Naar de inhoud

Zijnzoeken

In het spoor van Heidegger zoeken naar de zin van Zijn.
akke.beakke.be

Archief

De mens vertolkt het Zijn.

4.

De mens vertolkt het Zijn.

De mens, hij is nooit voldaan. Nooit tevreden met zichzelf. Nooit bevredigd door of voldaan met de dingen rondom hem: hij blijft steeds lijdend aan een fundamenteel manco aan Zijn. Hij verkeert in de onmogelijkheid dit manco aan Zijn definitief aan te vullen. Is dit manco een vloek of een zegen? Is dit manco geen \'Felix culpa\'? Geen fortuinlijk deficit? Want ontspringt daaruit niet onze vrijheid? Gaapt daar niet de ruimte voor onze verantwoordelijkheid om onszelf te maken tot een zinvol wezen. We zijn zeker onvolledig, maar dat is totaal buiten onze verantwoordelijkheid. We zijn in het bestaan geworpen, dat wel. Maar dat geworpen-zijn maakt ons vrij. Dat maakt dat we niet vast gemuurd zitten in het Zijn. Dat we verantwoordelijk zijn voor onze eigen, vrij te kiezen zijnsaanvullingen. En dat we dus verantwoordelijk zijn voor de gestalte van het eigen Ego.

Toch blijft de vraag: waarom ligt de mens dan zo breed uitgesmeerd over de dingen van de wereld? Is dat een voordeel alleen voor onszelf? Of is het ook een voordeel voor de wereld, voor de dingen van de wereld, voor het Zijn zelf? Of voor beide samen? Ik denk dat beide samen er hun voordeel uit kunnen puren. Waarom ligt het Zijn van de mens zo ostentatief breed uitgesmeerd over de dingen? M. Merleau-Ponty heeft ooit iets geschreven dat me elke dag begeleidt:

\"De mens vertolkt wat in het Zijn op hem wacht om gezegd te worden.\"

We zagen al dat de mens leeft als een bedelaar, als een nooddruftige, met behoefte aan lucht in de longen, en kosmisch zonnelicht in de ogen, bedelend om de liefde en nabijheid van zijn geliefden, om vriendschap van gelijkgestemden, verlangend naar gerechtigheid, naar vergeving en vrijheid en mentale rust.

Maar door de mens, met de mens, in de mens komen de elementen en de dingen van de wereld tot hun recht, tot hun zin, tot hun eer, tot hun voltooiing, tot hun volle wasdom, tot openbarende verbanden en interacties.

Mensen openbaren en verheerlijken de elementen b.v. in het genot van een glas wijn, in de bekoorlijkheid die uitgaat van een mooie vrouw, maar ook in de aanwending van de materialen. Kijk maar hoeveel materialen tot hun eer, tot hun eigenheid, tot zinvol verband en tot vruchtbare interacties komen in de bouw van een huis, in de fabricatie van een tv-toestel, in de constructie van een vliegtuig of een scantoestel. Stap een warenhuis binnen en sta in bewondering voor de brede waaier van materialen die ons daar in duizenden vormen overvloedig ter beschikking staat. Bekijk een muziekinstrument: hoe een vioolkast de specifieke structuur en mogelijkheden van verschillende houtsoorten coördineert en tot hun volle ontplooiing laat opbloeien. Bedenk dan hoe zo\'n viool kattendarmen (in feite schapendarmen.) verplicht iets te produceren dat zonder de mens gewoon niet zou bestaan: uit hout, kattendarmen en paardenstaartharen doet zo\'n viool Mozart opklinken. Bewonder de statige vlucht van een vliegtuig dat boven je tuin scheert en bedenk hoe de mens daarin materialen en natuurwetten dwingt tot prestaties waartoe geen enkel stoffelijk ding op zichzelf in staat zou zijn. Bekijk het samenspel van planten en kleuren in een park of bloementuin. Bedenk tot welke prestaties wij de elementen tijdens een onderzoek in een ziekenhuis dwingen, of tijdens een tv-uitzending, of bij de verkenning van de interstellaire ruimten. Telkens brengt de mens de elementen en de dingen tot hun voltooiing, openbaart hij hun eigenschappen en beklemtoont hij hun specificiteit en hun sublieme en creatieve interacties. Wij doen de materie spreken en handelen, ver boven haar eigen mogelijkheden als ze aan zichzelf waren overgelaten. We doen de elementen en materialen uitstijgen boven hun eigen Zijn, vaak door een oneigenlijk gebruik ervan. Zoals kinderen gewoonlijk doen met hun speelgoed.\"De mens vertolkt wat in het Zijn op hem wacht om gezegd te worden.\"En niet alleen gezegd. Ook doorleefd en beleefd te worden.

Spreken wij daarom niet te denigrerend over de materie. Want ze is duidelijk meer dan louter materie. En hebben we het niet aan de materie te danken dat deze cliffhangers met zulke vervoering elkaar kunnen liefhebben. Leven we niet in vruchtbare symbiose met een onoverzienbare verscheidenheid aan materialen? Drijft zorg ons niet tot vruchtbare en openbarende en zinonthullende interacties met de kosmos? ·

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Ramulus om 10:42 Reageer op dit bericht

Elk Ego wil diepe, diepe eeuwigheid

3.

Elk Ego wil diepe, diepe eeuwigheid.

Waarom toch moet de mens zo strijden om in het bestaan te blijven? Waarom is ons bestaan zo kwetsbaar? Waarom verzetten we ons zo hardnekkig tegen de dreiging van het Niets en laten we er ons niet veeleer zachtjes in wegglijden? Het kan de rots toch niets schelen dat ze vermalen wordt tot gruis. Materie gaat immers nooit verloren. Atomen kennen geen einde. Maar als de mens sterft, dan gaat een IK verloren. Elk Ego wil eeuwigheid, wil als eenmalig IK blijven bestaan. Als weergaloos en zelfstandig centrum van beoordelen, kiezen, beslissen en handelen.

We willen beslist niet in het Niets verdwijnen, omdat we willen kunnen blijven IK zeggen, omdat we zelf willen beslissen over ons handelen. We willen niet als de planten en de dieren recycleerbaar zijn, doorgeefkanaal in de keten van de elkaar opvolgende generaties. Mensen zijn geen recycleeritems in een kringloopcentrum.

Geen mens is vervangbaar door enig andere mens. Elke mens is een uniek Ego. Hij of zij krijgt dan ook als een hoge boom onbeschut de volle laag van de koude noordooster. Elk Ego staat uniek en onvervangbaar in de wereld. Want alleen hij of zij kan op de heel eigen manier de kosmos doorleven en beleven. Elk Ego beleeft op een totaal onvervangbare wijze de hele kosmos, in alle dimensies van tijd of ruimte. Zo krijgt die hele kosmos in elk Ego een heel unieke betekenis, een onvervangbare doorleving. Niemand kan de kosmosbeleving van een Ego overdoen, vervangen of wissen. Elk Ego is op zijn unieke manier de uitstraling, de epifanie van de Exuberante. De unieke epifanie. Niet een exemplaar uit een overbevolkte en uitpuilende soort.

Daaruit volgt een duizelingwekkende verantwoordelijkheid voor elk Ego. Een verantwoordelijkheid die vereenzaamt. Maar dat intensiveert de taak van de zorg om te overleven: je moet de epifanie zolang mogelijk rekken, doen duren, zoals je een ruiker amaryllissen van iemand die je erg lief is lang fris wil houden. Uniek zijn ver-een-zaamt het Ego, maar zondert het niet af. Het verbindt het Ego met de hele kosmos. Zei reeds Thomas niet Aristoteles na: anima quodammodo omnia. En dat mag men niet interpreteren als of bij de ziel een kosmos wordt gevoegd, maar dat een kosmos met een ziel wordt begenadigd. Een ziel waarin de verdeeldheid van kosmos tot eenheid gebracht wordt, tot de simplicitas van een beleving wordt verstrengeld.

Het volstaat even een paar bladzijden over het metabolisme van de cel te lezen om je te overtuigen van de fundamentele 'aardsheid' van de mens, van de brutale, grove en onvermurwbare wijze waarop het menselijke leven met de kosmische elementen verweven en verbonden is. We bestaan uit een grote verscheidenheid van elementen, zoals de zeven essentiële aminozuren, in infinitesimale hoeveelheden, in nauwkeurig uitgebalanceerde combinaties, in allerlei structuren. De gevolgen van drugsgebruik bewijzen de vernietigende greep die de elementen op ons kunnen hebben. In de kasten van onze apotheken staan de levensreddende elementen alfabetisch en in minimale porties gebruiksklaar gerangschikt. In elke apotheek staat de hele mens verkruimeld en verpakt in doosjes, zakjes, flesjes, capsules, tabletten, ampullen, netjes onder streepjescodes gecatalogeerd....

Maar al lezend word je ook meteen overtuigd van de subtiele wijze waarop dat gebonden-zijn aan de aardse elementen zich in eigenzinnige concrete levensprocessen van elk Ego uit. Zo geniet iedereen op zijn eigen unieke wijze van zijn bestaan op deze Aarde en zijn omgaan met de dingen.

Vraag: wie regelde die processen, waarin een menigte aan elementen in schier infinitesimale hoeveelheden volgens ijzeren wetten elkaar in een homeostatisch evenwicht houden, elkaar aanvullend, oproepend, begrenzend, aanwakkerend en versterkend of afremmend? Wie stelde de parameters vast van de eigen interne homeostase van dit Ego? Dat deed niet de verscheidenheid van de elementen. Ook niet de delicate constructies van de zeven essentiële aminozuren spelen een sturende hoofdrol in die processen: ze zijn slechts figuranten in het subtiele spel van evenwicht, van aanvulling, oproep, barrière, versterking of afremming die het een eenmalige persoon mogelijk maken bewust en genietend in de wereld te staan. Het Ego zelf beheert die parameters.

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door Ramulus om 09:39 Reageer op dit bericht

Cultuur of camouflage?

2.

Cultuur of camouflage?

Met die zorg om te overleven gebeurt nu iets speciaals. Zo'n zorgelijk bestaan is geen feest. Die onophoudelijke zorg om de dreiging van het Niets af te houden gaat scherm spelen tussen ons bedreigd bestaan en onszelf. Daarom toveren we de zorg om te overleven om tot een spel, tot een bezigheid die haar doel in zichzelf draagt. Velen gaan totaal verblind op in die zorg om te overleven. Ze storten zich hals over kop in de zorg om het gapende gat van de dreiging van het Niets dicht te pleisteren met bezig zijn om bezig te zijn. Ze proberen die dreiging zelf onzichtbaar te maken en achter het bloemetjesbehang te plakken.

Dat noemen we dan heel mooi en duur: cultuur.

De zorg camoufleert de bedreiging van het Niets achter een sussend, verdovend en verlokkelijk scherm van schijnbaar vaste waarden. Zo maken we van het voedsel dat ons in leven moet houden Bocuse-banketten, opgeluisterd door de aandacht voor en gekeuvel over exotische namen en ingewikkelde recepten en door spitsvondigheden en vitterijen over de frivoliteiten van de etiquette. Tot welke verblinding en blikvernauwing b.v. leiden de discussies over de juiste plaatsing van het bestek. Van onze noodzakelijke beschutting tegen de klimaatexcessen maken we architectuur, met bouwvergunningen en schoonheidscommissies. Met de kleding die onze naaktheid moet bedekken paraderen de Claudia Schiffers heupwiegend over de catwalk. De klanken die ons en de anderen waarschuwen voor gevaar en die ons helpen om samen voedsel op het spoor te komen, toveren we om tot symfonieën of literatuur. De moeder die haar baby de borst geeft, rukt het zo weg van de ondergang en schenkt het zo een toekomst, maar het wordt tevens een erotisch gebeuren tussen moeder en kind. En door na te denken over de Grijns van het Niets opent Martin Heidegger voor ons de afgrondelijke diepten van het Seyn en perspectieven op 'der Letzte Gott'.

De zorg om de zorg camoufleert zo de bron van de zorg. Cultuur negeert de Grijns en spiegelt ons bestendigheid voor.

Zo vlucht de mens weg van zichzelf en van zijn wankel bestaan. Zo maakt de mens zijn bestaan tot een 'daar-bestaan', tot een 'Da-sein', tot een ex-istentie. Tot een bestaan dat uitgesmeerd ligt over de vele dingen van deze wereld. Martin Heidegger spreekt dan ook van 'Aus-stand'. De mens is nooit 'hier' of 'nu', want hij is steeds in verwachting, steeds een nog-net-niet, steeds in wording, steeds onderweg. De mens loopt steeds achter zichzelf aan en draaft tevens steeds voor zich uit; hij verkeert steeds elders, in verleden en toekomst. Hij is zelf het perpetuum mobile, steeds onderweg naar zichzelf via de dingen van de wereld."Soi-même comme un autre", P. Ricoeur.

Omdat de mens steeds wankelt op de scherpe snede tussen Zijn en Niet-Zijn, moet hij zich steeds in het Zijn be-vest-igen. Daaruit ontspringt de zorg. Uit de opgave te Zijn. Te Zijn hebben. Uit de mogelijkheid te KUNNEN Zijn. Zijn is voor de mens nooit vanzelfsprekend, zoals dat vanzelfsprekend is voor de elementen, voor een stuk basalt of voor water.

In onze strijd tegen de dreiging van het Niets hebben we nooit iets definitiefs bereikt. Onze strijd is nooit gewonnen. Die strijd om het Zijn kan enkel soms voorlopig beslecht lijken of hoogstens even uitgesteld. Soms rust de boog met de pees op de Aarde, teken van het zoveelste Eeuwige Verbond. We tekenen wel eeuwigdurende wapenstilstanden. Maar komen we ooit tot een definitief staakt-het-vuren? Hoezeer we dat ook verlangen, de Grijns van het Niets doemt steeds weer op achter elke hoek. We blijven steeds in gevaar, steeds bedreigd. Elke windstoot kan ons kaartenhuis op elk moment in de war doen dwarrelen.

Cultuur helpt soms om ons te doen geloven dat we de strijd definitief gewonnen hebben. In feite leven we steeds boven onze stand. In zelfverblinding, in zelfberoezing. In de realiteit spartelen we steeds als cliffhangers boven de aanzuigende afgrond van het Niets.

 

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Ramulus om 21:39 Reageer op dit bericht

De mens , een cliffhanger?

4. De mens, een cliffhanger

Ik neem me voor in vier afleveringen op zoek te gaan naar onze situatie als mens.

1.

Elke soapaflevering kunnen afsluiten met een cliffhanger, is dat niet de droom van elke scriptschrijver? Van elke regisseur? Waarom bindt een cliffhanger zo de tv-kijkers aan de volgende aflevering? Is het niet omdat ze willen zien hoe het personage zich toch uit zijn bedreigende positie redt? En wat drijft hun nieuwsgierigheid? Speelt hier bij de tv-kijker soms een diepverankerde zelfherkenning? Want is de mens geen angstig wezen dat een zorgwekkend bestaan leidt? Leeft de mens niet continu wankelend op de scherpe snede van de scheiding tussen Zijn en Niet-Zijn? Flirt hij niet steeds met de eigen ondergang? Scheert hij niet rakelings langs de dood heen elk ogenblik van de dag? En dat niet alleen langs onze wegen.

Zichzelf bestendigen, in het bestaan blijven is voor de mens een onontkoombare taak van elk ogenblik: hij heeft het Zijn niet in kommervrij permanent bezit, neen, hij heeft te Zijn. Zijn is hem een dwingende taak. Bestaan is een nooit te ontlopen moeizame opgave. Vluchten of schuilen kan niet. De mens zit niet wollig en warm gepelst in zijn Zijn, zoals de dingen. Het Zijn is glibberig als een aal en dreigt de mens voortdurend te ontglippen. Voor de mens is bestaan elk ogenblik dit bedreigende Nu-moment overleven, de wolfijzers en schietgeweren van elk moment zonder te veel kleerscheuren te ontwijken. Het bestaan is steeds het resultaat van inzet en strijd om te blijven, strijd met en tegen de wereld, met en tegen de dingen. Bestaan, blijven, duren, de gevaren van het Nu overleven, dat is onze grootste zorg. Want elk ogenblik dreigen we weg te glijden in het Niets.

We hebben zelf te weinig in ons mars om onszelf uit onszelf enige bestendigheid te kunnen verzekeren. Op elk ogenblik moeten we daarom de wereld, de dingen van de wereld smeken ons bij te springen en ons te helpen verder te blijven bestaan. Hoelang kunnen we de lucht in onze longen missen? Hoelang kunnen we zonder voedsel of vocht in ons systeem? Hoelang kunnen we zonder het licht van de verre zon in onze ogen? Of zonder klank in de oren? Hoelang kunnen we het stellen zonder anderen voelbaar in onze nabijheid? We zijn constant haveloze bedelaars, stumpers die om hulp moeten bedelen bij de dingen om in het Zijn te kunnen blijven hangen: kleding om onze naaktheid te bedekken; een dak boven het hoofd tegen het gure klimaat; een bed om de vermoeide leden te slapen te leggen. Die dingen zelf hebben geen last van hun beperkt Zijn: zij zijn er gerust in; zij staan wijdbeens in de wereld, zelfverzekerd als een blok basalt in de branding. De dingen bestaan en blijven bestaan blijkbaar zonder veel inspanning van hunnentwege. In haar speels, maar diepzinnig gedicht 'Museum' probeert W. Szymborska de diepte van het water tussen duren en vergaan veilig te doorwaden:

'Die Krone überdauerte den Kopf.'

(W. Szymborska, Deshalb leben wir, 1980,p. 147)

Ons wankel be-staan is elk ogenblik het precaire resultaat van onze constante zorg om ons zelf overeind te houden, om te overleven met de hulp de dingen die ons omgeven, want alléén redden we het nooit. Niet enkel een hulpeloze baby overleeft geen dag zonder hulp van derden, wij zelf overleven maar bij de genade van de assistentie van vele en erg verscheiden dingen. Daarom zegt Martin Heidegger dat de mens een Da-sein is, dat hij ex-isteert. We leven immers dunnetjes uitgesmeerd over duizenden dingen; we zijn immers afhankelijk van de zijnshulp van zo verscheiden dingen elders, ginds, buiten ons, Da! Nooit totaal onszelf, nooit alleen rustig thuis bij onszelf, nooit veilig en zeker van ons zelf, maar steeds begaan met het bouwvallige kaartenhuisje van ons labiele bestaan, steeds bezig de kaarten te schikken, te herschikken en de bouwval te restaureren. Voorwaar, een zorgelijk bestaan leidt de mens. Hij is steeds bij zovele dingen op zoek naar veilige geborgenheid en verzekerd overleven van zichzelf.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Ramulus om 10:30 Reageer op dit bericht

Kennen = de wereld humaan ervaren

Is kennen de wereld humaan ervaren?

2.  De wijze van kennen, in de ruimste zin, bepaalt de mens, bepaalt de wereld, bepaalt de dingen. De wijze van kennen kleurt af op de mens, kleurt af op de wereld, bepaalt het ken-product; kaatst terug op de wereld, en op het kennen zelf. Onze wijze van kennen brengt een zich spiraalsgewijze uitbreidende, verwijdende kringloop van interacties opgang. Kennen, dat is verbanden leggen, verbanden die je zo kunt oprapen, maar ook verbanden die verborgen zijn, en zelfs verbanden die je zelf moet creëren.

Want, wat is kennen? Is kennen geen kosmos-vreemde vorm van handelen? Kennend treden we naar buiten, overschrijden we onze eigen lichamelijke begrenzingen, in tijd en ruimte, op zoek naar buit in de wereld om dan beladen met die kennisbuit ons eigen Zijn te verrijken. Zo is kennis jezelf innerlijk verrijken zonder de buitenwereld fysisch te plunderen. Maar is kennen niet méér? We kennen maar iets als we weten hoe het genesteld zit in ruimte en tijd, als we inzien hoe het met andere zijnden in interacties verweven is.

Kennen heeft echter ook een bevrijdende functie. Het paard voor me in de wei ziet enkel het gras voor zijn snoet, en wellicht ook een paard verderop in een andere weide. Maar het heeft geen Ahnung van grazige pampa\'s aan de andere kant van de Evenaar, het maakt geen vakantieplannen voor volgende zomer.

De mens zit niet gevangen in het ogenblik, in het hier en nu. Zijn horizont wordt niet begrensd door de onmiddellijke, particuliere, gesitueerde ervaringen met de dingen van de wereld. Binnen wat binnen het bereik van de zintuigen ligt. Hij wrikt zich uit die onmiddellijkheid los; los uit het stroperige concrete, los uit het voorbijrazende eenmalige. (Let op de connotatie \'geweld\' in \'wrikken\'.) Door zijn eigen, specifieke wijze van kennen bereikt de mens een vorm van bestendigheid. Een vorm van beschikbaarheid. Een vorm van herhaalbaarheid en universaliteit. Dit niveau van universaliteit bereiken is niet onschuldig, is niet vrij van gevolgen voor de wereld en voor de mens. De mens transponeert zijn concrete ervaringen, zijn hier en nu naar een ubiquitas en sempiternitas. Door zijn concreet gesitueerde ervaringen te transponeren naar universele kennis, kan hijzelf op een zekere wijze overal en altijd aanwezig zijn. Vanuit mijn leesstoel kan ik het heelal bereizen en het verleden en de toekomst ondervragen, tot zelfs lichtjaren ver in het verleden kijken..

Transponeren: universele kennis?

Onze middeleeuwse monnik, de nachtwachter uit het klooster nabij Orléans, was geen onwetende toen hij de stand van de sterren beschreef bij het naderen van Kerstdag. Hij kon echter zijn wetenschap over de stand van de sterren niet bevrijden van de kluisters van het Hic et Nunc. Hij kwam niet los van zijn biotoop. Hij kon zijn kennis niet transponeren naar een universeel beschikbaar en inzetbaar niveau, zodat andere nachtwachters in andere kloosters er hun voordeel mee konden doen om de juiste dag van Kerstdag en Nieuwjaar te bepalen.

Universele kennis, die overal, altijd, gelijkelijk voor iedereen geldt of beschikbaar is, dat is een enorme rijkdom. Dat verrijkt de schepping. Dat doet het Zijn groeien. Er ontstaat een zijnde dat overal, altijd, voor iedereen geldt en als traditie doorgegeven kan worden aan de volgende generaties. De vluchtige, singuliere ervaring krijgt een universele, bestendige geladenheid en effectiviteit die toekomst mogelijk maakt. En als je dan die transpositie van het particuliere naar het universele niveau kunt vastleggen, kunt bestendigen in een blijvende vorm, in een vaste, bestendige, communiceerbare en overdraagbare vorm, in taal b.v., en beter nog in teksten, die op schrift, op een bestendige drager voor iedereen beschikbaar zijn gesteld, dan echt geldt dat kennisproducten overal, altijd, voor iedereen gelijkelijk beschikbaar zijn in hun strijd om te overleven.

Dan veranderen de dingen van zijnsaard. Dan verandert onze relatie tot de dingen. Dan verandert de relatie tussen de dingen onderling. Dan krijgen we grondig veranderde compensatoire interacties tussen de zijnden. Dan veranderen onze menselijke relaties onderling. Het vluchtige vlucht voor het bestendige. Het particuliere ruimt de vloer voor het universele. Verliest het particuliere dan echter niet zijn status en wordt het dan niet herleid tot louter toepassing van iets universeels? Het toevallig aan tijd en plaats gebonden \' Als... dan...\' wordt een overal en altijd voor iedereen gelijkelijk geldende: \'Omdat... daarom...\' Het vergankelijke wordt getransponeerd naar een hoger, naar een eeuwig zijnsstatuut.

Er ontstaat een parallelle wereld die door zijn bestendigheid meer geborgenheid biedt, die overzichtelijker is, die meer structuur heeft. Die beter beschikbaar is, die aanpasbaar en manipuleerbaar is, die voorzienbaar en planbaar is en vooral maakbaar. (Met alle reserves van M. Heidegger voor alle vormen van \'Machbarkeit\' of \'Machenschaft\'.)

Het chaotische van de kosmos?

Vanwaar komt het dat we de kosmos als zo chaotisch ervaren? Omdat we in de beleving van de dingen en feiten te vaak enkel op het concrete ervaringsniveau blijven vegeteren, vaak enkel de concrete, losse, ogenblikkelijke, Hic et Nunc gesitueerde, aan wisselvallige contexten gebonden gebeuren en zijnden ervaren. We zien de golfslag, maar niet het getij. We zien de dag, niet de seizoenen. Het woord verhult ook.

Begrijpen schept vruchtbare verbanden, vestigt leefbare orde en schenkt bestendigheid en toekomst. ·

·

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Ramulus om 12:38 Reageer op dit bericht

Begrijpen: Niets grijpt naar iets!

2. Begrijpen: Niets grijpt naar iets.

Begrijpen in de (wurg?)greep

Begrijp jij waarom alle mensen zo zielsbehoeftig steeds alles willen begrijpen? (De beroemde eerst zin van Aristoteles\' Metafysica: \"Alle mensen streven van nature naar kennis.\"!) Begrijp jij waarom ze zelfs dat begrijpen zelf in hun greep willen krijgen? Waarom ik aanstoot neem aan het feit dat ik dit niet begrijp? Waarom toch? Het lijkt wel alsof het niet volstaat dat de dingen rondom mij er gewoon zijn, dat ze me omringen en me nabij zijn en me helpen de dreigingen van het Nu te overleven. Het lijkt alsof in hun er-zijn iets ontbreekt, alsof er een leegte heerst, alsof ze zich naakt in de wereld voelen staan. Een leegte en naaktheid die smeken om aanvulling en inkleding. Die leegte, die holte, dit \'en creux\' bestaan smeekt om opvulling van elders, om een opvulling die de dingen uit zichzelf niet kunnen opbrengen en ik dus zelf moet aanbrengen.

Waar ga ik die aanvulling zoeken en vinden? Want alles rondom mij vraagt toch om die opvulling. Alles toch vraagt steeds om begrepen te worden. Die aan- of opvulling ligt nergens apart met een strikje er rond op me te wachten. Moet ik die uitleg dan zelf in mijn eentje bedenken? Neen. Niet helemaal. Ik kan bij anderen te rade gaan, bij de mensen om me heen of ik kan in de boeken duiken en daar vernemen wat anderen als uitleg neerschreven. In de mythen. In de filosofie. In de religies en hun Heilige Boeken vind ik aanvullingen, verklaringen, interpretaties, die me helpen de dingen te begrijpen.

Is dat de oplossing? Ik zal vlug merken dat er niet één uitleg is, maar dat het wemelt van tegenstrijdige verklaringen en interpretaties. De Bijbel, de Koran, de Veda\'s, de Enuma Elisj, de Tao, de Griekse mythen, de vele filosofische visies.

De zijnden zijn duidelijk niet eenduidig. Ze lijken zich vele en erg verschillende interpretaties te laten aanmeten. Het lijken potjes waarop vele deksels blijken te passen. Ik kan dus niet elke uitleg die ik zelf bedenk, of die ik elders vind, zomaar voetstoots slikken. Om humaan te leven moet ik in elk geval tussen al deze verklaringen kiezen. Ik moet proberen minstens de voor mij meest aannemelijke verklaring te vinden. Ik moet dus die vele verschillende verklaringen leren kennen, ze vergelijken en op hun waarde beoordelen. Maar weer: volgens welke criteria zal ik die verklaringen beoordelen? Ook al maak ik geen duidelijke keuze, in elk geval moet ik minstens de \'vreemde\', de van elders in bruikleen genomen verklaring voor mij aannemelijk vinden.

Nogmaals: volgens welke criteria?

Niet simpel!

De dingen rondom mij vol-doen me niet, op zich. Ze vertonen in hun Zijn een tekort, een zijnsleegte, een naaktheid, een \'creux\'. Er moet uitleg bij. Dus boven en naast hun \'naakte\' Zijn, eisen de dingen ook nog een compensatie die hun zijnstekort aanvult, dus een leegtevullende verklaring. En deze verklaring moet ook mij vol-doen.

Maar dan zijn de dingen en ik op een wel erg opmerkelijke wijze verbonden. Zij eisen aanvulling die ik moet aandragen. Wat is die band die mij met de dingen op hun zijnsniveau verbindt? Waarom wil, ja moet ik ze begrijpen? Waarom vol-doet hun naakte bestaan, hun naakt er-zijn mij niet? Op welke basis steunt mijn eventuele aanvullende verklaring van die dingen? Waar haal ik die? Op welk criterium steunt mijn aannemelijkheidsoordeel over een zijnsaanvullende verklaring?

Meer nog: waar haal ik het lef vandaan om te oordelen over de zijnsverklaringen van anderen? Het lef om onderscheid te maken tussen geslaagde en niet-geslaagde zijnsverklaringen? Waar sta ik? Op welke referentie kan ik bogen om me zo te verheffen boven de dingen en boven hun leegteaanvullende verklaringen? Om me te verheffen boven mijn relatie met de dingen. Het lijkt wel of ik boven mezelf wil staan. Münchhausen. Welk tovertapijt heb ik ter beschikking om boven het behoeftemoeras van de zijnden te zweven? In sommige woningen hangt in de inkomhal een luchtfoto van huis en erf. Ik loop daar vaak zonder aandacht aan voorbij: \"Leuk, zeg!\" is alles wat ik bij dit opmerkelijke verschijnsel kan bedenken. Maar laat ik me beperken tot het verwonderlijke feit van mijn behoefte om te begrijpen. Vanwaar die nood, die behoefte aan begrip? Ligt het aan de dingen zelf? Waarom vertoont hun \'naakte\' Zijn zich aan mij als een leegte, als een \'creux\', een holte? Waarom zie ik die leegte? Ligt het aan mij? Overtref ik zò de dingen, door hun leegte te zien? Net zoals Adam en Eva plots merkten dat ze naakt in het paradijs paradeerden? Overvraag ik soms de dingen, vanuit mijn eigen behoeftigheid, vanuit mijn eigen leegte. Waarom zie ik het Niets? En waarom voldoet wat er wel is me niet. Ligt het aan mijn relatie tot de dingen? Aan de specifieke relatie die ik als mens heb met de dingen? Waarom voldoet me hun naakte Zijn niet? Waarom ben in niet tevreden met was zich aandient? Waarom doen ze zich aan me voor als \'gevuld\' met een leegte, als een om begrip schreeuwende leegte? Een Niets bedelend om aanvullend begrip. Wel een erg actief Niets, een N-iets dat ik ervaar! Opmerkelijk!

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Ramulus om 09:31 Reageer op dit bericht

Zaad van een komende apotheose

4.  Zaad ~ volwassen gestalte

Het is gewaagd de relatie tussen de volheid van de oorspronkelijke Exuberante en zijn kenosis, tussen de contractio-gestalte van de zijnden en de uiteindelijke volle openbaring van de overvloeiende weelde van de Exuberante via een voortdurende stroom van epifanieën, het is gewaagd dat proces met een concreet beeld te verduidelijken.

Toch wil ik dit beeld riskeren, omdat ik meen hiermee in te gaan op een suggestie van Martin Heidegger zelf. Hij biedt de lezer vaker van die verdoken suggesties tot zelfstandig verder denken. Ik vind zo'n suggestie in de laatste regels van zijn Identität und Differenz, (p. 67), waar hij zijn diepgravende meditatie over de relatie tussen Zijn en eindig zijnde afsluit met de opmerking dat die meditatie plaatsvond binnen het kader van een 'Seminar'. Hij verwijst er expliciet naar 'Samen' (zaad) en 'Samenkorn' (zaadkorrel). De allerlaatste woorden zijn: 'aufgehen mag und fruchten'.

Ik zie de kenosis, 'de volheid van de leegte' als een zaadcel. Het epifanie-gebeuren, voltrokken in de kosmische evolutie, als de compenserende interacties, tussen de levende zaadcel en het kosmische milieu. Constant ontwikkelen miljarden zaadcellen zich tot hun volwassen gestalte. Door die onvoorstelbare hoeveelheid lijkt de aardigheid eraf te zijn. Toch blijft elke ontwikkeling van een zaadcel tot haar volwassen gestalte een uniek, niet te herhalen wonder. Hoe kan het onooglijke mosterdzaadje zijn milieu tot de gepaste interacties uitlokken? Hoe kan het milieu de zaadcel de gepaste compenserende ingrediënten aanbieden? Welke zijnstransfusies zijn hier nodig? Hoe is dat mogelijk? Als niet beide, de zaadcel en het milieu, vanuit hun oorsprong, op elkaar afgestemd zijn, in hun diepste wezen congenitaal zijn? Als, maw, niet beide terug kunnen vallen op een gemeenschappelijke bron of herkomst: de kenosis van de Exuberante? Als niet beide onzichtbaar aangelijnd zijn door de ene Exuberante.

Een levend wezen, zij het een plant of een dier, ontledigt zich totaal in het zaad. Toch kunnen we noch in de eicel, noch in de zaadcel de volwassen gestalte herkennen. Wel zijn in het zaad alle mogelijkheden voor een toekomstige volwassene aanwezig, en dat vanuit een ononderbroken verleden. In de zaadcel zijn al de mogelijkheden, alle aanzetten aanwezig, om, door compensatoire interacties met het onmiddellijke milieu, de volwassen gestalte te realiseren.

Nochtans is noch een eicel, noch een zaadcel, reeds een persoon. En een zygote reeds als een persoon beschouwen, dat vraagt veel aanvullende en compenserende fantasie en zelfs denkkracht. Veel geestescreativiteit. Aanvoer van veel vreemde elementen die actueel niet aanwezig zijn. Enkel in aanleg. Maar, wat is 'in aanleg'? Want de zygote is wel gericht op de realisatie van een volwassen gestalte, maar niet op de realisatie van de onmiddellijke omgeving, of kweekbodem. De zygote wacht. Gelaten, maar wel attent en actief inspelend op elk aanbod van zijnstransfusie vanuit de 'omgeving'.

Elke nieuwe generatie zaadcellen biedt de kosmos mogelijkheden tot originele veranderingen, tot verbeteringen, tot vernieuwingen, geeft mutaties en muiters de kans en de ruimte nieuwe mogelijkheden uit te proberen. En blijkbaar biedt ook de kosmos vele nieuwe zijnsvorm een geschikte niche of biotoop aan.

Is de relatie tussen een volwassen levend wezen, zij het een plant, zij het een dier, zij het een mens en zijn zaad niet een ont-lediging? Niet een kenosis? Ontledigt de volwassene zich niet totaal, volledig in de eicel of de zaadcel? Is hij of zij er niet in ontledigde vorm volledig in terug te vinden, al zij het op een onwaarneembare wijze? En wat is de relatie tussen het zaad en de toekomstige volwassen gestalte? In het zaad zit, vanuit een ononderbroken verleden de toekomst van elke volwassene meegegeven. Is dat niet een beeld van de totale, volledige kenosis? Van de Differenz? Van de contractio?

En wat is de relatie, wat zijn de verhoudingen tussen zaad en volwassen gestalte? Is dat reeds voldoende onderzocht?

Bevat het zaad in nuce de volwassene? Neen.

Bevat het zaad de volwassene in potentie? Neen.

Bevat het zaad de volwassene in aanleg? Amper. Want er moet te veel 'bij'. Er moet te veel van elders aangesleept worden. Te veel 'vreemds' moet vanuit het onmiddellijke en verre milieu binnen gehaald worden. Er zijn te veel extra zijnstransfusies nodig. Zelfs van heel ver uit de ruimte.

Maar, in het zaad zitten wel de sturings- en de ordeningsprincipes en de selectie- en verwerkingsmechanismen om al het chaotisch (Let maar op het fruitpapje van een baby!) aangevoerde te selecteren, te 'de-differentiëren', te verteren, te ordenen en te integreren volgens een eeuwen tevoren vastgelegd plan en volgens daarop gerichte behoeftes, op gepaste wijzen, in de gewenste vormen of reconstructies (b.v. glycogeen.) in de aangepaste hoeveelheden en verhoudingen. Maw: Er zit een ziel in het zaad, een levensprincipe, een sturingsprincipe. Er zit een nieuw, een eigen Ego, een eigen zijnswil in het zaad. Een ordenend Zelf. Een Zelf dat de rommelig binnengemende ingrediënten, dat de chaotisch aangesleepte aanvullingen en compensaties tot een vooraf bepaalde orde kan omturnen. In het zaad zit het ordeningsprincipe dat in staat is de aangevoerde uiterlijke chaos tot de voorziene en gewenste orde om te bouwen. Is een pasgeboren baby, in al zijn hulpeloosheid en totale afhankelijkheid, niet een volwaardig Ego? Hulpeloos, maar zeer krachtig opkomend voor zichzelf. Een zeer efficiënt eiser. En ideale verwerker van chaos. Leven brengt veelheid en chaos tot simplicitas.

 

*** ***

***

Is deze visie te gedurfd? Het zij zo. Ik vind er rust bij, want deze visie geeft een antwoord op vele fundamentele vragen. En ze is in verhouding tot de inzet; tot de inzet aan weerzijden. De risico's zijn voor beide zijden fair verdeeld en gelijk.

Vragen die een antwoord krijgen zijn:

* Waarom is er eerst chaos, en groeit daaruit moeizaam en zo geleidelijk orde?

* Waarom is er veelheid? Veelheid die toch vraagt om tot eenheid omgesmeed te worden.

* Waarom is er verscheidenheid? Een verscheidenheid waarin toch blijkbaar een congenialiteit huist, een drang naar identiteit.

* Waarom is er eindigheid? Een eindigheid die zich beangstigend ingesnoerd voelt in eigen grenzen.

* Waar blijft na dit ondermaans bestaan de waarde van elk Ego? Waartoe dienen al die individuele inspanningen om een goed mens te zijn?

* Wat is de zin van een 'kosmos' (= juweel), als er al een Perfectie bestaat?

* Wat is de zin van het leven? Vooral van het animale leven? Wie gruwelt niet bij het idee dat al wat op animaal niveau leeft, leeft ten koste van andere levensvormen. Alleen de meeste planten leven enkel van eenvoudige elementen uit de Aarde, het water, de lucht of uit de ruimte (zonnewarmte). Maar al de rest foerageert ten koste van andere levende wezens, die zelf een moeizaam bestaan leidden. Hoe zeer ook we de biodiversiteit bewonderen, de voedselpiramide waarin het ene niveau organismen het andere tot voedsel dient, blijft onze gruwel opwekken en aanwakkeren.

* Verglijden al onze inspanningen om een zinvol mens te zijn niet spoorloos in het eeuwige Niets na onze dood? Elk Ego wil toch eeuwigheid.

* Wat is de zin van al die complexe compensatoire interacties?

* Waartoe die moeizame evolutie, die moeizame tocht naar een betere wereld gespreid over miljarden jaren, en dat zowel individueel als gemeenschappelijk?

* In deze context krijgt Paulus' bewering in Rom. 8:22 zijn volle draagkracht, draagwijdte en zin:"Wij weten immers dat de hele schepping kreunt en onder barensweeën lijdt, nog altijd."

Biedt het geen rust te weten dat je na je overlijden niet wegglijdt in het Niets, maar dat je eeuwig en goddelijk blijft bestaan als een onvervangbaar deel van de wordende gestalte van de apotheose van de Exuberante? Gedurfd? Ik citeer K. Rahner van 1977, uit zijn 'Wat is een christen?:

« Het woord 'zelfmededeling' betekent werkelijk, dat God in zijn eigenste werkelijkheid zich tot het innerlijkste constitutivum van de mens zelf maakt. Het gaat hier dus om een wezensbetrokken zelfmededeling Gods. » (p. 121, cursivering KR!)

Is het te gewaagd de 'Blickstand' en 'Blickbahn' van dit inzicht van richting te veranderen? De kern blijft: de 'wezensbetrokken zelfmededeling' en"God in zijn eigenste werkelijkheid zich tot het 'innerlijkste constitutivum van de mens zelf maakt'. Of je dat nu van God of van de mens uit bekijkt.

Is er niet veeleer een gentleman's agreement?

De Exuberante die zich uitlevert, die de eigen toekomstige voldragen gestalte via deze kenosis afhankelijk maakt van het risico van onze vrije coöperatie. De mens wordt gepromoveerd van toevallige figurant tot acteur-regisseur van het hele epifanie-gebeuren.

De Exuberante loopt een existentieel risico. En wij worden beladen met een even existentiële verantwoordelijkheid: een unieke, onuitwisselbare, onvervangbare taak, en dit met een blijvend effect voor de Exuberante, zowel in negatieve als in positieve zin.

***

Maar een mislukking van het kenosis-risico heeft ook een blijvend effect voor ons. Wij zitten, gestuurd door een anamnese, mee opgenomen in het Graalepos van de Exuberante op zoek naar zichzelf, naar zijn initiële volheid. Als er voor de Exuberante geen restauratie komt, geen uiteindelijke apotheose, dan is alles zinloos geweest, dan blijft de leegte holle leegte."Dan zal er niets gebeurd zijn!"treurt S. de Beauvoir. Louter een mooi avontuur, zonder happy ending. Dan is de Graaltoch van de kosmos, heel het avontuur van de evolutie van het leven op Aarde, het grote experiment van het laten verschijnen van de mens een zinloos risico geweest dat op niets uitloopt. Dan heeft geen moeite, geen inspanning, geen lijden, geen offer nog zin. Het Graalepos van de Exuberante op zoek naar zichzelf raakt ook elk van ons in zijn diepste existentie. De totale ontlediging van de godheid affecteert de concrete geschiedenis van de mensheid. Na Auschwitz klonk de wanhoopskreet: « Aber Gott schwieg! ». Kun je een niet bestaande God verwijten dat hij zwijgt? Wie niet bestaat, kan niet handelen! In de kenosis verdween Hij totaal, ontledigde Hij zich totaal. Er schoot geen ''buik' meer over! Daarom kon Hij in Auschwitz niet spreken! Geen afkeuring laten horen.

Niet God zweeg in Auschwitz!

WIJ zwegen!

Wij hielden de tanden op elkaar geklemd. Wij deden onze mond niet open. Wij lieten begaan. Wij veegden plichtsbewust en enggeestig de stoep alleen voor eigen deur. Wij waren te bekrompen, te egoïstisch, enkel met onze eigen zaken bezig, opgeslorpt in onze dagelijkse strijd voor het eigen hachje, doof en blind voor wat verder in de straat gebeurde.

Wij, dat is het hele mensdom, dat zijn alle lagen en klassen, dat zijn alle groeperingen en verenigingen en alle kerkgenootschappen, dat zijn alle instellingen en hun leiders, voorzitters en leden, dat zijn de staten en hun regeringen en staatsleiders, dat zijn de media en de kunsten. Dat zijn, op een paar na - die wij het met hun dood hebben laten bekopen - alle individuen. Als in een Nessuskleed zit elk individu gevangen in zijn egoïsme. En, die egoïsmen lijken gemakkelijker samen te tellen, in één richting samen te stuwen, tot één krachtige stroom te verstrengelen dan daden van altruïsme. Tsunami 12-12 was daarop een gelukkige uitzondering. Wanneer zullen daden van altruïsme constant zo effectief optelbaar zijn? Is het niet heiligschennend God als zondebok te gebruiken, als piespaaltje voor eigen individueel en gemeenschappelijk falen? Wij schuiven de schuld van ons eigen falen af op een onschuldige, op een machteloze.

Wij blijken nu nog niet in staat tot een wereldomvattende humanitas, die Auschwitz onmogelijk zou maken, die zou zorgen voor het welzijn van elk individu in elke gemeenschap. Wij hebben de restauratie, de apotheose van de Exuberante nog lang niet gerealiseerd. Wij blijven hopelijk op koers naar de echte eschatologie, naar de totale apotheose. Als wij de Exuberante niet restaureren, niet weer in de originele glorie van zijn weelderige diversiteit herstellen, dan gaan ook wij met hem voor eeuwig ten onder. Zullen immers niet zijn toekomstige gelaatstrekken door ons getekend zijn? En zullen ook wij niet daarin verweven zijn?

Wat 'n risico! Kalos kindunos!

Nam de Exuberante geen te groot existentieel risico met zijn totale kenosis? Heeft Hij niet zijn toekomst aan te precaire en te frèle handen overgeleverd?

Dat wij het Graalepos van de Exuberante van kenosis naar uiteindelijke Apotheose bewust mee mogen voltrekken en beleven! Dat wij in die geheimen, in die 'arcana' ingewijd mogen zijn! Dat wij zo diep verweven mogen zijn in het intiemste existeren van de Exuberante! Dat wij met heel ons wezen en doen geworteld zijn in de wankele onderneming van zijn kenosis en mee mogen werken aan de restauratie, aan de opbouw, aan de uitstraling en de glorie van zijn toekomstige definitieve gestalte! Dat wij mogen meewerken aan de restauratie van de kenosis, aan de Expanssio van de contractio!

Wij mogen, wij moeten hier en nu zijn mond, zijn handen, zijn voeten zijn! Wij maken de geschiedenis die hem in glorie en kracht moet herstellen.

Wat 'n roeping! Wat een verpletterende roeping! Wat 'n waardigheid! Wat een ondraaglijke waardigdheid!

Mens te mogen zijn!

Om van te duizelen!

Maar ook, te vaak, wat 'n 'talents galvaudés'! Hoe vaak schieten we niet te kort? Hoe vaak zwijgen we niet?

En dat alles speelt zich af 'op de vloer', in de banaliteit van elke dag. Zoals Moeder Theresa's werk voor de stervenden! Of de zorg voor demente bejaarden. Waarom zorgen wij voor demente bejaarden? Zij en hun leven bewerkten een facet van de eindgestalte van de Exuberante, zij zijn een deel, een straal van de Apotheose! En ook in die zorg voor bejaarden restaureren we de kenosis!

Dat is het mysterie van de kenosis.

Dat is het mysterie van:

« Aber Gott schwieg! »

Het mysterie van Gods onmacht.

Van onze macht en van ons falen.

=================================

 

Uitlui:

Laatst waren we, Emmy en ik, op bezoek bij een bejaarde dame die begint te dementeren, in haar serviceflat. Toch stelde ze zich nog fundamentele vragen. Plots onderbrak ze de normale gang van het gesprek en vroeg me op de man af:"We worden als onwetende baby's geboren, we groeien op, worden volwassen, werken een leven lang. En dan eindig je hier! Heeft God het wel goed gedaan? Heeft Hij zich niet vergist?"

Het werd me koud om het hart toen ik die hartekreet hoorde! Op je bestaan terugkijken als op een totaal zinloze entiteit. Zelfs de zin van de hele schepping wordt hier in vraag gesteld!

Het klinkt als Simone de Beauvoirs wanhopige conclusie na haar lange meditatie over de zin van leven en dood:"Er zal niets gebeurd zijn!"

Emmy reageerde door te zeggen:"Maar, Dina, je hebt toch veel goed gedaan voor veel mensen!"Dat liep over haar heen als water over een eend.

Ik dacht dat deze visie op de kenosis van de Exuberante mensen en de schepping wel een blijvende zin kan geven.

·

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Ramulus om 15:47 Reageer op dit bericht

Eén Werkelijkheid

Eén werkelijkheid

De lectuur van H.M. Kuitert, \'Voor een tijd een plaats van god\', (2003) heeft me niet alleen aan het denken gezet, maar me vooral een dun boekje van M. Heidegger doen lezen, dat ik altijd, uit een zekere schroom, op het rek liet staan, als te moeilijk: \'Identität und Differenz\'9, (1990). Uit H.M. Kuiterts boek heb ik het inzicht \'er is maar één werkelijkheid\' onthouden. Dat was voor mij vroeger al duidelijk. EEN werkelijkheid. Maar toch met twee facetten. Zoals de twee kanten van een medaille. Dat velen dualistisch blijven denken, dat is normaal, gegeven het dagelijkse contact met de onmiddellijke werkelijkheid: licht en schaduw, liefde en haat, voor en achter, links en rechts, dag en nacht, regen en zonneschijn, etc. Maar, let wel, die \'tweelingen\' zijn steeds gekoppeld, lopen gedwee onder één juk. Elk paar vormt één medaille. Wat dan met de Exuberante en de contractio? Ik bleef klaarblijkelijk toch, door de zwaartekracht van de routine, ook dualistisch denken met een Exuberante aan de ene kant, en daarnaast een kosmos als contractio ervan aan de andere kant.

Al lezend in M. Heidegger en H.M. Kuitert werd ik letterlijk overvallen door een inzicht waarvan ik de indruk heb dat ik het lang van me afgehouden heb: Er IS echt maar EEN werkelijkheid! De Exuberante WERD (zelf de) contractio. De Exuberante heeft zichzelf ontledigd, in een totale kenosis. Er is geen Exuberante nààst een contractio. De Exuberante is totaal leeggelopen in de contractio. Hij is erin ondergedoken. (Het Kruis.) Ook Martin Heidegger spreekt steeds van het \'Sichverbergen\' van het Sein. Er is dus Nu geen Exuberante meer. Hij is alleen nog een lokkende toekomst. Een toekomst die wij allen samen, met de kosmos, moeten realiseren, via de epifanieën. \'Voor een tijdje een plaatst van god.\' [ Je zou bijna denken dat Achterberg in zijn vers de titel van Sein und Zeit parafraseert. ]

Tot Hij weer aangroeit, weer open bloeit tot zijn oeverloze volheid. Wat een verantwoordelijkheid dragen we! Want er dreigt een groot gevaar: het gevaar dat we ons blindstaren op de eindige zijnden alsof zij de definitieve eindproducten van de evolutie zijn. Alsof de eindige zijnden niet mede vorm en inhoud geven aan de toekomstige gestalte van de Exuberante. Dan verwordt de contractio en eindigt ze als een zwart gat, dat alle uitstraling inslikt en in zichzelf opslorpt. Dan zetten we de Exuberante voor eeuwig gevangen in zijn kenosis. Dan wordt de contractio zijn definitieve en blijvende leegte.

En dat zou pas een ramp zijn.

Een ramp voor elk individu.

Een ramp voor de mensheid als geheel.

Een ramp voor de geschiedenis.

Een ramp voor de evolutie.

Een ramp voor de kosmos.

Een ramp voor de Exuberante, want dan verdwijnt Hij in de eigen kenosis. Hij heeft dan al zijn eieren in één mand gelegd, \'quitte ou double\' gespeeld en dan verloren. Hij heeft dan geen toekomst meer. En voor die ramp draagt ook de mens de verantwoordelijkheid, individueel en gemeenschappelijk. Dan zegeviert het nihilisme. Het dobbelspel is over. Chaos de toekomst.

Met het eindige aardse kwaad heb ik zo geen problemen: de Exitus is compleet, de kenosis totaal, de contractio consequent: wij krijgen volledige autonomie, totale zelfbeschikking, met carte blanche en alle volmachten. Alle machten en alle effectiviteiten ook. En alle gevolgen. Ook de negatieve. De Exuberante heeft zich totaal uitgeleverd, overgeleverd aan zijn contractio. Wat wij ervan zullen maken, dat zal Hij worden. Niets meer. Wij hebben de toekomstige gestalte van de Exuberante in onze handen en in ons doen. De evolutie van de hele kosmos realiseert de toekomstige gestalte van de Exuberante. De Exuberante is \'in the making\'. Er wordt aan gesleuteld. \'Progress and Reality\'. \'In progress\'. ( Whitehead ) Als we bewust, gewild en gericht weigeren en verhinderen dat de contractio op nieuw tot zijn volle weelde epifaneert, dan tasten we de toekomstige gestalte van de Exuberante blijvend aan, en dan stichten we echt eeuwig, onherstelbaar kwaad, het absolute kwaad. Dan verhinderen we de \'droom\' van de Exuberante realiteit te worden. Dan is de memoria, de anamnese een zinloze kwelling. Een hel!

Ik werd door dat idee danig overrompeld. Hoe kan ik dat een plaats geven?

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Ramulus om 10:13 Reageer op dit bericht

2.

Het Niets is niet de grens van het eindige zijnde. Wel de Exuberante. Wel de ontledigde volheid van het Zijn. Pas door een bewuste, gewilde kenosis van de Exuberante komen wij in het Zijn. De begrenzing, de kenosis, is geen holte, geen ijle leegte. U. Libbrecht puurt uit zijn studie van het Oosterse denken het inzicht: \"Niets is zo vol als de leegte.\"(De Standaard, 06.09.04, p. 12) Het is als het casco van een huis: dat schept alleen leegte, door grenzen te trekken in een open ruimte. Maar leegte die, door de beperkingen die ze aanbrengt, ruimte schept, die vanuit haar grenzen uitnodigt tot het inrichten van die leegte met humane voorwerpen. Leegte die de mens binnen lokt om ze te vullen. De begrenzing is ruimte scheppend, creëert mogelijkheden, nodigt uit tot creativiteit en verkenning van nieuwigheden. De begrenzing is uitlokking, is verlokking. Is uitdaging. Elk zijnde heeft vanuit zijn kenosis een openbaringstaak, een epifanie-opdracht, een glorificatieroeping. Het moet de onbegrensde weelde van de rijkdom van de gaven en van de diversiteit van het Zijn de kans bieden zich ten volle ten toon spreiden, zich breeduit te etaleren, ene mee te delen.

Beknotting, inperking kan een bron zijn van onvoorziene verrijking, kan verborgen en onvermoede mogelijkheden een kans tot actualisatie geven. Laat de wijnstok vrij groeien en hij brengt enkele onooglijke, armtierige besjes voort: klein grut goed voor de wilde vogels. Geiten leerden ons de wijnstok te snoeien en in zijn natuurlijke expansie te hinderen en zo ruimte vrij te maken voor onvoorziene mogelijkheden: de volle druif. Een slimme voorouder merkte op hoe pas een door de geiten geteisterde struik grote, sappige, mooie bessen produceerde. Het mishandelen van struiken, het snoeien was geboren. Het bewuste, gerichte inperken en beknotten van de natuurlijke groei van de wijnstok levert ons sindsdien de wijn.

Maar toch: waarom dan eindige zijnden? Omdat Niets de weelde van het Zijn niet kan epifaneren: \"Nee, niemand in de dood gedenkt Jou!\" (Ps 6:6) Zijn moet daarom beperkte zijnden de ruimte geven om zich in veelheid en verscheidenheid te kunnen uitwaaieren, om de eigen weelde aan diversiteit breeduit te kunnen ten toon spreiden, om de eigen gunsten gul te kunnen mededelen. Het Absolute Zijn heeft de eindige zijnden nodig.

Waarom begrensde zijnden? We mogen niet te minnetjes denken over grenzen, we mogen ze niet als verlies, beknotting, degradatie of uitsluiting beschouwen. Grenzen zijn als vruchtvliezen. Grenzen beschermen en bewaren wat ze bevatten en omvatten, en verbinden dat met wat ze schijnen uit te sluiten. Ze selecteren als membraan-filters. Binnen de bescherming van de omgrenzing kan elk zijnde de eigen, unieke epifanietaak koesteren en via de grens uitstralen. Zo verzekeren de grenzen veelheid, verscheidenheid, uitstraling en verbondenheid. Met andere woorden, de grens verzekert bestaansruimte aan elk Ego, binnen het contractio - epifanie-proces: elk Ego kan binnen de beschutting van de koesterende grens zijn eigen unieke epifanietaak in de ontplooiing van de toekomstige gestalte van de Exuberante veilig vervullen. Grens tussen Ego en universum.

Die kenosis, die contractio, dat zich tonende verbergen, dat is het wonder waarover Martin Heidegger steeds zo opgewonden raakt. Door het gebeuren van die contractio wordt de simplicitas van de Enige verkruimeld tot veelheid. \'Enigte\' waaiert de eigen weelde uit in \'Menigte\'. Een veelheid die zich kleedt met de weelde van de onontwarbaar verstrengelde diversiteit van de Exuberante. In de contractio ingebouwd werkt een actief principe dat op verscheidenheid gericht is, geneigd is naar..., gespannen staat naar … Het contractio-gebeuren zelf is reeds een epifaniemoment. Geen contractio als niet meteen de vele eigenschappen in de grenzen hun eigenheid tonen.

Die contractio is niet de uiteenrafeling van de simplicitas van het Zijn in een chaotische veelheid en verscheidenheid, is niet een eindeloze reproductie van hetzelfde, met een eender, stabiel resultaat. Reeds in het voltrekken van de contractio als proces, als gebeuren, demonstreert zich de weelde van de diversiteit van het Zijn. Elke eindige contractio-gestalte blijft geïnfecteerd met de herinnering aan de volheid van het oorspronkelijke Zijn. Elk begrensd zijnde blijft aangelijnd door het totale Zijn. Om hun bestaan te bestendigen zoeken die eindige zijnden steun bij elkaar in wederzijdse compensatoire interacties. De veelheid en verscheidenheid van de contractiogestaltes geven voldoende aanleiding tot onvoorspelbare, onvoorstelbare en onvoorzienbare interacties tussen die eindige zijnden. Ik heb zo Epicurus\' \'clinamen\' niet nodig om diversiteit te verklaren. Het fantastische is dat die veelheid, die menigte, die pas door de contractio ruimte krijgt en tot uitbarsting komt, zich \'out\', dat die veelheid in al haar verscheidenheid toch verbonden blijft met de simplicitas van haar bron, en geïnfecteerd blijft met de \'memoria\' , met het heimwee aan de volheid van haar oorsprong. Daarom kunnen niet alleen verschillen, maar zelfs tegenstellingen uitgroeien tot zulke betoverende interacties waarin het epifaniegebeuren zijn open telos realiseert, zoals in de liefde tussen man en vrouw, tussen ouder en kind, tussen vrienden die, van op één punt, elk een ander kant op kijken; in de fusie van materie en geest in sublieme kunst; en in de jaarlijkse paringsdans van Zon en Aarde in vier toonaarden van de seizoenen.

Die drang tot epifaneren komt het duidelijkst tot uiting in de kosmische evolutie. Evolutie: die alles dynamiserende en onstuitbare aandrift tot epifaneren van de contractio-gestaltes. Dat onophoudelijk uitproberen van alle mogelijke combinaties en interacties tussen eindige zijnden om de kenosis terug te draaien. De kosmos en vooral onze Aarde voeren na hun ontstaan een verbluffend schouwspel van overal opbruisende diversiteit ten tonele. Binnen de veelheid en diversiteit spelen de interacties onafgebroken tikkertje, met wisselende rollen van jagers en vluchters. Wisselende veelheid en verscheidenheid, binnen een constante wil de mogelijkheden tot diversiteit en tot epifanie van het Zijn tot het uiterste uit te proberen en te actualiseren. En zo de weelde van de Exuberante uit te stralen en mede te delen.

Dat onstuitbare bruisen van de diversiteit, groeiend en spiraalsgewijze uitwaaierend in zichzelf diversifiërende interacties! Elke nieuwe gestalte, elk aanboren en actualiseren van een nieuwe goudader met onvermoede mogelijkheden roept weer nieuwe interactievormen en -wijzen in het aanzijn; en deze leggen op hun beurt weer nieuwe mogelijkheden, nieuwe goudaders bloot, met ingebouwde rapidatie van de zich voortstuwende epifanieënspiraal.

De miljoenen actieve levensvormen op de Aarde tonen de weelde van de diversiteit van de Exuberante. Maar ook de diversiteit van de mogelijkheden van de Aarde, als het alles overkoepelende en verbindende verband. Elk van die levensvormen vindt een aangepaste, leefbare Aarde, een gunstig milieu, een bereidwillige niche of biotoop, met vruchtbare interactiemogelijkheden. Dit alles was in het initiële gebeuren van de kenosis als mogelijkheden meegegeven, als anamnese van een streng onder de toom gehouden weelderige diversiteit van de Exuberante.

Evolutie is niet enkel exclusief opbruisende verandering, opborrelende vernieuwing, ononderbroken discontinuïteit. Ze is ook continuïteit, behoudzucht. Ze bewaart de geslaagde epifanieën, vaak binnen een omvattend en verbindend kader. Discontinuïteit in dienst van de continuïteit, gericht op opbouw en openbarende uitstraling van de Exuberante. Continuïteit in een steeds wisselend kleedje.

\'Zijn\' is de in simplicitas samengebalde veelheid en volheid. Menigte samengebald tot Enigte. Als het compact en besloten Bestaan-in-Zich van de Exuberante. En daarnaast vind je de contractio, waardoor de Exuberante zich terugtrekt, en voor ons, zijn schepping, ruimte laat, ons vrije baan geeft. Maar ons dan ook helemaal vrij laat, vrij om helemaal onszelf te zijn. Waarom? Opdat wij door onszelf vrij uit te leven zijn oeverloze weelde en eindeloze diversiteit aan gaven op een unieke en onvervangbare wijze ten toon zouden kunnen spreiden, in de etalage zouden zetten. Dat uitzingen van de Glorie, van de Magnalia van de Exuberante wordt schitterend verwoord in Psalm 8 b.v. Of in hoofdstuk 38 van het boek Job.

Ik begrijp dus de schepping in termen van contractio en epifanie. Wij zijn hier als\"verschrompelde goden.\"In en door deze verschrompelde verschijning moeten wij die weelde van de Exuberante epifaneren. Elk op zijn manier. Elk met zijn unieke, onvervangbare, onuitwisselbare specialiteiten en apartigheden. Elk moet schitteren als één facet van de rijke diamant die Exuberante is. Wij moeten de verschrompeling ongedaan maken, onszelf tot een flitsend facet slijpen. Wij moeten de Exitus van de Schepper \'teruglopen\', van de contractio naar de Exuberantie. Of naar de Apotheose. Het is onze taak de terugtrekking, de kenosis, ongedaan te maken. Wij moeten de leegte weer tot haar oorspronkelijk volle \'vulte\' laten uitdijen, tot een aanstekelijke en verlokkelijke aanwezigheid omturnen. Wij moeten de contractio, de in-rolling of in-wikkeling, weer ont-rollen, ont-wikkelen. De leegte bemeubelen. Na de Exitus, de Reditus. Na de Anachorese, de Anabasis. Na de Verschrompeling, de Ontplooiing. Na de contractio, de Expansio de volle ruimte geven. Vergaan tot Bestaan bevestigen.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Ramulus om 14:33 Reageer op dit bericht

Waarom iets en niet liever Niets?

In verschillende stappen wil ik op zoek gaan naar de relatie tussen het Absolute Zijn en de eindige zijnden.

Trok God zijn buik in?

1.
Iemand zei me onlangs: "God is misschien ongelukkiger dan de mens. Want God heeft niemand of niets om zijn volheid mee te delen. God kan niet eens Bourgondisch gul zijn."Hoe dat controleren? Geeft de Bijbel zelf hier geen dubbele signalen?

In het scheppingsverhaal staat herhaalde malen:"God sprak". Tegen wie sprak Hij? Praatte de Schepper als een oudje tegen zichzelf? Als Mozes aan Jahweh vraagt van wie hij de groeten mag doen aan zijn clangenoten, dan krijgt Mozes hem eerst alleen als een brandend braambos te zien. (Ex. 3.3) Later wordt hem gezegd dat hij de groeten mag doen van:"Ik ben die ben."(Ex. 3.12) Ook de profeet Elia krijgt Jahweh niet in het vizier. Hij ervaart Jahweh enkel als een zachte bries in de rug. (1 Kon. 19.13) Wat de Bijbel ons vertelt over Jahweh, kunnen we alleen toetsen aan onszelf of aan de werkelijkheid rondom ons. Jahweh zelf krijgen we nooit rechtstreeks in het vizier. (Gen. 28.16) God bereiken we alleen indirect, via een carambolebeweging over onszelf of over de zijnden om ons heen. Als God spreekt tot ons, dan moet dat in mensentaal. We zouden anders onder zijn adem verschroeien.

En wat leert ons die carambole via de eindige zijnden? Waar we onze blik ook richten, we zien enkel eindige zijnden. En al kunnen we er niet naast kijken, al worden we er aan alle kanten door omstuwd, toch zijn die eindige zijnden niet probleemloos. Ook wat bestaat, het eindige zijnde, het 'iets' blijkt problemen te geven; het kan niet op eigen benen alleen staan, maar moet gestut en onderschoord worden.

Volgens Leibniz geeft Niets minder problemen dan Iets. Daarom vraagt hij:"Waarom is er iets, en niet veeleer Niets?". Waarom die vraag? Als je deze vraag nauwkeurig onder de loep neemt, blijken er verschillende vooronderstellingen onder te schuilen, zoals: het Niets lijkt de maatstaf, de startblok van het denken, want alleen het Niets geeft geen problemen, heeft een aureool van eenvoud, van waarschijnlijkheid en vanzelfsprekendheid. Het Niets wordt verondersteld, het lijkt geen verwondering op te roepen noch vragen los te weken. Dat er iets is, dat er eindige zijnden zijn, dàt lijkt pas verwondering op te wekken, dat lijkt noch vanzelfsprekend noch waarschijnlijk te zijn, en dat vraagt om een uitleg, om een verantwoording, al zijn die eindige zijnden met miljarden.

Het Zijn geeft problemen. M. Heidegger klaagt herhaalde malen : "Was bedeutet Sein? Von wo aus ist dergleichen wie Sein überhaupt zu verstehen? Wie ist Seinsverständnis überhaupt möglich?" ( GA 24, p. 19 & 21 ) Hij weet dat hij voor een onmogelijke opgave staat, hij, die al zijn denkvermogen inzette om net dat mysterie te doorgronden.

 

Toch wel opmerkelijk. Waarom geeft iets, waarom geeft een eindige zijnde meer problemen dan Niets? Het iets is in zijn Zijn beperkt en bedreigd, en moet daarom steun zoeken bij het volle, zelfstandige Zijn. En die steun ligt niet voor de hand. Hoe immers kan het volle, oeverloze Zijn het beperkte, eindige zijnde tot zijn dienen? Wie of wat kan het oeverloze Zijn in dit Zijn zò beperken, dat het in een beperkt, eindig zijnde inpast als steun, als compensatie voor het eigen zijnstekort? Wie of wat legt dat niet-in-te-perken Zijn aan banden? Wie of wat heeft daartoe voldoende body of krachtig uitstralende présence? Wie kan op tegen het Zijn om het in te perken? Wat staat er buiten het Zijn om die miniaturisatie te presteren?

Blijkbaar: alleen als het Zijn zichzelf inkort, zichzelf beperkt in zijn wezen, zelf de buikriem aanhaalt, pas dan kunnen beperkte zijnden bestaan. Dan ontstaat er binnen het Zijn voldoende ruimte voor beperkte zijnden. Pas als miniatuur-karikatuur van zichzelf past het Zijn in een eindig zijnde.

Zijnden worden niet door het Niets ingeperkt. Wel door de leegte aan Zijn mogelijk gemaakt. Door een volle leegte binnen het Zijn. Door de volle leegte van het zich terugtrekkende Zijn. Door de kenosis van het Zijn. En dat is pas een wonder.

In zijn 'Der Satz vom Grund' van 1957 probeert Martin Heidegger zijn onblusbare verwondering over de schijnbaar onmogelijke relatie tussen het volle Zijn en het eindige zijnde onder woorden te brengen en mede te delen. Dat het overweldigende Zijn de zijndheid, de zijnsgrond van het eindige zijnde kan zijn, over dat mysterie mediteert hij dertien colleges lang. Dat mysterie heeft hem van jongs af nooit losgelaten, dat is hem blijven fascineren. In het pas in 1943 toegevoegde Nawoord tot zijn Oratie van 1929, 'Wat is metafysica?', spreekt Martin Heidegger nogmaals zijn verwondering uit:"het wonder aller wonderen: Dat er zijnde is". (WiM, p. 46-47) Het Zijn heeft het eindige zijnde niet nodig om te zijn. Wel om exuberant gul te kunnen zijn. In al zijn schamelheid kan het zijnde echter niet zonder het Zijn. Hoe kan echter het onbegrensbare Zijn zich zo klein maken dat het het eindige zijnde kan doen zijn; dat het oneindige zich als aanvulling inpast in de eindigheid, in de begrenzing, in het zijnstekort van het eindige zijnde? Hoe past de oceaan in een mosselschelp? Het Zijn kan zich toch niet vernederen tot de status van loutere compensatie van het zijnstekort van het zijnde. Het volle Zijn kan toch onmogelijk het huisslaafje van het eindige zijnde worden. Waar liggen dan de verhoudingen? Hoe kan dat? Hoe moet dat? Het Zijn moet wel diep door de knieën gaan om in de wereld te kunnen kruipen.

De modernen lezen de Bijbel niet meer. En ook de exegeten van M. Heidegger kennen blijkbaar hun klassieken maar voor de helft meer. In de eerste, handgeschreven versie van zijn verhandeling over 'Het wezen der Waarheid', in de Urfassung van 1930, spreekt M. Heidegger over de 'Verborgenheit', in de termen van de beroemde hymne van Paulus, in zijn brief aan zijn geliefde Filippensen, 2,6 in termen van kenosis en roof. Heel M. Heideggers denken draait rond de wonderbaarlijke verhouding tussen Zijn en zijnde, rond de cirkelgang tussen 'Verborgenheit' en 'Unverborgenheit' van het Zijn. Ik vertaal dat, trouw aan de Urfassung, in termen van kenosis, of contractio en epifanie.

Om uit zijn eenzaamheid te treden realiseert God zijn schepping. Hij kan echter onmogelijk een tweede volheid aan hem gelijk naast zich scheppen. Naast hem kan immers onmogelijk iets even volmaakts, iets even perfects, iets even volledigs, iets even groots bestaan als Hijzelf. Zelfs om een onvolledig zijnde te creëren, moest Hij noodgedwongen ruimte vrij maken en 'zijn buik intrekken'. Dat noemen de joodse mystici de Tsimtsoem. Het wordt in de Middeleeuwen ook wel de contractio, of de kenosis genoemd. God kan niet verdwijnen, maar verbergt zich, trekt zich terug, maakt voor ons ruimte vrij. Men spreekt soms ook van de Exitus of de Anachorese. Simone Weil muntte daarvoor de term 'décréer', ont-scheppen.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Ramulus om 09:43 Reageer op dit bericht

Meer van Zijnzoeken

↑ Terug naar de berichten