Naar de inhoud

AHASVERUS

Zijnzoeken
seniorennet.beseniorennet.be

Archief


Eindigheid, springplank naar oneindigheid

Even verslag van mijn ochtend lectuur, A. Houtepen, Uit aarde, naar Gods beeld, p. 368-376 ( Ik las ook nog, uitgesteld, vooraf, Griet Vermassens stuk uit DSL van 14.07.06, De mens als vlees.) ( Een angstig miauwende jonge kat onder mijn raam leidt me steeds af, verstrooit me. ) Houtepen heeft het over sterven en H. Arends 'nataliteit'. Houtepen citeert: 'de stervende mens wordt door God opgewacht en bekleed met diens onsterfelijke liefde.' Wat doe je daarmee? zegt hij.

Ik zou dat de emergentie noemen. Ook Griet Vermassen , in een mooi stuk overigens, speelt met dat feit, zonder het begrip te kunnen benoemen of plaatsen, ze blijft te zeer gevangen in het 'vlees'. Ik ben geen vlees! Ik leef vanuit vlees! Haar ontgaat het specifieke van de emergentie, die ze niet gezien heeft, er wel ' rakelinks nabij ' evolueert. Op basis van dat 'vlees' bloeit Humaniteit! Humanitas op een voetstuk van vlees. Een voetstuk dat ons zijn kosmische automatismen ten dienste stelt, en ons zo van veel labeur verlost, en vrijstelt voor 'hogere' bezigheden, hogere, emergerende taken. Gelukkig gaat ademen en verteren van zelf! Dat emergeren uit het kosmische is geen flux, geen wegwaaiende zucht, maar heeft als spiritus een blijvende kracht en uitwerking! Cultuur! Emergentie wordt te weinig overdacht, of te eenzijdig, te los van haar kosmische voetstuk. 'Ungedacht'.

p.370 Nadenken over sterven moet beginnen bij de geboorte. ( Waar in feite? Hoe ver in het verleden, 250.000 generaties terug? )

Leven zelf is reeds emergeren, leven is tegennatuurlijk, want de natuur draagt leven niet, leven is a-kosmisch: het overstijgt, overtreft de kosmos. Leven stuwt de kosmos op wegen die weinig kosmisch zijn! Kijk naar die prachtige campanula!

De pracht van een bloem stijgt boven de fysica en chemie uit!

p. 371 Nataliteit: Geburtigkeit: Hannah Arendts eigen begrip! in Vita Activa ontwikkeld. Bij elke geboorte begint de evolutie, begint de geschiedenis op nieuw, from scratch. Nieuwe kansen, nieuwe viersprongen, nieuwe jokers, nieuwe keuzes, nieuwe doelen, nieuwe beslissingen, nieuwe interacties. Nieuwe prestaties. Staat echte seksualiteit zo ver af van de Zijnsdrift? Van de wil er te zijn, te overleven, desnoods in andere zijnden? Een wil tot eeuwigheid? De enige eeuwigheid die eindige zijnden kunnen realiseren. Is seksualiteit niet ‘vleesgeworden’ Zijnswil?

In noot 518 zegt Houtepen dat we: "wezenlijke ‘beginners’ zijn, originelen en in die zin uniek, ieder voor zich ( en voor al de rest Tk ), zodat we er nooit meer niet geweest kunnen zijn: we zijn allereerst ‘natals’ en niet ‘mortals’.

p. 372 Zonder de queest-gedachte ben je een woestijnrivier die dood loopt in het zand. Als Zijn zich voortdurend herhaalt en zich herhalend verrijkt, groeit, zich ontpooit, openbaart en de innerlijke, verbogen weelde ten toon spreidt, epifaneert, uitwaaiert en zo zich zelf elk moment vernieuwt, dan zijn we niet een uitdovende genster, een in de eeuwige duisternis wegspringende vonk, maar dan worden we mee opgenomen in de queeste van het Zijn naar zijn voltooiing,, in de Aufbau, in de restauratie , in de eindgestalte, de apotheose, die steeds komende is: Maranata!

p. 373 Het is maar via mijn lichaam dat ik mijn bijdrage kan leveren aan die eindapotheose. Dit lichaam. Dit eindige, sterfelijke lichaam. Als trampoline voor mijn buitelingen in de emergentie!

Moet ik dan treuren om het sterven? Leuk is het beslist niet, noch voor mezelf noch voor die om me geven. Echter, wat ik ooit volbracht, zal blijven! Ook al begint bij elk kind een nieuwe evolutie! Een nieuwe geschiedenis.

Ik moet mijn eindigheid aanvaarden als de hefboom om dingen zonder einde tot stand te brengen. Losgeld! Eindigheid als sleutel tot de oneindigheid! Sterven is losbreken uit de eindigheid! Toegangspoort tot de queeste naar de apotheose! Emergentie is de kans om uit de zinloos ronddraaiende tredmolen, ‘botermolen’ van de kosmische causaliteit te stappen.

Is een geboorte pijnloos? Zo ook de dood niet!

p. 376 In mijn eindig leven speelt zich een veroveren van oneindigheid af. Met verantwoordelijkheid!

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Ramulus om 10:57 1 reactie Reageer op dit bericht

23. JALOERS

                                    23. Jaloers!

Ik ben stikjaloers.

Mijn bloed kookt van jaloezie om wat dat pieteleutige antennesnoertje van die digitale radiowekker naast mijn bed allemaal kan en ik niet.

Dat armtierige snoertje plukt moeiteloos muziekgolven uit de lucht waar ik niet bij kan. Ik lig hier koortsig en moet wel nillens willens dat storende kabaal van de straat ondergaan: het eerst aanzwellende en daarna wegstervende geraas van een te haastige auto; het gekletter en geschetter van een overvliegende helikopter; de schelle stemmen van kinderen die in de boomgaard donderjagen. Ik moet die geluiden wel horen: ik kan ze niet niet-horen. Ik moet ze lijdzaam, onontkoombaar ondergaan. Alleen de geluiden die in mijn nabijheid ontstaan, kan en moet ik horen. Hoe ziek ik ook ben, ik kan ze niet uit mijn buurt bannen. Hun opdringerige nabijheid, hun hinderlijke aanwezigheid worden me in al hun onveranderlijke eigenheid opgedrongen. Ze nestelen zich breeduit in mijn brein.

Maar dat onooglijke snoertje plukt een Van Beethoven uit de lucht die ver van hier zijn ontstaan vindt. Daaruit blijkt dat mijn ziekbed omgeven wordt door honderden geluidsgolven waar ik niet bij kan.

Ik kan de muziek die ik wens te horen zelf niet horen omdat me de gepaste interface ontbreekt: de evolutie heeft mijn lichaam niet uitgerust om die verre geluidsgolven op te vangen. Voor het lawaai in mijn onmiddellijke omgeving heb ik een 'ingebouwde' gehoorzin. Die stelt me open uitsluitend voor geluiden die in mijn nabijheid ontstaan. Wat nabij is, hoor ik, moet ik horen. Wat binnen de smalle kier 400 - 700 hertz blijft, kan mijn gehoor capteren. Nabij? Maar, die muziekgolven die de radio opvangt, die zijn mij toch ook nabij. Jawel, maar in een frekwentie die voor mij onbereikbaar is, die buiten de captatiemogelijkheden van mijn natuurlijk gehoororgaan vallen.

Daarom ben ik zo jaloers: omdat dat armtierig antennesnoertje meer kan dan ik. Dat gekreukeld en geplastificeerd stukje metaaldraad kan meer dan ik. Voor dat iele stukje metaal is er blijkbaar meer wereld beschikbaar dan voor mij. Want als ik wat met de knopjes werk, kan die radio vele en erg verschillende geluidsgolven opvangen. In vele soorten frekwenties: lange, midden- en kortegolflengtes. Ik, arm stukje natuur, ben gebonden aan en zit door mijn lichaam opgesloten in mijn omgeving; ik ben beperkt tot mijn onmiddellijke omgeving, en ik ben er ook tevens toe veroordeeld. Enkel een smal spleetje werkelijkheid is mij van nature gegund.

Dat antennesnoertje kan dus meer dan ik kan en heeft meer wereld ter beschikking dan ik. Ter beschikking. Niet opgedrongen: wat dat snoertje opvangt, beluister ik als ik dat wil; ik kies vrij de zender die ik wil en zet het geluid zo hard als ik het wil. En ik zou niet jaloers mogen zijn? Zo'n onooglijk snoertje dat in kreukels langs de muur onder een schilderijtje een steun moet zoeken.

Ik heb altijd de lof horen zwaaien van dat fijnbesnaarde gehoororgaan van me. En ik heb die lof met kinderlijke verwondering geslikt. Tijdens deze koortsaanval smelt de verwondering weg en slaat ze om in jaloezie terwijl de dreunen van de muziek van Van Beethoven het koortsig sluimeren storen.

Als de koorts wat geweken is, kijk ik gefrustreerd naar dat plastieken apparaatje naast mijn bed.

Dat snoertje? Zou dat iets te betekenen hebben zonder die radio? Neen. Natuurlijk niet. Ook dat snoertje heeft een interface nodig. Het kan best Grieg uit de lucht plukken, maar zonder die ingewikkelde toestanden in die radio: geen muziek! Pas het tweespan: antenne en radio, kan golven die ver weg opgewekt zijn binnen mijn hoorbereik brengen. Dat snoertje is toch niet zo almachtig. En zelfs zonder mijn gehoor zou het nog niet helpen.

Mijn gehoor. Mag ik dat wel zeggen: 'mijn'? Dat gehoororgaan zit wel veilig opgeborgen binnen mijn schedel, maar is het echt van mij? Is het echt mijn gehoororgaan? Is het geen geschenk, al staat het nooit op een huwelijks- of geboortelijst? Is het geen cadeau me na miljoenen jaren avontuurlijke evolutie aangereikt door een ononderbroken keten van vaders en moeders? Vanaf het prille begin zonder één hiaat doorgegeven, voortdurend verbeterd, steeds fijner aangepast aan de eisen van het overleven. Zelfs nachtvlinders hebben een gehoororgaan ontwikkeld. Vanaf het prille begin waarin de eerste levende wezens die door te reageren op geluiden hun overlevingskansen konden vergroten.

Mijn gehoor heb ik zo vanuit het verre verleden aangereikt gekregen. Een gave. Ik moet die wel onveranderd, onaangepast aanvaarden zoals ze me wordt aangereikt. Ik heb daar geen vinger in de pap. De evolutie heeft me een orgaan geschonken waardoor ik opensta voor de geluiden in mijn onmiddellijk milieu en dat me op die manier helpt daarin beter te overleven.

Maar die radio? Die is niet het resultaat van een glorieus, dynamisch en ononderbroken evolutieproces. Dat is een artefact. Een door mensen in korte tijd via de moeizame weg van veel trials and errors bedacht, uitgeprobeerd, ontworpen en gemaakt artefact. Die radio op mijn nachtkastje heeft zelfs geen pedigree. Hij kan overal gemaakt worden, door iedereen, op elk moment, en volgens vele patenten en merken en uitvoeringen. Fabrieken sluiten, personeel wordt afgelost en volgt elkaar op volgens shiften, wordt verplaatst, vloeit af of wordt vervangen: van ononderbroken continuïteit zoals bij de evolutie is hier geen sprake. Alle radio's zijn louter toepassingen van dezelfde principes en kosmische wetten (fysica en chemie). Inzicht in en kennis van dezelfde golven, van dezelfde elektriciteit, van dezelfde weerstanden liggen aan de basis van elke radio. Die abstracte en universele kennis kan in alle talen onder woorden gebracht worden, in formules omgezet; ze kan overal aan iedereen medegedeeld worden; inzicht erin kan verdiept worden of verfijnd of genuanceerd; kennis kan aangevuld, uitgebreid, in complexere gehelen ingepast worden; de onderdelen kunnen beter op elkaar afgesteld worden. Men kan deze inzichten en deze kennis op vele wijzen toepassen, in vele uitvoeringen vorm geven. Zo hebben de mensen de vrije hand bij de fabricatie of vormgeving van dit artefact. Zijn dat geen plussen? En het evolueert zo vlug.

Maar mijn radio belandt, gegarandeerd, zonder enige gewetenswroeging bij het grof vuilnis op de stoep zodra hij niet meer voldoet of defect is; hij wordt meteen door een betere, een modernere, een meer aangepaste uitvoering vervangen; door een performanter apparaat met meer opties en mogelijkheden.

Gelukkig is mijn gehoor een deel van mezelf. Een integraal, vanzelfsprekend deel van mezelf, waaraan ik zelfs geen aandacht besteed zolang het niet faalt. En als het defect raakt, dan wordt dat orgaan met de beste medische zorgen omgeven en niet bij het grof vuilnis op de stoep geplant.

Toch niet meer zo jaloers op dat snoertje, dat als afval aan een nieuwe carrière in het recyclagecircuit mag beginnen.

·

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Ramulus om 15:47 Reageer op dit bericht

22. « Je pense, donc je suis. »

Hoe vloerde Descartes de Romeinse kardinalen?

Wie kent niet Descartes' oneliner: « Je pense, donc je suis. »? Die slogan wordt steeds met een naïeve vanzelfsprekendheid als een boven de wisselvalligheden van de geschiedenis verheven grondinzicht van de moderne filosofie ten tonele gevoerd.

Deze primaire waarheid staat blijkbaar te ver van de petite histoire. Ik vrees echter dat we door deze a-historische kijk erop een belangrijke punt missen en dat de concrete context waarin dit gevleugelde woord, deze mantra ontstond belangrijk is om de hele waarheid die er achter schuilgaat te doorgronden.

Descartes had in 1633 een manuscript klaar: Système du monde. Maar toen Galilei in dat jaar toch veroordeeld werd, stopte de angsthaas het manuscript maar vlug diep weg in een koffer. Voor goed. Hij vluchtte zelfs naar Franeker, enkele bruggen te ver, achter de kanalen en de dijken van Friesland. Om voort na te denken en voort te bestaan. Hij leefde er tussen mensen « die zeer bedrijvig zijn en zich meer bekommeren om hun eigen zaken dan dat ze nieuwsgierig zijn naar die van anderen. » (Filosofie Magazine, jrg 12, nr 5, p. 35, 2003) Hij voelde er zich veilig, beschermd achter voldoende sloten en bruggen, op het platteland, ver van de aandacht van te nieuwsgierige pottenkijkers.

Nu terug naar onze mantra. Van waar komt die 'Je pense, donc je suis'? Moet je geniaal zijn om dat te bedenken? Of moet je geniaal zijn om dat neer te schrijven? Om het te durven neerschrijven, alsof je de eerste bent die dat bedenkt, die deze diepzinnigheid kon bedenken? Waarin ligt de genialiteit? In die 'dus'? Want, in se is het een waarheid als een koe. Kan niet iedere dorpsfilosoof bedenken dat je moet bestaan om te kunnen denken, en dat wat niet bestaat daarom ook niet kan denken? Niet iedere koewachter zelfs? Of ligt de genialiteit in het uitpellen van al te ingewikkelde redeneringen tot hun pure, meest voor de hand liggende kern. En dan valt er niet veel hermeneutiek meer aan vuil te maken. De tekst en niets dan de tekst levert dan het hele verhaal.

Of zou er toch iets meer achter steken? Zu den Sachen selbst! Welke historische context dwong een genie deze lapalissade aan het papier toe te vertrouwen en als een originele trouvaille, als een verlossend kerygma de wereld kond te doen?

Galilei was pas veroordeeld. Iedereen denkt te weten waarom hij veroordeeld werd: om zijn vasthouden aan de theorieën over het heliocentrisme. Klopt dat wel? Wie veroordeelde hem? Kardinaal Bellarminus. Maar doceerde die Bellarminus niet zelf deze theorie van het heliocentrisme tijdens zijn professoraat in Leuven? Kun je in Leuven niet nu nog die lesvoor-bereidingen erop naslaan? Lesvoorbereidingen waarin Bellarminus die mooie theorie over de zon als centrum van het heelal deskundig aan zijn studenten uiteenzette en zelfs verdedigde.

Waarom werd Galilei dan toch door Bellarminus veroordeeld? Zeker niet om zijn theorieën. Maar wel omdat hij volhield dat wat hij theoretisch, wiskundig berekende, ook in re zo was. Bellarminus doceerde een mooie, geleerde theorie, die de geest genoegen deed. Die op zich coherent was, consistent, uitgebalanceerd. Een genot voor knappe geesten. Maar daar hield het ook op. Het blééf theorie. Louter Spielerei voor intellectuelen. Het was theorie om de theorie. De realiteit, dat was andere koek.

Galilei echter bleef volhouden dat wat hij via zijn berekeningen vond, ook in re zo was. Wiskunde legt realiteit bloot. En dit was nu net een brug te ver. En daarom werd hij veroordeeld. Niet om de kale theorie. Maar om de realiteit die ze beweerde te weerspiegelen. Om zijn hardnekkig en eigenzinnig beroep op de « adaequatio intellectus et rei ».

En daarom verstopte Descartes zijn manuscript en verschanste hij zich achter zo vele bruggen, meer dan één brug te ver voor de grijphanden van Rome. Hij wou zich in stilte beraden. Voor Descartes was wiskunde een veilige weg om de realiteit te doorgronden. Hij had op dat inzicht zijn Système du monde gebouwd. En nu werd door het hoogste kerkelijke gezag aan de wiskunde alle werkelijkheidsgrond ontzegd. Hoe kom je uit die patstelling?

Met een grote boog trok Descartes om het veilige maar gevaarlijke 'more geometrico'-denken heen. Hij stelde heel neutraal, heel abstract, heel puur logisch en bijna banaal, triviaal zelfs, maar onloochenbaar dat: « Je pense, donc je suis. » een actualisatie was van het oude adagium: ‘agere sequitur esse’.

Wie kon dat ontkennen of weerleggen? En meteen was bewezen dat theorie de werkelijkheid dekt en raakt en verklaart. Via die omweg langs deze boerenwijsheid vloerde Descartes de kardinaal en redde hij Galilei en zijn wetenschap. Descartes was geen strijdlustige Galilei, en zeker geen barricadevechter. Hij zocht nooit de confrontatie. Hij legde wel voldoende argumenten op tafel waaruit anderen de onvermijdelijke conclusies konden en moesten trekken. Wie instemde met zijn mantra, die moest ook de realiteitswaarde van de wiskunde en van de theorie aanvaarden. Zelf trekt Descartes die conclusie niet expliciet. Ook de stap naar de wiskunde maakt hij niet. Maar ze heeft haar effect niet gemist.

Later is zijn uitspraak een eigen leven gaan leiden bij filosofen die geen weet meer hadden van de historische context waarin ze ontstaan was en waarin ze gefunctioneerd had.

Wat weer eens aantoont dat exegese die uitsluitend steunt op de tekst en niets dan de tekst ons inzicht in de band tussen realiteit en wetenschap kan verarmen en versimpelen.

·

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Ramulus om 11:50 Reageer op dit bericht

VERTROUWEN en GELD

Ik wil even stilstaan bij een inzicht dat ik vond in A. Houtepen, Uit Aarde, naar Gods beeld. Op p. 284-285 ontwikkelt hij zijn visie op geld! Een verruimende visie!

In zijn laatste boek, Uit Aarde, naar Gods beeld, waarin hij overigens over heel veel materiaal interessante inzichten ventileert, ontwikkelt hij op p. 284-285 een verruimende visie over geld.

Hij zegt o.a. : « Geld is uiteraard een fictie. Het berust op vertrouwen en garanties van de banken. Het is niet meer dan papier of, zoals thans, digitale cijfertjes, … » p. 284. In feite is de waarde en de functie van geld gebaseerd op vertrouwen. Ten diepste gaat het : « om vertrouwen in de bereidheid van mensen om elkaar te helpen waar het maar kan. » p. 285.

Dat is een gedachte die me diep getroffen heeft.

Tegen alle schijn in, tegen alle afwijkingen in, tegen alle aberraties in, blijft dit diepe vertrouwen in elkaar een fundamenteel gegeven in onze mensengemeenschap ?. Mensen vertrouwen elkaar.

Mensen vertrouwen hun schatten toe aan anderen , aan vreemden, aan onbekenden. Mensen kunnen niet leven zonder vertrouwen in elkaar. Zonder vertrouwen in de vrije samenhang, zonder wederzijdse wederkerigheid, en wederkerige wederzijdsheid. Vertrouwen in de effectiviteit van een permanente en universele zijnstransfusie. En dit vanuit een meestal onuitgesproken beleven van de eigen zijnsontoereikendheid, vanuit de eigen constant knagende zijnsbehoefte. En vanuit de even onuitgesproken beleving van het samen overleven. Al wat we hebben en doen hangt ten diepste samen, en pas in dat samenwerken van allen met allen kunnen we zelf leven en overleven.

Waarom vertrouw ik mijn bank ? Waarom bewaar ik niet zelf mijn spaarcenten in een kous ? Waarom draag ik ze naar de bank ? Alleen voor de rente ? Mijn centen wortden elders gebruikt, elders ingezet. Ze dienen elders, ergens waar ik geen weet van heb, waarover ik niet kan oordelen, noch beslissen. Anderen werken ermee, gebruiken dat geld om te produceren. Wat ? Dat weet ik niet. Daarom vertrouw ik mijn spatcenten niet toe aan om het even welke bank. Dat geld moet goed, humaan besteed worden.

Die ’digitale cijfertjes’ maken het mij ook mogelijk daar te helpen waar ik zelf niet kan komen ! Of in ondernemingen die ik zelf niet aankan. B.v. bij kankeronderzoek, bij opvang van autistische kinderen, bij het lenigen van noden, b.v. na een tsunami of aardbeving, of enige andere ramp ?

Waarop steunt dat vertrouwen van mensen in elkaar ? Is er toch een instantie die dat vertrouwen een steunpunt bezorgt ? Tegen alle mogelijke malversaties in ?

Toont geld indirect het onzichtbare netwerk van de wereldwijde samenhang van de mensen, toont het indirect de onderlinge, wereldwijde afhankelijkheid. Is dat vertrouwen een expressie van de menselijkheid van alle mensen ? Is geld een zeer actieve factor in de permanente en universele compensatoire interacties die ons in leven houden ?

Geld als een regenboog van vrede die alles omspant, kleur geeft en verblijdt, tegen alle mogelijke aberraties in !

Verwonderd overweeg ik hoe de harde financiële wereld ten diepste toch steunt op zo iets fluïds, zo iets kwetsbaars, zo iets efemeer, zo iets evasiefs, zo iets ongrijpbaars als vertrouwen ! Op pure humaniteit!

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Ramulus om 11:28 Reageer op dit bericht

Misleidt het begrip tijd ons?

Las gisteren en vandaag een klein boekje, 130 pp. van een Française over Heideggers Tijdsfilosofie. Wel grondig, wel heel geleerd, met veel referenties, ook naar andere filosofen, maar ik had nooit de indruk dat ze zijn probleem echt door had. Het bleef praten over. ( Gerede, zou M. Heidegger zeggen! ) Dat ze zijn dramatiek echt deelde, dat ze een visie had op de queeste die wel allemaal, elk afzonderlijk en allen als totaliteit doormaken, dat betwijfel ik. De imminentie en de dramatiek van elk Augenblick en van de dood. Het probleem van een Zelf te zijn dat zich zo moeizaam verheft boven de dwingende natuur-noodzakelijke causaliteits-relaties en dat zich dan als een Ego afzet tegen al de andere zijnden en andere Zelfs en dat al die anderen toch allemaal nodig heeft Dat Zelf dat de speerpunt van de evolutie lijkt te zijn. Maar dat evengoed toch zijn

kopje moet leggen. Leven in het heden, speurend naar de mogelijkheden en de hindernissen van het verleden maar gericht op een toekomst. Die toekomst resorbeert dat Zelf. Waartoe dan al die inspanningen ?

In ons Zelf verstrengelen we het heelal. Elk van ons op zijn eigen unieke wijze, met zijn eigen unieke levensdoel. Vorige week vertelde iemand me dat hij de vorige zondag over St.-Gillis-Waas naar Blankenberge was gereden, terug over Gent naar Maredsou om weer thuis te komen. Hij heeft heel de tijd alle wetten van de fysica en scheikunde gerespecteerd, hij heeft materialen uit heel de wereld, van zuurstof, beton, rubber, staal tot de zonne-energie toe, braafjes gehoorzaamd en gebruikt, maar met een eigen doel. Een unieke verstrengeling van interacties! Parendo vincitur!

Tijd is geen substantie, geen zijnde. Tijd is een resultante, van vele samenspannende krachten en interacties! Elk ogenblik is het geheel geëngageerd! Hangt het geheel intens samen in compensatoire interacties. Voor de gemak noemen we dat ‘tijd’. En we vergeten dat het een leeg netzakje is! We staren er ons blind op! Taal is een escorte! Die escorte moet je ergens anders heen leiden. En mag niet het doel zelf worden.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Ramulus om 11:19 Reageer op dit bericht

Armoede tot weelde ombouwen!
Gisteren bracht een buisreis me in Klein-Brabant, in de streek van de 'Stille Waters'. En een fantastische gidse! Ze kende haar vak, sprak vlekkeloos Nederlands; kon goed om met de mensen. Had op elke vraag een antwoord.

Wat ik van die dag geleerd heb?

De mens maakt van zijn on-mogelijkheden, mogelijkheden; van zijn beperkingen, kansen; van zijn hindernissen, middelen. Vooral de wijmenteelt en de wijmenindustrie hebben me geboeid!

Dat zeer typisch menselijke: je onvermogen omturnen tot krachtbron. Levend in een nat gebied, daar een bron van inkomsten van maken: wijmen kweken!
En dat mensen in dat omturnen zoveel vindingrijkheid aan de dag leggen! Zo veel kennis van de dingen, van de grond, van de seizoenen, van de soorten hout.

Mensen maken dingen die zonder hen niet zouden bestaan. Mensen brengen eigenschappen en kwaliteiten van dingen samen op een manier waartoe die dingen zelf niet in staat zijn. Geen Gilles-korfjes, geen ‘duivenkeef’, geen palingfuik zonder menselijke ingreep.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Ramulus om 10:53 Reageer op dit bericht

Verstaan is ontgrenzen.

Laat me het eenvoudig houden. Nemen we een hamer, een handvol spijkers en enkele planken. Dat volstaat om een boekenkast in elkaar te timmeren. Met een klauwhamer, spijkers en planken afzonderlijk heb je geen boekenkast. Noch de hamer, noch de spijkers, noch de planken afzonderlijk weten van een boekenkast. Iemand buiten deze losse stukken gereedschap moet voorbij die losse stukken zien, moet in die losse stukken méér zien, moet ze samen zien, in verband zien, als een geheel. En hij ziet in hun samengaan een toegevoegde waarde en kan daarom wensen die toegevoegde waarde te realiseren : b.v. een boekenkast. Hij ziet méér in de afzonderlijke stukken gereedschap of materieel, hij ziet ze in hun samenhang . Hij ziet hun gerichtheid op elkaar, de dynamiek die tussen hen hangt en vraagt om realisatie: de hamer kan zijn slagkracht inbrengen, de spijkers hun vermogen om planken hecht en blijvend te verbinden, en planken kunnen in een bepaald stevig en blijvend verband tot een boekenkast verbonden worden. Los van elkaar komen hamer , spijkers en hout nooit tot een kast. In geen van hen is een boekenkast te bespeuren. De dynamische gerichtheid van hamer en spijkers en planken moet daarvoor tot interactie gebracht worden en in dat interageren moeten ze gecoördineerd worden. Pas in dat interageren tonen ze de mogelijke dynamiek die ze in zich dragen. Pas in dat interageren demonstreren ze die nieuwe, vooraf onbestaande mogelijkheden : o.a. die boekenkast. Ze creëren samen voor elk van hen een toegevoegde waarde: het bloot leggen van eigen beperkingen en mogelijkheden. En realiseren ook een toegevoegde waarde, die buiten hen een eigen gestalte krijgt: de boekenkast. In het slaan toont de hamer de veerkracht en stevigheid van het metaal ; in het hechten de stevigheid en veerkracht van spijkers ; in de boekenkast tonen de planken hun duurzaamheid en hun draagvermogen. En die kast spreidt een eigen vormschoonheid ten toon.

Let op : hamer , spijker en planken, zijn op zich reeds ‘préparékes’ ! Kaar gestoomd om te … ; gericht op … . Iemand keek verder dan het brute element, dan puur metaal, dan puur hout. Dat verder kijken dan wat gegeven is, dat méér zien dan wat door de gewaarwording aan de natte ogen getoond wordt, doet de mens, dat doet het Ego van de mens. Alleen de mens kan zo zien. Dat Ego dat zoveel waarnemingen van vroeger en nu verstrengelt tot één ervaring. Dat is verstaan ! Dat is ervaren !

In de mens vindt dat zien voorbij wat bruut, los gegeven is, plaats. In de ervaring. Ervaren , dat is reiken tot bij de verborgen mogelijkheden die in het Zijn opgeborgen en verborgen bleven. « Alles Reale ist individuell, aber nur als Ganze.’ ( N. Hartmann, in T. Shytaka, Logos und Zeit … ) Dat ‘Ganze’ zien , dat gebeurt in de menselijke ervaring. Dat is putten uit de onuitputtelijke weelde van het Zijn.

Verstaan is toegevoegde waardes zien, zien wat niet onmiddellijk aan de gewaarwording gegeven is, wat niet aanwezig is, wat enkel kan zijn. Verstaan is de werkelijkheid dromen. Niet gegeven, niet aanwezige mogelijkheden toch zien. Is het Nu als een viersprong ervaren. Het Nu als een overal inzetbare joker. De jokerwaarde van de begrensde dingen zien. De dingen wel zien als begrensd, maar tevens hun ont-grenzingsmoglijkheden ontwaren of bevroeden . De boekenkast in de hamer, de spijkers en de planken.

Verstaan is je vrijmaken van het gewaarworden en is uitstijgen boven wat bruut gegeven is in de gewaarwording. Is je losmaken van geïsoleerde zijnden en zien hoe ze in een groter, creatief, overkoepelend verband dynamisch op elkaar betrokken zijn. In dat verband, in die spanning tussen verschillende samengebrachte dingen openen zich, tonen zich nieuwe mogelijkheden, ontstaan dynamische gerichtheden waarvoor de geïsoleerde dingen niet garant kunnen staan . Mogelijkheden die vooraf niet bestonden, niet konden bestaan, en die niet opgesloten lagen in de geïsoleerde dingen. Noch in een hamer, noch in spijkers, noch in hout is de mogelijkheid van een kast te bespeuren. En toch ontdekt het verstaan in de dingen gerichte, dynamische gerichtheden en mogelijkheden, en geeft daaraan een concrete gestalte in een betekenisgeheel. Dat is de toegevoegde waarde die het verstaan op de viersprong ziet en waartoe het vrij beslist en die het toevoegt aan wat reeds is. Verstaan ziet de eindigheid van de dingen. Maar ziet eroverheen. Ziet in de grens van de dingen de ont-grenzingsmogelijkheden, de dynamische gerichtheid, de gespannen openheid naar andere zijnden.

Verstaan is voortdurend op een viersprong staan en vandaaruit ongetoonde, onbestaande mogelijkheden en dynamische gerichtheden ontwaren ; is voortdurend de jokerwaarde van de dingen zien. Is wakker dromen.

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Ramulus om 00:00 1 reactie Reageer op dit bericht

Kijk en zie het wonder!

Kijk naar buiten ! Kijk naar je tuin ! Kijk naar het park ! Zie het gras. Zie het openbaarsten van de botten. Zie de mussen druk doen. Zie hoe de zon dat alles met haar warmte overgiet, vanuit haar verre uitkijkpost. Zie hoe alles beweegt. Zie hoe alles groeit, bloeit, verandert, de winter uit de oude leden schudt. Zie hoe alles leeft en naar de zomer toe wil.

En toch : leven, is dat wel natuurlijk ? Is dat niet eerder tegennatuurlijk ? De pure natuur, is dat niet het doodse Antartica ? De verlaten Noordpool ? Is dat niet de vuur- en zwavelspuwende vulkaan ? Is dat niet het wandelen van de gloeiende stuifduinen onder de stuwing van de wind.

Maar leven verzet zich tegen die doodse bedoening. Leven vecht ! Leven wil méér ! En leven zoekt daarvoor alles wat het daartoe nodig heeft. Vindt elders wat het uit zichzelf niet heeft, maar waaraan het wel nood heeft om te kunnen leven. Leven rooft ! Maakt van alle hout pijlen om te vechten en zich te kunnen verzetten tegen die doodse ijskap, die doodse duinen, tegen de pure, de doodse natuur. Leven is opstand. Is ‘Njet’ ! Met alle mogelijke middelen op alle mogelijke manieren.

Leven schakelt daarvoor alles in wat in zijn opzet past, en wat het eigen zijnstekort kan aanvullen om met succes te strijden voor eigen behoud tegen de natuur.

Kijk en zie hoe niets alleen bestaat, hoe niets op zich bestaat. Hoe alles voortdurend elders contacten legt en zoekt, zich elders bevoorraadt. Het gras tast de bodem af naar zouten en mineralen. De grassprietjes zuigen zonne-energie op en chlorofyl. De bomen slurpen water uit de beek, de merels rukken regenwormen uit de grond, of plukken vruchtjes van de klimom. De mussen vissen de kruimels van tussen het gras.

Grond en licht. De grond die alles draagt, voedt, opvangt en bewaart. Het licht dat alles de ruimte geeft en zonne-energie. En daartussen ontspant zich het leven van het leven, het verzet tegen de natuur, tegen de dood. Daartussen vinden de dingen mekaar, in opbouwende interacties, in het gezamenlijk, compensatoir gedragen verzet.

Gezamenlijk verzet. En toch wil elk Zelf zijn eigen ikkerige gang gaan. Elk zijn eigen Zelf bevestigen , verdedigen en bevorderen. Zie hoe de paardenbloem haar bladeren dicht tegen de bodem breed uitzet en het gras verdringt. Zie hoe de rozen hun doornen op scherp zetten, hoe de sperwer de wouw doet vluchten uit zijn territorium. Hoe de moedige merel de rovende ekster uit de buurt van zijn nest jongen jaagt.

Kijk naar dit schouwspel van het Zijn ! Naar dit verzet van het leven tegen de natuur. Naar die schouwspel van samenwerking en toch verzet. Naar dit mekaar opzoeken en toch afstand houden. Naar dit affirmeren van het ikkerige Zelf, maar dan wel met een om hulp bedelend uitgestoken hand .

Het gebeurt allemaal gewoon ! In duizendvouden ! Onoverzienbaar.

Daarvoor moet niemand ergens op een knopje duwen, of naar Scherpenheuvel op beevaart gaan.

De wonderen gebeuren gewoon. Overvloedig. Met miljarden.

Te gewoon ! Zo gewoon dat we ze nog amper opmerken. We staan er nauwelijks bij stil.

Elk van die miljarden celdelingen duurt zes minuten. Tijdens elke celdeling vinden zes miljard operaties plaats. Zes miljard. Alsof het de gewoonste dingen van de wereld zijn. Hoe veel is veel ? Hoe klein is klein ? Hoe complex is complex ?

Die wouw, die zo majestatisch cirkelt boven het bos zoekend naar een prooi, die moet elke dag voer vinden voor zijn jongen. Er is voor hem geen Carrefour, noch Colruyt, noch Delhaize, noch Lidle of Aldi waar hij zijn winkelkarretje naar believen in de rekken graaiend kan vullen.

Geen van de dingen die ik voor me zie leven en groeien kan zich onbezorgd begeven naar gevulde stapelhuizen of magazijnen voor de onmisbare dagelijkse aanvullingen van het eigen zijnstekort. Er zijn geen levensarsenalen !

Ik kijk naar mijn tuin. Mijn tuin. Mijn ?

Maar, wat gebeurt daar in mijn tuin ? Stuur ik het leven dat zich daar zegevierend verzet tegen de doodse natuur ? Beheer ik het groeien en bloeien ? Die paarden verop in de wei. Die zijn van de boer. Van de boer. Maar is het leven ook van hem. Is het drachtig zijn van die merrie ook van hem ? Beheert hij de dracht van de merrie ? Moet hij instaan voor het werpen van een voldragen veulen ? Net zo min als ik me moet bekommeren om het broedsel of de jongen in de nestkastjes ! Zij het mijn bacteriën , mijn microben, mijn bijen of wespen, mijn hommels of muggen. Mijn zwaluwen ? Mijn vlaamse gaai ? En stuur ik het stuifmeel naar de bloemen ? Het winterkoninkje ziet geen schutting rond onze tuinen ! Noch de pluisjes van de paardenbloem.

En is het mijn zon ? Mijn zonnelicht. Mijn chlorofyl ?

Een wijs man vroeg Alexander uit ‘zijn’ zon te gaan !

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Ramulus om 00:00 Reageer op dit bericht

Een eeuwige kosmos drijvend op vergankelijkheid?

Toch effen vertellen wat me gisteren overkwam.

Stond rustig aan de bushalte me zelf te koesteren in de zon, en daar ‘klawieterde’ een dikke mier voor mijn voeten over de tegels, naar … Mijn eerste impuls was er een zware voet op te ploffen. Niemand immers zou dat beestje gemist hebben ! Ook in zijn mierenkolonie niet !

En dan braken de vruchtvliezen : In de kosmos wordt nooit iemand gemist. De kosmos heeft met geen enkel Zelf enig respijt ! En er in heel die kosmos is geen ‘particulier’ die niet vergankelijk is. Alle ‘individuen’ zijn op zich vergankelijk. Ze leggen alle het loodje, de ene wat vroeger dan de andere : voor een ster duurt het wat langer dan voor die mier.

Maar het geheel duurt ! DUURT. Het geheel is niet vergankelijk. Hoe kan dat, dat een geheel kan blijven duren, als het maar de resultante is van enkel in se vergankelijke zijnden? Die mierenkolonie blijft ! Mieren bestaan al miljoenen jaren. Al is elk diertje in elke kolonie, als individu, maar een heel kort leven beschoren !

Van die kosmos distantiëren wij ons ! Want, wij mensen, wij eisen « permanentie » op ! Wij, mensen, wij willen als individu, als Zelf blijven. En niet restloos opgaan in dat geheel.
Wij willen « permanentie » doen ! En blijven doen ! Wij aanvaarden niet het lot van alle andere vergankelijke zijnden in de kosmos te delen.

Een neven vraag schoot als een zijscheut mee omhoog : zou het verschil in duur van bestaan, van leven, tussen al die zijnden ons bewustzijn van tijd gewekt en aangewakkerd hebben ? De gelijktijdigheid van het ongelijktijdige ?

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Ramulus om 00:00 Reageer op dit bericht

Verliefdheid !

Wat ‘n wonderbaar Zijnsgebeuren voltrekt zich als vier verliefde ogen zich in elkaar verliezen, in elkaar wegzinken ! Wat ‘n verstrengeling ! Van tijd en ruimte. Van universele krachten en individuele vermogens. Twee individuen vloeien samen. En in dat samenvloeien ontplooit zich elke indivdualiteit, steigert elke Ego tot zijn apex. Het Nu en het Hier krijgen een eindeloze dimensie, een onoverzienbare invulling : ze omvatten alle tijden en elke ruimte.

In deze twee Zelf’s bereikt het Zijn z’n volle glorie, ontplooit het heel z’n Zijnsweelde. Ze wanen zich alleen : « Wij tweetjes ! » Maar ze zijn niet alleen. Hier speelt immers mee de lange tocht van de evolutie van het leven uit de kosmische materie, de trage worsteling van de humanitas om uit het dierenrijk op te klimmen. Hier spelen mee het slagen en lijden van ontelbare generaties, de levenservaringen en inzichten, wensen en verlangens van onnaspeurbaar vele voorouders, de verzamelde inzichten van zich steeds uitbreidende gemeenschappen, tot ver voorbij de Afrikaanse savannes.

Dat alles, die tijden en ruimtes, de omvattende komsos en individuele Ego’s, kristalliseert zich in die vier in elkaar wegzinkende ogen. Kosmisch, vitaal, humaan, individueel.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Ramulus om 09:58 Reageer op dit bericht

Meer van AHASVERUS

↑ Terug naar de berichten