Naar de inhoud

HALLE door de eeuwen heen

HALLE (in beeld)
seniorennet.beseniorennet.be

Archief

39.1  IJZERWEGSTRAAT
         _________________

        Aan de rechterzijde van het oude stationsplein, voorbij de bareel, liep de doodlopende IJzerwegstraat. Tussen de spoorlijn en het kanaal Brussel - Charleroi bevond zich de houthandel van Leon Emile Malbecq (ill. 39.1.1) . Hij was de zoon (° 23 maart 1860) van Jean-Baptiste (cabaretier/herbergier) en Amelie Houbrechts, wonende op (de) Sint-Rochus(straat). Het Noorse hout werd via het goederenstation van Halle aangevoerd.

In het begin van de straat, achter het hotel "A la Vue de la Station" (ill. 39.1.2), gehouden door N. Degrève - Degreef, stonden in 1907 enkele woningen. De gebouwen en de loodsen van de houthandel situeerden zich onmiddellijk achter de bestaande panden. Zowel aan de straatkant, als langs het tegen-jaagpad, was de uitbating bereikbaar.

Op het einde van de straat bezat Leon Malbecq een groot bebost domein, achteraan begrensd door de afbuiging van de spoorlijn Halle - Edingen (ill. 39.1.6), waarin hij een prachtig kasteel (ill. 39.1.7) met verschillende gastenkamers liet bouwen. Ze verschaften overnachting aan prominente nationale en buitenlandse gasten o.m. aan deze van "Les Ateliers de Construction de Hal", in 1898 overgenomen van "Les Ateliers J.L. Lecocq".

Iets verder in de straat stond een klein, in 't geel geschilderd huisje, dat toebehoorde aan de spoorwegmaatschappij.
Dit was van 1923 tot 1933 de woonst van Jean-Baptiste Tordeurs, verantwoordelijke voor de wissels. Hij moest deze in 't begin trekken met de hand en in de winter stro eronder verbranden om ze ijsvrij te houden. Tevens stond hij het hele jaar door in voor het smeren ervan en diende hij de signalen (houten geverfde planken) op doorgang of verboden doorgang te plaatsen. Ook bij valavond moest de olielamp, carbuurlamp of andere verlichting aangestoken worden en eventueel bijgevuld. Bij mist of donker weer brandde ze dag en nacht.

De spoorweg te Halle had toen slechts twee sporen, Brussel - Parijs, het linkse spoor en Parijs - Brussel, het rechtse.
Op 17 april 1929 moest een goederentrein, die uit Brussel kwam, afslaan naar Edingen en dwarste dus noodzakelijkerwijze het spoor Parijs - Brussel (ill. 39.1.3). Ingevolge de mist had de machinist van de exprestrein uit Parijs het stopsein te laat opgemerkt en knalde met een snelheid van 80 km per uur, tegen de goederentrein (ill. 39.1.4). Elf doden en 55 gekwetsten werden in het huisje binnengebracht en in de keuken op lakens en dekens uitgespreid, om verder op draagberries, langs de houthandel en het tegen-jaagpad, naar het station van Halle gedragen te worden. De gekwetsten werden afgelegd op de stationsbanken, terwijl de doden in de hall van het goederenstation werden ondergebracht. Met een vrachtwagen werden ze naar de kliniek gevoerd.
De IJzerwegstraat was versperd door de locomotief die er op zijn linkerzijde bijlag, zeer dicht bij de huizen (ill. 39.1.5).

Op het einde van de straat bezat Leon Malbecq een groot bebost domein, achteraan begrensd door de afbuiging van de spoorlijn Halle - Edingen
(ill. 39.1.6), waarin hij een prachtig kasteel (ill. 39.1.7) met verschillende gastenkamers liet bouwen. Ze verschaften overnachting aan prominente nationale en buitenlandse gasten o.m. aan deze van "Les Ateliers de Construction de Hal", in 1898 overgenomen van "Les Ateliers J.L.Lecocq".

Aan de linkerkant van de ingang langs de IJzerwegstraat, stond een hoge conciërgewoning uitgerust met een vierkante bakstenen toren, met het puntdak gericht naar de ingang en dus ook naar het kanaal (ill. 39.1.8). De straat liep door in het domein en eindigde op een langwerpige lus ter hoogte van de zwaaikom in het kanaal.

Het parkdomein (ill. 39.1.9) was volledig afgebakend met betonnen platen en palen waaraan ijzerdraad de toegang verhinderde. Het omvatte eveneens luxepaardenstallen, koetshuizen, serres, een grote koepelvormige volière en met achteraan in het park een tropische plantenserre. Omzeggens alles werd afgebroken en is verdwenen of ligt er in totaal vervallen toestand bij, zoals, o.m. nog het geraamte van de volière (ill. 39.1.10), die van op het jaagpad nog zichtbaar is (ill. 39.1.11).

L. Malbecq verkocht zijn domein aan de gebroeders Emile-Jean en Jean-Joseph-Charles Boterberg. Uit de kiezerslijsten van 1907/1908 blijkt dat hun adres genotuleerd stond zonder straatnummer maar wel als "Château du Cocq".
Deze benaming is mij nog steeds onduidelijk.

Feit is, dat uit de lijst van de kiesgerechtigden van 1919 blijkt dat het huis nr. 1 toen bewoond was door Leon Malbecq (houthandelaar) en de laatste woning nr. 9 toebehoorde aan Boterberg Jean-Joseph-Charles ("propriétaire" / eigenaar).

Na de tweede wereldoorlog (1952) werd de houthandel aan de zagerij OST verkocht. Deze werkte toen, achter in een smalle gang, naast het café van Jean Jacmin, aan de Suikerkaai. Vader Ost had vier kinderen en verschafte ze allemaal een opgekochte houtzagerij.

Roger Ost, uit de Devlemincklaan, kreeg een zagerij in Lot toevertrouwd.
Zijn jongere broer Marcel (°31-03-1927  +10-06-1996) verwierf de zagerij in Halle. Op 24 april 1953 trad hij in het huwelijk met Simone Anguille. Zij vestigden zich op 02-12-1975 in de Jean Jacminstraat, nr. 56.
Maurice bekwam een zagerij in Maaseik, maar installeerde zich, na enkele jaren, in Baulers (Nijvel) en ten slotte verkreeg de dochter, getrouwd met Dewreker, de zagerij in Sint-Pieters-Leeuw (Tobie Swalusstraat) die nu nog bestaat, dicht bij de Alsembergsesteenweg.

Ten slotte werd de ganse site, kasteel incluis, onteigend en gesloopt in de jaren zeventig met de bedoeling er een brug te bouwen, die, over de spoorweg en het kanaal heen, de Vogelpers rechtstreeks zou verbinden met het Bevrijdingsplein. Verschillende projecten bleven echter onuitgevoerd en werden definitief opgedoekt met de komst van de hoge snelheidstrein (HST), die een volledig nieuw landschap aldaar heeft geschapen.

39.2   STATIONSPLEIN
           ----------------------

Het is niet eenvoudig om zich een goed beeld te vormen van het zuidelijke deel van Halle zoals het eruitzag vóór de Belgische Onafhankelijkheid in 1830, i.a.w. zonder het kanaal Brussel – Charleroi en de spoorlijn Brussel – Bergen.

 

In 1827, onder Willem I, koning van de Verenigde Nederlanden (ill.39.2.1), werd de eerste spadensteek voor het kanaal in Brussel gegeven en in minder dan zes jaar, op 22 september 1832, vertrok reeds het eerste kolenschip vanuit Charleroi en bereikte Brussel drie dagen later. Zo ontstond de kanaalverbinding Antwerpen -Willebroek - Brussel – Charleroi (ill. 39.2.2).

 

Op 27 mei 1840 werd door de Maatschappij der Belgische Spoorwegen, sinds 1926 de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen (NMBS), het eerste traject tot Tubeke van de zuiderspoorlijn nr. 96 Brussel (St. Gilles) – Bergen – Quévy ingehuldigd door koning Leopold I.

Van de spoorlijn nr. 94 Brussel – Halle – Doornik was toen nog geen sprake. Het eerste gedeelte tot Ath was slechts klaar in 1850 (ill.39.2.3).

Beide  lijnen bestonden slechts uit twee sporen, één in elke richting, en de

Reizigers moesten in Halle de rails oversteken om de uitgang te bereiken.

Later werd  Halle ook het eindstation van spoorlijn 26 naar Schaarbeek

Het lag links van de lijnen 94 en 96 en verzekerde het traject naar Vilvoorde en Mechelen.

 

Het stationsplein is derhalve van vrij recente datum en ontstond in 1840 bij de aanleg van het eerste Halse station, dat als “Bureaux” werd aangeduid. Het werd tamelijk dichtbij de kanaalbrug, de ‘Bospoortbrug’ en de toegangsweg naar St. Rochus – Essenbeek (Hallerbos) - Nijvel aangelegd, zodat er nauwelijks van een plein kon worden gesproken. Het station stond dwars tussen het kanaal en de spoorlijn (ill. 39.2. 4).          

 

Omstreeks 1870 hield de ‘Dikke Bazin’ op het stationsplein, tussen de IJzerwegstraat en het tegenjaagpad, “Le Prince Cardinal” open. Deze benaming herinnerde aan Ferdinand, de infant van Spanje, die over de Zuidelijke Nederlanden regeerde van 1634 tot 1641.

 

In 1887 werd een nieuw decoratief station (ill.39.2.5) in neo-Vlaamse Renaissancestijl gebouwd naar een ontwerp van de befaamde architect Henri Fouquet, die ook de stations van Leuven en Herenthals tekende.    De inplanting vond plaats achter het oorspronkelijke gebouw, richting Buizingen, zodat, na de afbraak van het eerste station, het stationsplein heel wat ruimer uitviel.

 

Het station speelde een belangrijke rol in de stedebouwkundige en industriële ontwikkeling van de stad in de 19de eeuw.

Het station werd volplastisch uitgewerkt met drie evenwaardige gevels in baksteen, rijkelijk versierd met blauwe hardsteen. Er werd gestreefd naar een pittoresk uiterlijk door een boeiend spel van puntgevels en onregelmatige verdeling van de gevelvlakken (ill.39.2.5). Opvallend aan het gebouw was de toren met horloge en de geïntegreerde woning van de stationschef aan de voorkant (ill.39.2.6).

Fouquet volgde de architectuurideologie die toen door de Belgische Staatsspoorweg (en de overheid van dat ogenblik) werd gehuldigd. Men wilde door het gebruik van grote ‘nationale’ stijlen opnieuw aanknopen bij het grootse verleden van het vaderland. De stations moesten derhalve de reizigers een les in architectuurgeschiedenis bieden, en de nationale gevoelens opwekken. Het diende de economische welvaart en de industriële expansie, die Halle in de 19de eeuw kenmerkte, te symboliseren.

 

Het station van Halle moest een groot aantal reizigers en goederen opvangen, bedienen en verdelen. De ingang van het station leidde tot een ruime hal die toegang gaf tot het bureau van de telegraaf, de loketten, de bagageruimte en de wachtzalen.

Er was een wachtzaal voor de burgerij (eerste en tweede klasse), met rechtstreekse toegang tot het buffet, en een wachtzaal voor het gewone volk (derde klasse). Beide wachtzalen waren met zorg van elkaar gescheiden, omdat in de derde klasse te veel werd gerookt. Een totaal rookverbod in de openbare gebouwen volgde slechts in 2007.

Het station van Halle bezat een merkwaardigheid. Het had een uitzonderlijke grote zomerwachtzaal. Deze had een aparte ingang en was bestemd voor de talrijke bedevaarders naar O.L.Vrouw van Halle. Deze reizigers hadden toch al een retourbiljet en moesten niet meer via de loketten passeren.

 

Een vijftigtal meter voorbij het stationsgebouw gaf een tunnel, in de 20ste eeuw, toegang tot de twee overige perrons.

Het goederenstation (ill.39.2.7) lag aan de linkerkant van de perrons en was uiteraard rechtstreeks toegankelijk vanaf het stationsplein. Het werd definitief gesloten in 1988.

 

Het station en de spooroverweg (ill.39.2.8) bepaalden in grote mate het uitzicht en de structuur van de stationswijk. Door hun centrale ligging tussen beneden- en bovenstad, i.a.w. het centrum en de Sint-Rochuswijk, vormden ze een draaischijf tussen beide stadsdelen. Ook de bussen kregen er hun terminus (ill. 39.2.9).

Het plein werd in het midden versierd met een hoge boom zodat, als het ware, een klein rond punt ontstond.

Tegen het voetpad langsheen het kanaal werden parkingplaatsen voor gewone voertuigen uitgelijnd, enkel onderbroken door een zebrapad ter hoogte van de in- en uitgang van het station (ill. 39.2.10).

 

Rond 1925 werd de overweg afgesloten met een rolbareel.  Vanaf  toen zijn er uren gesleten door voetgangers, fietsers en voertuigen wachtend vóór de gesloten overweg.

Vanaf 1935 konden de voetgangers en de fietsers gebruik maken van een tunnel (ill.39.2.11) aangelegd naast de overweg. Deze kwam uit aan de bushalte in de Vandenpeereboomstraat.

             

In april 1994 werd met het slopen van het pittoreske station begonnen    (ill. 39.2.12). Ook het station van de fusiegemeenten Lembeek (ill. 39.2.13) en Buizingen (ill. 39.2.14),  moest plaats ruimen voor de aanleg van de hogesnelheidstrein (HST).

 

Op aandringen van Monumentenzorg en architectuurverenigingen werden waardevolle ornamenten en stenen zorgvuldig genummerd en voorzichtig gedemonteerd met de bedoeling er later nog iets mee te doen. Het betrof blauwe hardsteen, witte geprofileerde stenen, ankers, smeedwerk, keramiektegels, twee schouwen en een plafondscheidingswand van hout en glas van de buffetzaal.

De onderdelen van het station werden echter niet op een beveiligde plek voorzichtig gestapeld, maar gedumpt op een weide rechtover het afvalcontainerpark. Elf jaar lang bleven de brokstukken er onaangeroerd liggen

Uiteindelijk werden ze deels gebruikt als sculpturen (ill.39.2.15) op het nieuwe stationsplein. Het gaat om stukken arduin, sierlijk gekapt, die vroeger rijkelijk de vele gevelvlakken van het oude station sierden.                       Ook (genummerde) stenen werden op het Possozplein gestapeld en verpakt in een vlechtwerk van metaaldraad waar ze als een afschuwelijke plantenbak (ill.39.2.16) dienst doen. De rest, o.m. het stationtorentje (ill.39.2.17), ligt einde 2008, nog steeds te verkommeren in de weide.

De onderdelen leden onder vandalisme, weer en wind, en naar verluid zouden interessante stukken ondertussen reeds lang verdwenen zijn.

 

Na vijf jaar hst-werken werd op 17 oktober 1998 het Halse centrum en de Sint-Rochuswijk opnieuw verenigd door het symbolisch doorzagen van een spoorboom van die vervelende bareel (ill.39.2.18), die de stad gedurende vele jaren letterlijk in twee helften kliefde. Langs beide zijden van de verbindingsweg tussen de boven- en benedenstad ligt nu een enorm uitgestrekt plein (ill.39.2.19).

Langs de kant van de Vogelpers is het aangevuld met een klein plein      (20 m x 20 m) (ill.39.2.20) zo ingericht dat men er levende schaakspelen kan op houden. Daarachter ligt een trappenverhoog dat eventueel als tribune kan benut worden (ill.39.2.21).

 

Alle doorgaande spoorlijnen werden in Halle in een ondergrondse lange tunnel gelegd (ill.39.2.22). Hierdoor verdwenen de slagbomen, samen met het stationsgebouw en het seinhuis (ill. 39.2.23), zodat het dak van de ondertunneling een enorm uitgestrekt stationsplein tot stand heeft gebracht.

 

Het nieuwe modernistisch stationsgebouw (ill.39.2.24) bestaat uit een enorme overkapping van een kleiner glazen gebouw (lokettenzaal en café) (ill.39.2.25).

De sporen daarentegen, die een verdieping lager liggen, werden, buiten de ondertunneling, tot nu toe niet overkapt (ill.39.2.26).

39. 3    GRAANKAAI   (ill. 39.3)

            _____________           

            

            Deze herinnert aan de agro-industriële bloeiperiode van de stad Halle in de        

            19de eeuw, langs het kanaal Brussel – Charleroi.

            De verbinding tussen Henegouwen en Brussel door middel van een kanaal was een eeuwenoude droom. Het project ging verschillende malen van start: in 1656, in 1698, in 1802 en uiteindelijk in 1826 onder Willem I, koning van de verenigde Nederlanden.

           

            Zoals de naam het laat vermoeden verbindt deze straat langsheen het kanaal de ‘Bospoortbrug’ met het rond punt aan de sasbrug.  Ze is langs de rechterzijde begrensd door de eigendom van de NMBS.

            Het niveauverschil tussen de Graankaai en het nieuw immense stationsplein wordt op een viertal plaatsen overbrugd d.m.v. enkele trappen.

            Voorheen nam de kaai een aanvang vanaf het vroegere stationsplein.

De verkeersweg is onbebouwd. Enkel de Molens Dedobbeleer (ill. 39.3.1) zijn er sinds de zeventiger jaren geïnstalleerd op de plaats waar vroeger het Nederhemhof was gesitueerd.

 

De geschiedenis van de Molens Dedobbeleer aan de Molenborre in het centrum van Halle werd reeds uitvoerig beschreven bij de behandeling van de ‘Tweede Omwalling’ (2002 – 2003), onder punt 6 Molenborre.

 

In het laatste kwart van de 20ste eeuw bestond de site aldaar nog slechts uit braakliggende terreinen, vervallen werkplaatsen, oude pakhuizen en veel leegstaande panden.

Toen in 1970 de bloemmolen door brand volledig werd vernield besliste de familie Dedobbeleer om het bedrijf elders opnieuw op te richten.

 

Uiteindelijk sloot de stad met haar een overeenkomst af waarbij hun eigendom met de molen werd ingeruild voor de oude wijk Nederhem     (ill. 39.3.2), gelegen aan de overkant van het kanaal, ter hoogte van het sas van Halle.

 

Overhaast werd een moderne molen (ill. 39.3.3) opgetrokken en later verder afgewerkt met een aanzienlijke aanbouw langs de linkerkant        (ill. 39.3.4).

Tussen 1980 en 1990 volgde nog een uitbreiding van de opslagmogelijkheden door nieuwe silo’s op te richten (ill. 39.3.5) en een depot langs de Roggemanskaai aan te kopen (ill. 39.3.6)

.

De naamloze vennootschap is gespecialiseerd in veevoeders (paardenvoeding), meststoffen, mineralen en zaaigranen.

Het graan wordt er vermalen tot meel en geeft als eindresultaat verschillende soorten bloem, o.m.:

 

a)      Boekweitbloem, die gebruikt wordt om brood en pannenkoeken te bakken (het zaad van boekweit is trouwens zeer honingrijk);

b)      Artica: zeer sterke bloem, geeft producten met een groot volume;

c)      Boerenbloem: inlandse bloem zonder toevoegingen en zonder verbeteraar;

d)      Edelweis: all round bloem, wordt zowel gebruikt voor broodbereiding als voor de patisserie, klein gebak, cakes, …;

e)      Campagne: inlandse bloem;

 

f)        Campina: extra inlandse tarwe. Onderlinge verschillen bestaan uit

     gewijzigde tarwemengelingen en is aanbevolen voor artisanaal 

     werkende bakkerijen.

 

In de oudste handvesten van Halle wordt gewag gemaakt van het Hof te Nederhem, “la censse de Nerem”, buiten de ‘Bospoort’, aan de rechteroever van de Zenne (ill. 39.3.7), tegen Buizingen, grondgebied dat deel uitmaakte van het toenmalige hertogdom Brabant.

 

In de lange rij van boerderijen (winning, winhof of geleeg) bekleedde Nederhem de eerste plaats, omdat deze hoeve, sinds de wordingsgeschiedenis van de stad, deel uitmaakte van de “réserve” van de heer. Deze omvatte een omheinde hofstede met bijgebouwen (huizen), landerijen, weiden, vijvers en bossen (ill. 39.3.8).

Een vijver lag buiten de stadsmuren, ter hoogte van het Vondel, maar verdween bij het graven van de Leide. Wat overbleef werd terug omgezet in weiland.

Zeven eeuwen lang bleef  Nederhem de voornaamste buurt van Halle.

 

De naam is een heimnaam en gaat terug tot de Frankische periode. Hiermee wordt bedoeld een lager (neder) gelegen heem (hem, woonplaats).

Noch in het Polypticom (Register van de belastingplichtige boerderijen en personen)van 1194, noch in dat van 1278, komt de benaming Nederhem voor.

 

In 1279 duiken in de rubriek ‘vrije cijnslieden, opgesteld in opdracht van het kapittel van Bergen, reeds de namen van Jan en Joannes van Nedrem op, als pachters van 15 bunders cijnsland.

Vermoedelijk vindt de geslachtsnaam Van Nerom er zijn oorsprong.

 

In 1331 verkocht de heer van Montigny het voogdijrecht en een jaar later de meierij aan de graaf van Henegouwen.

 

Uit het renteboek van 1381, opgesteld in naam van laatstgenoemde, blijkt dat de graaf  32,5 bunder labeurland bezat, zonder rekening te houden met de hofplaats en de 5 dagwant 16 roeden weiland (Agebruec).

 

Vanaf 1382 komt de naam Nederhem meermaals voor bij de grote werken die toen aan de vestingen van de stad, het kasteel en de Zenne werden uitgevoerd.

 

Op ’t einde van de 14de eeuw werd een deel van de gronden van Nederhem aan de stad Halle afgestaan, om er de nieuwe stadswallen op te bouwen en er watergrachten aan te leggen. De stad moest hiervoor aan de graaf en zijn opvolgers een eeuwigdurende rente betalen. Dat was zelfs nog zo in 1749. Dit gebeurde eveneens bij het graven van de Leide ( Ley(d)e, Leie ) tussen 1400 en 1404, als kunstmatige arm van de Zenne en tevens als verdediging  van de stad (ill.39.3.9).

Het was in feite een afleidingsgracht (fossé de décharge, de dérivasion) en de benaming zou voorkomen van ’t werkwoord leiden (conduire). Hij diende  om het overtollige water van de Zenne langs een tweede weg te laten wegvloeien en om te verhinderen dat de stad nog zou onderstromen.

            De grote dijk, gelegen tussen de ‘Bospoort’ en de cijns van Nederhem, werd

            voor 70 pond per jaar aan Gille Meurissens verpacht.

           

Onder de regering van Karel V (° 1500 - +1558) moest Halle nog altijd       

            een jaarlijkse som als rente daarvoor betalen.

Zijn vader Philips de Schone had echter uit handen van de kerkmeesters van de Sint-Martinuskerk een belangrijke som geld geleend waarvoor het Hof van Nederhem in pand werd gegeven, som die slechts in 1550 werd terugbetaald, zodat de toestand van Nederhem  sinds toen was geregulariseerd.

 

De graaf van Henegouwen liet dicht bij Nederhem, aan de overkant van de Zenne, binnen de stadsomwalling, een kasteel bouwen. Was Nederhem aanvankelijk zijn hof, dan werd het vanaf dat ogenblik een gewoon landbouwbedrijf dat in pacht werd gegeven.

 

 

In 1712 pachtte Pierre de Nayer de cijns, die bestond uit 34 bunder, 3 dagwanden en 72 roeden (land en weide) voor 400 fl. per jaar.

Zoals normaliter werd de huurceel voor 9 jaar opgemaakt. 37 jaar later was de pachtprijs al verdrievoudigd! De meeste gronden van Nederhem lagen nabij de Buizingenstraat, de Broekborre, de Biescauter en in Rodenem.

            In 1789 kwamen er nog 3 bunder bij.

 

In 1823 was N. Van Bossuyt de pachter. Het stuk weg, dat boven aan de Meiboom vertikaal doorliep en rechtstreeks aansloot op de Steenweg naar Gaasbeek, heette toentertijd de ‘Van Bossuytweg’. Toevallig of niet, de verbindingsweg tussen Nederhem en Gaasbeek.

 

Bij het aanleggen van de nieuwe stadswallen, rond 1381 – 1382, liep enkel de Zenne tussen de hofplaats en de stad. De Leide bestond toen nog niet.Vermits al de gebouwen en de toren van Nederhem te dicht bij de vesting stonden, liet de heer ze afbreken en de grond werd aan de stad gegeven om hem te veranderen in water (vijvers) om op die wijze de stad beter te kunnen beschermen in geval van belegering door vreemde troepen.

Bij eventuele bezetting door belegeraars, konden die van hieruit makkelijk een bruggenhoofd uitbouwen voor een verdere bestorming van de stad.    

 

Aan de zuidwestelijke kant van de stad lag de ‘Grote Vijver’, die voorheen een weide was geweest en aan het Hof van Nederhem toebehoorde. Hij was tien dagwand groot.

 

Het Nederhemhof werd opnieuw opgebouwd een eindje verder op de plaats waar nu tussen het kanaal en de spoorweg de molens van Dedobbeleer staan. Vóór deze er werden geïnstalleerd stond hier een sociale woonwijk (ill. 39.3.10) en nog een restgebouw van het vroegere Nederhemhof. Vooraan, bij de toegang tot de huizengroep stond het gezellig ‘café ’t Sas van de weduwe Van Cutsem, ook bekend als  ‘bij Irène’ (ill. 39.3.11).

 

Deze plaats, waar het nieuwe Nederhem op het einde van de 14de eeuw werd opgetrokken, lag langsheen de oude weg naar Buizingen en tevens ook de oude heerbaan (ill. 39.3.12) naar Brussel toe. Deze oude heerbaan werd trouwens afgesneden van het stadscentrum door de stadsversterkingen (1382 – 1392) en verloor al vroegtijdig elke betekenis.

 

Eén van de meest bekende cijnspachters van Nederhem was in 1455 Martin Frienart. Die had eigenhandig René d’Anjou, o.m. hertog van Lotharingen en koning van Sicilië, gevangen genomen op het slachtveld van Bulligneville.

Filips de Goede, hertog van Bourgondië en heer van Halle in opvolging van de graaf van Henegouwen, liet hem in Dijon opsluiten. Dit gebeurde in het kader van de Honderdjarige Oorlog tussen Frankrijk en Engeland met Bourgondië als derde partij.

Martin Frienart kreeg als beloning het baljuwschap van Halle en de uitbating van het Hof te Nederhem tot aan zijn dood in 1475 toegewezen.

 

Halle, dat de kant van Maximiliaan van Oostenrijk had gekozen, vreesde voor een aanval vanuit Brussel, dat bezet was door Filips van Kleef, voorheen de vertrouwensman en veldoverste van Maximiliaan, maar die zich tegen hem had gekeerd. In 1489, tijdens het beleg van Halle door betrokkene, had de hoeve van Nederhem zodanig onder brand geleden, dat er nood was aan een nieuwe schuur.

De graaf van Henegouwen had daarvoor een oude schuur in Pepingen aangekocht. Zij was zestig voet lang, 20 voet breed en 17 voet hoog.

De schuur werd naar Halle overgebracht om op het Hof van Nederhem opnieuw te worden opgebouwd!! De koopsom bedroeg 148 pond.

Het afbreken alleen had 18 pond gekost, doch het grote werk was het vervoer en vooral het ineenzetten van de oude stukken te Nederhem zelf.

Vier landbouwers hadden hun paarden en wagens ter beschikking gesteld en legden het traject naar Halle 55 keer af voor de som van 100 pond. Daarbij kwam nog nieuw hout om gedeeltelijk die oude brol te vervangen. Aangezien de landbouw schier alleen de allervoornaamste nijverheid was werden schuren erg op prijs gesteld en was de prijs ervan navenant.

 

Vanaf 1517 baatte de familie Haeck het hof uit, eerst door vader Daneel, later door zijn zoon Gilles. In 1580 werd de hoeve totaal vernield  tijdens het  vergeefse beleg van Halle door Olivier van den Tympel, gouverneur in Brussel voor de Prins van Oranje en aanvoerder van de Calvinisten (ill. 39.3.13).

Vele gebouwen, ook rondom de stad , werden uit wraak verwoest.

 

De heer van Halle was in 1566 nog steeds de Spaanse koning. De grond van Nederhem omvatte toen 34 bunders en de pacht was afgesloten voor negen jaar met startdatum 15 mei 1562.

 

Het pachtland was onderverdeeld in drie grote percelen (royes, nu rooien = al het labeurland dat tussen twee beken ligt). In het Spaans “arroyo”, dit is beekje::

 

a)      het ‘Abelenveld of Abelenkouter’, ook ‘Ysingenbroek’ genaamd               (8 bunders) werd begrensd door de Broekborre, de Eizingenweg,de Karel Nerinckxlaan tot aan de grens met Buizingen (= Brabant), de Villalaan, de Kromstraat en de huidige Ysayestraat.    

      De benaming verwijst vermoedelijk naar één of meerdere ratelpopulieren 

      die op het landgoed stonden.    

 

b)      de ‘Achtbunders’ (8½ bunders akkerland) en de ‘Lange Weide’ ook ‘Agebruec’ genoemd (2 bunders weiland), was gelegen achter de ‘Abeelkouter’ en strekte zich uit tot aan het Smeerhout (Bleukenstraat) en de ‘Kluis’. Deze benaming is te vereenzelvigen met de kluis, die eertijds op het grondgebied van Buizingen zou gestaan hebben.           Ook de kapel van het Kluisbos (ill. 39.3.14) wordt gewoonlijk als ‘Kluis’ omschreven. Doch deze kapel werd maar in 1615 gebouwd. De ‘Kluis’ lag op de grens van Brabant en ressorteerde onder de plaatsnaam ‘Vogelkensgat’. Het  was echter de ontvanger van Henegouwen die de opbrengst ervan moest innen. Bijgevolg behoorde ze wel degelijk tot Henegouwen en geenszins tot Brabant, Dientengevolge maakte ze deel uit van het Halse grondgebied en niet aan dat van Buizingen. Eigenlijk lag de oorspronkelijke hermitage in het ‘Halderbosch’, maar daarvan is nu niets meer te ontwaren.

Een boerengedoe langs de Bleukenstraat, dicht bij de kapel van Loretten (ill. 39.3.15), heette ‘Den Blauwen’, waarschijnlijk zo geheten omdat het grotendeels gebouwd was uit blauwen steen van Klabbeek.

In 1691 was het een brouwerij met de naam ‘Hooghen Blauwen’.

Het hedendaagse café aldaar gelegen heeft als uithangbord de benaming ‘In de Kluis’ aangenomen (ill. 39.3.16).

 

            c)   de ‘Rooi Ghiskieres (11 bunders) waarvan een groot deel lag op het

                  ‘Hemelrijckveld’, gelegen tussen de Villalaan, de Halleweg en de  

                  Kruisstraat.

 

Er waren gewoonlijk drie rooien, omdat toentertijd de landerijen op zulke wijze gebruikt werden, dat er alle drie jaar een derde onbezaaid bleef.

Het eerste jaar werd koren gezaaid, het tweede kleine graden en het derde jaar mocht het veld rusten. Om nu alle jaren koren en kleine granen te kunnen oogsten werden twee der drie rooien overhand gezaaid. Van daar komt nog het aloude gebruik om te verhuren voor 3, 6 of 9 jaar.                 

           

Al die landerijen lagen op de palen van Brabant, dicht bij Buizingen en, rond 1663, alleszins kort bij de vijver van ‘Asbroek / Asbroucq’. Zij strekten zich uit tot aan de ‘Kluis’.

 

Wanneer in 1652 de familie van Arenberg het oude Halse domein koopt  is daar uiteraard ook Nederhem bij. Uit een akte van 1808  blijkt dat de pacht 38 bunders omsloeg.

Na de eerste wereldoorlog (1914 – 1918) werden de van Arenbergs verplicht hun bezittingen in de streek te verkopen. Daarvan was wel een stuk verdwenen want intussen was op hun grond het kanaal Brussel – Charleroi (1828 – 1832) en het spoor Brussel – Bergen (1840) aangelegd.

 

Nederhem was de “réserve” van de heer en het is als dusdanig niet uitgegroeid tot een eigen heerlijkheid. Het bleef steeds rechtstreeks onder het beheer, eerst van het kapittel van Bergen, later van de lekenabt, de graaf van Henegouwen en van zijn opvolgers.

 

De heer bezat nog rechten o.a. op de cijns van Nederhem, met schuur, stallen en andere bijgebouwen met daarbij 30 bunders landbouwgrond en  4 bunders weide.

 

Nederhem was niet enkel een boerderij. Er waren ook inkomsten van cijnsgoed en leengoed.. Het bezat ook goederen in de stadskern, o.m. in de Volpestraat en de Dekenstraat maar ook ver er buiten o.m. te Elbeek, op ‘Paddenbroek, te Scheyssingen, te Wedem, te Essenbeek … De graaf heeft niet alles voor zich gehouden

Uit het renteboek van 1381 blijkt dat Nederhem over 199½ bunders beschikte, waarvan 121,5 bunders leengoed en 36½ bunders cijnsgoed. Daarbij kwam dan nog de “réserve” van de graaf.

 

Dicht bij de hoeve lag het ‘Hof van het bos van Asch (1632) en langs de zijde van de stad, paalde ze aan het ‘Leyeblock’ (1641).

De Leide werd gegraven door de weide waar men de brieken bakte = de ‘Quareelbeemd’. Deskundigen kwamen het grootse werk gadeslaan en beoordelen.

De stad bezat inderdaad een voorname steenbakkerij, waar jaarlijks karelen uit verkocht werden. Die kareeloven lag op de ‘Quareelbeemd’, buiten de ‘Bospoort’, dus tussen de Zenne, de Leide en de ‘Bosstraat’.

Onder de rubriek karelen moet ook kalk worden verstaan. De kalk kwam van het ‘Calchof’ en toen men de Leide groef moest men door het ‘Calchof’ delven. ‘Kalkhof en Kareelhof’ hebben o

mzeggens dezelfde betekenis.

            De stad Halle bezat ook een achterleen van Woudenbroek, nl. de Leide zelf,        

            voorheen weiden en landbouwgrond.

 

Daar Halle een belangrijk centrum was werd er ook een goederenstation      (ill. 39.3.17) opgericht tussen de spoorweg en het kanaal ter hoogte van de perrons. Een bijkomende reden was het bestaan van “Les Ateliers de Construction de Hal” die grote ijzeren constructies, o.m. bruggen vervaardigde en daarvoor een rechtstreekse aansluiting met de spoorweg nodig had (ill. 39.3.18)
 

Hoe vind je dit bericht? 40 stemmen
Geschreven door rogier om 00:00 3 reacties Reageer op dit bericht

30.   UITVALSWEG NAAR LENNIK (ill.  30)  2005 - 2006 

       °°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°

 

Langs de noordwestelijke kant van Halle, vanaf de August Demaeghtlaan,  vertrekt  de oude weg naar Lennik, in de volksmond de ‘Neu Boen’ (Nieuwe Baan) genaamd. Na een paar honderd meter kunnen twee richtingen naar Lennik worden ingeslagen: ofwel over het gehucht Breedhout, ofwel langs het Mechelsgat over Oudenaken en Gaasbeek. Halverwege de 19de eeuw werden beide banen met een hard wegdek uitgerust. Het eerste gedeelte, tot aan het Don Boscoinstituut, werd officieel omgedoopt in de

 

 

30. 1.  CYPRIAAN  VERHAVERTSTRAAT (ill. 30.1)

           -------------------------------------------------  

Betrokkene (Kester 1877 – Ukkel 1946) kwam als tienjarige wees terecht in Halle waar hij als bakker-patissier opgroeide. Als autodidact bracht hij het tot politieagent in Brussel en tot graag gelezen kroniekschrijver bij ‘Het Laatste Nieuw’, ‘De Zweep’ en ‘Uilenspiegel’ (Brussels nieuws en volksleven). Hij hield er ook het boekenwinkeltje ‘’t Spaeverke’ (“le petit cracheur”) open en publiceerde zijn boeken in eigen beheer.

Zijn werken ‘Brusselse Typen’ (1923), ‘Zij die gingen en zij die blijven’ (1924), ‘Brusselse Kermis – Mieke en Janneken’, ‘In onze goedige stede’ (1928), ‘Van Ketjes en Kiekefretters’, ‘Uit Brussels verleden en heden (1937), ‘Verwoeste Gewesten’ (1939: over de Noord-Zuidverbinding) maakten van hem de geestelijke vader van Brusselse typen, zoals: ‘Jan de Leuveneer, Luppe Kassuul, Zot Lowieke, Jan Moustache, Baronske, ...’

Hij was ook oud-strijder 1914-1918 en eindigde zijn loopbaan als beambte bij een ministerie.

Bij zijn overlijden liet hij zijn persoonlijke bibliotheek na aan de stad Halle en een legaat aan zijn geboorteplaats Kester en een aan de stad Antwerpen. De verteller van het Brusselse volksleven kreeg er een straatnaam voor toegewezen.

 

Het vroegere station, gebouwd in 1887, dat vóór de aanleg van de H.S.T. werd afgebroken, was zonder enige twijfel het mooiste voorbeeld van neo-Vlaamse renaissance architectuur in Halle. Het heeft zijn invloed gehad op de bouw van talloze burgerwoningen en herenhuizen in dezelfde stijl of een combinatie van eclecticisme en neo-Vlaamse renaissance. Dit was eveneens het geval op de gaffelvormige hoek bij  de aanvang van de Cypriaan Verhavertstraat en de links gelegen Ninoofsesteenweg.  Het imponerende herenhuis (ill. 30.1.1) van de toenmalige Dr. Devogel domineert er volledig de omgeving. Het wordt op dit ogenblik gebruikt als tandartspraktijk.

 

Niet minder dan zes straten geven op de Cypriaan Verhavertstraat uit, nl.:

 

- langs de rechterzijde:  1. de Hendrik Consciencestraat;

                                       2. de Deken Michielsstraat;

                                       3. de Astridlaan.

 

- aan de linkerzijde:       4. de Gentil Antheunisstraat;

                                       5. de Dr. E. Gallemaertstraat;

                                       6. de Groeninge(n)straat.

 

 

  30.1.1   HENDRIK CONSCIENCESTRAAT

- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

 

Als schrijver (°1812 - +1883) was hij de belangrijkste vertegenwoordiger van de romantiek in Vlaanderen en ook de schepper van ‘De Leeuw van Vlaanderen’ (1839). Hij leerde zijn volk lezen en, blijkens de vele vertalingen, was hij een populair auteur met Europese faam.

Wanneer hij in Halle vertoefde, nam hij zijn intrek in de afspanning ‘Lamme Gisj’, alwaar een bronzen gedenkplaat werd onthuld op 18 september 1932. Hij schreef daar zijn boek ‘Eene verwarde zaak’.

 

De Consciencestraat is bij de oudere Hallenaren beter bekend als de ‘Sjomaasjkestraat’, omdat ze, tijdens de crisisjaren van vóór de tweede wereldoorlog, werd aangelegd door “chômeurs”, werklozen.

 

In nr. 58 woonde van 1927 tot bij zijn overlijden in 1930, Louis Thevenet, een van de markantste schilders uit de stad en de streek. Een herdenkingsbeeld, zijn zelfportret, siert nu de voorgevel (ill. 30.1.1.1).

 

Aan de overkant, bij nr. 57, tooit sinds 1953 een smeedijzeren beeld van O.L.V. van Halle de toegangsdeur (ill. 30.1.1.2).

 

 

  30.1.2    DEKEN MICHIELSSTRAAT  (André)

    - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -- - - - - - - -

 

Hij werd geboren in Drogenbos (1871) en overleed te Halle in 1931. Hij was Dr. Magister in de godgeleerdheid (K.U.L. 1900), professor aan het Grootseminarie van Mechelen, erekanunnik (1903) en pastoordeken van Halle (1906-1931). Hij was de stichter en de promotor van vele organisaties. Zijn borstbeeld met herdenkingsplaat siert nu aan de achterkant van de O.L.V.-basiliek, ter hoogte van het hoogkoor, recht tegenover het Oud-Jezuïetencollege, samen met het standbeeld van Kardinaal Cardijn, het recent aangelegd pleintje.

              

            Halverwege de straat bevindt zich het Centrum   
            Algemeen Welzijnswerk  
(C.A.W.), Zenne en 
            Zoniën en het Jongeren Informatiepunt (J.I.P.)
            op 
hetzelfde adres.

            Van bij zijn ontstaan heeft de Streekvereniging Zenne en Zoniën zich ingespannen om het cultuurpatrimonium van de streek te vrijwaren. Onder haar impuls werden waardevolle panden van de slopershamer gered en daarna officieel beschermd.

 

Sinds 1980 prijkt een beeld van de H. Maagd (Sedes Sapientiae – 40 cm) in een driehoekige nis (h. 90 cm, br. 75 cm) aangebracht in de zijgevel van het woonhuis met nummer 79 (ill. 30.1.2.1).

 

Spijts alle nieuwbouw, is, op een dertigtal meter van het straateinde, zowel van de linkerkant als langs de rechterzijde, nog het stukje van de oorspronkelijke Weg-Om bewaard gebleven, dat rechtstreeks toegang verschafte tot de ingang van het vroegere Maria’s Hof.

            De bidweg bewijzering verwijst echter uitsluitend naar rechts, zodat de overkant er godvergeten bijligt. Nochtans een eindje lopen tussen de omheininghagen van de omwonenden brengt de nieuwsgierige pelgrim naar een in het groen verdoken maar verwaarloosde kapel (h. 3,50 m, br. en d. 1,40 m) uit massieve stenen constructie (ill. 30.1.2.2).

            Het plaasteren beeld van O.L.V. van Halle (80 cm) vertoeft er nog steeds maar de tekst op de voorzijde “Priez pour les fondateurs B.D.” is praktisch onleesbaar geworden.

 

 

30.1.3     ASTRIDLAAN (ill. 30.1.3)

   - - - - - - - - - - -   

 

Zoals trouwens de twee vorige straten mondt deze laan op de Jean Jacminlaan uit.

              De naam brengt het Belgisch Vorstenhuis in
              herinnering en meer bepaald koningin
 Astrid
              (van Zweden) die, bij auto ongeval, jammerlijk
              overleed te Küssnacht (Zwitserland) in 1935.
              Zij was gehuwd met Leopold III, koning der
              Belgen.
   

 

Het eerste gedeelte van de verbindingsweg, tot aan het ronde punt, maakt, met vier kapellen, deel uit van O.L.V. Weg-Om.

 

a)      De kapel van Hannecart (ill. 30.1.3.1)

     …………………………..

 

Ze is gelegen aan het begin van de laan en is op één na de grootste kapel van de Weg-Om. Oorspronkelijk stond ze recht vóór de ingangspoort van het buitengoed “Les Tourelles” (de daktorentjes) van de heer Hannecart, in 1838, burgemeester van Halle. Daarna kwam de eigendom in handen van burgemeester Blondeau die er een park liet aanleggen met zeldzame boomsoorten. Hij liet gelijktijdig de kapel verplaatsen naar haar huidige standplaats.

 

Boven de ingangspoort stond vermeld “Marie Immaculée MDCCCXXXVIII”. Zij werd dus opgericht in 1838 en toegewijd aan de Onbevlekte Ontvangenis van Maria, een dogma dat pas in 1854 zou geproclameerd worden.

Hannecart zou de bidkapel gebouwd hebben omwille van de geboorte van een zoon. Volgens andere bronnen, omdat de aan te leggen spoorweg door Halle niet door zijn eigendommen zou lopen, aangezien het eerste project verworpen werd.

 

Aan de binnenkant van de kapel, op het voorblad van het altaar (ill. 30.1.3.2), staat de inscriptie: “Tota pulchra es, et macula non est in Te” (vertaling: Gij zijt gans schoon en geen vlek is in U).

Op de muur links bevindt zich een witmarmeren plaat (ill. 30.1.3.3) met als tekst:

     “D.O.M. – à la mémoire de  Hyancinthe Théodore Joseph Hannecart, ancien bourgemestre de Hal, né à Soignies le 6 - 8 - 1792.  Décédé à Hal le 10 janvier 1861. Il érogea cette chapelle en 1838 en l’honneur de l’immaculée Conception de la très St. Vierge Marie. R.I.P. “

Op de rechtermuur prijkt een witmarmeren steen waarin gebeiteld staat:

“D.O.M. – à la mémoire de madame Amélie Elisabeth van der Cammen veuve en premières noces de monsieur J.-B. J. Vanden Elschen et en secondes noces de monsieur H.E.J. Hannecart. Née à Hal le 31 décembre 1794,  y décédée le 13 mai 1864. R.I.P. « 

 

De kapel werd achtereenvolgens eigendom van de Broeders der Christelijke Scholen, de Paters Assumptionisten, de Salesianen van Don Bosco en van de familie Van Cauwelaert (1988), die ze in 1990 liet restaureren.

 

b)      De kapel van de Zusters Sacramentinen (ill. 30.1.3.4)

……………………………………………

  

                        Tijdens de bezetting beloofden de Zusters een kapel te bouwen in de omheiningmuur van het klooster langs de Astridlaan, indien ze bewaard bleven van vervolging of ander oorlogsgevaar. Vlak onder de neus van de Duitsers, die het noviciaat van de Broeders der Christelijke Scholen bezetten, boden de Zusters gastvrijheid aan bij verstek ter dood veroordeelden, Joodse families, … O.L.V. van Halle heeft hen behoed voor deze en andere gevaren.

                        De bakstenen kapel die met de buitenwereld in contact staat via een venster in de omheiningmuur (ill. 30.1.3.5) heeft volgende afmetingen: h. 250 cm, br. 80 cm, d. 200 cm. In de kapel troont een zwart houten beeld (h. 100 cm) van O.L.V. van Halle.

 

 

c)      De kapel van O.L.V. van Lourdes (ill. 30.1.3.6)

…………………………………….

 

Bij de aanleg van de Astridlaan werd een in verval geraakte kapel volledig afgebroken en nadien opnieuw opgebouwd (1979) achter de kloostermuur, ter hoogte van het huidige rondpunt.

 

Bij de kapel (h. 2,15 m, br. 1,15 m, d. 1,22 m) wordt O.L.V. van Lourdes, een veelkleurig plaasteren beeld van 40 cm, aanbeden.

 

                  Aan de linkerkant van de oude Weg-Om,
                  achter de hovingen van de 

                  Gaasbeeksesteenweg die er op uitgaven,
                  stond vroeger een prachtige arduinen           

                  kapel (h. 2,50 m; br. 0,80 m; d. 0,70 m) met
                  wapenschild en helm op het 
gevelvlak
                  (ill. 30.1.3.7).

Ze werd vóór de aanleg van de Astridlaan hersteld (1979) en overgebracht naar het Halse Mariahof aan de Dekenstraat. Een plaasteren beeld (h. 30 cm) van O.L.V. van Halle met kindje Jezus siert de overwelfde nis.

Aan het rondpunt daalt het traject van de Weg-Om af naar de Deken Michielsstraat langs de 

 

TOUSSAINT VAN BOELAERESTRAAT (Fernand, Victor)

- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

 

 Deze Vlaamse schrijver (1875-1947) woonde en werkte van 1902 tot 1916 in Halle op de August Demaeghtlaan 49, waar een gedenkplaat (ill. 30.1.3.8) aan de woning werd aangebracht. Hij schreef o.a. ‘Een legende van O.L.V. van Halle’ (1911) en was jarenlang correspondent van het Algemeen Handelsblad (Amsterdam). Hij was in de eerste plaats een schrijver van dorps- en stadsnovellen.

 

 

d)      De kapel van O.L.V. van Halle (ill. 30.1.3.9)

………………………………….

 

      Deze prachtige arduinen kapel (h. 3,50 m,
      br. 1,20 m, d. 1,85 m), op de vier    

      hoeken versiert met kolommen, staat nu 
      ingeplant rechts van het  

      rondpunt. Voorheen stond deze kapel
      dichter bij de kapel van Hannecart

      (ill. 30.1.3.10) maar moest worden 
      verplaatst bij de aanleg van de

      Astridlaan in 1980.

Bovenaan staat vermeld “Anno 1890”, terwijl binnen de volgende tekst is aangebracht: “Dankbaarheid aan O.L.V. van Halle – Reconnaissance à Notre Dame de Hal – Bruxelles mai 1890. AV”.

Het beeld is echter verdwenen en ook het kruis boven op het piramidale dak ontbreekt.

 

 

Tussen de Deken Michielsstraat en de Astridlaan bevindt zich het

 

SACRAMENTINENKLOOSTER (ill. 30.1.3.11)

……………………………………..

 

De orde van de Zusters van het Heilig Sacrament, alias de Zusters Sacramentinen, werd gesticht in 1658 (68?) door de dominicaan pater Antoine Le Quieu. Dertig jaar later werd de orde officieel door paus Innocentius XII erkend. Het ging de orde voor de wind en de Zusters stichtten in 1725 een nieuw klooster te Bollène in Zuid-Frankrijk. Hun officiële benaming luidt: « Religieuses Sacramentines de Bernay – diocèse d’Evreux / France ».

Toen de Franse Revolutie uitbrak moesten de religieuze orden worden ontbonden. Omdat ze in 1793 hun gelofte als religieuzen niet wilden breken, werden enkelen onthoofd en een groot deel sloeg op de vlucht. Na de Franse Omwenteling resulteerde de ontkerstening in heel wat bloedbaden en de scheiding van kerk en staat in 1902 waren genoeg redenen om uit te wijken.

Een aantal Zusters vonden een onderkomen in Halle bij de Zusters van Sint-Vincentius à Paolo op de Brusselsesteenweg, beter bekend als de ‘Wittekappen’, het huidige Centrum voor Menswelzijn. Zij deden de belofte voortaan afgezonderd van de wereld te leven.

Tien jaar later, in 1912, konden ze naar hun nieuwbouw (ill. 30.1.3.12)  op het ‘Rensveld’ (ill. 30.1.3.13),  gelegen rechts bovenaan de Cypriaan Verhavertstraat, verhuizen.

 

De tralies in het klooster van de eeuwige aanbidding, waar de sacramentszusters dag en nacht bidden, zijn wel verdwenen aan de deur en in de spreekkamer, maar toch komen ze enkel buiten de kloostermuren als het echt niet anders kan. Vroeger leefden zij van wat de mensen hen brachten en van de opbrengsten van de eigen boerderij. Duizenden hosties bakken (ill. 30.1.3.14) voor de hele dekenij Halle en een flink stuk er buiten is hun belangrijkste bron van inkomsten. In het winkeltje van het klooster worden ook kunstvoorwerpen verkocht. Vooral schilderijen (ill. 30.1.3.15) en zelf uitgesneden kaarsen of kaarsen met gedroogde veldbloemen uit de tuin zijn gegeerd.

Wie mooi weer wenst voor een huwelijk of een andere plechtigheid brengt alvast, volgens het Halse volksgeloof, eieren naar de Zusters Sacramentinen.

 

Het kloostercomplex is het enige in België van de orde van de slotzusters van het H. Sacrament. Architect Sencie bouwde het klooster voor dertig zusters in 1911. In 1935 werd het uitgebreid met een retraitehuis, een gastenverblijf en een kapel (ill. 30.1.3.16).

 

Een prachtig heilig Hartbeeld (h. 1,20 m) in Franse steen (ill. 30.1.3.17) siert nog steeds de voortuin van het klooster. Oorspronkelijk hadden de Zusters, in hun achtertuin, een kleine grot van Lourdes opgericht (ill. 30.1.3.18. Deze werd gewijd op 24 oktober 1935 door Z. Em. Kardinaal van Roey, bij gelegenheid van de kapelwijding. Dank zij een ruime gift van een weldoenster konden zij in 1942 een grotere grot (ill. 30.1.3.19) laten bouwen in hun tuin naast het klooster. Deze is, sinds het afbreken van een deel van de omheining, goed zichtbaar geworden van op de straat.

 

Voor de tien overblijvende zusters was het onderhouden van het enorme grote klooster een onmogelijke taak geworden, zodat de verkoop zich opdrong. Zij besloten  langs de rechterkant in de tuin een kleiner klooster te bouwen (2000). Op 29 september 2001 kon het in gebruik worden genomen (ill. 30.1.3.20).

 

Omwille van zijn historische en socio-culturele waarde werd het kloostercomplex met de ommuurde tuin beschermd als monument op 22 november 2001. Andere bestemmingen zoals bibliotheek, administratief of cultureel centrum bleven echter mogelijk.

    

Projectontwikkelaar N.V. Vermeersch uit Ternat stelde achtereenvolgens voor het klooster om te vormen tot een rustoord met 50 service flats, tot 50 kamers met seminarieruimten voor 300 bezoekers en ten slotte tot een hotel met in de kloostertuin 25 nieuwe woongelegenheden.

Beide partijen kwamen echter niet tot een akkoord.

 

Na vruchtbare besprekingen met de VZW Wonen en Werken voor personen  met Autisme ‘De Okkernoot’ uit Vollezele, opgericht door de Hallenaars Pat Hamelrijck en Jan Houthuis, is het tot een erfpachtovereenkomst gekomen voor een periode van 35 jaar.

De kapel valt niet onder de overeenkomst.

De ruime kloostertuin, die binnen de bouwzone ligt, maakt nog het voorwerp uit van een gerechtelijke procedure. Zolang er geen definitief vonnis is geveld, kan ‘De Okkernoot’ de tuin in bruikleen nemen.

 

De nood aan huisvesting is zo groot dat reeds in april 2007 een eerste groep van 10 à 12 personen in het klooster moeten worden ondergebracht.

Onder toezicht van bekwame vaklui in renovatietechnieken worden de nodige aanpassingen binnenin uitgevoerd door een veertigtal vrijwilligers tijdens zogenaamde

Bouwkampen. De transformatiewerken werden gestart eind juli 2006.

 

Tussen de linkerkant van het oude Sacramentinenklooster en de kapel van Hannecart                                                    stond, vóór de aanleg van de Astridlaan, een sympathiek cafeetje ‘Het Barieltje’ (ill. 30.1.3.22).

Hier kwamen de Hallenaren een boterham met plattekaas eten en werden er rond Allerheiligen smakelijk rapen gegeten vanuit de omliggende velden.

Zoals blijkt uit de “Carte des environs de Bruxelles / Nivelles” (1836), opgesteld door LS Capitaine, hoofdingenieur van de Algemene (land)kaart van de Franse Republiek, bestond er een tolboom om de Gaasbeeksesteenweg, die de grens tussen het hertogdom Brabant en het graafschap Henegouwen vormde waartoe Halle behoorde, aan te doen of te verlaten.

 

In de zeventiger jaren werd door de Sacramentinen een stuk grond van hun tuin afgestaan aan de Sint-Martinusparochie om er een kleine wijkkerk te bouwen.

In 1981 was de gezellige Emmaüskerk reeds opgericht ten behoeve van de inwoners van de Don Boscowijk, (naar de stichter van de Salesianen), die een buitengewone expansie halverwege de 20ste eeuw kende.

Het is dus geen zelfstandige kerk, maar blijft afhankelijk van de Sint-Martinus-parochie. Ze is laag van steek en weinig opvallend. Enkel de drie klokken vast geklikt in een open ijzeren torengeraamte, samen met drie bewerkte geknotte boomstammen (ill. 30.1.3.23), trekken onwillekeurig de aandacht van de voorbijgangers.

 

Een tiendelige reeks van brandglasramen met als allegorie ‘Het Gezicht van Gods

Hand’, ontworpen door Frieda Pauwels, siert het kerkinterieur (ill. 30.1.3.4).

 

Links van de kerk, tegen de kloostermuur, hangt een gekruisigde Christus

(ill. 30.1.3.25), die in de volksmond als “’t Kruiske” wordt bestempeld.

  

30.1.4     GENTIL ANTHEUNISSTRAAT

   ------------------------------------------

 

Deze straat loopt in ’t verlengde van de Hendrik Consciencestraat naar de Ninoofsesteenweg toe en daar is een goede rede voor.

Betrokkene  (1840-1907) huwde de enige dochter van H. Conscience en bekleedde het ambt van vrederechter o.a. te Halle van 1877 tot 1882. Het was door hem dat Conscience Halle leerde kennen en er vaak verbleef.

Als Vlaamse dichter en componist onderscheidde zijn intimistische gedichten en liederen zich door eenvoud en natuurlijke welluidendheid. Zeer bekend is zijn lied ‘Mijn Vlaanderen heb ik hartelijk lief’.

  

30.1.5    Dr. GALLEMAERTSTRAAT (Emile)

  -------------------------------------------------

 

           Verbindt eveneens de C. Verhavertstraat met
           de Ninoofsesteenweg ter hoogte 
van de Deken
           Michielsstraat.

 

          Belanghebbende was een beroemde Halse geneesheer/oogheelkundige/  wetenschapsmens (1860-1935). Hij behaalde in 1883 het diploma van dokter in de natuurwetenschappen en in 1886 dat van dokter in de geneeskunde, gespecialiseerd in de weefselleer. Vanaf 1894 was hij diensthoofd van de afdeling oogheelkunde  in de Polikliniek van Brussel. Hij stichtte de Belgische Vereniging voor Oogheelkunde en bezette vanaf 1906 de leerstoel oogheelkunde in het oud Sint-Janshospitaal te Brussel.

 

 30.1.6    GROENINGESTRAAT

   ---------------------------------

 

Maakt volledig deel uit van de Weg-Om en sluit aan op de Astridlaan. In de eerste helft van de 20ste eeuw liep hier nog een smalle weg tussen de velden met een zink halverwege en eenmaal op het hoogste punt, een panoramisch zicht op het Halse centrum. Dit werd o.m. vereeuwigd door de Halse schilder Mona Martin (ill. 30.1.3.26).

 

De benaming herinnert aan de Guldensporenslag. De levendigste, tevens gesublimeerde uitbeelding ervan is te vinden in Hendrik Consciences ‘De Leeuw van Vlaanderen’ (1838). De vrijheidsstrijd van 11 juli 1302 werd het symbool van de Vlaamse emancipatiestrijd in de verfranste Belgische Staat.

In 1973 werd 11 juli tot de feestdag van de Vlamingen in België uitgeroepen. Het strijdlied ‘De Vlaamse Leeuw’ werd de officiële hymne van de Vlaamse Gemeenschap en de heraldische ‘Vlaamse Leeuw’ de officiële vlag.
 

In juli 1952 werd onder het impuls van het Davidsfonds Halle, de Groeningekapel (ill. 30.1.3.27) gebouwd dicht bij de straathoek aan de Ninoofsesteenweg, in feite schuin tegenover de herberg ‘Lamme Guisj’ waar H. Conscience altijd vertoefde.

De straatnaam werd gekozen naar aanleiding van de 650ste verjaardag van de Guldensporenviering en de kroning van het plaasteren beeld (35 cm) van O.L.V. van Groeninge.

In oktober 1952, bij een indrukwekkende avondplechtigheid, had de inwijding plaats door Hallenaar en bisschop Monseigneur Jan Cuvelier.

 

De kapel (h. 3,20 m, br. 2,10 m, d. 1,90 m) is opgetrokken in breuksteen met een glasraam op de zijkanten en met als opschrift op de binnenmuur: ‘O.L.V. van Groeninge  -  Bid voor Ons’. De toegang wordt afgesloten door een mooi, in ijzer gesmeed deurwerk. Het beeld is omringd door twee engelen in keramiek met onderaan een schild met de Vlaamse Leeuw. De tekst luidt als volgt: ‘Hemelse Coninginne helpe me ute deser noot! Onder uw hoede lieve vrouw plaatsen wij deze straat en haar inwoners’.

Zonder twijfel is het één van de meest esthetische kapellen van de Weg-Om. Ze werd ontworpen door architect Joris Vanderheyden, bijgestaan door de kunstenaars Colruyt en Van Hoof.

 

Aan de overkant, aan de hoek, op een opvallende hoge paal, hing een ijzeren kruisbeeld (50 cm) op een houten achtergrond (h. 85 cm, br. 30 cm) dat de bedevaarders de richting van de Weg-Om aanwees (ill. 30.1.3.28). Ingevolge een nieuwbouw op de hoek werd het kruisbeeld, met ingekorte paal, een huisbreedte naar rechts verplaatst en staat nu pal tegenover de Groeningekapel.

 

Drie inwoners van de straat hielden eraan een O.L.V.-beeld een geprivilegieerd plaatsje op hun nieuwbouw te bezorgen:

 

a) nr. 1: sinds 1960, op de rechtse zijgevel, een
               veelkleurig beeld van O.L.V.

                van Groeninge (16 cm) in een
                driehoekige nis (h. 60 cm, br. 34 cm)

               (ill. 30.1.3.29);

 

 b) nr. 8: sinds 1965, een zwart beeldje van 
                O.L.V. van Halle (25 cm) in een

               kleine hoekige nis (h. 30 cm, br. 14 cm)
               aan de rand van de voorgevel     

               en de linkse zijgevel. De woonst   
               behoort toe aan de heer Dirk Pieters,

               op dit ogenblik, burgervader van de
               stad Halle (ill. 30.1.3.30);

 

          c) nr. 12: sinds 1975, op de rechtse zijgevel, een 
                           veelkleurig keramiek beeld

                           van de H. Maria met het kindje Jezus
                           (ill. 30.1.3.31).

 

 

30.1.7    JUSTUS LIPSIUSSTRAAT

            - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

           

Zij verbindt de Groeningestraat halverwege met de Dr. Gallemaertstraat en maakt deel uit van de toenmalige verkaveling, zodat ook hier uitsluitend villabouw aan de orde is.

 

Enkel het hoekhuis nummer 13 bezit een Mariaverering sinds 1983.

Het beeld (26 cm) in gegoten Franse steen bevindt zich in een nis van 48 cm hoog en 18 cm breed (ill. 30.1.3.32).

 

Justus Lipsius (° Overijse 1547 - +Leuven 1606) was humanist, filoloog en wijsgeer van wereldformaat. Uiteindelijk werd hij professor geschiedenis aan de Calvinistische Universiteit van Leiden maar in 1591 verzoende hij zich met de rooms-katholieke Kerk. Hij werd een jaar later benoemd tot professor geschiedenis en Latijn aan de Katholieke Universiteit te Leuven. Hij vervulde ook de functie van historiograaf van Filips II. Hij schreef tevens het belangrijke dichtwerk “Diva Virgo Hallensis” (1604) over Onze-Lieve-Vrouw van Halle.

Een gedenkplaat met borstbeeld siert de O.L.V.-kapel in de basiliek van Halle en is aangevuld met een gedicht waarin Justus zijn pen opdraagt aan de Zwarte Madonna.

 

 

30. 2.  GAASBEEKSESTEENWEG (ill. 30.2)

           --------------------------------------

Deze verkeersweg vertrekt aan de kapel van Hannecart (ill. 30.2.1) over ’t Mechelsgat naar  Gaasbeek en Lennik toe. Voorheen ook wel eens de Vlezembeeksesteenweg genoemd. De Gaasbeeksesteenweg vormde vroeger de grens tussen het graafschap Henegouwen (Halle) en het hertogdom Brabant , in casu de gemeente Sint-Pieters-Leeuw (ill. 30.2.2). Vanaf de grens met Sint-Pieters-Leeuw draagt de rechterzijde nog steeds de benaming Brabantsebaan.

Op het gerechtelijk plan van Breedhout in het begin van de 18de eeuw is ook de benaming Boxtrodeweg (Brabant) als scheidingsweg terug te vinden ter hoogte van het kasteel van Budingen.

 

Een honderdtal meter voorbij het begin van de Gaasbeeksesteenweg ligt het bedrijf van de (graf)steenkapper Colson-Lerinckx met daarnaast, sinds 2001, het eerste hypermodern rouwcentrum (nr. 52) opgericht door Vansintjan (ill. 30.2.3) en uitgevoerd door het architecten- en ingenieursbureau A & I.

Hier worden alle diensten die bij een begrafenis komen kijken gecentraliseerd in één gebouw, van koelcellen tot koffietafels. Het rouwcentrum kreeg in 2001 de Funeral Awardprijs voor de beste uitvaartonderneming op 75 gegadigden (ill. 30.2.4).

Het bestaat uit drie begroetingsruimten, elk met een wachtzaal en sanitair, een goed ingerichte verzorgingskamer, een koelkamer waar twintig lichamen kunnen opgeborgen worden, een aula voor zestig personen voor een burgerlijk afscheid nemen, zalen voor koffietafels, een toonzaal voor bloemstukken en grafzerken met een aparte plaats voor de lijkkisten. Ten slotte is er in de garage ruimte voor de vier lijkwagens en een eigen “car-wash”. Anderzijds blijft het familiebedrijf ook nog het funerarium in Lembeek gebruiken, benevens hun winkels in Lembeek en Gooik.

 

Pal ernaast strekt zich de tweede uitbreiding van het kerkhof van Halle uit (ill. 30.2.5). Het nieuwe gedeelte leunt aan tegen het oudere kerkhof, waarin historische figuren begraven liggen, zoals Servais, … (ill. 30.2.6).

In de achterliggende uitbreiding ervan, aan de linkerkant vlak tegen de Hollestraat, staat nog steeds, omzeggens onzichtbaar, gecamoufleerd door groen en klimop, een bunker uit W.O. II (ill. 30.2.7).

Dit eerste gedeelte van de Gaasbeeksesteenweg werd vroeger de ‘Kerkhofstraat’ genaamd.

   De enige aftakking van de Gaasbeeksesteenweg langs
   de rechterzijde op Hals grondgebied is de

 

   H O L L E S T R A A T.

    - - - - - - - - - - - - - -  - - - -

   Zij vertrekt achter de linkerkant van het oude kerkhof, loopt voorbij de Jean 

   Jacqminstraat in de richting van Alsput om zo, langs de grens met Sint-Pieters-Leeuw,  

   aan te sluiten op de Alsputweg en verder uit te monden op de Halse Brusselsesteenweg.

 

De driehoek gevormd door de Gaasbeeksesteenweg, de Hollestraat en het grondgebied van Sint-Pieters-Leeuw maakte deel uit van het ‘Vitse Thiende’ en behoorde rechtens toe aan de Halse jezuïeten. Daarachter lag het ‘Steenbergveld’. Dit toponiem is vermoedelijk afkomstig van het vroegere bestaan aldaar van een steengroeve.

 

Onderweg, op nummer 93, ligt het bekende restaurant ‘Villa Fantasia’ (ill. 30.2.8) en even verder (nr. 108) het hotel-restaurant-taveerne ‘Alsput’ (ill. 30.2.9) met feestzalen, seminarieruimten en fietsverhuur.

 

Rechts van deze afspanning bevindt zich een kapel (h. 2,35 m, br. 1,25 m, d. 0,55 m) tot eer en glorie van de heilige Maria. Het veelkleurige beeld (60 cm) versiert de ingewerkte nis waaronder de volgende tekst staat te lezen: “Deze capel behort toe aen het guecht; Hernieuwd 1954”. De Alsputse kapel dateert van 1882, maar werd hernieuwd in 1954, ter gelegenheid van het Halse Mariajaar (ill. 30.2.10).

 

Het eerste gedeelte van de Gaasbeeksesteenweg langs de linkerkant wordt ingenomen door de lange omheiningmuur van het Don Boscoinstituut van de Salesiaanse Gemeenschap. Een heel eind verder, voorbij de rij aaneengesloten woningen, vormt de

Hoe vind je dit bericht? 18 stemmen
Geschreven door rogier om 00:00 Reageer op dit bericht

34.  UITVALSWEG  NAAR  EDINGEN  via Saintes   2007 - 2008 

       ***************************************

  

 34. 1   BEVRIJDINGSPLEIN  (ill. 34.1.0)

            ------------------------------

 

De baan naar Edingen neemt een aanvang aan de grote rotonde van het Bevrijdingsplein.

Dit herinnert aan de bevrijding van Halle op het einde van de tweede wereldoorlog door de oprukkende geallieerde troepen, vanuit de richting Edingen, op zondagavond 3 september 1944, tevens kermisdag in Halle.

 

De inwoners omschreven voorheen de open ruimte als de ‘Twee Bareeltjes’ of aan de ‘Baskuul’. Deze vroegere benamingen stamden uit de tijd dat het graafschap Henegouwen, waartoe Halle behoorde, en het hertogdom Brabant, dat er aan grensde, tolbarelen installeerden op de voornaamste verbindingswegen.

Stedelijke accijnzen moesten worden betaald op de plaats waar karren en wagens met goederen en/of levensmiddelen werden gewogen (weegbrug) vooraleer één van de steenwegen naar het graafschap of het hertogdom mocht worden bereden.

 

De kaart van Vander Maelen (1840) vermeldt op deze plaats een “barrière” (bareel) en een “bascule” (baskuul). Volgens oude kadasterplannen bevond de baskuul zich ter hoogte van de magazijnen Bricout.

 

Halverwege de 19de eeuw kreeg het plein als volks toponiem de ‘Twee Bareeltjes’.

Hier stonden barelen van de oude spoorlijn Brussel, Halle, Edingen, Rijsel (ill. 34.1.1), die destijds over de huidige René Deboecklaan, het Bevrijdingsplein en het Wilgenveld liep. Dit tracé staat afgebeeld op de oudste topografische kaart van 1865. Het betekende alleszins een grote hinder bij het kruisen van een zo belangrijk wegenknooppunt. Deze toestand bleef bestaan tot in het begin van de 20ste eeuw. Toen kreeg de spoorlijn een nieuw bovengronds tracé, verderop naar Lembeek toe, naar aanleiding van het verbreden van het kanaal Brussel – Charleroi.

 

Het was tevens de terminus van de tram Brussel – Halle, die, van uit de Aug. Demaeght-laan, langs de Ninoofsesteenweg en ‘De Guukeneer’ hier toekwam om langs het centrum van de stad de terugweg naar Brussel aan te vatten (ill. 34.1.2)

 

De benaming ‘Twee Bareeltjes’ slaat vermoedelijk op een nog oudere herkomst, nl. de aanwezigheid van twee slagbomen respectievelijk op de oude wegen naar Bergen en naar Edingen waar tol moest betaald worden. ‘De Tol’ was tevens de plaatsnaam die herinnert aan deze tolbarelen.

 

De Hallenaren typeren het plein ook als ‘aan de Zwarte Kat’. Dit houdt verband met het hedendaagse showclub gelegen op de gaffelhoek tussen de Bergense-  en de Edingensesteenweg (ill. 34.1.3).

 

Het is slechts in het begin van het derde millennium (2001), dat het Vlaamse Gewest besliste op dit aards gevaarlijke kruispunt van vijf drukke straten een groot rond punt aan te leggen tot opluchting van heel wat weggebruikers en dit nadat er verschillende dodelijke ongevallen te betreuren vielen.

 

In juni 2005 haalde de wegendienst van het Vlaamse Gewest, ingevolge juridische uitspraken en uit veiligheidsoverwegingen, de betonnen boord rond de rotonde weg om hem te vervangen door een nieuwe rand in elastischer materiaal.

 

Het jaar daarop kreeg het rond punt een omstreden kunstwerk als versiering.

De wedstrijdjury koos voor het project van de jonge Brusselse ontwerpers Virginie Bailly (kunstenares), Rolf Vansteenwegen (ingenieur) en Roland Piffet (architect).

Het betreft een 35 m hoge pyloon (ill. 34.1.4) vervaardigd in kunststof (glasvezelpolyester) met een diameter van 40 cm, die rechtgehouden wordt door een stalen sokkel. Het uiteinde  beweegt mee met de wind en is bestand tegen windsnelheden tot 200 km per uur. De drie meter bovenaan heeft een verlichtingselement en straalt, wanneer het donker wordt, een wit licht uit. Het definitieve prijskaartje bedroeg bijna  90.000 €.  Het kunstwerk “Blown” werd ingehuldigd op 12 mei 2006 o.m. in aanwezigheid van de buurtbewoners.

 

Vooraf  kregen 39 verlichtingspalen in de omtrek van het Bevrijdingsplein al opvallende felle diverse kleuren, die mee onderdeel vormen van het kunstproject.

Het lag in de bedoeling op het kruispunt een visueel spel van kleur en ritme te creëren veranderlijk naar gelang de situatie, het klimaat, het weer, de seizoenen en de overgang van dag naar nacht.

De pyloon zelf gaat een relatie aan met de telecommunicatietoren (V.R.T zendmast) in Sint-Pieters-Leeuw en de klokkentoren van de basiliek van Halle.

 

De sculptuur staat statisch recht, maar, bewegend met de wind, speelt zij in op de circulaire beweging van de voorbijrijdende auto’s. Zij vormt eveneens een relatie met de fel gekleurde lantaarnpalen, die, als verticale lijnen, een ritme aangeven rond het plein en de vijf omliggende straten.

De bedoeling van het kunstwerk was niet om een rotonde te vullen met kunst maar wel om een kunstwerk in de ruimte te zetten dat aanknopingspunten had met andere punten in de omgeving. Zo overstijgt het kunstwerk de rotonde vertelt Virginie Bailly en staat tevens symbool voor de herinnering aan de bevrijding van Halle.

 

Vele Hallenaren kunnen het kunstwerk amper appreciëren, vermoedelijk omdat de inhoud ervan hen ontgaat. Het kreeg ook al een bijnaam: de stijve van Halle. Dat zal de ‘Zwarte Kat’ als muziek in de oren klinken!

 

 

      34. 2   EDINGENSESTEENWEG

   -----------------------------------

 

Vóór de aanleg van de huidige Edingsesteenweg in 1765 (nu rijksweg nr.7) vertrok de oude weg naar Edingen op de plaats waar nu de Beertsestraat aanvangt.

Voorheen diende men zich van Halle naar Edingen te begeven langs lokale, aarden wegen, omdat rekening diende gehouden te worden met de bodemgesteldheid (moerassen, bossen,…), politieke grenzen (grondgebied van de graaf, hertog, heer) en verplichte doorgangen (bruggen, steden…). Als tracé werd dus niet steeds de kortste afstand tussen twee pleisterplaatsen aangenomen. Slechts op het einde van de 17de eeuw werd eindelijk een aanvang gemaakt met de verbetering van de aarden wegen.

 

In 1554 liep het oude tracé gemeenschappelijk met het eerste gedeelte van de processieweg  om, ter hoogte van de Victor Demesmaekerstraat, langs de toenmalige ‘Groenstraat’, af te buigen naar de Edingensesteenweg en zo het gehucht Hondzocht (Lembeek) te bereiken. Hoe de weg verder naar Edingen liep is niet zo duidelijk. Vermoedelijk ging het via Saintes (Zanten / St. Renelde), Bierghes (Bierk) en Petit-Enghien (Lettelingen), zoniet, via Beert en Heikruis, van waar ongeveer het tracé van de huidige steenweg Asse – Edingen werd gevolgd. Dit laatste werd aangelegd in 1759.

 

Vermeldenswaardig is het decreet van 08-01-1770 van keizerin Maria-Theresia tot regeling van de verzending van post langs de nieuwe baan Brussel – Halle – Edingen –Ath, i.p.v. langs de traditionele steenweg naar Bergen.

 

Beert hoorde toen niet meer tot het domein van Halle, hoewel hiervan sporen terug te vinden zijn in het Polypticon van 1278 en in het domaniale renteboek van 1381. Bij het vermelden van de cijnswijken staan naast o.m. Scheyssingen / Elbeek ook afzonderlijk ‘Beerte’ en ‘Bierte’ vermeld. Het grootste gedeelte van het huidige Beert vormde toen een Brabantse enclave midden Henegouws grondgebied.

 

        De weg naar Edingen werd tot één van de grote middeleeuwse wegen gerekend aangezien die stad tevens de zetel was van het ‘Oude Land van Edingen’, dat de dorpen uit het zuidelijke deel van het Pajottenland omvat.

 

De oude weg naar Edingen was blijkbaar van minder belang dan de steenweg naar Bergen, want de benaming wordt heel zelden afgebeeld op de kaarten uit de 16de, 17de en 18de eeuw.

 

Op het einde van de 18de eeuw was de baan geplaveid en met bomen afgezoomd zoals blijkt uit de kaart van De Bouge (1789) over de omstreken van Brussel.  Het onderhoud bleef echter gebrekkig.

     Op deze van L. Capitaine (1836), hoofdingenieur van de algemene   
     kaart van de Franse
 Republiek, stond er een “barrière”, een tolboom, 
     op de steenweg naar Edingen, tussen 
Halle en Hondzocht.

 

Zoals dit het geval is op het merendeel van de Halse uitvalswegen wordt ook het eerste deel van de Edingensesteenweg (beneden de spoorweg) gekenmerkt door de aanwezigheid van kleine werkmanswoningen, die, na de eerste wereldoorlog, werden gebouwd ten behoeve van de werknemers van de Halse fabrieken en de vele handelsondernemingen.

 

De laatste decennia vestigden er zich toch enkele belangrijke speciaalzaken o.m. op nr.20 V.C.D. (bureaubehoeften - informatica), nr.75  Market Home (binnenhuisinrichting) & Scapino (schoenen), nr.129  Trouchau (funerarium) – (ill. 34.2.1) en nr.196 Dolmen Industrial  Projects (informatica) – (ill. 34.2.2). Deze laatste is een dochteronderneming van de Colruyt-groep en coördineert Belgische en internationale projecten rond goederenbehandeling en diverse productieprocessen. Deze informaticadienstverlener met ± 850 medewerkers is voor vele organisaties uit diverse sectoren de vaste hard- en sofware partner geworden.

De focus ligt op het aanbieden van geïntegreerde totaaloplossingen op basis van de noden van de klant, dit zowel op infrastructureel als op applicatiegebied.

De zetel is gevestigd in 1654 – Huizingen, Vaucampslaan 28.


Het uitgestrekte veld aan de rechterkant gelegen tussen de Edingensesteenweg, de Beertsestraat en de Victor Demesmaekerstraat werd reeds vóór 1754 het ‘W I L G E N V E L D’ genoemd. Het eerste hoekdeel ervan, dat nu paalt aan het Bevrijdingsplein, behoorde toe aan het personaat (kerkelijke goederen). De veldweg die er nog steeds doorloopt tot aan de Demesmaekerstraat, waar het gebouw van de vroegere bareelwachter nog steeds bewoond is (ill. 34.2.3), werd toen ook gebruikt om zich in de richting van Edingen te begeven. Het laatste landelijk gedeelte van deze straat, die verder uitmondt op de Edingensesteenweg, heette toentertijd de ‘Groenweg’.

 

Toen in ’t begin van de 20ste eeuw de spoorverbinding Halle – Edingen verder naar Lembeek toe werd verlegd langs de nieuwe ‘ijzeren brug’ (ill. 34.2.4) over het kanaal, kruiste het nieuwe tracé ook de Bergense- en de Edingensesteenweg. Bij de uitvoering van de werken werd de ‘Groenweg’ doorklieft en langs de kant van Halle werd een nieuw traject langsheen de spoorweg aangelegd, dat nu de verbinding met de Edingensesteenweg verzekert. De benaming ‘Groenweg’ verdween en werd als verlengstuk opgeslorpt door de Victor Demesmaekerstraat.

     Het korte stukje ‘Groenweg’ dat langs de zuidkant van de spoorweg 
     overblijft kreeg als 
officiële benaming: O U D E   G R O E N W E G.

 

Even verder bevindt zich ook nog een restant van de  M O L E N -       S T R A A T  die, zoals de naam het aanwijst, eertijds de belangrijkste veldweg was vanaf de grens met Beert, via het Hellebroek, naar de volmolen van Rodenem. Deze was gelegen aan de Zenne, dicht bij de Bergensesteenweg.

Dit straatgedeelte loopt nu dood op de spoorlijn Halle – Edingen en is bezijden de spoorlijn, tot aan de tunnel richting Elbeek, zonder nut geworden voor het verkeer.

 

Niet enkel deze spoorweg heeft een volledig ander uitzicht gegeven aan zowel de Edingense-  als de Bergensesteenweg, ook de ringweg  ten westen van de stad, d.i. de verbinding tussen de E 19 (Brussel – Parijs) en de autoweg A8 / E 429 (Halle – Edingen – Doornik), zorgde voor een totaal ander landschap langs beide steenwegen ( 34.2.5).

 

Het hele gebied langsheen de Edingensesteenweg tussen de E 429 en de spoorlijn Halle – Edingen wordt omzeggens ingenomen door de Halse firma bij uitstek nl. de

 

Etablissementen Franz COLRUYT N.V.

 ----------------------------------------------------

 

Het ontstaan van de firma in 1925 en haar overheveling van Lembeek naar de Bergense-steenweg in Halle in 1961 werden reeds uitvoerig behandeld onder de rubriek nr. 27

Extra Muros:  A)  De Noordwestelijke Omsluiting.

 

De firma nam een geweldige expansie en zag zich verplicht nieuwe magazijnen op te trekken, in eerste instantie op de site  H E L L E -    B R O E K  ten behoeve van haar distributie en technische diensten (ill. 34.2.6), aan de linkerkant van de Edingense-steenweg (nr.247). Later, iets verder aan de overkant (nr. 196), op de ‘Uilenberg’, werd het verkoopmagazijn (ill. 34.2.7) overgebracht en recenter werd het ‘Dassenveld’ ingepalmd om er de zetel van het  nieuwe distributiecentrum (ill. 34.2.8) te organiseren.

 

In 1994 overleed Jo Colruyt, zoon van de stichter. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Jef (gedelegeerd bestuurder), die nu het bedrijf runt samen met Luc Rogge, algemeen directeur.

 

Dit familiebedrijf is de laatste decennia uitgegroeid tot een belangrijke discounter in voeding, met een unieke verkoopformule. Colruyt staat voor snel en efficiënt winkelen aan de laagste prijzen.

 

De groep Colruyt omvat naast zijn eigen winkels ook nog andere winkelketens zoals:

Dreamwinkels (4 stuks), DreamBaby (4 winkels), Dreamland (22), Okay (41 buurt-winkels), Bio Planet (4), Codi-France (59 winkels in Noord-Frankrijk) en Spar, waarvan Colruyt licentiehouder is in België en Luxemburg.

De informatica en de automatisering zijn gebundeld in de dochterfirma’s Infoco, Dolmen Industrial Project en Createch Engeneering. Bovendien heeft Colruyt een eigen drukkerij (Druco), een eigen vleesverwerkend bedrijf (Vlevico) en een uitgebreide technische dienst met o.m. een architectenbureau.

 

Om de dagelijkse in- en uitgaande goederenstroom te kunnen beheersen, is er uiteraard een goed georganiseerde logistiek nodig. Daarom worden alle goederen vanuit centraal gelegen distributiecentra verdeeld over meer dan 240 winkels in het hele land en daarbuiten. Deze centra bevinden zich in Halle (hoofdzetel), Ghislenghien (bij Ath) en Pommeroeul (Franse grens voorbij Mons).

 

Naast voeding en niet-voeding zijn er ook aparte afdelingen voor diepvries en verse producten. Groenten en fruit worden dagelijks plukvers geleverd en onmiddellijk naar de winkels verdeeld in gekoelde wagens. Alle afval uit de winkels wordt in de drie centra gecentraliseerd en gesorteerd om het zoveel mogelijk te kunnen recycleren. Duurzaam ondernemen is het sterke punt van Colruyt. In oktober 2006 kwam zelfs prins Filip er even op bezoek.

 

Werken bij Colruyt is ook jezelf blijven, opleidingen volgen, doorgroeien, rekening houden met mens en milieu, de lage drempel tussen medewerkers en chefs en boven alles: samenwerken aan de laagste prijzen, het logo van Colruyt.

 

In 2006 werkten er 16.600 mensen waaronder 15.000 in België en 3.330 in Halle. De omzet bedraagt 5,21 miljard euro. Sinds 1977 heeft Colruyt een beursnotering in de Bel 20-index en werd in 2007 als vierde rijkste onderneming van België afgekondigd.

 

De logistiek hal (10 ha) van deze distributiereus op het ‘Dassenveld’ wordt sinds 2000, van energie voorzien door een eigen windmolen  (ill. 34.2.9) 70 m hoog, met een windturbine van 1.650 kW en een vermogen van 3.200.000 kWh per jaar, wat overeenkomt met een elektriciteitsverbruik van 1.000 gezinnen, zodat de energiekosten voor het distributiecentrum omzeggens worden gerecupereerd.

Om ook bij windstil weer zelf energie te kunnen opslaan werden in tweeduizend en zes 1.200 zonnepanelen met fotovoltaïsche cellen op het dak van het centrum geplaatst om de ruimten in de immense stapelplaatsen te koelen of te verwarmen. Het gaat om een oppervlakte van  8.000 m2, zo groot als een voetbalveld. De installatie zet invallend licht om in elektrische stroom naar rato van 250.000 kWh wat neerkomt op het equivalent van een gemiddeld jaarlijks verbruik van zo’n 80 gezinnen.

Het hemelwater, opgevangen in een groot ondergronds bekken, wordt rechtstreeks gebruikt als spoelwater voor de toiletten en ook ten behoeve van de koelinstallatie.

Nog veel andere green line initiatieven worden bij Colruyt sinds 1990 toegepast, zoals het transportcharter, dat ondertekend werd door alle vrachtwagenchauffeurs, ook de externen, om zich in te zetten voor meer veiligheid en hoffelijkheid in het verkeer. Alle vracht-wagens werden als eerste in België uitgerust met een dodehoekspiegel.

     Op dit ogenblik worden in Ieper nog negen windmolens gebouwd in
     samenwerking met vier andere bedrijven.

 

Het ‘DASSENVELD’ is in feite een onderdeel van ‘DEN HOOGEN MEER’. Deze laatste benaming komt voor op de figuratieve kaart van 1754 tot vaststelling van de akkers onderhevig aan het ‘Grote of Vitse Tiende’, een jaarlijkse rente ten bate van de Halse jezuïeten. Op de topografische kaarten van de 19de eeuw worden zowel de benamingen ‘Hoge Meer’ als ‘Hoge Mier’ aangetroffen. De dialectwoorden hebben de betekenis van grenspaal, begrenzing. Het immense veld paalt trouwens in het zuidwesten aan de grens van Beert, een fusiegemeente van Pepingen.

Conform de kaart van Vander Maelen uit 1840 (ill. 34.2.10) werd de ‘Hoge Meer’ opgedeeld in:

 

a.       de ‘Zevenbunder’: Deze kouter is gelegen in de uiterste hoek,   
                                tegen   Beert, langsheen de spoorlijn Halle - 
                                Edingen. Eén bunder schommelde tussen 1ha 

                                    23ca en 1ha 43ca, in casu ± 10 ha groot.

 

b.      het ‘Herderveld’ : paalde aan de ‘Zevenbunder’. Het was een 
                               uitgestrekte weide, later veld, vermoedelijk
                               oorspronkelijk gebruikt door een schapendrijver.

 

c.       het ‘Eeckhoutveld’ :  Houdt verband met de familienaam van de
                                     toenmalige eigenaar. Is gelegen ter hoogte
                                    van de tunnel.  

                                         Een aarden weg, de Hogemierstraat, vormt
                                         nog steeds de verbinding tussen, enerzijds, de
                                         Molenstraat (Elbeek), die loopt langsheen de
                                         spoorweg en ondertussen omgedoopt werd tot

                 Pachtersweg en, anderzijds, de   
                 Edingensesteenweg gelegen achter de
                 A8 / E 429.

 

Het ‘Dassenveld’ hoort er niet bij en is in het leven geroepen door de groep Colruyt. Klaarblijkelijk is de benaming afkomstig van het nabijgelegen ‘DASSENBOS’ (ill. 34.2.11), het bos waar dassen zich schuil hielden. Een in de buurt gelegen afspanning onder Beert droeg het opschrift ‘In den Das’.

De oude benaming ‘Dassenbosch’ komt meermaals voor in de rekeningen van de stad, de goederen van de Armen, de kerkgoederen,… Vroegere teksten duiden deze plaats nochtans aan met ‘d’Aschembosch’ (1774), wat zou kunnen verwijzen naar ‘Askenbosch’. Het toponiem ‘Asken (Ask – heim) was gelegen aan de grens met Saintes. Het is een klein laagplateau van 200 op 600 m. In 1185 stond er een houten vestiging Van Asch genaamd (Van Asca in het Latijn), die door bendes  in 1356 werd platgebrand. In 1182 werd er nog een steekspel georganiseerd. Ask of es betekent speer, die gemaakt wordt van essenhout. De esdoorn (acer) is van ’t plantengeslacht Aceraceae.

 

Het ‘Dassenveld’ is onderaan de helling gelegen en vormt aldaar een inzinking in het landschap en kreeg als toponiem de ‘ZINK’, een veel voorkomend woord op de vroegere kaarten en kadasterplannen. De nieuwe toegangsweg tot het bedrijvencentrum  van Colruyt kreeg dan ook de toepasselijke naam  Z I N K S T R A A T  toegewezen.

          

De rechterkant van de straat is volledig ingenomen door de Groep Colruyt, terwijl aan de overkant van de baan verschillende autobedrijven (garage, carrosserie, automatie, banden, verhuizing), een wasserij, de autocontrole en een gespecialiseerde firma in boekenvervoer zich hebben geïnstalleerd.

Deze laatste haalt over gans het land boeken op bij de uitgevers. Sinds 2004 worden er in Halle ’s nachts samengestelde pakketten van gemaakt, die dagelijks worden geleverd aan de boekhandels, scholen of grootwarenhuizen.

Distribution Books & Paper (DBP) is een familiebedrijf en is in België enig in zijn soort. Het heeft tot doel om in elk Europees land een platform te organiseren om van daaruit ook boeken rechtstreeks te kunnen leveren aan Belgische boekhandels.

 

Ter hoogte van de Zinkstraat werd op de Edingensesteenweg een rotonde gemaakt om het verkeer, enerzijds teweeggebracht door de bezoekers van het verkoopcentrum van de groep Colruyt vlotter te laten verlopen en anderzijds, de op- en afrijdende vrachtwagens van de firma’s gevestigd op het ‘Dassenveld’ een veiliger in- en uitrit te verschaffen.

Zij geeft tevens een directe verbinding met de A8 autoweg en uiteraard ook met het Lembeekse gedeelte van de Edingensesteenweg, die bij de aanleg, de ‘UILENBERG’ heeft doorklieft.

 

Gans de linkerzijde van de steenweg, van aan het Bevrijdingsplein tot aan de Molenstraat, stond in 1754 geboekstaafd onder het toponiem ‘DE BLOUW(E) CAUSSE’.

Voor de herkomst van het woord blauwkous dient verwezen te worden naar van Dale, die als omschrijving geeft: ‘spotnaam voor een vrouw die geleerd is en daarvoor wil doorgaan en een zekere minachting toont voor huishoudelijke zaken’.


Volgens de Winkler Prins is de term afkomstig uit Engeland, waar, rond 1750, door drie dames een club werd opgericht waarvan de leden over literatuur praatten i.p.v. te kaarten, wat toentertijd gebruikelijk was. Eén van de mannelijke leden (Benjamin Stillingfleet) droeg altijd blauwwollen kousen. Om deze reden werd de club “Blue Stocking Society” genaamd.


Vermoedelijk dient een verband gezocht te worden met de eigenares van deze enorme kouter, die blijkbaar als blauwkous door het leven ging. Het huis nr 4 in het begin van de Beertsestraat in Halle, nabij de hoeve van de familie Nerinckx op de Bergensesteenweg, waar de betrokkene woonde, werd bedacht met dezelfde spotnaam. Trouwens, het eerste deel van de Beertsestraat, tot aan de huidige August Demaeghtlaan, werd destijds als de ‘Blauw Kousestraat’ bestempeld.

Zoals op het Wilgenveld viel ook een vierkantig stuk land van de ‘Blouw Causse’ onder de personaatsgoederen. Het ‘Vitse Tiende’ was gelegen langs de Edingensesteenweg, iets lager dan de huidige spoorlijn Brussel – Halle – Edingen.

 

Juist vóór de spoorweg werd, ter gelegenheid van het Mariajaar in 1954 een grote KAPEL  (h. 3,70 m, br. 2,00 m, d. 1,20 m) opgericht. In de nis (h.1,75 m, br. 0,65 m) prijkt een wit beeld van  ONZE-LIEVE-VROUW van HALLE  (ill. 34.2.12). De opdracht luidt als volgt: Mariajaar 1954 – Onze wijk aan Onze-Lieve-Vrouw – BL Leroi & RM Tordeurs.

 

Op enkele stappen links van de kapel, achter de parkingruimte, bevindt zich nog een strategisch opgestelde  BUNKER (ill. 34.2.13) uit de tweede wereldoorlog. Goed verscholen achter groen en klimop wordt hij aan het oog van de voorbijgangers onttrokken.

 

Voorbij de spoorweg liep de Molenstraat verder langs het ‘Hellebroek’ naar de Bergensesteenweg toe. Dit toponiem is een vervormde  schrijfwijze van het ‘Hallebroek’, het moeras van Halle.

 

De site langsheen de Edingensesteenweg (nr. 247) wordt volledig ingepalmd door de n.v. Colruyt (ill. 34.2.14), die er haar distributiecentrum en technische diensten heeft ontwikkeld en er op dit ogenblik, (2008), een groot gebouw (ill. 34.2.15) optrekt met de bedoeling er nieuwe toonzalen voor de collyshopprodukten te bouwen om de winkel van op de Bergensesteenweg in het centrum van Halle naar ‘t ‘H E L L E B R O E K ’ over te brengen.

Een tiental arbeiderswoningen moesten hiervoor worden afgebroken.

 

Even verder werd een korte afrit van de A8/E429 aangelegd, die rechtover de ingang van de Colruytparking van het verkoopmagazijn uitkomt. Naast de afrit werd zoveel mogelijk parkeerruimte gecreëerd, maar de carpoolparking heeft tot op heden slechts een bezetting van 4%.

 

Onmiddellijk voorbij de overbrugging van de steenweg door de autoweg bevindt zich aan de linkerkant het hoogste punt van de ‘Uilenberg’, die, naar beneden toe, aansluit op ‘t Hellebroek en, richting Hondzocht, halverwege de 18de eeuw, paalde aan het ‘PRINCENBOSCH VELDT’.

Het was het laatste veld dat lag op het grondgebied van Halle langsheen de oude weg naar Edingen die toentertijd aldaar de ‘Labstraet(e)’ heette en de kouter het ‘Oude Galghevelt’ werd genoemd. Hier zal ooit een galg gestaan hebben. Reeds in een tekst van 1401 werd hiervan melding gemaakt. Galgen werden altijd geplaatst aan de grens van het domein.

De naam ‘Labstraet(e)’ houdt waarschijnlijk verband met het Lembeekse toponiem ‘LABBEEKVIJVER’, reeds vernoemd in 1480. Deze werd gevoed door de ‘Labbeek’, een vervorming van ‘Labeek – Laakbeek’ Een laakt is een verzamelnaam voor het geheel van plassen en poelen, een benaming die regelmatig opduikt in oude teksten.

 

Op de figuratieve kaart van 1754 komt het toponiem ‘Huylenbergh’ voor, wat meteen de oorspronkelijke betekenis ervan verduidelijkt.

Het ging hier over een ruim en open landschap, in casu op een hoogte gelegen, waar de wind loeide, gierde, huilde, hevig te keer ging. De benaming heeft absoluut geen uitstaans met uilen (vogelsoort) die aldaar zouden vertoefd hebben.

Een dusdanige vernederlandsing van de benaming is dan ook onterecht. Trouwens het adres van Griet Colruyt, die, boven op de berg een prachtige villa bezit, is ter plekke aangeduid als ‘Heulenberg’ nr. 455.

 

Tot in 1930, toen een grenscorrectie tussen Halle en Lembeek – een van de oudste Belgische gemeenten -  werd doorgevoerd, strekte het ‘Princenbosch veldt’ zich uit tot aan de ‘Carenberg / Karenberg’, die de grens vormde tussen beide lokaliteiten, maar ondertussen tot                P R I N S E N B O S   werd omgedoopt.

De benaming spreekt voor zichzelf. Het betreft het bos van de prins, i.a.w. van de heer van Lembeek.

 

In 1571 kwamen de heerlijkheden Galmaarden en Lembeek, dat vroeger een leen van Edingen was, in handen van de ingezetene Jean Grusset, die de familienaam van zijn moeder (Marguerite) Richardot aannam.

Richardot, heer van Lembeek, was een van de belangrijkste diplomaten en staatslieden. Hij was voorzitter van de Privé Raad, de Geheime Raad van de Nederlanden en vertegenwoordigde zowat het opperste gezag in de regio. Hij liet in Lembeek een kasteel bouwen, maar het werd verwoest op het einde van de 16de eeuw,

Tussen 1618 en 1624 werd het kasteel (ill. 34.2.16)heropgebouwd in Lembeeks cambrium  (scheursteen) door prins Willem Richardot, kanselier van Dworp, baron van Lembeek en zijn echtgenote Anne Margriet de Rye.

     De heerlijkheid bleef in hun familie tot in 1701.

Na de dood van de laatste baron Claude Richardot, tevens prins van Steenhuyse, ging de eigendom over naar zijn vrouw, later naar haar familie de Bournonville.

 

     Uiteindelijk kwam de heerlijkheid in handen van de familie d’Ursel.

De tweede hertog d’Ursel (1717-1775) trouwde met prinses Eléonore van Lobkowicz. Zij kregen als schoonzoon de bekende kaartontwerper maarschalk Ferraris. Zijn zoon, derde hertog d’Ursel (1750-1804), generaal majoor, huwde met prinses Flore d’Arenberg.

 

In 1853 werd de heerlijkheid door Paul Claes aankocht en verder doorverkocht in 1904 aan de Broeders der Christelijke Scholen, de Congregatie van Jean-Baptiste de la Salle, die er hun administratieve hoofdzetel vestigden tot in 1936.

In 1969 verkochten zij de volledige eigendom aan de firma Colruyt die het prachtige kasteel liet slopen in 1972. Achteraf  kon de stad Halle het eigendomsrecht verwerven.

 

Even verder lag weleer de ‘PRINCENBOSCHDRIESCH’, een schapenweide, nu het Kriekenveld geworden.

 

De heuvelflank tussen ’t Prinsenbos en de  A R T U R   P U E S -       S T R A A T  stond bekend als de “Vignoble”, de ‘Wijngaard’, waarvan de opbrengst slechts afhankelijk was van GOD en van de ZON. Dit typisch gezegde komt uit de oorkonden waarbij de vrije heerlijkheid Lembeek aan geen enkele feodale hiërarchie was onderworpen.

Een klein bebost gebied voorbij het Prinsenbos kreeg als toponiem ‘STERRE BOSCH’, het bos van de ster, ‘sterre’ in het Middelnederlands. De huidige Sterrestraat herinnert nog aan deze vroegere benaming.

 

In de tweede helft van de 20ste eeuw werd er een grote villawijk aangelegd met straatbenamingen van diverse boomsoorten (beuken, olmen, populieren, esdoorn en kriekenveld).

 

Aan de overkant van het ‘Princenboschveldt’ kreeg de E 429 / A 8 een oprit van en een afrit naar de Edingensesteenweg. 

 

H O N D Z O C H T

- - - - - - - - - - - - - - -

 

     was in 1565 een leengoed van de grondheerlijkheid van Ottignies. Het centrum was een grote hoeve, die, in de documenten van de 17de en 18de eeuw, “La Cense Rouge” werd genoemd. In de loop van de 17de eeuw ging de heerlijkheid een aantal keer op een andere familie over, tot ze in 1665 werd gekocht door Henri Lemire en, via zijn kleindochter, terechtkwam bij de familie de Giey.

Guillaume baron de Giey de Hondschot (?) en zijn dame Eléonore-Henriette Lemire bezitten een prachtige grafsteen achteraan in de Paterskerk te Halle. Betrokkene (1649 – 1733) was lange tijd als kapitein in dienst van Lodewijk XIV en werd bevorderd tot luitenant en gouverneur van het graafschap Henegouwen en van de stad Mons (Bergen).

 

Door erfenis, huwelijk en aankoop werd het domein de daaropvolgende generaties aanzienlijk uitgebreid.

De laatste heer van Hondzocht was Theodore–Ghislain–Nicolas de Giey, burgemeester van Lembeek van 1816 tot 1825. De baron woonde op het kasteel, waar niets van bewaard is gebleven. De rest van het domein werd verpacht. Hij overleed ongehuwd in 1846. Hij werd als eerste begraven op het toenmalige nieuwe kerkhof van Lembeek gelegen aan de ‘Kerkhofstraat’, nu de Sterrestraat en liet zijn kasteel van Hondzocht met al zijn bezittingen over aan burgemeester Ch. Claes. Op dat ogenblik omvatte het domein ± 58 ha.

De kasteelhoeve kreeg de volksnaam ‘Margaille’ naar de bijnaam van een der nakomelingen van de eigenaars – pachters.

 

In de ontwikkeling van Hondzocht speelde de aanleg van de nieuwe steenweg van Halle naar Edingen, in de tweede helft van de 18de eeuw, een belangrijke rol. Lembeek was een vrijheerlijkheid en haar inwoners konden hun koopwaar vrij van tol- en accijnsrechten vervoeren. Met de moderne infrastructuur verliep het transport heel wat vlotter en de Lembeekse jenever stroomde naar Halle en Edingen. Langs de weg rezen herbergen, hoeves en jeneverstokerijen uit de grond. De aanleg van de baan liet twintig jaar op zich wachten omdat er geschillen waren met Edingen over de belastingsheffing op de herbergen. Edingen wou ze kost wat kost aan belasting onderwerpen, maar dit was voor Lembeek uiteraard onaanvaardbaar. 

 

De Lembeekse nederzetting Hondzocht was in 1830, ten tijde van de Belgische Onafhankelijkheid, belangrijker dan de nederzetting langsheen de Steenweg naar Mons (Bergen). Zij was de tweede aangelegde steenweg in het gebied rond Halle en dateert van 1765. Doch reeds voorheen was Hondzocht (Handshochte, Hondzocq en andere varianten) dermate belangrijk, dat deze benaming voorkomt op de meeste  kaarten uit de 16de, 17de en 18de eeuw.

 

De meest aanvaardbare uitleg voor de naamvorming zou zijn: hond = huisdier, maar is ook een oude vlaktemaat gelijk aan honderd vierkante roeden.

Zocht is afgeleid van de Middelnederlandse woorden ‘socht / sucht’ van waar het werkwoord zuchten afkomstig is. Een zucht is niet enkel een sterke uitademing maar heeft ook de betekenis van ‘sterke begeerte’ en van ‘zeer hevig verlangen naar’.

De benaming Hondzocht zou derhalve kunnen slaan op een plaats waar gestreefd werd naar landontginning. Legendes hieromtrent zijn uit den boze.

Opvallend zijn alleszins de vele grote akkers en hoeven die benevens de baan naar Edingen liggen: ‘Het Princenboschveldt, ’t Kriekenveld, de Kruysschen Heyde, ’t Kapellenveld, het Limbourgsveld en het Krokemveld’, zonder dan nog gewag te maken van ‘Den Hoogen Meer’ met het ‘Dassenveld’ als uitschieter.

 

Was in 1830 het gehucht Hondzocht nog belangrijk als entiteit gegroeid uit de heerlijkheden Hondzocht en Termeeren, dan werd deze dorpsuitbreiding uitgebouw als centrum (postgebouw, oud gemeentehuis, gemeentelijk onderwijs, handelsstraat,…) zelfs ten koste van het historische dorpscentrum van Lembeek.

Drie typische hoeves, waaronder het Hof Cottom, zijn beschermd als monument. Ook de omgeving van de hoeves is beschermd als dorpsgezicht.

 

De vele herbergen die er vroeger hoogtij vierden zijn ondertussen gereduceerd tot het typische café ‘Hondzocht’ (nr. 696 – ill. 34.2.17)

 

Hoewel het gehucht Hondzocht volledig op het grondgebied van de deelgemeente Lembeek ligt is het toch gepast melding te maken van enkele bijzondere hoeves en andere merkwaardigheden, die langsheen de Edingensesteenweg uit historisch oogpunt van groot belang zijn.

 

Vooraf enkele historische gegevens.

 

In 1680 kocht de familie Claes een hoeve op het gehucht Hondzocht om ze als brouwerij in te richten. Op het einde van de 17de eeuw was zij de eerste om hun boerderij - brouwerij om te bouwen tot jeneverstokerij.

Een distilleerketel had in die tijd dezelfde vorm als een brouwketel. Om te stoken werd er    enkel een ‘hoed’ opgezet. Het was dus eenvoudig om een brouwerij om te vormen tot stokerij en vice versa.

Dank zij het accijnsvrije regime van de vrije heerlijkheid Lembeek was de fabricatie van jenever een groot succes.

Bij de aanleg van de nieuwe steenweg naar Edingen in 1770 moest de brouwerij – stokerij afgebroken worden. Nieuwe gebouwen werden langs de steenweg opgetrokken. Een gedeelte ervan bestaat nog steeds.

 

De aanhechting bij Frankrijk in 1794 luidde echter de doodsklok over de brouwerijen en de stokerijen. Lembeek was trouwens tot in Frankrijk gekend als ‘stokershol’. De gemeente werd verkeerdelijk “village des alambics” (= distilleerketels) genaamd. Met de Franse schrijfwijze “Limbecq/Lambecq/Lembecq” we

Hoe vind je dit bericht? 68 stemmen
Geschreven door rogier om 00:00 4 reacties Reageer op dit bericht

Meer van HALLE door de eeuwen heen

↑ Terug naar de berichten