Romenu is een blog over gedichten, literatuur en kunst Maar Romenu is ook een professionele freelance vertaler Du-Ne en Ne-Du http://www.roumen-vertalingen.nl/
Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in het conducteurshuis aan de Waagplatz 2 in Salzburg geboren. Zijn vader, Tobias Trakl, was een handelaar in ijzerwaren en zijn moeder, die ook psychische problemen had, was Maria Catharina Trakl, (meisjesnaam Halik). Voorts had hij nog drie broers en drie zussen. Margarethe (doorgaans Grethe genoemd) stond hem het naast, zelfs zodanig dat sommigen een incestueuze verhouding vermoeden. Zijn jeugd bracht hij door in Salzburg. Vervolgens bezocht hij van 1897 tot 1905 het humanistische gymnasium. Om toch een academische opleiding te kunnen volgen, werkte hij tot 1908 in de praktijk bij een apotheker. Sommigen vermoedden dat hij dit vooral deed om zichzelf opiaten te kunnen verschaffen. Bij het uitbreken van WO I werd Trakl als medicus naar het front in Galicië (heden ten dage in Oekraïne en Polen) gestuurd. Zijn gemoedsschommelingen leidden tot geregelde uitbraken van depressie, die verergerd werden door de afschuw die hij voelde voor de verzorging van de ernstig verwonde soldaten. De spanning en druk dreven hem ertoe een suïcidepoging te ondernemen, welke zijn kameraden nochtans verhinderden. Hij werd in een militair ziekenhuis opgenomen in Kraków, alwaar hij onder strikt toezicht geplaatst werd.Trakl verzonk daar in nog zwaardere depressies en schreef Ficker om advies. Ficker overtuigde hem ervan dat hij contact moest opnemen met Wittgenstein, die inderdaad op weg ging na Trakls bericht te hebben ontvangen. Op 4 november 1914, drie dagen voordat Wittgenstein aan zou komen, overleed hij echter aan een overdosis cocaïne
Paul Celan
Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Paul Celans ouders waren Duitssprekende joden die hun zoon joods opvoedden en hem naar Duitse christelijke scholen stuurden. In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf juli 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog. Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1948 in Parijs. Daar was hij werkzaam als dichter, vertaler en doceerde hij aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure. Vermoedelijk op 20 april 1970 beëindigde hij zijn leven zelf door in de Seine te springen.
Gerard Reve
Gerard Reve over: Medearbeiders ”God is in de mensen, de dieren, de planten en alle dingen - in de schepping, die verlost moet worden of waaruit God verlost moet worden, door onze arbeid, aangezien wij medearbeiders van God zijn.” Openbaring ”Tja, waar berust elk godsbegrip op, elke vorm van religie? Op een openbaring, dat wil zeggen op een psychische ervaring van zulk een dwingende en onverbiddelijke kracht, dat de betrokkene het gevoel heeft, niet dat hij een gedachte of een visioen heeft, maar dat een gedachte gedachte of visioen hem bezit en overweldigt.”
Simon Vestdijk
Simon Vestdijk (Harlingen, 17 oktober 1898 – Utrecht, 23 maart 1971) was een Nederlands romancier, dichter, essayist en vertaler. Zijn jeugd te Harlingen en Leeuwarden beschreef hij later in de Anton Wachter-cyclus. Van jongs af aan logeerde hij regelmatig bij zijn grootouders in Amsterdam, waar hij zich in 1917 aan de Universiteit van Amsterdam inschrijft als student in de medicijnen. Tijdens zijn studie die van 1917 tot 1927 duurde, leerde hij Jan Slauerhoff kennen.Tot 1932 is hij als arts in praktijken door heel Nederland werkzaam. In 1932 volgt zijn officiële schrijversdebuut met de uitgave van de bundel Verzen in De Vrije Bladen. Doorslaggevend voor Vestdijks uiteindelijke keuze voor de literatuur is zijn ontmoeting in 1932 met Eddy Du Perron en Menno ter Braak. Deze ontmoeting had tot resultaat dat hij redactielid werd van het tijdschrift Forum Kort daarop, in 1933, wordt zijn eerste novelle, De oubliette, uitgegeven. In hetzelfde jaar schrijft hij Kind tussen vier vrouwen, dat, eerst geweigerd door de uitgever, later de basis zal vormen voor de eerste drie delen van de Anton Wachter-romans. In 1951 ontvangt Vestdijk de P.C. Hooftprijs voor zijn in 1947 verschenen roman De vuuraanbidders. In 1957 wordt hij voor het eerst door het PEN-centrum voor Nederland voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur, die hij echter nooit zal krijgen. Op 20 maart 1971 wordt hem de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, maar voor hij deze kan ontvangen overlijdt hij op 23 maart te Utrecht op 72-jarige leeftijd. Vestdijk was auteur van ca. 200 boeken. Vanwege deze enorme productie noemde de dichter Adriaan Roland Holst hem 'de man die sneller schrijft dan God kan lezen'. Andere belangrijke boeken van Simon Vestdijk zijn: "Kind van stad en land" (1936), "Meneer Visser's hellevaart" (1936), "Ierse nachten" (1946), "De toekomst de religie" (1947), "Pastorale 1943" (1948), "De koperen tuin" (1950), "Ivoren wachters" (1951), "Essays in duodecimo" (1952) en "Het genadeschot" (1964).
K.P. Kavafis K.P. Kavafis werd als kind van Griekse ouders, afkomstig uit Konstantinopel, geboren in 1863 in Alexandrië (tot vandaag een Griekse enclave) waar hij ook het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Twee jaar na de dood van zijn vader verhuist het gezin in 1872 naar Engeland om na een verblijf van vijf jaar naar Alexandrië terug te keren. Vanwege ongeregeldheden in Egypte vlucht het gezin in 1882 naar Konstantinopel, om na drie jaar opnieuw naar Alexandrië terug te gaan. In de jaren die volgen maakt Kavafis reizen naar Parijs, Londen en in 1901 zijn eerste reis naar Griekenland, in latere jaren gevolgd door nog enkele bezoeken. Op de dag van zijn zeventigste verjaardag, in 1933 sterft Kavafis in Alexandrië. De roem kwam voor Kavafis pas na zijn dood, dus postuum. Deels is dat toe te schrijven aan zijn eigen handelswijze. Hij was uiterst terughoudend met de publicatie van zijn gedichten, liet af en toe een enkel gedicht afdrukken in een literair tijdschrift, gaf in eigen beheer enkele bundels met een stuk of twintig gedichten uit en het merendeel van zijn poëzie schonk hij op losse bladen aan zijn beste vrienden.
Thomas Mann
Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, werd geboren op 6 juni 1875 in Lübeck. Hij was de tweede zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle "Gefallen". Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond - hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar - besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver. Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger. In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de 'Duitse ziel' in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 vertrok hij naar Zwitserland. Op 12 augustus 1955 stierf hij in Zürich. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921.Belangrijke werken zijn: Der Zauberberg, Der Tod in Venedig, Dokter Faustus , Joseph und seine Brüder en Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull.
Rainer Maria Rilke
Rilke werd op 4 december 1875 geboren in Praag. Hij had al naam gemaakt als dichter met zijn bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder, toen hij de literaire wereld versteld deed staan en wereldfaam verwierf met de publicatie van zijn twee delen Neue Gedichte in 1907 en 1908. Hij verzamelde daarin het beste werk uit een van zijn vruchtbaarste periodes, die hij grotendeels doorbracht in Parijs. Rilke was daar diep onder de indruk gekomen van Rodin, bij wie hij een tijdlang in dienst was als particulier secretaris. Rodin, zei hij later, had hem leren kijken. Dit kijken kwam neer op intense concentratie, om het mysterie te kunnen zien ‘achter de schijnbare werkelijkheid'. Latere en rijpere werken als Duineser Elegien (1912-1923) en het ronduit schitterende Die Sonette an Orfeus (1924) illustreren Rilkes metafysische visie op het onzegbare, dat haar verwoording vindt in een hermetische muzikale taal. Op 29 december 1926 overlijdt Rilke in het sanatorium in Val-Mont aan de gevolgen van leukemie. Enkele dagen later wordt hij, overeenkomstig zijn wens, begraven op het kerkhof van Raron.
* * * * * * * * * * * * * * * *
Romenu
Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
16-06-2013
Father (Edgar Guest)
Bij Vaderdag
Zelfportret met
mijn zoon door Otto Dix, 1930
Father
My father knows the proper way
The nation should be run;
He tells us children every day
Just what should now be done.
He knows the way to fix the trusts,
He has a simple plan;
But if the furnace needs repairs,
We have to hire a man.
My father, in a day or two
Could land big thieves in jail;
There's nothing that he cannot do,
He knows no word like "fail."
"Our confidence" he would
restore,
Of that there is no doubt;
But if there is a chair to mend,
We have to send it out.
All public questions that arise,
He settles on the spot;
He waits not till the tumult dies,
But grabs it while it's hot.
In matters of finance he can
Tell Congress what to do;
But, O, he finds it hard to meet
His bills as they fall due.
It almost makes him sick to read
The things law-makers say;
Why, father's just the man they need,
He never goes astray.
All wars he'd very quickly end,
As fast as I can write it;
But when a neighbor starts a fuss,
'Tis mother has to fight it.
In conversation father can
Do many wondrous things;
He's built upon a wiser plan
Than presidents or kings.
He knows the ins and outs of each
And every deep transaction;
We look to him for theories,
But look to ma for action.
Edgar Guest
(20 augustus 1881 5 augustus 1959)
Zie voor de schrijvers van de 16e juni ook mijn
drie vorige blogs van vandaag.
Een alleraardigste
man, eigenaar van de onbenulligste Portugese naam die er bestaat, José Maria da
Silva, en tot nu toe de enige mens op aarde die mijn leeftijd juist wist te
schatten. Je krijgt er kijk op, in dit bedrijf, was zijn verklaring. Hij bood
me ten afscheid ettelijke bellen cachaça aan, zodat er niets kwam van mijn
voornemen zaterdagochtend vroeg naar Rio te gaan. Achteraf viel het nog mee dat
ik de bus van elf uur haalde. Aankomst zes uur. Met een taxi naar wat ik
omschreef als fatsoenlijk hotel met redelijke prijs. De prijs was redelijk,
maar de ambiance was van een goedkope liederlijkheid en verloedering die
werkelijk tot braken noodde. Het is me intussen duidelijk geworden dat vrijwel
elk hotel dat niet zéér duur is, in het centrum, een hoerenkast is. Hoererij is
trouwens niet tot bepaalde straten beperkt, maar lijkt zo'n beetje in het hele
centrum de gewoonte te zijn. Die kast waar ik in '73 met Noor zat was heel
rustig vergeleken met het kot waar ik de eerste avond in Rio belandde. Daar
komt bij dat tegenwoordig zelf de meest nederige van deze etablissementen radio
op de kamers hebben met voorgeprogrammeerde popmuziek, en vaak ook nog
televisie met porno en geweld, wat tot gevolg heeft dat de keet nog groter is
en langer duurt dan wanneer er alleen maar wordt geneukt. Rekening houden met
een ander is de mensen werkelijk volkomen vreemd. Om drie, vier, tot vijf uur
in de nacht gelach en gegil, dreunende muziek, gesla met deuren - en toen ik,
vroeg in de ochtend, eindelijk een beetje slaap vatte, droomde ik dat ik thuis
was gekomen. Maar ik was niet alleen. Er waren vreemde mensen bij, met wie ik
een opera aan het instuderen was.
August Willemsen
(16 juni 1936 29 november 2007)
... Waking that morning to the rude and
incontrovertible fact that she who'd slept alone all her life was yet alone
again on the morning following her wedding day. Waking alone though she was no
longer Miss Ariah Juliet Littrell but Mrs. Gilbert Erskine. Though no longer
the spinster daughter of Reverend and Mrs. Thaddeus Littrell of Troy, New York,
piano and voice instructor at the Troy Academy of Music, but the bride of
Reverend Gilbert Erskine, recently named minister of the First Presbyterian
Church of Palymra, New York.
Waking alone and in that instant she knew. Yet
she could not believe, her pride was too great. Not allowing herself to think I
am alone. Am I?
A clamor of wedding bells had followed her
here. Hundreds of miles. Her head was ringed in pain as if in a vise. Her
bowels were sick as if the very intestines were corroded and rotting. In this
unfamiliar bed smelling of damp linen, damp flesh and desperation. Where, where
was she, what was the name of the hotel he'd brought her to, a paradise for
honeymooners, and Niagara Falls was the Honeymoon Capital of the World, a pulse
in her head beat so violently she couldn't think. Having been married so
briefly she knew little of husbands yet it seemed to her plausible (Ariah was
telling herself this as a frightened child might tell herself a story to ward
off harm) that Gilbert had only just slipped quietly from the bed and was in
the bathroom. She lay very still listening for sounds of faucets, a bath
running, a toilet flushing, hoping to hear even as her sensitive nerves
resisted hearing. The awkwardness, embarrassment, shame of such intimacy was
new to her, like the intimacy of marriage. The "marital bed." Nowhere
to hide. His pungent Vitalis hair-oil, and her coyly sweet Lily of the Valley
cologne in collision. Just Ariah and Gilbert whom no one called Gil alone
together breathless and smiling hard and determined to be cheerful, pleasant,
polite with each other as they'd always been before the wedding had joined them
in holy matrimony except Ariah had to know something was wrong, she'd been
jolted from her hot stuporous sleep to this knowledge.
I used to work for a charity organization;
I didnt volunteer or anything,
they gave me a job,
a paying job.
The hours were standard,
the pay was shit,
but it was a job.
The purpose of this particular organization
was to provide jobs to people
who couldnt really work anymore;
who had sustained some injury,
or had some sickness
and were unable to work
in any standard sense.
This organization would provide
them with mostly menial tasks
to fill out their days
and make them feel as though
they still had a purpose,
and provide them with a small
paycheck
to supplement their
disability payments.
The jobs
they were given to do
mostly consisted of
stuffing envelopes,
collating papers,
or assembiling
cardboard boxes.
Insert tab A into slot B
My job
was to sort of
help out in running things
and also
sometimes
stuff envelopes
and assemble
cardboard boxes
when there wasnt enough
disabled people there to
finish the task on time.
Derek R. Audette (Hull, 16 juni 1971)
De Zwitserse schrijver en columnsit -minu (eig. Hans-Peter Hammel) werd geboren
op 16 juni 1947 in Basel. Zie ook alle tags voor -minuop
dit blog.
Uit: Wo Männer zu sabbernden Dildos werden
Lino schleppte mich nun von Korsett zu Korsett.
Er war auf der Suche nach dem ultimativen Bildknaller. Und da entdeckte er eine
Tattoo-Landschaft, die sich vom Zehennagel über alle Rundungen bis zum Kinn
ringelte. «DIE IST ES!», hauchte der Fotograf bereits in andern Sphären. Er
sabberte wie unser Zwirbelhund, wenn wir mit dem Würstchen winkten. Die Dame
war aber nicht gewillt, das Würstchen zu sein, und hatte Hunger: «Ich bin in
einer halben Stunde zurück ich muss mir jetzt mal etwas Warmes in den Bauch
ziehen »
ALSO VERSTEH DAS, WER WILL jedenfalls kam dann
so ein kleiner Macker angehuscht: «Hallöchen. Kann ich helfen? Lena kommt
sofort wieder und » WER IST LENA? Diese Frage hat ihn dann total umgehauen.
«SIE IST DER GRÖSSTE DEUTSCHE PORNOSTAR, MEIN HERR IHRETWEGEN SIND 10'000
FANS IN DIESE HALLE GEKOMMEN!» «Mach alleine weiter », sagte ich da zu Lino.
Der nickte brav. Und wartete auf Lena, wie der Hund vor der Metzgerei auf seine
Mutti. Ich drückte ihm dann noch das kleine Papierbildchen mit der wahren Liebe
in die Hände. Damit er weiss, wo Gott und die wahre Liebe hockt. Dann kaute ich
mich durch Dolly Busters Busen. Er machte mich glücklich.
Zijn handen zijn al lang tot
rust gekomen.
Hun lichamen zijn nu genoeg bekend.
Ooit raakte hij de wellust zo ontwend
als de vervoering van zijn stoutste dromen.
Zijn eerns alerte lijf is nu slechts loom en
verzadigd, levenloos en impotent.
Nu nadert hij berustend het moment
dat ook zijn geest elk leven wordt ontnomen.
Hij wordt nog wel verliefd, maar dat is meer
gewenst dan echt. Hij hoeft niet meer zo zeer.
Wie mooi is, weet hij, kent geen mededogen.
De passies en de dagen van weleer
zoekt hij vergeefs. De vreemde jongensogen
weerspiegelen het eigen onvermogen.
Ko scharrelde even
in zijn zakken. Hier! zei hij toen ineens, en hij gaf den ander een cent.
Henk aarzelde héél even; toen pakte hij gretig aan. Laat mij nou de mand maar
verder dragen! zei hij toen in zijn dankbaarheid. Ko liet hem begaan, en
maakte een paar bokkesprongen en vloog een stoep op en af.
Zoo trokken ze
verder naar huis; en Henk liep te denken over z'n broer, die een fijne jongen
was. En hij ging in gedachten na: alle jongens die hij kende. Wie het hardst
kon loopen, waar je 't lekkerst mee spelen kon, en wie op school de beste was,
en op gymnastiek. En misschien kwam het een beetje van die cent, maar Ko was de
fijnste jongen dien ie wist.
Daar waren ze al
thuis.
Net vier uur, zei
Ko, Ay is tot vijf uur op 't zand. Ga mee nog even.
Goed, antwoordde
Henk. Ze stapten den winkel weer in.
Moe was achter.
Jongen, jongen, da's gauw terug, zei ze.
Ko legde uit, hoe
't kwam; en terwijl hij 't geld voortelde, verhaalde hij het geval van de
postzegels. Vindt u 't niet gemeen? vroeg hij. Nou, Moe vònd het gemeen; en
zonde van 't geld óók.
Die drie centen is
nìks, beweerde Ko, maar de gemeene streek! En hij ging wat water drinken.
Moe, hoe laat eten we? vroeg Henk, die Miep
was gaan begroeten.
Moe keek even op de
klok. Met een goed uur. Heb je al honger?
Nee, maar we wouen
nog even naar 't zand, naar Ay.
Dat 's de moeite
niet meer, vond Moe, blijf nou liever dat uurtje hier bij de deur, bij Miep.
Dat 's véél aardiger.
Fear
reveals
the chasm
of error.
You must kill
your self
to save yourself
from fear.
Vertaald door Zana Banci en Anthony Weird
DIE SUCHE NACH DEM SELBST Ich suche
nach meinem in Schweigen gehüllten Selbst,
ohne es
finden zu können,
um es überzeugen zu wollen,
dass dort nur gestorben wird.
Die Franzosen, die den Namen Ciapperello nicht
verstanden und der Meinung waren, er wolle so viel sagen wie chapeau, was in
ihrer Landessprache Kranz bedeutet, nannten diesen Mann, der klein von Gestalt
und sehr geschniegelt war, seiner Kleinheit halber nicht Chapeau, sondern
Chapelet, unter welchem Namen er denn überall bekannt war, während nur wenige
wußten, daß er Ciapperello hieß.
Das Leben, das dieser Chapelet führte, war
folgendermaßen beschaffen: In seinem Beruf als Notar hätte er es für eine große
Schande gehalten, wenn eine der von ihm ausgestellten Urkunden, obgleich er
deren wenige ausstellte, anders als gefälscht befunden worden wäre. Solcher
falschen Urkunden aber machte er, soviel man nur wollte, und dergleichen lieber
umsonst als rechtmäßige für schwere Bezahlung. Falsches Zeugnis legte er auf
Verlangen und aus freien Stücken besonders gern ab, und da in Frankreich
Eidschwüre um jene Zeit in höchstem Ansehen standen, gewann er, da er sich
nicht um einen Meineid scherte, auf unrechtmäßige Weise alle Prozesse, in denen
er die Wahrheit nach seinem Gewissen zu beschwören berufen ward. Ausnehmendes Wohlgefallen
fand er daran, und großen Fleiß verwandte er darauf, unter Freunden, Verwandten
und was sonst immer für Leuten Unfrieden und Feindschaft anzuzetteln, und je
größeres Unglück daraus entstand, desto mehr freute er sich. Wurde er
aufgefordert, jemand umbringen zu helfen oder an einer anderen Schandtat
teilzunehmen, so weigerte er sich niemals und war der erste auf dem Platz. Oft
war er auch bereit, mit eigenen Händen zu ermorden und zu verwunden. In seiner
beispiellosen Jähheit lästerte er Gott und alle Heiligen um jeder Kleinigkeit
willen auf das gräßlichste. In der Kirche ließ er sich niemals antreffen und
verspottete alle christlichen Sakramente mit den verruchtesten Worten. Um so
mehr war er dafür in den Schenken und anderen Sündenhäusern.Aus Rauben und Stehlen hätte er sich ebensowenig
ein Gewissen gemacht, als ein Heiliger daraus, Almosen zu geben.
Giovanni Boccaccio
( juni of juli 1313 - 21 december 1375)
And Abishag from
Shunem went to the Kings bed. She crept in beneath the pile of sheepskins, and
those who stood nearest said they heard her whisper Tamars name. When her
fingers brushed against a fig cake that had been laid on one of the festering
sores on the Kings neck, there sprang forth from the cake a fig branch with
magnificent leaves.
She remained there for twenty-eigth days, the length of time she was clean.
But not once did he have carnal knowledge of her. No , when he felt her with
his withered hands he could not even distinguish the parts of her body one from
another. He no longer knew for sure what was breast and stomach and pudenda,
and he no longer remembered how the various parts of the body were to be used
the frost had turned his fingers blinds.
And when Abishag the Shunammite rose from the bed on the twenty-eighth day,
King David had still not ceased shaking with cold. But the skin on the side of
Abishags body that had lain against the King had become wrinkeld and dried up.
Then Bathsheba commanded them all to leave the Kings room. And she took off
her cloak and slipped into his bed.
Quite soon his trembling abated, the terrible iciness retreated from his body.
She lay at his left side, and he pressed himself against her like a new-born
lamb against a ewe: he nestled into her warmth as if he were a little babe.
As if this warmth were the one truly godly experience of his entire life.
She could feel how shrivelled he was: his knees and pelvic bones and elbows cut
into her flesh as if they were deer antlers. She lifted his head carefullly on
to her arm, and she felt his breath on the lobe of her ear.
And for the first time in a very long while she heard his voice.
Torgny Lindgren (Raggsjö, 16 juni 1938)
De Amerikaanse schrijver en literatuurwetenschapper Erich
Segal werd op 16 juni 1937 in Brooklyn, New York, geboren. Zie ook alle tags voor Erich Segal
op dit blog.
Uit:Love Story
As a kind of noblesse oblige, I have never
denied them either.
AlRedding,Dartmouthcenter,chargedacrossour blueline and I slammed intohim, stolethepuckandstarteddown-ice. Thefanswere roaring. I could see Davey Johnston onmyleft,
but I thought I would take it all the way, theirgoalie being a slightly chicken type I had
terrorized since he played for Deerfield. Before I couldgetoffashot, both their defensemen .were on me, and
I had to skate around their nets to keep hold of thepuck. There were three of us, flailing away
against the boards and each other. It had always been my policy, in pile-ups
like this, to lash mightily at anything wearing enemy colors. Somewhere beneath
our skates was the puck, but for the moment we wereconcentratingon beating theshit out ofeach other.
Ryan
O'Neal en Ali MacGraw in Love Story (1970)
A ref blew his
whistle.
"You-two minutes
in the box!"
I looked up. He waspointing at me. Me? Whathad Idone to deserve a penalty?
"Come on, ref,
what'd I do?"
Somehow he wasn't
interested in further dialogue. He was calling to the officials'
desk-"Number seven, two minutes -and signaling with his arms.
Iremonstrateda bit,
butthat'sderigueur.
Thecrowdexpectsa protest, no matter how flagrant the offense.The ref waved me off. Seething withfrustration,Iskatedtoward the penalty box.As Iclimbedin, listening to the
click of my skate bladeson the wood of
the floor, I heard the bark of the PA system:
"Penalty.
Barrett of Harvard. Two minutes. Holding."
Erich
Segal (New York, 16 juni 1937 17 januari 2010)
Elle est douce, fraîche, légère, lustrale,
bénite, quotidienne, de vie, de rose, de fleur d'oranger, de cour, de toilette
ou de table, thermale ou minérale, de Cologne ou de Seltz. Elle
peut aussi être lourde, saumâtre, meurtrière et cruelle. Sa
puissance est redoutable. Ses colères sont célèbres. Elle porte les navires qui n'existent que par elle,
et elle leur inflige des naufrages qui font verser des larmes aux veuves de
marins. Lorsqu'elle se présente sous forme de mur, lorsqu'elle
s'avance, selon la formule des poètes et des rescapés, à la vitesse d'un cheval
au galop, lorsqu'elle s'abat sur les côtes et sur les villes, elle fait surgir
du passé les vieilles terreurs ancestrales.
Aussi
vieille que la terre, ou plus vieille, plus largement répandue à la surface de
la planète, complice des algues, des nénuphars, du plancton et du sel, fière de
ses origines, consciente des services qu'elle a rendus à l'homme dont elle a
longtemps abrité et nourri les ancêtres, puisque durant trois milliards et demi
d'années tout ce qui vit est sous l'eau, elle considère toute matière autre
qu'elle-même avec une sorte de dédain. Comme la lumière, elle est nécessaire à la
vie. Supprimez l'eau, c'est le désert, la ruine, la fin de tout, la mort.
II n'y a pas d'eau sur la Lune. Aussi peut-on assurer que ses
paysages sont lunaires.
Am Tag, als die Mutter
starb, nahm den Kleinsten gleich die Taufpatin mit, obwohl sie nie ein Kind
gehabt hatte und selbst schon alt war. Wir hatten alle Hunger und nichts zu
essen. Statt dessen lagen die jüngsten Vier auf dem Kanapee, zwei nach hinten, zwei
nach vorn, Joppen als Kopfkissen und als Zudekken. Wir größeren haben auch
irgendwelche Kleidungsstücke zusammengesucht und uns auf die Holzbänke gelegt,
die rund um die Stube gingen. Wir haben geweint, weil wir die Mutter nicht mehr
hatten, und sind vor Hunger und Kummer eingeschlafen. Der Vater hat uns dann
schlafend ins Bett getragen.
Der Vater suchte sofort eine Haushälterin, die kam auch. Das ging zwei Wochen
mit ihr. Dann stellte sie die ganzen Zuber und Eimer, alles, was wir hatten,
voll eingeweichter Wäsche auf die Bänke in der Stube und ging fort. Der Vater
suchte wieder eine, die war auch nicht länger da, stellte auch die Wäsche auf
die Bänke und verschwand. Wahrscheinlich hat die Wäsche jemand aus der
Nachbarschaft gewaschen. Bügeln habe ich nie jemanden gesehen. Der Vater suchte
dann eine Hochzeiterin, es wurde ihm diese und jene geraten, und immer stellte
sich heraus, daß dieselben auch noch zwei, drei Kinder mitgebracht hätten. Da
hat er sich überlegt, diese Frauen würden die ersten Kinder hinausdrücken und
ihre Kinder als Erben einsetzen. Das wollte er nicht. Es ging dann überhaupt
nicht mehr um. Die Kinder hatten Hunger.
Meine Mutter hatte eine Nachbarin noch auf dem Sterbebett gebeten, meine
Firmpatin zu sein. Die kam dann zum Melken, und dafür bekam sie eine Schürze
voll Äpfel. Es war gerade Sommer, meine Mutter ist am 21. Juli 1927 gestorben.
Es kam die Ernte, und die meiste Arbeit war da die Feldarbeit, und jeder hatte
es satt, immer wieder zu helfen. Da dachte der Vater, ich muß mir selber
helfen. Es blieb ihm nichts anderes übrig, als die Kinder arbeiten zu lassen.
Whenas the
nightingale chanted her vespers,
And the wild forester couched on the ground,
Venus invited me in th' evening whispers
Unto a fragrant field with roses crowned,
Where she before had sent
My wishes' complement;
Unto my heart's content
Played with me on the green.
Never Mark Antony
Dallied more wantonly
With the fair Egyptian Queen.
First on her cherry cheeks I mine eyes feasted,
Thence fear surfeiting made me retire;
Next on her warmer lips, which when I tasted
My duller spirits made active as fire.
Then we began to dart
Each at another's heart,
Arrows that knew no smart,
Sweet lips and smiles between.
Never Mark Antony
Dallied more wantonly
With the fair Egyptian Queen.
De Nederlandse schrijver Frank Norbert Rieter werd geboren op 16 juni 1973 in Nijmegen. Hij begon na zijn middelbare school aan een studie Algemene Literatuurwetenschap, maar voltooide deze niet omdat hij liever wilde schrijven dan studeren. Zijn debuutroman ´Het lichte hart van de mastodont´ gaf hij in 2013 uit bij zijn eigen uitgeverij ´Leviathan´. Daarnaast publiceerde hij een non-fictie reisverhaal en een verkiezingsnovelle “De tweede man”. Rieter schreef ook een tiental theaterstukken voor diverse gezelschappen en opleidingen. Naast zijn schrijfactiviteiten werkte hij twaalf jaar in het bedrijfsleven.
Uit: Het lichte hart van de mastodont
“Er werd lang en nadrukkelijk aangebeld en het lukte Gordon niet om daar doorheen te slapen. Even vreesde hij dat de buurman weer bozig voor de deur zou staan omdat de over spannen keffer van oma zijn ochtendrust verstoorde. Maar dat kon niet, want het beest had Gordon vannacht gebeten en in een reflex had hij het over de balkonrand gegooid. Zes hoog, weg ermee. De tanden van het ondier hadden in zijn hand minuscule gaatjes achtergelaten waar een eindeloze hoeveelheid bloed uit had gestroomd. Gordon had de wondjes direct met wodka uitgewassen en met een schone theedoek verbonden. Na het verbinden was er tijd geweest voor schrik en wroeging. Het restje wodka dat in de fles overschoot was net genoeg geweest om zichzelf mee in slaap te grienen. Stom onnozel beest. Het had nadat oma was verhuisd zijn zindelijkheid verloren en schier onophoudelijk gekeft. Het was een tragisch stukje leven, zeker omdat aan Gordon geen groot hondenfluisteraar verloren was gegaan. Het dier leefde op het balkon en kreeg dagelijks water en brokken. Gordon had zich afgevraagd wie zich hulpelozer voelde bij de situatie: het keffende beest of hijzelf. Maar dat was nu voorbij: exit Fifi. Terwijl Gordon overeind kwam bonkte zijn hoofd. Hij had gisteravond wederom een poging gedaan zijn volwassen leven op liederlijke wijze in te luiden. Hij bekeek zijn gehavende hand: de wondjes waren inmiddels dicht. De theedoek was in zijn slaap losgeraakt. Vele donkere vegen en vlekken op zijn slaapshirt getuigden ervan dat het bloeden maar langzaam was gestelpt. Opnieuw werd er lang en nadrukkelijk aangebeld. Gordon zocht met toegeknepen ogen zijn weg door de hal van het appartement en nam de hoorn van de intercom. ‘Wat?’ vroeg hij met een gebroken basstem.”
De Zwitserse schrijver Joël Dicker werd geboren op 16 juni 1985 in Genève als zoon van een boekhandelaar en een lerares Frans. Hij is zowel van Franse als avn Russische afkomst. Tijdens zijn jeugd speelde hij drums en richtte hij op de leeftijd van tien jaar met “La Gazette des animaux’ een eigen magazine op dat gedurende zeven jaar bleef verschijnen. Voor zijn inzet voor het milieu ontving hij de Prix Cunéo pour la protection de la nature. In Genève volgde hij het Collège Madame de Staël . Op zijn 18e verhuisde hij naar Parijs, waar hij een jaar lang een toneelopleiding volgde aan de Cours Florent. Na zijn terugkeer begon hij rechten te studeren aan de Universiteit van Genève. In 2010 rondde hij deze studie succesvol af. De novelle “Le Tigre”werd in 2005 Dickers literaire debuut. In 2012 verscheen zijn tweede roman “La Vérité sur l'affaire Harry Quebert“. Het verhaal gaat over een Amerikaanse schrijver die zijn oude professor bezoekt vanwege een writer's block en vervolgens een moord oplost. De roman werd bekroond met de Prix Goncourt des lycéens, de Grand Prix du Roman en de Prix litteraire de la Vocation. Met de verkoop van de rechten in 32 talen werd het boek gepubliceerd in 45 landen.
Uit: De waarheid over de zaak Harry Quebert(Vertaald door Manik Sarkar)
“Begin 2008, dat wil dus zeggen ongeveer anderhalf jaar nadat ik met mijn eerste roman de nieuwe publiekslieveling van de Amerikaanse letteren was geworden, kreeg ik last van een heel zware aanval van writer’s block, een syndroom dat wel vaker schijnt voor te komen bij schrijvers die in één klap overweldigend succesvol zijn. De ziekte sloeg niet in één keer toe, maar kreeg langzaam vat op me. Alsof mijn hersenen besmet waren geraakt en langzaam maar zeker versteenden. Toen de eerste symptomen zich aandienden, wilde ik er geen aandacht aan besteden. Ik zei tegen mezelf dat de inspiratie vanzelf wel terug zou komen: morgen, overmorgen of de dag daarna. Maar de dagen, weken en maanden verstreken en de inspiratie bleef weg. Mijn afdaling naar de hel verliep in drie fases. De eerste is essentieel voor iedere val van grote hoogte, namelijk een bliksemsnelle opgang: van mijn eerste roman waren twee miljoen exemplaren verkocht, en daarmee was ik op achtentwintigjarige leeftijd al een bestsellerauteur. Dat was in de herfst van 2006, toen mijn naam in een paar weken tijd een begrip werd. Ik was overal te vinden: op televisie, in de krant, op tijdschriftcovers… In metrostations hingen enorme reclameborden waarop mijn gezicht stond afgebeeld. Zelfs de meest kritische recensenten van de grote dagbladen van de Oostkust waren het met elkaar eens dat de jonge Marcus Goldman een heel groot schrijver zou worden. Eén boek. Een enkel boek en ik zag de deuren naar een nieuw leven voor me opengaan: ik werd een jonge, rijke ster. Ik verliet mijn ouderlijk huis in Montclair, New Jersey, en betrok een luxueus appartement in de Village; ik ruilde mijn derdehands Ford in voor een gloednieuwe zwarte Range Rover met getint glas, ik at in chique restaurants en ik verzekerde me van de diensten van een literair agent die mijn agenda beheerde en baseball met me keek op het reusachtige televisiescherm in mijn nieuwe optrekje. Ik huurde een kantoor vlak bij Central Park waar een secretaresse genaamd Denise die een beetje verliefd op me was mijn post sorteerde, koffiezette en mijn papieren ordende.”