Romenu is een blog over gedichten, literatuur en kunst Maar Romenu is ook een professionele freelance vertaler Du-Ne en Ne-Du http://www.roumen-vertalingen.nl/
Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in het conducteurshuis aan de Waagplatz 2 in Salzburg geboren. Zijn vader, Tobias Trakl, was een handelaar in ijzerwaren en zijn moeder, die ook psychische problemen had, was Maria Catharina Trakl, (meisjesnaam Halik). Voorts had hij nog drie broers en drie zussen. Margarethe (doorgaans Grethe genoemd) stond hem het naast, zelfs zodanig dat sommigen een incestueuze verhouding vermoeden. Zijn jeugd bracht hij door in Salzburg. Vervolgens bezocht hij van 1897 tot 1905 het humanistische gymnasium. Om toch een academische opleiding te kunnen volgen, werkte hij tot 1908 in de praktijk bij een apotheker. Sommigen vermoedden dat hij dit vooral deed om zichzelf opiaten te kunnen verschaffen. Bij het uitbreken van WO I werd Trakl als medicus naar het front in Galicië (heden ten dage in Oekraïne en Polen) gestuurd. Zijn gemoedsschommelingen leidden tot geregelde uitbraken van depressie, die verergerd werden door de afschuw die hij voelde voor de verzorging van de ernstig verwonde soldaten. De spanning en druk dreven hem ertoe een suïcidepoging te ondernemen, welke zijn kameraden nochtans verhinderden. Hij werd in een militair ziekenhuis opgenomen in Kraków, alwaar hij onder strikt toezicht geplaatst werd.Trakl verzonk daar in nog zwaardere depressies en schreef Ficker om advies. Ficker overtuigde hem ervan dat hij contact moest opnemen met Wittgenstein, die inderdaad op weg ging na Trakls bericht te hebben ontvangen. Op 4 november 1914, drie dagen voordat Wittgenstein aan zou komen, overleed hij echter aan een overdosis cocaïne
Paul Celan
Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Paul Celans ouders waren Duitssprekende joden die hun zoon joods opvoedden en hem naar Duitse christelijke scholen stuurden. In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf juli 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog. Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1948 in Parijs. Daar was hij werkzaam als dichter, vertaler en doceerde hij aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure. Vermoedelijk op 20 april 1970 beëindigde hij zijn leven zelf door in de Seine te springen.
Gerard Reve
Gerard Reve over: Medearbeiders ”God is in de mensen, de dieren, de planten en alle dingen - in de schepping, die verlost moet worden of waaruit God verlost moet worden, door onze arbeid, aangezien wij medearbeiders van God zijn.” Openbaring ”Tja, waar berust elk godsbegrip op, elke vorm van religie? Op een openbaring, dat wil zeggen op een psychische ervaring van zulk een dwingende en onverbiddelijke kracht, dat de betrokkene het gevoel heeft, niet dat hij een gedachte of een visioen heeft, maar dat een gedachte gedachte of visioen hem bezit en overweldigt.”
Simon Vestdijk
Simon Vestdijk (Harlingen, 17 oktober 1898 – Utrecht, 23 maart 1971) was een Nederlands romancier, dichter, essayist en vertaler. Zijn jeugd te Harlingen en Leeuwarden beschreef hij later in de Anton Wachter-cyclus. Van jongs af aan logeerde hij regelmatig bij zijn grootouders in Amsterdam, waar hij zich in 1917 aan de Universiteit van Amsterdam inschrijft als student in de medicijnen. Tijdens zijn studie die van 1917 tot 1927 duurde, leerde hij Jan Slauerhoff kennen.Tot 1932 is hij als arts in praktijken door heel Nederland werkzaam. In 1932 volgt zijn officiële schrijversdebuut met de uitgave van de bundel Verzen in De Vrije Bladen. Doorslaggevend voor Vestdijks uiteindelijke keuze voor de literatuur is zijn ontmoeting in 1932 met Eddy Du Perron en Menno ter Braak. Deze ontmoeting had tot resultaat dat hij redactielid werd van het tijdschrift Forum Kort daarop, in 1933, wordt zijn eerste novelle, De oubliette, uitgegeven. In hetzelfde jaar schrijft hij Kind tussen vier vrouwen, dat, eerst geweigerd door de uitgever, later de basis zal vormen voor de eerste drie delen van de Anton Wachter-romans. In 1951 ontvangt Vestdijk de P.C. Hooftprijs voor zijn in 1947 verschenen roman De vuuraanbidders. In 1957 wordt hij voor het eerst door het PEN-centrum voor Nederland voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur, die hij echter nooit zal krijgen. Op 20 maart 1971 wordt hem de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, maar voor hij deze kan ontvangen overlijdt hij op 23 maart te Utrecht op 72-jarige leeftijd. Vestdijk was auteur van ca. 200 boeken. Vanwege deze enorme productie noemde de dichter Adriaan Roland Holst hem 'de man die sneller schrijft dan God kan lezen'. Andere belangrijke boeken van Simon Vestdijk zijn: "Kind van stad en land" (1936), "Meneer Visser's hellevaart" (1936), "Ierse nachten" (1946), "De toekomst de religie" (1947), "Pastorale 1943" (1948), "De koperen tuin" (1950), "Ivoren wachters" (1951), "Essays in duodecimo" (1952) en "Het genadeschot" (1964).
K.P. Kavafis K.P. Kavafis werd als kind van Griekse ouders, afkomstig uit Konstantinopel, geboren in 1863 in Alexandrië (tot vandaag een Griekse enclave) waar hij ook het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Twee jaar na de dood van zijn vader verhuist het gezin in 1872 naar Engeland om na een verblijf van vijf jaar naar Alexandrië terug te keren. Vanwege ongeregeldheden in Egypte vlucht het gezin in 1882 naar Konstantinopel, om na drie jaar opnieuw naar Alexandrië terug te gaan. In de jaren die volgen maakt Kavafis reizen naar Parijs, Londen en in 1901 zijn eerste reis naar Griekenland, in latere jaren gevolgd door nog enkele bezoeken. Op de dag van zijn zeventigste verjaardag, in 1933 sterft Kavafis in Alexandrië. De roem kwam voor Kavafis pas na zijn dood, dus postuum. Deels is dat toe te schrijven aan zijn eigen handelswijze. Hij was uiterst terughoudend met de publicatie van zijn gedichten, liet af en toe een enkel gedicht afdrukken in een literair tijdschrift, gaf in eigen beheer enkele bundels met een stuk of twintig gedichten uit en het merendeel van zijn poëzie schonk hij op losse bladen aan zijn beste vrienden.
Thomas Mann
Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, werd geboren op 6 juni 1875 in Lübeck. Hij was de tweede zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle "Gefallen". Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond - hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar - besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver. Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger. In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de 'Duitse ziel' in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 vertrok hij naar Zwitserland. Op 12 augustus 1955 stierf hij in Zürich. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921.Belangrijke werken zijn: Der Zauberberg, Der Tod in Venedig, Dokter Faustus , Joseph und seine Brüder en Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull.
Rainer Maria Rilke
Rilke werd op 4 december 1875 geboren in Praag. Hij had al naam gemaakt als dichter met zijn bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder, toen hij de literaire wereld versteld deed staan en wereldfaam verwierf met de publicatie van zijn twee delen Neue Gedichte in 1907 en 1908. Hij verzamelde daarin het beste werk uit een van zijn vruchtbaarste periodes, die hij grotendeels doorbracht in Parijs. Rilke was daar diep onder de indruk gekomen van Rodin, bij wie hij een tijdlang in dienst was als particulier secretaris. Rodin, zei hij later, had hem leren kijken. Dit kijken kwam neer op intense concentratie, om het mysterie te kunnen zien ‘achter de schijnbare werkelijkheid'. Latere en rijpere werken als Duineser Elegien (1912-1923) en het ronduit schitterende Die Sonette an Orfeus (1924) illustreren Rilkes metafysische visie op het onzegbare, dat haar verwoording vindt in een hermetische muzikale taal. Op 29 december 1926 overlijdt Rilke in het sanatorium in Val-Mont aan de gevolgen van leukemie. Enkele dagen later wordt hij, overeenkomstig zijn wens, begraven op het kerkhof van Raron.
* * * * * * * * * * * * * * * *
Romenu
Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
31-03-2013
Am Ostersonntage (Annette von Droste-Hülshoff)
Aan alle
bezoekers en mede-bloggers een Vrolijk Pasen!
Verrijzenis door Raffaelino
del Garbo, 1510
Am Ostersonntage
O, jauchze, Welt,
du hast ihn wieder,
Sein Himmel hielt
ihn nicht zurück!
O jauchzet!
jauchzet! singet Lieder!
Was dunkelst du,
mein sel'ger Blick?
Es ist zu viel, man
kann nur weinen,
Die Freude steht
wie Kummer da;
Wer kann so großer
Lust sich einen,
Der all so große
Trauer sah!
Unendlich Heil hab'
ich erfahren
Durch ein Geheimnis
voller Schmerz,
Wie es kein
Menschensinn bewahren,
Empfinden kann kein
Menschenherz.
Vom Grabe ist mein Herr
erstanden,
Und grüßet alle die
da sein,
Und wir sind frei
von Tod und Banden,
Und von der Sünde
Moder rein.
Den eignen Leib hat
er zerrissen,
Zu waschen uns mit
seinem Blut,
Wer kann um dies
Geheimnis wissen,
Und schmelzen nicht
in Liebesglut!
Ich soll mich freun
an diesem Tage
Mit deiner ganzen
Christenheit,
Und ist mir doch,
als ob ich wage,
Da Unnennbares mich
erfreut.
Mit Todesqualen hat
gerungen
Die Seligkeit von
Ewigkeit,
Gleich Sündern hat
das Graun bezwungen
Die ewige
Vollkommenheit.
Mein Gott, was
konnte dich bewegen
Zu dieser
grenzenlosen Huld!
Ich darf nicht die
Gedanken regen
Auf unsre
unermessne Schuld.
Ach, sind denn
aller Menschen Seelen
Wohl sonst ein
überköstlich Gut,
Sind sie es wert,
dass Gott sich quälen,
Ersterben muss in
Angst und Glut!
Und sind nicht
aller Menschen Seelen
Vor ihm nur eines
Mundes Hauch?
Und ganz befleckt
von Schmach und Fehlen,
Wie ein getrübter
dunkler Rauch?
Mein Geist, o wolle
nicht ergründen,
Was einmal
unergründlich ist;
Der Stein des
Falles harrt des Blinden,
Wenn er die Wege
Gottes misst.
Mein Jesus hat sie
wert befunden
In Liebe und
Gerechtigkeit;
Was will ich ferner
noch erkunden?
Sein Wille bleibt
in Ewigkeit!
So darf ich glauben
und vertrauen
Auf meiner Seele
Herrlichkeit!
So darf ich auf zum
Himmel schauen,
In meines Gottes
Ähnlichkeit!
Ich soll mich freun
an diesem Tage:
Ich freue mich,
mein Jesu Christ,
Und wenn im Aug'
ich Tränen trage,
Du weißt doch, daß
es Freude ist!
Annette von Droste-Hülshoff (10 januari 1797 24
mei 1848)
Tuinkamer in
het Rüschhaus nabij Drostes geboortehuis Burg Hülshoff
Marga Minco, Octavio Paz, Nichita Stănescu, Enrique Vila-Matas, Hartmut Lange
De Nederlandse schrijfster en journaliste Marga Minco,
pseudoniem van Sara Minco, werd
geboren in Ginneken op 31 maart 1920. Zie ook alle tags voor Marga
Minco op dit blog.
Uit: Het
Bittere Onkruid
De sterren
Van het raam van
mijn kamer uit zag ik in de verte mijn vader aankomen. Sinds enige weken was ik
uit het ziekenhuis. Wel moest ik nog een paar uur per dag rusten, maar ik was
geheel hersteld.
Meer dan deze
straat kende ik van Amersfoort nog niet. Het was een stille buitenwijk met
nieuwe, twee aan twee gebouwde huizen, omringd door tuinen.
Mijn vader liep met
korte, stevige passen en nam met een zwierig gebaar zijn hoed af voor een
vrouw, die in haar voortuin bloemen stond te plukken. Zij scheen iets tegen hem
te zeggen, want hij hield even zijn pas in. Toen hij vlak bij het huis was, zag
ik dat hij een pakje in zijn hand hield. Een bruin pakje. Ik ging naar beneden,
stak mijn hoofd om de huiskamerdeur en kondigde aan:
Daar komt vader
met een pakje.
Wat zit er in?
vroeg ik bij de voordeur.
Waarin? vroeg
mijn vader, die rustig jas en hoed ophing. Hij had het pakje op de kapstok
gelegd.
Nou, zei ik
ongeduldig, in dat pakje, dat je bij je hebt.
Je zult het wel
zien, zei hij. Kom maar.
Ik volgde hem naar
binnen. Daar legde hij het op tafel, terwijl iedereen er nieuwsgierig naar
keek. Er zat een touwtje omheen, waarvan hij eerst geduldig de knopen
lospeuterde. Daarna vouwde hij het papier open. Het waren de sterren.
Ik heb er voor
allemaal wat meegebracht, zei hij, dan kunnen jullie ze op al je jassen
naaien. Mijn moeder nam er een uit het pakje en bekeek die aandachtig. Ik zal
eens zien of ik gele zij in huis heb, zei ze.
't Is oranje, zei
ik, je moet er oranje garen voor gebruiken.
Het lijkt mij
beter, zei Lotte, de vrouw van mijn broer, om garen in de kleur van je mantel
te nemen.
Marga Minco (Ginneken, 31 maart 1920)
Cover
De Mexicaanse schrijver, dichter, en diplomaat Octavio Paz werd geboren op 31 maart 1914 in Mixcoac,
tegenwoordig een deel van Mexico-stad. Zie ook alle tags voor Octavio
Paz op dit blog.
Eén aar is al het koren
Eén aar is al het
koren
Eén veer is een levende en zingende vogel
Een mens van vlees is een mens van droom
De waarheid is ondeelbaar
De donder verkondigt de daden van de bliksem
Een gedroomde vrouw wordt altijd een geliefde van vlees
De slapende boom spreekt groene orakeltaal
Het water babbelt maar en herhaalt zicht nooit
In de weegschaal van de oogleden is de droom van geen gewicht
In de weegschaal van een tong die raaskalt
Een vrouwentong die ja zegt tot het leven
Slaat de paradijsvogel zijn vleugels open
Vertaald door Stefaan
van den Bremt
Hier
Mijn stappen in deze straat
Weerklinken
in een andere straat
waar
ik mijn stappen hoor
passeren in deze straat
waar
Slechts de mist werkelijk is
Vertaald door K.
Michel
Twee lichamen
Twee lichamen tegenover elkaar
Zijn soms twee golven
En de nacht is de oceaan
Twee lichamen tegenover elkaar
Zijn soms twee stenen
En de nacht een woestenij
Twee lichamen tegenover elkaar
Zijn soms wortels
In de nacht vastgebonden
Twee lichamen tegenover elkaar
Zijn soms zakmessen
En de nacht een bliksemflits
Twee lichamen tegenover elkaar
Zijn twee hemellichamen die vallen
In een lege hemel.
Vertaald door Annet
Burgers
Octavio
Paz (31 maart 1914 19 april 1998)
Portret door Carlos Enrique Velázquez Moreyra, 1990
Silence strikes the
tree trunks, upon itself retracing,
turns to distance, turns to sand.
I have turned my only face toward the sun,
my shoulders scatter leaves in this racing.
Cutting through the field - up on two shoes
my horse leaps, steaming, from the clay.
Ave, I am turning to you, I, Ave!
The sun has burst across the heavens, crying.
Stone drums are sounding, the sun grows,
the vault of heaven, alive with eagles, before him,
collapses into steps of air, and glows.
Silence turns to blue wind,
the spur of my shadow grows
in the ribs of the field.
The sun snaps the horizon in two.
The vault of heaven pulls down its dying prison cells.
Blue spears, with no returning,
I discard my visions, both of them -
they meet him, sweet and grave.
My horse rises on two shoes.
Ave, tide of light, ave!
The sun ascends from objects, crying,
shakes the borders, voiceless and grave.
My soul meets Him, Ave!
My horse rises on two shoes.
My pale mane burns on the wind.
Nichita
Stănescu(31 maart
1933 13 december 1983)
Uit: Bartleby & Co. (Vertaald door Jonathan Dunne)
I wonder if I can
do this. I am convinced that only by tracking down the labyrinth of the No can
the paths still open to the writing of the future appear. I wonder if I can
evoke them. I shall write footnotes commenting on a text that is invisible, which
does not mean it does not exist, since this phantom text could very well end up
held in suspension in the literature of the next millennium.
1) Robert Walser
knew that writing that one cannot write is also writing. Among the many minor
positions that he held - bookshop assistant, lawyer's clerk, bank employee,
worker in a factory that made sewing machines, and finally major-domo of a
castle in Silesia - Robert Walser would from time to time retire to Zurich, to
the "Chamber of Writing for Unoccupied Persons" (the name could not
be more Walserian, but it is genuine), and there, seated on an old stool, in
the evening, in the pale light of an oil lamp, he would make use of his
graceful handwriting to work as a copyist, to work as a "Bartleby".
Both his occupation
as a copyist and Walser's whole existence remind us of the character in
Melville's story, the scrivener who spent twenty-four hours a day in the
office. Roberto Calasso, referring to Walser and Bartleby, has remarked that in
such beings who have the appearance of ordinary and discreet men there is,
however, to be found an alarming tendency to negate the world. All the more
radical the less it is observed, the blast of destruction is frequently ignored
by people who consider the Bartlebys to be grey, good-natured beings. "For
many, Walser, the author of Jakob von
Gunten," writes Calasso, "is still a familiar figure and it is
possible to read even that his nihilism is middle class and good-natured like
the Swiss. And yet he is a remote character, a parallel path of nature, an
almost indiscernible knife-edge. Walser's obedience, like Bartleby's
disobedience, presupposes a total break [...]. They copy, they transcribe texts
that pass through them like a transparent sheet. They make no special pronouncements,
no attempt to modify. 'I do not develop,' says Jakob von Gunten in Jakob von Gunten. 'I would prefer not
to make any change,' says Bartleby. Their affinity reveals the similarity
between silence and a certain decorative use of language."
Jeder kennt die Stimmung, die um einen Schlafenden
entsteht. Es ist so etwas wie Fremdheit, und doch bleibt alles, wie es war: Da
sind die Möbel, die, nachdem die Nachttischlampe nicht mehr brennt, ihre
Schatten werfen, da ist das unverhangene Fenster, durch das genügend Licht
fällt, um auch den kahlen Wänden ringsherum Konturen zu geben, und hinter dem
Fenster beginnt das grenzenlose Draußen, das, da niemand es wahrnimmt, wie
unerlöst, wie beziehungslos, wie eine Welt ohne Gegenüber wirkt, und selbst der
Mond, der über den Dächern der Stadt aufsteigt, kann seine Schönheit nicht zur
Geltung bringen. Und wenn nun der eben noch Schlafende aus irgendeinem Grund,
vielleicht, weil er unbequem lag oder schlecht geträumt hatte, sich plötzlich
mit einem Seufzer aufrichtet und, mit beiden Händen Halt suchend, auf der
Bettkante zu sitzen kommt, dann wäre es möglich, dass sich zwei Welten, die
zusammengehören, für Augenblicke nicht mehr berühren.
Sometimes we
collide, tectonic plates merging,
continents shoving, crumpling down into the molten
veins of fire deep in the earth and raising
tons of rock into jagged crests of Sierra.
Sometimes your hands drift on me, milkweed's
airy silk, wingtip's feathery caresses,
our lips grazing, a drift of desires gathering
like fog over warm water, thickening to rain.
Sometimes we go to it heartily, digging,
burrowing, grunting, tossing up covers
like loose earth, nosing into the other's
flesh with hot nozzles and wallowing there.
Sometimes we are kids making out, silly
in the quilt, tickling the xylophone spine,
blowing wet jokes, loud as a whole
slumber party bouncing till the bed breaks.
I go round and round you sometimes, scouting,
blundering, seeking a way in, the high boxwood
maze I penetrate running lungs bursting
toward the fountain of green fire at the heart.
Sometimes you open wide as cathedral doors
and yank me inside. Sometimes you slither
into me like a snake into its burrow.
Sometimes you march in with a brass band.
Ten years of fitting our bodies together
and still they sing wild songs in new keys.
It is more and less than love: timing,
chemistry, magic and will and luck.
One plus one equal one, unknowable except
in the moment, not convertible into words,
not explicable or philosophically interesting.
But it is. And it is. And it is. Amen.
De Vlaamse
schrijver, vertaler en publicist Peter Motte werd geboren in Geraardsbergen op 31 maart
1966. Zie ook alle
tags voor Peter Motte op
dit blog.
Uit: Shinigami
in manga
Nadat ik mijn
eerste manga had gelezen, geraakte ik zodanig verstrikt in een web van
intriges, dat ik er nooit meer uitgeraakte. Die manga heette Death Note, en op dat moment kon ik
nog helemaal niet vermoeden dat ik aan de volledige tweede cyclus van die
cultreeks zou meewerken. Het begon nochtans onschuldig met de controle van het
eerste hoofdstuk van Detective Conan
- over een detectivetiener waarvan het lichaam per ongeluk wordt teruggebracht
tot zijn zevenjarige proporties - een serie die om een of andere reden nooit
door haar publiek werd ontdekt, en die in het Nederlands werd stopgezet. Niets
lukt zomaar.
Na dat instappertje
werden me Death Note en Shaman King toegeschoven. Death Note bleek een flinke
breinbreker, zeker voor de corrector, maar nog meer voor de vertaler. De
personages proberen elkaar de loef af te steken door ingewikkelde intriges op
te zetten, maar vooral door op slinkse manieren gebruik te maken van een apart
wezen waarover ze soms macht uitoefenen, en waarvan ze soms het slachtoffer
zijn: shinigami.
My mother would
have been twenty-seven, Wilkie about ten years older, this huge,
soft-voiced teddy bear with wavy brown hair and bushy brows, his
eyes set so deep under them that they looked trapped. He got
by because he'd had an inheritance of maybe forty thousand dollars
and, bumming around the West, he'd landed in Santa Fe several years
before the real-estate boom. His then artist-girlfriend persuaded
him to buy a crumbling adobe house on a large lot on Canyon Road.
Outright. She left before long, but there were always other artists (artist mostly in quotes)
ready to move in with him. The males and maybe some of the females
paid rent. He had good offers for the whole piece of real estate but
he turned them down. He couldn't imagine where he'd go
afterward. Wilkie was one of the few people I've ever known who
didn't need to do
anything, even when he was sober. He could sit at home or in the
coffee shop for hours without even looking at the newspaper,
waiting for people to come by and talk. Or not talk. Just drink
coffee at his regular table. Sober, my mother could do that for five
or ten minutes. Even drunk, she didn't stay still for long. Anyway,
I wasn't so much aware of the difference between drunk and sober, in
those days. And she wasn't drunk so much of the time.
They struck up a conversation in the Pink Adobe, called by regulars
the Pink. His girlfriend had just left. A couple of hours later, we
moved into his room. No mystery about how my mother got pregnant;
the marvel is that it didn't happen more often. She loved babies.
She loved anything that didn't talk back.
Hij heette Tjores
en hij had een baard,
hij was met zwaard en enterhaak bedreven.
Wie hem ontwaarde wendde vast de steven,
vaak tevergeefs, dan werd geen man gespaard.
Maar nooit heeft hij eenzelfde roem vergaard
als Jan, Piet en Corneel, dus ongeschreven
blijft heel de rest van Tjores ruige leven;
wie Tjores was bleef voor ons niet bewaard.
En waar hij dan ook rust, hij rust in vree.
Ze waren ferme jongens, stoere knapen
met een alom gerespecteerd beroep.
Dankzij hun spirit telden wij nog mee.
Thans heeft al wie een baard draagt en wil kapen
terstond het halve leger op zn stoep.
Yet still his claim
the Injur'd Ocean laid,
And oft at Leap-frog ore their Steeples plaid:
As if on purpose it on Land had come
To shew them what's their Mare Liberum.
A daily deluge over them does boyl;
The Earth and Water play at Level-coyl;
The Fish oft-times the Burger dispossest,
And sat not as a Meat but as a Guest;
And oft the Tritons and the Sea-Nymphs saw
Whole sholes of Dutch serv'd up for Cabillan;
Or as they over the new Level rang'd
For pickled Herring, pickled Heeren chang'd.
Nature, it seem'd, asham'd of her mistake,
Would throw their land away at Duck and Drake.
Therefore Necessity, that first made Kings,
Something like Government among them brings.
For as with Pygmees who best kills the Crane,
Among the hungry he that treasures Grain,
Among the blind the one-ey'd blinkard reigns,
So rules among the drowned he that draines.
Not who first see the rising Sun commands,
But who could first discern the rising Lands.
Who best could know to pump an Earth so leak
Him they their Lord and Country's Father speak.
To make a Bank was a great Plot of State;
Invent a Shov'l and
be a Magistrate.
Hence some small Dyke-grave unperceiv'd invades
The Pow'r, and grows as 'twere a King of Spades.
But for less envy some Joynt States endures,
Who look like a Commission of the Sewers.
For these Half-anders, half wet, and half dry,
Nor bear strict service, nor pure Liberty.
5 November 1949
Guy Fawkes night. A great crowd of people, vaguely contented at shaking off the
discipline of the world as it is. The undergraduates form the largest part, for
the most part just watching, with a few active spirits shouting, calling,
singing, making speeches. A certain air of forcedness about all these crowds.
Fireworks shooting up, and people exploding away from them when they land. The
police and the proctors standing ineffectively. Buses moving slowly, cars being
rocked and thumped. Many climb up the scaffolding around the Martyr's
Memorial,1 then a vague move is made to the Taj Mahal restaurant where there is
a man climbing up, men shouting, and a solid mass of people. Water out of the
windows.
Basically one cannot help feeling contempt for all this canaille, noisily and
offensively drunk yet not doing anything positive. Most of them posturing in a
ridiculous manner. A good many girls, who seem the most genuinely excited.
To a certain extent there is a vast good will that can be sensed; roughly
everyone is together and enjoying themselves, with the police and the proctors
symbolizing all kinds of emotion and, ultimately, the determinism in life. GH
and BB both enjoy themselves, and look for some means to manifest their
lawlessness. I have absolutely no desire to do anything else but watch, wanting
to be everywhere and see everything, observing people's faces. Roger Hendry2 is
like me but not so finely 'set', for he has to pretend to a certain lawlessness
which isn't innate in him at all.
Too many of the faces are vacuous and want filling.
The sight of the girl in green, about whom I wrote the Hospital story, with a
thick well set-up young man, is distressing. Above all the sight of the moon,
nearly full, in a clear night sky, not particularly cold, after a dull, rainy
day. I wanted very much to see one of the people who climbed the Memorial fall
down to his death. The indrawn breath and sudden laugh would have been most
effective.
III
And, as the Cock crew, those who stood before
The Tavern shouted--"Open then the Door!
You know how little while we have to stay,
And, once departed, may return no more."
IV
Now the New Year reviving old Desires,
The thoughtful Soul to Solitude retires,
Where the WHITE HAND OF MOSES on the Bough
Puts out, and Jesus from the Ground suspires.
VI
And David's Lips are lock't; but in divine
High piping Pehleví, with "Wine! Wine! Wine!
Red Wine!"--the Nightingale cries to the Rose
That yellow Cheek of hers to' incarnadine.
Vertaald door Edward FitzGerald
Edward FitzGerald (31 maart 1809 - 14 juni 1883)
Illustratie door Edmund Dulac uit de Rubáiyát of Omar
Khayyám
Now the bright
crocus flames, and now
The slim narcissus takes the rain,
And, straying o'er the mountain's brow,
The daffodilies bud again.
The thousand blossoms wax and wane
On wold, and heath, and fragrant bough,
But fairer than the flowers art thou,
Than any growth of hill or plain.
Ye gardens, cast your leafy crown,
That my Love's feet may tread it down,
Like lilies on the lilies set:
My Love, whose lips are softer far
Than drowsy poppy petals are,
And sweeter than the violet!
In Ithaca
'Tis thought Odysseus
when the strife was o'er
With all the waves and wars, a weary while,
Grew restless in his disenchanted isle,
And still would watch the sunset, from the shore,
Go down the ways of gold, and evermore
His sad heart followed after, mile on mile,
Back to the Goddess of the magic wile,
Calypso, and the love that was of yore.
Thou too, thy haven gained, must turn thee yet
To look across the sad and stormy space,
Years of a youth as bitter as the sea,
Ah, with a heavy heart, and eyelids wet,
Because, within a fair forsaken place
The life that might have been is lost to thee.
Andrew Lang (31 maart 1844 20 juli 1912)
Andrew Lang aan het werk. Ets door J. F. Jungling,
1894
Louvrage de méchants demeure périssable,
Les idoles d'argent qu'ils se sont élevées
S'écrouleront un jour sur leur base de sable
Et la nuit tombera sur leurs formes rêvées.
O Seigneur, nous qu'ils ont enfermés sous ces portes.
Nous qu'ils ont verrouillés derrière ces verrous,
Nous pour qui les soldats de ces murailles fortes
Font dans les corridors sonner leurs pas à clous,
O Seigneur, vous savez que couchés sur la paille
Ou sur le dur ciment des prisons sans hublot,
Nous avons su garder en nous, vaille que vaille,
L'espoir sans défaillance envers des jours plus beaux.
Nous avons rassemblé les anciennes tendresses,
Nous avons dessiné sur le plâtre des murs
Les magiques portraits de nos saintes jeunesses
Et nos coeurs sans remords savent qu'ils restent purs.
La sottise au dehors dans le sang rouge baigne,
Et l'ennemi déjà s'imagine immortel,
Mais lui seul croit encore au long temps de son règne
Et nos barreaux, Seigneur, ne cachent pas le ciel.
Robert Brasillach (31 maart 1909 - 6 februari
1945)
De Nederlandse schrijver Asis Aynan werd geboren in Haarlem op 31 maart 1980. Na de opleidingen MBO en HBO bestuurskunde ging hij als zoon van een Marokkaanse gastarbeider filosofie studeren aan de Universiteit van Amsterdam. Hij verdiepte zich ook in islamitische filosofie, nadat hij het boek “Islamitische filosofie: Een geschiedenis” van filosoof Michiel Leezenberg ontdekt had. Daarnaast is hij docent aan het middelbaar beroepsonderwijs in Haarlem. Hij is redacteur bij het opinietijdschrift Contrast en was columnist voor het weekblad Multined. Hij schrijft momenteel voor de boekenpagina van NRC Handelsblad, wekelijks een column voor Het Parool en hij was ook regelmatig te horen bij de Nederlandse Islamitische Omroep. Zijn stukken verschenen verder onder meer in het literaire tijdschrift Passionate en worden voorgelezen op Radio 5. In zijn bundel “Veldslag en andere herinneringen” (2007), schrijft Aynan over zijn jeugd, of zoals hij het zelf noemt, zijn "katholieke-islamitische-berberachtergrond", de huidige Nederlandse samenleving en de ervaringen van een Berberjongen tussen twee dominante culturen. In 2010 verscheen “Ik, Driss” samen met Hassan Bahara, onder het pseudoniem Driss Tafersiti.
Uit: Ik, Driss
“Op 29 april 1972 werd ik door mijn oudste broer, Moha, in Lille, Frankrijk, op de bus gezet naar Nederland. Ik was eenentwintig jaar. Ik had een klein reiskoffertje bij me. Daarin zaten al mijn bezittingen: twee witte overhemden, wat ondergoed en een van mijn twee pakken. Het andere had ik aan. Ik moest van Moha weg uit Frankrijk. Hij zei dat als ik langer in de mijnen zou werken mijn longen kapot zouden gaan. Net als die van hem. Moha zei dat het werk in Nederland schoner was. En hij zei ook dat Nederlanders aardiger zijn dan de Fransen. Die scholden ons vaak uit voor "vieze Arabieren". Twee jaar heb ik in Lille gewoond en niets van de stad gezien. Mijn dag zag er zo uit: huis-kolenmijn-huis. Het deed mij dan ook niets toen ik het verliet. De bus kwam aan op het Amstelstation in Amsterdam. Toen ik uitstapte, zag ik dat Moha gelijk had; alles was schoner. Alsof er een groot tapijt over de hele stad was uitgerold. En de mensen die op het tapijt liepen, keken vriendelijk. Ik dacht: Driss kan zich hier thuis voelen.'”
De Vlaamse dichter en muzikant MartijnTeerlinckwerd geboren op 31 maart 1987 in Lendelede. Teerlinck studeerde literatuurwetenschap en Italiaans aan de Universiteit van Amsterdam. Hij won in 2008 de poëzieprijs van het Amsterdams Studenten Festival. In 2010 behaalde hij een gedeelde eerste plaats bij het kampioenschap Poetry Slam. Teerlinck was één van de oprichters van het poëziecollectief Meer Licht. Hij publiceerde onder meer in de tijdschriften ‘Awater’, 'Deus Ex Machina', 'Met Andere Zinnen', 'Digther', 'Krakatau' en 'Op Ruwe Planken'. Ook verscheen zijn werk in de bloemlezingen ‘Met dat hoofd gebeurt nog eens wat’ (2010) en 'We zochten slechts een gat om van te varen' (2010).
schreeuw
ik schreeuw gedempt in de baard van de nacht:
houw jezelf toch uit dat lichaam van beton laat die witte schubben van je ogen vallen word een vogel die zijn naam roept
ook jij bent al te vaak een lege grot geweest verlies geen deuren, word niet dichtgeknipt maar scheur toch open uit dat bovenkleed scheur toch open uit die onderhuid
vlecht je ingegroeide botten uit sta op en loop onthecht jezelf toch uit de moederwond en wees vanaf vandaag geboorte