Naar de inhoud

Mijn boeken

populaire geloofshandleiding
akke.beakke.be

Archief

4.2.7.

4.2.7.

Dood werk haalt niets uit; levend werk is probaat.

 

In het nu volgende citaat doe ik een tikje gewaagd. Daar wordt heel dikwijls het woord ‘werken’ genoemd. Ik zet er dan telkens voor: (geloofs).

In vers 18 vervang ik de woorden: ‘Maar zal iemand zeggen’ door: ‘Iemand kan beter zeggen’. Dit is een kleine stilistische ingreep, die ik geoorloofd acht op grond van een van de desbetreffende commentaren.

 

-         Wat báát het, mijn broeders, of iemand al bewéért, geloof te hebben, als hij geen (geloofs)werken heeft? Kan dát geloof hem behouden…?!

…. Stel, dat een broeder of zuster gebrek heeft aan kleding en dagelijks voedsel en iemand uwer zegt tot hem:

      “Gaat heen in vrede, houd u warm en eet goed,”

zónder hen echter van het nodige voor het lichaam te voorzien… wat báát dit?! Zó is het ook met het geloof; indien het niet met (geloofs)werken gepaard gaat, is het –op zichzelf genomen- dóód!

(Iemand kan beter zeggen):

      “Gíj hebt geloof en ík heb (geloofs)werken. Toon mij dan uw geloof zónder de

      (geloofs)werken en ík zal u míjn geloof tonen úit mijn (geloofs)werken.”

 

Gij gelooft, dat God één is?! … Daaraan doet gij wél, maar dat geloven de boze geesten ook en zij sidderen…

Wilt gij weten, gij dwaze mens, dat het geloof zónder de (geloofs)werken niets uitwerkt. Is onze vader Abraham niet uit (geloofs)werken gerechtvaardigd, toen hij zijn zoon Izaäk op het altaar legde? … Daaruit kunt gij zien, dat zijn geloof samenwerkte met zijn (geloofs)werken en dat dit geloof pas volkómen werd uit de (geloofs)werken. En het schriftwoord werd vervuld, dat zegt:

“Abraham geloofde God en het werd hem tot gerechtigheid gerekend en hij werd een vriend van God genoemd.”

Gij ziet, dat een mens gerechtvaardigd wordt uit (geloofs)werken en niet slechts uit geloof; en is niet evenzo Rachab, de hoer, uit (geloofs)werken gerechtvaardigd, toen zij de boodschappers in huis nam en langs een andere weg liet heengaan?! Want gelijk het lichaam zonder geest dóód is, zo is ook het geloof zonder (geloofs)werken… dóód!”

(Jacobus 2:14-16).

 

Wat Jacobus hier zegt, zou wat meer uitgebreid in briefvorm als volgt kunnen worden weergegeven:

(Ik laat deze brief schrijven door een naar het buitenland vertrokken Christin aan één van haar vriendinnen.

Toch maar eens het er op gewaagd, om dames ten tonele te voeren. Als ik de juiste toon niet tref, dames… lach er om en vergeet het.)

 

Lieve Hilly,

………

………

………

Laatst had ik toch zo’n merkwaardige ontmoeting. Ik kwam een vrouw tegen, die zich nogal liet voorstaan op haar geloof. Nu kende ik haar al een tijdje. Wanneer je zo vijf jaar ergens bent, weet je al van de hoed en de rand.

Terwijl zíj zo zat te praten, dacht ík:

            “Mijn lieve mens; ik wou dat ik niet alleen je woorden, maar ook je daden kende.”

Jíj weet, welk soort daden ik bedoel: hemels, levend geloofswerk, door Gods Geest verzegeld(1 Cor. 9:2).

En jij weet óók, dat ik mij positief opstel, zelfs voor wat betreft véél aards, doods werk zónder Gods goedkeurende paraaf, zónder zijn waarmerk. Ik heb immers dikwijls gezien, dat mensen zulk dor gedoe inruilden voor vruchtbaar bezig zijn (Op. 3:18).

Ze voelden zich niet helemaal voldaan; ze wilden groeien; uiteindelijk stroomde het levende werk tóch naar buiten.

Maar déze vrouw; nou ja, ze dééd wel iets; ach, wie doet er níets… maar dat werk was echt dóód: ze was zo zelfgenoegzaam; er was dan ook niet de mínst begeerte om dóór te groeien.

Nu gaat het niet om ons nader gesprek: dat zou mij uit de koers brengen. Ik wil dit voorval alleen maar gebruiken om een paar gedachten aan je voor te leggen:

 

Wat héb je nu eigenlijk aan zo’n geloof: dood hout, zonder het minste spoortje groen, dat ooit nog eens zou kúnnen uitbotten (Ez. 37:2, 3). Kán dat geloof je eigenlijk wel in Gods behouden haven brengen. Het is allemaal zo nutteloos.

Stel je nu eens jezelf voor in déze situatie: een kennisje –net hersteld van een ernstige ziekte, nog héél zwak- klaagt haar nood bij je, dat ze haar huishouden niet aankan…

En jij zou zeggen:

“ Kop op meid

-         Ach, je redt het wel

-         Hou je maar taai

-         Je wordt wel dóórgeleid”,

zonder ook maar één wasje of desnoods afwasje voor haar te doen… onbestáánbaar toch! Als je –om zo te zeggen- dóód was, zou je niet mínder voor haar kunnen doen. Zo is het ook met het geloof. Als er echt hélemaal níets van uitgaat, is het óók … dood!

 

O ja, toch nog iets meer van ons gesprek. Ik zei:

“Mevrouw, we kennen elkaar al een poosje en nu is het niet mijn bedoeling om onaardig te zijn, maar toch éven een páár dingen:

Het komt misschien wat onplezierig over, maar: u klaagt en moppert toch wel érg veel. En: in dat kwartiertje, dat we praten, heeft u al wel honderd keer ‘ik’ gezegd.

Nu weet ik wel, iemand kan zo gebonden zijn door de duivel, dat hij wel móet jammeren en zeuren en op zichzelf gericht zijn. Dán is er hoop, zó iemand kan in de naam van Jezus worden bevrijd.

Maar ú; ik heb het idee, dat u niet anders wíl. Hoe kán ik nu zien, dat u geloof hebt. U zégt, dat u het hebt, maar hoe kunt u het mij tónen.”

Toen begon zíj weer:

-         dat ik niet in de liefde en dat ik te hard was

-         dat ík misschien wel bezig was om met een ingebeelde hemel naar de hel te gaan.

Och, je kent die schijnvrome en toch zo onheilige en holle klanken (1 Tim. 6:20).

Ik heb geduldig vérder uitgelegd:

“U zegt nu tegen mij, dat u betwijfelt of ík wel op de goede weg ben. Wél…:

-         in de naam van Jezus leg ik mijn handen op zieken en zij genezen. Ik zeg dat niet om op te scheppen, het is allemaal genade. Het is eigenlijk gênant, maar nu moet er echt even op worden gewezen (2 Cor. 11:18).

-         Velen getuigen, dat de Heer mij heeft gebruikt om aan hen goedheid, trouw, liefde en blijdschap te bewijzen.

-         Het is toch ook fíjn om te mogen weten, dat je de gaven van het spreken in tongen en van profetie hebt.

Als men mij vraagt om míjn geloof te tonen, kan ik de daarmee samenhangende geloofswerken tonen…”

En zíj weer:

“U hebt het óók over uzelf, u zegt ook ‘ik’. Goed, u kent dan veel maniertjes en kunstjes (Judas:10), maar kunt u net zo zeggen als ik:

-         Dat u de bijbel gelooft van kaft tot kaft

-         Dat u alle bijbelboeken op een rijtje kent

-         Dat u álle zonen van Jacob, álle richters en álle koningen in volgorde kunt opnoemen?”

Nou moet ik eerlijk zeggen, dat het mij met die bijbelboeken best zou lukken, maar de rést!...

Aan haar heb ik dat overigens niet gezegd. Ik heb uitgelegd, dat de duivel de beste schriftkenner is van allemaal. Maar het brengt bij hem alleen maar angst teweeg en niets positiefs. Zo doen ook bij mensen allerlei wéétjes er niet toe, maar alleen de gezindheid van het hart (Gal. 6:15). Leidt die gezindheid tot daden van geloof of niet: dát is de beslissende kwestie.

Het werd mij allemaal niet in dank afgenomen. Zij ging al gauw weg.

 

Maar zeg nu zelf… neem nu Abraham: toen met dat offeren van Izaäk. Hij was oprecht van mening, dat Gód hem de opdracht had gegeven om zijn zoon Izaäk te offeren (Gen. 22:2).

Ik weet dat nog zo net niet. Ik kan mij niet vóórstellen dat God zoiets zelfs maar zou opperen. Volgens mij was, wat hij meende te verstaan, een misleiding door satan (Hebr. 11:18). Afijn, die mening kén je van mij. We hebben er nog wel eens over geruzied, weet je nog… dóm hè!

Overigens gáát het daar nu niet over. Of hij nu góed verstond of niet; hij wilde Gód gehoorzamen. God was de Eerste in zijn leven. Op Hem wilde hij zich richten. Als God zei:

            “Offer die jongen van jou, dat leuke knulletje van dertien…”

en het is zo’n mooie leeftijd, nog nét geen lastige puber,

dan wílde hij dat doen.

 

Kijk, dat is nu één van de omschrijvingen, die je zou kunnen geven van geloofswerk. Werk, waarmee je misschien zélf totaal geen eer inlegt, maar waarvan je –als wedergeborene- naar beste weten van mening bent, dat het naar Gods wil is.

Abrahams geloof werkte ook zo méé hè. Hij dacht:

            “Ik sta voor een raadsel, maar God kan alles.”(Hebr. 11:18).

Hij geloofde ín God en: zijn willen gehoorzamen áán God liet zien, dat zijn geloof écht was.

 

Een voorbeeld: ik krijg hier niet altijd van die lastige tantes hoor; laatst was hier Daphne, twintig, verloofd. Die jongen wilde haar niet volgen, toen zij –ná die verloving- zich opeens tot Jezus ging bekeren. Ze geloofde in God, maakte die band met Dieter lós (2Cor. 6:14)…

Tranen, tranen; maar ook háár geloof werkte samen met haar geloofswerken en het werd pas volkomen úit die geloofswerken. En nu heeft ze aan Karl –uit de gemeente- nog een veel leukere vrijer. En: zij voelt zich zó verbonden met God. Hij is als het ware een echte Vriend voor haar geworden. Haar daden maakten haar woorden waar en brachten haar in de goede verhouding met de Heer.

 

Weet je, ik hoorde eens iemand steunen:

“Die goede, die levende, die geloofswerken; zo puntgaaf allemaal: daar kom ik nooit aan toe.”

Ach welnee, zo werkt dat toch niet. Neem nu Rachab; ze zag niet tegen een leugentje-om-bestwil op (Joz. 2:5). Ook overigens was zij helemaal niet zo’n prima iemand. Maar ze had één heel belangrijk inzicht: zij wíst, dat de God van Israël de enige Machtige was (Joz. 2:9).

Op grond daarvan handelde zij, naar de mens gesproken,  als landverraadster. Maar:

-         ondanks haar twijfelachtige beroepsuitoefening

-         ondanks haar gelieg

beoordeelde God haar werk als geloofswerk.

Híj verklaarde haar tot iemand, die tot Hém in de rechte verhouding stond. En: de belóning?! Om naar ádem te snakken: zij werd een vóórmoeder van Jezus! (Matth. 1:5).

 

Dus meid; ik wou dít zeggen: lichaam en ziel van een mens kunnen er soms heel goed uitzien. Maar wanneer het meest innerlijke –de geest- los is geraakt van God, zijn ze in beginsel vernield en raken ook metterdáád in de vernieling.

Een geloof met alleen maar brallerige woorden, maar zonder énig spoor van werkelijke kracht (1 Cor. 4:19) … wat óógt zo’n geloof soms geweldig. Maar neem dat van mij aan: het is in wézen dood en je zúlt het ook voor je ogen met al zijn schijnbare godsvrucht (2 Tim. 3:5) dood zíen gaan. Het haalt niets, maar dan ook niets uit.

Maar een geloof volgens het Feyenoord-clublied –zou Ferry zeggen- je weet wel:

            “Geen woorden, maar daden (1 Cor. 4:20)”…

dát is het helemaal. En je begrijpt, wat ik met dáden bedoel: gééstelijke krachtige daden van een mens, die God kent (Dan. 11:32). Zo’n geloof; iets, dat meer probaat werkt, ken ik niet.

 

Voor ditmaal even Schluss, zeggen ze hier. De groeten van Ferry; hij is zo heerlijk druk voor Jezus.

O ja, de kinderen, zulke schatten. Alles best, ook op school Halve Zwitsertjes al, Marjolein gaat binnenkort al naar de Mittelschule –Mavo én Havo, zal ik maar zeggen- Hans en Rolf blijven nog wel een poosje op de Grundschule.

De groeten aan Jaap zeg… en schrijf eens gauw, hoe het met Riemer, Ria en Adri is.

 

Veel kussen, Gods zegen, Emmy.

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Gerritse om 15:24 Reageer op dit bericht

4.2.6. tweede deel

4.2.6.; tweede deel.

Tiemen deed het ánders. Hij hield óók van Jezus, evenals Esther. Hij kénde haar wel. Hij had zelfs eens tegen haar gezegd:

            “Jij hebt meer dan ik.”

Zij had toen –wat vinnig- geantwoord:

“Maar suffie, daar moet je toch geen momént genoegen mee nemen! Joh Tiemen, ben je eigenlijk na je bekering wel wédergeboren?!”

Ze was wat ‘direct’, tikje primitief, nogal impulsief, op-en-top vrouwelijk. Ze paste eigenlijk niet in de doordachte mannenaffaire, die het geloof nu eenmaal was.

Ach, ze kneuterde zowat in een gehuurd gebouwtje, omringd door opgewonden vrouwen en typische, wat wazige mannen.

Hij –in zijn mooie kerk- pakte het vakkundiger aan. Bleef lekker bíj! Met allerlei acties deed de gemeente mee. Er mekkerde wel eens een ontevredene:

            “Ik vind zo weinig voedsel voor mijn zíel”,

maar eigenlijk was zo iets onbegrijpelijk. Je moest met je tijd mee, de nieuwe trends volgen. Hij was helemaal op de toer gegaan van de bevrijdingstheologie en de dialoog. Er kwamen dames om over de feministische geloofsbeleving te spreken. Laatst was er iemand geweest, die een boek had geschreven over de verkieslijkheid van de joodse boven de christelijke godsdienst. Een Duitse professor had uitgelegd, waarom hij voor Marx koos en toch óók voor het neo-kapitalisme.

Zíjn –Tiemens- ster réés. Hij was nu ook ‘stukjesschrijver’, had een vaste krantenrubriek. Daar vloerde hij politici en wond zich op over Christenen met verouderde opvattingen.

En die kérk van hem: vól met intelligente, goedogende, gesláágde mensen. Hij trok zo echt de crème aan, de bovenlaag. Je was echt ‘in’ bij het wat bétere publiek, wanneer je bij Tiemen kerkte. Kijk, dát moest je hebben (Op. 3:17).

 

En tóen was ‘de verandering’ gekomen. Zó vreemd, zó geruisloos. Geen oorlog, je eigen landgenoten, spraken jouw taal, en tóch: staalharde kracht uit ‘wrede’ bron.

Gróot was de zuigkracht van ‘het verlichte weten’.

Zijn kerk liep leeg, verdampte als het ware in laaiend vuur (Op. 17:16).

Toen alles nog ‘gewoon’ was, waren veel van zijn mensen toch zo blij geweest met:

-         medemenselijkheid

-         liturgische verdieping

-         politieke bewustwording

-         ontmythologisering van de bijbel.

Zij hadden dooreengewiemeld in plenaire vergaderingen, in commissies en subcommissies. Stúúrgroepen hadden het rapporten en discussienota’s laten régenen. Gestrooid hadden zij er mee als Sinterklaas met pepernoten.

Waar waren ze gebleven:

-         zij waren lid van de buurtcontroleraden

-         zij zaten in de besturen van cultuur hervormingsbureaus

-         zij maakten deel uit van de politieke eenheidsstuurgroep

-         zij beijverden zich voor de eredienst van ‘het nieuwe denken’(Op. 13:15).

Gelukkig echter waren ze niet. Sommigen hadden hem ervan beschuldigd, dat híj de oorzaak was van hún gebrek aan kennis. Zij verweten hém hún ‘aan de grond zitten’ (Hos. 4:6). Hij voelde zich zó eenzaam, zó mislukt, zó waardeloos. Hij kon op geen enkel werk wijzen, ging door een hel.

Enkelen van zijn voormalige gemeenteleden zaten in Esthers –nu illegale-  kring. Zijzelf zat in ‘zone zes’, áls zij nog leefde. Anderen hadden echter de fakkel overgenomen. Toen werd hij geroepen bij de brein-raad. Men stelde hem voor, plaats te nemen in een lichaam, dat op godsdienst zou gaan toezien. Hij zei: “Nee.” Onder alle puinhopen was daar tóch zijn trouw aan Jezus.

“Zone zes”, zei de partijfunctionaris kil. Buiten stonden de ‘withelmen’ met de bus. Hij liep er naar toe, onder zijn radeloosheid tóch iets van vreugd. Hij had Jezus teruggevonden. Zone zes was een verschrikking, hij wíst het. Maar: dat ‘buitenste district’ betekende voor hém een begin van redding.

Hij had in zijn kerk een belangrijke plaats gehad en véél eer van mensen… eer van God zat er niet meer in. Een zuil in Gods tempel zou hij niet meer worden (Op. 3:12). Als alles meeviel, wat portierswerk daar (Ps. 84:11). De bus voerde hem weg van dat mooie, aardse baantje (Ps. 84:11). Dat hem aangeboden baantje, dat hij geweigerd had, dat zou hem echter wérkelijk in het ‘buitenste district’ hebben gebracht (Judas 13). Och, en misschien viel alles met Gods beloning tóch wel wat mee. God is immers genadiger dan de mensen…

 

………

 

(inlas)

Nog even dít: sommige mensen denken bij ‘gered worden, maar als door vuur heen’ aan een soort louteringsvuur, ‘vagevuur’ noemen zij het.

Er zijn mensen, die er in dit leven nu niet zó veel van hebben terechtgebracht. Werkelijk ‘van de allerberoerdste’ zijn ze nu toch óók weer niet geweest. Zij betalen na hun dood met een onaangenaam, maar eindig  verblijf in een soort strafkamp, zo wordt gesteld.

Ik vind dit geen goed inzicht. Het kan naar mijn mening niet op deze tekst gegrond worden. Het komt mij voor, dat door deze leer zorgeloze mensen worden gekweekt. Ik zou mij kunnen indenken, dat men gaat zeggen:

“Ik leef maar wat voor-het-vaderland-weg en laat een fiks legaat na aan de kerk. Dan bidden beroepskrachten mij nog vrij gauw uit dat vagevuur uit. Ik neem dat althans aan… ik betáál er toch voor!!!...”

Hierboven heb ik een uitleg gegeven, die mij logische en meer weerbaar makend voorkomt.

 

Vergeet u vooral niet, de teksten te vergelijken. Neem nu die zinsnede:

            “Kijk, dat moest je hebben” (Op. 3:17).

Die tekst geeft zó’n aardig doorkijkje.

Soms denk iik wel eens; ik moest de schriftplaatsen ín mijn verhaal opnemen, dan kan niemand er meer omheen.

Maar ik heb het u al zo gemakkelijk gemaakt. Nee, zo moet het maar…

 

………

 

In zone zes is alles grauw, vlak en eenzaam. Over onherbergzaam land jagen wilde luchten. Er is drenzende regen, striemende hagel of stuivende sneeuw. En altijd die wínd! … toch nog vijf dagen zón per jaar.

In groezelige overalls graven de besten van de aardbewoners (Hebr. 11:38) zinneloos sleuven op een woeste hoogvlakte. Stralend hun gezichten. Júichend hun zang.

“Gods ware vreugde

zijn diepe vriendschap

en wond’re heling

Is, wat ik wens…

Gods blijde troosten

Zijn goede handen

En wijze woorden

Voor ieder mens.”

De heropvoeders in dit kamp moeten elke maand vervangen en herprogrammeerd worden. Zó sterk is de invloed van de ‘onoverwinnelijken’. (Op. 15:2).

“Gods fijne gaven,

zijn echte blijdschap

en zijn bescherming

die zijn zo zoet…

Gods trouwe liefde

Zijn milde vrede

En zijn vergeving

Die doen mij goed.”

Die ált moesten ze onlangs missen in verband met bevordering. Háár heerlijke stem zingt nu in zó’n hoog koor.

Maar ze hebben er een warme bariton voor in de plaats gekregen.

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Gerritse om 21:01 Reageer op dit bericht

4.2.6. eerste deel

 4.2.6

(eerste deel)

Dood werk verschrompelt in de materiaaltest tot as; levend werk komt er zegevierend uit te voorschijn.

 

-         Indien het werk, dat hij er op gebouwd heeft, stand houdt, zal hij loon ontvangen, maar indien iemands werk verbrandt, zal hij schade lijden, doch hijzelf zal gered worden, maar als door vuur heen (1 Cor. 3:14, 15).

 

Ik heb hiervóór gezegd, dat ik Ben en Daan er weer bij ging halen, maar vergéét dat nu maar…

Wat dacht u, in plaats daarvan, van Esther en Tiemen.

-         Esther was voorgangster in een vrije gemeente

-         Tiemen was dominee in een gevestigde kerk.

Laten wij het eerst over Esther hebben.

 

Dikwijls, wanneer zij de gemeente zo eens rondkeek, kneep haar haart samen. Al vijftien jaar hield zij bijbelstudies en preken. Al vijftien jaar zaten sommigen onder haar gehoor. Er waren er echter bij –natuurlijk niet allemaal- die in die vijftien jaar nog níets waren opgeschoten. Zo voor het oog het er helemaal mee eens… alleen… ze déden er niets mee (Matth. 7:21).

Soms zelfs mensen, die zich altijd maar lieten leren, zonder ooit de waarheid te wíllen zíen (2 Tim. 3:7).

Dan kon zij zó terneergeslagen worden. Zij bad dan:

            “Heer, doe ik het niet góed?! Wilt U mij inzicht geven?”

En zij overlegde:

“Ik heb vroeger wel eens gelachen om die kerken, waar de dominees de mensen om de oren sloegen met ‘hel en verdoemenis’. Die dominees meenden het misschien heus wel goed. Hun bezoekers gingen echter voldaan naar huis en zeiden:        

‘Wat heeft de onze het weer bést gezegd hè… dat is nou: het woord recht snijden’.

En dan dronken ze een glas… en ze lieten de zaak, zoals die was.

Als ik zo’n verhaal hoorde, dacht ik altijd:

            ‘Dat zal míj niet overkomen.’

En nú… ik overstelp ze met de heerlijkheden van het koninkrijk:

-         vertel ze van de doop in water en doop in de Heilige Geest

-         leg ze de Geestesgaven en de Geestesvrucht uit

-         bepaal ze bij de geloofsfundamenten…

… en ik weet zéker, dat er zijn, die –thuiskomend- zeggen:

            “onze Esther was weer góed op dreef hè’.

… en dan drinken ze hun koffie en leven hun vale leventje verder.

Ik wéét, wat ik zal doen: ik zal van nu af aan héél hard, haast fanatiek gaan preken! Dan lopen de mensen, waar geen muziek in zit, wel wég!”

 

Zij probeerde het, hield er maar gauw mee op, vanwege het averechtse resultaat. Tóen hervond zij de goede weg: liefde uitstralen, geestelijke liefde bewijzen; alle mensen, ook die uitzichtlozen, liefhebben, geduld oefenen (Jac. 5:7), ze de tijd geven ((Luk. 13:8). Het kón toch zijn, dat God in die vervette (Hand. 28:27) harten het goede inzicht zou doen baanbreken (2 Tim. 2:25). De niet-te-doorgronden dingen aan Hém toevertrouwen. De hele last op Hém werpen (1 Petr. 5:7). Híj zou alles goed maken (Ps. 37:5). Zíj was immers alleen maar een soldaat in zijn leger. Zij hoefde zich alleen maar bezig te houden met een goede taakvervulling. Met de loonbetaling door God kwam het best in orde (2 Tim. 2:4). Als zíj getrouw was, zou Híj dat getrouw zijn niet vergeten (Luk. 9:17). En met nog veel meer kracht dan ooit voordien

 

Enkele jaren later kwam voor die gemeente de vuurproef. Er trad een andere regering in dat land aan. Christenen kregen het moeilijk. Vol spanning keek Esther naar haar medegelovigen. En opeens zag ze; in de onverwachte opbloei van haar gemeente, die nu op Jezus Christus werd teruggeworpen, lag voor haar een éérste beloning (Op. 22:12). De meelopers vertrókken nu dan toch (Ps. 1:5) (2 Thess 2:3); maar: slaperigen schoten wakker (Ef. 5:14). De verdrukking scherpte hun nú Esthers lessen in. Geestelijk gezien, schoten zij als raketten omhoog. Het vuur van de steeds hardere verdrukking laaide door de gemeente. Vroom hout, religieus hooi, godsdienstig stro: het brandde weg. Over bleef een stevig gebouw.

Zij keek de gelouterde kring rond: al die heerlijke kinderen van God. Daarbuiten waren de overheersers met hun verziekte gedachten. Ondanks de gevaren gingen de gemeenteleden er nóg op uit, waren als sterren in het donker. Zij had zich niet voor niets ingespannen (Fiilipp. 2:15, 16). Het werk, waarvoor zij zich zó had ingezet, hád standgehouden. Zij had er goud, zilver en edelgesteenten voor gebruikt. Zij had de haar toevertrouwde mensen op een hooggelegen weg gebracht (Ef. 2:6), in de sfeer van God (2 Petr. 3:11). Zij had hen er op gewezen, dat de marsroute was gemarkeerd met:

-         bekering en wedergeboorte

-         fundering met goede beginselen

-         doop in water, vervulling met de Heilige Geest, doop in vúúr

-         geestesgaven en geestesvrucht.

Haar loon zag ze nú:

-         gezinnen, die één blok vormden tegen de steeds driester terreur

-         huisbijeenkomsten, nu straatsamenkomsten werden verboden

-         een steeds warmer liefde en saamhorigheid (Phill. 2:2), die prachtig afstak tegen de domme haat ván ‘buiten’. En die liefde blééf de hand reiken áán ‘buiten’(Op. 11:3).

Ze wist het: ik word misschien gedeporteerd, maar: ik heb de goede strijd gestreden: ik heb het geloof behouden. Een erekrans voor míj, maar ook voor mijn dappere gemeente…

 

………

 

Met opgeheven hoofd ging ze mee met de rechercherus van de speciale dienst.

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Gerritse om 16:25 Reageer op dit bericht

4.2.5

4.2.5.

Dood werk komt eens te kijk te staan in zijn kaalheid; levend werk zal eens schitteren in glorie.

 

-         Is er iemand, die op dit fundament bouwt met goud, zilver, kostbaar gesteente, … hout, hooi of stro, íeders werk zal aan het licht komen. Want: ‘de dag’ zal het doen blijken, omdat hij met vuur verschijnt en hoedanig ieders werk is… dat zal het vúúr uitmaken! (1 Cor. 3:12, 13).

 

Het fundament, waarvan sprake is in deze tekst, is het geloof in Jezus Christus als Redder en Verlosser voor ú persoonlijk. Wanneer een mens zich tot Hem heeft bekeerd, stáát die mens op een Rots. U bent één van die mensen. U bent echter niet op die Rots gekomen om daar alleen maar te stáán. U bent daar om te bóuwen, om met uw talenten te wóekeren (Matth. 25:15), om uw eigen fundament in die rots úit te houwen. Weet u nog: dat voorbeeld uit 4.1.1.3.

Sommige mensen gaan bouwen met goud, zilver of edelstenen. Anderen nemen hout, hooi of stro.

Goed werk -werk in overeenstemming met Gods wil- wordt voorgesteld door het bouwen met de éérste groep van drie materialen.

Slecht werk –werk, dat helemaal niet positief past in Gods plan- wordt voorgesteld door het bouwen met de tweede groep van drie materialen.

… dán komt’ de dag’ … u behoeft nu niet direct te denken aan de grote dag van Jezus’ wederkomst. Vóór die dag er is, hebt u al zoveel ‘dagen’ gehad. Zullen wij eens proberen om zulk een dag voor te stellen.

Ik weet het goed gemaakt. Wij projecteren die dag in het leven van twee mannen.

Sommigen zullen zeggen:

            “Hè, alweer twee mánnen?!”

Ja lieve dames, ik voel mij in een mannengedachtegang nu eenmaal iets meer thuis. Ik val me toch al zoveel builen. Geregeld wordt er tegen mij tekeer gegaan en heus niet altijd ten onrechte. Laat ik nu geen risico nemen door mij te begeven op een gebied, waarvan ik de terreingesteldheid wat minder goed ken. Ik kom daar tóch wel eens –dat wéét u- maar nú niet…

… Ben en Daan dus.

 

Eerst Ben maar:

Hij was bekeerd en verder doorgegaan met de Heer. Door de wedergeboorte werd het nieuwe leven in zijn geest geweven, even wonderlijk als een kind groeit in de moeder (Ps. 139:13).

Er kwam echter een periode in zijn leven, waarin:

-         niemand hem meer vertrouwde

-         zijn prestige bij anderen tot de grond toe werd afgebroken

-         iedereen zich van hem afwendde

-         alles, wat hij zei, verkeerd werd uitgelegd.

Dat was nu één van de dagen, dat er vuur in zíjn leven kwam. De demonen rukten op hem aan, omringden hem als razende stieren (Ps. 22:13). Zij spanden alle krachten in om hem:

-         neer te krijgen

-         kapot te maken

-         fijn te wrijven

-         in elkaar te slaan.

En Ben?! … Hij had er naar gestrééfd om hemels werk af te leveren. Dat was ook al wel gelukt… maar die zíel van hem hè… die lag nu eenmaal nog naar alle kanten open. Daarin bleken toch invloeden uit de wereld om hem heen binnen gedrongen te zijn. Die infecties hadden hem ertoe gebracht, ook aards werk te fabriceren.

Het vuur raasde door hem heen. En warempel: iets in hem:

-         wilde er maar bij gaan liggen

-         leek wel op zelfvernietiging uit

-         viel gewoon ‘tot stof ineen’ (Job 19:10)

-         liet zich aftuigen.

Dat ‘iets’ wakkerde het vuur nog aan,

-         verbond er zich mee

-         vertéérde tenslotte in die helse vlammen.

En vreemde, platvloerse gedachten gingen door hem heen:

-         als andere mensen mij wantrouwen, wantrouw ik alle mensen om mij heen

-         mijn prestige is helemaal weg … nou … ik zal ze iets laten zien… ze zullen nog van mij horen… ik kom keihard terug

-         zíj wenden zich van míj af… wel … ik heb hen ook niet nodig… ik red het wel in mijn eentje

-         zij leggen mijn woorden toch maar verkeerd uit… goed, ik zwíjg al… gesloten als een oester zal ik van nu aan zijn.

 

Ho, ho; het wordt geen somber verhaal. Ben was wedergeboren! Door Gods genade was er ook goud en zilver in zijn leven. Tenslotte raakte het vuur uitgewoed… zónder dat hij wantrouwig, eenzaam en eenzelvig was geworden. En ook dat idee om zichzelf wáár te willen maken, had geen wortel geschoten.

Zijn bittere beproeving was niet boven vermogen geweest (1 Cor. 10:13). Hij had het geduld gehad om stand te houden, tot hij de uitreddingen van de Heer zag (Ex. 14:13).

-         ándere mensen gingen hem vertrouwen

-         hij kreeg weer wat erkenning en hoogachting

-         men zocht zijn gezelschap weer (Job 42:11)

-         het was niet meer zo, dat hij verraden werd door vermeende vrienden (Ps. 41:10). De nieuwe kameraden zogen niet meer als wespen uit elk van zijn woorden venijn. Zij peurden er honing uit.

 

Toen hij gelegenheid kreeg om uit te blazen, keek hij eerst een beetje beschaamd naar dat toch nog ontstellend grote deel, dat van zijn geloofshuis finaal, spoorloos was weggebrand. Nog zóveel hout, hooi en stro… nog zóveel aards werk?!
Maar, wat had hem dán toch:

-         staande doen blijven

-         héél gehouden

-         bewaard voor ineenstorting

-         ongebroken doen blijven.

Hij begreep het, toen hij de edelstenen inspecteerde. Goed werk is onvernietigbaar. Zijn edel metaal wás gesmolten in het vuur: zó heet was het geweest. Maar; het wás er nog. Het had geen fusie aangegaan met de vlammen, het was er niet door verteerd, integendeel, het was er door gelouterd… de slakken waren er uit afgeschieden.

Zijn goud, zijn zilver, waren beter van kwaliteit, hoger van gehalte geworden (Mal. 3:2,3). Hij voelde zich –ondanks zijn schaafplekken- zo fris, zó pittig, alsof hij door het vuur als het ware ‘gezouten’ was (Mark. 9:49). Hij wist zich opeens zó blij, zó rijk met dat in het vuur gelouterde goud (Op. 3:18). Hij was gewoon ópgetogen, dat hij deze ervaring had meegemaakt (1 Petrus 4:12, 13).

 

Tóen wierp hij nog even een blik op dát deel van zijn levenshuis, dat dan toch maar verbránd was. Wel, wat geweest is, dat is geweest (Luk. 9:62), besloot hij .Er wás hier en daar dwaling in zijn innerlijk binnengeslopen. Door deze heilzame beproeving (Jes. 38:17) had hij er evenwel oog voor gekregen (Ps. 119:67).

Góed eigenlijk, zo’n ervaring (Ps. 119:71). Het was net, of hij er door bekwaam gemaakt was om door elk vuur –zelfs door het allerzwaarste- heen te komen (Mal. 4:1,2).

Hij wás nog wat aangeslagen door de dreun; hij:

-         had nog niet helemaal zijn vertrouwen in medegelovigen terug

-         was nog wat onzeker en geremd in gesprekken

-         had nog ietsjes last van mensenvrees (Spr. 29:25)

-         liet wel eens wat onhandig merken, wat hij alweer voor nieuwe dingen deed

… maar hij wíst het: ook díe builen, schrammen en striemen zouden slinken, genezen, vervagen…

 

 

Zo als met Ben… zo gaat het helaas niet altijd.

Neem nu ‘het geval Daan’:

 

Hij was óók bekeerd en had de Heer Jezus heus wel lief. Op dat fundament had hij echter zowat geknutseld met:

-         hout: hij kon wel leuk kletsen, had wat aardige gesprekhandigheidjes, echt wel een flitsende debater hoor

-         hooi: maar wanneer je het goed bekeek, was het allemaal zulk flossig, iel, krachteloos gewauwel

-         stro: en och… wanneer hij eens in vlam raakte, dan was die opwinding nóg niets eer dan een knetterend strovuurtje van materialen van niks… er was bij wijze van spreken geen maaltijd op te koken (Pr. 7:6).

Toen kwam ‘de dag’in zíjn leven. Het viel allemaal nogal mee; maar hout, hooi en stro, die kunnen ook níets hebben ook.

-         De dominee had eens erg ontactisch –zeg maar gerust ‘rot’- tegen hem gedaan

In feite was het een reeks van misverstanden, door de demonen handig in scène gezet…

-         Later had diezelfde dominee ook nog eens op stráát heel uitdrukkelijk en uitdagend zijn hoofd omgedraaid, toen ze elkaar tegenkwamen.

De ware toedracht was, dat iets in een etalage ’s mans aandacht trok. Hij had Daan écht niet gezien. Als Daan het had gevraagd, was die toedracht gebleken. Maar Daan vróeg niets.

-         En toen, pal daar bovenop, lag er een brief door de deur: ‘of hij zijn kerkelijke bijdrage maar wilde verhogen’.

Och, het stelde niet eens zo veel voor. Toch was hij eigenlijk daarna nooit meer zo druk naar de kerk gegaan.

 

Later overdacht hij zijn leven nog wel eens… van dat geloofshuis van hem stond níets meer: hout, hooi en stro: ze hadden het vuurtje van satan zelfs nog áángewakkerd. Ze waren er één mee geworden, waren er aan ten onder gegaan.

Om zich een alibi te geven, fokte hij dat misverstand met die dominee alsmaar op. Het kwam in al zijn verhalen terug, het werd een obsessie. Diep in zijn hart wist hij het echter: tóen had ik stáánde moeten blijven. En hij vroeg:

“Och Heer, waarom kón ik dat toch niet?! Niemand heeft het gelukkig in de gaten, maar voor U en voor mijzelf sta ik zo te kijk, gewoon, alsof ik niets aan heb, alsof mijn kleren mee zijn verbrand… zo schamel.. zo … zo … naakt (2 Cor. 5:3).”

 

In het volgende gedeelte komen Ben en Daan wel wéér opdraven. Maar ziet u mij nu toch alstublieft niet als ‘de zwarte zwadderneel’… als een onheilsprofeet, een boeteprediker.

Het zijn nu eenmaal dingen, die ik meemaak en die toch eens gezegd mogen worden. In ieder mensenleven -of men nu Christen is of niet- komen tijden van druk voor (Pr. 3: 1-4).

Laatst ontmoette ik nog een leuke, jonge vent van dertig, die na zes jaar huwelijk van zijn aardige vrouw van 28 áf was. Twee schatjes van vier en twee waren bij háár gebleven. ‘De dag’ was in hun leven gekomen met misstappen, ruzies en verwijdering. Hij had niet echt voor zijn geluk geknókt. Hij had het wel gewild hoor… zijn hele wapenrusting bleek echter te bestaan uit rieten stokjes, waarmee hij alleen zichzelf verwondde. En de vijand… de vijand láchte er om (Ez. 29:6).

 

Stelt ú zich open voor hemelse gedachten om werk te doen naar de wil van God. Til niet te licht aan mijn woorden, wuif ze niet weg als ‘gekerm van een zwartkijker’.

Waarom zou u straks in uw ondergoed staan te rillen…

 

Een warme, koninklijke mantel ligt voor u klaar (Jes. 61:10, Op. 3:5).

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Gerritse om 17:45 Reageer op dit bericht

4.2.4., tweede deel

4.2.4. tweede deel.

-         In het eerste: de onbekeerde niet-kerkmens.

-         In het tweede: de onbekeerde kerkmens.

-         In het derde: de bekeerden.

-         In het vierde: de wedergeborenen.

 

Het eerste hulkje: de onbekeerde niet/kerkmens heeft zijn zeil gereefd. Gods wind heeft geen kans, hem naar de redding te blazen. Hij plonst de riemen van zijn vermeend goede werken in het water:

-         Hij ondersteunt allerlei bevrijdingsbewegingen. Wanneer de revolutie geslaagd is en haar eigen vaders begint te verslinden, is hij allang weer met een ander land druk.

-         Hij wil grote hokken voor de legbatterijkippen en ageert ook ‘overigens tegen de bio-industrie.

-         Hij wil dít en hij wil dát, demonstreert, dat het een lieve lust is, gooit straatstenen ten behoeve van de geweldloosheid…

Hij roeit en roeit, laat soms de riemen los om zijn verkleumde handen te wrijven… wat gíert toch die wind. Die lijkt een verhaal te vertellen van een storm, die gaat opsteken (Ps. 50:3), waartegen je niet kúnt en mág optornen (:4), die je moet vólgen op zijn hevige weg (:5). Zou je het zeil niet eens ontplooien om te kijken,wat er gebeurt.

Onzin, als je maar kón, zou je zelfs de mást willen strijken…

-         Je streed voor gelijke rechten van de vrouw.

-         Je vocht voor meer voedsel voor de derde wereld.

-         Je probeerde achterlijke medische en sociale toestanden te veranderen.

Dat is toch allemaal opbouwend bezig zijn! Dit is het begin, je gaat dóór met de strijd. Tot dusver heb je die strijd góed gestreden. Wat zegt de wind nú weer:

“Hé, heb jij wel de goede stríjd gestreden (2 Tim. 4:7). Ben je niet bezig met van alles, terwijl je het enig werkelijk-van-belang-zijnde vergeet (Luk. 10:42).”

 

… lastige tegenwerkende wind… ik wéét het wel… je wilt me gooien op de kust van braafheid en establishment. Trek aan de riemen… wég bij die riffen en rotsen, die opdoemen. Lúkt dat wel…?

 

Het tweede bootje…: … daarin zit de onbekeerde kerkmens. Soms hoort hij in dat opgerolde en vastgeknoopte zeil van zijn schip toch nog het suizen van een zachte koelte van Godswege (1 Kon. 19:12). Dan zegt hij:

            “Hoor de dwepers weer eens aangaan!”

of:

“Die dominee met zijn gedoe over de lie-ie-iefde. Wat een halfzachte. Geeneens een preek met púnten; daar heb je tenminste houvast aan.”

… Wanneer de wind vrolijk waait en aanwakkert, merkt hij op:

“Allemaal wild en onwetenschappelijk gehannes, dat evangeliseren van die nieuwlichters. Ze strijken de massa tegen de haren in.”

En hij vervolgt:

“Neen, dan kan ík uit een ander vaatje tappen. Weet je, hoelang ik nog op ‘hele noten’ gezongen heb, toen de anderen al lang op hele en halve noten blêrden! … Nog tíen jaar! Ja, daar kijk je van op hè. Och, tenslotte ga je mee (Col. 2:22), maar tóch mooi lang volgehouden…

Nog zo iets: mijn dochter wou verkeren met een jongen uit een andere kerk. Alle hoeken van de kamer heeft die meid gezien. Toen ze tóch doorzette, heb ik gezworen, nooit meer enig contact met haar te onderhouden. En dat houd ik al twintig jaar vol.

Tenslotte nog dít: toen ze allemaal in de jaren vijftig die slappe, nieuwe vertaling gingen lezen, ben ík doorgegaan met mijn Statenvertaling… nog een met gótische letters! … nu al dertig jaar.”

 

Nu wat minder grimmige voorbeelden:

-         Ik vind het zo nodig om de politieke bewustwording van mijn medekerkleden te bevorderen.

-         Ik acht het mijn taak om het kerkgebeuren vanuit een basisbeweging kritisch te begeleiden.

-         Ik tracht begrip te kweken voor de zuiver symbolische betekenis van de zogeheten ‘bijbelse wonderen’. Dat met die muren van Jericho bijvoorbeeld (Joz. 6:20), is uiteraard niet écht gebeurd.

 

Grimmig of niet grimmig: wéér slaan de riemen in het donkere, zwalpende water. Ver weg ís nog licht…

 

Het derde schuitje: Daarin zit de bekeerde-zonder-meer. Zijn ‘Jezus-zeil’ is níet opgebonden. Uitbollend staat het in de felle bries. Maar: hij róeit nog wél.

-         Wat maakt hij zich nog druk over die nieuwe, door hem onchristelijk geachte wet.

-         Wat windt hij zich nog op over die ‘enge Palestijnen’, die zo náár doen tegen de edelaardige Israëli’s.

-         Wat máákt hij nog een punt van zijn genezing, die beslist nú, op dít moment, rechtstreeks van God moet komen.

Hij klaagt:

            “De kust kómt maar niet dichterbij. Ik had het mij zo anders vóórgesteld!”

 

Het vierde scheepje: Maar dáár: een schip vol wedergeborenen! De riemen omhoog in de kokers. Bewijs van overgave aan de Machtige (Jer. 20:7). Bovenaan die riemen wapperen vlaggen. Een erehaag van aanbidding (Joh. 4:24) en lofprijzing (Ezra 3:11), waarboven God wil wonen (Ps. 22:4).

 

Eén ziet het al helemaal zitten… op de voorplecht staat hij; zijn karige kuif verwaaid in de wind… hoor hem zingen:

“Ik ben zo blij, dat ik een stukje van die wereld ben,

dat ik de woorden en gedachten van daarboven ken,

en dat ik méé mag doen met al wat leeft,

en méézingen met wat Gods adem heeft…”

En het koor valt in:

“Glorie, ik loof en prijs U, Vader, ik verhóóg Uw naam

present o koning Jezus, geef bevel en ik val aan

o Geest van liefde, ik vertrouw op U

ja hoogste macht, ik bouw alleen op U.”

… en hij weer, daar op de voorplecht:

“Daar ligt de blijde kust van het oprechte, goede land

straks kussen wij die grond en rennen verder, hand in hand,

om eens te worden, wat we moeten zijn

de kelk te drinken van Gods vreugdewijn (Matth. 26:29).”

En weer dat koor… de laatste regel iets anders van toon, als een schitterende afronding…

Zij juichen, omdat zij bézig zijn om de nepwereld te verruilen voor de échte wereld. … Dán loopt hun schip op het strand. Jubelend gaan ze aan land, volgen nu een weg (Jes. 35:8-10), die omhoog leidt (1 Cor. 12:31).

 

Nog even een láátste maal samenvatten: dood werk laat ons denken, dat wij met de kern van zinvol leven bezig zijn. De échte kern komt evenwel niet binnen bereik.

Levend werk laat ons –in eendracht met God- zien hoe wij ons leven –geestelijk gezien- doelmatig kunnen besteden:

-         Een Christin ken je niet aan het gewaad (altijd een mode achter) en aan het geláát (meestal op ‘half twaalf’). Nee, je kent haar aan een innerlijke blijdschap, die haar gezicht meer malen op ‘kwart voor drie’ zet. Haar kleding is met die feestelijkheid daarbinnen zeker niet in tegenspraak.

-         Een gevorderde Christen behoeft het niet te hebben van een heel diepzinnig ritueel, fraaie vormen, of een meeslepende entourage:

o       Kijk, dát belletje betekent zús en dát gebaar zó

o       Dat zílveren avondmaalstel … wat een schitterende vormgeving hè

o       Dat meerstemmig zingen van ons koor… zó gewijd.

Een oud rijmpje zegt:

“Toen de bekers waren van hout (i.c. de avondmaalsbekers)

waren de gelovigen van goud.”

De rest kunt u wel raden. Die gevorderde gelovige streeft naar innerlijk goud. Hij sust zich niet in slaap met uiterlijke stijl, emotie, pracht en praal.

-         Een ingeleid Christen stelt zichzelf niet gerust met vaardigheden en opinies, die geen enkele inhoud hebben. Wat baat het, wanneer je alle kerkelijke richtingen en alle dominees kent… Een allerhevigst kerkelijk besef lijkt een belangrijk bezit, maar krácht gaat er niet van uit. Wanneer de ijzeren strijdwagens van satan kómen (Joz. 17:18) blijkt het een gebroken rietstaf (Ez. 29:6). Een vaardigheid, die nút heeft, is het kunnen hanteren van het geestelijk zwaard (Hebr. 4:12).

-         Een discipel doorziet de voosheid van alleen maar politiek of maatschappelijk geëngageerd zijn. De parmantigheid van heel veel schriftkritiek doorziet hij in haar karakter: de klok horen luiden, maar niet weten, waar de klepel hangt.

-         Een wedergeborene heeft oog voor het gevaar van energie verspillen aan randverschijnselen. Hij is op zoek naar een efficiënt gebruik van zijn geesteskracht volgens de aanwijzingen van God.

 

Zó handelend:

-         met een onbeschrijflijke blijdschap van binnen (Col. 1:12)

-         met goud-echt geloof (1 Petr. 1:7)

-         met een vlijmscherp geestelijk zwaard (Ef. 6:17)

-         in overleg met Gods levendmakende Geest (Joh. 6:63)

-         wars van goedkoop effectbejag (Hand. 14:15)

-         met een op één doel gerichte wil (Phil. 3:14)

haalt hij de kern van het overwinningsleven naar voren.

 

U ook!

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Gerritse om 19:25 Reageer op dit bericht

4.2.4

4.2.4.

Dood werk verdoezelt de kern van ons leven met God.   Levend werk haalt die kern naar voren. (eerste deel)

 

-         Heidenen, die geen gerechtigheid najaagden, hebben gerechtigheid verkregen, namelijk gerechtigheid, die uit geloof is; doch Israël, hoewel het een wet ter gerechtigheid najaagde, is aan de wet niet toegekomen. Waarom niet?!... Omdat het hierbij niet uitging van geloof, maar van vermeende werken. Zij hebben zich gestoten aan de steen des aanstoots, gelijk geschreven staat:

“Zie, Ik leg in Sion een steen des aanstoots en een rots der ergernis en: wie op Hém zijn geloof bouwt, zal niet beschaamt uitkomen.” (Rom. 9:30-33).

 

Israël was een volk in de oudheid, dat ook tegenwoordig nog bestaat onder de iets gewijzigde naam: Israëli’s.

Het grote verschil met tóen is, dat de Israëli’s een volk zijn zoals alle andere volken…

Het volk Israël wás géén gewoon volk. Zij hadden de heel bijzondere taak om zich gereed te houden, duizenden jaren lang. Met welk doel? Om de God en Verlosser –Jezus Christus- uit hun midden te doen geboren worden. Toen dat was geschied, was deze taak volbracht. Vanaf dien werd het volk Israël een gewoon volk, tegenwoordig dus met de naam: Israëli’s.

Deze mening houdt voor die Israëli’s geen discriminatie in.

Bijvoorbeeld: een tennisspeler kan een paar jaar Wimbledon winnen. Dát raakt eens over. Hij houdt echter zijn hele verdere leven een aureool:

            “Zie je die man dáár… die heeft ooit eens de hóógste tennistitel behaald.”

Wanneer ik iemand van het volk van de Israëli’s zie, denk ik:

“Kijk hem; zíjn volk heeft ooit eens het hoogste bereikt: God is ín Jezus uit hén geboren.”

Geen Israëli kijkt mij na deze nadere uitleg nog scheef aan, naar ik meen, te mogen aannemen. Integendeel, ik hoor waarderend gemompel. Geen wonder…:

-         Andere mensen zadelen hen op met ondraaglijke vooruitzichten, zoals: er komt nog eens een oorlog, waarin tweederde van dat volk het voorrecht krijgt om voor God te mogen sneuvelen (Zach. 13:8).

-         … haal uit je winst. Ik zadel ze nergens mee op. Ik síer ze met een ereteken, dat geen verdere verantwoordelijkheden met zich brengt.

-         Ja, ik wil zelfs nog een stapje verder gaan:

Het is naar mijn mening zo, dat God het werk van zijn handen niet loslaat. Hij heeft zoveel bemoeiingen gehad met dit volk in het verleden. God is niet Iemand, die verveeld een speeltje opzij legt, zo van:

      “Nou, hiermee is het niet gelukt; Ik probeer maar eens iets anders.”

God zal ook met de Israëli’s zó handelen, dat Hij er ook dáárin als ‘Overwinnar’ uitkomt. Hoe dat zal gebeuren, acht ik van minder belang. Ondanks een verleden, dat om een voortzetting vraagt, blíjft echter mijn oordeel: de Israëli’s: een gewoon volk.

 

Terug nu naar de Israëlieten. Ik noem ze nu verder: Joden. Want ook in Paulus’tijd –en daarover ga ik nu eerst spreken- speelden alleen de afstammelingen van Juda een rol. De afstammelingen van de andere zonen van Jakob –die ook ‘Israël’ werd genoemd- zullen voordien al in andere volken –of in Juda- zijn opgegaan.

De Joden in die tijd –na de overwinning door Jezus Christus op satan- wáren dus al een gewoon volk. Zij hadden dat echter –overigens heel begrijpelijk – in grote meerderheid nog niet dóór.

Men zou hen kunnen onderscheiden in drie groepen.

 

Eén: De níet tot Jezus bekeerde Joden. Zij hadden altijd de wet gehouden, die God eens door Mozes aan hun voorvaderen had gegeven. God had die wet geschonken, om duidelijk aan te geven, wat zonde was (Rom. 3:20); een volk met zulk een hoge roeping moest een hoge norm hebben. God had bedoeld, dat men zou ontdekken, dat die wet niet te houden wás (Rom. 5:20). Dan zou men te meer gaan uitzien naar een Verlosser (Gal. 3:24). De massa van de Joden had die bedoeling nooit doorzien. Zij dachten, dat je er al was, als je maar vier grote gebedskwasten aan je kostuum had. Een heel brede gebedsriem om je middel was ook wel nuttig.

Ook:

-         veel vasten

-         lange gebeden

-         stipt de tienden geven

haalde uit.

Generatie vóór en generatie ná meenden, dat zij bezig waren, met het voldoen aan Gods eis. In feite echter poetsten zij zich uiterlijk op en bleef hun innerlijk onvruchtbaar.

 

In de dagen van Paulus was dat nóg zo. De onbekeerde Joden hadden wél in de gaten, dat de ‘stam van de Christenen’ (aldus Flavius Josephus) steeds actiever werd. Zij zullen ook best wel eens gezegd hebben:

“Een tóestand met die volgelingen van Jezus van Nazareth. Híj is gekruisigd, maar wat komen er veel van die discipelen van Hem. Je ergert je dagelijks blauw aan die aanstotelijke lui. Je kúnt er niet omheen. Het is hier in Jeruzalem allemaal begonnen tenslotte. Maar zó irritant (1 Cor. 3:23), zo kéihard eigenlijk (Joh. 6:60). Al ons ijverige bezig zijn zou niets uithalen volgens hen. Pas als wij in Hem gingen geloven, zouden wij luid kunnen juichen en de muren zien ineenstorten (Joz. 6:20). Dán zouden wij heel snel bereiken, wat nu zo ver weg is: weten, dat je goed zit, dat je oprecht bent.

Nee… niet meer denken aan die lastige Jezus en zijn propagandisten. Niet Híj was de tempel (Joh. 2:29), wíj zijn het.

Er nog maar eens flink tegenaan. Paulus zegt dan wel, dat wij onze bestemming –de gerechtigheid- nooit bereiken. Maar wij blíjven er naar jagen. Wij zúllen succes hebben. Wij zúllen ons waarmaken!

Wat zullen we nú weer eens doen?; as op ons hoofd…, gescheurde kleren als teken van rouw?! We zíjn serieus en wij willen serieus genómen worden.!!”

 

Weet u, hoe men zich deze mensen kan voorstellen? Als roeiers in een boot met een zeil. Jezus wil in dat zeil blazen. Hij wil de boot de goede kant uit stuwen, naar het wenkende perspectief van het in-harmonie-zijn met God. Maar zij reven dat zeil en steken hun riemen diep in het water. En maar roeien… .de verkeerde kant uit. Het water zúigt ook in die richting. Het wordt zo koud, zo koud; de reddende haven verdwijnt achter de kim.

 

Twee: De tot Jezus bekeerde Joden: Er waren echter ook bekéérde Joden. Hún zeil stond ból. Maar ook zíj roeiden als gekken  de andere kant uit. Zij hadden Jezus lief. Maar; die hele, oude, prachtige leefstijl! Die gooide je toch niet wég! Dat was wél het advies en de praktijk van een extremist als Paulus (Phil. 3:8). Dat kón je echter niet dóen. Je moest toch wel een béétje meewerken:

-         bepaalde spijzen niet eten

-         wat rituelen aanhouden

-         de besnijdenis niet veronachtzamen.

Maar o, dat veilige, zonbelichte, luw gelegen zandstrand: het kwám maar niet dichterbij. En uit de kille zee steeg een koude mist op, die het uitzicht erop leek te willen wegnemen.

 

Het derde bootje…: En dan waren er de wedergeboren Joden. Die hadden in de gaten, dat de Israëlieten op één lijn waren gekomen met de ándere volken (een woordgrapje: ze waren Israëli’s geworden). Zij begrepen al, dat het hier geen degradatie voor de Israëlieten betrof. Die behoefden geen stap terug te doen. Door de overwinning van Jezus echter was de hele verdere wereldbevolking massaal gepromoveerd.

Al die anderen hadden de grote sprong voorwaarts gemaakt (Jes. 25:6).

In het scheepje van díe mensen-vol-doorzicht zat Paulus tussen vele anderen in. Zij hadden de riemen uit het water gehaald. Met alle zeilen volgebrast koersten zij af op de goede rede.

 

… En het vierde…: maar, zie ik nu nóg een schuitje?! Ja, en dit heeft alleen een zeil en geen riemen. Wat is dát nu weer voor een bemanning? Wel: dit zijn niet-Joden, heidenen. Tientallen eeuwen hebben ze bij de Israëlieten achtergestaan. Door Gods genade waren ze niet helemáál van regels verstoken:

-         lees er de ‘zuil van Hammoerabi’ maar eens op na.

-         Denk ook eens aan het Romeinse recht.

Zo’n prachtige wet echter –vol geestelijke achtergronden- zoals de Joden die hadden, nee, díe bezaten zij niet. Uit hún midden zou de Verlosser niet komen. Daarom hadden zij ook niet zo’n normgevende richtlijn als het volk, dat uitgekozen was voor de grote éér.

Echter, wat verlies was, werd nú winst. Toen Jezus in hún zeil blies, hádden zij niet eens riemen om tegenspel te bieden. Nóóit hadden zij er over geprakkiseerd om rein en heel en goed en oprecht te worden. Wisten zíj veel! Maar nú: zij geloofden Jezus: geen ballast hinderde hen. Een váárt kreeg die schuit van hen. Zij lieten Jezus zijn gang gaan in hun brein, hádden eenvoudig geen ‘jamaars’. Ze waren al geland op de groene bloemenkust, toen anderen zich nog te pletter roeiden. God wachtte ze op en zei:

“Zó, door het gelóóf heb je –in zekere zin moeiteloos- de gerechtigheid, de eensgezindheid met Mij, bereikt. Nu begint het grote werk: van gerechtigheid tot volmaaktheid.|”

Zó waren zij zonder startverlies in de startblokken.

 

En wat zágen ze, toen zij nog eens omkeken naar de zee? … vlak voor de kust en toch nog buitengaats!

“Kijk ze nu toch roeien! Daar kan de storm van Gods Heilige Geest haast niet tegen op. O, gelukkig, ze worden moe. Laten de riemen los. Ze zíjn er, waden met knikkende knieën naar de kust.”

Voor ik verder ga, twee opmerkingen:

-         ’In zekere zin moeiteloos’: natuurlijk bedoel ik met dat ‘moeiteloos’níet: fluitend, met je handen in je zakken, achter de Heer Jezus aan de hemel binnen kuieren. Maar ach, dat had u, mij kennende, al begrepen.

-         Daar straks had ik een opmerking over de Israëli’s, die toch niet door de Heer worden losgelaten. Sommigen van u mokken daarover, zeggend:

“Maar de gelóvigen zijn toch ‘het gééstelijk Israël’. Met het natuurlijke Israël is het nu toch ‘Schluss’?!”

Kom nu, beetje royaler: bedenk ook dít: God heeft ten tijde van Abraham de wereldbevolking éven los moeten laten. Maar God is een God van overwinning. In Jézus greep Hij die wereld weer vast om ze in die overwinning te laten delen. Dat kan Hij toch ook met de Israëli’s doen!

 

Terug nu naar het onderwerp:

En nú : déze tijd.

Iemand zegt:

“Hou maar op, weer vier scheepjes. Ik kén hem. Ziet ze nog nét niet vliegen, maar al wél váren!”

 

Dank u, dank u, meneer is waarlijk ál te vriendelijk.

Wel inderdaad: wéér vier scheepjes, maar niet helemaal vergelijkbaar met de eerste serie.

 

4

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Gerritse om 20:54 Reageer op dit bericht

4.2.3

4.2.3.

Dood werk raakt in de vergetelheid; levend werk groeit uit tot nóóit te vergeten afmetingen

 

-         Er was te Joppe een discipelin, genaamd Tabitha, hetgeen vertaald betekent: Dorkas. Deze was overvloedig in goede werken en aalmoezen, die zij gaf. En het geschiedde in die dagen, dat zij ziek werd en stierf en na haar gewassen te hebben, legde men haar in een bovenzaal. En daar Lydda dicht bij Joppe lag, zonden de discipelen, toen zij hoorden, dat Petrus dáár was, twee mannen tot hem met het verzoek:

“Kom zonder dralen tot ons!”

En Petrus stond op en ging met hen mee. Toen hij daar aangekomen was, bracht men hem naar de bovenzaal en al de weduwen kwamen bij hem staan en lieten hem onder tranen al de lijfrokken en mantels zien, die Dorkas –toen zij nog bij hen was- gemaakt had. Maar Petrus zond hen allen naar buiten en knielde neder en bad. En hij wendde zich tot het lichaam en zei:

“Tabitha… sta óp!”

En zij opende de ogen en zag Petrus en ging overeind zitten en hij gaf haar de hand en richtte haar op. Toen riep hij de heiligen en de weduwen en stelde haar levend vóór hen. En het werd bekend door geheel Joppe, en velen kwamen tot geloof in de Here (Hand. 9:36-42).

 

Om zo’n vrouw, zo’n bewuste Christin te hebben in de gemeente! Geen meeloopster, nee, een overtuigde volgelinge van Jezus Christus. De náám alleen al: hinde. Snel en waakzaam is zij om te helpen, war zij maar kan. In haar ondersteuning aan minderbedeelden legt zij haar hart. Zij maakt japonnen en mantels voor de maatschappelijk kwetsbaren bij uitstek, de weduwen.

En: één van de materialen, die zij gebruikt heet: liefde.

Deze uitnemende vrouw, zo vol goede werken, sterft. De hand, die deze liefde mee witte weven in kleding, is machteloos geworden. De hand, die schellingen uitdeelde met een liefdelaag eroverheen, lígt daar: stil en koud.

 

Voor wij verder gaan, eerst drie opmerkingen:

1.      Ergens ligt hier een haast niet te nemen horde. Ik ben van mening, dat de unieke persoonlijkheid van Tabitha er de oorzaak van was,d at haar medestrijders zich zó voor haar inspanden. De tekst biedt voor die mening geen voldoende houvast: dát is die horde. Toch draag ik deze opinie hierna uit. Ik ben van oordeel, dat zulk een handelen is toegestaan. Alleen behoor je dan wél eerlijk te zeggen, dat je niet sterk staat. Wel, dat heb ik dan nu gedaan.

2.      De verleiding is er om het wonder nu al in bespreking te brengen. Ik doe dat niet; ik ben zuinig met mijn uitweidingen over dergelijke gebeurtenissen. In een kader van een later deel ‘Genezing door God’, ga ik daarop dieper in.

3.      Een aanlokkelijk zijpad is ook om nú al over ‘ontijdig sterven’ te spreken. Ik loop ook dáár niet in. Een ánder later deel is voor beschouwingen dienaangaande bestemd.

Zo, nu weer door!

 

Dorkas’ medediscipelen -de heiligen- némen het niet. Haar werk was voortreffelijk. Dat verstrekken van geld en goed had bij haar een diepe, edele, geestelijke achtergrond. Dit kán Gods wil niet zijn (Rom. 12:2).

Daarom, wél alle zorgen, wél die koele bovenzaal, maar er moet méér gebeuren! Het uiterste dient te worden beproefd om de omstandigheden te veranderen. Er is nog zó veel, dat ondersteund, gekleed en verwarmd moet worden.

 

Petrus!... wat had hij voor geweldigs in Lydda mogen doen!! (Hand. 9:33, 34). Petrus!!... híj moet komen.

 

Petrus kómt, zíet en… bidt!... en door dat gebed komt het overwinnende wonder. Dorkas staat op uit de dood. Haar medegelovigen juichen. Velen in Joppe juichen al spoedig mee.

 

Normaal gesproken zou ‘Hinde’s’ naam allang vergeten zijn. Maar door de extra dimensie van haar werk is de naam ‘Tabitha’ vastgelegd op de beste, meest tegen vergetelheid bestand zijnde plaats; in Gods woord.

 

Nu richt ik mij tot u, wedergeborenen:

U zag bij Tabitha het volgende:

 

-         Zij gaf een extra aroom aan haar gaven.

-         Er zat extra zorg in de door haar vervaardigde kleding

-         Zij werd op grond van ‘dat extra’ uit gevaar gered.

-         Zij werd voor ‘dat extra’ beloond.

Kunt u deze fasen ook bij uzelf onderscheiden dan wel verwachten?!

 

Geeft ook ú een extra aroom aan uw gaven?

 

U heeft in uw leven al vele cheques uitgeschreven voor één van de goede doelen van de Heer. Vroeger hebt u daarbij hoofdzakelijk gedacht:

            “Fijn, veertig procent terug van de belastingen”.

Och, ik oordeel niet afkeurend over zo’n idee. Maar nú vult die overweging nog maar een klein deel van uw overleggingen. Nú staat uw hart bol van vreugde, wanneer u bedenkt:

“Dadelijk zit een arme sloeber in Bombay te genieten van een ‘liefdemaal’. En die smulpartij wordt méde mogelijk gemaakt door déze cheque.”

Nú ritselt die cheque van liefde, zoals Dorkas’ zilveren munten als goud klonken door diezélfde liefde.

 

Is er ook extra zorg besteed aan úw gaven in natura?

 

Er is een kledinginzameling voor verre, benarde medemensen. Vroeger ruimde u bij zulke gelegenheden nog wel eens oude troep op.

Nú wordt bij het openen van úw bundel een verraste uitroep geslaakt:

“Moet je zien: een bijna nieuwe winterjas met sjaal en wanten. Dát is, wat ze nodig hebben, daar hoog in de Andes.”

Iemand voegt daaraan toe:

            “In déze plastic tas was líefde mee verpakt.”

Zo’n opmerking lijkt op de waarderende woorden van de weduwen. Zij zullen bij het tonen van de kledingstukken aan Petrus wel zoiets gezegd hebben van:

            “In deze omslagdoek zit Tabitha’s liefde ingebreid.”

 

Bekeerde –maar nog aards gebleven-  mensen hebben het moeilijk om offeren vól te houden. Geestelijk wordende mensen houden het offeren wél vol. Zij houden niet alleen vól, maar verbeteren de kwaliteit van hun offer. Aan vergankelijk geld en goed voegen zij onvergankelijke extra’s toe.

De door mij genoemde voorbeelden zijn wat magertjes. Maar het is ook nog maar een begín.

 

Wordt ook ú op grond van dat extra uit gevaar gered?

 

Ik heb daarstraks gezegd, dat ik het niet ga hebben over de vraag of er een bescherming is tegen ontijdig sterven. Ik ben over deze aangelegenheid dan ook kort. Als uw weg door het leven goed is in het oog van de Heer, doet Hij uw voornemens gelukken (Spr. 16:3). Dan geldt óók:

-         Hij legert een wácht om                 u          (Zach. 9:8)

-         Hij bewaart                                   u          (Ps. 31:24)

-         Hij redt                                         u          (Ps. 34:8)

-         Hij wáákt over                              u          (2 Cor. 11:2)

-         Hij beschermt                                u          (Ps. 91:4)

-         Hij grift                                          u          (Jes. 49:16) in zijn handpalmen

-         Hij is een schuilplaats voor             u          (Joël 3:16)

-         Hij verbergt                                   u          (Ps. 32:7)

-         Hij behoedt                                   u          (1 Sam. 2:9)

Zullen we het daarbij voor ditmaal laten?!

 

Wordt ook ú voor dat extra beloond?

 

De Heer zal u erom prijzen (Matth. 25:23).

Hij weet van ríjk belonen (Col. 3:24).

Zijn beloning is onvergankelijk (Luk. 6:23).

Als ú een zegen bent voor uw omgeving, is Hij een zegen voor ú (Spr. 11:25).

Als ú geestelijk dorst weet te lessen, lest God úw dorst (Spr. 11:25).

Als u’weet, mét uw gaven uzélf mee te geven, zult u ‘geen raad weten’ met de ruime vergelding (Luk. 6:38).

Als ú royaal tezamen met uw geld líefde zaait, zult u perplex staan van uw oogst (2 Cor. 9:6).

Zullen wij met déze bloemlezing volstaan?!

 

Alleen nog dít: uw goede werken zullen de vorm aannemen van een eeuwig gebouw (2 Cor. 5:1).

 

Wel, 4.2.3. wás hier en daar penibel. Ik ben opgelucht, dat ik van dit soms wat heikele punt afscheid kan nemen.

 

Laat ons zien, of 4.2.4. wat meer ‘in de hand loopt’.

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Gerritse om 19:24 Reageer op dit bericht

4.2.2.

4.2.2.

Dood werk wordt weggeblazen; levend werk blijkt múúrvast

 

-         De liefelijkheid van de HERE onze God, zij over ons… en bevestig Gij het werk onzer handen over ons, ja het werk onzer handen… bevestig dat (ps. 90:17).

 

Mozes laat in deze psalm een heel mensenleven de revue passeren. Wat ís het bestaan op aarde nu eigenlijk helemaal in het licht van de eeuwigheid. Atomen, die eerst tot andere bestanddelen van de materie behoorden, maakten een tijd lang deel uit van een menselijk lichaam’een jaar of zes, voor onderdelen van de hersenen: drie.

Wanneer de levensgeest is geweken, gaan de op dat moment dienstdoende atomen weer terug naar de oorspronkelijke of weer andere verschijningsvormen van ‘de stof’(:3).

Wat kán een mens pauwentrots zijn op alle dingen, die hij gedaan heeft. Wanneer echter zijn aardse bestaan te niet gaat, vergaat na kortere of langere tijd ook zijn werk (:10).

Het is goed om beleidvol om te gaan met de op aarde beschikbare levensduur; om de dagen als het ware te téllen. Niet de tijd doden; dat is geen moord, maar zélfmoord. Als een wijze de tijd zinvol besteden (:12).

Daarom bidt Mozes aan God: wilt U ons met úw goedheid overstrómen (:14); Járen genoeg verstreken met werk, dat tijdverdrijf wás en verdriet en onvoldaanheid brácht (:15). Nú is het de tijd voor het góede, het heerlijke werk van God (:16). Alleen zulk werk wordt bevestigd.

 

Deze psalm laten ‘oudejaarsavond christenen’ zo héérlijk over zich heen gaan. O, wat hapt dat héérlijk weg! Zij gaan na afloop van de dienst naar huis met het plezierige idee: ik kóm dan toch maar! Niet dat fanatieke van elke zondag, maar: ik ben géén onverschillige.

Deze kerkgang is naar mijn mening geen specimen van een levend werk (dit overigens terzijde).

 

Echter: dit schriftgedeelte heeft betekenis, niet alleen voor 31 december, maar voor elke dag van het jaar.

 

Ook onder u zullen er mensen zijn, die bij zichzelf daden opmerken, die eigenlijk niets anders zijn dan het opbouwen en uitdragen van een schijnbaar fraaie, maar in feite nutteloze overweging. Zo heb ik mensen bezig gezien, om de stelling te verdedigen, dat de gelovigen van de aarde worden weggenomen, vóórdat de echte grote christenvervolgingen komen. Zij noemden dat met een in die kringen gangbaar woord: de vóóropname. Daar werd zó veel energie in gestoken. Er bleef minder tijd over dan wel wenselijk was voor het échte werk:

-         gebondenen vrij maken van hun boeien (Jes. 58:6)

-         verdwaalden terugbrengen in de veiligheid (Matth. 18:12)

-         verwonden verbinden (Luc. 10:34).

Er was het gevaar om met de mond vol tanden te staan wanneer een medegelovige nu eens niet de wóórden, maar de dáden zou willen testen.

 

Ach, ik zit deze mensen niet even stiekem te katten. Ik weet, dat velen van hen met hun resterende energie nóg veel voor Jezus deden. Maar ik had zo graag hun totále denkkracht doelmatig besteed gezien. Ik noem maar een voorbeeld. U zegt misschien:

-         Waarom heeft hij nu altijd déze mensen bij de kop. Waarom nooit eens die lieden, die weer loofhuttenfeest gaan vieren en ook verder helemaal terugduiken in de joodse traditie.

-         Waarom is hij blind voor al die mensen, die elke bijbeltekst net zo lang kneden, totdat die pasklaar is voor een bespiegeling, aangaande de bevrijding van Zuid-Amerika uit de kapitalistische terreur.

-         Waarom zwijgt hij over lui, die zo nodig nóg weer eens een nieuwe bijbelstudieserie moeten schrijven.

-         Waarom…

Nu ja zeg, mijn uitgever zal mij aan zien komen met het uitdiepen van allerlei mogelijkheden. Hij hééft al zuurzoet gezegd:

            “Jij bent wel tot 2000 onder de pannen.”

Moet hij daar 2020 van maken?

 

Leuke gedachtespinsels, gedweep met een aards volk, verwachting van een aardse revolutie, die nu eindelijk eens níet teleurstelt: ze worden weggeblazen; vervliegen als kaf in de wind.

 

Voor ieder, die zijn leven overdenkt, is het nú de tijd om God te vertrouwen voor blíj werk, dat je tot júbel brengt (Ps. 90:14).

Wedergeborene: bekijk uw daden eens opmerkzaam; vraag God om alles, wat daarin ondoelmatig is te vervangen door werk, dat de eeuwen en de eeuwigheid verduurt.

Een voorbeeld:

Toen Leo er die avond op uit ging, in het kader van het evangelisatiejaar, had hij Rogier als maat. Het was wel goed –overlegde hij- om zo getweeën op pad te gaan (Mark. 6:7). Och, een wét was het niet; maar tóch, wanneer de een sprak, kon de ander bidden. Voorwaarde was natuurlijk wél, dat de grote Derde erbij was (Pr. 4:12).

Wat wás het koud; vroeger had hij met Rogier samengewerkt, maar ze waren wat uit elkaar geraakt. Tussen hén was op dit ogenblik óók een kilheid: de kilte van de onwennigheid. Gelukkig was er een groepsgebed geweest, vóór de koppels door de hele wijk uitzwermden. Dat hád al iets saamhorigheid gebracht.

 

Tien afwijzingen, één gesprek, twee vragenlijsten later, waren ze niet meer gereserveerd jegens elkaar als kennissen, maar warm-hartelijk als broers: toen belden ze voor de veertiende maal.

Daar binnen keek Henny met haar ouders t.v. Pa zei:

            “Twee mannen op de stoep. Een wat oudere en een jonge.

Ma opperde:

            “Jehova’s?! Die wisten ons zelfs in Las Rosas te vinden.”

Pa sprak ze in de gang. Ze mochten binnenkomen. O, dan waren het geen ‘getuigen’. Hij vond ze zeker ‘goed volk’.

Ze maakten een verkleumde indruk, maar hun ogen stráálden.

            “Van Gemerden.”

            “Rogier de Waard,”

stelden zij zich voor.

De t.v. ging uit. De jongste begon vragen te stellen vanaf een formulier. Pa en ma antwoordden beurtelings. Alle drie was je christen; je wist het van elkaar. Maar wat deed het góed om pa zo beslist tegen ánderen te horen zeggen:

            “Jezus is mijn Verlosser.”

Die oudste man betrok jóu er ook in:

            “En jíj, hoe zou jíj die vraag nu beantwoorden?!”(Matt. 16:16).

Je zei:

            “Ik denk er net zó over”

en je vóelde ma’s blijdschap.

Al gauw gingen ze weg:

            “Leuke lui,”

zei pa.

“Beleefd ook, handen geven, vriendelijk, bescheiden (Phill. 4:5). Geen gedram over van dit en van dat; lieten je in je waarde. Maar toch: wat háálde dit nu úit: we waren toch al gelovigen.”

“Ja.”

(mams):

“Maar toch had het –voor míj althans- nut. Soms denk ik wel eens, dat er maar weinig van ons soort zijn, en dan komen daar twee wildvreemden vertellen, dat ze óók van Jezus houden. Opeens wist ik het weer: er zijn er dúizenden zoals wij (1 Kon. 19:18). Dit wás goed werk. En dat ik Henny nu ook hóórde zeggen, dat ze de Heer liefheeft… dat kwam er dan toch maar úit.”

 

Leo en Rogier brachten op dat moment verslag uit aan hun medestrijders. En er was vreugde (Hand. 15:3).

 

Kijk, zo’n eenvoudig handelen van die twee ‘enquêteurtjes’:

-         familie Hattink werd er door gesmeed tot nog grotere eenheid in God en Jezus.

-         Zij tweeën –Leo en Rogier- kwamen elkaar nader in de Heer.

-         De andere duo’s hadden het heus niet allemaal zó feestelijk gehad. Maar zíj werden door hun verslag aangevuurd (Hebr. 10:25).

Dit is nu goed, bestendig werk. Dit wordt bevestigd.

 

O ja, nog even drie na-opmerkingen:

Ik deed daareven wat lacherig over allerlei mensen met veelsoortige ideeën. Even ging er een vreemde gedachte door mij heen:

“Dank u God:

-         Dat ík niet in de vooropname geloof.

-         Dat ík niet met zo’n donkere, diep ernstige stem ‘Sjaloom’ hoef te zeggen.

-         Dat ík niet elke bevrijdingsbeweging behoef te bejubelen om dan later girootjes uit te moeten schrijven voor hún slachtoffers.

-         Dat ík niet alle dagen van de week alle ‘fijne venten’ behoef af te karren, zonder ooit iets écht te leren (2 Tim. 3:7).”

Ik dacht het maar even, in een flits. Och, misschien was het ook alleen maar een van buiten komende verzoeking (Jac. 1:14). In ieder geval: ik moest opeens denken aan die Farizeeër, die het ook zo puur best met zichzelf getroffen had (Luc. 18:11). En ik wist het weer: al ben je zó uitgerekend, dat je in geen enkele valkuil van ‘medemenselijkheid’ of ‘dialoog met het mohammedanisme’ meer trapt … als je de liefde niet hebt, haalt het allemaal níets uit (1 Cor. 13:2).

Dan zou je het moeten beleven dat domoren met een warm hart, je nóg voorgingen (Matt. 21:31). En toen ben ik toch maar weer gaan bidden om liefde, dat verreweg voornaamste bouwelement van het geloof (1 Cor. 13:13).

 

Ooit eens (0.5) beloofde ik, zo weinig mogelijk vreemde woorden te gebruiken. En nu tóch: ‘specimen’. Wel, je komt er niet helemaal onderuit. Als je tienmaal het woord ‘voorbeeld’ gebruikt moet je wel eens wat afwisseling brengen. Maar: ik blijf op dit punt alert, opmerkzaam bedoel ik.

 

Natuurlijk had ik dat zo-even bést door: die steek-onder-water betreffende die ‘bijbelstudiebrengers’. Ik heb er tot nu toe niets over gezegd.

            “Allicht”,

denkt u:

            “Hij gaat de tak, waarop hij zélf zit, niet dóórzagen!”

Nee, zo is het niet. Inderdaad, er is geen eind aan boeken schrijven. En al die vele boeken brengen de mensen soms in de war (Pred. 12:12).

Even twijfelde ik; mijn kast staat vól boeken over het geloof van andere vlijtige venten. Ik lees ze nóóit. Ik dacht aan ál die kasten, waar straks míjn boeken ongelezen zullen staan.

Tóch een dood werk, ook dít?!

Maar ik dóe het zo graag. Ik vind het zo jammer, om al die leuke dingen, die ik hoor en meemaak, níet vast te leggen. De Heer weet, dat ik oprecht ben. Ach, ik ga nog maar even verder. En ik bid de Heer:

-         Wilt U geven, dat mijn boeken geen verdriet geven, maar vreugde.

-         Wilt U maken, dat het geen muurbloempjes worden, maar veelgevraagde denkpartners.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Gerritse om 19:08 Reageer op dit bericht

4.2.- 4.2.1.

4.2..

Hoofdgedachte:

Dode werken zijn vergankelijk, levende onvergankelijk.

 

Gedachten:

-

Verband met voorafgaande bijbelstudies

4.2.1.

-

Dood werk wordt weggeblazen, levend werk blijkt múúrvast

4.2.2.

-

Dood werk raakt in de vergetelheid, levend werk groeit uit tot nóóit-te-vergeten afmetingen

4.2.3.

-

Dood werk verdoezelt de kern van ons leven met God; levend werk haalt die kern naar voren

4.2.4.

-

Dood werk komt eens te kijk te staan in zijn kaalheid; levend werk zal eens schitteren in glorie

4.2.5.

-

Dood werk verschrompelt in de materiaaltest tot as; levend werk komt er zegevierend uit te voorschijn

4.2.6.

-

Dood werk haalt niets uit; levend werk is probaat

4.2.7.

-

Dood werk is schuim, dat wegsmelt in de hand; levend werk is een goudklomp, zwaar en kostbaar

4.2.8.

-

Dood werk blijkt een verdorrende lauwerkrans te zijn; levend werk doet zich kennen als een steeds meer glanzend ereteken

4.2.9.

 

4.2.1.

Verband met voorafgaande bijbelstudies

 

Iemand toonde mij eens een zwart doosje, zoals hierbij schetsmatig uitgebeeld. Het zag er allemaal maar somber uit. Toen drukte hij op een knop… het resultaat was verrassend.

Vlak D viel naar achteren.

Vlakken E en F vielen opzij.

Vlakken A en C klapten om naar voren.

De bodem B werd zichtbaar. 

 

Wég was het akelig zwarte doosje, de schitterend geslepen, glazen binnenkanten vormden samen een in het licht fonkelend kruis.

Zijn bedoeling was uiteraard om een bijbelse waarheid uit te beelden. Gretig pikte ik die bedoeling op. Onze coproductie volgt nú.

 

De hele mensheid was oorspronkelijk bedoeld voor het licht. Adam en Eva moesten echter zo nodig in het paradijs vóórtijdig kennis verwerven (Gen. 3:6). Daardoor werden zij en al hun nakomelingen afgesloten van de Zon van de gerechtigheid (Mal. 4:2).

Gebeurd is gebeurd; ik ga er die twee niet hard om vallen. Zou ik het beter gefikst hebben?! Laat dat nu maar. In ieder geval: rondom de mensheid begonnen grauwe, lichtdichte muren te groeien.

 

…

God nam geen genoegen met het feit, dat de mensheid op deze manier weggeborgen werd in een gesloten, ontoegankelijke, zwarte, dode doos. Hij bracht op meesterlijke wijze zijn licht binnen in die grafkist. Uit Maria’s schoot werd Jezus geboren. Dit onoverwinnelijke licht scheen in de duisternis… die donkerte kon er niet tegen op (Joh. 1:5). Toen Jezus overwinnend riep: “Het is volbracht”, (Joh. 19:30) scheurde het gordijn in de tempel (Matth. 27:51). Op die manier drukte Hij op de knop; de doos sprong open. Dit is een in het algemeen geldende heerlijke waarheid. Echter: om die waarheid voor u persoonlijk geldend te maken, moet ú initiatieven ontwikkelen. Maar vóór wij daarover doorgaan, eerst iets rechtzetten.

Daareven schreef ik:

“Door de blunder van Adam en Eva werden wij afgesloten van de levende gemeenschap met God.”

Dat is niet helemaal precies geformuleerd; de duivel kreeg een bruggenhoofd. Maar hij moet vanuit dat bruggenhoofd toch wel ieder mens afzonderlijk veroveren. God wees er Kaïn op, dat hij kón overwinnen (Gen. 4:7). Deze echter redde het níet (Gen. 4:8). Henoch daarentegen líet zich niet afsluiten van de gerechtigheid. Híj wandelde met God, elke dag een eindje verder, tot God tenslotte zei:

            “Kom nú maar helemaal mee!”(Gen. 5:24).

Gelukkige kerel.

In het algemeen echter is het tóch wel zo, da de miskleun van Adam en Eva het steeds moeilijker maakte om de weg naar God terug te vinden. De wanden van de verstikkende doos waren ten tijde van Henoch mogelijk nog niet zó dik. Bij elk volgend geslacht evenwel pleisterden de demonen nijver nieuwe lagen misverstanden. Ik schreef daarover in bijbelstudie één.

 

En nú kom ik op ‘uw initiatieven’.

 

Ook ú zat in een dichte doos zonder uitzicht op God. Hóe was u daar gekómen? U was uw leven begonnen zónder morsige, vensterloze muren. Uw beschermengelen hadden nauw contact met God (Matth. 18:10).

Prettige toestand.

Maar toen u tien, elf, twaalf jaar was, begon satan zijn aanval. De duivel gebruikte daarbij bruggenhoofden, ontstaan door bijvoorbeeld verdrietige voorvallen of opvoedingsfouten (Ef. 6:4), toen u zeven, acht, negen was. De boze overwón u.

Maar tóen bracht God het licht binnen bij ú. Door middel van uw zich toekeren naar Hem. Uw eerste initiatief was dus, dat u ophield met Hem te verhinderen, u goed te doen. U bekeerde zich: bijbelstudie twee.

Wat wás echter dat licht in u spéldenknop klein.

 

Tóen echter ontplooide u een volgend initiatief. U stelde ‘de kubus’ van uw leven helemaal ter beschikking van God, tot in alle hoeken en gaten. Het licht gloeide óp, wakkerde aan, verspreidde zich. Het begon tegen de wanden van de kerker te drukken. U vond de knop en drukte daarop: vlak D sloeg open. Het in u ontstoken licht laafde zich aan de bron (Ps. 36:10).

Uw wedergeboorte –bijbelstudie 3- was gaande. Nu –in bijbelstudie vier- haalt u de bezem door alle dode werken en rolt u de loper uit voor wat leven en nuttig is: waar een initiatief! Open valt vlak E. Dadelijk –in bijbelstudie vijf- zijn wij zó blij erover, dat u werkelijk in God gaat geloven: daar gaat vlak F.

In bijbelstudie zes leert u allereerst op een verrassende manier in actie te komen> Vlak A toont zijn stralende binnenkant: licht in alle kleuren van de regenboog.

-         Het rood van de offerbereidheid

-         Het oranje van de feestelijke overwinning

-         Het groen van de nieuwe levensverwachting

-         Het blauw van de trouw

-         … tezamen verblindend wit.

Verderóp in bijbelstudie zes leert u over de dood heen te zien naar eeuwig leven. Vlak C klapt om.

En dan lígt daar: het kruis! In bijbelstudie zes leert u tenslotte nog inzicht te krijgen in Gods plan met uw leven. Vlak B is al even glorieus doorlicht als de andere. Zo, daar ís het verband weer.

 

We zijn dus nu in de hele vierde bijbelstudie bezig met het openklappen van vlak E. In 4.1. hielden wij ons er mee bezig, dat God lévende werken wél van ons verwacht en dóde werken níet.

Nu –in 4.2.- gaan wij iets anders heel terdege bezien; levende, onvergankelijke werken zijn ten enenmale verkieslijk boven dode, vergankelijke werken.

 

Ja, u hebt het goed door: één vlak van de verstikkende kubus ís al opengestoten.

Daarvoor ws de hele dérde bijbelstudie nodig. Nu duwen wij –een bijbelstudie lang- het volgende vlak opzij. Er kwam al beweging in bij 4.1. Nu –bij 4.2.- komt er wat meer gang. Bij 4.3. komt er schot in. Bij 4.4. t/m 4.6. gaan wij maar dapper door met duwen. Maar pas bij 4.7. kunnen wij roepen:

            “Jongens, meisjes… daar gáát ie!”

 

Daarna nog even kijken, hoe het met Jan en Joke en hun gezelschap is; de teksten uitschrijven en dán… op naar het volgende vlak.

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Gerritse om 20:14 Reageer op dit bericht

4.1.9.

4.1.9.

Levende werken: eeuwig blijvend

 

-         Gods is niet onrechtvaardig, dat Hij uw werk zou vergeten en de liefde, die gij voor zijn naam getoond hebt door de diensten, welke gij de heiligen bewezen hebt en nóg bewijst (Hebr. 6:10).

 

Iedereen doet wel het een of ander werk tijdens zijn of haar leven. Soms echter stelt men zich zelf echter vragen: zoals:

“Waarom tob ik mij toch zo áf!?

-         dat mooie rapport, war ik zo trots op ben, gaat over twintig jaar door de papiermolen.

-         Die fraaie villa, die ik ontworpen heb, wordt over vijftig jaar gesloopt.

-         Die prachtige zaak, die ik mijn naam gegeven heb… war zal die naam zíjn na latere fusies… en overigens… hoe zullen mijn opvolgers zijn? Misschien zullen zij onbenullen zijn, misschien valt het mee (Pred. 2:19). In ieder geval: zij zúllen de macht hebben om mijn B.V. naar de knoppen te helpen of niet.

Wat zinloos eigenlijk toch allemaal (Pr. 1:2). Van ál mijn gezwoeg en gesloof is bij de mensen, die één –zeg twéé- generaties ná mij  komen, al geen héugenis meer. En nóg weer latere generaties weten van hén níets en van mij helemáál niets meer (Pr. 1:11). Onrechtvaardig eigenlijk, maar nou ja: onontkoombaar; die vergetelheid.”

 

Nu héb ik wel een schrale troost. Als u verstandig geweest bent, de weinige jaren van uw leven op aarde (Pr. 5:17), hebt u iets gespaard voor uw kinderen (2 Cor. 12:14). En daardoor hebt u mede gespaard voor onbekende mensen, die ná u komen. Eigenlijk is dat óók een vorm van naastenliefde (Lev. 19:18). Een later geslacht geniet dan de vruchten van uw overleg. Zo danken wíj toch ook ónze welvaart mede aan al die onbekende tobbers, die zich in vorige eeuwen afgebeuld hebben.

Denk maar aan de kostelijke grachten-infrastructuur in Amsterdam, waarvan wij genieten. In de zeventiende eeuw hebben anderen die in beginsel tot stand gebracht, zonder dat zij ons opzadelden met ook maar énige staatsschuld.

Maar ach, ik mag niet verwachten, dat deze overweging u écht blij zal maken (Pr. 3:22). Daarom déze raad: pijnig uzelf niet met al te moeilijke gedachten (Pr. 5:18/19). Geniet van het leven bij al uw gesappel.

-         Wanneer u jong bent en nog ongetrouwd (Pr. 11:9).

-         Wanneer u iets minder jong bent en inmiddels getrouwd (Pr. 9:9).

-         Nu ja, altijd… (Pr. 8:15).

 

Toch, ik kan me heel goed voorstellen, dat iemand graag iets blíjvends zou verrichten. Rijkaards stichten soms een fonds om hun naam tot ver inde toekomst te laten doorklinken. Dat lijkt heel wat, maar probáát is het niet. De náám blijft wel, maar de herinnering aan de méns, die deze naam ooit heeft gedragen, vervaagt tóch.

Velen willen iets van blijvend belang voor Gód doen. Dat kan op twee manieren:

-         Iets ondernemen, waarvan je dénkt, dat God het wel leuk zal vinden: dood werk.

-         Aan God vragen, wat Hij nu leuk zóu vinden. Wanneer Hij antwoord heeft gegeven, ook naar dat antwoord hándelen: levend werk.

Hierbij twee tussenopmerkingen:

-         Let u wél op, dat God zijn gedachten in u níet úitschreeuwt, (misschien Jes. 42:2). Hij spreekt dikwijls zacht als het suizen van een milde koelte (1 Kon. 19:12,13). Daarom, er komt zó veel getetter en geloei op u af. Als u daartussen een goed, maar ragfijn geluid hoort… attentie!

-         Het valt niet mee om via uw golflengteschaal zuiver af te stemmen op Gods gedachten. Krachtige zenders van eigen bedenksels dringen met hun harde gepraat dat fijne muziekje al gauw weg. Wat is daaraan te doen? Soms gaat het om grote beslissingen: ontslag nemen uit een baan bijvoorbeeld. Raadpleeg dan in ieder geval andere gelovigen. Soms ook gaat het om wat kleinere zaken: het meedoen aan een demonstratie, een handtekeningenactie. Mogelijk zult u medechristenen niet altijd advies behoeven te vragen. Durf het risico aan, dat u achteraf op een stoorzender blijkt te hebben afgestemd. Bid God, dat Hij u helpt, een volgend maal beter te kiezen. Oefening baart kunst.

 

Wat is het heerlijk om werk voor God te doen. Eindelijk iets, dat de tijd verduurt, meer nog: dat de eeuwigheid verduurt!

Wél even letten op deze voorwaarde: werk, waarom God gevraagd heeft: geen aanlevering van goederen, die nergens in zijn planning kunnen worden ingebracht.

Maar; als u pást in zijn productieschema, werkt u mee aan artikelen, die op de eeuwigheid zijn afgestemd. Ze ráken niet in de vergetelheid. Mensen, mede door uw toedoen gered, worden steeds meer blij met hun zíjn bij God. Die blijdschap wordt niet beperkt door welke tijdslimiet dan ook… Die vreugde:

-         gaat altijd en altijd door

-         wordt steeds en steeds dieper

-         neemt in alle oneindigheden verder toe van hoogtepunt naar hoogtepunt.

Dat is toch ten enenmale niet te vergelijken met –overigens heel genietbare-  aardse vreugden over:

-         het discussiestuk, dat u voorlegde

-         het winkelcentrum, dat u bouwde

-         de moeilijke betonvloer, die u vlocht.

Het doen van levende werken is helemaal zínvól. Aan de poorten van Gods lichtrijk hebt u verrukkelijke ontmoetingen. Mensen, mede door uw toedoen –al wás het maar met geld- gered voor tijd en eeuwigheid, hóllen u tegemoet. Zij omarmen u, drukken zich tegen u aan, kunnen maar één ding stamelen:

“God vergeet je werk niet, ik ook niet; nooit en nooit en nooit. Mag ik bij je binnenleiding (Luc. 16:9) een parel zijn aan je kroon (Phill. 4:1)?!”

U zult vragen:

“Maar hoe ben ik er nu zéker van, dat ik goed bezig ben in ‘Gods fabriek’?! Hoe wéét ik nu, dat ik de goede schroefjes op de goede moertjes draai. O.K., ik heb al door, dat het deelwerk is, de een doet dit, de ander dat, maar het werkplan berust bij God (1 Cor. 3:16). Maar: wat ik doe, wil ik góed doen.”

Wel, levend werk, werk, dat de eeuwigheid verduurt, heeft –onder meer- twee dragende beginselen:

-         Liefde voor God, liefde voor Jezus. Liefde ook voor de manier, waarop God zijn schitterende bedoelingen met ons heeft duidelijk gemaakt.

-         Een blijvende, warme, positieve belangstelling voor medegelovigen (en uiteraard voor alle planeetbewoners).

 

Ga uw werk voor God eens na. Zit er geldingsdrang in?!

“Ik zál mijn mening verdedigen. Ik zal laten zien, wat ik waard ben. Ze zúllen in de gaten krijgen, dat ook ík kan demonstreren.

-         Tegen de abortuswet, niet zoals zíj er tegen zijn, maar ánders.

-         Tegen allerlei andere wetten en tostanden.

Ik vind, dat Gods naam wordt ontheiligd door dít en door dát. Ze zullen het wéten. Wáár is mijn spandoek? Zíj kiezen de strijd. Nu, ík ook, ze zullen het wel mérken.”

Dat element moet er uit. Lang geleden, in 1970/1971, heb ik Christenen zien stormlopen tegen de toenmalige volkstelling. Zij maakten er een strijdpunt van, besteedden er massa’s energie aan… en waarvóór?...

 

Levend werk moet léég zijn van allerlei aardse opwinding. Vól dient het te zijn van hemelse, ontspannen rust. Mannen met –om zo te zeggen- de stenen al in de hand (Joh. 8:4), duwen een vrouw naar Hem toe, betrapt op overspel (8:3). Dóod moet ze (:5). Het klopt allemaal als een bus (Lev. 20:10), maar: liefde is er niet bij, en de man, die overspel met haar heeft gepleegd, is er ook niet bij.

En wat doet Jezus?!... gaat wat zitten schrijven in het zand (Joh. 8:6,8)… zó … met zijn vinger of met een stokje… ze snappen het bést… ze kennen hun teksten! (Jer. 17:13). In al zijn kalmte verkoopt Jezus hun toch een línkse! En dan komt de rechtse, die het werk afmaakt. Geen demonstratie, geen actie… een losse opmerking:

            “Wie zonder zonde is mag de eerste steen gooien (:7).”

Maar ze gaan wél knock out (:9). En tot de alleen gelaten vrouw zegt Jezus:

            “Ik veroordeel je niet; niet meer zondigen hè!”(:10,11).

Kijk, dat is nu rustige, serene, uiterst effectieve liefde tót en daardoor samenwerking mét God.

 

Ga uw werk voor God eens na: kijk de gemeente eens rond. Hoe zíet u ze. Misschien denkt u:

“Fijn, ik ken ze bijna allemaal. Ik krijg van al die mensen vast wel een handtekening op mijn lijst, die de petitie gaat vergezellen.”

Dan zit er in uw overleggingen toch iets scheef. U denkt dan niet aan de diensten, die u heiligen kunt bewijzen, maar aan de diensten, die zij ú kunnen bewijzen.

 

Een voorbeeldje:

De samenkomst is láng uitgelopen. Er zijn nog een heleboel bedieningen. Veel mensen komen met noden naar voren. Even komt de gedachte bij u op, dat het allemaal zo vreselijk lang duurt. U doet die gedachte van u wég. U denkt:

            “Ik heb voor deze gemeente met haar lange diensten gekozen. Nu ook niet zeuren.”

U ondersteunt degenen, die ‘bedienen’. U strijdt mee, bidt mee voor uw lijdende medegelovigen.

Nu zit er in uw overleggingen iets ‘recht’. U bidt niet:

“O Heer, laten mijn medechristenen míj nu eens van dienst zijn. Laten zij nu eens níet naar voren komen. Want ik wil naar hui-ui-uis.”

U bidt in plaats daarvan:

“Heer, zegen ze. Laten uw ogen wijd open zijn over dit huis (1 Kon. 8:29). Leg uw hand op hen, laat het hun wél gaan. Dank U Heer, U gaat hen redden… genezen… bevrijden…”

Zó bewijst u diensten aan de heiligen.

 

Nog even een samenvatting. De geboorte ín ons van de nieuwe mens geeft de mogelijkheid van nieuw denken, nieuwe daden. Dat verlichte handelen is de enige geldsoort, die waarde heeft in Gods rijk. Alleen díe valuta wordt door Hem aanvaard.

Maar: dat levende werk, de rekeneenheid van het eeuwige rijk, is zélf eeuwig. Mot en roest en dieverij (Matth. 6:19) en welke inflatie ook, hebben er geen invloed op. Ruim uw oude biljetjes op. De koers valt tóch tegen. Naar de vuilnishoop ermee! (Phill. 3:8). Uw nieuwe geld ligt klaar, de prijs, die u er voor zou moeten betalen (Jes. 55:1).

 

Genoeg nu hierover, over naar hoofdgedachte 4.2.

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Gerritse om 16:21 Reageer op dit bericht

Meer van Mijn boeken

↑ Terug naar de berichten