Romenu is een blog over gedichten, literatuur en kunst Maar Romenu is ook een professionele freelance vertaler Du-Ne en Ne-Du http://www.roumen-vertalingen.nl/
Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in het conducteurshuis aan de Waagplatz 2 in Salzburg geboren. Zijn vader, Tobias Trakl, was een handelaar in ijzerwaren en zijn moeder, die ook psychische problemen had, was Maria Catharina Trakl, (meisjesnaam Halik). Voorts had hij nog drie broers en drie zussen. Margarethe (doorgaans Grethe genoemd) stond hem het naast, zelfs zodanig dat sommigen een incestueuze verhouding vermoeden. Zijn jeugd bracht hij door in Salzburg. Vervolgens bezocht hij van 1897 tot 1905 het humanistische gymnasium. Om toch een academische opleiding te kunnen volgen, werkte hij tot 1908 in de praktijk bij een apotheker. Sommigen vermoedden dat hij dit vooral deed om zichzelf opiaten te kunnen verschaffen. Bij het uitbreken van WO I werd Trakl als medicus naar het front in Galicië (heden ten dage in Oekraïne en Polen) gestuurd. Zijn gemoedsschommelingen leidden tot geregelde uitbraken van depressie, die verergerd werden door de afschuw die hij voelde voor de verzorging van de ernstig verwonde soldaten. De spanning en druk dreven hem ertoe een suïcidepoging te ondernemen, welke zijn kameraden nochtans verhinderden. Hij werd in een militair ziekenhuis opgenomen in Kraków, alwaar hij onder strikt toezicht geplaatst werd.Trakl verzonk daar in nog zwaardere depressies en schreef Ficker om advies. Ficker overtuigde hem ervan dat hij contact moest opnemen met Wittgenstein, die inderdaad op weg ging na Trakls bericht te hebben ontvangen. Op 4 november 1914, drie dagen voordat Wittgenstein aan zou komen, overleed hij echter aan een overdosis cocaïne
Paul Celan
Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Paul Celans ouders waren Duitssprekende joden die hun zoon joods opvoedden en hem naar Duitse christelijke scholen stuurden. In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf juli 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog. Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1948 in Parijs. Daar was hij werkzaam als dichter, vertaler en doceerde hij aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure. Vermoedelijk op 20 april 1970 beëindigde hij zijn leven zelf door in de Seine te springen.
Gerard Reve
Gerard Reve over: Medearbeiders ”God is in de mensen, de dieren, de planten en alle dingen - in de schepping, die verlost moet worden of waaruit God verlost moet worden, door onze arbeid, aangezien wij medearbeiders van God zijn.” Openbaring ”Tja, waar berust elk godsbegrip op, elke vorm van religie? Op een openbaring, dat wil zeggen op een psychische ervaring van zulk een dwingende en onverbiddelijke kracht, dat de betrokkene het gevoel heeft, niet dat hij een gedachte of een visioen heeft, maar dat een gedachte gedachte of visioen hem bezit en overweldigt.”
Simon Vestdijk
Simon Vestdijk (Harlingen, 17 oktober 1898 – Utrecht, 23 maart 1971) was een Nederlands romancier, dichter, essayist en vertaler. Zijn jeugd te Harlingen en Leeuwarden beschreef hij later in de Anton Wachter-cyclus. Van jongs af aan logeerde hij regelmatig bij zijn grootouders in Amsterdam, waar hij zich in 1917 aan de Universiteit van Amsterdam inschrijft als student in de medicijnen. Tijdens zijn studie die van 1917 tot 1927 duurde, leerde hij Jan Slauerhoff kennen.Tot 1932 is hij als arts in praktijken door heel Nederland werkzaam. In 1932 volgt zijn officiële schrijversdebuut met de uitgave van de bundel Verzen in De Vrije Bladen. Doorslaggevend voor Vestdijks uiteindelijke keuze voor de literatuur is zijn ontmoeting in 1932 met Eddy Du Perron en Menno ter Braak. Deze ontmoeting had tot resultaat dat hij redactielid werd van het tijdschrift Forum Kort daarop, in 1933, wordt zijn eerste novelle, De oubliette, uitgegeven. In hetzelfde jaar schrijft hij Kind tussen vier vrouwen, dat, eerst geweigerd door de uitgever, later de basis zal vormen voor de eerste drie delen van de Anton Wachter-romans. In 1951 ontvangt Vestdijk de P.C. Hooftprijs voor zijn in 1947 verschenen roman De vuuraanbidders. In 1957 wordt hij voor het eerst door het PEN-centrum voor Nederland voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur, die hij echter nooit zal krijgen. Op 20 maart 1971 wordt hem de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, maar voor hij deze kan ontvangen overlijdt hij op 23 maart te Utrecht op 72-jarige leeftijd. Vestdijk was auteur van ca. 200 boeken. Vanwege deze enorme productie noemde de dichter Adriaan Roland Holst hem 'de man die sneller schrijft dan God kan lezen'. Andere belangrijke boeken van Simon Vestdijk zijn: "Kind van stad en land" (1936), "Meneer Visser's hellevaart" (1936), "Ierse nachten" (1946), "De toekomst de religie" (1947), "Pastorale 1943" (1948), "De koperen tuin" (1950), "Ivoren wachters" (1951), "Essays in duodecimo" (1952) en "Het genadeschot" (1964).
K.P. Kavafis K.P. Kavafis werd als kind van Griekse ouders, afkomstig uit Konstantinopel, geboren in 1863 in Alexandrië (tot vandaag een Griekse enclave) waar hij ook het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Twee jaar na de dood van zijn vader verhuist het gezin in 1872 naar Engeland om na een verblijf van vijf jaar naar Alexandrië terug te keren. Vanwege ongeregeldheden in Egypte vlucht het gezin in 1882 naar Konstantinopel, om na drie jaar opnieuw naar Alexandrië terug te gaan. In de jaren die volgen maakt Kavafis reizen naar Parijs, Londen en in 1901 zijn eerste reis naar Griekenland, in latere jaren gevolgd door nog enkele bezoeken. Op de dag van zijn zeventigste verjaardag, in 1933 sterft Kavafis in Alexandrië. De roem kwam voor Kavafis pas na zijn dood, dus postuum. Deels is dat toe te schrijven aan zijn eigen handelswijze. Hij was uiterst terughoudend met de publicatie van zijn gedichten, liet af en toe een enkel gedicht afdrukken in een literair tijdschrift, gaf in eigen beheer enkele bundels met een stuk of twintig gedichten uit en het merendeel van zijn poëzie schonk hij op losse bladen aan zijn beste vrienden.
Thomas Mann
Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, werd geboren op 6 juni 1875 in Lübeck. Hij was de tweede zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle "Gefallen". Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond - hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar - besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver. Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger. In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de 'Duitse ziel' in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 vertrok hij naar Zwitserland. Op 12 augustus 1955 stierf hij in Zürich. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921.Belangrijke werken zijn: Der Zauberberg, Der Tod in Venedig, Dokter Faustus , Joseph und seine Brüder en Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull.
Rainer Maria Rilke
Rilke werd op 4 december 1875 geboren in Praag. Hij had al naam gemaakt als dichter met zijn bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder, toen hij de literaire wereld versteld deed staan en wereldfaam verwierf met de publicatie van zijn twee delen Neue Gedichte in 1907 en 1908. Hij verzamelde daarin het beste werk uit een van zijn vruchtbaarste periodes, die hij grotendeels doorbracht in Parijs. Rilke was daar diep onder de indruk gekomen van Rodin, bij wie hij een tijdlang in dienst was als particulier secretaris. Rodin, zei hij later, had hem leren kijken. Dit kijken kwam neer op intense concentratie, om het mysterie te kunnen zien ‘achter de schijnbare werkelijkheid'. Latere en rijpere werken als Duineser Elegien (1912-1923) en het ronduit schitterende Die Sonette an Orfeus (1924) illustreren Rilkes metafysische visie op het onzegbare, dat haar verwoording vindt in een hermetische muzikale taal. Op 29 december 1926 overlijdt Rilke in het sanatorium in Val-Mont aan de gevolgen van leukemie. Enkele dagen later wordt hij, overeenkomstig zijn wens, begraven op het kerkhof van Raron.
* * * * * * * * * * * * * * * *
Romenu
Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
31-12-2013
Silvesternacht (Ludwig Thoma)
Alle bezoekers en mede-bloggers een aangename jaarwisseling en een gelukkig Nieuwjaar!
Winterlandschap met schaatsers door Adam van Breen, 1611
Silvesternacht
Und nun, wenn alle Uhren schlagen, So haben wir uns was zu sagen, Was feierlich und hoffnungsvoll Die ernste Stunde weihen soll.
Zuerst ein Prosit in der Runde! Ein helles, und aus frohem Munde! Ward nicht erreicht ein jedes Ziel, Wir leben doch, und das ist viel.
Noch einen Blick dem alten Jahre, Dann legt es auf die Totenbahre! Ein neues grünt im vollen Saft! Ihm gelte unsre ganze Kraft!
Wir fragen nicht: Was wird es bringen? Viel lieber wollen wir es zwingen, Daß es mit uns nach vorne treibt, Nicht rückwärts geht, nicht stehen bleibt.
Nicht schwächlich, was sie bringt, zu tragen, Die Zeit zu lenken, laßt uns wagen! Dann hat es weiter nicht Gefahr. In diesem Sinne: Prost Neujahr!
Ludwig Thoma (21 januari 1867 – 26 augustus 1921) Oberammergau. Thoma werd geboren in Oberammergau
Zijn de coördinaten waarop jij je bevindt veranderlijk, reis dan minder grillig. Zo krijg ik geen vlaggetje in de kaart.
Ik wilde je route volgen, je strategie: < nieuw is het allemaal niet > je komt terug om te gaan.
Je schrijft aan alles te merken dat je in het hoge noorden bent. Ondanks geringe hoogte liggen gletsjerdelen langs de weg.
Uitglijden zou rampzalig zijn, schrijf je, kranten kopten je vermissing. Ik schrijf zeur niet, vlucht voor je vertrek.
Die jou niet noemen slapen zoet, morgen willen ze best een tekening over je maken < niet langer lastigvallen met de eigen,
weinig kan al gezin zijn >. Tragische humor kan wonderen: je verzoek per sms om een opbeurend woordje. Ik raad je angst
verschijnsel na verloren samenhangen. Helpe iets dierbaars dat de weg smelt: een sneeuwkonijn. Nog beter: weten. Liefst:
goedzicht.
Showen en trippen
Er is zielsveel geluk nodig in deze jurk met vertedering naar buren te kijken die rond middernacht hun afvalzak in een container doen.
Er is zielsveel geluk nodig in deze jurk een taxi aan te houden die onwillig is je tot buiten de stad te rijden waar loofwoud staat dat zich voortplant.
Er is zielsveel geluk nodig deze jurk dronken en klaarwakker naar een show te brengen, blind een deur te vinden waardoor je het toneel verlaat.
Er is zielsveel geluk nodig in deze jurk iets te slikken, een ballonvaart te maken en op het mozaïek van je land neer te kijken als een slome astronaut.
Er is zielsveel geluk nodig in stralend weer voorzichtig te verongelukken. Stemmen schreeuwen zeggen wade in plaats van jurk.
Een hondje rent over de kade. Het moet een Portugees hondje zijn, Dat daar over de kade rent, Heen en terug en onzichtbaar, terwijl het kwispelt Met zijn kleine bruine staart. Onzichtbaar rent het hondje, Onzichtbaar schiet het onder kranen door. Dan springt het mee met een vorkheftruck, Dan trippelt het langs containers die wachten In het zilveren licht van de zon. Dan blaft het hondje. Het blaft tegen een man die staat te kijken, Die ziet dat de verte aan het vertrekken is, Dat de verte zich traag maar zeker verwijdert, Dat de armen van de verte de kade loslaten En verdwijnen in het rimpelloze water.
Maar het hondje op de kade blaft onhoorbaar. De man draait zich om en loopt ergens heen.
Zon en maan
Wat een geluiden, wat een oceanen!
Elke letter opent de verte. Door op een knop te drukken, Door aan een touw te trekken, Door een handel over te halen.
Elke lettergreep opent de verte. Met een donkere zucht uit de diepte, Met een kameraadschappelijke lach van opzij, Met een schrille kreet in de wolken.
Elk woord opent de verte En ruikt de vruchten van geordende plantages En ruikt cellulose en staal en triplex En ruikt de inhoud van de tijd.
Niet in de winter, wanneer dagen duister Als nachten zijn, wier zwaarte mij verdrukt, Maar in de zomer, als de bloei, de luister Van dag en nacht, het bevend hart verrukt.
Niet in de winter als deuren en ruiten Kreunen bij 't woedend waaien van de wind Maar in de zomer, als vogels hoog fluiten De dag laat eindigt en weer vroeg begint,
Vrees ik de Dood, haat ik hem machteloos, Ik heb het leven zó lief en het gaat Buiten mijn macht genaadloos naar één eind.
O, Vriend, lach niet meer. Maar een korte poos Eer de wrede Dood ons beiden verslaat En onze Vriendschap in het niet verdwijnt.
Dat ik een wild genieter ben geweest
Dat ik een wild genieter ben geweest, Wiens vreugde wrang was en wiens wroeging wranger, Men zal 't weten, zolang men Hollands leest, Maar ook niet langer.
Berusting
In dit spel van wind en water Schouw ik peinzend heel de dag 'k Vraag niet meer naar toen en later Ik draag wat er komen mag.
Jacob Israël de Haan (31 december 1881 - 30 juni 1924)
De Surinaamse dichter, percussionist, beeldend kunstenaar, Surinamist, toneelschrijver, regisseur, acteur en maatschappelijk werker Noeki André Mosis (Kingbotho) werd geboren in het District Marowijne op 31 december 1954. Zie ook alle tags voor Kingbotho op dit blog.
De rode draad van een liefdesverhaal
jij die had gevlogen over de zee, gelopen door de drukke straten, in steden met wolkenkrabbers, waar jij toen belandde.
Lopend door de mist, waarin jouw donkere, sprekende ogen glinsterden als sterren in de nacht, zoekend naar de zo verlangde warmte.
Wat jammer! dat de wind zo koud was, maar goed dat hij de mist had weggewaaid om de zon de ruimte te bieden op jouw mooie
bruine lichaam te schijnen, zo kreeg ik vervolgens de gelegenheid je reeds op een grote afstand te zien. En jij was,
een volwassene die de uitstraling had van een verboden vrucht. Mijn aanbod dat je in eerste instantie geweigerd had, kwam als een teruggekaatste bal naar mij toe.
En toen, stond jij naast mij. Jij en ik gingen samen als symbiose verder de wereld in.
Ik beschermde jou als een waakhond tegen de boze handen die jouw beeldschoon lichaam zouden kunnen schaden.
En nu, houd ik mijn adem in want je kijkt mij terughoudend aan wanneer wij in de tegenwoordige tijd belanden.
Draagt me zacht: door al mijn leden Klopt het baemren van uw voet: Draagt me zacht: bij iedre schrede Drupt mijn klare, levend bloed. Draagt me zacht: door de ijle landen Waait de nijd'ge wind zoo koel; Of zijn 't al uw kille handen, Dood, die 'k om mijn slapen voel. Draagt me zacht, gelijk een blanke Lampevlam in woel'ge lucht, Eer dees kostbaar-laatste spranke Leven doove met een zucht. Draagt me zacht: hoe daalt zoo dicht en Hel de hemel over mij.... Ben ik reeds de sterrenlichte Poort der eeuwigheid nabij....
August van Cauwelaert (31 december 1885 - 4 juli 1945)
“Like all cities, Wilmington is rich in places and poor in others, and since my dad had one of the steadiest, solid-citizen jobs on the planet -- he drove a mail delivery route for the post office -- we did okay. Not great, but okay. We weren't rich, but we lived close enough to the rich area for me to attend one of the best high schools in the city. Unlike my friends' homes, though, our house was old and small; part of the porch had begun to sag, but the yard was its saving grace. There was a big oak tree in the backyard, and when I was eight years old, I built a tree house with scraps of wood I collected from a construction site. My dad didn't help me with the project (if he hit a nail with a hammer, it could honestly be called an accident); it was the same summer I taught myself to surf. I suppose I should have realized then how different I was from my dad, but that just shows how little you know about life when you're a kid. My dad and I were as different as two people could possibly be. Where he was passive and introspective, I was always in motion and hated to be alone; while he placed a high value on education, school for me was like a social club with sports added in. He had poor posture and tended to shuffle when he walked; I bounced from here to there, forever asking him to time how long it took me to run to the end of the block and back. I was taller than him by the time I was in eighth grade and could beat him in arm-wrestling a year later.”
Ein Dichter, rund und feist bei Leibe, Mit einem Antlitz, lang wie breit, Und glänzend, wie des Vollmonds Scheibe, Sprach einst von seiner Dürftigkeit, Und schimpfte brav auf teure Zeit.
»Das tun Sie bloß zum Zeitvertreibe«, Rief einer aus der Compagnie; »Denn dies Gedeihn an Ihrem werten Leibe, Und Ihr Gesicht, die schöne Vollmondsscheibe, Herr Kläger, zeugen wider Sie!« -
»Das hat sich wohl!« seufzt der Poet geduldig. »Doch, Gott gesegn’ ihn! meinen Bauch - Sanft strich er ihn - und diesen Vollmond auch Bin ich dem Speisewirt noch schuldig.«
Mannstrotz
So lang ein edler Biedermann Mit einem Glied sein Brot verdienen kann, So lange schäm er sich nach Gnadenbrot zu lungern! Doch tut ihm endlich keins mehr gut: So hab er Stolz genug und Mut, Sich aus der Welt hinaus zu hungern.
Mittel gegen den Hochmut der Großen
Viel Klagen hör ich oft erheben Vom Hochmut, den der Große übt. Der Großen Hochmut wird sich geben, Wenn unsre Kriecherei sich gibt.
Gottfried August Bürger (31 december 1747 – 8 juni 1794) Beeld in het stadsdeel Molmerswende, Mansfeld
SING, poet, 'tis a merry world; That cottage smoke is rolled and curled In sport, that every moss Is happy, every inch of soil: - Before me runs a road of toil With my grave cut across. Sing, trailing showers and breezy downs - I know the tragic hearts of towns.
City! I am true son of thine; Ne'er dwelt I where great mornings shine Around the bleating pens; Ne'er by the rivulets I strayed, And ne'er upon my childhood weighed The silence of the glens. Instead of shores where ocean beats I hear the ebb and flow of streets.
Black Labor draws his weary waves Into their secret moaning caves; But, with the morning light, That sea again will overflow With a long, weary sound of woe, Again to faint in night. Wave am I in that sea of woes, Which, night and morning, ebbs and flows.
Alexander Smith (31 december 1830 - 5 januari 1867)
“Only now does the trace of a smile appear on the father's face at the memory of the boys' passion for hunting. Sometimes they shoot only a yacútoro or a surucuá, and return triumphant: Juan tohis ranch with the nine-millimeter rifle he was given as a present; his son to the plateau, with the greatsixteen-millimeter quadruple-locked Saint-Etienne rifle and white powder.He had been just like his son. At thirteen, he migh have given his life to own a rifle. His son, atthe same age, already owned one – and the father smiles.It is not easy, however, for a widowed father, with neither faith nor hope but that for the life of his son, to educate him as he has, free in his short range of action, sure of his little hands and feet sincehe was ten years old, aware of the immensity of certain dangers and the limits of his own powers.That father has had to fight hard against what he considers his selfishness. How easily might achild judge wrongly and feel a footing in the emptiness! Then a son is lost!Danger continues to exist for a man at any age; but there is less of a threat if since earliestchildhood he is used to relying on nothing but his own powers.That father has raised his son in this belief. And to achieve these ends, he has had to resist notonly his heart, but his moral torment; because that father, weak-stomached and poorly sighted, has suffered halucinations for a time now.He has seen memories of a happiness that should have risen no farther than the nothingness inwhich it is confined, concrete in its distressing illusion.”
Horacio Quiroga (31 december 1878 – 19 februari 1939) Cover
„Es fing alles beim Augenarzt an. Ich musste Bilder erkennen, die in meinen Augen sehr verschwommen wirkten. Das merkte der Augenarzt und riet mir: „Komme doch bitte nächste Woche noch einmal, da ich mir deine Augen genauer anschauen muss. Du willst doch nicht etwa mit sechzig Jahren blind sein, oder?“ Mir fuhr der Schreck durch die Glieder. Ich stammelte natürlich „Neeein“, aber insgeheim wusste ich nicht, ob der Arzt nicht maßlos übertrieb. Außerdem ist es bis zur Untersuchung noch eine lange Zeit. Aber von Tag zu Tag machte ich mir mehr Gedanken und wurde immer unsicherer. Musste ich eine Brille tragen? Wie würden die anderen darauf reagieren? Müsste ich vielleicht sogar eine Brille mit dicken Gläsern tragen? Diese Fragen quälten mich Tag und Nacht bis zu dem Arzttermin, den ich wahrscheinlich nicht mehr so schnell vergessen werde. Meine Mama und ich kamen in das Wartezimmer der Praxis. Ich hatte ein furchtbar mulmiges Gefühl im Bauch. Für mich dauerte es eine Ewigkeit, bis mein Name aufgerufen wurde. Wir gingen in Zimmer 2. Bald kam der Augenarzt, den ich ja schon kannte. Ich musste in ein Gerät schauen, das Ähnlichkeiten mit einem Mikroskop hatte. Ich zitterte. Meine Hände waren verkrampft und schweißgebadet. Der Arzt wandte sich an mich: „Carolin, so leid es mir tut, du musst eine Brille tragen.“ Ich hätte in Weinkrämpfe ausbrechen können, aber ich versuchte, mir nichts anmerken zu lassen. Meine Mutter und ich fuhren wieder nach Hause. Als Trostpflaster durfte ich mir ein Buch in der Buchhandlung gegenüber von unserem Haus aussuchen.“
"Zum ersten Mal traf ich ihn in einer Berliner Eckkneipe, die heute alsSportbar mit riesigen Flachbildschirmen zum Verweilen einlädt. Ein Bekannter hatte mich auf einen Absacker eingeladen. Um unseren Stehtisch tänzelte jener kräftige junge Mann mit Glatze, Springerstiefeln, Aufnähern seiner Bewegung an der Bomberjacke, angetrunken, wenn nicht gar besoffen. Er versuchte meine Augen zu fixieren. Listig wich ich dem Blick aus. Mein Bekannter senkte die Stimme und sagte: Will der was? Offensichtlich wollte der was, denn jetzt blieb er stehen und sah mich an wie die Schlange das Kaninchen. Irgendetwas hatte ihn gegen mich aufgebracht. Nur was? Die Frage sollte mir gleich beantwortet werden. Er kam auf mich zu, zog mich an der Schulter unsanft zu sich herum und fragte mit drohendem Unterton: Wie muss eine deutsche Frau sein? Man darf einem Streitsuchenden nur in die Augen schauen, wenn man von vornherein weiß, dass er unterlegen ist. Geistig war er mir ganz sicher unterlegen, körperlich war es umgekehrt. Er hätte mich ohne viel Federlesens zusammenfalten können. Ich sah ihm also zuerst auf das Kinn. Dann fiel mir ein, dass mir mein Bekannter vor einigen Minuten von seiner Wohnungsvermieterin, Frau Deutschmann, erzählt hatte. Die hatte ihm wegen einer einzigen etwas zu lauten Party mit Kündigung gedroht. Darauf hatte ich vielleicht etwas zu lautstark erwidert: Der Frau Deutschmann würde ich aber was erzählen! Wie muss eine deutsche Frau sein? , wiederholte er deutlich heiserer. Ich sah ihm fest in die Augen und wartete, bis kurz bevor er meinem Blick ausgewichen beziehungsweise handgreiflich geworden wäre. Dann rief ich im überzeugten Ton der letzten Worte einer Agitationsrede, sehr gesammelt, dennoch forsch und absolut bedeutungsschwanger: Schwarz! Rot! Gold! ..."
Im Traum kam Pasolini auf mich zu in einer Hauptrolle. Er sah gut aus, blau blinkend wie eine Maschine ein Darsteller für alles -. Pasolini stapfte durch Pfützen, er konnte klein sein, untersetzt, dunkel und asozial immer war er Pasolini und immer ein Anderer. Dann stand er in den Eingängen der Rohbauten winkte von Gerüsten herab. Mit dem Finger zeigte er auf alte Autos. Im ganzen Land lebte eine Bevölkerung deren Liebhaber er war und mit der Kamera fand er Länder die er durch die dunkle Brille nicht mehr sah. Meine Bilder jammern, sagte er ich könnte Stummfilme machen; seit Jahren habe ich kein Wort mehr gehört. Er fing an sich an mir zu reiben und das ging schon in Ordnung. Dann stürzte er in eine Baugrube. Ein Auto brannte aus. Regen fiel ins Meer. Die Kinowäsche war wieder ganz weiß.
2 Leben ist Sehnsucht, Suche und Sucht, Zwang und Notwendigkeit zu entrinnen. Träume sind Expeditionen nach innen, Abkehr, Zuwendung, Heimkehr und Flucht.
Leben ist Reiz, Reaktion und Verzicht, Weigerung, daß wir Erfüllung gewähren. Traum ist Dasein im Imaginären, ins Leben hinüberleuchtendes Licht.
Ohne Träume sein, heißt hinter Gittern im Zuchthaus überkommener Normen lebenslänglich nach Freiheit zu Schrein.
Traum heißt: Um nicht stumm zu verbittern, uns gemäße Gesetze zu formen, danach zu leben und Mensch zu sein.
“I wish to clear up a point here. Joanna said I was coming to hate Australia. Like other cosmopolitan Australians I have a love-hate relationship with my own land. When I'm living in Italy a time comes when I start wanting to return to Australia – and when I'm in Australia it works the other way.”
(…)
“...I am only too aware that we all, or nearly all, want the approval of our fellows – in my case the approval of you, the reader. As I write this I try to imagine who you are. Are you, for instance, a man or a woman? Young or old? Do you share my concern for the wild creatures with whom we share this earth? Or are you indifferent? Do you like or dislike me?”
„Which will be too late. Blast, I need to see him now, before Polly comes back. “I can give you an appointment at one o’clock on the nineteenth,” Eddritch was saying. “Or at half past nine on the twenty-eighth.” What part of the word “urgent” do you not understand? Colin thought. “Never mind,” he said and went back downstairs and out to the gate to see if he could get any more information out of Mr. Purdy. “Are you certain Research was where he said he was going?” he asked the porter, and when he said yes, “Did he say where he was going after that?” “No. You might try the lab. He’s been spending a good deal of time there these past few days. Or if he’s not there, Mr. Chaudhuri may know where he is.” And if he’s not there I can ask Badri when Polly’s scheduled to come back. “I’ll try the lab,” Colin said, debating whether to ask him to tell Mr. Dunworthy he was looking for him if he returned. No, better not. Forewarned was forearmed. He’d have a better chance if he sprang it on him suddenly. “Thanks,” he said and ran down to the High and over to the lab. Mr. Dunworthy wasn’t there. The only two people who were were Badri and a pretty tech who didn’t look any older than the girls at school. They were both bent over the console. “I need the coordinates for October fourth, 1950,” Badri said. “And—what are you doing here, Colin? Aren’t you supposed to be at school?”
The jeweled air: the clear sun: you look for the f lowering apricot tree, and smell the bitter scent of hawthorn in your heart.
But the thorn has dried out, and skeletal plants weave black threads into the clear blue sky, into the empty vault of heaven, and the hollow earth rings with every footstep.
Silence, all around: from far away you hear only the gusting of the wind, and from the orchards and gardens, the fragile descent of leaves. It is the cold summer of the dead.
Giovanni Pascoli (31 december 1855 – 6 april 1912)
“Je ne la puis plus quitter maintenant, cette maison où je suis née, où j’ai vécu, et où j’espère mourir. Ce n’est pas gai tous les jours, mais c’est doux, car je suis enveloppée de souvenirs. Je ne la quitte que pour aller passer un mois ou deux chez ma fille. Puis c’est Julie qui vient me voir à son tour. Le reste du temps, je suis seule. Cela t’étonne, n’est-ce pas, qu’on puisse vivre ainsi, seule, toute seule? Que veux-tu? je suis entourée d’objets familiers, si connus qu’ils me font l’effet de personnes vivantes, et qu’ils me parlent sans cesse de toutes les choses de ma vie, et des miens, des morts et des vivants éloignés. Je ne lis plus beaucoup. Je suis vieille. Mais je songe sans fin, ou plutôt je rêve. Oh! je ne rêve point à ma façon d’autrefois. Tu te rappelles nos folles imaginations, les aventures que nous combinions dans nos cervelles de vingt ans et tous les horizons de bonheur entrevus. Rien de cela ne s’est réalisé. Ou plutôt c’est autre chose qui a eu lieu, moins charmant, moins poétique, mais suffisant pour ceux qui savent prendre bravement leur parti de la vie. Sais-tu pourquoi nous sommes malheureuses si souvent, nous autres femmes? C’est parce qu’on nous apprend dans la jeunesse à trop croire au bonheur. Nous ne sommes jamais élevées avec l’idée de combattre et de souffrir. Et, au premier choc, notre cœur se brise.”
De Duitse dichteres en schrijfster Paula Dehmel werd geboren op 31 december 1862 in Berlijn als dochter van Julius Oppenheimer, een predikant en docent aan de Tempel van de Berlijnse Joodse Liberale gemeente. Ze schreef gedichten en sprookjes voor kinderen. Zij was getrouwd met de dichter Richard Dehmel. Via haar drie jaar jongere broer Franz ontmoette zij in 1886 Richard Dehmel en trouwde met hem op 4 mei 1889. Uit het huwelijk werden drie kinderen geboren:.Veradetta (* 1890), Heinz Peter (Heinrich) (* 1891), later arts en schrijver en Liselotte (* 1897). Haar man werd in augustus 1892 verliefd op Paula's vriendin Hedwig Lachmann, een dichteres en vertaalster, die echter niet met een door Richard voorgestelde "driehoeksverhouding" instemde. In 1895 maakte Richard kennis met Ida Auerbach, zijn latere tweede vrouw. Vanaf medio 1898 tot april 1899 woonden Paula, Ida en Richard Pankow in een huwelijk met zijn drieen. Ida woonde in het naburige huis. Uiteindelijk kwamen Paula en Richard in 1900 een echtscheiding overeen. Paula Dehmel kende onder andere Else Lasker-Schüler, Otto Julius Bierbaum, Arno Holz en Johannes Schlaf persoonlijk.
Gruß an die Kinder
Ich möcht euch alle miteinander Auf bunten Wiesen sehn, Bei Klarinetten und Geigen Die Füßchen im Tanze drehn.
Ich möcht euch alle miteinander Mitnehmen im Luftschiffkahn, Euch die schöne Erde zeigen, Und was fleißige Menschen getan.
Ich möcht euch alle miteinander Still führen an der Hand, Euch heimliche Dinge sagen Von Gott und dem Sternenland.
Pottkieker
Mutti, Mutti, was ist denn da drin? "Hoppel, poppel, Appelreis, Mach dich fort, Naseweis, Kann dich hier nicht brauchen, Der Ofen tut rauchen, Muß Späne suchen, Sonst brennt der Kuchen, Muß Gänse schlachten, In drei Tagen ist Weihnachten!"
Mutti, Mutti, wo soll ich denn hin? "Ei, tanz mit dem Schimmel, Bohr Löcher in den Himmel, Lehr die Katz das Alphabet, Sieh nach, ob sich der Kirchturm dreht, Oder lauf ans End der Welt, Paß auf, daß keiner runterfällt, Marsch!!"