Naar de inhoud

Zijnzoeken

In het spoor van Heidegger zoeken naar de zin van Zijn.
seniorennet.beseniorennet.be

Archief

                Een denker is een rugzaktoerist

Vandaag ben ik maar weer eens in M. Heideggers Zur Sache des Denkens gedoken. De eerste 25 pp. onder de titel Zeit und Sein, zijn afgrondelijk diep! Dat is een voordracht van januari 1962 en zou de uitwerking zijn van het deel van Sein und Zeit, dat hij in 1927 niet publiceerde en zou verbrand hebben. Ik lees het voor de zoveelste keer!

Vandaag blijf ik ander half uur hangen bij p 1 & 2. Je kunt je niet voorstellen hoe secuur M. Heidegger zijn inzichten formuleerde! Zelfs de terzijdes. En juist daarin verraadt hij zich nog het meest! In dat 'en passant' gezegde.

In het begin denkt hij na over wat denken is, waartoe denken dient, wat denken inhoudt, hoe het werkt, welke middelen het aanwendt en welke resultaten het oplevert.

Om daarover iets te kunnen zeggen, vraagt hij zich af hoe we naar een schilderij van Paul Klee kijken, hoe wel een gedicht van Georg Trakl lezen of een mathematisch-fysische uiteenzetting van Werner Heisenberg.

Telkens sluit hij dat voorbeeld af met het refreintje dat we telkens : "jeden Anspruch auf unmittelbare Verständlichkeit preisgeben." Iedereen aanvaardt grif dat afzien van onmiddellijk begrip voor poëzie, voor schilderkunst, voor natuurwetenschappelijke uiteenzettingen. Daartegenover vinden we dat het filosofische denken voor iedereen onmiddellijk en zo maar bereikbaar is en moet zijn! Dat daar onmiddellijke inzichten en levenswijsheden onmiddellijk voor het oprapen liggen.

Ik vind dat M. Heideggers visie dicht aanleunt bij de Tao: voorbij onze woorden, voorbij ons spreken, voorbij taal, voorbij kennen en weten, voorbij denken ligt een gebied waarvoor wij 'ni voile ni barque' (Littré ) hebben. Iets dat ons totaal ontsnapt, dat we nooit in de greep krijgen of zullen krijgen. Iets dat we nauwelijks kunnen vermoeden, waar we naar kunnen verlangen, naar kunnen hunkeren, maar dat zoals de einder, wijkt bij elke benadering. Door elke benadering. Het schilderij, het gedicht, de beschouwing verwijzen naar iets dat daar voorbij ligt. Ze zijn zelf , alleen, allenig, op zichzelf, niets; ze hebben zelf geen inhoud, zijn louter verwijzing. Het zijn weg-wijzers. Door-verwijzers. Ze zetten ons op weg naar een onbestemd gebied.

Ze trekken onze aandacht, geven aanzetten, leggen merkstenen, vlondertjes, waar je over moet stappen. Maar de oversteek moeten we zelf voltrekken! En ook het zien dat het maar verwijzers zijn, moeten we zelf voltrekken. Die oversteek is riskant en zonder zekerheid noch grond. Zelfs de hulpmiddelen zijn maar van betwijfelbaar allooi, met onvoorspelbare uitkomst. Grassprietjes waaraan we een vol vertrouwen moeten aan op hangen. De overkant valt amper te vermoeden. We moeten wel zelf de weg-wijzer ontcijferen.

Heidegger zegt dat de luisteraars naar Aussagesätzen moeten 'zugehören, weil es gilt, Unvergängliches, aber Vorläufiges zu denken."

Dat is dus denken!

Je overleveren aan krakkemikkige middelen ( géén feilloos werkende oorzaken! ). Maar het 'moet': Unumgängliches, al blijft het resultaat maar 'Vorläufiges'. Opvallend dat de laatste woorden van zijn voordracht tot het publiek luiden: 'Er had nur in Aussagesätzen gesprochen."

Er volgt een verslag van een seminarie over deze voordracht , en dat verslag sluit af met een citaat van H. E. Nossach: " Man müsse da sein, sagte er, wenn man angerufen werde, .. "

Denken: wat een riskante, onzekere, en toch zijns-noodzakelijke bezigheid!

Het denken reikt voorbij alle hulpmiddelen. Reikt tot in de buurt van het enige echte, noodzakelijke.

Tot nabij het Unumgängliche;

Maar het blijft 'Vorläufiges'.

Met ontoereikende middelen.

Op basis van door-verwijzingen.

Je moet de wegwijzer wel zien, en dan zelf interpreteren!

Dat subtiele spel van zien en interpreteren! Van krijgen en zelf realiseren.

Dat citaat van Nossach heb ik afgebroken, en gaat verder: " doch selbst anrufen, das sei das Verkehrteste, was man tun könne."

Denken blijft een riskante onderneming! Een klontje suiker verdwijnt onontkoombaar in de koffie. Daar komt geen denken bij te pas. Daar is geen uitweg mogelijk, geen wijkende einder, geen weg ernaast of erover!

We mogen ons op schilderijen , op gedichten, op theorieën niet blind staren. Ze zijn HET niet. We moeten er voorbij proberen te kijken! Tao!

De weg die niet te volgen is! ( P. de Martelaere )

De wegwijzers achter ons laten, onze schepen achter ons verbranden, het onbekende tegemoet.

Voorbij taal en weten.

M. Heidegger denkt totaal buiten elk natuurcausaal verband! Denken is geen causaal proces, met vast verloop en vooraf vastgelegde uitkomst, Ge-volg-en. Denken verloopt totaal anders. Blijft in het ongewisse. Zonder bewijzen, zonder dwingende argumenten, zonder logica, zonder strenge methodes, zonder routines of afspraken of geplogenheden. Geen evidentie, geen gronden, geen steunpunten, geen fundamentum inconcussum.

Denken is grabbelen naar houvast, ronddraaiend en meegesleurd naar het hart van de maalstroom.

M. Heidegger geeft zijn gehoor dan ook vooraf een 'Wink': "Es gilt, nicht eine Reihe von Aussagesätzen anzuhören, sondern dem Gang des Zeigens zu folgen."

Heidegger noemde zijn boeken ook : "Geen Werken, maar Wegen".

Denken is op weg zijn, onder weg zijn. Homo viator.

Een denker is een pover uitgeruste rugzaktoerist.

Heidegger zegt zelfs nog scherper: "Aussagesätzen" zijn ‘Hindernisse’, die ‘zu überwinden sein’, want op zich ‘unzureichend’ . Hij besluit zijn voordracht met de bedenking: ze zullen zeggen: "Er hat nur im Aussagesätzen gesprochen!" p.25.

Hoe vaak voelen we ons zo, zonder stevige houvast? Welke zekerheid? Hoe ver voorbij de gegeven feiten moeten we zelf denken, enkel steunend op onszelf. Rugzaktoerist in eigen ziel!

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door Ramulus om 15:22 Reageer op dit bericht

                Een denker is een rugzaktoerist

Vandaag ben ik maar weer eens in M. Heideggers Zur Sache des Denkens gedoken. De eerste 25 pp. onder de titel Zeit und Sein, zijn afgrondelijk diep! Dat is een voordracht van januari 1962 en zou de uitwerking zijn van het deel van Sein und Zeit, dat hij in 1927 niet publiceerde en zou verbrand hebben. Ik lees het voor de zoveelste keer!

Vandaag blijf ik ander half uur hangen bij p 1 & 2. Je kunt je niet voorstellen hoe secuur M. Heidegger zijn inzichten formuleerde! Zelfs de terzijdes. En juist daarin verraadt hij zich nog het meest! In dat 'en passant' gezegde.

In het begin denkt hij na over wat denken is, waartoe denken dient, wat denken inhoudt, hoe het werkt, welke middelen het aanwendt en welke resultaten het oplevert.

Om daarover iets te kunnen zeggen, vraagt hij zich af hoe we naar een schilderij van Paul Klee kijken, hoe wel een gedicht van Georg Trakl lezen of een mathematisch-fysische uiteenzetting van Werner Heisenberg.

Telkens sluit hij dat voorbeeld af met het refreintje dat we telkens : "jeden Anspruch auf unmittelbare Verständlichkeit preisgeben." Iedereen aanvaardt grif dat afzien van onmiddellijk begrip voor poëzie, voor schilderkunst, voor natuurwetenschappelijke uiteenzettingen. Daartegenover vinden we dat het filosofische denken voor iedereen onmiddellijk en zo maar bereikbaar is en moet zijn! Dat daar onmiddellijke inzichten en levenswijsheden onmiddellijk voor het oprapen liggen.

Ik vind dat M. Heideggers visie dicht aanleunt bij de Tao: voorbij onze woorden, voorbij ons spreken, voorbij taal, voorbij kennen en weten, voorbij denken ligt een gebied waarvoor wij 'ni voile ni barque' (Littré ) hebben. Iets dat ons totaal ontsnapt, dat we nooit in de greep krijgen of zullen krijgen. Iets dat we nauwelijks kunnen vermoeden, waar we naar kunnen verlangen, naar kunnen hunkeren, maar dat zoals de einder, wijkt bij elke benadering. Door elke benadering. Het schilderij, het gedicht, de beschouwing verwijzen naar iets dat daar voorbij ligt. Ze zijn zelf , alleen, allenig, op zichzelf, niets; ze hebben zelf geen inhoud, zijn louter verwijzing. Het zijn weg-wijzers. Door-verwijzers. Ze zetten ons op weg naar een onbestemd gebied.

Ze trekken onze aandacht, geven aanzetten, leggen merkstenen, vlondertjes, waar je over moet stappen. Maar de oversteek moeten we zelf voltrekken! En ook het zien dat het maar verwijzers zijn, moeten we zelf voltrekken. Die oversteek is riskant en zonder zekerheid noch grond. Zelfs de hulpmiddelen zijn maar van betwijfelbaar allooi, met onvoorspelbare uitkomst. Grassprietjes waaraan we een vol vertrouwen moeten aan op hangen. De overkant valt amper te vermoeden. We moeten wel zelf de weg-wijzer ontcijferen.

Heidegger zegt dat de luisteraars naar Aussagesätzen moeten 'zugehören, weil es gilt, Unvergängliches, aber Vorläufiges zu denken."

Dat is dus denken!

Je overleveren aan krakkemikkige middelen ( géén feilloos werkende oorzaken! ). Maar het 'moet': Unumgängliches, al blijft het resultaat maar 'Vorläufiges'. Opvallend dat de laatste woorden van zijn voordracht tot het publiek luiden: 'Er had nur in Aussagesätzen gesprochen."

Er volgt een verslag van een seminarie over deze voordracht , en dat verslag sluit af met een citaat van H. E. Nossach: " Man müsse da sein, sagte er, wenn man angerufen werde, .. "

Denken: wat een riskante, onzekere, en toch zijns-noodzakelijke bezigheid!

Het denken reikt voorbij alle hulpmiddelen. Reikt tot in de buurt van het enige echte, noodzakelijke.

Tot nabij het Unumgängliche;

Maar het blijft 'Vorläufiges'.

Met ontoereikende middelen.

Op basis van door-verwijzingen.

Je moet de wegwijzer wel zien, en dan zelf interpreteren!

Dat subtiele spel van zien en interpreteren! Van krijgen en zelf realiseren.

Dat citaat van Nossach heb ik afgebroken, en gaat verder: " doch selbst anrufen, das sei das Verkehrteste, was man tun könne."

Denken blijft een riskante onderneming! Een klontje suiker verdwijnt onontkoombaar in de koffie. Daar komt geen denken bij te pas. Daar is geen uitweg mogelijk, geen wijkende einder, geen weg ernaast of erover!

We mogen ons op schilderijen , op gedichten, op theorieën niet blind staren. Ze zijn HET niet. We moeten er voorbij proberen te kijken! Tao!

De weg die niet te volgen is! ( P. de Martelaere )

De wegwijzers achter ons laten, onze schepen achter ons verbranden, het onbekende tegemoet.

Voorbij taal en weten.

M. Heidegger denkt totaal buiten elk natuurcausaal verband! Denken is geen causaal proces, met vast verloop en vooraf vastgelegde uitkomst, Ge-volg-en. Denken verloopt totaal anders. Blijft in het ongewisse. Zonder bewijzen, zonder dwingende argumenten, zonder logica, zonder strenge methodes, zonder routines of afspraken of geplogenheden. Geen evidentie, geen gronden, geen steunpunten, geen fundamentum inconcussum.

Denken is grabbelen naar houvast, ronddraaiend en meegesleurd naar het hart van de maalstroom.

M. Heidegger geeft zijn gehoor dan ook vooraf een 'Wink': "Es gilt, nicht eine Reihe von Aussagesätzen anzuhören, sondern dem Gang des Zeigens zu folgen."

Heidegger noemde zijn boeken ook : "Geen Werken, maar Wegen".

Denken is op weg zijn, onder weg zijn. Homo viator.

Een denker is een pover uitgeruste rugzaktoerist.

Heidegger zegt zelfs nog scherper: "Aussagesätzen" zijn ‘Hindernisse’, die ‘zu überwinden sein’, want op zich ‘unzureichend’ . Hij besluit zijn voordracht met de bedenking: ze zullen zeggen: "Er hat nur im Aussagesätzen gesprochen!" p.25.

Hoe vaak voelen we ons zo, zonder stevige houvast? Welke zekerheid? Hoe ver voorbij de gegeven feiten moeten we zelf denken, enkel steunend op onszelf. Rugzaktoerist in eigen ziel!

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Ramulus om 15:16 Reageer op dit bericht

                Een denker is een rugzaktoerist

Vandaag ben ik maar weer eens in M. Heideggers Zur Sache des Denkens gedoken. De eerste 25 pp. onder de titel Zeit und Sein, zijn afgrondelijk diep! Dat is een voordracht van januari 1962 en zou de uitwerking zijn van het deel van Sein und Zeit, dat hij in 1927 niet publiceerde en zou verbrand hebben. Ik lees het voor de zoveelste keer!

Vandaag blijf ik ander half uur hangen bij p 1 & 2. Je kunt je niet voorstellen hoe secuur M. Heidegger zijn inzichten formuleerde! Zelfs de terzijdes. En juist daarin verraadt hij zich nog het meest! In dat 'en passant' gezegde.

In het begin denkt hij na over wat denken is, waartoe denken dient, wat denken inhoudt, hoe het werkt, welke middelen het aanwendt en welke resultaten het oplevert.

Om daarover iets te kunnen zeggen, vraagt hij zich af hoe we naar een schilderij van Paul Klee kijken, hoe wel een gedicht van Georg Trakl lezen of een mathematisch-fysische uiteenzetting van Werner Heisenberg.

Telkens sluit hij dat voorbeeld af met het refreintje dat we telkens : "jeden Anspruch auf unmittelbare Verständlichkeit preisgeben." Iedereen aanvaardt grif dat afzien van onmiddellijk begrip voor poëzie, voor schilderkunst, voor natuurwetenschappelijke uiteenzettingen. Daartegenover vinden we dat het filosofische denken voor iedereen onmiddellijk en zo maar bereikbaar is en moet zijn! Dat daar onmiddellijke inzichten en levenswijsheden onmiddellijk voor het oprapen liggen.

Ik vind dat M. Heideggers visie dicht aanleunt bij de Tao: voorbij onze woorden, voorbij ons spreken, voorbij taal, voorbij kennen en weten, voorbij denken ligt een gebied waarvoor wij 'ni voile ni barque' (Littré ) hebben. Iets dat ons totaal ontsnapt, dat we nooit in de greep krijgen of zullen krijgen. Iets dat we nauwelijks kunnen vermoeden, waar we naar kunnen verlangen, naar kunnen hunkeren, maar dat zoals de einder, wijkt bij elke benadering. Door elke benadering. Het schilderij, het gedicht, de beschouwing verwijzen naar iets dat daar voorbij ligt. Ze zijn zelf , alleen, allenig, op zichzelf, niets; ze hebben zelf geen inhoud, zijn louter verwijzing. Het zijn weg-wijzers. Door-verwijzers. Ze zetten ons op weg naar een onbestemd gebied.

Ze trekken onze aandacht, geven aanzetten, leggen merkstenen, vlondertjes, waar je over moet stappen. Maar de oversteek moeten we zelf voltrekken! En ook het zien dat het maar verwijzers zijn, moeten we zelf voltrekken. Die oversteek is riskant en zonder zekerheid noch grond. Zelfs de hulpmiddelen zijn maar van betwijfelbaar allooi, met onvoorspelbare uitkomst. Grassprietjes waaraan we een vol vertrouwen moeten aan op hangen. De overkant valt amper te vermoeden. We moeten wel zelf de weg-wijzer ontcijferen.

Heidegger zegt dat de luisteraars naar Aussagesätzen moeten 'zugehören, weil es gilt, Unvergängliches, aber Vorläufiges zu denken."

Dat is dus denken!

Je overleveren aan krakkemikkige middelen ( géén feilloos werkende oorzaken! ). Maar het 'moet': Unumgängliches, al blijft het resultaat maar 'Vorläufiges'. Opvallend dat de laatste woorden van zijn voordracht tot het publiek luiden: 'Er had nur in Aussagesätzen gesprochen."

Er volgt een verslag van een seminarie over deze voordracht , en dat verslag sluit af met een citaat van H. E. Nossach: " Man müsse da sein, sagte er, wenn man angerufen werde, .. "

Denken: wat een riskante, onzekere, en toch zijns-noodzakelijke bezigheid!

Het denken reikt voorbij alle hulpmiddelen. Reikt tot in de buurt van het enige echte, noodzakelijke.

Tot nabij het Unumgängliche;

Maar het blijft 'Vorläufiges'.

Met ontoereikende middelen.

Op basis van door-verwijzingen.

Je moet de wegwijzer wel zien, en dan zelf interpreteren!

Dat subtiele spel van zien en interpreteren! Van krijgen en zelf realiseren.

Dat citaat van Nossach heb ik afgebroken, en gaat verder: " doch selbst anrufen, das sei das Verkehrteste, was man tun könne."

Denken blijft een riskante onderneming! Een klontje suiker verdwijnt onontkoombaar in de koffie. Daar komt geen denken bij te pas. Daar is geen uitweg mogelijk, geen wijkende einder, geen weg ernaast of erover!

We mogen ons op schilderijen , op gedichten, op theorieën niet blind staren. Ze zijn HET niet. We moeten er voorbij proberen te kijken! Tao!

De weg die niet te volgen is! ( P. de Martelaere )

De wegwijzers achter ons laten, onze schepen achter ons verbranden, het onbekende tegemoet.

Voorbij taal en weten.

M. Heidegger denkt totaal buiten elk natuurcausaal verband! Denken is geen causaal proces, met vast verloop en vooraf vastgelegde uitkomst, Ge-volg-en. Denken verloopt totaal anders. Blijft in het ongewisse. Zonder bewijzen, zonder dwingende argumenten, zonder logica, zonder strenge methodes, zonder routines of afspraken of geplogenheden. Geen evidentie, geen gronden, geen steunpunten, geen fundamentum inconcussum.

Denken is grabbelen naar houvast, ronddraaiend en meegesleurd naar het hart van de maalstroom.

M. Heidegger geeft zijn gehoor dan ook vooraf een 'Wink': "Es gilt, nicht eine Reihe von Aussagesätzen anzuhören, sondern dem Gang des Zeigens zu folgen."

Heidegger noemde zijn boeken ook : "Geen Werken, maar Wegen".

Denken is op weg zijn, onder weg zijn. Homo viator.

Een denker is een pover uitgeruste rugzaktoerist.

Heidegger zegt zelfs nog scherper: "Aussagesätzen" zijn ‘Hindernisse’, die ‘zu überwinden sein’, want op zich ‘unzureichend’ . Hij besluit zijn voordracht met de bedenking: ze zullen zeggen: "Er hat nur im Aussagesätzen gesprochen!" p.25.

Hoe vaak voelen we ons zo, zonder stevige houvast? Welke zekerheid? Hoe ver voorbij de gegeven feiten moeten we zelf denken, enkel steunend op onszelf. Rugzaktoerist in eigen ziel!

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Ramulus om 15:16 Reageer op dit bericht

                Een denker is een rugzaktoerist

Vandaag ben ik maar weer eens in M. Heideggers Zur Sache des Denkens gedoken. De eerste 25 pp. onder de titel Zeit und Sein, zijn afgrondelijk diep! Dat is een voordracht van januari 1962 en zou de uitwerking zijn van het deel van Sein und Zeit, dat hij in 1927 niet publiceerde en zou verbrand hebben. Ik lees het voor de zoveelste keer!

Vandaag blijf ik ander half uur hangen bij p 1 & 2. Je kunt je niet voorstellen hoe secuur M. Heidegger zijn inzichten formuleerde! Zelfs de terzijdes. En juist daarin verraadt hij zich nog het meest! In dat 'en passant' gezegde.

In het begin denkt hij na over wat denken is, waartoe denken dient, wat denken inhoudt, hoe het werkt, welke middelen het aanwendt en welke resultaten het oplevert.

Om daarover iets te kunnen zeggen, vraagt hij zich af hoe we naar een schilderij van Paul Klee kijken, hoe wel een gedicht van Georg Trakl lezen of een mathematisch-fysische uiteenzetting van Werner Heisenberg.

Telkens sluit hij dat voorbeeld af met het refreintje dat we telkens : "jeden Anspruch auf unmittelbare Verständlichkeit preisgeben." Iedereen aanvaardt grif dat afzien van onmiddellijk begrip voor poëzie, voor schilderkunst, voor natuurwetenschappelijke uiteenzettingen. Daartegenover vinden we dat het filosofische denken voor iedereen onmiddellijk en zo maar bereikbaar is en moet zijn! Dat daar onmiddellijke inzichten en levenswijsheden onmiddellijk voor het oprapen liggen.

Ik vind dat M. Heideggers visie dicht aanleunt bij de Tao: voorbij onze woorden, voorbij ons spreken, voorbij taal, voorbij kennen en weten, voorbij denken ligt een gebied waarvoor wij 'ni voile ni barque' (Littré ) hebben. Iets dat ons totaal ontsnapt, dat we nooit in de greep krijgen of zullen krijgen. Iets dat we nauwelijks kunnen vermoeden, waar we naar kunnen verlangen, naar kunnen hunkeren, maar dat zoals de einder, wijkt bij elke benadering. Door elke benadering. Het schilderij, het gedicht, de beschouwing verwijzen naar iets dat daar voorbij ligt. Ze zijn zelf , alleen, allenig, op zichzelf, niets; ze hebben zelf geen inhoud, zijn louter verwijzing. Het zijn weg-wijzers. Door-verwijzers. Ze zetten ons op weg naar een onbestemd gebied.

Ze trekken onze aandacht, geven aanzetten, leggen merkstenen, vlondertjes, waar je over moet stappen. Maar de oversteek moeten we zelf voltrekken! En ook het zien dat het maar verwijzers zijn, moeten we zelf voltrekken. Die oversteek is riskant en zonder zekerheid noch grond. Zelfs de hulpmiddelen zijn maar van betwijfelbaar allooi, met onvoorspelbare uitkomst. Grassprietjes waaraan we een vol vertrouwen moeten aan op hangen. De overkant valt amper te vermoeden. We moeten wel zelf de weg-wijzer ontcijferen.

Heidegger zegt dat de luisteraars naar Aussagesätzen moeten 'zugehören, weil es gilt, Unvergängliches, aber Vorläufiges zu denken."

Dat is dus denken!

Je overleveren aan krakkemikkige middelen ( géén feilloos werkende oorzaken! ). Maar het 'moet': Unumgängliches, al blijft het resultaat maar 'Vorläufiges'. Opvallend dat de laatste woorden van zijn voordracht tot het publiek luiden: 'Er had nur in Aussagesätzen gesprochen."

Er volgt een verslag van een seminarie over deze voordracht , en dat verslag sluit af met een citaat van H. E. Nossach: " Man müsse da sein, sagte er, wenn man angerufen werde, .. "

Denken: wat een riskante, onzekere, en toch zijns-noodzakelijke bezigheid!

Het denken reikt voorbij alle hulpmiddelen. Reikt tot in de buurt van het enige echte, noodzakelijke.

Tot nabij het Unumgängliche;

Maar het blijft 'Vorläufiges'.

Met ontoereikende middelen.

Op basis van door-verwijzingen.

Je moet de wegwijzer wel zien, en dan zelf interpreteren!

Dat subtiele spel van zien en interpreteren! Van krijgen en zelf realiseren.

Dat citaat van Nossach heb ik afgebroken, en gaat verder: " doch selbst anrufen, das sei das Verkehrteste, was man tun könne."

Denken blijft een riskante onderneming! Een klontje suiker verdwijnt onontkoombaar in de koffie. Daar komt geen denken bij te pas. Daar is geen uitweg mogelijk, geen wijkende einder, geen weg ernaast of erover!

We mogen ons op schilderijen , op gedichten, op theorieën niet blind staren. Ze zijn HET niet. We moeten er voorbij proberen te kijken! Tao!

De weg die niet te volgen is! ( P. de Martelaere )

De wegwijzers achter ons laten, onze schepen achter ons verbranden, het onbekende tegemoet.

Voorbij taal en weten.

M. Heidegger denkt totaal buiten elk natuurcausaal verband! Denken is geen causaal proces, met vast verloop en vooraf vastgelegde uitkomst, Ge-volg-en. Denken verloopt totaal anders. Blijft in het ongewisse. Zonder bewijzen, zonder dwingende argumenten, zonder logica, zonder strenge methodes, zonder routines of afspraken of geplogenheden. Geen evidentie, geen gronden, geen steunpunten, geen fundamentum inconcussum.

Denken is grabbelen naar houvast, ronddraaiend en meegesleurd naar het hart van de maalstroom.

M. Heidegger geeft zijn gehoor dan ook vooraf een 'Wink': "Es gilt, nicht eine Reihe von Aussagesätzen anzuhören, sondern dem Gang des Zeigens zu folgen."

Heidegger noemde zijn boeken ook : "Geen Werken, maar Wegen".

Denken is op weg zijn, onder weg zijn. Homo viator.

Een denker is een pover uitgeruste rugzaktoerist.

Heidegger zegt zelfs nog scherper: "Aussagesätzen" zijn ‘Hindernisse’, die ‘zu überwinden sein’, want op zich ‘unzureichend’ . Hij besluit zijn voordracht met de bedenking: ze zullen zeggen: "Er hat nur im Aussagesätzen gesprochen!" p.25.

Hoe vaak voelen we ons zo, zonder stevige houvast? Welke zekerheid? Hoe ver voorbij de gegeven feiten moeten we zelf denken, enkel steunend op onszelf. Rugzaktoerist in eigen ziel!

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Ramulus om 15:16 Reageer op dit bericht

Taal ern kennis, vervolg & slot

              TAAL en KENNIS
Vervolg en slot


Bestaat er een metafysica van het kennen, van het weten, van het talige leven? Dat is in elk geval een enigmatisch Zijn, zo hoorden we de jonge Martin Heidegger reeds beweren.

Er is wel dat fameuze eerste zinnetje van Aristoteles in zijn Metafysica Alfa:

« Alle mensen streven van nature naar kennis. » (Thomas a Kempis citeert die zin letterlijk, zonder verwijzing, als eerste zin van het tweede hoofdstuk van zijn Navolging van Christus, als een aanloop naar een lange tirade tegen de verwaandheid van de wetenschap!) En wat te denken van die rake oneliner van Parmenides

« Waarnemen en Zijn zijn identiek. »

Wat 'n stellingen. Wat 'n durf. Wat 'n inzichten. En wat 'n stellingen vol tegenstellingen. Je hebt aan de ene kant de onbuigzame, harde-lijn-wereld van de deterministische kosmos, van de natuur die geen Ego's kent, herkent noch waardeert, en geen aanziens des persoons heeft. Een kosmos met enkel onderkoelde universalia die zonder enige zweem van empathie particulariteiten tot pulp vermalen. Onverbiddelijk, onbewogen, onbeweegbaar voert de natuur met brute kracht haar eigen wetten uit. De natuur kent geen voorkeuren. Geen onderscheid, geen verschil. Niets mag boven het maaiveld uitsteken. Ze volgt zelfvoldaan en blindelings alleen haar eigen wetten en niets dan die wetten. Zonder enig respijt walst 'Moeder' Natuur over elke uitzondering op de universele regels. Elke vorm van streven is een laagtebod, de slappe houding van een loser. Wie enkel maar streeft, is verloren voor hij begint, wordt vermalen in het globale kosmische gebeuren.

Daartegenover staat het kennen. Dat lijkt wel het Zijn in z'n slapste statuut. Kennen lijkt het gekende een schimmig parallel bestaan op afstand te bezorgen. Lijkt een soort morganatisch huwelijk te orchestreren tussen het gekende en het echte Zijn. Kennis beweegt zich in de bressen in het bolwerk van het Zijn. Kennis is een vrijplaats, een speelplaats. Daar is ruimte voor overleg, voor vragen, voor onzekerheid: 'To be or not to be?', voor een parallel of virtueel bestaan; voor planning met ruimte voor afwijzing of aanvaarding, voor beslissingen of verwerpingen. In het kennen, in het weten, in het inzien ontstijgen we de concrete gebondenheid aan de kosmos, aan de individuele, factische Sein. In kennis krijgen Zelf, Ego, Sein een hogere, virtueel-reële zijnsmodus die je vrij laat, die je laat kiezen tussen aanvaarden en verwerpen. Er is geen fysische dwang, geen onontkoombare 'kosmische' contactcausaliteit. In die virtueel-reële ruimte verliest het noodlot, verliest het factische, verliest het sterven zijn angel. De virtueel-reële zijnsmodus maakt het harde 'kosmische' week, kneedbaar, manipuleerbaar, handelbaar en beschikbaar. De virtueel-reële zijnsmodus transponeert de keiharde 'kosmische' zijnsmodus tot een humane zijnsmodus waarin speelruimte ontstaat voor vrijheid, voor individualiteit van het Ego, bevrijdt het Ego uit de greep van het universele. Dit virtueel-reële leidt daarom een frêle en kwetsbaar bestaan. Het moet daarom door de gemeenschap gedragen en beschermd worden; in tradities, in rituelen, in gemeenschappelijke visies, in een taal, in instituties, in een cultuur, in folklore bewaard en vertroeteld worden.

Ik wil uit dit laatste lijstje van voorbeelden de taal naar voren halen. Welk speciaal zijnde is de taal? Is taal een vaste substantie of een flux? Welk speciaal zijnsstatuut heeft taal? En wat betekent het voor de mens dat hij taal heeft, dat hij met taal kan denken en via taal kan communiceren? Kan de mens humaan mens zijn zonder taal? Kan hij humaan leven zonder taal? Het zijn vele vragen, waarop ik steeds weer weifelend naar antwoorden tast.

Wat betekent iets te weten? Wat voegt kennis toe aan de kenner of aan dat wat gekend wordt? Wat voor iets is wetenschap over iets naast het reële fenomeen zelf. Wat veranderden de wetten van Newton aan de kosmos toen hij deze opschreef?

Mag ik me die vragen stellen? Zijn deze vragen absurd? Mogelijk. Toch heb ik behoefte aan een antwoord op die mogelijks absurde vraag. Ik kom er via M. Heideggers beschouwingen in §44 van SuZ (over de wetten van Newton) niet uit. Wat is de zijnsmodus van het bekende? Van het 'be-taal-de'? Van het bedachte? Wat betekent, op zijnsniveau, DENKEN? Welke ruimte geeft het bedachte, tegenover dat waarover gedacht wordt?

Mag ik voor deze vermetele onderneming een intro bedelen bij en een beroep doen op een andere filosoof? Ik vond mijn visie bevestigd in volgende beschouwing van Corn. Verhoeven bij het vijfde fragment van Heraclitus. Hij schrijft: « In misschien iets te moderne termen gezegd: de logos kan overtuigend en zelfs min of meer gebiedend zijn, omdat hij als het ware van subjectieve smetten gezuiverd is: hij is een instantie, of een aanzet daartoe, buiten het 'ik' waaruit het 'ik' weggefilterd of waarbinnen het minimale proporties heeft aangenomen. »

Denken 'universaliseert', decontextualiseert, abstraheert. Dat weten we al eeuwen. Maar dat universaliseren gebeurt dan niet op de 'kosmische' wijze. Het is een universaliseren dat niet deterministisch, 'natuurlijk' ('fusei') werkt, bindend aan de kosmos, maar dat bevrijdend werkt. Dat ruimte laat voor afwijkingen, voor muiterijen, voor strikt individuele interpretaties en toepassingen. Hoe dat uit te leggen? Mag ik daartoe een gedurfde, eigenzinnige, vergelijking maken. Mag ik denken vergelijken met het alfabet of met geld? (Het kan ook met muziek en muzieknoten. Maar dat is voor mij te onbekend terrein.)

Alle menselijk kennen is een transponeren van zintuiglijke waarnemingen. Denken voltrekt een zijnstranspositie op dat wat waargenomen werd, op de waarneming. Die steeds concreet, singulier gesitueerd is. Door het kennen wordt het waargenomene op een hoger/ander zijnsniveau of zijnsmodus getild, losgewrikt uit de kleverige, ('poisseux' zegt Sartre) te haperige, altijd particuliere, individuele concreetheid. Geen cirkel bereikt de perfectie van de ideale, gedachte cirkel, dat wist Plato reeds. Het ideële hinkt nooit. Vergelijkingen echter wel!

Nu de vergelijking met het alfabet of de euro. Het alfabet is niet gebonden aan een taal. Het is in se in alle talen toepasbaar, wordt door geen concrete taal gehinderd. Het alfabet is zo algemeen, zo universeel, zo neutraal dat het voor elke taal geschikt is. Want op het niveau van het alfabet wordt taal tot neutrale en universele elementen herleid: losse klanken. Op dat niveau zijn alle talen gelijk. (Zoals muziek opgebouwd wordt uit neutrale, inhoudsloze trillingen.) Hetzelfde geldt ook voor de euro: hij is, binnen de EU, aan geen enkel land gebonden. Hij kan voor alle producten of diensten in alle aangesloten landen voor alle aankopen door iedereen gebruikt worden, omdat hij tot zijn meest abstracte functie herleid is: het pure ruilen. Ruilen, zonder te blijven haperen aan allerlei hinderlijke concrete accidentia. De euro is het 'verzilverd' ruilen. Los van de concreetheid, van de broosheid, van het volumineuze of andere hinderende aspecten van alle andere mogelijke ruilmiddelen, los van weegschalen of maten. Deze manier van beschouwen geldt ook voor het kennen of het denken. In het denken of door het kennen wordt het waargenomene getransponeerd tot puur kennis, tot pure beschouwing, los van de kosmische zwaartekracht of enig ander determinisme. Tot een andere zijnsmodus. Tot een zijnsmodus waarin zelfs niets verhindert het 'Niets' te denken.

Is enige vorm van geloof mogelijk zonder taal? Zegt Augustinus niet: « fides ex auditu »? Wat impliceert dit gevleugelde gezegde? « Fides ex auditu »: het geloof komt dus niet uit de brute ervaring, uit de overrompelende aanvaring met de opdringerige realiteit. Neen. « Ex auditu »: geloof komt uit de gemeenschap, geput uit de miljarden overgeleverde, geoogste ('engrangées'), verwerkte, geordende, in mythen tot aanvaardbare samenhang gestructureerde, tot netwerken geweven en zo bruikbaar gemaakte ervaringen van de gemeenschap. Dit alles gebeurde in en via taal. Via taal werd die rijkdom aan ervaringen ooit getransponeerd in de zijnsmodus van het 'kennen', en kreeg in de taal een bewarende en overdraagbare gestalte. Deze tot inzichten getransponeerde ervaringen (aanvaringen met de kosmos) van miljoenen anderen kunnen via taal aan de nu levenden ter lering aangeboden worden:«ex auditu».

Voltrekt begrijpen dan de tegengestelde proces? « Comprendere c'est se rapporter au particulier qui seul existe, par la connaissance qui est toujours connaissance de l'universel. (Im. Levinas, Entre nous, 1991, p. 17) Dat is niet niks. We stapelen via taal en via in taal verwerkte ervaringsinzichten van de gemeenschap bovenop onze actuele ervaringen, en zo ontstaat een « excès ». Een tekst van P. Aulagnier die J. Greisch (p. 217) citeert in zijn commentaar bij SuZ, heeft indruk op me gemaakt. Door ons denken, door onze kennis, door taal ontstaat een: « excès de sens, excès d'excitation, excès de frustration, mais aussi bien excès de gratification ou excès de protection. »

In dit excès, in dit méér ontspringt de bron van alle humaniteit, bloeit alle cultuur op. Maar dit leidt me voorlopig te ver.
Slot

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Ramulus om 11:47 Reageer op dit bericht


Maakt VERSTAAN van ZIJN  gruyèrekaas of mousse?

Ik ben ook maar een zoekende, een tastende. Meestal wel dankbaar en soms toch eigengereid aan het handje van Heidegger ! Soms voorgelicht, soms verblind door zijn inzichten. Laatst kreeg ik een mail en vond er inspirerende inzichten. Inzichten die om explicitering of uitdieping vroegen. Ik ben dan na die mail in Heideggers GA 24, Die Grundprobleme der Phänomenologie, een SS van 1927, gedoken, en heb de belangrijkste passages van p. 375 tot 415 herlezen en herlezen en herlezen ! Wat ben ik een gelukkig mens dat ik elke dag mijn portie Heidegger kan lezen, en herlezen ! Wat een luxe, dat ik me kan permitteren dagelijks Heidegger te lezen! Ik moet niets! Mij drijft geen publicatie, geen conferentie! Ik moet niets bewijzen, heb geen status op te houden, ik heb de tijd voor me! Ik kan nadenken, en nog eens nadenken, met zelf tegenspreken en 'reconsider', en kladjes vol kriebelen. En weer over nieuw beginnen. En halve inzichten opschrijven, invallen noteren, zonder me te moeten inhouden in de formuleringen. ( Philosophie en négligé! ) Heidegger kun je blijven lezen. Je komt er nooit helemaal uit. Er blijven steeds zaken in het duister of het vage. Bij elke nieuwe lectuur ontdek je nieuwe inzichten of verbanden die je over het hoofd zag. Ik probeer in deze beschouwingen mijn groeiende inzichten vorm te geven.

*** ****

***

Dasein klopt compact Zijn op tot luchtig schuim !

Mensen zij als bomen; ze staan met hun wortels diep in de grond verankerd en strekken hun takken zo hoog mogelijk ten hemel. De wortels zijn diep onder de grond onzichtbaar actief op hetlocale minerale niveau. De takken reiken met al hun bladeren naar de zon om kosmische stof op te vangen, kosmische stof die het wonder van de chlorofyl mogelijk maakt. Zo geniet elke boom, hoe immobiel en plaatsgebonden ook van kosmische dimensies. Zo verrijkt en dilateert delocaal gebonden boom zich tot kosmische dimensies. Maar deze boom blijft, hoe kosmisch vertakt ook, strikt binnen de krijtlijnen waarbinnen fysica en chemie hemlaten groeien.

Heidegger onderscheidt vrij scherp twee zijnsmodi: het Zijn van de natuurcausale relaties en het Daseinszijn, het humane Zijn.

Hans Jonas beweerde dat hetleven het Niets in het Zijn binnenloodste. Het Daseinloodst net zo in het Zijn onbekende, totaal nieuwe factoren en dimensies binnen. Factoren die, gezien vanuit het natuurcausale Zijn aan de rafelrand van het Zijnlijken te staan, zich op te houden in de zachte berm.

Het Dasein echter voegt aan het natuurcausale Zijn eigenschappen, mogelijkheden en dimensies toe die het Zijn intern, constitutief veranderen, en ook zijn effectiviteit naar buiten een grondige beurt geven. Dasein voegt aan het Zijn activiteiten toe die ver buiten het bereik van de natuurcausaleliggen: kennen en inzicht, oordelen, selecteren, beslissen, handelen, verbinden, creëren. Via Dasein komt Zijnlos van zichzelf, breekt hetlos uit zijn monolithische compactheid.

Dasein verschaft het Zijn humane eigenschappen en interactiemogelijkheden. Maakt Zijn fundamenteel vrij tegenover zichzelf ! Vrij van alle natuurcausale banden.

Via kennis en inzicht treedt Zijn buiten het strenge eenrichtingsverkeer van het oorzaak-gevolg verband. Kennis is er in alle maten en gewichten, in allerlei vormen en voorkomens; via kennis bekleden we de dingen met een diversiteit van aspecten en interpretaties. ( Cfr Heideggers beroemde beschrijving van zijn katheder ) Kennen is een vorm van contact tussen zijnden die niets gemeen heeft met het fysische contact. Door iets of iemand te kennen wordt de fysische integriteit van de bekende niet aangetast; kennen respecteert immers de eigenheid, het Zelf van het bekende. In het kennen blijven beide polen in hun Zelf gerespecteerd en in hun eigenheid bewaard.

Elk inzicht biedt een zo rijke gamma aan interpretatiemogelijkheden aan dat ze aan een oordeel onderworpen moeten worden. Die veelheid aan inzichten schuift het Dasein voortdurend viersprongen voor de voeten, biedt het voordurend jokers aan: welke weg moet ik opgaan, waar zal ik op inzetten? Wel beschikt het natuurcausale denken niet over die vrijheid, want het is door strengelogica en methode geharnast en in toom gehouden. Dichters zijn de professionele zieners en hebben speciaal voor de vrijheid van deze viersprongen en jokers aandacht.

Daarom moet we voortdurend in de aangeboden diversiteit aan aspecten en interpretatie-mogelijkheden selecteren. Men kan zich wijden aan het verzamelen van sigarenbandjes of aan de verzorging van melaatsen. Voor deze selectie bestaan geen natuurcausale criteria noch dwingende gronden. We moeten beslissen zonder gronden ! We oordelen wel op basis van redelijkheid, van zelf bedachte redenen. Maar nooit op basis van dwang. Beslissen is niet het huisslaafje van de oorzakelijkheid.

Zo komt Dasein los te staan van het Zijn. Van zijn eigen Zijn.

Van suiker en koffie worden noch kennis, noch inzicht, noch oordeel, noch selectie, noch beslissing vereist over wat ze te doen staat. Suiker lost op in de koffie. Punt. Noch viersprong, noch joker te bespeuren !

Het Dasein staat los van het Zijn en los in het Zijn.

Zo los dat het er zelf voor moet gààn: ‘geht um sein Sein’. Want tussen Dasein en Zijn heerst een vrijblijven, vrijlatend en zelfs vrijmakend Verstehen.

Verstehen respecteert de eigenheid van de verstaander en van het verstane. Verstehen is een brandgang tussen het verschroeiende Absolute Zijn en het contingente, efemere Dasein.

Wat maakt dit respecterend en vrijmakend contact tussen Absolute Zijn en contigente zijnde mogelijk? Zeitlichkeit ! Zeitlichkeit is speelruimte. Tijd smokkelt viersprongen en jokers in het natuurcausale Zijn binnen. Waarom? Omdat Zeitlichkeit Zijn uiteenlegt in Ekstases. Tijd rekt het monolithische, compacte Zijn op tot drie ekstases: hunkerend naar de Toekomst, puttend uit het Verleden, interagerend met de aanwezige dingen in het Heden. Daartussen heersen telkens vrije, vloeiende overbruggingen. Elke ekstase staat op haar eigen wijze open naar haar eigen gapende en steeds wijkende horizon. Vroeger ! Later !

In deze bladzijden van GA 24 staat niets over natuurcausale verbanden ! Niets ! Alles draait rond de begrippen: Verstehen, Möglichkeit, Seinkönnen, Entwerfen, etc. Hier is sprake van totaal andere verbanden tussen de zijnden dan causale verbanden. Centraal staat hier voor mij het begrip Verstehen. Al beweert Heidegger op p; 389 van GA 24: « Die Zeitlichkeit ist die Bedingung der Möglichkeit von Seinsverständnis überhaupt. » Voor mij hangen Zeitlichkeit en Verstehen innig samen en ik zie nog niet duidelijk en scherp de eigenheid van elk: de lijn die hen scheidt blijft voor mij rafelig.

Mag ik proberen dit alles aan een concreet voorbeeld duidelijk te maken, aan een begrip dat voor Heidegger centraal is: het begrip Zeug, gereedschap. Waarschijnlijk deed Heidegger reeds heel jong in de schrijnwerkerij van zijn vader de ervaringen op die aan de basis van dit inzicht liggen.

Waarom staan de zijnden uit en naar elkaar gericht, open naar/voor elkaar? Uit de drift tot zelfbehoud ! Uit een weet-hebben van, een Ahnung van de volheid van het Zijn. En toch blijft het voor mij een mysterie waarom al de zijnden zo intens Umgang met elkaar hebben, met elkaar voortdurend in interferentie, in interactietreden treden. Waarom zijn ze uit op die continue en wederzijdse zelfbevestiging en circulaire zijnstransfusie? Zit daar geen zijns-gemeenschap achter? Bij Dasein staat in die Umgang met de zijnden Zeug, gereedschap als interface. Heidegger zegt dat Dasein Zeug ‘als sein eigenen Gemächte versteht’. ( GA 24, 414 ) Gereedschap als het eigen maaksel van Dasein! In dat ‘Gemächte’ schuikt een deel van het mysterie van de zijnstransfusies, vermoed ik. Is dat ‘Gemächte’ geen kleine kosmos, een kosmsos gereducerd tot het niveau en de dimensies van het Dasein? Een weinig verderop heeft Heidegger het over Zugzusammenhang. Die Zeugzusammenhang verbindt Dasein en de wereld. Vanuit het eigen zijnstekort en het onvermogen van Dasein uit eigen cru dit tekort, die zijnsschuld aan te zuiveren, richt het Dasein zich tot de dingen van de wereld. Het onvermogen van het Dasein tegenover de overmacht van de wereld !

Welke hulp kan of wil de wereld leveren? Of moet Dasein die noodzakelijke aanvulling met list of geweld aan de wereld ontfutselen? We hebben voor ons contact met de wereld specifieke zintuigen. Voldoen die? Zijn we tevreden met de hulp die onze zintuigen uit de wereld aanleveren? Dekt die hulp onze noden en onze wensen? Neen ! Al staat de mens uit onvermogen tegenover de overmacht van de dingen van de wereld, toch treedt de mens niet als een boterhond slaafs in de natuurcausale tredmolen. Want, wat de wereld bruut, en vrac, aanbiedt, past ons niet. Voldoet ons niet. Het voldoet ons niet om te zijn, noch om ons wat-zijn, noch om ons dat-zijn. Daarom bewerken we de wereld. Daarom maken we gereedschappen. Uit wat de wereld ons bruut aanlevert, halen we naar voren wat ons past, wat we wensen. En dat door kennis, door inzicht, door oordeel, door beslissingen die tot interacties leiden. We grijpen in de elementen in en in hun natuurcausale-processen.

We kunnen dus beweren dat Zeug kennis vooronderstelt, kennis van de dingen van de wereld en van onszelf. In het gebruik van gereedschap treden we uit onszelf naar de wereld vanuit kennis van de eigen grenzen. Door/in die kennis van de eigen grenzen overstijgen we die grenzen. We kennen, erkennen en aanvaarden die grenzen. Mét het aanvaarden betwisten we, verwerpen we en overschrijden we onze grenzen. Kennis houdt in dat we niet opgesloten zitten in ons zelf, noch in de grenzen van ons zo-zijn, noch in onze ruimtelijke, noch temporale grenzen. Kennis zet ons vrij ! Dieren kennen geen grenzen. Ze zijn hun grenzen. Ze vallen samen met hun Zijn.

Zo doet gereedschap de humanitas blijken. Gerei is een blikopener. Kennis speelt dilaterend in op tijd en Zijn. Via kennis en gereedschap breekt Dasein het monolithische, compacte Zijn open, dilateert het, klopt het op als wit van een ei !

Op de volgende bladzijde zegt Heidegger dat Verstehen = Bewendenlassen. Dat Bewenden is een intrigerend begrip ! Wenden, niet vast zitten in/aan één richting. Wel als een weerhaan met alle winden kunnen meedraaien, maar vanuit een vast centrum !Gebruik van gereedschap maakt je vrij, zet je los, bevrijdt je uit de natuurcausale relaties, uit het eenrichtingsverkeer van oorzaak naar gevolg. Bewenden is extravert, kijkt naar buiten, heeft oog voor de veelheid en verscheidenheid van de dingen van de wereld. Tevens heeft Bewenden oog voor samenhang in/aan een centrum: de zijnswil, de overlevingswil.

Kennis geeft de toekomst een heden, het verleden een toekomst en plaatst beide in dat heden in de interactie !

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Ramulus om 09:39 Reageer op dit bericht

18. Taal en Kennis, deel 1

18. Taal en Kennis

Deel 1
Wie zou soms niet zo vrij als een vogel over de tuinen van zijn buurt willen vliegen en lukraak landen op een hoog dakterras of in de kruin van een hoge beuk? Wie benijdt dan niet de luchtige bewegingsvrijheid van de vogels? En bij die gedachten voel je je beide voeten diep wegzinken in de klei: wij zijn zo aardegebonden. Je komt daarvan pas met één been seffens los, en dan nog strikt om beurten. Je kijkt dan wat meewarig naar de beuk achteraan in de tuin, die daar onbeweeglijk al veertig jaar storm en wind, regen en zon, hitte en vrieskou onbewogen staat te trotseren. Je geniet van het kleine verschil. Je beschikt nog over enige bewegingsruimte. En, er is nog een verschil. De vogel vliegt vrij rond, maar weet niet beter. De beuk staat pal, maar weet ook niet beter. Alleen jij kijkt naar die twee en jij hebt daar zo je bedenkingen bij: hoe stevig heeft de zwaartekracht van de kosmos ons in haar greep? Hoe vrij is onze relatie tot die kosmos? Dat vliegtuig hoog boven je dat naar Zaventem daalt, voedt je gedachten. Wat hebben we toch een opmerkelijke relatie met de kosmos!

Vooral onze relatie met onze kosmos geeft ons te denken. Een relatie met tegenstrijdige, ja zelfs ondoorgrondelijke aspecten. Aan de ene kant zijn wij pure delen van de kosmos, zijn we onlosmakelijk met de kosmos verbonden We zijn samengesteld uit kosmische stof, uit stardust, uit dezelfde elementen die zich al vrij vlug na Big Bang ontwikkelden uit de eerste eenvoudige waterstof- en heliumatomen. Waterstof, kalk, magnesium, noem maar op: het zit allemaal in ons. Wij kunnen niet zonder het alomtegenwoordige water, niet zonder het agressieve zuurstof, niet zonder de vruchten van de humus, niet zonder de warmte en koestering van de zon. En zelfs zonder de miljarden sterrenstelsels in het heelal zou ons zonnestelsel (dat ministerieel verplichte enkelvoud is gewoon lachwekkend.) reeds lang afgekoeld zijn en ineengeschrompeld. Ons een detail van die onverbiddelijke kosmos noemen zou ons een te grote eer aandoen.

Aan de ander kant staan wij vrij in die dwingeland van een kosmos, overstijgen we hem zelfs, dwingen wij hem tot prestaties waartoe hij uit zichzelf niet in staat geacht wordt. We staan als vrije mensen in die kosmos. We zijn vrij in ons denken, in ons handelen, in onze cultuur, in onze wetenschap. We hanteren en combineren vrij en eigenzinnig de materialen die de kosmos ons aanbiedt. Die vrijheid krijgt het duidelijkst gestalte in onze politiek, in onze taal, in onze poëzie, in de kunsten en in ons denken. Dat vrij zijn, die vrije interacties met de kosmos staan haaks op de drammerige, dwingende, universalistische en deterministische wetten van de kosmos. Daarin zit het contrast tussen het particuliere, dat steeds gebukt gaat onder een zwaar component 'kosmos', waarbij allerlei 'vreemde' wetten, regels, eisen, invloeden, afmetingen, volumes, massa's, gewichten dwingende en bepalende rollen spelen.

Ver voorbij ons autonome leven op onze kosmos schittert nog het mysterieuze ZIJN, het alles doordesemende ZIJN. En hoe kun je aan metafysica doen zonder in het kielzog van de mystiek gezogen te worden? Zonder verwonderd te staan bij het mysterie dat ons hier en nu doet Zijn, doet leven, doet handelen: de Exuberante. Zonder het hoofd te buigen voor onze relatie met het mysterie van de Exuberante?

Het is moeilijk een veilige houvast te ervaren als je aan de ene kant op de Wetterspitze staat, omgeven door die machtige, massale bergtoppen of als je naar de eeuwig klotsende golven van de oceaan aan je voeten staart en de logge duinenmassa's achter je weet en dan denkt aan de onooglijk kleine cel en haar duizenden metabolismeactiviteiten. Binnen dat omvattende, dragende Zijn sta je overrompeld door de verscheidenheid en de veelheid van de zijnden en van hun zijnsmodi. Aan de ene kant vind je de harde, onverbiddelijke kosmos, waarin we leven, die ons omvat en die ons draagt. En aan de andere kant vind je de mens. Die mens blijkt een heel speciale, humane zijnsmodus te hebben. Hij lijkt een ongrijpbaar, onvatbaar, ondefinieerbaar fenomeen.

En daarbovenop de relaties, de interacties tussen mens en kosmos. En de relaties tussen mens-en-kosmos-samen met de omvattende, de dragende Exuberante. Wat primeert: het vluchtige bewonderen of het blijvende bewonderde?

Binnen deze relaties intrigeert me dat ongrijpbare, die ondefinieerbare zijnsvalentie van de taal, van de kennis, van ons denken, van de wetenschap en de cultuur. Wat is denken? Wat is kennis? Wat is wetenschap? Wat is kunst? Wat is cultuur? Zegt Martin Heidegger niet: « Im Grunde ist die Seinsart dessen (das Sein der Sprache) [...] völlig rätselhaft. » (GA 21, p. 151) Dit mysterieuze efemere weven tussen de vaste substanties!

Al die vragen over de zijnsmodus van taal en kennis stel ik me tegen de achtergrond van een kosmos die onverzettelijk en onverstoorbaar zijn eigenzinnige gang door de millennia gaat. Welke zijnsvalentie, welke zijnsdensiteit, welke zijnsmodus hebben die humane creaties? Wat betekent de 'vrijheid' van de mens? Is vrijheid een 'datum', een vaste substantie? Wat is die speelruimte waarin de vrijheid tot het bestaan komt? Getuigt niet elke bibliotheek ervan dat we in onze kosmos op een speelweide zo grenzeloos als de poesta vrij mogen spelen?

Daarmee verbonden intrigeren me de interacties tussen deze zijnsmodi (inter-) en binnen elke zijnsmodus (intra-). De tijdeloosheid en de onafwendbaarheid van het blinde, kosmische, universeel-lineaire interageren tussen de elementen staat in scherp contrast met het humane handelen dat het individu ontziet. Vuur vraagt zich niet af aan welk kunstwerk het vreet. Een rechtsafslaande vrachtwagen kijkt niet uit wie in de dode hoek fietst. Een landbouwtrekker rijdt onverstoorbaar achteruit ook al zit een nietsvermoedende kleuter achter het wiel te spelen. Een fatale vliegtuigpanne loopt niet de passagierslijst langs om te zien hoeveel koppeltjes op hun huwelijksreis in de fauteuils verstrengeld zitten. Van mensen echter verwacht men dat ze in hun interageren respect tonen voor het Ego van elk individu en rekening houden met elks kwetsbaarheid. Mensen interageren niet volgens een streng, blind causaal patroon. Hun reageren op elkaar speelt zich af in een vrije ruimte met 'speling' in elke beslissing: een frictie-ruimte, een koppeling die wel of niet wil 'pakken'. Een spijker drijf je met een hamer onverbiddelijk, onontwijkbaar in een balk. Maar de betekenis van deze tekst vraagt van de lezer dat hij of zij hem aandachtig leest, hem aanvaardt, hem interpreteert, de boodschap er in tot zijne of de hare maakt, hem in zijn reeds bestaande inzichten en kennisbestanden integreert. Of dat zal lukken, dat hangt van zeer veel imponderabilia af. Verstaan dreun je er bij niemand in als een spijker in het hout. Daarom zijn schrijven en lezen altijd een waagstuk, en vraagt elke exegese zoveel studie, en leiden ernstige teksten nooit tot een definitieve interpretatie. Elk leest eigenzinnig zijn eigen M. Heidegger. Zijn persoonlijke Plato. Zijn visie op de wereld en het Zijn in Aristoteles' teksten. Zoals vroeger elk de nu bijna totaal verdwenen Marx op zijn manier interpreteerde. En dat MOET zo. Geen G. Steiner mag ons komen decreteren hoe wij die auteurs moeten/mogen interpreteren. Net zoals poëzie, of andere kunstvormen.

Is die frictieruimte, die vrije speel- en experimenteerruimte in het Zijn niet enigmatisch? Daarom, omwille van die 'speel'-ruimte, is filosofie altijd nodig. Echte filosofie kent geen één-op-één. Geen 'more geometrico'. Daarom ook kan ieder zijn mening blijven hebben, want meningen zijn vrij, in een vrije frictieruime.

Een geboorte is net de overgang van de kosmische zijnsmodus naar de humane. Zolang een vrucht in de moeder schoot groeit, groeit ze volgens de duistere universele wetten van de biologie van de mensensoort, zoals de blinde evolutie die vastlegde. Pas na de geboorte treedt een andere vorm van interacties in werking. Dan begint het vrije spel van de opvoeding, die per cultuur, per volk, per stand, zelfs per gezin verschilt.

Opvoeden speelt zich helemaal af in die vrije humane 'frictieruimte', maar gedragen door de kosmische zijnsmodus.

In de speeltuin van Taal & Kennis probeer ik nu een toepassing van mijn visie, voorzichtig zoals een kat die naar warm water tast om de alertheid van haar afkeer van het water te testen.

***

Hoe vind je dit bericht? 6 stemmen
Geschreven door Ramulus om 12:54 Reageer op dit bericht

Lezen, deel twee

BETEKENIS

Lezen, deel twee
Teksten zijn dus tot ervaring getransponeerde aanvaringen met de onverbiddelijke wetmatigheden van de kosmos. Daarvoor wordt het brutaal opgedrongen contact met de harde concrete realiteit getransponeerd tot betekenis. Door de gerealiseerde betekenis wordt de aanvaring persoonlijk doorleefde en beleefde ervaring.

Dàt een tekst aan een betekenis gestalte geeft en dus om interpretatie vraagt, dat is precies de betekenisopenheid, die de tekst tot tekst maakt. De betekenaar betekent niets buiten zijn vermogen tot betekenisgeving.

En waar blijft dan, naast de tekst, de concrete, tastbare werkelijkheid? Wat gebeurt b.v. met een bloederige, slijmerige geboorte? (Cfr. Tertul-lianus, in M. Henry,Incarnation,2000,p.22) Ze werd betekenis. De harde realiteit werd getransponeerd tot betekenis. Ze werd getransponeerd tot maagdelijke geboorte. Zo krijgt een geboorte een nieuw zijnsstatuut aangemeten, ver boven het hinderlijke lichamelijke gebeuren uit.

Die betekenis maakt het gesitueerde, concrete gebeuren gelijkelijk, voor iedereen, altijd en overal beschikbaar en inzetbaar.

Tekst vervangt de concrete realiteit op een nieuw, een hoger zijnsniveau. Tekst tilt de concrete, aan Hic et Nunc gekluisterde, vluchtige realiteit op een bestendig, universeel en duurzaam betekenisniveau. Zo werkt tekst mee aan de epifanie. Ten slotte, verwijst elke tekst naar de Exuberante. Taal dwingt de concrete, singuliere kosmische realiteit een universele rol te spelen. De twee universalismes raken elkaar, sluiten de cirkel, de kring: het universalisme van de kosmische wetten en het universalisme van de betekenis die ver boven de klitterige, eng gesitueerde, concrete realiteit uitstijgt.

VOORVERSTAAN

Men beweert: geen tekstbegrip zonder voorverstaan. Mijn bange vraag dan: kun je nog uit dat voorverstaan treden? Dat kun je net zo min, vrees ik, als de vis uit het water op het droge kan springen. Die vis heeft ook geen weet van water voor hij op de kar van de visboer ligt. Voorverstaan is geen lege huls. Geen chaotische opeenhoping van vroeger verzamelde ervaringen, inzichten of betekenissen en inzichten. Geen mand vol glibberige, krioelende slangenlijven onoverzichtelijk door elkaar kluwend. De echte vraag is: wat doet de nieuwe lectuur, wat doet de nieuwe tekst met deze thesaurus, deze gemeenschappelijke en innerlijk samenhangende schat aan inzichten, aan transposities van de taalgemeenschap? De gemeenschap heeft reeds lang alles voor ons netjes gecatalogeerd en beladen met valenties, met attracties of aversies. Laatst zei ik tegen een kleinzoontje van vijf: « Hoor eens hoe mooi die vrouw viool speelt . » « Dat kan toch niet, alleen kinderen kunnen spelen! » was zijn zelfverzekerde repliek. Hij had de hele gamma van gebruiksmogelijkheden van het woord 'spelen' nog niet aangeleerd. Wie over dat voorverstaan wat nadenkt, raakt verstrikt in een onontwarbaar kluwen van vragen .

Het schrijfproces tòònt, demonstreert het transponeringsproces, incarneert de gang van het proces. Je ziet het fenomeen zich in fases voltrekken. Textuur: naast het kale alfabet spelen vele zichtbare en geïnterpreteerde signalen een rol in de tekst. De verschijningsvorm van een krant verschilt van die van een roman. Een dichtbundel heeft meestal minder om het lijf dan een bestseller. Je kunt je post sorteren zonder een letter te lezen, louter op basis van de uiterlijke verschijning van de stukken. En de wijze van lezen wordt bepaald vòòr het lezen aanvangt.

Wat zijn wij toch gelukkig met onze Bijbel! Dat is niet één boek, uit één geut geschreven door één auteur opgebouwd rond één idee, rond één centrale gedachte over God, mens, maatschappij, kosmos en de interacties daartussen. De Bijbel bevat een waaier van kerngedachten over die verschillende thema's. Er werd geen moeite gedaan om erg ver uiteen liggende visies op elkaar af te stemmen, onder één noemer of op één lijn te brengen: de gesofistikeerde Jezus Ben Sirah vind je er naast de vrome Psalmen . Leve het verschil! Leve de verscheidenheid! Leve de pluraliteit! De Koran is spijtig genoeg maar één boek, bevat maar één visie van maar één ziener . De Koran is nadrukkelijk benauwd, ingeëngd tot één visie, en ohwee wie daar een duimbreed van afwijkt . De Bijbel is een hele en variatierijke bibliotheek . Een bibliotheek die je door haar grote verscheidenheid dwingt tot een eigen interpretatie, tot eigen keuzes en tot een zelfbepaling. Die je uitnodigt uit die grote dispariteit aan gerapporteerde inzichten en transposities van aanvarings-ervaringen je eigen samenhangende visie bijeen te lezen. De verscheidenheid van de Bijbel respecteert niet alleen de eigenheid en de originaliteit van elke lezer; de Bijbel roept hem op, nodigt hem uit tot zelfbevestiging en bevestigt deze.

·

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Ramulus om 15:07 Reageer op dit bericht

17. Lezen

 

17. Lezen

Eerste deel.

Een boek ligt voor me open. Ik kijk ernaar. In de rechterhand houd ik op een blanco blad een potlood in de aanslag. Wie me zo ziet zitten, denkt dat ik een boek lees.

Wat gebeurt er als ik lees? Léés ik echt iets nieuws? Haal ik uit teksten iets nieuws binnen? Wat mag dat nieuwe dan wel zijn? Nieuwe inzichten, nieuwe denkbeelden, nieuwe verbanden, nieuwe onderscheidingen, nieuwe aspecten, categorieën of inrijpoorten in de werkelijkheid? Of nieuwe criteria om te oordelen. Of nieuwe motieven om te handelen, nieuwe doelen om voor te leven? Of nieuwe helden of modellen om na te volgen?

Ik ken de letters al lang, lees echter nauwelijks letters; ik spring over de letters heen en doorloop zelfs de zinnen met hele woordbeelden en zinsneden tegelijk. Ik lees dus zelfs niet echt woorden. Ik lees zelfs geen woordbeelden. Lees ik dan zinnen? Ook daarvan liggen de patronen en al hun combinaties reeds lang als inprinten in mijn hersens vast. Zelfs bekende en vertrouwde tekstschema's of tekstpatronen liggen aan de basis van bijna elk tekstbegrijpen. Ik weet dat ik de krant anders moet lezen dan een roman, dan een essay, dan een gedicht, dan een flyer over het scoutskamp van mijn achtjarig kleinzoontje, dan een belastingsaangifte.

Het blijkt duidelijk dat ik voordat ik aan het lezen toe kom, al heel wat moet weten, met heel wat vertrouwd moet zijn.

Wat brengt het lezen van teksten me dan bij aan nieuws? Andere, nieuwe combinaties van reeds lang verworven inzichten? Leert dat lezen me nieuwe DNA-slingers van inzichten maken? Nieuwe DNA-slingers om op een andere, nieuwe wijzen tegen de kosmos, tegen de maatschappij en tegen onze cultuur aan te kijken?

Let wel: lezen is nooit een aanvaring met de kosmos.

Lezen is hakken zonder spaanders over de vloer. Lezen is steeds een begaan zijn met teksten, met de pro-ducten van transposities van ervarings-aanvaringen met de kosmos. Pro-ducten die steeds in een gemeenschappelijk taal medegedeeld worden en die steeds deel uitmaken van de gemeenschappelijk aanvaarde interpretaties van eerdere ervaringen met kosmos, maatschappij of cultuur.

Opvallend dat we zelfs in onze slaap auditieve aanvaringen met de werkelijkheid transponeren. In onze slaap worden reële geluiden geïnterpreteerd als en omgezet in geruststellende «'slaap-maar-door '-geluiden », om de gezonde slaap te beschermen en af te schermen tegenover de kosmos. De reële aanvaring met de kosmos, b.v. met een niets ontzienend lawaai, wordt omgezet tot een vertrouwde, niet-verstorend ervaring. Opmerkelijk ook dat die transposities onbewust gebeuren, buiten onze wil om en zonder onze beslissing. Ze zitten ingebouwd in de zintuiglijke waarneming. Ik hoor b.v. 's nachts iets vallen beneden in de kamer, maar mijn gehoor transponeert die geluiden in signalen die wijzen op een banaal ongeval op straat, dus in 'ver-van-mijn-bed'-rumoer, en dat zegt me: slaap maar rustig voort. Opmerkelijk dat dit op zintuiglijk niveau gebeurt. Mijn gehoor bedriegt me om me te beschermen en oordeelt zelf over zijn optreden. Want wat is de rol van het gehoor anders dan ons te waarschuwen voor gevaren die van overal kunnen komen, zelfs vanuit hoeken of in toestanden waar we met ons zicht niet kunnen komen. Zou een hond of paard ook zo reageren op geluid? Slaan paarden soms niet op hol, omdat ze zelfs onschuldige geluiden transponeren tot zeer dreigende.

Als ik lees, heb ik geen aanvaring met de kosmos, maar ontmoet enkel inoffensieve teksten en dus sla ik geen spaanders: ik onmoet enkel 'transposities' van vroegere ervaringen met de kosmos. Wat ik lees zijn dus artefacten, pro-ducten, taalproducten. Ik schakel me in in de transposities van een of vele anderen, laat me inlijven in een aangeleerd 'corpus' van inzichten dat gemeenschappelijk erfgoed is van mijn gemeenschap en mijn cultuur, en dat tijdens het editieproces vele selectiedrempels moest overwinnen . (M. Foucault.)

De tekst, het geschrevene heeft zich ont-kleed en bevrijd van het concrete Hic et Nunc en bereikt zo een niveau van universaliteit. Wat in de tekst te lezen valt, is gelijkelijk, overal altijd beschikbaar en inzetbaar voor iedereen in zijn/haar omgang met zichzelf, met de gemeenschap en met de wereld. Teksten zijn vrijplaatsen, openbare pleinen voor het uitwisselen van gedachten. Het zijn agora's gonzend van de meningen van vele gesprekspartners. Teksten zijn enkel mogelijk in de bres, in de open bres van de kaalslag gerealiseerd door de transpositie van het concrete kosmische, bevrijd van de ketens van het Hic et Nunc, van situatie en context, van gebondenheid aan personen, aan tijd en aan ruimte. Teksten zijn loco-aanvaringen, ze treden als plaatsvervangend voor aanvaringen op. Het zijn, vergeleken met aanvaringen met de kosmos, maar 'watjes'.

TEKEN

Teksten worden opgebouwd met tekens. Wat is het statuut van een teken?

Wat zegt een teken anders dan:« Ik ben het niet! » Wat is een teken anders dan de boodschap: « Wat je zoekt is niet hier! ». Elk teken is eerst een teken van de afwezigheid van het betekende. De wegwijzer naar je vakantiebestemming zegt je dat je er nog niet bent. Hij zegt je dat je nog een eind te gaan hebt. De wegwijzer « Paris » b.v. zegt: « Je bent hier niet in Parijs. Maar ginds, die kant op, ver weg, daar kun je het vinden. » Een wegwijzer is steeds een weg-van-hier-wijzer. Een ver-wijzer. Wat een vrijheid!

Teksten bestaan uit tekens. Het zijn weg-wijzers. De tekens sturen je weg van de tekst. Ze gaan over iets. Het zijn tekens van een voorbije, van een afwezige realiteit met een actuele betekenis, van voorbije aanvaringen met de kosmos, met de maatschappij of met de cultuur. Tekens zijn echter tevens gericht op komende aanvaringen en ervaringen. Gericht op zachtere, meer productieve, meer humane aanvaringen. Teksten kunnen je voorbereiden op een vruchtbare verwerking van ongewenste of onverwachte brute aanvaringen met de buitenwereld en je uitrusten om deze om te zetten tot toekomstgerichte ervaringen. Zo leren jongeren in romans zonder gevaar voor lijf of psyche hoe ze met zichzelf kunnen of moeten omgaan, hoe ze zich in allerlei situaties kunnen of mogen gedragen; hoe mensen met elkaar en met de wereld omgaan; hoe ze problemen of spanningen kunnen voorkomen of oplossen. Lezen wordt een leerrijke plaatsvervangende levenservaring.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Ramulus om 11:05 Reageer op dit bericht

Tijd is geen netzakje.

Taal is een verleidelijke escorte! Ze is zo vlot, zo coulant, zo meegaand, dat je niet eens merkt dat zij je leidt en doet gaan waar je niet wenst te komen! Taal kan ons van het rechtepad af leiden, op de zachte berm parkeren en ons zelfs in het moeras doen stranden. Ik vrees dat de benaming ‘tijd’ zo’ n galante maar misleidende escorte is.

Is ‘tijd’ niet eerder een handige verzamelnaam, een netzakje zonder inhoud zelfs. Een handig winkelkarretje zoals : ‘het huwelijk’, ‘het voetbal’, ‘ de vrouw’, ‘de literatuur’, ‘ de staat’ . Een collectief die ons ertoe verleidt het benoemde te hypostaseren ; het een eigen substantie toe te dichten, en die ons zo achterlaat met een ondergeschoven kind op schoot. Die substantie krijgt dan een autonomie met kwaliteiten, eigenschappen en zelfs ‘wetten’ toegewezen.

Wat tijd is, daar ben ik nog niet uit. Natuurlijk niet! Toch zie ik tijd meer als een ‘formale Anzeige’, een term die Heidgger gebruikte, maar nooit uitlegde of uitwerkte. Tijd is een ‘ver-wijzer’, een aan-wijzer, een weg-wijzer, en daar moet je wel op letten maar je er niet op verkijken! Je mag blijven kijken naar de man van Fabre, die op het SMAK in Gent de hemel probeert te meten, maar vergeet toch het uitspansel niet! En mijn vinger die de Grote Beer aanwijst aan mijn kleinzoontje, is de Grote Beer niet!

‘Tijd’ is een aan-wijzer. En we vergeten daardoor de inhoud, het aangewezene, vrees ik.

Newton leidde ons, heel geleerd en omzichtig, om de tuin! Met de beste bedoelingen, maar toch! Hij definieerde een leeg netzakje! Hij ontledigde ‘tijd’ van alle inhoud, van concreetheid, en hield een loutere, gewillige, kneedbare ( ‘cire’ Descartes! ) abstractie over, zonder innerlijke weerstand. Hij bleef staren naar de man van Fabre! En naar het probleem van het doenbaar meten.

Tijd is geen ‘ens’, geen wezen ! Tijd op zichzelf bestaat niet, net zo min als ‘ein Ding an sich’ bestaat. In zijn boek ‘Tot bestaan bestemd’, p. 205, citeert Gerard Bodifée terecht Lucretius. Tijd ontstaat met de wereld ( nog zo’n netzakje zonder inhoud ) gevuld met alleen erg vele en erg verschillende contingente dingen. ‘Wereld’ wil zeggen dat al die vele verschillende dingen samenhang vertonen, dat ze alle, vanuit hun constitutioneel zijnstekort, met elkaar constant compensatoire interacties aangaan om zich in dat efemere bestaan te houden, om toch enigszins te kunnen persisteren. Door die onvermijdelijke constante compensatoire interacties veranderen voortdurend die zijnden afzonderlijk en die wereld als geheel. Omdat al die dingen verschillen, veranderen ze op verschillende wijzen en in verschillende gezwindheden. Zo worden de verschillen zichtbaar en meer geaccentueerd. En die universeel aanwezige en zichtbare veranderingen vangen wij op dat netzakje ‘tijd’.

De dingen bestaan niet onverschillig voor of naast elkaar. Ze bestaan altijd ‘in verband’. Zoals bakstenen al achtduizend jaar in een muur. Ze hebben contact met elkaar, compensatoir contact, compensatoire interacties met elkaar, elk vanuit het eigen zijnstekort,en vanuit een streven naar bestendiging.

Dus, als we ‘tijd’ zeggen, dan gaat het om dat complex van die ‘universele, absolute, objectieve’ ( Newton ) compensatoire interacties tussen alle zijnden.

Zo is ‘tijd’ het massale, universele verzet van alle zijnden tegen hun eigen zijnstekort, en een queeste om, via compensatoire interacties van al die individuele zijnden te groeien tot een zijnsvolheid van het geheel. Al de dingen afzonderlijk en als totaliteit, dynamisch gericht op elkaar, nemen deel aan een queeste, opzoek naar een voltooiing van uit hun fragmentatie en verstrooidheid en lokale verschillen. Zo ontstaat, vanuit de toekomst, van uit de hunkering naar Zijnsvolheid, naar Vollzug, een heden, waarin allen zich samentreffen, aan elkaar aanwezig zijn, tegenwoordig zijn, na een gezamenlijk gedragen verleden. Een heden dat verder bouwt aan dat verleden, dat een vervolg breit aan dat verleden, unterwegs!

« Tijd beheerst alles. » Daarvan gaan vele beschouwingen uit. Alsof het een entiteit is. Voor mij ontstaat tijd uit verzet. Uit verzet tegen het eigen zijnstekort van alle afzonderlijke contingente zijnden en in hun totaliteit.

Géén contingent zijnde kan berusten in het eigen zijnstekort ! Geen kan aanvaarden dat er elders ander, onbekend en daarom ‘beter’ zijn is. Elk zijnde draagt in zich de hunkering naar volheid. En loenst daarom begerig naar al wat het zelf niet is.

In Tot bestaan bestemd, p. 206, sprekend over Plato’s analyse van het beeld ( Hans Jonas ! ! ), zegt G. Bodifée : «  In het beeld komen het zijn en het niet-zijn samen. » Dat klopt ! En dat is tevens misleidend! ( Die taal toch ! ) Want in alle contingente zijnden komen Zijn en Niet-Zijn samen ! Niet a lleen in het beeld. In alle zijnden knaagt het Niet-Zijn aan het Zijn, en verzet het aanwezige Zijn zich tegen het eigen zijnstekort, tegen de eigen beperktheid. De universele, diepe dynamiek van de tijd is een andere formulering voor de queeste van het Zijn naar de eigen voltooiing, Vollzug.

De dramatiek van de tijd ontstaat als de contingente zijnden een eigen Ego krijgen, op het behoud van dit eigen Ego staan, en de bestendiging van dit Ego opeisen. En dat niet lijken te krijgen. Bewuste zijnden, bewust van hun eigen Zelf, willen niet definitief naamloos verdwijnen in een vergeetput, willen niet zonder Ego opgeslorpt worden als een druppel in een oceaan, willen niet verstopt als kogellagers dienen om het Zijn naar z’n glorieuze eindvoltooiing te voeren. Newton zei dat : «  Tijd vloeit … zonder enige relatie met iets van buitenuit. » Klopt. Maar hij vergeet dat tijd wordt aangedreven van binnenuit de zijnden!

Waarom verga ik toch ? Omdat mijn zijnstekort fundamenteel is, constitutief, niet te compenseren. Zeker niet te compenseren door zelf contingente zijnden. Blinden die blinden leiden! Hoe kan een contingent zijnde het zijnstekort van enig ander contingent zijnde compenseren en aanzuiveren ? Niet.

Zo probeer ik me nu, voorlopig, met het netzakje ‘tijd’ ter verzoenen.

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Ramulus om 13:35 Reageer op dit bericht

Meer van Zijnzoeken

↑ Terug naar de berichten