Naar de inhoud

Romenu

Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
seniorennet.beseniorennet.be

Berichten van 24 september 2010 tot 25 september 2010

Andrzej Stasiuk, Carlos Ruiz Zafón, William Faulkner, Rebecca Gablé

De Poolse schrijver en letterkundige Andrzej Stasiuk werd geboren op 25 september 1960 in Warschau. Zie ook mijn blog van 25 september 2008 en ook mijn blog van 25 september 2009.

 

Uit: Dojczland (Vertaald door Olaf Kühl)

 

„In Stuttgart auf dem Bahnhof gab mir ein alter Mann ein Kalenderblatt: »Freitag, fünfter August zweitausendfünf«. Auf dem Blatt stand ein Zitat aus dem Ersten Buch Samuel: »Du aber steh jetzt still, daß ich dir kundtue, was Gott gesagt hat.« Dann ging er. Ich sah, wie er sich in der Bahnhofshalle entfernte und versuchte, die nächsten zu beschenken. Groß, hager, grauhaarig und langsam inmitten

der hastendenMenge.Manche nahmen es, diemeisten aber wichen ihm aus, so wie man all diesen Verteilern von Handzetteln über billige Pizzas und Ausverkäufe ausweicht.

Ich war den fünften Tag unterwegs und konnte nicht stillstehen. Ich mußte nach Tübingen. Der Stuttgarter Bahnhof erinnerte an den Bukarester Gara de Nord. Es fehlten nur dieWachleute, die dieObdachlosen und Kleber schnüffelnden Kinder vertreiben. Der Rest war sehr ähnlich. So schien es mir. Ich war den fünften Tag unterwegs und mußte nach Ähnlichkeiten suchen, um das Gleichgewicht

zu wahren. Ich mußte in Stuttgart an Bukarest denken, um mir Deutschland bessermerken zu können. Jedenfalls war der Zugang zu den Bahnsteigen sehr ähnlich. Auf dem Gara deNord habe ich einmal eine schwarze Bandana gekauft, deren Muster sich aus Dutzenden kleiner, weißer Skelette zusammensetzte. Die Skelette trieben es in allen möglichen Positionen miteinander. Ich war unterwegs ins Donau-Delta und hatte eine Mütze vergessen, deshalb mußte ich mir die Bandana kaufen. Aber jetzt wartete ich auf den Zug nach Tübingen. Der alte Mann in dem Bahnhofsgedränge

sah auswie der Rufer in derWüste. Er streckte dieHandmit dem Blatt aus, wartete eineWeile auf Reaktionen, dann zog er sie zurück und ging weiter.

Der Zug war überfüllt, so eine Art Regionalexpreß. In ihm waren nur junge Leute unterwegs. Ich war der Älteste. Nach mir stieg ein Typ in Lederjacke ein. Unter dem Arm trug er neue Kennzeichenschilder. Er nahm sein Handy und sprach Serbisch, vielleicht Kroatisch, jedenfalls

irgendwas von dort. Er streckte die Beine aus und redete, redete, redete. Ich versuchte, die Landschaft zu betrachten, doch der Serbe oderKroate lenktemich ab. Er quasselte, als wäre er bei sich zu Hause, als würde die Zeit nicht existieren, als säße er irgendwo im Schatten, würde trinken, rauchen und über die Politik, die Natur der Welt und Autotypen schwadronieren. Draußen war schwäbischer November, und ich fühlte den Sommer des Balkan.“

 

 

 

 744981-92b56e46b46be40b4ac3bac0202337da.jpg

Andrzej Stasiuk (Warschau, 25 september 1960)

 

 

 

 

De Spaanse schrijver Carlos Ruiz Zafón werd geboren op 25 september 1964 in Barcelona. Zie ook mijn blog van 25 september 2006 en ook mijn blog van 25 september 2007 en ook mijn blog van 25 september 2008 en ook mijn blog van 25 september 2009.

 

Uit: De schaduw van de wind (Vertaald door Nelleke Geel)

 

„Nog steeds herinner ik me de ochtend dat mijn vader me voor het eerst meenam naar het Kerkhof der Vergeten Boeken. De eerste dagen van de zomer van 1945 regen zich aaneen en we wandelden

door de straten van een Barcelona gevangen onder een asgrijze hemel, met een waterig zonnetje dat over de Rambla de Santa Mónica stroomde als een guirlande van vloeibaar koper.

“Daniel, wat je vandaag zult zien mag je aan niemand vertellen”, waarschuwde mijn vader. “Zelfs niet aan je vriend Tomás. Aan niemand.”

“Zelfs niet aan mama?” vroeg ik met gedempte stem.

Mijn vader zuchtte, terwijl hij zich verschanste achter het trieste glimlachje dat hem als een schaduw door het leven volgde.

“Natuurlijk wel”, antwoordde hij terneergeslagen. “Voor haar hebben we geen geheimen. Aan haar mag je alles vertellen.”

Kort na de Burgeroorlog had een aanval van cholera mijn moeder van ons weggenomen. We begroeven haar op de Montjuïc op de dag van mijn vierde verjaardag. Ik herinner me alleen dat het de

hele dag regende en dat, toen ik mijn vader vroeg of de hemel huilde, zijn stem brak toen hij antwoord gaf. Zes jaar later hing de afwezigheid van mijn moeder nog steeds om ons heen, een oorverdovende

stilte die ik nog niet met woorden tot zwijgen had weten te brengen.Mijn vader en ik woonden in een klein appartement in Calle Santa Ana, naast het kerkplein. De woning lag direct boven de boekhandel gespecialiseerd in verzamelaarsuitgaven en tweedehands boeken, overgegaan van mijn grootvader op mijn vader – een betoverde bazaar die, hoopte mijn vader, ooit in mijn handen zou overgaan. Ik groeide op tussen boeken, maakte onzichtbare vrienden op bladzijden die langzaam tot stof vergingen en waarvan de geur nog steeds aan mijn handen kleeft. Als kind leerde ik in slaap te vallen terwijl ik in de duisternis van mijn slaapkamer de gebeurtenissen van de dag aan mijn moeder vertelde, mijn wederwaardigheden op school, wat ik die dag geleerd had ... Ik kon haar stem niet horen noch haar aanraking voelen, maar haar licht en warmte brandden in elke hoek van het huis en ik geloofde, met de onschuld van hen die hun leeftijd nog op tien vingers kunnen tellen, dat als ik mijn ogen sloot en praatte, ze mij zou kunnen horen, waar ze ook was. Soms luisterde mijn vader naar me vanuit de eetkamer en huilde stilletjes.“

 

 

744981-9f1e0f35ebacf4fdbda1692f8c44e16d.jpg 

Carlos Ruiz Zafón (Barcelona, 25 september 1964)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver William Faulkner werd geboren op 25 september 1897 in New Albany, Mississippi. Zie ook mijn blog van 25 september 2008. en ook mijn blog van 25 september 2007 en  mijn blog van 25 september 2006 en ook mijn blog van 25 september 2009.

 

Uit: The Bear

 

“There was a man and a dog too this time. Two beasts, counting Old Ben, the bear, and two men, counting Boon and Hoggenbeck, in whom some of the same blood ran which ran in Sam Fathers, even though Boon’s was a plebeian strain of it and only Sam and Old Ben and the mongrel Lion were taintless and incorruptible. He was sixteen. For six years now he had been a man’s hunter. For six years now he had heard the best of all talking. It was of the wilderness, the big woods, bigger and older than any recorded document:–of white man fatuous enough to believe he had bought any part of it, of Indian ruthless enough to pretend that any fragment of it had been his to convey…. It was of the men, not white nor black nor red but men, hunters, with the will and hardihood to endure and the humility and skill to survive, and the dogs and the bear and deer juxtaposed and reliefed against it, ordered and compelled by and within the wilderness in the ancient and unremitting contest according to the ancient and unmitigable rules which voided all regrets and brooked no quarter; — the best game of all, the best of all breathing and forever the best of all listening, the voices quiet and weighty and deliberate for retrospection and exactitude among the concrete trophies — the racked guns and the heads and skins — in the libraries of town houses or the offices of plantation houses or (and best of all) in the camps themselves where the intact and still-warm meat yet hung, the men who had slain it sitting before the burning logs on hearths when there were houses and hearths or about the smoky blazing piled wood in front of stretched tarpaulins when there were not. There was always a bottle present, so that it would seem to him that those fine fierce instants of heart and brain and courage and wiliness and speed were concentrated and distilled into that brown liquor which not women, not boys and children, but only hunters drank, drinking not of the blood they spilled but some condensation of the wild immortal spirit, drinking it moderately, humbly even, not with the pagan’s base and baseless hope of acquiring thereby the virtues of cunning and speed but in salute to them.”

 

 


744981-98d88c6865170b6c60f30790d19f1510.jpg
William Faulkner (25 september 1897 - 6 juli 1962)

In Parijs, 1925

 

 

 

 

De Duitse schrijfster Rebecca Gablé (pseudoniem van Ingrid Krane-Müschen) werd geboren op 25 september 1964 in Wickrath / Mönchengladbach. Zie ook mijn blog van 25 september 2008  en ook mijn blog van 25 september 2009.

 

Uit: Hiobs Brüder

 

“Isle of Whitholm, Februar 1147

„Sieh dich um, du Ausgeburt der Hölle“, knurrte der Mönch. „Wirf einen letzten Blick auf die Welt.“

Unwillkürlich folgte Simon der Aufforderung, obwohl er sich so fest vorgenommen hatte, genau das nicht zu tun. Er blieb stehen, wandte sich um und blickte zurück über die rastlose, aufgewühlte See. Der Wind fuhr ihm ruppig durch die Haare und wehte ihm eine Strähne ins Auge, aber der Junge konnte nichts tun, um sie zurückzustreichen, denn die Brüder hatten ihm die Hände auf dem Rücken gefesselt. Anscheinend fürchteten sie, der fünfzehnjährige, schilfdünne Knabe sei in der Lage, es mit vier gestandenen Benediktinern gleichzeitig aufzunehmen.

Ein Sonnenstrahl brach durch die bleifarbene Wolkendecke und tauchte das Meer und die flache Küste des Festlandes drüben in ein gleißendes, geradezu unirdisches Licht. Simon sah das Heidekraut aufleuchten, und der Turm der Klosterkirche, der eigentlich gedrungen und hässlich war, wirkte mit einem Mal filigran und schimmerte wie Elfenbein. Eine kleine Schafherde graste dicht zusammengedrängt unweit der klösterlichen Obstwiesen. Wie gelbe Wollflocken wirkten die Tiere aus der Ferne. Dann schob sich eine der schweren Wolken vor die Sonne, und das einsam gelegene St.-Pancras-Kloster versank wieder im Zwielicht.

Nicht gerade überwältigend, hätte Simon gern gesagt, um der Welt, die ihn ausstieß, zu bekunden, dass er gut auf sie verzichten könne. Doch nicht einmal zu dieser trotzigen Lüge bekam er Gelegenheit, denn die Brüder hatten ihn geknebelt, damit er sie nicht verfluchen konnte.

Der alte Mönch mit dem Glatzkopf und den weißen Haarbüscheln in den Nasenlöchern, der sich während des Exorzismus’ so in Rage gebetet hatte, dass er irgendwann ohnmächtig zusammengebrochen war, stieß den Jungen mit seinem knorrigen Gehstock zwischen die Schulterblätter. „Vorwärts!“

Simon kehrte der Welt den Rücken.”

 

 

 

744981-df78e174c888ce2b8dd167a49be6966f.jpg
Rebecca Gablé (Wickrath, 25 september 1964)

 

 

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 25e september ook mijn vorige blog van vandaag en eveneens mijn eerste blog van vandaag.

Geschreven door Romenu om 19:57 Reageer op dit bericht

Lu Xun, Patricia Lasoen, Maj Sjöwall, August Kühn

 

De Chinese schrijver Lu Xun werd in 1881 in Shaoxing in de provincie Zhejiang geboren als Zhou Shuren. Zie ook mijn blog van 25 september 2008 en ook mijn blog van 25 september 2009.

 

Uit: My Old Home (Vertaald door Yang Hsien-yi en Gladys Yang)

 

„Our family had only one part‑time laborer. … And since there was so much to be done,

he told my father that he would send for his son Runtu to look after the sacrificial vessels. …

When my father gave his consent I was overjoyed, because I had long since heard of

Runtu and knew that he was about my own age. …

… He was very shy, and I was the only person he was not afraid of. When there was no

one else there, he would talk with me, so in a few hours we were fast friends.

Runtuʹs mind was a treasure‑house of … strange lore, all of it outside the ken of my

former friends. They were ignorant of all these things and, while Runtu lived by the sea, they

like me could see only the four corners of the sky above the high courtyard wall.

(...)

 

One very cold afternoon, I sat drinking tea after lunch when I was aware of someone

coming in. … The newcomer was Runtu. … He had grown to twice his former size. His round

face, once crimson, had become sallow and acquired deep lines and wrinkles; his eyes too had

become like his fatherʹs, the rims swollen and red. …

Delighted as I was, I did not know how to explain myself, and could only say: “Oh! Runtu

— so itʹs you?ʺ …

He stood there, mixed joy and sadness showing on his face. His lips moved, but not a

sound did he utter. Finally, assuming a respectful attitude, he said clearly: ʺMaster!ʺ

 

 

 

744976-de2d90072bbbeb9c08b0e74cac68549a.jpg
Lu Xun (25 september 1881 – 19 oktober 1936)

 

 

 

 

 

De Belgische dichteres en schrijfster Patricia Lasoen werd geboren op 25 september 1948 in Brugge. Zie ook mijn blog van 25 september 2008 en ook mijn blog van 25 september 2007 en mijn blog van 25 september 2006 en ook mijn blog van 25 september 2009.

 

 

Grim Reaper

 

Zag vreemde dingen
langs de weg:

 

U.S. Soldaat in open jeep
met platte helm
en vlaggetjes
met uitrusting alsof
hij ging kamperen
kanonnenloop
in fallushouding

 

Een mens wil zich verdedigen
wil aanvallen en vechten

 

Een boze Jockey,
elleboog uit open raam
van Ford
met paarden in de Van,
sulky en tuig
er op geladen

 

Een mens wil karren
voor zijn paarden spannen

 

En in de weiden
in 't verdorde gras
staan Koeien in de ozon
en wachten op de Boer

 

Een mens wil melken,
wil eten en wil drinken.

 

 

 

744976-c04d165599843d53fc1505be0a0c8d20.jpg
Patricia Lasoen (Brugge, 25 september 1948)

 

 

 

 

 

De Zweedse schrijfster Maj Sjöwall werd op 25 september 1935 in Stockholm geboren als dochter van Will Sjöwall en Margit Trobäck. Ze studeerde journalistiek en grafische vormgeving en ze vond werk als journalist en art-director van enkele kranten en tijdschriften. Van 1959 tot 1961 werkte ze bij uitgeverij Wahlström and Widstrad. Daar leerde zij in 1961 de schrijver Per Wahlöö kennen. Ze trouwden kort daarna en dit was het begin van hun samenwerking als schrijvers. De zorgvuldig geplande misdaadromans schreven ze in de avonduren, als hun zonen Tetz en Jens naar bed waren..
Vanaf het begin was duidelijk dat er tien boeken zouden verschijnen. Ze wilden geen vermoeide schrijvers worden.  De boeken verschenen tussen 1965 en 1975. In 1965 kwam de eerste roman uit genaamd Roseanna en tien jaar later was de reeks voltooid met ‘Terroristerna’.

 

Uit: De man op het balkon  (Vertaald door Cora Polet)

 

„Om kwart voor drie ging de zon op.

Anderhalf uur daarvoor was het verkeer afgenomen en uitgestorven. Tegelijkertijd was het rumoer van de laatste huiswaarts kerende cafe´bezoekers verstomd. De wagens van de stadsreiniging waren langsgereden en hadden hier en daar donkere, natte strepen op het asfalt achtergelaten. Een ambulancewagen was door de lange, rechte straat geraasd. Een zwarte auto met witte spatborden, een dakantenne en het woord POLITIE in witte blokletters op de portieren was langzaam en stil voorbijgegleden. Vijf minuten later was het zachte gerinkel van glas te horen geweest, toen iemand met gehandschoende hand het venster van een etalage insloeg en vlak daarop het geluid van half rennende voetstappen en een motor die gierde in een zijstraat.

De man op het balkon had het allemaal gadegeslagen. Het was een gewoon balkon met ijzeren spijlen en zijkanten van gegolfd plaatijzer. Hij had daar gestaan met zijn armen geleund op het ijzeren hek en het gloeien van zijn sigaret was als een donkerrode stip in het donker te zien geweest. Met

regelmatige tussenpozen had hij een sigaret uitgedrukt, voorzichtig de nauwelijks een centimeter lange peuk uit het houten sigarettenpijpje gepeuterd en deze naast de andere neergelegd. Tien van zulke sigaretteneindjes lagen al netjes op een rij naast het theeschoteltje op het tuintafeltje.

Het was nu stil, zo stil dat het wel een zoele nacht in het begin van de zomer leek in een grote stad. Het zou nog enkele uren duren voor de krantenjongens zouden verschijnen met hun omgebouwde kinderwagens en de eerste werkster naar haar werk zou gaan.“

 

 

 

 744976-0bffc117c6137d4ccae9cecdd67aaaa4.jpg

Maj Sjöwall (Stockholm, 25 september 1935)

 

 

 

 

 

De Duitse schrijver August Kühn, alias Helmut Munch, werd geboren op 25 sep 1936 in München. Kühn doorliep veel gewone en vaak ook ongewone stadia van een arbeiderslevenleven: 1939 in ballingschap in Zwitserland vanwege de joodse afkomst van zijn vader. 1945  terugkeer naar München en secundair onderwijs en opleiding als Oprikschleifer. Na enkele jaren gewerkt te hebben werd hij  volontair bij een Münchener boulevardblad. Er volgde een emigratie naar Israël, hij kwam weer terug naar München, raakte gedeeltelijk gehandicapt na een ernstig ongeluk en werkte in een levensmiddelenfirma. Hij kreeg ontslag wegens zijn inzet voor de ondernemingsraad, vond opnieuw werk bij een verzekeringsmaatschappij en het Statistisch Bureau van de stad München en ten slotte werd hij werkloos. Getrouwd en heeft zes kinderen . Tijdens zijn werkloosheid begon KÜhn boeken te schrijven en hij publiceerde diverse romans over München en haar geschiedenis.

 

Uit: Zeit zum Aufstehn

 

„Fritz, der jüngere Kühnbruder, hatte es besser als Martin und Gustl. Metallpolierer lernte er und nach der Lehre nahm ihn die Lokomotivenfabrik in der Hirschau an. Ungefähr um die Zeit herum, als Gustl sich wegen der Geburt seiner unehelichen Tochter Sophie mit Anni März ein Übermaß an Sorgen

machen musste, lernte Fritz die Franziska Rindlbacher kennen. Schon, weil die noch bei ihren Eltern wohnte, würde ihm so was wie den Brüdern nicht passieren, auf die Franziska wurde von zu Hause aus gesehen, dass sie »sauber « blieb. Martins künftige Schwiegereltern hatten kaum ein Wort darüber verloren, dass die Tochter mit dickem Bauch herumlaufen musste. Als Martin dann noch aus dem Mietstall in die Zweizimmerwohnung der Frankls einzog, sie noch enger machte mit seiner gelegentlichen Anwesenheit, da war für die Frankl-Sippschaft alles in bester Ordnung gewesen. Bei den Rindlbachers käme er da schön an. Er, der Steinmetz Rindlbacher, war mit den Seinen erst vor knapp zehn Jahren in die Stadt hereingezogen, wie es mit dem Bauen hier wieder einen Aufschwung gegeben hatte. Die Guldeinschule war eine seiner ersten Baustellen gewesen und gleich ein paar Häuser daneben hatte er seine Wohnung gefunden, im zweiten Stock über einer großen Schankwirtschaft. Da wirtschaftete er nun »städtisch«, die Tochter ging wegen des nötigen Geldes in die Fabrik, aber auch, weil die dort »aufgeräumt« war. Die strenge Moral hatte der Rindlbacher-Vater noch vom Dorf. Franzi, seine rotblonde, schlanke, lustige Franziska, musste jeden Tag spätestens um

acht Uhr abends zu Hause sein, sonst riskierte sie einen Mordskrach und gesperrten Ausgang von mindestens zwei Wochen.“

 

 

 

 744976-4a7f159a819a924955be6217779522d9.jpg

Augustus Kühn (25 sep 1936 – 9 februari 1996)

Geschreven door Romenu om 19:49 Reageer op dit bericht

Manouchehr Atashi, Herbert Heckmann, William Michael Rossetti, Charles Robert Maturin

 

De Iraanse dichter, schrijver en journalist Manouchehr Atashi werd geboren op 25 september 1931 in Dashtestan, in de provincie Bushehr en groeien op in Teheran, waar hij zijn universitaire graad behaalde en zijn studie en onderkomen verdiende met lesgeven en schrijven. Hij ontving zijn Bachelor diploma in de Engelse literatuur in Teheran. Atashi was nog jong toen zijn gedichten begonnen te verschijnen in de grote Iraanse tijdschriften.  Zijn poëzie is de poëzie van de opstandige krijger van de vernederde zuidelijke stammen. Hij nam zijn werk serieus en hoewel gehecht was aan zijn geboorteland en zijn geboorteplaats hebben zijn gedichten een universele strekking.

 

 

We Didn't Know

 

Had we advanced a bit further

Our path would have perhaps led to the sea,

Our sleep would have perhaps turned into dream.

 

Had we paddled more

Perhaps we would have an agreeable wind,

If we didn't return to the coast,

The water would perhaps have sucked our corpses into the depth.

 

We were neither a rushing river,

To gallop over, obstacles, sharp ends, plains to... the sea,

Neither were we a moat to serve as watering trough for the mangy wolf...

Nor a mangy wolf which is after its carnal desires,

To submit ..... to the secret moment of a cursed death undisturbed.

 

We didn't who called us, when and why? whom we called

and why we joined the path

Or why we were delayed.

....

We didn't know who we were and when we existed,

And who has tied this dog inside ourselves to the chain of our vein,

And when.

 

We don't know who we were and who we are,

Whether our pain was from a wound inflected by a heavenly stone

Or we ourselves are a stinking wound in the body of existence...

...

We didn't know.

 

 

 

 744964-a43a421e24eaf18ab7e11ffefeb3d9a8.jpg

 Manouchehr Atashi (25 september 1931 - 20 november 2005)

 

 

 

 

 

De Duitse dichter, schrijver en literatuurwetenschapper Herbert Heckmann werd geboren op 25 september 1930 in Frankfurt am Main. Zie ook mijn blog van 25 september 2007 en ook mijn blog van 25 september 2008 en ook mijn blog van 25 september 2009.

 

Uit: Geschichte und Trauerspiel (Over „Papinianus“ van Andreas Gryphius)

 

„Was im Trauerspiel stattfindet, ist die Wiederholung eines Geschehenen, dem in der dramatischen

Fassung angesichts des großen Weltenlaufs die Tendenz aufgeprägt ist, mit verbürgter Datentreue die poetische Eloquenz zu verschärfen. Der Schein geschichtlicher Redlichkeit kann jedoch nicht nur als eine rhetorische Figur angesehen werden, mit vorgetäuschter Wirklichkeit mehr Geltung des Dargestellten zu erheischen.

Denn Geschichte wird hier, ohne daß sie erst im Trauerspiel allegorisch umgedeutet werden muß, nur

als das Spiel der Vergänglichkeit angesehen, aus dem nur die auf das Ewige gegründete Tugend sich der irdischen Fessel entledigen kann. Die durch ein persönliches Erleben bestimmte Natürlichkeit, die jeder allegorischen Dichtung abhold ist, hat erst das Geschichtsverständnis aus seinem kosmologischen Milieu verbannt und ihm eine Eigengesetzlichkeit zugebilligt.

Die dichterische Rhetorik, wie man häufig die barocke Manier kennzeichnet, ist nicht einfach mit der reinen Überredungskunst gleichzusetzen, als ob sie ganz in einer Mission befangen und an feststehende Inhalte gebunden wäre. Freilich setzt die Allegorie die Vermittlung einer gemeinsamen dogmatischen Welt voraus. Sie setzt jedoch die Wirklichkeit nicht um, das hieße ja, daß die Welt ursprünglich als Eigenwert gegeben wäre und erst in einer dichterischen Reflexion allegorisch ausgewertet würde. Geschichte wird immer schon als Allegorie mit dem ganzen Apparat an Requisiten und Kulissen begriffen, die das Ewige aus der Vergänglichkeit hervorheben.

Aber gerade diese Maßnahmen heben die Zeit und den Raum auf. Alles Geschehen verkürzt sich zu einem geschichtslosen Argument, wenn auch eine überschäumende Lebensgier zuweilen das asketische Ideal aufzuheben scheint. Diesem Streben nach echtem Glück jedoch geht jede Historizität ab. Papinian kann die Welt nur dann bestehen, wenn er sich ihr entzieht. Seine historische Größe entspringt einzig dem Reservat seiner Tugend, die in äußerster Aktivität gegenüber jeder Anfeindung ihr ungeschichtliches Ideal in dieser Welt heimisch zu machen versucht: Ihr Ziel ist die Aufhebung der historischen Realität.“

 

 

 

744964-3f736e8c760c0d172ef40edf201709ee.jpg
Herbert Heckmann (25 september 1930 – 18 oktober 1999)

„Der Römer“, Raadhuis in Frankfurt am Main

 

 

 

 

 

De Engelse schrijver en criticus William Michael Rossetti werd geboren in Londen op 25 september 1829. Zie ook mijn blog van 25 september 2009.

 

Uit: Life Of John Keats

 

„John Keats was born at the Moorfields place of business on the 31st of October 1795. This date of birth is established by the register of baptisms at St. Botolph’s, Bishopsgate: the date usually assigned, the 29th of October, appears to be inaccurate, though Keats himself, and others of the family, believed in it. There were three other children of the marriage—or four if we reckon a a son who died in infancy: George, Thomas, and lastly Fanny, born in March 1803. An anecdote is told of John when in the fifth year of his age, purporting to show forth the depth of his childish affection for his mother. It is said that she then lay seriously ill; and John stood sentinel at her chamber-door, holding an old sword which he had picked up about the premises, and he remained there for hours to prevent her being disturbed. One may fear, however, that this anecdote has taken an ideal colouring through the lens of a partial biographer. The painter Benjamin Robert Haydon—who, as we shall see in the sequel, was extremely well acquainted with John Keats, and who heard the story from his brother Thomas—records it thus: “He was, when an infant, a most violent and ungovernable child. At five years of age or thereabouts he once got hold of a naked sword, and, shutting the door, swore nobody should go out. His mother wanted to do so; but he threatened her so furiously she began to cry, and was obliged to wait till somebody, through the window, saw her position, and came to her rescue.” It can scarcely be supposed that there were two different occasions when the quinquennial John Keats superintended his mother and her belongings with a naked sword—once in ardent and self-oblivious[14] affection, and once in petulant and froward excitement.”

 

 

 

744964-5591c0dde71cfaa0ff635c4c04d54169.jpg
William Michael Rossetti (25 september 1829 - 5 februari 1919)

Portret door Ford Madox Brown, 1856

 

 

 

 

 

De Ierse schrijver Charles Robert Maturin werd geboren in Dublin op 25 september 1782.  Charles Maturin stamde af van een familie van Hugenoten die hun toevlucht hadden gezocht in Ierland. Hij bezocht Trinity College en werd kort daarna tot geestelijke gewijd. Maturin schreef drie toneelstukken, alle tragedies, waarvan er slechts een een echt succes werd: Bertram (1815) werd met succes opgevoerd in het Koninklijk Theater Drury Lane in Londen. Zijn andere stukken, Manuel (1817) en Fredolfo (1819) deden het minder goed. Zijn horror-romans konden rekenen op meer bijval. Zijn eerste boek, The Fatal Vengeance, dateert uit 1807. Dit werd gevolgd door The Wild Irish Boy (1808), The Milesian Chief (1811) en Women, or Pour et Contre (1818). Zijn bekendste en nog altijd gelezen werk verscheen in 1820 onder de titel Melmoth the Wanderer en wordt gezien als een goed voorbeeld, en een van de laatste, van het destijds in de mode zijnde horrorgenre. In 1824 verscheen nog de roman The Albigenses. Maturins werk wordt ook wel tot de Gothic literatuur gerekend.

 

Uit: Melmoth the Wanderer

 

„John Melmoth, student at Trinity College, Dublin, having journeyed to County Wicklow for attendance at the deathbed of his miserly uncle, finds the old man, even in his last moments, tortured by avarice, and by suspicion of all around him. He whispers to John:

"I want a glass of wine, it would keep me alive for some hours, but there is not one I can trust to get it for me,—they'd steal a bottle, and ruin me." John was greatly shocked. "Sir, for God's sake, let ME get a glass of wine for you." "Do you know where?" said the old man, with an expression in his face John could not understand. "No, Sir; you know I have been rather a stranger here, Sir." "Take this key," said old Melmoth, after a violent spasm; "take this key, there is wine in that closet,—Madeira. I always told them there was nothing there, but they did not believe me, or I should not have been robbed as I have been. At one time I said it was whisky, and then I fared worse than ever, for they drank twice as much of it."

John took the key from his uncle's hand; the dying man pressed it as he did so, and John, interpreting this as a mark of kindness, returned the pressure. He was undeceived by the whisper that followed,—"John, my lad, don't drink any of that wine while you are there." "Good God!" said John, indignantly throwing the key on the bed; then, recollecting that the miserable being before him was no object of resentment, he gave the promise required, and entered the closet, which no foot but that of old Melmoth had entered for nearly sixty years. He had some difficulty in finding out the wine, and indeed stayed long enough to justify his uncle's suspicions,—but his mind was agitated, and his hand unsteady. He could not but remark his uncle's extraordinary look, that had the ghastliness of fear superadded to that of death, as he gave him permission to enter his closet. He could not but see the looks of horror which the women exchanged as he approached it. And, finally, when he was in it, his memory was malicious enough to suggest some faint traces of a story, too horrible for imagination, connected with it. He remembered in one moment most distinctly, that no one but his uncle had ever been known to enter it for many years.“

 

 

 

 744964-d36196f8eb9bccb3bd9f53261dc4f5f2.jpg

Charles Robert Maturin (25 september 1782 – 30 oktober 1824)

Geschreven door Romenu om 19:41 Reageer op dit bericht

Mark Boog, F. Scott Fitzgerald, Shamim Sarif, Fernand Ouellette, Yves Navarre,

De Nederlandse dichter en schrijver Mark Boog werd geboren op 24 september 1970 in Utrecht. Zie ook mijn blog van 24 september 2009.

 

 

Liefde

 

De lucht ligt als een blok op het land,
onzichtbaar en massief.

 

Je gaat gekleed in de kleur van je haar,
in je ogen, je passen en je woorden.
Je bent hier en elders. Ik draag je me na

 

en huiver. Je bent te groot misschien,
of te dichtbij. Je onbereikbaarheid
is onvergeeflijk. Kon ik een vogel zijn –

 

maar de nauwkeurigheid ontbreekt me
zoals het vertrouwen. Ik kijk naar je

 

en huiver. Spreek me aan, want ik zwijg,
verdraag mijn wurggreep, verdraag
de onbeholpenheid, verdraag mij, liefde.

 

 

 

 

Laat de avond vallen

 

Laat de avond vallen, ik,
en hou het huis heel stil zodat ik niet gestoord word -
zolang het schemert kan het misgaan.

 

De vogels zoeken langzaamaan hun takken op,
ik wijs ze die, en sterren tillen zich eruit omhoog.
Heel anders klinkt het razen van de auto's in de nacht!

 

Recht zo die gaat! Het ene zeil door het andere vervangen,
dag door nacht, maar nergens sluimert haperen, niets mokt.
Zolang het dit is wat ik doe gehoorzaamt men glimlachend.

 

Ik hoop maar dat er koffie is, of whisky, als ik
weer de kamer inkom, zeer vermoeid en door het uitblijven
van tegenstand- wat stribbelen zou al genoeg zijn -
vreemd ontmoedigd. Zó gestroomlijnd.

 

 

 

 744229-817c6df184c358af747a2131573a98cb.jpg

Mark Boog (Utrecht, 24 september 1970)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Francis Scott Fitzgerald werd geboren op 24 september 1896 in Saint Paul, in de staat Minnesota. Zie ook mijn blog van 24 september 2007 en ook mijn blog van 24 september 2006 en ook mijn blog van 24 september 2008 en ook mijn blog van 24 september 2009.

 

Uit: The Great Gatsby

 

„My family have been prominent, well-to-do people in this middle-western city for three generations. The Carraways are something of a clan and we have a tradition that we're descended from the Dukes of Buccleuch, but the actual founder of my line was my grandfather's brother who came here in fifty-one, sent a substitute to the Civil War and started the wholesale hardware business that my father carries on today.

I never saw this great-uncle but I'm supposed to look like him -- with special reference to the rather hard-boiled painting that hangs in Father's office. I graduated from New Haven in 1915, just a quarter of a century after my father, and a little later I participated in that delayed Teutonic migration known as the Great War. I enjoyed the counter-raid so thoroughly that I came back restless. Instead of being the warm center of the world the middle-west now seemed like the ragged edge of the universe -- so I decided to go east and learn the bond business. Everybody I knew was in the bond business so I supposed it could support one more single man. All my aunts and uncles talked it over as if they were choosing a prep-school for me and finally said "Why -- ye-es" with very grave, hesitant faces. Father agreed to finance me for a year and after various delays I came east, permanently, I thought, in the spring of twenty-two.

The practical thing was to find rooms in the city but it was a warm season and I had just left a country of wide lawns and friendly trees, so when a young man at the office suggested that we take a house together in a commuting town it sounded like a great idea. He found the house, a weather beaten cardboard bungalow at eighty a month, but at the last minute the firm ordered him to Washington and I went out to the country alone. I had a dog, at least I had him for a few days until he ran away, and an old Dodge and a Finnish woman who made my bed and cooked breakfast and muttered Finnish wisdom to herself over the electric stove.

It was lonely for a day or so until one morning some man, more recently arrived than I, stopped me on the road.

"How do you get to West Egg Village?" he asked helplessly.

I told him. And as I walked on I was lonely no longer. I was a guide, a pathfinder, an original settler. He had casually conferred on me the freedom of the neighborhood.“

 

 

 744229-7facfcd6ae8ef8a0eec28714e9a9284a.jpg

F. Scott Fitzgerald (24 september 1896 - 21 december 1940

Hier met echtgenote Zelda

 

 

 

 

De Britse schrijfster en filmmaakster Shamim Sarif werd geboren op 24 september 1969 in Londen. Haar familie kwam uit Zuidfafrika en is van Zuid-Aziatische afkomst. Haar wortels inspireerden haar om haar bekroonde debuutroman te schrijven: The World Unseen, Daarin verkende zij de kwesties van ras, gender en seksualiteit, die ze later verwerkte in een film met Lisa Ray, getoond op het London Film Festival in 2007. Ze is de winnares van verschillende prijzen, o.a. voor The World Unseen. Voor de roman ontving zij de Pendleton May First Novel Award en de Betty Trask Award.

 

Uit: Despite the falling snow

 

"And yours, how was your work today?" she asks. They walk together to the small sofa and sit down. She likes the warmth of his leg touching hers, feels a stir of desire, but will not, or cannot show it.

"I don't know." His eyes are troubled. "It's not the same since..."

"Since what?"

"You make me look at things in a different way, Katya."

"But I'm proud of you. And your work. Why am I ruining it for you? Because I told you it was your father's path?"

He looks at her for a long time, thinking about the answer. His eyes are still considering when he leans over gently and kisses her throat. She closes her eyes slightly against the pleasurable touch of his lips on her skin, and looking up at her, he catches that moment of release.

"No. Not just that," he continues. "I don't know how to explain. Everything looks new since I met you. It's as though I was sleep-walking through the world up until now. You have sharpened all the blurred pictures that I had in my mind, and now I feel that I see things - or begin to see things - more clearly. I'm not really helping people, Katya. All I can do..."

 

 

 

 744229-40bf08adb0e8a3a7e5e4dc0c946529b4.jpg

Shamim Sarif (Londen, 24 september 1969)

 

 

 

 

 

De Canadese dichter, essayist en schrijver Fernand Ouellette werd geboren in Montreal, Quebec, op 24 septenber 1930. Hij volgde vanaf 1943 klassieke studies aan het College Séraphique de Montreal en behaalde een diploma sociale wetenschappen van de Universite de Montreal in 1952. Vanaf 1955 schreef hij een aantal radio-scripts over Franse en buitenlandse schrijvers voor Radio-Canada. In 1958 werd hij mede-oprichter van het tijdschrift Liberté, en zijn editor-in-chief in 1960. In hetzelfde jaar begon hij met het produceren van culturele programma's voor Radio-Canada, net zolang totdat 1991. Zijn correspondentie met Henry Miller en Pierre Jean Jouve, zijn ontmoeting met Edgard Varèse en zijn reizen in Europa markeren zijn ontwikkeling als schrijver en dichter. Hij won een aantal literaire prijzen.

 

 

Ma tristesse

 

Ma tristesse s’abandonne
à la mer, comme une barque
revient de la mort,
bellement nue
après le voyage.
Comment s’arracher de l’infini
qui me tient aux confins
des ténèbres?
Je tourne parfois sans fin,
comme oublié,
dans le silence de la saison froide.
Tout dérive avec le sang :
le coeur surtout plus noir qu’un poison.
Et je m’étonne d’avoir rêvé,
si près des arbres,
ébloui contre l’amante.
Certes la voix parlait bas,
mais pour mieux pointer sa dague.
Ou chantait désespérément
en brûlant les pierres.
La nuit et la lumière
confondaient leurs pouvoirs.

 

Présence

 

Puissante la lumière mange
l’air du proche horizon,
anime l’érable comme un vitrail
bien nuancé de vert.
L’œil s’exalte, quand
s’accroît l’illumination de ce qui respire.
(La terre est pourtant profonde,
pour les morts
délaissés dans leur croissance.)
Ce matin, pareil à une masse,
rampait le soleil affaibli des jours désolés,
comme s’il buvait un peu à la vasque
du monde :
vaine magnificence, sursaut de célébration,
avant la roue des saisons,
et le silence au ras du sol.

 

 

 

744229-50a0293d25d6d5dee29105ee1749853e.jpg 

Fernand Ouellette (Montreal, 24 septenber 1930)

 

 

 

 

 

De Franse schrijver Yves Navarre werd geboren op 24 september 1940 in Condom. Zie ook mijn blog van 24 september 2008 en ook mijn blog van 24 september 2009.

 

Uit: Romances sans paroles

 

“L'amitié est purement sensuelle. Elle ne choisit pas son sexe. Elle est la même pour tout le Monde. Elle est tribale, d'une tribu qui n'a ni chef ni totem. Aucune morale, judéo-chrétienne ou freudienne, ne l'a récupérée. L'amour n'est que l'institution du péché originel. L'amitié est l'expression du secret individuel. J'adore rompre en amitié. Parce que la rupture amicale est une adoration. La rupture amoureuse, elle, est une blessure qui ne se referme pas. L'artiste ou l'humain y trouvent leur grain. Spectaculaire. Incident. La rupture amicale s'inscrit, dans une continuité. On devient amis ou amies à la vie et à la vie. Laissons la mort, la mort telle qu'on nous la fait vivre dans les églises ou sur les divans, mêmes chapelles, à la fin des histoires d'amour. Il n'y a pas d'amitié spécifiée sexuellement parce qu'il n'y a pas de milieux sexuels. Les "dits" normaux comme les "dits" anormaux sont partout. Indifférenciés. Il n'y a que certaines questions (racistes ?) pour imposer les principes, faux, d'une différence. Et des réponses (racistes ?) qui emploient les mêmes mots d'un jeu absurde. Et évitable.

[…]

 

Une trahison amicale ne se pardonne pas. L'amitié n'est pas du territoire des pardons. Elle n'est pas connue. Elle n'est pas dite. Elle n'est pas distribuée aux autres. Elle n'est pas désignée, annoncée. Ou alors, elle n'est plus. L'amitié, ce n'est pas forcément l'aveu. Le "forcément" est amoureux. L'amour dépouille. L'amitié vêt. L'amitié n'aime pas la syntaxe. Elle est la syncope de l'amour. Elle prolifère sans jamais être sue, avouée.”

 

 

 

 744229-3ef6aa36d2b44a3de948334c9319d38b.jpg

Yves Navarre (24 september 1940 – 24 januari 1994)



Zie voor nog meer schrijvers van de 24e september ook mijn vorige blog van vandaag.

Geschreven door Romenu om 19:38 Reageer op dit bericht

Szilvia Molnar, Alfons Petzold, Charles Ferdinand Ramuz, Hendrik Tollens

De Engels-Zweedse schrijfster en vertaalster Szilvia Molnar werd geboren op 24 september 1984 in Boedapest, Hongarije. Zie ook mijn blog van 24 september 2007. 

 

 

Mine

 

I used to call her My oh my because she was the girl that braided her hair with yours and she was the one that woke up in the morning with grass stains on her ankles and dew on her shoulders.

 

In high school she came up to me and grabbed me by the arm. We walked up the stairs that led to the fourth floor and sat on a bench next to the darkroom. I looked at the long row of lockers and how its locks seemed so pleased being together. She pulled up my sleeve and bit me ’til it left a mark. She left me a scent of giggles and a note on my skin saying: “Now you’ll remember me.”

 

I walked around for five days with a bruise that had the backside of a rainbow and screams of My oh my. I’ve never been so angry before.

 

 

 

744217-2f40357d714747db3af9cf22b9549ac9.jpg
Szilvia Molnar (Boedapest, 24 september 1984)

 

 

 

 

 

De Oostenrijkse dichter en schrijver Alfons Petzold werd geboren op 24 september 1882 in Wenen. Zie ook mijn blog van 24 september 2006 en ook mijn blog van 24 september 2008 en ook mijn blog van 24 september 2009.

 

Uit: Ich mit den müden Füßen

 

“„Dös is da neiche Bua.“

Die zwei anderen blickten mich neugierig an, und einer von ihnen meinte verächtlich: „Seawas, dea schaut wähch aus. A so a Grischpinkerl wüh a Bäck wean!“

Der dritte aber grinste mich freundlich aus seinem blonden Milchgesicht an: „No, no“, sagte er beschwichtigend und saugte dabei an seiner Pfeife, „wos klaa is, is zaach, muaß a denn glei a Ries´ sei? Gflickta, du host äh a net de Muskulatua von an Pflostaragsöhn. I woar aa a so a Kruz und jetzn bin i do scho drei Joah a Vizimischa, der sei Gschäfterl vastähd. Kumm, Klaaner, i wea da glei a Orweit gehm.“

Er zeigte mir nun, was ich zu tun hatte. Die gekneteten Teigstücke mußten in eine Maschine geschoben werden, welche sie in gleich große Teile formte. Aus diesen machten dann die Gesellen an langen Tischen die Semmeln.

Gegen zehn Uhr abends polterten die zwei anderen Lehrbuben die Stiege herunter. Sie waren in der Fachschule gewesen, wie ich aus den Spottreden erfuhr, mit denen sie von den Gesellen empfangen wurden.

Beide Burschen machten sich nun umständlich an die Arbeit. Kaum ein Wort wurde gesprochen; nur ein Saugen an den Pfeifen war hie und da in dem Trommeln des Semmelknetens zu hören.

Zu meinem größten Entsetzen klatschte sich manchmal einer oder der andere die nackte, schwitzende Brust mit einem Teigstück ab, und es war mir nach diesem Anblick lange nicht möglich, eine Semmel zu essen.

Da Auskneten des Kleingebäcks dauerte bis zwei Uhr nachts, dann kam das Brot an die Reihe. Glücklicherweise durften der eine Lehrling und ich uns schlafen legen, da zur Brotbereitung die Lehrbuben erst von einem gewissen Alter an zugezogen werden durften. Die gut organisierten Bäckergesellen wachten streng darüber, daß diese Vereinbarung in allen Werkstätten innegehalten wurde.”

 

 

 744217-b58b43967bc8eac94c3f20c0b5572d9d.jpg

Alfons Petzold (24 september 1882 – 25 januari 1923)

 

 

 

 

 

De Franstalige Zwitserse dichter, schrijver en essayist Charles Ferdinand Ramuz werd geboren op 24 september 1878 in Cully-sur-Lausanne. Zie ook mijn blog van 24 september 2008 en ook mijn blog van 24 september 2009.

 

Uit: Die große Angst in den Bergen (Vertaald door Hanno Helbling)

 

“Der Ammann redete immer noch.

Die Gemeindeversammlung, die an dem Abend um sieben begonnen hatte, war um zehn Uhr noch nicht zu Ende. Der Ammann sagte:

«Das sind so Geschichten. Man hat nie wirklich erfahren, was dort oben passiert ist, und jetzt ist das schon zwanzig Jahre her, eine alte Sache. Das Klarste daran ist für mich, daß wir seit zwanzig Jahren schönes Gras verkommen lassen, siebzig Kühe könnte man den ganzen Sommer lang davon ernähren; also, wenn ihr meint, die Gemeinde sei reich genug, um sich diesen Luxus zu leisten, dann sagt es; aber ich meine das nicht, und ich habe die Verantwortung …»

Unser Ammann Maurice Prâlong war nämlich von den Jungen portiert worden, und die Partei der Jungen unterstützte ihn; aber da war die Partei der Alten.

«Das ist es eben», sagte Munier, «du bist zu jung. Wir hingegen, wir erinnern uns noch.»

Und so erzählt er noch einmal wieder, was sich vor zwanzig Jahren zugetragen hatte auf der Alp droben, die Sasseneire heißt, und er sagte:

«Uns liegt an unserem Gras so gut wie euch, wir sorgen uns so sehr wie ihr um das Gemeindegut; aber zählt das Geld noch, wenn unser Leben auf dem Spiel steht?»

Darüber wurde gelacht; aber er:

«Doch, doch, ich sag’s euch, ich sag’s euch wirklich und sag es nochmal …»

«Nun komm!» sagte der Ammann …

Die Jungen unterstützten ihn weiter, aber die Alten setzten sich immer noch zur Wehr; und Munier:

«Das Leben, sage ich, das Leben der Tiere, das Leben der Leute …»

 

 

 

744217-43b6ba1c4d1957a1c002b16b1020e9b6.jpg
Charles Ferdinand Ramuz (24 september 1878 – 23 mei 1947)

 

 

 

 

 

De Nederlandse dichter Hendrik Tollens werd op 24 september 1780 te Rotterdam geboren. Zie ook mijn blog van 24 september 2007 en ook mijn blog van 24 september 2006 en ook mijn blog van 24 september 2008 en ook mijn blog van 24 september 2009.

 

 

Herfst (Fragment)

 

 

[..]

't Laatste siersel, dat er wast,

Roekloos door elkaar gesmeten,

En in 't voetzand zaamgetast.

Zie! de neergewaaide bladen

Hoogen de overplaste paden,

Waar nu 't kruid verdronken ligt;

Voel! de gure najaarsregen

Snerpt ons uit het noorden tegen:

Lieve! dek uw boezem digt.

't Laatste straaltje dreigt te smoren,

Eer de woudklok avond slaat.

Heeft de hemel 't licht verloren,

Dat zijn blik zoo somber staat?

 

Loom en lustloos neergebogen,

Kruipt en kwijnt de trage dag;

Vaakrig ziet hij rond uit de oogen,

Met een halfgedwongen lach;

Magtloos poogt hij 't hoofd te tillen,

Dat van gloed noch glansen bloost,

En beproeft een blik te spillen,

Die de treurige aarde troost:

o Mistrouw die valsche stralen,

Die het waatrig zonlicht schiet:

Zie! waar ginds die neevlen dwalen,

Treuren de overvallen dalen,

Die gij weerloos plondren ziet.

 

Zie! waar ginds die stormen pakken

En zich vormen voor ons oog,

Tilt het woud zijn naakte takken

Om ontferming naar omhoog.

Hoor! de losgebarsten rukken

Teistren kuif en kruin aan stukken,

En verhaavnen bosch en dreef;

Waar wij de oogen reiken kunnen,

Zien wij 't laatste loof verdunnen,

Dat verstorven hangen bleef.

 

 

 

744217-5e478d8000d1ec316504e25fc17415fc.jpg
Hendrik Tollens (24 september 1780 -21 oktober 1856)

Geschreven door Romenu om 19:31 Reageer op dit bericht

Meer van Romenu

↑ Terug naar de berichten