Romenu is een blog over gedichten, literatuur en kunst Maar Romenu is ook een professionele freelance vertaler Du-Ne en Ne-Du http://www.roumen-vertalingen.nl/
Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in het conducteurshuis aan de Waagplatz 2 in Salzburg geboren. Zijn vader, Tobias Trakl, was een handelaar in ijzerwaren en zijn moeder, die ook psychische problemen had, was Maria Catharina Trakl, (meisjesnaam Halik). Voorts had hij nog drie broers en drie zussen. Margarethe (doorgaans Grethe genoemd) stond hem het naast, zelfs zodanig dat sommigen een incestueuze verhouding vermoeden. Zijn jeugd bracht hij door in Salzburg. Vervolgens bezocht hij van 1897 tot 1905 het humanistische gymnasium. Om toch een academische opleiding te kunnen volgen, werkte hij tot 1908 in de praktijk bij een apotheker. Sommigen vermoedden dat hij dit vooral deed om zichzelf opiaten te kunnen verschaffen. Bij het uitbreken van WO I werd Trakl als medicus naar het front in Galicië (heden ten dage in Oekraïne en Polen) gestuurd. Zijn gemoedsschommelingen leidden tot geregelde uitbraken van depressie, die verergerd werden door de afschuw die hij voelde voor de verzorging van de ernstig verwonde soldaten. De spanning en druk dreven hem ertoe een suïcidepoging te ondernemen, welke zijn kameraden nochtans verhinderden. Hij werd in een militair ziekenhuis opgenomen in Kraków, alwaar hij onder strikt toezicht geplaatst werd.Trakl verzonk daar in nog zwaardere depressies en schreef Ficker om advies. Ficker overtuigde hem ervan dat hij contact moest opnemen met Wittgenstein, die inderdaad op weg ging na Trakls bericht te hebben ontvangen. Op 4 november 1914, drie dagen voordat Wittgenstein aan zou komen, overleed hij echter aan een overdosis cocaïne
Paul Celan
Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Paul Celans ouders waren Duitssprekende joden die hun zoon joods opvoedden en hem naar Duitse christelijke scholen stuurden. In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf juli 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog. Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1948 in Parijs. Daar was hij werkzaam als dichter, vertaler en doceerde hij aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure. Vermoedelijk op 20 april 1970 beëindigde hij zijn leven zelf door in de Seine te springen.
Gerard Reve
Gerard Reve over: Medearbeiders ”God is in de mensen, de dieren, de planten en alle dingen - in de schepping, die verlost moet worden of waaruit God verlost moet worden, door onze arbeid, aangezien wij medearbeiders van God zijn.” Openbaring ”Tja, waar berust elk godsbegrip op, elke vorm van religie? Op een openbaring, dat wil zeggen op een psychische ervaring van zulk een dwingende en onverbiddelijke kracht, dat de betrokkene het gevoel heeft, niet dat hij een gedachte of een visioen heeft, maar dat een gedachte gedachte of visioen hem bezit en overweldigt.”
Simon Vestdijk
Simon Vestdijk (Harlingen, 17 oktober 1898 – Utrecht, 23 maart 1971) was een Nederlands romancier, dichter, essayist en vertaler. Zijn jeugd te Harlingen en Leeuwarden beschreef hij later in de Anton Wachter-cyclus. Van jongs af aan logeerde hij regelmatig bij zijn grootouders in Amsterdam, waar hij zich in 1917 aan de Universiteit van Amsterdam inschrijft als student in de medicijnen. Tijdens zijn studie die van 1917 tot 1927 duurde, leerde hij Jan Slauerhoff kennen.Tot 1932 is hij als arts in praktijken door heel Nederland werkzaam. In 1932 volgt zijn officiële schrijversdebuut met de uitgave van de bundel Verzen in De Vrije Bladen. Doorslaggevend voor Vestdijks uiteindelijke keuze voor de literatuur is zijn ontmoeting in 1932 met Eddy Du Perron en Menno ter Braak. Deze ontmoeting had tot resultaat dat hij redactielid werd van het tijdschrift Forum Kort daarop, in 1933, wordt zijn eerste novelle, De oubliette, uitgegeven. In hetzelfde jaar schrijft hij Kind tussen vier vrouwen, dat, eerst geweigerd door de uitgever, later de basis zal vormen voor de eerste drie delen van de Anton Wachter-romans. In 1951 ontvangt Vestdijk de P.C. Hooftprijs voor zijn in 1947 verschenen roman De vuuraanbidders. In 1957 wordt hij voor het eerst door het PEN-centrum voor Nederland voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur, die hij echter nooit zal krijgen. Op 20 maart 1971 wordt hem de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, maar voor hij deze kan ontvangen overlijdt hij op 23 maart te Utrecht op 72-jarige leeftijd. Vestdijk was auteur van ca. 200 boeken. Vanwege deze enorme productie noemde de dichter Adriaan Roland Holst hem 'de man die sneller schrijft dan God kan lezen'. Andere belangrijke boeken van Simon Vestdijk zijn: "Kind van stad en land" (1936), "Meneer Visser's hellevaart" (1936), "Ierse nachten" (1946), "De toekomst de religie" (1947), "Pastorale 1943" (1948), "De koperen tuin" (1950), "Ivoren wachters" (1951), "Essays in duodecimo" (1952) en "Het genadeschot" (1964).
K.P. Kavafis K.P. Kavafis werd als kind van Griekse ouders, afkomstig uit Konstantinopel, geboren in 1863 in Alexandrië (tot vandaag een Griekse enclave) waar hij ook het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Twee jaar na de dood van zijn vader verhuist het gezin in 1872 naar Engeland om na een verblijf van vijf jaar naar Alexandrië terug te keren. Vanwege ongeregeldheden in Egypte vlucht het gezin in 1882 naar Konstantinopel, om na drie jaar opnieuw naar Alexandrië terug te gaan. In de jaren die volgen maakt Kavafis reizen naar Parijs, Londen en in 1901 zijn eerste reis naar Griekenland, in latere jaren gevolgd door nog enkele bezoeken. Op de dag van zijn zeventigste verjaardag, in 1933 sterft Kavafis in Alexandrië. De roem kwam voor Kavafis pas na zijn dood, dus postuum. Deels is dat toe te schrijven aan zijn eigen handelswijze. Hij was uiterst terughoudend met de publicatie van zijn gedichten, liet af en toe een enkel gedicht afdrukken in een literair tijdschrift, gaf in eigen beheer enkele bundels met een stuk of twintig gedichten uit en het merendeel van zijn poëzie schonk hij op losse bladen aan zijn beste vrienden.
Thomas Mann
Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, werd geboren op 6 juni 1875 in Lübeck. Hij was de tweede zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle "Gefallen". Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond - hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar - besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver. Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger. In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de 'Duitse ziel' in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 vertrok hij naar Zwitserland. Op 12 augustus 1955 stierf hij in Zürich. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921.Belangrijke werken zijn: Der Zauberberg, Der Tod in Venedig, Dokter Faustus , Joseph und seine Brüder en Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull.
Rainer Maria Rilke
Rilke werd op 4 december 1875 geboren in Praag. Hij had al naam gemaakt als dichter met zijn bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder, toen hij de literaire wereld versteld deed staan en wereldfaam verwierf met de publicatie van zijn twee delen Neue Gedichte in 1907 en 1908. Hij verzamelde daarin het beste werk uit een van zijn vruchtbaarste periodes, die hij grotendeels doorbracht in Parijs. Rilke was daar diep onder de indruk gekomen van Rodin, bij wie hij een tijdlang in dienst was als particulier secretaris. Rodin, zei hij later, had hem leren kijken. Dit kijken kwam neer op intense concentratie, om het mysterie te kunnen zien ‘achter de schijnbare werkelijkheid'. Latere en rijpere werken als Duineser Elegien (1912-1923) en het ronduit schitterende Die Sonette an Orfeus (1924) illustreren Rilkes metafysische visie op het onzegbare, dat haar verwoording vindt in een hermetische muzikale taal. Op 29 december 1926 overlijdt Rilke in het sanatorium in Val-Mont aan de gevolgen van leukemie. Enkele dagen later wordt hij, overeenkomstig zijn wens, begraven op het kerkhof van Raron.
* * * * * * * * * * * * * * * *
Romenu
Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
11-11-2018
Old Martinmas Eve (Ivor Gurney)
Bij Sint Maarten
St. Martinus deelt zijn mantel, schilderij in de Kathedraal van Sint-Gatianus in Tours
Old Martinmas Eve
The moon, one tree, one star. Still meadows far, Enwreathed and scarfed by phantom lines of white. November's night Of all her nights, I thought, and turned to see Again that moon and star-supporting tree. If some most quiet tune had spoken then; Some silver thread of sound; a core within That sea-deep silentness, I had not known Ever such joy in peace, but sound was none — Nor should be till birds roused to find the dawn.
Ivor Gurney (28 augustus 1890 - 26 december 1937) De kathedraal van Gloucester, de geboorteplaats van Ivor Gurney
Schon das schiere Nichts hat es in sich. Bauchschmerzen für Metaphysiker. Die Null zu erfinden war kein Zuckerlecken.
Als dann auch noch irgendein Inder auf die Idee kam, etwas könne weniger sein als nichts, streikten die Griechen.
Auch den Gottesgelehrten war nicht wohl dabei. Blendwerk, hieß es, eine Versuchung des Teufels.
Das sollen natürliche Zahlen sein, riefen die Zweifler, minus eins, minus eine Milliarde?
Nur wer Geld hatte, und das waren die wenigsten, der hatte keine Angst:
Schulden, Abschreibungen, doppelte Buchführung. Die Welt wurde abgezinst. Die Arithmetik – ein Füllhorn.
Wir haben alle Kredit, sagten die Banker. Eine Sache des Glaubens.
Seitdem wird immer größer, was weniger ist als nichts.
Die Instrumente
Augenschere, Marknagel, Blasensprenger - man hört es nicht gerne. Selbst die Chirurgen hüten sich, uns den Hohlmeißel vorzuführen, das wäre zu hart, den Uteruslöffel, das wäre nicht höflich, die Hirnspatel und den Leberhaken. Erst, wenn es weh tut, in der Notaufnahme, vertrauen wir uns mit geschlossenen Augen der Penisklemme, dem Blutschöpfer an. Ja, dann! Gebenedeit, heißt es, jetzt auf einmal, seid ihr, Vulvaspreizer und Knochenraspel, unsre einzige Hoffnung, kurz vor der letzten Ölung.
Vrije tijd
Grasmaaier, zondag, die de seconden maait en het gras.
Er groeit gras over het dode gras dat over de doden is gegroeid.
Wie dat horen kon!
De maaier dreunt, overstemt het schreiende gras.
De vrije tijd vreet zich vet. Wij bijten geduldig in het frisse gras.
Vertaald door René Smeets
Hans Magnus Enzensberger (Kaufbeuren,11 november 1929)
In the evening when the Barbarians return from the West mounted on concepts, sent as emissaries of huge salami factories, don’t ask about their horses, put out the fire stuff your mouth with embers fill your memory with ashes and head for the Himalayas with your trumpet cultivate avalanches change your sex, name or Linnaean kingdom mingle with a gaggle of geese go honk-honk and seize the moment – be an Eskimo when the green ice-nerve in Antarctica slowly relaxes propose to the plump lascivious seal lick honey from the federal administrator’s fingers or simply stand meekly and listen to the howl of the crude oil of the locomotive giving birth in the middle of the field without a midwife to a procession of tiny luminous creatures.
Nature’s democracy
In March dustbins explode splattering the neorealist darkness with flame-red cats. The town boils below their greedy phosphorus a kiss smelling saccharine like brimstone, pregnant women might suddenly flow into the room but for the heavy sandbags grumbling in front of the TV blowing into the eternal soup. Swarms of butterflies slip under girls’ skirts and my hand falls heavy with pollen. A tiny thermoelectric generator installed in fools’ mouths now reaches full productivity (poor and lazy, I’m not the least afraid). A child pisses on the church steeple and God welcomes the warm jet like a rheumatic heel that needs soothing. A rotten potato tossed on the empty plot of ground shows its little green penis like a sign of nature’s democracy.
Mircea Dinescu (Slobozia, 11 november 1950)
De Mexicaanse dichter en schrijver Carlos Fuentes Macías werd geboren op 11 november 1928 in Panama-Stad. Carlos Fuentes overleed op de 15e mei van dit jaar. Zie ook alle tags voor Carlos Fuentesop dit blog.
Uit: The Years with Laura Diaz
“I got up early to take care of my business before the film team set up in front of Diego's murals. It was 6 a.m. in the month of February. I expected darkness. I was ready for it. But its duration sapped my energy. "If you want to do some shopping, if you want to go to a movie, the hotel limo can take you and pick you up," they told me at the reception desk. "But the center of town is only two blocks from here," I answered, both surprised and annoyed. "Then we can't take any responsibility." The receptionist gave me a practiced smile. His face wasn't memorable. If the guy only knew that I was going farther, much farther, than the center of town. Though I didn't know it yet, I was going to reach the heart of this hell of desolation. Walking quickly, I left behind the cluster of skyscrapers arranged like a constellation of mirrors -- a new medieval city protected against the attacks of barbarians -- and it took me only ten or twelve blocks to get lost in a dark, burned-out wasteland of vacant lots pocked with scabs of garbage. With each step I took -- blindly, because it was still dark, because the only eye I had was my camera, because I was a modern Polyphemus with my right eye glued to the Leica's viewfinder and my left eye closed, blind, with my left hand extended forward like a police dog, groping, tripping sometimes, other times sinking into something I could smell but not see -- I was penetrating into a night that was not only persisting but being reborn. In Detroit, night was born from night. I let the camera drop onto my chest for an instant, I felt the dull blow over my diaphragm -- two diaphragms, mine and the Leica's -- and the sensation was repeated. What surrounded me was not the prolonged night of a winter dawn; it wasn't, as my imagination would have me believe, a nascent darkness, disturbed companion of the day. It was permanent darkness, the unexpected darkness of the city, its companion, its faithful mirror. All I had to do was turn right around and see myself in the center of a flat, gray lot, adorned here and there with puddles, fugitive paths traced by fearful feet, naked trees blacker than this landscape after a battle. In the distance, I could see spectral, broken-down Victorian houses with sagging roofs, crumbling chimneys, empty windows, bare porches, dilapidated doors, and, from time to time, the tender and immodest approach of a leafless tree to a grimy skylight. A rocking chair rocked, all by itself, creaking, reminding me, vaguely, of other times barely sensed in memory ...”
Carlos Fuentes (11 november 1928 – 15 mei 2012) Cover Mexicaanse uitgave
“Mijn moeder zei: ‘Ik begrijp dat je in de war bent, als we nu in Turkije woonden dan leefde je in één soort geloof en wanneer er maar één is van iets dan is er geen verwarring, maar zodra je kunt vergelijken komt er verwarring en een tijd om te kiezen.’ ‘Moet ik dan kiezen voor een geloof?’ ‘Kijk, er zijn vele geloven, maar er is maar één God, en dat zorgt er in ieder geval voor dat je niet verward daarover raakt.’ ‘Maar als er maar één god is, waarom zijn er dan zoveel geloven?’ ‘Er zijn toch ook zoveel soorten mensen.’ ‘Ja, en dus?’ ‘De kern en het uitgangspunt van bijna alle geloven is reinheid, puurheid, eerlijkheid, behulpzaamheid en dat er een God is. Maar ieder geloof heeft zijn eigen regels. Zo zijn er bij de islam vijf geboden: een bezoek naar Mekka, zekat: hulp aan de armen, vijf maal daags bidden, vasten in de vastenmaand en geloven in een God de almachtige.’ ‘Ja, en geen varkensvlees eten, en vrouwen moeten een hoofddoek op, en mannen moeten besneden worden, en vrouwen mogen niks, en geen alcohol drinken, je zegt wel dat er maar vijf geboden zijn maar er zijn honderden andere regels die er nog bijkomen.’ Mijn moeder glimlachte, en als zij glimlachte dan leek dat een zon die scheen op een grauwe dag. [...] Zij wist alles in mijn ogen. ‘Luister, je bent nog maar tien jaar. Toen ik zo oud was als jij, had ik deze vragen ook en ik ging naar mijn vader. [...] Om te beginnen hoefde ik helemaal geen hoofddoek op als ik dat niet wilde, daar kwam bij, dat het alles met de interpretatie van de koran had te maken.’
Uit: Uit het dagboek van een dromer (Vertaald door F.J.P. Verbrugge)
“Rome, 10-11 januari Tegen de heuvel is iets ergs gebeurd, een spoorwegongeluk misschien. Midden door dorre takken heen klim ik omhoog, met grote moeite. Er liggen lichamen op de grond, verminkt, verbrand, even beneden de spoorlijn waarop nu in zijn eentje een goederenwagon aan komt rijden die stopt op de plaats van het ongeluk. De wagon lijkt onecht, van karton. Uit de warhoop van verminkte lichamen richten zijn twee gestalten op: een vrouw, in het donker gekleed, mager, jong van lichaam, met een verbrande stomp op de plaats van het hoofd; en zij verwijdert zich samen met een man, eveneens met een hoofd dat veranderd is in een vormeloze klomp kool. Ik identificeer me met de man, ik bèn de man met het verkoolde hoofd, en ik spoor de vrouw aan om naar een plaats niet veraf te gaan waar iets aan de hand is wat ons aangaat. De weg is niet lang, maar zwaar en ongewis door de toestand van de twee, die struikelen over de stenen, elkaar beurtelings op de been houden terwijl ze zigzag voortgaan, en het pad, dat over woest terrein loopt, kwijtraken en weer terugvinden. Tenslotte komen de twee aan (wij komen aan) op een open plek, beschut door dicht en hoog struikgewas. De jonge vrouw zonder hoofd strekt zich uit in het gras, volkomen uitgeput. Ze ademt moeizaam, ze is duidelijk aan het einde van haar krachten. Nu komt er een onheilspellende figuur met een bijl in de hand, een soort groffe, ruige boerenkerel, en zonder een moment te verliezen haalt hij uit en slaat het blad van de bijl diep in de zij van de vrouw. Het probleem van het doden van de vrouw, een daad die niet gesteld had kunnen worden als de vrouw eerder gestorven was, lijkt opgelost. Helaas is het nu míjn beurt. Op dit punt word ik wakker.”
Hier stond ooit een kind bij het veer in een eerder leven, op deze eigenste plek. De dijken waren hoog als bergen, het water stroom én oceaan. Tussen de oevers pendelde de veerboot op de Styx. Je hoefde voor de tocht niet te betalen, de veerman had een eindeloos geduld.
Het kind dat nu hier staat heeft uur na uur de tol vergaard in hongerwinters, afscheidswoorden, morgens van tule, huisvrede, broodkruimels, moederwonden. Als de veerman komt wordt de som gemaakt, bestaat haar naam in het taaie geheugen van water.
Verzwegen gedicht I
Hij bracht de geur mee van het hout dat hij die dag bewerkte, in zijn haar hier en daar nog spaanders, in zijn ogen de donkerte van verre wouden. Hij sprak zo goed als nooit, alleen maar het noodzakelijkste toen een blik niet kon volstaan. Wij vreesden en vereerden hem als God,
bleven in onze kleine woorden steken, hielden de adem in wanneer hij met vereelte duim ons voorhoofd merkte voor de nacht. Wij luisterden gespannen naar de stilte daar beneden, en sliepen met de glimlach in bij het gedroomde zingen van hààr stem.
Zu paaren traben nach den kakerlaken die autos in die arche, cola-dosen nebst plastik-tüten und silastik-hosen. Aus kinderzimmern kriechen gummi-kraken behende auf das deck, recorder beaten, um einlaß bittend. Spuckende computer verdrängen noah hackerisch vom ruder. Das bier büchst aus, die einweg-flaschen mieten als deponie sich das ge-fährschiff an. Und treibt aus einer planke auch ein reis: Ist es gerecht, o herr, daß du uns schonst? Die gülle steigt. Hebt so nur ab der kahn? O herr, verzeih mir, daß ich ahnend weiß: Die sintflut kostet viel. Und ist umsonst.
Stanzen
Gehe ich beizeiten, werd ich bleiben. Stirbt durch nähe eine sehnsucht ab, könnt ich mich durchs beisein nur vertreiben: nie besitz ich die, die sich ergab. Also muß ich sparsam mich verschreiben, mich vergeben so, wie ich vergab: mit bedacht. Das ganze stück für stück.
weil ich stürme, halt ich mich zurück. Weil ich donnre, fliehe ich beklommen, wenn ich höre, daß ich lauter werd. So versichert auf ein wiederkommen, bleibe ich vom abschied unversehrt, schenk mich fort, und werd mir nicht genommen, unbeschwert, daß ihr euch nicht beschwert: ach, der rock bedrückt noch stets das hemd. Nur die nähe macht die nächsten fremd.
“Ancient history. I am surrounded by ancient history. Though the jail in which I rot is new, some of the stones in it, I'm told, were cut in the time of King Solomon. And sometimes, when I look out through my cell window at the gay and brassy youth of the infant Republic of Israel, I feel that I and my war crimes are as ancient as Solomon's old gray stones. How long ago that war, that Second World War, was! How long ago the crimes in it! How nearly forgotten it is, even by the Jews--the young Jews, that is. One of the Jews who guards me here knows nothing about that war. He is not interested. His name is Arnold Marx. He has very red hair. He is only eighteen, which means Arnold was three when Hitler died, and nonexistent when my career as a war criminal began. He guards me from six in the morning until noon. Arnold was born in Israel. He has never been outside of Israel. His mother and father left Germany in the early thirties. His grandfather, he told me, won an Iron Cross in the First World War. Arnold is studying to be a lawyer. The avocation of Arnold and of his father, a gunsmith, is archaeology. Father and son spend most all their spare time excavating the ruins of Hazor. They do so under the direction of Yigael Yadin, who was Chief of Staff of the Israeli Army during the war with the Arab States. So be it. Hazor, Arnold tells me, was a Canaanite city in northern Palestine that existed at least nineteen hundred years before Christ. About fourteen hundred years before Christ, Arnold tells me, an Israelite army captured Hazor, killed all forty thousand inhabitants, and burned it down. "Solomon rebuilt the city," said Arnold, "but in 732 B.C. Tiglath-pileser the Third burned it down again." "Who?" I said. "Tiglath-pileser the Third," said Arnold. "The Assyrian," he said, giving my memory a nudge. "Oh," I said. "That Tiglath-pileser." "You act as though you never heard of him," said Arnold. "I never have," I said. I shrugged humbly. "I guess that's pretty terrible." "Well--" said Arnold, giving me a schoolmaster's frown, "it seems to me he really is somebody everybody ought to know about He was probably the most remarkable man the Assyrians ever produced."
“He nodded. "She's taken labor bad. She's in Egglestan's stables close by Puddle Dock. You'd best find your father and tell him," the woman said, and went away. The boy looked about desperately. "Samuel!" he shouted, but bloody Samuel was off who-knows-where, as usual, and Rob fetched William and Anne Mary from their play. "Take care of the small ones, Willum," he said. Then he left the house and started to run. Those who may be depended upon to prattle said Anno Domini 1021, the year of Agnes Cole's eighth pregnancy, belonged to Satan. It had been marked by calamities to people and monstrosities of nature. The previous autumn the harvest in the fields had been blighted by hard frosts that froze rivers. There were rains such as never before, and with the rapid thaw a high tide ran up the Thames and tore away bridges and homes. Stars fell, streaming light down windy winter skies, and a comet was seen. In February the earth distinctly quaked. Lightning struck the head off a crucifix and men muttered that Christ and his saints slept. It was rumored that for three days a spring had flowed with blood, and travelers reported the Devil appearing in woods and secret places. Agnes had told her eldest son not to pay heed to the talk. But she had added uneasily that if Rob J. saw or heard anything unusual, he must make the sign of the Cross. People were placing a heavy burden on God that year, for the crop failure had brought hard times. Nathanael had earned no pay for more than four months and was kept by his wife's ability to create fine embroideries. When they were newly wed, she and Nathanael had been sick with love and very confident of their future; it had been his plan to become wealthy as a contractor-builder. But promotion was slow within the carpenters' guild, at the hands of examination committees who scrutinized test projects as if each piece of work were meant for the King. He had spent six years as Apprentice Carpenter and twice that long as Companion Joiner. By now he should have been an aspirant for Master Carpenter, the professional classification needed to become a contractor. But the process of becoming a Master took energy and prosperous times, and he was too dispirited to try. Their lives continued to revolve around the trade guild, but now even the London Corporation of Carpenters failed them, for each morning Nathanael reported to the guild house only to learn there were no jobs. With other hopeless men he sought escape in a brew they called pigment: one of the carpenters would produce honey, someone else brought out a few spices, and the Corporation always had a jug of wine at hand.”
“On voit que de ces treize voyages autour du monde aucun n’appartient à la nation française, et que six seulement ont été faits avec l’esprit de découverte; savoir, ceux de Magellan, de Drake, de Lemaire, de Roggewin, de Byron et de Wallas; les autres navigateurs, qui n’avaient pour objet que de s’enrichir par les courses sur les Espagnols, ont suivi des routes connues sans étendre la connaissance du globe. En 1714, un Français, nommé La Barbinais le Gentil, était parti sur un vaisseau particulier, pour aller faire le commerce sur les côtes du Chili et du Pérou. De là, il se rendit en Chine où, après avoir séjourné près d’un an dans divers comptoirs, il s’embarqua sur un autre bâtiment que celui qui l’y avait amené, et revint en Europe, ayant à la vérité fait de sa personne le tour du monde, mais sans qu’on puisse dire que ce soit un voyage autour du monde fait par la nation française. Parlons maintenant de ceux qui, partant soit d’Europe, soit des côtes occidentales de l’Amérique méridionale, soit des Indes orientales, ont fait des découvertes dans la mer du Sud, sans avoir fait le tour du monde. Il paraît que c’est un Français, Paulmier de Gonneville, qui a fait les premières en 1503 et 1504; on ignore où sont situées les terres auxquelles il a abordé, et dont il a ramené un habitant, que le gouvernement n’a point renvoyé dans sa patrie, mais auquel Gonneville, se croyant alors personnellement engagé envers lui, a fait épouser son héritière. Alfonse de Salazar, Espagnol, découvrit en 1525 l’île Saint-Barthélemy, à quatorze degrés de latitude nord, et environ cent cinquante-huit degrés de longitude à l’est de Paris. Alvar de Saavedra, parti d’un port du Mexique en 1526, découvrit, entre le neuvième et le onzième parallèle nord, un amas d’îles qu’il nomma les îles des Rois, à peu près par la même longitude que l’île Saint-Barthélemy; il se rendit ensuite aux Philippines et aux Moluques; et, en revenant au Mexique, il eut le premier connaissance des îles ou terres nommées Nouvelle-Guinée et Terres des Papous. Il découvrit encore par douze degrés nord, environ à quatre-vingts lieues dans l’est des îles des Rois, une suite d’îles basses, nommées les îles des Barbus.”
Louis de Bougainville (11 november 1729 – 20 augustus 1811)
The Widow's Mite door William Teulon Blandford Fletcher, 1890
Het penningske der weduwe Markus XII 41- 44
Al wanklend kwam zij aangetreden, De zwakke vrouw, wier minnend hart Nog bloedde van de versche smart; Want, ach, het was zoo kort geleden Sinds haar een trouwe gade ontviel, De vreugd eens der gebogen ziel. Met wien ze, ootmoedig en tevreden, Het zuur verdiend maar daaglijksch brood, Gekruid door lofzang en gebeden, In vroomheid, liefde en vreê genoot.
En nu? die staf en steun in ’t leven, Haar alles was haar zijde ontroofd, Haar was alleen de zorg gebleven – En biddend boog de vrome ’t hoofd. Want zwijgend in Zijn welbehagen, Die kracht geeft om Zijn last te dragen, Bleef haar, te midden van dien rouw, Een burg, een tent van schaûwrijk lover, Een schat, een heilig erfdeel over ’t Was Isrels God, Jehovah’s trouw.
O wèl haar, –wie Uw liefde sterkte, Gij Man der weduw, vriendlijk God! Die wondren in haar ziele werkte Bij al den weedom van haar lot. Tot U rees in Uw tempelhoven, Haar nooddruft brengende U ter eer, Het loflied van haar ziel naar boven: „Hoe lieflijk is Uw woning, Heer!” Want zij was één dier warmbezielden, Dier heugen uit den ouden stam, Die voor hun God Jehova knielden! In ’t heilgeloof van Abraham!
Ook nu had ze in den heilgen tempel Weer troost gezocht, bij ’t koestrend licht Van ’s Heeren lieflijk aangezicht; Slechts bij ’t verlaten van Zijn drempel Bleef nog een dierbre liefdeplicht: – En zie, met neergeslagen oogen, Beschaamd, verlegen, ’t hoofd gebogen Voor Hem, die al haar nooden wist, Wierp ze alles, wat haar restte in ’t leven, – Verzuchtende of zij meer kon geven! Haar penningske in Zijn offerkist.
Geen Farizeeuw of Schriftgeleerde, Die luid Jehovah’s naam vereende, Wien onder ’t breedgezoomde kleed Een hart sloeg, deelende in haar leed. Te nietig was ze in ’t oog dier grooten, Die de armen uit Gods hemel sloten Geen, die een vniendljk woord haar schonk, Geen blik, die tot haar nederzonk.... Maar ’t penningske was niet verloren! Wat kleen en arm was en veracht In de oogen van een dwaas geslacht, Dat kleene heeft zich God verkoren. En Die ’t getuigde, vrouw, is dáár! Hij rijst in ’t midden van de schaar, Uw offer heeft genaê verkregen! Zijn stem, o zaalge, klinkt u tegen, En ’t woord is eeuwig, trouw en waar;
„Voorwaar, Ik zeg u, de enkle penning Van deze weduwvrouw geldt meer, In ’t heilig oog van d’ Opperheer, Bij wien geen maat is of miskenning. Dan ’t geen heel de offerkist bevat, O rijken, van uw trotschen schat! Den overvloed is veel gebleven, Maar deze heeft, in God verblijd, Haar laatste nooddruft Hem gewijd....”
En de englen hebben ’t opgeschreven In ’t heilig Boek van ’t eeuwig leven, Ga, vrouw, u wacht een heerlijk loon: „Dien penning hebt gij Mij gegeven,” Verklaart Gods eenig groote Zoon.
P. A. de Génestet (21 november 1829 – 2 juli 1861) De Génestetkerk in Delft, waar de dichter als dominee werkte
Amidst the too much that we buy and throw away and the far too much we wrap it in, the bear found a few items of special interest—a honeydew rind, a used tampon, the bone from a leg of lamb. He’d rock back lightly onto his rear paws and slash open a plastic bag, and then his nose— jammed almost with a surfeit of rank and likely information, for he would pause— and then his whole dowsing snout would insinuate itself a little way inside. By now he’d have hunched his weight forward slightly, and then he’d snatch it back, trailed by some tidbit in his teeth. He’d look around. What a good boy am he. The guardian of the dump was used to this and not amused. “He’ll drag that shit every which damn way,” he grumbled who’d dozed and scraped a pit to keep that shit where the town paid to contain it. The others of us looked and looked. “City folks like you don’t get to see this often,” one year-round resident accused me. Some winter I’ll bring him down to learn to love a rat working a length of subway track. “Nope,” I replied. Just then the bear decamped for the woods with a marl of grease and slather in his mouth and on his snout, picking up speed, not cute (nor had he been cute before, slavering with greed, his weight all sunk to his seated rump and his nose stuck up to sift the rich and fetid air, shaped like a huge, furry pear), but richly fed on the slow-simmering dump, and gone into the bug-thick woods and anecdote.
Bedtime
Usually I stay up late, my time alone. Tonight at 9o I can tell I'm only awake long enough to put my sons to bed. When I start to turn off lights the boys are puzzled. They're used to entering sleep by ceding to me their hum and fizz, the way they give me 50¢ to hold so they can play without money. I'm their night-light. I'm the bread baked while they sleep. And I can scarcely stand up, dry in the mouth and dizzied by fatigue. From our rooms we call back and forth the worn magic of our passwords and let one another go. In the morning Sebastian asks who was the last to fall asleep and none of us cares or knows.
William Matthews (11 november 1942 – 12 november 1997)