij aan het vorenstaande wel voldoende.

 

Hoe kunnen wij deze geschiedenis nu eens in een verhaal van deze tijd navertellen. Laten we het zó eens proberen:

 

…

Vroeger… thuis, hadden ze alles keurig in vakjes. Eens was er met de kerst ijs. Eerste kerstdag viel op maandag. Hij vroeg aan zijn vader:

            “Pa, mag ik op de kerstdagen schaatsen!?”

(Zondag viel –uiteraard- zó al buiten beeld).

Zijn vader zei:

“Eerste kerstdag is gelijk aan een zondag, tweede kerstdag is een menselijk verzinsel (!). Dán mag jíj schaatsen!”

Kijk, dat soort werk hè. Je wist altijd, waar je aan toe was. Maar, in déze traditie, die hij later overnam, zat géén vakje, dat hem in de goede verhouding tot God bracht. In zijn wanhoop schreeuwde hij tot God om hulp:

“Heer, ik héb het niet: ik ben zo kien op zondagsheiliging, maar het is zo dóóds allemaal. Ik heb geen levensheiliging, hélp me!”

Toen gleed er een lade open, die hij nooit gezien had. De inhoud was: geloof in Jezus. Toen hij dát geloof als een jas om zich heen sloeg, was hij opeens niet bang meer voor God. Hij kreeg het idee, dat de hand van een Vader op zijn hoofd lag. Het geloof in Jezus had hem eindelijk in de rechte verhouding tot God gebracht. Al zijn dode werk had hem niet kunnen brengen tot de hoogte, waar hij nu op de vleugels van dat geloof wiekte.

… Later kreeg hij contact met allerlei mensen, die ‘zo uit de wereld’ in Jezus waren gaan geloven. Zij wisten niets van ‘op zondag geen ijsje kopen’, maar wat máákten ze een blijde indruk.

Hij kreeg wat gezag in die kring; er begon een gemeente te ontstaan. Toen kwamen er nieuwe bezoekers, die erg belíjnd waren…

… er ís een strijd tegen boze machten (Ef. 6:12). In hún visie was die worsteling echter wel heel érg overzichtelijk.

Zij trokken maar een vakje open en… daar wás weer een boze macht.

-         Een slechte beïnvloeding door te veel televisie kijken.

-         Een demon, die maakte, dat je te uitbundig Sinterklaas vierde.

-         Een occulte binding, omdat je als kabouter de padvindsterbelofte had afgelegd bij de totempaal.

En zo nog honderd vakjes meer… het werd zo statisch!

Hij werd een beetje bang voor die resolute ‘aanwinsten’. Zij wisten het eigenlijk nét zo goed, zij het in iets andere vorm, als zijn vader zaliger gedachtenis.

… De vakjes uit zijn jeugd… ze waren niet goed dicht… ze waren niet goed dicht… ze waren niet degelijk wéggespijkerd. Ze floepten open… vulden zich met de quasi nieuwe inhoud. Hij deed met de nieuwkomers mee!

Velen van de gemeenteleden-van-het-eerste-uur volgden… totdat het ‘kleine keffertje’ kwam: een van zijn medeoudsten.

Nietig, mager, kaal kereltje; had, wat betreft representativiteit, alles tegen, vergeleken met de rijzige gestalte en de prachtige, grijze haardos, waarmee hijzelf gezegend was.

Maar… poets hem niet uit! Rechtuit, zonder grof te worden, niet afgeremd door het verschil in postuur, onbevreesd (Phillip. 1:14), onbewimpeld… tóch: liefdevol: zó was zijn vermanen. Hij waarschuwde indringend tegen deze nieuwe verschijningsvorm van wetticisme.

 

Dát opende zijn ogen. En opeens zág hij het weer:

“Ik ben toch wédergeboren; dícht die vakjes… en nu voorgóed. Want: als zij opengaan, gaat ‘de lade’, de kort geleden ontdekte láde, dícht.”

Hij vernagelde de vakjes. De nieuwkomers zwenkten af. De gemeente herademde. Het levende geloof, dat je blij deed zijn met God, was er weer. De nare insluipsels, die je schichtig voor God maakten, waren verdwenen.

 

U –opnieuw geborene- hebt mogelijk ook nog vakjes, met ideeën zoals:

-         Ik moet mijn bést doen. Ik moet dat vermoeide lichaam van mij elke avond naar een samenkomst toe slepen, waar je geweest móet zijn.

-         Als je die muziekgroep of spreker of evangeliste niet hebt gehoord, hoor je er eigenlijk niet bij.

-         Ze moeten niet van mij kunnen zeggen, dat ik nergens meer kom, dat ik ‘uit de vreugd’ ben.

Ga nu echter niet gejaagd met een hamer zwaaiende, met spijkers tussen uw lippen geklemd, op zoek naar dicht-te-rammen vakjes. Hij-van-zoëven sloeg wél aan het timmeren. Die vakjes van hém stonden ook wel zó uitdrukkelijk open te zijn. Bij u kieren ze nog maar.

Bid gewoon tot God:

“Vader: in de naam van Jezus: mijn lade van ‘het geloof in Hem’ knelt nog wat. Help mij om die la wijd open te schuiven. Die vákjes… ik, wéét het… die gaan dán klemvast dicht.

Dank U Heer, dat ik nu héél scherp en voor áltijd –hoop ik-  dít zie:

o       mechanische toepassing van regeltjes, die –al worden ze aangepast- toch weer voorbijgaan (Col. 2:22)… níets waard voor mijn verhouding met U.

o       Geloof in Jezus, nooit eender, altijd verrassend, altijd nieuw: álles waard voor mijn ‘rechtstaan voor U’.

o       Dood werk leidt van de rechtvaardigheid áf, levend geloofswerk leidt er naar tóe.

O Heer, wat ben ik blij, dat U mij helpt, om die hele vakjeswand úit te breken en bij het grof vuil te gooien (Philip. 3:8). Die hele muur ga ik nieuw pleisteren en versieren. Ik weet nog niet precies, hoe die versiering eruit gaat zien. Ook dát gaat u tonen (1 Joh. 3:2).

Het ís feest… het blíjft feest… het wordt steeds gróter feest.”

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Gerritse om 20:53 Reageer op dit bericht

4.5.6.

4.5.6.

Stap er ín!

-         Wie is wijs en verstandig onder u?! Hij tone uit zijn goede wandel zijn werken met wijze zachtmoedigheid. (Jac. 3:13).

 

Wat Jacobus híer zegt, zou –uitgebreider- als volgt kunnen worden weergegeven:

 

Kom óp… allen, die zichzelf wijs en verstandig nóemt. Het kan best zijn, dat het zo ís hoor. Het is heel wel mogelijk, dat je de werkelijk hemelse manier van optreden hebt bereikt. Ik wil het dan echter wél zíen. Stap er eens in: in dat schoeisel van het ‘uit willen dragen van de boodschap van échte vrede ‘(Ef. 6:15).

Laat eens zíen, dat die schoenen je passen. Er zijn twee wachtwoorden:

-         Goede wandel

-         Wijze zachtmoedigheid.

Als je die ‘sjibbolets’ (Richt. 12:6) niet goed kunt uitspreken, val je door de mand. Als je innerlijk verknepen bent door jaloersheid en zelfgerichtheid, wees dan maar stil en pronk niet met plastic veren (Jac. 3:14). Je hebt dan de hemelse wijsheid niet, maar een giftig surrogaat (:15).

In plaats van een goede wandel toon je raar schuinsgemarcheer. Wijze zachtmoedigheid is ver te zoeken. Er gebeuren onwijs harde dingen (:16).

Weet je, wanneer je geen ‘sibbolet’ meer zegt, maar ‘sjibbolet’(als boven)     ……

Weet je, wanneer ik gerust kan zijn op die goede werken van jullie                  ……

Weet je, hoe die wérkelijk blijken uit zachtmoedigheid, wijsheid en een goede

gang door het leven                                                                                                    ……

Weet je, wanneer je in de schoenen van het goede werk kunt stappen, zonder

dat ze klemmen of losschieten                                                                         ……

Weet je, wanneer je vernietigbaar werk gaat ruilen voor onvernietigbaar?                    ……

-         Als je ziel en geest schoon zijn van allerlei smerigheid.

-         Als je zoekt naar alles, wat vrede sticht.

-         Als je vriendelijk en gezeglijk bent.

-         Als je geen partij kiest voor de sterkste.

-         Als je niet lacht tegen iemand en even later een roddeldolk in zijn rug steekt.

-         Als je wílt en kúnt helpen, overal, waar geestelijke averij is.

-         Als de mensen van die hulp-van-jou in redelijkheid nooit een wrange nasmaak kúnnen hebben (:17).

 

Gerechtigheid is nu eenmaal een vrucht, die niet kan gedijen in een klimaat van onvrede, met al die kliemerige gietbuien; die hágeljachten van jaloezie, egoïsme, ruzieachtigheid, onzindelijk denken, onvriendelijkheid, ongezeglijkheid, partijdigheid en stiekem gedoe.

Vrede ván binnen en náár buiten, dan slaat die vrucht van gerechtigheid áán (:18).

 

Tot zover deze parafrase op de hier door Jacobus geschreven woorden.

 

U –wedergeborene- vindt in deze woorden een uitdaging. Ook tegen ú zegt Jacobus:

            “Nu, wat héb je?!”

En u zegt:

……

“Hier ben ik, uitdager. Alle goede eigenschappen, die ik van mijzelf ga opsommen, zijn alleen maar te danken aan Jezus en aan mijn geboorte uit God. Zij houden alleen maar stánd, als ik bínnen het bereik van de Heilige Geest blijf (Gal. 5:25).

Dát wou ik éérst even gezégd hebben. Wel hier komen ze:

-         Ik maak een recht spoor met mijn voeten (Hebr. 12:13). Ik hoef niet meer de fouten van anderen door de vingers te zien, omdat ik zélf ook niet deug, neen; ik kan op een bétere manier zachtmoedig zijn ten opzichte van hun miskleunen.

-         Ik heb de strijd gestreden, die anderen nog strijden. Jezus kende alle verzoekingen helemaal (Hebr. 2:18); ik ken ze ook al tamelijk diepgaand. Door Goddelijke wijsheid geleid, ben ik méér dan overwinnaar (Rom. 8:37). Dat gun ik ook aan hén.

-         Ik benijd medegelovigen niet meer. Ik plaats mijzelf niet meer in het middelpunt van mijn denken. De Geprezene staat daar.

-         In het gezin, waartoe ik behoor, gaan er ordenende, rustbrengende impulsen van mij uit .

-         Op mijn werk ben ik sfeerverbeterend bezig. Lasteraars verliezen de moed tot verder kwaadspreken, wanneer ik mij voeg in hun gezelschap.

-         Nutteloze conflicten demp ik af. Ik kan raad aannemen, ook al is die nog zo onhandig verpakt.

-         Mijn hart gaat uit naar de beschadigden van onze samenleving. Bij zieken kom ik niet alleen met druiven, peren en perziken… ik heb daarnaast een geestelijke fruitmand bij me.

-         Het ís bij mij niet meer:

      “Zo de wind waait, waait mijn jasje”.

Vroeger noemden zij me: ‘trucen Luuk’, maar dat is óver.

 

Als u dát kunt zeggen, dan bent u wijs en verstandig. Dan hoeft u niet meer te klappertanden van schrik, wanneer er een beroep wordt gedaan op uw voorraad goed, hemels werk. Dan hoeft u niet meer zenuwachtig het een en ander uit uw levenswandel wég te moffelen. Dan hoeft u niet meer mild en levenswijs te dóen… dan bént u het.

 

En, als u het nog niet kúnt zeggen? Wel, u bent op weg. Het zit er in; u wilt niets liever dan dat het eruit komt. Daarom; trek de schone kleren van nieuwe, blijde activiteiten áán. Ze zíjn ervoor om aangetrokken te worden. Het ís niet zo, dat u er alleen naar mag kijken; u mag er ook aankomen.

 

Tot het tonen van uw goede werken wordt u niet alleen úitgedaagd; zij worden ook van u verwácht. Uw mede wedergeborenen zien er reikhalzend naar uit, dat u niet langer treuzelt op de steiger. Zij zullen juichen, wanneer u instapt in de boot van Gods werkers. Zij verlángen ernaar, dat ook uit úw handen werk komt, dat de eeuwigheid verduurt.

Zij húnkeren ernaar, dat u het laatste restje oud, vaal, lamlendig geschutter wegspoelt.

Zij klappen in de hánden, wanneer u alle ramen wijd open gooit voor het nieuwe… het frisse… het van tintelend leven bruisende.

 

U groeit ernaar tóe om aan die verwachting, aan élke, nóg zo hoog gespannen verwachting te voldoen.

 

Iemand zegt, wat aarzelend:

“Een beetje bedenkelijke zaak, dacht ik, wanneer je Jacobus zoveel extra woorden in de mond legt. Het is toch gevaarlijk, wanneer je iets gaat toevoegen aan de bijbelse boodschap (Op. 22:19)?! Of zie ik dat nu te zwaar in?”

Een waardevolle opmerking, vooral ook om de prettig aandoende voorzichtige manier, waarop hij wordt gemaakt. Harde, vijandige tegenwerpingen hebben meestal tot gevolg, dat de aangesprokene finaal dichtklapt, zo gesloten wordt als een oester. De gedachtewisseling lijdt dan schade.

 

Als antwoord dít: het in de bijbel vermelde is in vele gevallen het hoogst noodzakelijke minimum. Alle boeken van de hele wereld zouden de boodschap, die Jezus bracht, niet kúnnen bevatten (Joh. 21:25).

 

Een voorbeeld van het verantwoord uitbreiden van ‘het hoogst noodzakelijke’:

Iemand behandelt met u ‘de wonderbare spijziging’. Hij begint met te zeggen, dat daarbij wel twintigduizend mensen betrokken kunnen zijn geweest (Matth. 14:21). Vervolgens stelt hij, dat het voedsel uitdelen aan die grote groep úren zal hebben geduurd. Zijn gevolgtrekking is, dat in die lange periode iedereen in de gaten kreeg, welk immens wonder er gebeurde.

Een grote lofprijzing moet dan wel het logische antwoord zijn geweest, zo concludeert hij. En dan is het heel begrijpelijk, zo luidt zijn slotconclusie, dat Jezus later zijn discipelen moet dwíngen om weg te gaan (Matt. 14:22).

Het verlaten van de plaats, waar zulke heerlijke dingen waren geschied, was voor hen haast: niet-om-te-doen.

Vanuit die laatste gedachten bouwt hij dan zijn preek op, maar dát is nu verder niet van belang.

 

Ik neem aan,dat u het van díe spreker hebt kunnen nemen, dat hij –heel terughoudend- aan ‘inlegkunde’ heeft gedaan. Ik ben net zo voorzichtig te werk gegaan als hij. Ik heb –in eigenlijke zin- níets toegevoegd.

Neemt u het van míj dan ook, wanneer ik een enkel keer zo eens handel.

 

Ja?!... Nee?!...

In ieder geval: op nu naar 4.6.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Gerritse om 21:30 Reageer op dit bericht

4.5.5.

4.5.5.

Die onvernietigbare werken liggen voor u kláár!


-        
Gods maaksel zijn wij, in Christus Jezus geschapen om goede werken te doen, die God tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen (Ef. 2:10.

 

Paulus richt zich hier tot mensen, die vroeger –geestelijk gezien- níets hadden. Mensen, die –in die ongeestelijke toestand- ook nog eens het laagst mogelijk geklasseerd waren (:11).

Mensen, zózeer zonder God, dat het werkelijk hópeloos met hen gesteld was (:12).

Mensen echter, die van eindeloos veraf, opeens heel dichtbij de goede en blijde dingen zijn gekomen. Waardoor?! Zij hebben persoonlijk de betaling dóór Jezus van hún schuld aanvaard (:13). Een geestelijke wet maakte, dat zij áltijd verder weg bleven van God dan ánderen… méér bevoorrechten. Die wet is door Jezus voor hén buiten werking gesteld. Er zíjn geen geprivilegieerden meer op de manier van vroeger. Múren zijn weggebroken, wat één moest zijn, ís één (:14, 15).

Vijandschap maakt plaats voor vrede. Zó komt er harmonie met God (:16).

Veraf en dichtbij: verouderde begrippen. Door de poort van Gods Geest stromen de gelovigen eensgezind binnen in Gods rijk (:17, 18). Een nieuw fundament voor elk nieuw mens (: 19, 20).

En wat wórden die nieuwe mensen… témpels voor God, wóningen voor God (: 21, 22).

 

Het leven in Gods rijk is echter geen luieren. Dat fundament ligt er niet voor niets. De begrippen ‘tempel’, ‘woning voor God’, houden wat ín.

Zulk een ‘grote sprong vooruit’ als bovenomschreven nodigt uit tot actie.

Welke actie dan wel?!

 

De nieuwe mens, als door God via de wedergeboorte verwekt, gemaakt ín de oude mens. Die oude mens verdwijnt. Die kon maar één ding: op een oude, aardse, doodse manier werken. Maar de nieuwe mens is door Jezus zó prachtig geschapen, met een ingebouwde begeerte naar goed, hemels, levend werk. Rondkijkend naar jonge, nieuwe, veelbelovende activiteiten. Van tevoren al bereid om –wanneer zulk werk zich vóór doet- daarop ín te duiken.

 

En… het dóet zich voor, het lígt klaar. Goed werk! Torenhoge voorraden, door God zelf aangelegd, wachten op afnemers. Voor elck wat wils… alle soorten… alle maten; allemaal ‘levenslang’ gegarandeerd.

 

Misschien was u vroeger wel zo iemand van ‘héél dichtbij’(: 17): presidentkerkvoogd, elke zondag present in fraai gebeeldhouwd voorgestoelte.

Nú: bekeerd en wedergeboren: vanaf uw eenvoudige klapstoeltje denkt u nog wel eens terug aan de kunstig bewerkte ouderlingenbank. Vanuit uw ooghoeken kijkt u wat onwennig naar de dolenthousiaste dame naast u: vast en zeker iemand met een verleden, maar in ieder geval geen kerkelijk (:11). Maar dan corrigeert u zichzelf… zíj een verleden… ík ook… ík een toekomst… zíj ook. Een muur valt wég (:14). Achter die wegvallende versperring opent zich een perspectief van levend, onvernietigbaar werk, aangepast aan uw aard.

Dat éven terugverlangen naar vroegere éér –de vleespotten van Egypte (Num. 11:5)- … dood, tenietgaand gedoe, evenals dat een ogenblik neerkijken op ‘de ander’. Maar… die níeuwe gedachte is voor de eeuwigheid.

 

Misschien was u vroeger wel zo iemand van ‘veraf’(Ef. 2:13). Uw grootouders deden er al niets meer aan, laat staan uw ouders. En ú?!

Iemand zei eens tegen u:

            “Met Pasen herdenken wij, dat Jezus is opgestaan.”

Weet u uw reactie nog: hoe u oprecht verbaasd-lachend zei:

            “Nou… en wat zóu dat? Ik ben vanmorgen toch ook opgestaan?!”

Dat was allemaal tamelijk hopeloos toen (:12). Maar nu bent u wedergeboren. Vanaf uw klapstoeltje kijkt u een tikje wantrouwig naar de deftige heer naast u. Even denkt u:

            “Die zal zich wel veel beter voelen dan ik.”

Maar die dwaze gedachte vervluchtigt. Opeens weet u het weer:

“Hij en ik… we staan voor hetzelfde. Door die saamhorigheid, die eenheid, is alles tussen God en ons allebei aan het goed worden(:16). Vrede voor hem, vrede voor mij, vrede tussen ons beiden (:15).”

En in een flits hebt u het idee, dat u met die blijde gedachte iets vreugdevols naar u hebt toegehaald. Iets nóg meer glanzends dan u al had: een motivatie voor positief denken met eeuwigheidswaarde.

 

Wacht even: een vraag.

“Kom nóg eens met een voorbeeld; dood werk; levend werk; ik heb het nóg niet duidelijk genoeg vóór me.”

 

Rogier is best een aardige vent. Legt gemakkelijk contacten. Is hartelijk, maar ook op een eigenaardige manier wat ‘streberisch’. Hij wil áltijd gezíen worden. Heeft een representatieve taak; bezoekt dikwijls recepties, maakt er daar een sport van, iedereen te begroeten, overal zo eens een praatje te maken. Er is daarbij de lichte dwanggedachte, ze allemaal te móeten afwerken.

……

Gesprekje na afloop tussen twee kennissen:

            “Rogier deed maar weer zijn bést, vanmiddag.”

            “Ja, wat wás hij weer verschrikkelijk aanwezig.”

            “Hij heeft nu letterlijk iedereen op de schouder geslagen.”

……

Echt dood, onecht werk. Rogier békaf, komt thuis:

            “ ‘k Heb ze weer állemaal ontmoet!”

Zijn vrouw:

            “Maar waar blijft de promotie?!”

Maar … let wel… als in dit leven nu eens iets nieuws geschapen zou worden, is er een prima voedingsbodem, met als elementen: vriendelijkheid en goede contactuele eigenschappen.

Talenten, geestelijk gezien, nu nog braakliggend. Als hij er wezenlijk mee kan gaan werken, kom dán eens kijken, zie óók, hoe er daarnáást nu nog onvermoede komen bovendrijven (Matt. 25:17).

 

……

Jaren later… Rogier is bekeerd, wedergeboren en gepromoveerd (Luk. 12:31). God is bezig, hem nieuw te maken. Geen restauratie, geen renovatie, maar innovatie. Jezus Christus is hem aan het herscheppen.

Op een party staat hij ontspannen van zijn gevulde halve eitje te genieten. Met zijn glas in de hand, wacht hij rustig op aanwijzigen van Gods Geest.

Gesprek na afloop tussen twee kennissen:

“Wat houdt Rogier zich tegenwoordig gedeisd hè. Zeg, dat is waar ook: jullie twee waren een hele tijd in gesprek. Wat hád hij?!”

“Kijk, ik heb de laatste tijd wat vragen; ik wou die wel eens graag met iemand dóórspreken. Het was, of hij het róók.” (1 Cor. 12:8).

“Sorry hoor, ik wist niet, dat het zó privé was. Overigens: hij doet tegenwoordig zijn best om níet op te vallen… en nu juist vált hij op: heel typisch.”(Mark. 7:24).

 

Echt levend werk. ’s Avonds is Rogier fris. Waarom?:

-         God maakt je niet moe.

-         Hij is een prima Werkgever.

-         Onder het werk dóór geeft Hij  je nóg een verjongingskuur (Ef. 4:23) en een facelift (Spr. 15:13).

 

God had –onder andere- goede werken bedacht, in het bijzonder te verrichten door ‘party-hoppers’. De voorraad werd tot dusver nog niet bijster aangesproken, maar nu komt er schot in. Rogíer is er in gestapt. Het lag voor hem klaar: niet te besmeuren levend, eeuwig werk. Hij aanvaardde die glorieuze uitdaging. Van zijn oude ‘hoe kweek ik vrienden en goede relaties’ techniek is niets overgebleven.

Liefde was daarin te zwak, eigenbelang te sterk. Maar nú gaat hij eeuwige vriendschapsbanden aan. Hij heeft de deur wíjd open gezet voor mannelijk en sterk bezig zijjn (1 Cor. 16:13). Zo ook ú.

 

            “Nog een voorbeeld,”

wordt er gevraagd.

“Niet zo wuft; niet zo frivool…

o       gevuld half eitje, glas sherry…” (heel ver weg, let vooral op ‘sherry’). (Luc. 15:30). (Te moeilijk, daarom een handreiking, wie zei nu, dat er sherry in dat glas zat).

“Niet zo triviaal, zo omlaaghalend…

o       speciale goede werken voor public relation officers

      … liever iets degelijks.”

 

Goed; Arjan is een wedergeboren predikant (als dát niet súpersolide is).

Op evangelisatiezondag vorig jaar spoorde hij de gemeente aan om van Jezus te getuigen. Opeens zag hij al die honderden mensen daar zitten in hun nette kleren, omwolkt door het verlangen naar koffie; het was wat laat geworden.

Wat vinnig zei hij:

“Dóe nu toch wat. Jullie consumeren maar preken, zit ook deze lange dienst dan maar weer uit (dit móet nu eenmaal in september); maar jullie komen niet in actie.”

Hij had gelijk, maar… gelaten, weer íetsjes meer gefrustreerd, schuifelde de schare even later het gebouw uit. Levend werk, die preek, maar toch onmiskenbaar met iets doods, drijverigs, drammerigs.

 

Arjan is in de volgende septemberperiode nóg meer gerijpt. Het is wéér evangelisatiezondag. Opnieuw wekt hij de gemeente op, leesbare brieven van Jezus te zijn (2 Cor. 3:3). Hij vraagt hun om de mensen ook mogelijkheden te geven om zulke brieven metterdaad te lezen. Opeens ziet hij al die honderden mensen zitten in hun nette kleren en omgeven door de gedachte:

“Wij willen best, maar hóe. Eigenlijk zijn wij dwalende schapen: op zoek naar zínvol geloof (Matth. 9:36). Hélp ons dan toch (Mark. 9:24).”

En met iets heel zachts in zijn stem zegt hij:

“Jullie wíllen, maar jullie kúnnen niet. Wij gaan God vragen, dat niet-kunnen te veranderen in: kunnen.”

 

Hij heeft nú hóger gelijk. Dat gelijk van vorig jaar was láger, omdat hij toen dacht:

            “Als Jezus wel eens een standje uitdeelde (Matt. 17:17), mag ik dat ook.”

Nú weet hij, dat niet alles, wat aan Jezus was toegestaan, ook aan hém is geoorloofd. Voorzichtig-bescheiden gooit hij het steeds meer over de veilige boeg van de liefde.

 

Later zijn de actieplanning vergaderingen bomvol. Geredde levens zijn middellijk de oogst van zijn levende werk. Werk, waaraan al wéér minder doodsheid, opjutterij en opzweperij kleeft.

 

Wat hadden Rogier en Arjan gemeen?

Al kwam het er in de verhalen niet zo uit: soms was er in hun innerlijk opeens een nare gedachte. Een overlegging zó lelijk, dat die niet van henzélf kón zijn. Zij hadden in de gaten, dat de duivel hun iets influisterde en líeten hun wezen niet door hem bevrúchten (Jac. 1:15). Zij zeiden:

            “Weg, beschadigende gedachte; in de naam van Jezus (Mark. 16:17).”

 

Soms was er in hun innerlijk een gedachte, zó edel, dat die evenmin van henzélf kon zijn. Zij hadden in de gaten, dat Gods Geest hun raad gaf (Jes. 30:21).

Zij zeiden:

            “Blijf… genees mij; verhóóg mijn kwaliteit… gedachte van God.”

 

Zó kwamen zij verder. Maar: dat kunt ú óók!

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Gerritse om 21:34 Reageer op dit bericht

4.5.4.

4.5.4.

Het werk van Jezus’ volgelingen is onvernietigbaar

 

-         Ik (Johannes) hoorde een stem uit de hemel zeggen: schrijf:

“Zalig de doden, die in de Here sterven van nu aan…”

“Dat zij rusten van hun moeiten, want hun werken volgen hen na.” (Op. 14:13).

 

In de laatste tijd vóór Jezus’ terugkomst, ontstaan er voor degenen, die Hem volgen, mogelijkheden, als nóóit tevoren. Er zijn volhouders, die door alles heen Gods aanwijzingen in acht blijven nemen en loyaal blijven jegens Jezus (:12). Zij kríjgen toch kansen!

Door de doop in de Heilige Geest, ontvangen zij het vermogen om wérkelijk goed, onvernietigbaar, geestelijk werk te leveren. Dat brengt hen –dat is waar- in extra zorg. Zij dringen de duivel op zijn eigen terrein terug. Hij biedt vinnig tegenstand. Dat is altijd zo; de frontsoldaat heeft het harder dan de bureausoldaat. Maar –als het goed is- heeft degene, die dáár is, waar de kogels fluiten, méér kans op een onderscheiding.

 

In Gods dienst gaat het altijd goed. Er kómt een lintje: rust na moeite. Waarom”Dat werk van hen, dat goede werk, dat zij gedaan hebben, in overleg met Gods Geest, doorstaat elke tankaanval, elke bazookabeschieting, elke raketvoltreffer. Mochten zij in die strijd lichamelijk sterven, geen nood: eeuwige armen vangen hen op (Deut. 33:27). Voorbij is de tijd van het voze, brekelijke, kwetsbare, dóde werk. Ongeschokt staat hun gave, onbreekbare, onkwetsbare, lévende werk. Zalig –uitermate gelukkig- wachten hun geest en ziel op de eerste opstanding (Op. 20:6) der doden (Hand. 24:15). Dan worden die beiden ook nog eens met een nieuw, onbeschrijflijk mooi lichaam verenigd (1 Cor. 15:42-44).

 

Vroegere geslachten kenden die verrukking niet. Het volle licht was nog niet geopenbaard (Col. 1:25). Er waren ook tóen mensen, die het ‘echt wel ín zich hadden’(Job. 19:25), (Ruth 1:16). Maar zíj kregen geen kans, om zich helemáál waar te maken. Nú –in deze laatste tijd- zitten zíj op de tribune (Hebr. 12:1). Ademloos kijken zij toe, hoe het laatste elftal de beslissende goals scoort. Het winnende doelpunt: -niet stuk te maken levend werk- maakt het ook hún weer mogelijk om verder te komen (Hebr. 11:40).

O, dat heerlijke ‘van nu aan’.

 

U –wedergeborene- leef in dat ‘nú’. U zit in dat finale-elftal. U scoort. U houdt God vast en bent trouw aan Jezus. Gods Geest werkt in ú. U levert gaaf werk, dat zijn glans niet verliest. Uw dode werk hebt u ván u geworpen. Láát het maar teniet gaan. U doet het niets meer (Phil. 3:8). U heeft uw huis met bezemen gekeerd; ál het oude, bedorvene, weggehaald. Feest is het voor u in het prachtige huis van uw levende werken (1 Cor. 5:8).

 

            “Hoor hem,”

zeg u:

“Hoor hem nóu toch weer!. Doet net of ‘wij-gelovigen-samen’ helemaal ‘het einde’ zijn… en dan moet je de áfval zien, die er is… hij is véél te opgewonden!”

 

Neen, niets te opgewonden. Die afval moet er komen (2 Thess. 2:3), maar dat is niet het héle verhaal (Op. 22:11).

Laat de duivel u niet wijs maken, dat er niets gebeurt… sinds 1959 heb ik deel aan opwekkingsbewegingen. Ik heb sindsdien veel betrouwbare berichten ontvangen over wonderen en andere heerlijke gebeurtenissen. Een bloemlezing daaruit zou een boek vullen met dezelfde zeggingskracht als ‘Handelingen’. Dat bijbelboek is het enige, waaraan nog dagelijks geschreven wordt. En zég, dat er wat bijkomt. Daarom ben ik terecht enthousiast over uw collectief.

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Gerritse om 21:23 Reageer op dit bericht

4.5.3.

4.5.3.

Jezus’ werk is onvernietigbaar

 

-         (De twee reizigers naar Emmaüs) bleven met sombere gezichten staan.Eén van hen, genaamd Kleopas, zei tot (Jezus, die zich bij hen had gevoegd):

“Zijt gij de enige vreemdeling in Jeruzalem, dat gij niet weet, wat daar dezer dagen geschied is?!”

En Jezus zei tot hem:

      “Wat dan?”

Zij zeiden tot Hem:

      “Hetgeen geschied is met Jézus…de Nazarener!... een man, die een profeet was… machtig in werk en woord voor God en het ganse volk.”

(Luc. 24:17-19).

 

Zo’n ontzettend verdriet!... dat móet je van je afpraten… Wat heb je Jezus líef gehad!... die Godsman… die sprák… en die dééd!!... nóóit vertoond.

… Ere brengend aan de Verhevene… heilbrengend aan het volk.

En nú… Jezus: dood (:20). Elke verwachting: dóód (:21). Toch: een vage hoop; ach, eigenlijk te gek om over te praten (:22-24). Je zegt het nóg maar weer eens uit tegen een onbekende, die toevallig dezelfde kant uitmoet als jij. En dan begint die man te spréken:… net als Jezus altijd sprak. Het wordt allemaal zo duidelijk (:25-27).

Je hart… je hart bárst bijna van spanning… die man… die man… ís Jezus:

-         Altijd een Redder in de nood (Matt. 14:31)                                   nu ook

-         Altijd pittig eerlijk in zijn vermaningen (Matth. 17:20)                     nu ook

-         Altijd uitermate instructief                                                              nu ook

… Nee, dit kan niet… néé (Luk. 24:22).

En dan is het tóch zo (:30). Jezus is helemaal terug van weggeweest. Niet kléin te krijgen; heeft de dood overwonnen.

Zijn woord, zijn werk, Hijzélf… onvernietigbaar gebleken.

 

Mensen, wat fíjn toch allemaal hè: zó’n Meester te hebben! Kleopas en zijn reisgenoot hielden de herinnering vást. Zij kónden die profeet met zijn woorden, werken en wonderen niet vergeten. En: opeens wás Hij er weer. Hij legde uit, waarom alles zo was gelopen. Hij maakte duidelijk, hoe het lijden had gediend om werk en woord te onderstrepen; eeuwige luister daaraan te verlenen (:25-27).

En… al ís Hij dan opeens weer weg (:31); uit hun hárt raakt Hij nóóit meer weg.

Dít moet vertéld worden (:33). De andere getuigen van de opstanding (Hand. 1:22) zijn hun echter met blijde uitroepen nog vóór (Luk. 24:34). Dan pas krijgen zíj de gelegenheid om met hún heerlijke verhaal de feestvreugde nog te verhogen (:35).

 

Zo’n man… zo groots, zo levend van werk: achteraf bezien kón dat immers niet kapot (:26). Kan íemand levend werk eigenlijk wel kléin krijgen?

 

U –wedergeborene- volgt Jezus op de voet.

Wel: Hij is het wáárd!!

Zo’n Vriend; kijk Hem nu toch weer eens bezig met die Emmaüsgangers:

-         Erbij, wanneer het nodig is

-         Zo… to the point.

-         Niet zoetelijk (:25); wél bouwend (:26, 27).

… Weer precies dat van leven bruisende werk en woord, waarin Hij altijd zo sterk was.

En dan dat eindeloos heerlijke, dat Hem van vriend tot Vriend maakt. Hij is Gód… Hij is Overwinnaar, ook over de dood. Hij is met zijn machtige activiteiten weer aanwezig en dat blíjft zo; altijd en altijd. Honderd geslachten later nóg zo.

Ook al ben je maar met weinigen (Matth. 18:20)… in eeuwigheid onverzwakte Krachtbron (Hebr. 13:8).

Zekerheid, die onvernietigbaar is.

 

Volg Jezus nóg meer op de voet. Bij Hem en zijn altijd aanwezige machtige wonderen en woorden ben je veilig. Hij geeft het voorbeeld, hoe levend werk eimand blijft volgen, zelfs door de dood heen.

De vlag uit voor zulke daden… de vlag uit voor zo’n Leider.

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Gerritse om 21:48 Reageer op dit bericht

4.5.2.

4.5.2.

Op God afgestemd werk doorstaat de proef wél

 

-         De dag des Heren zal komen als een dief. Oop die dag zullen de hemelen met gedruis voorbijgaan en de elementen door vuur vergaan en… de áárde en de wérken daarop zullen gevonden worden (2 Petr. 3:10).

 

Onze wereld zal niet altijd op de manier van nu blijven functioneren. Al die staten… de grote en de kleine geschillen… en de organisatie ‘De Verenigde Naties’, die nog zowat probeert te redderen.


Jezus komt eenmaal terug als de grote Wereldpresident (Jes. 23:1). Het is hier niet de plaats om daarop in te gaan. Beknopt is dat gebeurd in 1.6. en 1.7. In een later deel kom ik er nader op terug.

Voor het moment wil ik er dít van zeggen: de dag, waarop Jezus het leiderschap aanvaardt, komt ‘toch nog als een verrassing'.

Dat is zélfs het geval voor degenen, die Hem tot hun heil verwachten (Hebr. 9:28). Hoopvol houden zij altijd wel rekening met ‘de dag’. In harde verdrukking heeft hun ‘christocentrisch werk’ elke test doorstaan. Blij vóelen zij als het ware, dat hun verlossing ‘eraan komt’(Luc. 21:28). Zij nemen de voortekenen waar (Matt. 24:33)… maar dag en uur… wetenschap dienaangaande is niemand gegeven (Mark. 13:32).

 

Op die dag zal iedereen (Op. 1:7) een grote beroering in de geestelijke wereld waarnemen (2 Thess. 1:10; Op. 16:21). De duivel raakt voor een lange tijd elke beslissende invloed dáár kwijt (Op. 20:2). Alleen wat zielige restjes van die invloed, de moeite van het noemen nauwelijks waard, worden later gaandeweg ópgeruimd (Jes. 65:20).

De met Gods Geest vervulde wedergeborenen daarentegen nemen voor altijd (Dan. 12:3) hun plaatsen in Gods rijk in. Niet alleen hun geest en ziel, maar ook hun lichaam (Op. 11:11) heeft deel aan die overwinning (1 Thess. 4:16, 17).

 

De wereldbevolking zal merken, dat allerlei zekerheden hun kracht verliezen. Wereldgodsdiensten hebben opeens geen boodschap meer. Zij hebben voortaan geen enkele zeggingskracht (Op. 16:19). In de moeilijkste laatste tijd voor Jezus’ komst (Dan. 12:7) hebben de ordenende machten het onderspit gedolven. De tegenhoudende krachten zijn weggespoeld in de door de antichrist ontketende chaos (2 Thess. 2:7).

Politie, leger, wetgeving, ambtelijke en semi-ambtelijke bemoeiingen…: het zijn zwakke en armelijke wereldgeesten gebleken (Gal. 4:9)… van onmisbaar belang in normale en zelfs abnormale tijden. In die laatste –volslagen hectische- periode (Marc. 13:19) worden die grondelementen van een leefbare maatschappij echter als het ware met vuur verbrand, evenals het naamchristendom (Op. 17:16).

 

Twéé vastigheden blijven echter:

-         deze planeet met zijn land en water, bergen en dalen, wouden en velden, dieren en mensen, blijft zijn banen rond de zon trekken. Pas véél, véél later komt dáárin mogelijk verandering (Op. 21:1), die dan tevens verbetering is.

-         De hele mensheid is beroofd van álles, wat tot dan toe vastheid bóód. Zij kan dan echter ook met een schone lei begínnen. Er ligt een nieuwe orde kláár. Het goede werk van God, door wedergeborenen verricht. Het nieuwe denken: de betere aanpak voor alle vraagstukken. Oplossingen, gegeven door verstand, dat zich laat leiden door het licht van Gods Geest. De wereldbevolking gaat niet léég en hópeloos de nieuwe tijd tegemoet. Een nieuw soort regeerders, met nieuwe, heerlijke en door-en-door gezonde plannen gaat de nieuwe President terzijde staan (Jes. 32:1).

 

Op God afgestemd werk heeft glansrijk de proef doorstaan. Temidden van het wegsmelten van de invloeden van partijen, pressiegroepen, genootschappen en mondiale organisaties is het werk van de wedergeborenen onvernietigbaar gebleken. Hetzelfde vuur, dat de steen verhardde (Op. 16:10, 11) en het hout verbrandde (Op. 18:8), heeft hún goud gelouterd (Dan. 12:10).

 

U –wedergeborene- zegt nu misschien:

“O… wat zou ik graag levend en blijven werk dóen. Het moet toch héérlijk zijn om in de chaos iets te hébben om úit te delen. Mensen schreeuwen dan tevergeefs om leiding (Jes. 3:6, 7). Dan pakken ze míj beet en zeggen:

            ‘Jij… jíj… jij hebt wat’.

En dan kan ík zeggen:

            ‘Ja… kom mé酒(Zach. 8:23).

Stel je toch vóór!“

Kun je nu niet eens een vóórbeeld geven van werk, waarin doodsheid gaandeweg vervangen wordt door leven van Godswege. Je bent nóg te vaag. Ik wil iets concreets. Ik wíl de goede kant uit. Ik wil werk doen, dat níet bij de handen afbreekt, maar dat van het vuur alleen maar béter wordt (Op. 3:18). Noem eens een praktijkgeval, dat voor mij herkenbaar is!”

……

Er was eens een Christen die zieken en bejaarden bezocht om te zien, of hij van nut kon zijn voor zijn Zender. Er wás goud in dat werk, maar vráág niet, hoe weinig karaat. Wanneer hij van zijn bezoekuur terugkwam, zei hij voldaan:

            “Vorig maal víjf gesprekken… nú… in dezélfde tijd: zésmaal kunnen getuigen.”

            “Wat een productie,”

zei z’n vrouw.

De lichte ironie in haar stem ontging hem. Jaren verstreken. Ettelijke malen werd zijn edelmetaal in het vuur gebracht (Mal. 3:3).

Nog steeds bezoekt hij zieken en bejaarden. Hij gebruikt nu méér zijn twee oren en mínder die ene mond. Hij luistert en bidt. Zijn ‘productie’ lijkt zo op het oog nérgens naar. Eén per uur! Maar zijn goud is van beter gehalte aan het worden. Wanneer de dag dáár is, zal het vuur ook zíjn werk aftesten (1 Petr. 1:7). Er blijft nu echter heel wat meer van over dan in zijn ‘snelle’ jaren. Te voorzien is, dat heel wat van zijn werk de proef gaat doorstaan. Het is immers tegenwoordig veel meer ‘op God afgestemd.”

            “Het is toch wat om iets onvernietigbaars mee te dragen,”

zei hij laatst tegen mij.

 

Wel, voor gewone mensen een gewoon voorbeeld van een gewone vent. Doe maar dóór met de Heer. Hij zorgt wel voor het smelten (Jes. 48:10) en het louteren (Ps. 66:10). De slakken komen wel, klaar voor afscheppen, boven drijven. Schép ze dan ook af! Ramen en deuren dicht voor alles, wat het reinigend werk van God vertraagt. Niet doof worden voor aanwijzigen om beter te functioneren (Pr. 4:13). De vlag uit voor de grote zuivering en de grote Zuiveraar (Luc. 3:17).

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Gerritse om 19:13 Reageer op dit bericht

4.5.-4.5.1.

4.5.

Hoofdgedachte:

Dode werken zijn vernietigbaar, levende werken onvernietigbaar

 

Gedachten:

-

Op ménsen afgestemd werk doorstaat de proef niet

4.5.1.

-

Op Gód afgestemd werk doorstaat de proef wél

4.5.2.

-

Jezus’ werk is onvernietigbaar

4.5.3.

-

Het werk van Jezus’ volgelingen is onvernietigbaar

4.5.4.

-

Die onvernietigbare werken liggen voor u kláár

4.5.5.

-

Stap er ín

4.5.6.

 

4.5.1.

Op ménsen afgestemd werk doorstaat de proef níet

 

-         Ik –Gamaliël- zeg u: laat u niet in met deze (volgelingen van Jezus) en laat hen geworden. Wánt… indien dit streven of dit werk uit mensen is, zal het vernietigd worden. Maar indien het uit God is,zult gij het niet kúnnen vernietigen, het mocht een blijken, dat gij tegen God strijdt… (Hand. 5: 38,39).

 

Er is een geweldige deining rond de apostelen in de eerste tijd na de Hemelvaart van Jezus (Hand. 1:0) en de ‘aardevaart’ van de Heilige Geest (Hand. 2:2-4). Tijdens een geding tegen Petrus en de andere discipelen loopt hun léven gevaar (Hand. 5:33).

 

Maar één van de Farizeeën –een zekere Gamaliël- wordt door God gebruikt om ‘de druk van de ketel te halen’. Sussend zegt hij:

“Jezus is dood. Zijn volgelingen zijn nu nog bijzonder actief. Maar denk nu eens aan twee soortgelijke figuren als Jezus, in het verléden: Theudas en Judas de Galileeër. Díe gingen dóód en toen was het met de motivatie van hun volgelingen ook ráp gebeurd (: 36, 37). Maak je toch niet zo dík!

o       als de leer van Jezus niets meer was dan de ideeën van Theudas en Judas, verloopt dit gedoe óók.

o       Als Jezus’ leer echt van God was… wel… dan is het ageren tegen degenen, die zijn leer verbreiden: vechten tegen de bierkaai.

… ik zou maar een beetje voorzichtig doen als ik jullie was.”

 

Gamaliël verkondigt hier een keiharde waarheid: werk, waarbij mensen in het middelpunt gesteld worden, doorstaat de proef níet. Wat nu verder zijn beweegredenen waren om zó te spreken, laat ik in hoofdzaak buiten beschouwing. Zijn slotsom kan er op wijzen, dat het wonderbaarlijke ‘opeens uit de gevangenis zijn’ van de gelovigen (Hand. 5:25) hem tot een voorzichtige opstelling heeft gebracht.

Wat nu hiervan zij… Theudas en Judas brachten geen idee, maar zichzelf. Ideeën –te rechter tijd gebracht- kunnen uitgroeien tot wereldgodsdiensten en hebben dan een lang leven. Overigens worden ook zíj door geweldige rukwinden weggeblazen (Op 16:19).

Zichzélf brengen echter mislukt altijd. Wel zéker heeft Gamaliël Jezus onderschat. De Heiland bracht DE idee, maar die was ín Hem belichaamd. Gamaliël zal ten onrechte gedacht hebben:

“Jezus bracht Zichzélf, net als Theudas. Ondanks alle opmerkelijke omstandigheden van dit ogenblik loopt het na zíjn dood net zó af. Wat zíjn de volgelingen van Jezus trouw aan hun dode Meester! Wat hééft Hij ze goed getraind!! Maar was het ánders met Judas de Galileeër?! Hij eiste blinde gehoorzaamheid, hij kréég die… wat wáren zij op zijn hand… wat slóten zij zich om hem aanéén. Maar na zijn dood… pffft… het leidde allemaal nérgens toe.”

 

Als de gedachtegang inderdaad zo is geweest, is zij uiteraard fout. Zij moet dan berust hebben op gebrekkige en mogelijk vooringenomen waarneming. Maar één ding staat als een paal boven water:

Op een méns geconcentreerd werk gaat te niet, wanneer de tijd voor de test dáár is. Nog niet zo lang geleden hadden wij in Nederland een man, die beweerde, dat hij God was. Ook toen hetzelfde liedje, als bij Judas de Galileeër: hij stierf… zijn aanhang probeerde het nog even… maar het vuurtje is nú uit. Al dat dode werk, die voze opwinding, bleek vernietigbaar.

 

In het nú volgende beperk ik mij tot een gedeelte van de hiervóór vluchtig behandelde totaalgedachte; dit gedeelte:

-         Theudas, Judas en hun aanhangers máákten het niet, omdat hun mensgericht streven een dood werk was.

In het kader van mijn onderwerp kan deze deelgedachte van nut zijn. Ik werk haar voor een mogelijk nú actueel zijnde situatie als volgt uit:

 

U –wedergeborene- zult zeker tot een gemeente behoren. In de verhouding tussen u en de voorganger van die gemeente kunnen de zaken op drie manieren misgaan. Er is sprake van dood, mensgericht werk in de volgende gevallen:

-         De voorganger eist van u, dat u hém centraal stelt. U gaat daar niet op in.

-         Uw voorganger eist datzelfde van u; nu gaat u er wél op in.

-         De voorganger stelt Jezus centraal. U echter blijft hém (de voorganger) hardnekkig in het middelpunt van uw aanbidding plaatsen.

In het eerste geval lijdt uw voorganger grote schade; in een harde verzoeking loopt hij gegarandeerd stuk.

In het tweede geval maakt u allebéi brokken.

In het derde geval zijn de brokken voor ú. Echter: ook uw voorganger wordt in zijn ontplooiing beperkt.

-         Bid voor uw voorganger in het eerste geval.

-         Bekeer u en bid voor hem in het tweede.

-         Bekeer u in het derde.

 

Zoals eerder gezegd, heb ik van de tekst maar een klein stukje –en dan nog zijdelings- gebruikt. Gamaliël zegt:

            “Aards werk is vernietigbaar. Hemels werk is onvernietigbaar.”

Ik werk die laatste gedachte echter in de hierna volgende punten met behulp van andere teksten uit.

Wat dat ‘zijdelings gebruik’ betreft: van allerlei aards werk heb ik één bepaald soort op de korrel genomen. Dat doe ik nóg even in de slotzinsneden.

 

Voor ú geldt: is er bij ú aards werk?

Is er een begeerte om:

-         Mensen te behagen (Gal. 1:10).

-         Bij hen een wit voetje te krijgen.

-         Bij hen in de pas te komen.

Of:

(een tweede kwade zaak):

Wilt u anderen overheersen:

-         aan hen uw wil opleggen.

-         Hun gedachten volgens een door u gepland model kneden.

Doe dat streven weg! Het wil uw geloof ópeten, totdat daar niets van rest. Als dat gebeurt, hebt u niets over, als ééns dat dode werk in het vuur verbrandt (1 Cor. 3:15).

 

Haal de bezem door:

-         alle gepluimstrijk en gepluimstrijkt willen worden;

-         alle geringeloor en geringeloord willen worden;

-         alle gedril en gedrild willen worden;

-         alle gemanipuleer en gemanipuleerd willen worden.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Gerritse om 19:17 Reageer op dit bericht

4.4.9.

4.4.9.

Slotsom:

 

Even recapituleren: het nieuwe leven –dat is het motto van de hele bijbelstudie- heet vele facetten. Omkeer náár God is het eerste (studie 2), geboorte úit God het tweede studie 3). Wij rekenen dóór en ten behoeve ván die geboorte uit God –die wedergeboorte- áf met onbeduidend ‘leeg-van-God’-werk. Wij gaan oefenen in zinhebbend ‘vol-van-God-werk’: (deze bijbelstudie: 4).

 

Eén punt nog even belichten: u hebt uw daadkracht niet voor niets. U hoeft die niet te breidelen met daarbij de zure gedachte: ’t zal wel weer dood werk zijn…

 

Er was eens een ferme vent, die in de maatschappij een groot directeur had kunnen worden. Maar de evangelieverkondiging werd zijn roeping. Zijn tomeloze energie gebruikte hij, om een heel land vol te gooien met christelijke radio- en t.v. stations. Hij liet die activiteiten geregeld door God controleren en stemde zijn eigen radio voortdurend op aanwijzingen van Gods zender af. Zijn geestelijke resultaten waren voortreffelijk.

 

Als u ook zo’n vindingrijke, gehaaide doordouwer bent, laat u zich dan door mijn verhaaltjes niet beangstigen. Trouwens: er kán toch eigenlijk geen misverstand zijn! Maar mócht er sprake zijn van een verkeerd begrijpen… ik ben er niet op uit om uw ontplooiing af te remmen.

Ik zwáái niet met het ‘pas op’ vingertje. Span de pinnen van uw tent maar wijd uit. Het is allemaal nóg feestelijker dan u denkt. U hebt véél meer talenten dan uzelf nú weet. Twee kussen er twee wakker… vijf wekken er vijf (Matth. 25:16, 17).

 

Elke Christen is een soldaat, die de maarschalkstaf in zijn ransel draagt. Wanneer uw activiteiten geestelijk worden, betekent dat geen verenging. Juist dán komt die maarschalkstaf er uit (Op. 1:6).

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Gerritse om 22:03 Reageer op dit bericht

4.4.8.

4.4.8.

Wedergeborenen rusten niet, vóór zij God verheerlijken met geestelijk vruchtbaar werk

 

-         Daarom houden ook wij -(Paulus, bescheidenheidmeervoud)- sedert wij (al deze goede dingen) gehoord hebben, niet op voor u te bidden en te vragen, dat gij met de rechte kennis van (Gods) wil vervúld moogt worden in álle wijsheid en geestelijk inzicht om:

o       De Here wáárdig te wandelen

o       Hem in álles te behagen

o       In álle goed werk vrucht te dragen

o       Op te wassen in de rechte kennis van God (Col. 1:9. 10).


Over de Colossenzen kwamen de meest prima berichten bij Paulus binnen:

-         Zij geloofden in Jezus

-         Zij beoefenden de geestelijke liefde voor medegelovigen

-         Zij kenden Gods grote plannen met hen (:4).

Dat gaf Paulus zó’n moed: eindelijk lui, die er iets van snápten. Met extra plezier bad en dankte hij voor deze medegelovigen (:3). En gelijk ging hij al weer een stapje verder. Deze veelbelovende Christenen hadden bewezen, verder te wíllen en verder te kúnnen gaan dan vele anderen. Voor hén moest het mogelijk zijn om vól te worden met het juiste inzicht in Góds wil. En Paulus bad steeds vuriger:

“Heer, die Colossenzen hébben het in beginsel… geef ze het dan volóp… wijsheid en inzicht van U.

O Heiland; als ik dát toch eens mocht meemaken:

-         mensen die leven als kinderen van een koning, van dé Koning

-         mensen waarmee U in alle opzichten uit de voeten kunt

-         mensen die een volledig scala leveren van góede geestelijke producten zonder énige uitval

-         mensen, die zó’n formaat bereiken, dat zij in uw begrippen leren denken.

O Meester, ik houd gewoonweg niet óp om dáárvoor te bidden, dát aan U te vragen. Vader, bescherm deze kostbare bloem.”

Zo streed de apostel ervoor, dat geestelijk vruchtbare werken van gelovigen God verheerlijkten.

 

Wat moet dat een opluchting voor Paulus zijn geweest; zo dikwijls moest hij zuchtend medegelovigen in zijn gebed aan de Heer brengen. Dat deed zulke mensen beslist geen nút (Hebr. 13:17). (Wat niet inhoudt, dat de brief aan de Hebreeën door Paulus geschreven zou moeten  zijn).

Nú kon hij eindelijk eens gelovigen júichend aan God voorstellen. Reken maar, dat hun dat wél nut deed.

Ze waren dieper gaan geloven, liefhebben, kennen. Hun positief optreden had positieve gevolgen. Een machtige bidder, de rechtvaardige Paulus, begon krachtig mee te strijden (Jac. 5:16). Hij pleitte bij God voor nog méér:

-         kracht van de Geest, bewustheid

-         van-alle-markten-thuis-zijn

-         werkelijk góed werk, kennis.

Hij was –in het algemeen- niet eerder tevreden, vóór degenen, die hij onderwees, God verheerlijkten met geestelijk vruchtbaar werk. Pas wanneer lévende, God lóvende activiteiten het oude, doodse gedoe totaal en blijvend hadden vervangen, was het hem voldoende.

 

U –wedergeborene- hebt als één van uw plezierige taken het blij maken van uw voorgangers. Zie de predikant van uw gemeente daar nu toch eens zielsvergenoegd zitten kijken! Eén van de oudsten heeft verslag uitgebracht over een contact met ú:

-         Zó’n warm, levend, praktisch geloof

-         … een heerlijke, nuchtere, onverstoorbare liefde: zelfs voor degene, die hem het leven zo zuur hebben gemaakt

-         … en een inzicht in de dingen-achter-de-dingen!

Uw voorganger gaat op de knieën; hij bidt:

“Heer, ik dank U, hij is geen handenbindertje meer, maar rijp om handen op te leggen (Mark. 16:18).

-         Heiland, geef hem de gaven van wijsheid, kennis en onderscheiding van geesten ( 1 Cor. 12:8-10).

-         Meester, geef hem… geef hem… een begrip, zo wíjd als de zee (1 Kon. 4:29).

-         Vader, bevrijd hem van elke keten, die hem verhindert, om volledig een kóning te zijn.

-         Heer, laten al zijn handelingen omhóóg gestuwd worden, omdat ze vol zijn van geestelijke vrucht voor U!”

Zou dat niet heerlijk zijn om zo begeleid te worden! Strééf er dan ook naar om een voortreffelijk gemeentelid te wórden. Dat wórdt u, als het nieuwe leven ín u álle kansen, álle goede voeding, álle ruimte en álle zorg krijgt. Dan rúst u niet, vóór u God verheerlijkt met geestelijk vruchtbaar werk. Dan schrompelen alle op de mens gerichte overleggingen in uw handen el wandel weg tot niets. Uw leven wordt dan één loflied op de Voortreffelijke. Uw daden vormen dan een eregarde, die waardig is om door God te worden geïnspecteerd.

 

Wat ik daar nu allemaal mee bedóel?

……

Napoleon klaagde eens over bepaalde keiharde tegenstanders:

            “Die Russen hè, die moet je niet alleen dóódmaken… je moet ze nog ómgooien ook.”

En wij weten allemaal, hoe hij zich aan de Russen vertilde.

 

Wel, de duivel behoort aan u óók een keiharde tegenstander te hebben. Laat hij maar klagen over uw inzetbereidheid, uw vindingrijkheid en uw taaiheid. Laat hem zich maar in ú verslikken.

 

Flink weerwerk aan satan bieden (Jac. 4:7). Dat deden de Colossenzen ook. Immers: alleen door vól te houden in beproevingen/verzoekingen krijgt men een breder inzicht in Gods koninkrijk (Hand. 14:22). U gaat óók weerstand bieden. Uw eerste loon: hij pakt zijn biezen (Jac. 4:7), al komt hij voor volgende aanvallen wel weer eens terug (Luc. 4:13). Vast loon voor die van Colosse én voor u: dieper leven met de Heer; eerste gevolg: krachtige bidders én engelen van God (Dan. 12:1) scharen zich aan uw zij. Tweede gevolg: nóg dieper leven met de Heer… en zo voorts.

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Gerritse om 21:26 Reageer op dit bericht

Meer van Mijn boeken

↑ Terug naar de berichten