Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht
in een lade
wat niet gelezen wordt, is niet
geschreven: man en vrouw, wrede
en lieflijke dieren vlees geworden
in de vormen van het woord
neem dit landschap in je op
zijn nevel van witregel, het stroomt
van kantlijn naar kantlijn, welft
en wentelt in leesteken, lettergreep
hoor de verpozing, de trilling
in de stilstand waar de zin
aarzelt: zal hij zwijgen, spreken,
betekenis dragen als een bult
op zijn rug of los laten alles
wat betoogt en verwijst
lees, kleed deze woorden
in je verbeelding: naakt
kwamen ze ter wereld, bloot
gaan ze dood als geen mond
geen innerlijk praten
ze beademt, beaamt
dit is mijn woord dat jou
gegeven wordt: drink het,
eet het, schrijf het over,
schrijf het mee – het ontstaat
niet eerder dan jij het leest
veerpont


uit Van Toen en Thuis
veerpont
men moet weten waar de veerpont is,
de monding waar alle boten verdwijnen
in de schemer
men moet gezeten hebben
naast de veerman, geluisterd
naar zijn verhaal:
wie hij op moest halen en wanneer
hoe jong ze waren hoe getekend
door hun dagen
veel moet men niet vragen:
als de veerman zwijgt, praat de rivier
pruttelt het riet langs de rivier
wanneer het in zijn hoofd op komt
mag je even overnemen:
stop het muntje onder zijn tong
of leg het op zijn ogen – de roeispanen
pletsen op het water, maken de vogels
wakker die zich graag verborgen houden:
geluiden die door de nevel gaan
als nauwelijks hoorbare kreten
doe het bij nacht bij giertij
het spant je spieren en je voelt weer
dat je leeft al heb je amper adem -
drijf dan uit en luister, het is jouw
beurt nu en de meester spreekt
want een veerman is geleerd
weet meer dan boeken: hij kent verhalen,
regels die de dood hem onderwezen heeft
kom, ga zitten naast de veerman
beluister hoe alle geluiden
scheren over het water terwijl
de buik van de aarde ademt en beeft
duivenmelkers


uit Van Toen en Thuis
duivenmelkers
wilt ge iets doen voor nonkel Sjarel,
vroeg die lieve tante Alice:
zijn duiven moeten op gelaten
en hij geraakt niet meer zo ver
‘zo ver’ ging tot aan de Rode Lieve Vrouw
waar het veld nog wijdopen lag, de kapel
diende alleen maar voor heiligschennis
door verboden koppeltjes ’s nachts
die huiverden: ooit stond daar een galg
hij was stroef, nonkel Sjarel,de hartlijder,
een huzaar te paard bij het leger, nu zat hij
in een tenen zetel,
waardig en bars, een gevangen tsaar
de keef moest onder twee snelbinders
want een duif verschiet zo gauw
ik nam die zenuwbeesten
in alletwee mijn handen -
heel even stond ik als een priester
bij de offerande, gooide ze op in het ijle,
volgde met mijn bijziende ogen
hoe sierlijk ze scheerden over de stomp
van onze Grote Napoleon
veel heb ik nooit begrepen
van de geheimtaal op de til –
met Nieuwjaar kwam neef Franske,
de kleermaker uit de Nieuwelaan,
hij vergat zijn bochel luidop peinzend
aan Barcelona en Bordeaux
vader deed mee aan het gepoch op eigen kweek
maar ik wist alleen met zekerheid
dat zijn duiven smaakten als de beste,
gestoofd met pruimen en ajuin
soms mocht ik mee naar het lokaal
ergens ver in de Kaaldries: vader zat
gebogen over tabellen: een rekenwonder,
geen ander kon zo tellen
ik ging onder in het gekoer, geroezemoes,
de dichte nevel van tabaksrook:
blond schuim druipt van elke mond
of die nu stoeft of ontgoocheld fezelt
ze schoven aan met hun constateur,
de blokjesdoos waaruit de papieren roulette
werd geplukt: hun geluk hing af van seconden -
hoewel, ik had het al zo vaak gezien
dat zij veruit het gelukkigst waren
met die warme vogels tegen hun buik
de vleugels open gespreid als een handvol kaarten
ze lazen hun toekomst in de veren,
vergaapten zich aan de paarse en koperen glans
op een blauwgrijze pluim
zoals dikkere heertjes met een zakhorloge
staren naar de gekruiste benen van een vrouw
een uitdagende om twee seconden van te dromen
goed wetend: makker, dat is geen spek voor uwen bek,
trakteer een trappist en doe niet flauw
rederijkersreferein voor J.T.
- na ‘Kwartet’, over voorbije glorie –
er is geen goeie ouwe tijd
wanneer men alleen nog óm kan zien
met dwaze trots of droeve spijt
een heup die kwakkelt bovendien
er was een goeie jonge tijd
toen we door de dagen raasden
de harten hoog, de aders wijd
daden waarmee we onszelf verbaasden
er is geen goeie ouwe tijd
zie de nubiele dochter bij de buren
hoe ze onze schorre groet vermijdt
een vinger opsteekt naar ons gluren
er was een goeie felle tijd
toen demonen tot ons kwamen
goden samen die slempten, praalden
met hun gore majesteit
dat was de goeie bonte tijd
toen we beurs ontwaakten
as verstrooiden op tapijt, woorden
schreven die de droom genaakten
maar geen goeie zo oude tijd
zo’n tandeloze, voorstanderloze:
de oppas heeft aan ons het schijt
in een buidel die ons doet blozen
Prince, bespaar mij dit afgrijzen:
zo’n spiegelbeeld dat kwijlt en kwijnt
maak dat onze wegen scheiden
dat één van ons op tijd verdwijnt
moe en moedeloos
Moe en moedeloos word je ervan. In De Morgen van vandaag pakt Yves Desmet uit met een bloemlezing van de mails die bij Yves Leterme reeds zijn aangekomen. De bedoeling van deze bloemlezing is duidelijk: de stormram van DM wil het initiatief van Leterme ten allen prijze belachelijk of verdacht maken.
Nu is daar wel iets voor te zeggen, als je de reacties leest: 'Al zijn kazernes geen heropvoedingsscholen, onze jeugd zou er zeker een levensles aan overhouden en leren dat niet alles kan.' Deze schrijver is wellicht vaak bedreigd geweest met het cachot. Nog maar 60 jaar geleden heeft ons deel van de wereld ondervonden wat voor levensles er bij het leger te rapen valt: 'Befehl ist Befehl', prent dat maar goed in je jongenskop en je voert alles uit zonder je verder nog vragen te stellen.
Wat er aan meningen leeft onder onze bevolking is een wirwar van tegenstrijdige visies, vaak een schreeuw om meer wet en orde, en helemaal geen visie maar een oprisping. Moe en moedeloos word je ervan. Soms kun je zodanig veel begrijpen dat je niets meer begrijpt, dat je de greep verliest op je eigen overtuiging, op de aanstormende feiten. Onze bevolking is duidelijk in de war, voelt zich onzeker en bedreigd. Zou het ook anders kunnen met al wat er dagelijks op de lezers en kijkers afkomt? Wanneer gaan de producenten van nieuws en vermaak eindelijk beseffen dat ze bezig zijn de geesten ziek te maken? Ziek van angst en onmacht tegenover een vreemde, bedreigende wereld.
Terwijl je vandaag op de frontpagina van dezelfde krant net zo goed kunt lezen dat studenten van Leuven zich gaan inzetten voor de kinderen van kansarmen om hun prestaties op school te verbeteren. Zou de bevolking niet rustiger ademen en klaarder denken, mocht dit soort berichten wat vaker worden verspreid?


uit Van Toen en Thuis
het leven het is niets, zegt ze – Leonard Nolens
dit was, ongeveerman, je droom:
de schone hoge vlucht
van een buitengewone vogel,
de soort die veren laat
die men in kasten wil bewaren
en dit is de vaart die je hebt volbracht:
zonderling van het straatje, dorpsgek
die een verloren avond even dorpsheld
werd verhalen vertellend
die opschoten tussen het koren
en de brandnetels van het dorp
geen paaltje draagt een bord
met je koperen naam erop, geen baken
in de rivier van het vergeten:
geen kind zal stralen
als een toren in de nacht
omdat het naar jou werd vernoemd
is dit een treurnis om een omfloerste
trom bij te roeren in een droeve stoet?
het trieste is een straatje dat een rijbaan
werd, plankieren met tafels, alle deuren
op een kier, de kaarters in de zoele avond
de komméren aan de gang, de kinderen
opgegaan in een spel dat een lange zomer
omspant zoals een koord, een haastige hand
een broek ophield -
je droom werd een verleden:
een plaasteren beeldje in een straatkapel
en heel het straatje zit geknield -
er rijdt geen fiets voorbij
nergens hoor je al
de motoren van het niets
meer over vrt en co
Onlangs verklaarde de chef informatie van vtm dat een nieuwsmedium zijn klanten moet bedienen, aanbieden wat de kijker of lezer wil zien of lezen.
Dit is onzin. Een nieuwsmedium is geen stuk koperdraad dat zonder beïnvloeding een signaal doorgeeft: elke krant, elke zender maakt een keuze; elk medium plaatst het ene bericht vooraan, het andere achteraan, aan het ene besteedt men 100 seconden, aan het andere 10 etc
Het afwijzen van de eigen verantwoordelijkheid is laf en leugenachtig: de pers wordt in onze democratie terecht de vierde macht genoemd, laat ze dan ook de consequenties van deze machtspositie dragen. Wanneer de vrt van de moord in Oostende een dagelijks feuilleton maakt, dan wordt de kijker meegesleurd in de overtuiging dat dit feit de belangrijkste gebeurtenis van de week is. Gisteren was er enige aandacht voor de armoede in België: stel je voor dat hiervan een feuilleton zou worden gemaakt, dat week na week hierop gehamerd zou worden, zouden onze politici zich dan niet verplicht voelen om deze schande bij hoogdringendheid aan te pakken?
De pers als waakhond van de democratie: Zola heeft er gebruik van gemaakt, vandaag worden heel wat persorganen geleid door poenscheppers en opportunisten: verkopen of kijkers lokken is hun opperste doelstelling, wat ze onder de bevolking aanrichten zal hen een zorg zijn.
film op de vrt
uit de ark van Pessoa
1.
Ik ben ene plebejer van de eerzucht omdat ik probeer te verwezenlijken; ik durf het zwijgen niet aan, als iemand die bang is voor een donkere kamer.
2.
Als ik een grote liefde zou beleven, zou ik die nooit kunnen vertellen.
3.
Ik moet schrijven alsof ik strafwerk maak.
4.
Ik schrijf terwijl ik mezelf wieg, zoals een gekgeworden moeder haar dode kind.
5.
De gevoelens die het meeste pijn doen, de emoties die het ergste kwellen, zijn die die absurd zijn - het hunkeren naar onmogelijke dingen, het heimwee naar wat nooit is geweest (...)
6.
Al wat wij nastreven, streven we na vanwege een ambitie, maar we bereiken niet wat we ambiëren en dan zijn we arm, of we denken dat we het bereikt hebben en dan zijn we rijke dwazen.
7.
Het gemaakte werk is altijd de groteske schaduw van het gedroomde werk.
8.
Landschappen, zo schitterend als schilderij, zijn gewoonlijk onprettig als bed.


uit Van Toen en Thuis
molendorp
lees het boek
met de verdwenen namen:
de Fikken in de Peirdestraat,
een grondzeiler die olie maalde
en droge granen, de Snuifmolen
in de Noordstraat, hier haalde
een brouwerij haar mout
bekijk het woud van peperbussen
in een Breugels landschap, kwam
jouw stap, echt waar, daar dagelijks
voorbij?
bij het veer van Sombeke
tegen Laerebeke’s schoor
op de schans der heren van Garsse:
al die namen zingen in een zinkend koor
lees het boek en stijg als een klamper
op de wind, staar de vergeten wieken na,
het dorp dat wentelt
de paarden, de ezels met gebogen hoofd,
de boom van hun rosmolen schrijft
als een vinger in het zand
en hoog op een heuvel wervelt een beltmolen
gewichtloos als een klamper, drijft de spot
met hun kleverig zweet
de staakmolen ‘ten oosten van de Kele
van de Rate’ met hoge boten op de kalme
Durme: hoe leeg en vredig is dit land
‘groot 1 vaetsaet 30 roeden’
nederig zijn de namen: het Grouwelgat
van de laatste kruimel, denk er magere
handen bij die aren lezen op een vlakke akker
wanneer de boer een slapende damp is,
weggedeemsterd in de schemer
bij het veer van Sombeke
tegen Laerebeke’s schoor
op de schans der heren van Garsse:
al deze namen zingen in koor
leer uit het boek van verdwenen namen
het ruisen van ons molendorp, sjofel, levensecht,
hoor de ratel van ons verleden: de Grote Napoleon
was geen keizer maar een knecht
viola odorata


viola odorata
waarom spreek je met een
tegenstem: praat als het maartse
viooltje, paars en geurig en
nauwelijks boven het gras
het komt op anders kijken
aan, ter hoogte van een koolmees
een viola odorata, aders
van lila onder een huid van violet
leer het onderscheiden aan
de vele tonen in één teint
zoals vrouwen verschuiven
langs de boog van de dag
een viooltje lijkt een vulkaan
als je verwondering groot
genoeg is, het gaat om
een geschikt orgaan, een oog
gevoelig als een wonde
een open fontanel en door
je schedel vloeit een melkwit
licht, elke schaduw zo
helder als een openbaring
praat met een pro-stem
bevestig de aarde onder
je voet en wandel: jouw
wegen zijn oneindig
Pessoa

uit Het boek der rusteloosheid van Pessoa (uitg. AP, privé-domein)1.
Ieder van ons is meerdere anderen, is velen, een uitgebreide reeks zichzelven.
2.
Uiteindelijk blijft van vandaag wat er van gisteren is gebleven en wat er van morgen zal blijven: de onverzadigbare en eeuwige begeerte altijd dezelfde en een ander te zijn.
3.
Ik ben het levende podium waarop verschillende acteurs lopen die verschillende stukken spelen.
4.
Heimwee! Dat heb ik naar wat niets voor me betekende, omdat ik bang ben voor het vluchten van de tijd en lijd aan de ziekte van het geheim van het leven. Wanneer ik gezichten die ik gewoon was te zien in mijn straten van alledag niet meer zie, word ik bedroefd, terwijl ze toch niets voor mij betekenden, behalve dat ze symbool stonden voor het hele leven.
5.
Al wat ik doe, al wat ik voel, al wat ik leef, zal niet méér zijn dan een voorbijganger minder in de alledaagsheid van de straten van een of andere stad.
6.
Ik verschans mij achter mijn bureau als in een bolwerk tegen het leven.
7.
Ik woon mezelf bij in de verschillende vermommingen waarin ik leef.
8.
Ik heb grote ambities en grootse dromen gehad - maar ook de bode of naaister heeft die gehad, want iedereen heeft dromen: wat ons doet verschillen is de kracht om ze te verwezenlijken of het lot waardoor zij zich via ons verwezenlijken.
9.
Wie van ons kan, wanneer hij zich omdraait op de weg zonder terugkeer, zeggen dat hij hem is gegaan zoals hij hem had moeten gaan?
10.
Slapen, ver weg zijn zonder het te weten, liggen, vergeten met het eigen lichaam; de vrijheid kennen onbewust te zijn, een schuilplaats hebben als een stil vergeten meer tussen bladerrrijke bomen, in de uitgestrekte eenzaamheid van de bossen.
lof der zotheid
Waar halen sommige journalisten toch hun waarheid? In De Standaard van zaterdag beweert Karel Michiels in zijn opstel over Bobbejaan Schoepen dat Roy Rogers door Schoepen werd ontdekt en in Vlaanderen totaal onbekend was: ‘niemand kende Roy Rogers in die tijd’ (de jaren 1950). Hallo, niemand? Wij zagen in de Hamse Jamba die zingende cowboy in zijn smetteloos witte pakje elke zondag, onder het waakzame oog van onze onderpastoor.
En daarna volgde de hoofdfilm met John Wayne, Laurel en Hardy, of een oorlogsfilm met gruwelijke moffen en krankzinnige jappen.
Vrijdagavond in Morgen Beter stelt Karl van den Broek (hoofdredacteur van Knack) dat de jongeren van 16-18 jaar ‘vandaag veel intelligenter zijn dan 20 jaar geleden’.
Heeft die man daar onderzoek naar gedaan of een wetenschappelijk onderzoek gelezen? Mijn klasgenoten in de Normaalschool van 1966-’67 waren minstens zo intelligent als mijn leerlingen van nu. Het verschil zit hem voornamelijk in de mondigheid: wij werden vooral verzocht onze mond te houden - vandaag worden leerlingen aangespoord om juist het tegendeel te doen: leer discussiëren, kom voor je mening uit. Maar zelfs in deze tijd kan je het meemaken dat de meest begaafde van de klas het meest gesloten karakter heeft en zich nauwelijks mengt in de klasgesprekken. Intelligentie betekent dat je twee keer nadenkt over je argumenten en in die zin is de hoofdredacteur van Knack niet bijster intelligent. Tenzij hij denkt aan zijn toekomstige klandizie.
Nog dommer echter is Quicky, de tot staatssecretaris omhoog geschoten windbuil uit Kortrijk: die man wil nu weer de verplichte rustdagen voor zelfstandigen afschaffen, tegen de wil in van de meerderheid in die sector. Bij alle debatten over actuele problemen wordt het belang onderstreept van het gezin – in welke vorm dan ook. Maar voor zelfstandigen en winkelbedienden geldt deze wijsheid niet, die hebben volgens een liberaal genie als Quickie geen behoefte aan een gezinsleven, hun kinderen kunnen hun ouders best permanent missen: de klant is koning en de klant wil op alle dagen en op elk uur van elke dag kunnen kopen en consumeren. Heeft zo’n apostel van de individuele vrijheid al ooit bedacht dat de vrijheid van de ene de onvrijheid van de andere inhoudt? Nog afgezien van deze vraag: hoe leeg moet een mens wel zijn dat hij/zij alleen met ‘shoppen’ z’n vrije tijd kan vullen?Soms keer je terug naar een vroeger niveau van functioneren: op de ‘autoschouwing’ vraagt de controleur om je knipperlichten aan te zetten en je schakelt je ruitenwissers aan; hij zegt: ‘duw op de rem’ en je drukt het gaspedaal in. Kortom, een man van bijna 59 gedraagt zich als een puber met plankenkoorts. Je fluistert: ‘het is hier een tochtgat,’ en de jongeman in zijn grijsblauwe stofjas straalt omdat er nog iemand is die opmerkt dat zijn gezondheid op de proef wordt gesteld. Een tip voor toekomstige zenuwpezen: sla een uiterlijk rustig amicaal toontje aan, dat je hartslag in het rood staat hoeven de tovenaars van de controleapparaten niet te weten.
‘Ook een soldatenhart is niet van steen’…
Zo klonk het refrein van een tophit in de jaren 50.
hypocriete lessen
reacties op leterme in de standaard
vlinders


uit Een stuk of wat
vlinders
hij weet niet wat hij aan moet
met dit wezen
zij loopt zijn kamer in
haar lichaam een korf vlinders
ze licht het deksel op
volgt een verhaal van vleugels
en huid is maar om op te schrijven
huid is alleen een uitvlucht
voor trillen dat niet stil wil zijn
dit is geluk, zegt ze, het laat zich kennen
als raaskallen, drukte van insecten
met tevelen in één zwerm
zoals haar ogen hem bekruipen
hun kuifje schuiven tot hij huivert
hij weet niet meer
hoe hij het heeft
zoals zij hem heeft: lief
en wat hij van haar houdt
van haar overhoudt: licht
als soortelijk gewicht van woorden
nog onafscheid


uit Een stuk of wat
nog onafscheid
’s avonds ben je d’r, lig ik samen
met een zacht verleden
daar komen tranen van
en zaad soms
het is een steen die mij laat stromen
overdag vergeet ik veel
dan rol ik als een kei
en jij een helling
die ik gezwind ontwijk, wind gelijk
tegen het donker loop ik leeg
een kalkbel zonder ei
zonder eigen want geen ander
die mij eigen is – ergernis, heilige mis –
’s avonds lig je d’r, ben ik samen-
gevat als een verhaal in te weinig woorden
als een steen in te moe metaal
als breken dat jij onherstelbaar hebt begrepen

