Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht
Saeftinghe
Saeftinghe
de klok in de toren nog
schuin in haar schommeling
het slib over het dorp
je waadt door de kreken
zoekt naar asters op de
schorren, verliest een schoen
wanneer opeens de vloed
door de slikken spoelt
je hoort de toren onder
de zuigende muil, de klok
die schommelen zal droom
na droom en jij op zoek
alsof een gezicht verdween
uit een spiegel, je ziet het
blanke been, de kaken
gesperd: hoe lagen ze
toen de golven kwamen
de klok in de toren
klepte als een vogel
in een slagnet, welk geluid
maakt een dorp onder
je slorpende stap
welk geluid uit een huis
onder asfalt, van een speelplein
onder een snelweg, naar welke
stem keer je terug en elke stap
een echo, elke lettergreep
wat een gelui
wat voor geluid
Singhet ende weset vro
‘De harmoniums dreunden onder het biologielokaal,’ schrijf je in een reactie op een artikel in De Standaard. Daarin wordt een muziekspektakel besproken gebaseerd op een boekje dat jij ergens bewaart naast je oude blokfluit.
Zowel op de vrt als in deze ‘kwaliteitskrant’ wordt het gedramatiseerde recital aangekondigd als een ode aan de samenzang, vrolijk en onbekommerd.
Voor jou staat deze verzameling Vlaamse liedjes symbool voor zeven jaren Bisschoppelijke Normaalschool in Sint-Niklaas. Dat was in de ‘golden sixties’, de era van verruiming van de geesten toen in Parijs op de muren werd gespoten: ‘de verbeelding aan de macht’ en ‘verboden te verbieden’.
De Normaalschool was precies het tegendeel, zij leverde een degelijke intellectuele vorming en tegelijk een dressuur in de ultramontaanse bekrompenheid. De samensteller van het liedboekje, Ignace de Sutter, was er een merkwaardig buitenbeentje. Hij kwebbelde en kwijlde, de leerlingen op de eerste rij kwamen nooit droog achter hun oren de klas uit, droog in hun gezicht evenmin. Het ging over zijn vrienden van boven de Moerdijk, Jan Wit, een dominee en dichter van kerkliederen met wie de Sutter dacht een oecumenische voorhoede te vormen. Vriendschap met een ‘ketter’ beschouwde hij als een roekeloos avontuur en over zijn ontmoetingen met Jan Wit en Guillaume van der Graft en anderen vertelde hij alsof het ging om een vervolgverhaal van Winnetou en Old Shatterhand. Op het einde van het jaar hadden we amper vier kantjes vol gekrabbeld in ons kleine notitieboekje, meestal zaten we welwillend te luisteren en lachten, schaterden soms. Dan haalde hij een immense witte zakdoek uit zijn wijde mouw en veegde zijn afhangende onderlip af met een gebaar alsof hij heel de wereld wou zegenen. Hij leerde ons samen zingen en blokfluit spelen. We mochten zelfs een hitparade samenstellen: ‘Zingt Jubilate voor de Heer, vogels en vissen, licht en water’ plaatsten wij op nummer één.
Eén keer legde hij een langspeler op: een enkele beweging uit Mozarts Kleine Nachtmuziek, en één keer dook de superintelligente priesterleraar godsdienst op om een recital tenorblokfluiten ten beste te geven met de Sutter als begeleider op de piano: Corelli, de zonen van Bach. Jij keek rond en zag de open mond van je vrienden, je zag de glans van de honger die eindelijk iets kreeg voorgeschoteld waar we zolang op hadden gewacht.
Zingen deden we in de maandelijkse mis en de internen iedere morgen in de viering van zeven uur. Eén keer was jij daar misdienaar en één keer gebeds- en zangleider. Je ziet nog altijd de blonde atletische voetballer van Nevele die aan de overkant van het altaar met de belletjes zwaait en je weet niet of dat een teken is om te knielen of om op te staan, je ziet het gezicht van de celebrant, onze zeer eerwaarde heer directeur, aan wie je vraagt – wijzend op de kannetjes met wijn en water -: ‘ik zal deze ook maar meenemen, zeker?’ De priester staat met de armen wijd geheven en wil aan het Sanctus of een ander lofgebed beginnen, hij kijkt alsof er plots een naakte heidense priesteres voor hem staat. Je ziet de kapel van op de kansel, de subregent Napoleon met zijn rode biet van een kop: zelfs die geheime agent van recht en orde kan zijn proesten niet voor zich houden wanneer jij alweer een liedje opgeeft dat reeds gezongen is.
Dat was de Normaalschool: een dril vergelijkbaar met een kazerne waar ‘elitetroepen’ worden opgeleid, de negatie van openheid, ruimte voor creativiteit en eigen persoonlijkheid. In de grote hal onderaan de trap hing een gigantische collage: ‘de Normaalschool zendt zijn zonen uit’. Het was een wereldkaart met de namen van afgestudeerden die door een papieren navelstreng werden verbonden met een land ‘in de missies’. De oudste broer van je vriend Raoul stond daar eerst ook bij, later niet meer toen deze priesterarbeider al te duidelijk de linkse kant opging en koos voor zijn eigen versie van de bevrijdingstheologie door met een Boliviaanse te trouwen.
Na je tweede kandidatuur Germaanse ging je op een vrijdagnamiddag je jongste broer ophalen die daar toen in het eerste en voor hem laatste jaar zat. Je moest je aanmelden bij het secretariaat waar de bonenstaak van een subregent, Van Impe , lid van de katholieke filmliga die zo graag uitpakte met al de blote borsten die hij weer eens had moeten bekijken, bijna achterover viel toen hij je studieresultaten hoorde: ‘zie je wel, we hadden er nog meer moeten achter zitten.’
Je dacht aan al de keren dat hij in de studiezaal achter je kwam staan en het onkruid in je nek probeerde te wieden omdat je weer niet stil kon blijven, aan al de speelplaats- en refter-
reglementen die je had moeten overschrijven, aan die ene keer dat je had geweigerd en voor straf op woensdagnamiddag moest achterblijven en mee op wandel met de internen alsof dat een straf betekende: je zag de volkstuintjes en dreven rondom Sint-Niklaas die je anders wellicht nooit had gezien.
‘Het is vandaag niet gemakkelijk om leraar Nederlands te zijn,’ ging Van Impe verder, ‘behalve als je Paul de Wispelaere heet, natuurlijk, en er iedere keer sperma uit je pen komt…’
Het beeld springt over naar een van je lievelingsleraars, de priestergodsdienstleraar van Hecke, die in het derde jaar tijdens de ‘goede week’ een petieterig boekje mee bracht waarin volgens hem de wetenschappelijke beschrijving stond van het lijden van ons heer. Hij las voor hoe de doornenkroon met een stok in Jezus’ voorhoofd werd geslagen en plots keek hij ons een voor een aan: ‘en zeggen dat wij voor een paar seconden van genot opnieuw met die stok op die doornen slaan en onze lieve heer zo’n pijn doen…’
Je ziet nog altijd al die zwijgende gezichten van veertienjarige jongens, sommige blozend, andere met een sfinxachtige glimlach, allemaal grondig vertrouwd met de stok. Op wie zijn deze woorden afgeketst zoals alle morele oordelen afketsten op gepantserde geesten, bij wie hebben ze een kras op de ziel nagelaten die nooit genas?
Wat de Normaalschool teweeg kon brengen heb je vorig jaar vastgesteld toen je na ongeveer 35 jaar je vroegere mentor nog eens opzocht in Antwerpen, de voorbeeldige onderwijzer in het blo: ooit was deze drie jaar oudere man jouw goeroe en nu hoorde je een benepen buur van ‘nieuwe Belgen’ die geen kranten meer las, geen boeken en op je kritische opmerkingen reageerde met: ‘gij kunt dus geen gezag aanvaarden…’
Daar ging het om in de jaren zestig in onze school die rondom een vierkantige speelplaats stond als een hoge gevangenis: volgzaam, braaf en gehoorzaam zijn. Van de wereld niet meer weten dan nodig om op zondag de gelovigen te leiden bij hun samenzang. In het laatste jaar vroeg onze leraar Nederlands een paar namen te noemen van ministers: welgeteld één van ons kon twee namen opsommen, de anderen zaten onder hun bank van schaamte.
Zo kom je terug bij Ignace de Sutter, bij een scène die je verwonderde én schokte. Uit de kweekschool van Torhout was een Vlaamsgezinde interne overgekomen die op een dag de muziekklas binnen kwam met een geelzwarte leeuwensticker op zijn boekentas: ‘ik ben Vlaming en daar ben ik fier op’ – iets van die strekking. De Sutter had het eerst niet in de gaten en stond zijn gewone nummertje te kwijlen, opeens hield hij op, stormde langs jou heen naar de Torhoutse inwijkeling en schopte zijn boekentas in de richting van de deur, bleef briesen, speeksel spuwen en schoppen tot de jongen met al zijn hebben en houden buiten was. Hoe kon dit nu: een priester en componist wiens mooiste lied op de IJzerbedevaart en tijdens het Zangfeest in het Antwerpse sportpaleis werd uitgegalmd door duizenden flaminganten?
Je hoort in je hoofd de volmaakte eerste strofe van zijn vriend Anton van Wilderode, alom bekend als voortreffelijk en hooggestemd dichter, minder geweten is dat deze ‘schone ziel’ jarenlang de broederband met het Zuid-Afrikaanse Apartheidsregime bepleitte: ‘lied van mijn land ik zal u altijd horen uit alle dalen der herinnering…’
Het voorval gebeurde in exact hetzelfde jaar dat Vlaamse studenten betoogden voor ‘Leuven Vlaams’? Je kijkt opnieuw op tegen die benige zenuwpees van een Van Impe, we bevinden ons op de speelplaats naast de rij paardenkastanjes. Een aantal leerlingen zijn door de achterpoort verdwenen, er is een demonstratie in de stad. ‘Hou dat crapuul tegen,’ schreeuwde onze opzichter, maar wie moest het doen als hij het zelf niet deed? Jij bleef waar je was, betogen lag nog niet in je aard, dat zou je later wel inhalen, zoals je zoveel zou moeten inhalen. Gelukkig voor hen waren de ontsnapten zo talrijk dat een sanctie niet uitvoerbaar bleek. Van je goeroe, die toen reeds les gaf in de aanpalende modelschool, hoorde jij dat in hun lerarenkamer een intense discussie woedde tussen voor- en tegenstanders van de Belgische bisschoppen die zich tegen de splitsing van de Leuvens universiteit hadden verzet. In een herderlijk schrijven dat in heel Vlaanderen van op de preekstoel werd voorgelezen als een ordonnantie. Onder de collega’s van je goeroe voerde een zekere Bombeke het hoogste woord: hij werd vijftien jaren later een van de kopstukken van de lokale Vlaams Blokafdeling.
Die modelschool werd geleid door een pioenrode dwerg, hij schold je uit omdat je tijdens het gebed vóór je proefles godsdienst stond te bidden met de benen enigszins gespreid: ‘moeten de kinderen (uitsluitend jongens) daaraan een voorbeeld nemen?’ Op het einde van de week stond jij je goeroe op te wachten, hij bleef onvindbaar. Je ging kijken op de kleinere speelplaats van de immerblozende kobold. Zijn nieuwste leerkracht was de plavuizen aan het vegen zoals rekruten bij het leger de wc-potten moeten ontsmetten. In die tijd was hij nog zo zelfbewust dat hij na één jaar ander werk zocht en vond. Onderdanigheid, het woord
onder-wijzer had daar volgens de doctrine en methodiek van de kweekschool alles mee te maken: we werden verondersteld een wegwijzer te worden onder de grotere vinger van Rome.
Maar je moet ze zoveel nageven: de lessen scherpten je geest aan op een vertraagde, wat sluimerende manier zoals ertsen verdichten in de geheime lagen van de aarde. Ironisch genoeg was het juist dankzij de briljante cursus van de doctor in de exegese van wie je in de laatste twee jaren godsdienst en psychologie en sociologie kreeg, dat je geleidelijk aan weg groeide van de kerk en haar bedienaren, en later van het geloof. De enige lessen waarin het tot een voorzichtige gedachtewisseling kon komen, werden gegeven door priesters: pedagogie, methodiek en godsdienst. Jij voerde steeds het woord en vaak zag je het celibataire hoofd goedgunstig knikken omdat je een klasgenoot had afgetroefd met orthodoxe spitsvondigheden.
Kortom, je ervaringen met deze burcht van katholieke kleinburgerlijkheid leveren een dubbel inzicht op: de creatieve en kritische geest gaat uiteindelijk toch zijn eigen gang, maar de sfeer van morele en existentiële verstikking, de overbelasting van het geweten, raak je nooit kwijt.
Zeker wat de seksuele moraal betreft, mag men gewagen van mentale verminking in de zielen die er ontvankelijk voor waren – een verminking die op het psychologische niveau heeft gedaan wat in andere culturen wordt uitgevoerd met glasscherven en keukenmessen.
De meeste individuele leerkrachten kan je vergeven, de school als bolwerk van frustratie nooit.
En aan de Sutter kan je onmogelijk terugdenken zonder al de kansen te overwegen die dat kleine kwijlende mannetje met zijn uitpuilende buik heeft gemist: een leraar die niet doet waarvoor hij betaald krijgt, moet je veroordelen voor ‘schuldig verzuim’.
kies maar uit
kies een drager voor je woorden:
het zand, de lucht, het glas, de huid
een vers dat weigert een vers te zijn
een rijm dat kringelt en al dansend
verdwijnt: tekenen als een gaas
voor ogen dat ze mooier maakt
hun blik niet hindert – een cijfer-
gedicht dat gewaagt van gruwel
de feiten aangeeft zoals een zucht
uit een naburige kamer het bezoek
van de opkoper van knoken en adem
woorden in het zand, een raadsel
als oordeel, lettergrepen in hun
luchtballet: een lezer vergaapt
zich aan het efemere van hun dans
soms het diafane, verklaringen
van glas dat breekt wanneer het
gaasdoek scheurt: wie alles
uitspreekt zal de oren verdoven
zoals de aanblik verblindt, alleen
het verhulde kan de aanbidding
verdragen, de gunst van nabijheid
blijft de huid waarop de jaren
schrijven, het laatste wat zelfs
een oog verzwijgt: een woord
heb je nodig met de aarzeling
van braille, het tederste, zoals
een overlevende namen meedraagt
uit de kamer van de zucht
Naar een nakende Palestijnse burgeroorlog?
Volgens het artikel van Oscar Garschagen in DS van dinsdag 19 dec staan de Palestijnen nu voor de keuze: ‘ballots or bullets’.
De oorzaak van de dreiging is bekend: de boycot door Israël en de internationale gemeenschap van de Hamasregering. Hier is op zich een goeie reden voor: Hamas weigert het bestaan van Israël te erkennen.
Toch is deze sanctie om twee redenen willekeurig en hypocriet. Ten eerste werd en wordt Fatah door zowat elke commentator corrupt genoemd en de regering van deze partij werd wel gesteund. Ten tweede kan Israël zich ongeveer alles veroorloven zonder een voelbare sanctie. Bij de recente invasie in Libanon werden ongeveer 1200 burgers vermoord en gigantische vernielingen aangericht. Dit leverde alleen verbale verontwaardiging op vanwege de disproportionaliteit en de gevolgen worden onder meer door Europa opgeruimd – bijvoorbeeld de clusterbommen door Belgische specialisten – zonder dat daarvoor een factuur wordt doorgeschoven naar de dader.
vrt en vpro op een zondagavond in december
Op een (misschien niet zo) willekeurige zondagavond zond de VPRO in het programma Wintergasten een interview uit met Wadah Khanfar, de algemene directeur van Al-Jazeera; de vrt koos op Canvas in het praatprogramma Nooitgedacht voor een gesprek met Urbanus.
Kan het verschil in niveau symbolischer worden uitgedrukt? De ene zender stelt iemand voor die het wereldnieuws mee bepaalt, onze openbare omroep presenteert onze grootste dorpskomiek. En met alle waardering voor diens komisch talent (en dankbaarheid want de man heeft mij vaak onbekommerd doen schateren), maar als hij zich openbaart als filosoof dan horen we ‘een bange blanke man’ wiens levensvisie cirkelt rondom zijn ‘konijnenkotelaar’ en een jachtgeweer om eventuele inbrekers en kinderrovers af te schrikken. Het gaat dan niet om het cliché van ‘politiek correct’, maar om het niveau van argumentatie dat vrijwel nooit het anekdotische en subjectieve overstijgt. Het decor van Thurm &Taxis mag dan de illusie wekken van diepgang: dieper dan de illusie wordt niet gegraven. Op zich was dit een revelerend gesprek, het bewees dat BV’s niet noodzakelijk uitblinken door een hoog soortelijk gewicht. Maar heeft Vlaanderen echt niets beters te bieden in een programma dat werd aangekondigd als een poging tot reflectie en bezinning?
Moet de vrt zich tot de VPRO verhouden als de kerktoren tot een platform van universele communicatie?ivoorwoord bij Van Toen en Thuis
‘Solange etwas ist, ist es nicht das, was es gewesen sein wird. Wenn etwas vorbei ist, ist man nicht mehr der, dem es passierte’ (Martin Walser in Ein springender Brunnen)
‘Die Erinnerung liebt das Versteckspiel der Kinder. Sie verkriecht sich. Zum Schönreden neigt sie und schmückt gerne, oft ohne Not.’ (Günter Grass in Beim Häuten der Zwiebel)
‘Zal zij de oppervlakte van mijn bewustzijn bereiken, deze herinnering, dat ogenblik van vroeger, dat aangetrokken door een identiek moment, van zo ver weg is gekomen om alles in mij levend te maken, in beweging te brengen en weer naar boven (…)’ (Marcel Proust in
De Kant van Swann)
Dit boek is subjectieve geschiedenis. Het evoceert een dorp in de jaren ’50 en ’60 – zijn mensen, feiten en dingen , zijn natuur – zonder een historische waarheid te claimen in de wetenschappelijke betekenis van die term. Het gaat om de waarheid die we dromen, die zich opdringt aan de herinnering in een onbewaakt moment.
Wat is waar: het gestamel van de verliefde, de kreet van pijn, of de klinische analyse van de bloedspiegel en de toestand der organen? Literatuur voegt toe, wetenschap neemt weg. Wat ze delen is de gebeurtenis, de ervaring verschilt. De lenzen van een microscoop vormen één oog, de facetten van het insectenoog beantwoorden meer aan de waarneming van de schrijver. En de gesloten ogen van de sjamaan in zijn roes: ‘a poet’s eye in its fine frenzy rolling’ (Shakespeare)
Dit boek is uiteindelijk groepswerk geworden: minstens zes lectoren deden eraan mee, een lay-outman, een sponsor, een cultureel centrum, een woordacademie. De vijver rimpelt: vanwege een steen, een rat, een bootje of een naakte zwemmer in de nacht? Een luister- en fluisterboek met de stem van riet en uilen, een schater- en klaterboek met de plons van reiger en waterhoen.
Bij een zoveelste oproep van Marc Hullebus …
…omtrent de controverse tussen ‘kennisgericht’ en ‘vaardigheidsonderwijs’: wat is hier nog meer aan toe te voegen? De essentie allicht, elke methode moet ergens toe leiden wat betekent dat je dat ergens omschrijft: zonder het formuleren van doelstellingen kan je een methodiek niet evalueren. Naar de mening van deze oud-leraar moet het onderwijs, in het bijzonder het lager en het middelbaar, gericht zijn op de totaliteit van de mens in de totaliteit van het leven.
Het gaat om Zelfrealisatie in de opvatting van Carl Gustav Jung: wat in de mens in potentie aanwezig is, moet door de opvoeding worden geoptimaliseerd – uiteraard gaat het dan niet om misdadige impulsen, maar om de vermogens en talenten die het waard zijn ontwikkeld te worden. Dit laatste verschuift de problematiek naar het niveau van de levensbeschouwing: er moet een ‘grootste gemene deler’ worden gevonden, een gemeenschappelijkheid in het mens- en maatschappijideaal waaraan alle opvoeders kunnen meewerken. Dit mensideaal is veelzijdig. Het omvat niet alleen de homo faber of economicus, ook de homo ludens en atleticus, de homo creator en viator, religiosus en politicus – dit laatste zowel in de strikte zin van bezig zijn met politiek als in de ruimere van maatschappelijke betrokkenheid. En bij al deze 'homo's' uiteraard ook en essentieel de homo sapiens sapiens voor wie het een bron van vreugde is om iets te kennen en te kunnen, en voor wie het een motivatie of minstens toch een aangename ervaring oplevert dat anderen over een onderwerp meer weten of een vaardigheid beter beheersen.
De term ‘competenties’ van de huidige minister van onderwijs is goed gevonden en best bruikbaar. Het onderwijs moet dus inzetten op de ontwikkeling van al deze potenties of competenties. Leerlingen moeten de kennis en de vaardigheden worden bijgebracht die zij nodig hebben om een job te kunnen vinden en correct uitvoeren, maar ook culturele en creatieve competenties, sociale en politieke, recreatieve en sportieve, religieuze of spirituele, filosofische. De opvoeding moet iets als een kompas zijn en een rugzak bij de zoektocht naar zingeving en verantwoording.
Onderwijs kan daarom nooit technisch en vrijblijvend zijn: altijd worden waarden en streefdoelen meegegeven. Een leerkracht en opvoeder is een gids die minstens moet kunnen zeggen welke wegen vruchteloos en gevaarlijk zijn en in welke richting er verder kan worden gezocht, wat het tegendeel inhoudt van indoctrinatie en hersenspoeling: een gids is niet de slavendrijver van een ’chain gang’. Hij is bereid te zeggen dat hij het ook even niet meer weet maar op goede gronden (en op welke gronden) vermoedt en vertrouwt dat de weg van beschaving en humanisering eerder de ene loop zal nemen dan de andere.
De leerlingen spellingregels bijbrengen zal in deze begeleiding allicht van pas komen, maar het is duidelijk dat in het geheel van de doelstelling de spelling maar peanuts is, gebeuzel waardoor de gedrevenheid – want oprecht onderwijs is een passie - wordt opgepeuzeld indien de visie niet ruimer reikt.
Er is een kerkliedje uit de jaren 60 - de ongelovigen nemen het voor lief of vervangen het door de internationale -: ‘wij zijn samen onderweg, allelujah, allelujah’. Fundamenteler en juister kan deze ouwe jongen het niet formuleren: elk paradigma in dit syntagma is correct en op zijn plaats. Wij samen, onderweg en een frase zoals ‘allelujah’ wat een juichkreet is: zonder optimisme of hoop-ondanks-alles kan men niet aan opvoeding doen. De ren van lemmingen naar de afgrond is letterlijk geen school-voorbeeld. Een opvoeder kan zoals eerder gezegd zijn twijfels uitspreken maar als hij niet gelooft in de noodzaak van zijn project is zijn plaats misschien onder de decadente kunstenaars maar niet in het onderwijs.
ode aan Béjart
hij zag Matisse, een Griekse vaas:
silhouetten van rook die kronkelt
gelijk een klimroos om een zuil
jong en gonzend als honingdolle
bijen, hun honger naar leven
was een wals van Brel, minuten
dan Ravel, een hand, een arm
die opklimt naar de hemel, een knik
in de hals van de slang wanneer
de fakir zijn fluiten breekt, herneemt
met hobo’s, breekt, herneemt
met saxofoon en hoorn
een heupbeen wrikt zoals een ooglid
knippert, aan elleboog en voet
trillen de vinnen in hun trance
van paring – de kring wankelt,
schokt, schuift om de ronde
tafel als over een bodem
onder water, het offer vlucht op
haar rolband van angst (en toch,
wie plooit niet voor je naam,
o Maja Plissetskaja): dit is
de aarde die zich aanbiedt
aan haar schaduw, de behuizing
van goden die toezien met
welbehagen, wachten op de
trom, het teken van meedoen,
deelnemen aan de brokken
de hypnose wordt verscheurd
dit is de offerande van de aarde
al wat vloeit en stolt en vloeit –
hij zag silhouetten in slierten
van nevel, gaf een lichaam
aan geesten, aan hun
lichaam een feest
dit is de dans, de viering
van verrijzen en verdwijnen
de lenige nevel die de aarde
verwikkelt in de kringloop
van dromen en zaad
aanvulling bij Béjart
(enkele voorbeelden uit de nieuwe bundel Van Toen en Thuis)
Jefke Kadijs
een zwartharig mannetje in een melkwitte koets
de lakverf vrolijk: een Delftsblauwe molen,
een vorstelijk baldakijn - het heertje stroef,
een scheiding middenin zijn schedel, hij keek
alsof hij vroeg: ben jij wel braaf geweest, verdien
jij wel een toeter en een bol
wij hielden van zijn paard op hoge poten
het paste bij het koninklijke van zijn boudoir
maar Jefke, boven de houten wielen, neen,
hij viel ons zwaar: een schoolmeester
met een stugge kop die zijn buurjongens
ijskreem verkocht alsof hij strafwerk uitdeelde
we liepen liever over de weide
van Pol, diepten het paadje uit
naar de Buntstraat waar in het
piepkleine winkeltje van de Mik
naast een neerhof je roomijs kon
proeven zacht als boerenboter, als
borstjes die nog verboden waren
toch was Jefke met die Brylcrème in zijn platte
haar een wondere vogel, zijn koperen
fluitje bootste de jubel van een merel na
volgens Fons van ‘de Congo’ de klingse vader
van Miss Katta, de zwoele diva van de Blauwe Zaal,
kon hij schuifelen als een lijster, een nachtegaal
niet één van onze bende kende dat verhaal
wij miskenden Jefke Kadijs, het ijzig
mijnheertje in zijn houten paleis
tot op een dag het donkere paard
een wonder meebracht: zijn dochter
die we eerder nooit zagen
al woonden ze vlak om de hoek
ravenzwart zoals haar vader, bleek
haar huid zoals je verwachten kon
van een prinses die jaren was
opgesloten in een crypte
onder een toren
we liepen niet meer om roomijs
over de weide van boer Pol
we schoven aan bij het romig, schuchter
meisje voor een toeter en een bol
de vrouwen van de straat
de straat was arm maar proper
de vrouwen werkten niet
ze waren bezig
nog vóór het licht werd
- na de zomer - om de kachel
op te poken, het pompwater te koken
voor de koffie
daarna werd een man gewekt
en gingen zij weer slapen
daarna een zoon en later nóg een kind
zij bleven op bij het derde kraaien
want de dagen wachtten niet,
de scharrelkippen met hun zoele klachten,
de wasdraad na het kloppen en het roeren
met een bleke bezemsteel: het schuim
en blauwsel in een zinken tobbe
dan een strijkbout die in de oven stond
van de Leuvense stoof
want ze waren proper
je kon eten van hun vloer
van de plavuizen buiten
na het schuren van de koer op vrijdag
terwijl ze dachten aan een plankje,
een boeman van papier
in de winkel van het straatje,
een donker rijhuis waar je niet eens
je kont kon draaien
bleef er over van de markt
op zaterdag? dat moest wel,
alleen bij ziekte
ging je over de schreef -
het negertje knikte
en ze zongen soms
bij het keren van het koertje, het zemen
van de ramen wanneer Bob Benny galmde
tussen het ruisen
van het bakelieten bakje
ze lachten soms
om de piepstem van Will Ferdy,
ze lachten en hun ogen traanden –
ze dipten hun vingers in een porseleinen
of tinnen vaatje, herschikten het gewijde takje
en sloegen een kruis
en ’s zomers zaten ze in de vroege avond
samen voor de kapel op de hoek
waar kaarsjes brandden, een beeldje glom
van een moeder, een huisvrouw, een Eva
die ze nooit zouden evenaren
in vlijt
in deemoed
in kuisheid van gemoed
in heiligheid
want zij werkten niet
ze waren bezig, vulden hun tijd
over prinsen en pausen
Het recente fraudeschandaal omtrent de villa van prins Laurent toont nog maar eens aan dat een koningshuis een fossiel is dat thuishoort in het Ancien Régime en niet in een moderne democratie. Het wordt in stand gehouden door wat de psychologie noemt regressie: de massa weigert volwassen te worden en hangt vast aan of keert terug naar het infantiele stadium dat het leven niet aankan zonder een moeder- of vaderfiguur. Het zelfde psychologische proces verklaart de blijvende populariteit van het pausdom, vooral in minder ontwikkelde landen maar ook bij ons. Tot je verrassing hoorde je indertijd een vrouw van 35-40 op een pauselijke encycliek die de anti-conceptiva verbood, reageren met: ‘nu weten tenminste waaraan ons te houden.’
Het gaat steeds om hetzelfde: de angst voor de vrijheid omdat die verantwoordelijkheid impliceert. De vrije volwassen mens moet zelf zijn morele keuzes verantwoorden en kan zich niet verschuilen achter een gezagsargument. Vrijheid in de morele zin van het woord is voor velen geen geschenk maar een last die zij niet wensen of vermogen te dragen.
het was een elfde, de echte
het was een elfde van september
dat de vleermuis uitvloog, nevelblauw
zijn vlerken, een weerhaak van een muil
het was een elfde van september
en geen nacht in de Andes wordt kouder
als zijn ogen, de hyena daarin,
het loensen van een honds verraad
het was een elfde van september
en hij verhuisde naar het galmgat van woorden
zoals Patria, Libertad en Villa Grimaldi, wie
hoort nog zijn koorknapengeluid in het souterrain
van de taal, het geblaf van een horde krekels
het was een elfde van september
toen zijn gebroed onder de huid kroop
van ons geheugen terwijl de steden als spinnen
uitliepen in het duister, de horizont
veegden uit onze hoofden
het was een elfde van september
en de vleermuis vulde zijn spelonken
lichamen tuimelden spoorloos
uit het omhulsel van hun naam
een elfde van september was het
en men zag zijn kaken malen alsof
hij de angst herkauwde, de kreten
proefde in de vloed van zijn speeksel
het was een elfde van september
en hij beet de snaren van de gitaar
de matrassen van hun bed, hij kraste
gelijk een schreeuw in een kelder
zijn ketsende roepnaam op de nacht
de echo van Washington, trawanten
en wie was heer en wie de meester
het was een elfde van september
de echte, en de vleermuis vloog uit
alsof een sein hem wekte, een engel
met bazuin joeg namen op als
insecten – de vleermuis hapte toe
met die weerhaak van een muil
thuiskomst
toen ben je thuisgekomen
in die verpauperde buurt tussen
de Turken van Gent: al hadden ze
geen werk, soms, ze bleven bezig,
maakten een woning van een krot -
de jaren negentig in een vergeten wijk
werden de jaren vijftig in een dorp
de mannen kuierden ’s zomers schouder
aan schouder door hun autoloze straat,
de vrouwen op de stoep, op de dorpel
van hun gangetje babbelden, sloegen
gade als Hamse komméren
de kinderen speelden in het park
alsof het een weiland was, een bos,
de hondjes van de Gentse dames
gingen door voor wilde beesten
meisjes waren sprookjesdieren
met wijde ogen van agaat, een streepje
huid rondom de navel en meer wanneer
ze gebogen schoven over een zadel -
de jongens trapten een bal, deden druk
en protserig in de droom van hormonen,
even verlegen als luidruchtig
de vaders wandelden zoals duinen
schuiven: je hoorde ze pas toen
alles zweeg, toen de nacht met
gelige ogen over het straatje hing
de milde uren waren aangebroken
voor verhalen van een verneveld
verleden, je deed mee je schoenen
uit, trippelde op je tenen over
de hoge polen van tapijten, hoorde
dat helden en verliefden om hetzelfde
strijden in alle streken: enig, eenzaam,
schoon en schuw als sprookjesdieren,
driftige dwazen die eden en zwaarden breken
je voelde je weer thuis met een
taalvaardige Turk als vader


'kennis is macht' of 'macht is kennis'?
Wat maakt iemand tot een deskundige? ‘Onderwijsdeskundige’ André Mottart bewijst in DS van zaterdag dat je moet kunnen praten als een door god gezonden profeet met een pauselijke onfeilbaarheid; je opponenten blameren versterkt je eigen narcisme. Zijn uitspraken punt voor punt weerleggen zou een artikel opleveren van verscheidene bladzijden. Een poging dan maar om het korter te houden, in de volgorde van het artikel ‘kennis is macht’ waarvan de titel beter zou worden omgedraaid: macht is kennis.
Mottart stelt dat wij professionele taalgebruikers zelf voortdurend woorden en gegevens opzoeken. Dit klopt maar als we dit voor elke bewering of expressie moeten doen dan hebben we een halve dag nodig om één pagina te schrijven, met andere woorden: onze parate taalkennis moet zo omvangrijk mogelijk te zijn om tot een efficiënt taalgebruik te komen, zowel wat de spelling betreft als wat de juistheid van onze beweringen aangaat.
Volgens dit orakel hangen protesterende leerkrachten vast aan hun canon van kennis ‘de dingen waarmee zij opgegroeid zijn en onderwezen gekregen hebben’. Deze kennis moet in perspectief geplaatst worden door het gebruik van het internet: het internet is de nieuwe openbaring, de koran en de bijbel tegelijk. Ten eerste: surfen en downloaden kunnen de leerlingen beter dan de meeste leerkrachten. Ten tweede: hoe kun je de informatie via het internet evalueren als je geen ijkpunt hebt, geen eigen basiskennis, hoe ga je de teksten van het internet begrijpen als je de terminologie niet begrijpt noch het referentiekader? Kortom: het kennisprobleem door verwijzen naar de moderne media is niets anders dan het probleem verschuiven. De enige winst bestaat erin dat leerlingen dit misschien leuker vinden omdat zij nu eenmaal houden van de moderne technologie, maar zonder begeleiding levert deze werkwijze geen deugdelijke resultaten op.
Mottart beweert dat jongeren nu ‘veel liever schrijven als vroeger, ze sms’en, ze mailen.’ Hij ontkent dat het afkortingentaaltje van sms en chatten een schadelijke invloed zou hebben op de taalbeheersing, wat nochtans iedereen kan vaststellen in zijn eigen correspondentie met mensen die vaak bezig zijn met deze communicatievormen.
Mottart geeft het voorbeeld van zijn eigen zoon die de avond vóor hij een opdracht moest indienen nog gauw even het archief van DS downloadde en zo een pak documentatie afleverde waar hij geen enkel ander aandeel in had dan dit downloaden zelf. Deze werkwijze noemt Mottart: ‘Fantastisch toch?’ Als er nu één gewoonte is waar we de leerlingen altijd voor gewaarschuwd hebben dan is het wel dit wachten tot de laatste dag om aan een taak te beginnen en een leerkracht die vrede neemt met een pak internetgegevens zonder enige verwerking is een gemakzuchtige idioot.
‘Veel onderwijs is saai omdat de kennis die erin aan bod komt, ontdaan is van alles wat spannend en relevant is,’ gaat de visionair verder. Het onderwijs moet dus net als de rest van de consumptiemaatschappij vooral ‘kicks’ verschaffen, het moet ‘spannend’ zijn en ‘relevant’ noemt Mottart alles wat aansluit bij ‘de leefwereld van de leerlingen’. Zouden we dan de leerplannen maar niet beter laten schrijven door een leerlingenraad? Moet ook het onderwijs beheerst worden door ‘de waan van de dag’, door modeverschijnselen? Uiteraard dient een leerkracht erover te waken dat hij of zij niet totaal vervreemd geraakt van wat de jongeren bezig houdt, maar zijn de ‘klassieke’ motieven van literatuur en kunst dan opeens ‘versleten’: de liefde, de dood en het afscheid nemen, de eenzaamheid en de beleving van de schoonheid in de natuur, de romantische symbiose tussen mens en natuur?
Vondel en Gezelle hoeven niet meer: wat bewijst Mottart met deze dwaasheid meer dan zijn eigen onvermogen om deze figuren en hun werk boeiend te presenteren? Vondels ‘Geusevesper’ kan een voltreffer zijn als je de leerlingen uitlegt dat het gaat om protest tegen onrecht, dan dragen zij dit gedicht met passie voor en schrijven met enthousiasme een eigen pamflet. En als er één dichter is die er nog altijd vlot in gaat, van wie zij nog steeds met plezier een gedicht van buiten leren en voordragen dan is het toch wel Gezelle, op voorwaarde dat je hen zelf een gedicht laat uitkiezen en hun voordracht ‘coacht’ zoals een dramaturg zijn acteurs begeleidt. En de traditie sluit de moderniteit niet uit: het is zoals in zovele andere kwesties een verhaal van én én, niet van ofwel ofwel. Plaats een eigentijds dichter tegenover een klassieke en laat de leerlingen zelf het verschil aanwijzen en evalueren waarom zij een voorkeur hebben voor het ene dan wel voor het andere.
Het is toch evident dat spreekoefeningen gaan over zelf gekozen onderwerpen, niet alleen de traditionele 'presentatie' maar zeker ook het debat. Concreet: een discussie over de taktiek van de Rode Duivels lijkt een banaliteit voor op de speelplaats, maar als men dit akkefietje gebruikt als aanloop naar een filosofisch debat over schoonheid en nuttigheid, dan krijgt het banale een verrassende diepgang.
Ronduit beledigend wordt Mottart, die volgens De Standaard ‘meeschrijft aan de eindtermen Nederlands’, als hij het heeft over onzekere en betweterige leerkrachten, hun hang naar comfort want: ‘Vaardigheidsonderwijs is zeer arbeidsintensief.’ Met andere woorden: wie op inhoud is gericht dat is een luierik. Kan een ‘deskundige’ gortiger zijn in zijn arrogantie?
Ten slotte heeft hij het over ‘het elitaire concept van retorica en een literaire canon’? Wat is er zo elitair aan Gezelle, ooit en voor vele Vlamingen nog steeds de volksdichter bij uitstek?
Is Multatuli elitair, L.P. Boon, Van den Vos Reynaerde? Men kan deze onderwerpen elitair maken door de keuze van zijn voorbeelden, maar didactisch talent bestaat er juist in dat men aanvoelt wat de eigen leerlingen aankunnen en wat te hoog gegrepen is en ieder van de klassiek genoemde auteurs heeft zowel moeilijke als toegankelijke teksten geschreven.
Wat is voor de leerlingen leuker dan zo’n ‘ouderwets’ verhaal als dat over de vos, of over Karel en Elegast na spelen, bij voorkeur in een daarvoor geschikte ruimte - ook dit is een frustratie bij creatieve leerkrachten: op hoeveel scholen is er voldoende accommodatie om aan expressie te doen zonder de andere collega’s te storen?
Mottart waarschuwt ervoor dat de tegenstanders van de vernieuwing op de duur ‘niemand meer zullen overhouden’ in de klas. Te vrezen valt dat met profeten en visionairen als Mottart het onderwijs geen leerkrachten meer zal overhouden die nog inhoudelijk en creatief bezig zijn. De huidige controverse heeft de intensiteit van een crisismoment in de etymologische betekenis van het woord crisis: we staan voor een tweesprong en het beleid moet zich grondig bezinnen welke kant het op wil gaan, de zelfverblinding van de nieuwlichters of de omzichtigheid van de ervaring die niet per se afkerig staat tegenover vernieuwing maar wel tegenover elke ingreep die regelrecht ingaat tegen hun eigen uit jarenlange ervaring opgebouwde inzichten en methodes.
ballade van de vrolijke roker
ballade van de vrolijke roker
de pijp in zijn knuist, het kuiltje in zijn wang
op de sloop van blauw stijfsel
lag een vrolijke dode
goedmoedig, reeds een Boeddha op rotan -
moest je geloven: die kussentjes aan
zijn hand hadden geslagen en gebroken
een man van monkelen, mompelen was
ooit een tiran van een vader, gevreesd
pijprokend in de kamer, de schemerigste hoek
de gloed van de stoof op het glanzende brons
goedmoedig toen al de pijp in zijn knuist
het kuiltje dat krulde in zijn wang
moeder gaf de borst, zijn ogen
schoven hun schuine banen van boslicht
door je wimpers, de rookzuilen
dansten voor je verbaasde blik
vrede trilde als een hemelbed
van tule en batist over deze aardse
Drievuldigheid: zoogster en zuigeling,
grootvader wakend als een kalme heerser
over wind en water en vuur en steen
schijnbaar onbewogen zoals een rode maan
over een veld van nevel de dromen hoort
van beemd en wegel en lacht met al die kuiltjes
zegt men in zijn verre wang
de pijp van meerschuim in zijn knuist, de krijtjesstreep
van zijn ondervest, de gouden ketting, zijn horloge:
bestond de tijd nog voor deze verlichte
de peluw een blanke vlek in het duister
zijn dochter fluistert: zie maar hoe goedmoedig
hij monkelt nog, zijn vingers gekromd naar de oude
greep, het kuiltje als een wak in een vijver, zijn lippen
beweeglijk als vissen zo lijken ze wel
titel vergeten
- bij een collage van Rika van Dycke -
vader, kijk maar, niet
zonder handen maar naakt
op een fiets kom ik je nader
ik droom je gelijkmatig, draag
de blauwe letters van je adem
als een zeil in de regen
hoe luid mag dit gefluister:
waarneembaar als een rugzak
hoe zwaar wil je wegen?
ik droom je gelijkmatig, sta
als een schuine schaduw
over een fiets, zie maar
hoe ik oplos, hoe mijn
omlijning van je adem
vlokkerig wordt, en toch
onder jouw woorden staat
als een waarmerk, een zegel
ik heb jou niet voor niets bewaard
niet nodeloos verzwegen
Proficiat!

