Naar de inhoud

Felix Timmermans

Vlaamse schrijver, dichter en schilder * 1886 - 1947 *
akke.beakke.be

Archief

Briljante vertegenwoordiger van de volkskunst ! - Al. Slendsens

1886 – Felix Timmermans - 1986
Briljante vertegenwoordiger van de volkskunst !

Door Al. Slendsens uit De Volksbode Borsbeek en Wommelgem van 28/06/1986

Op 5 juli is het precies 100 jaar geleden dat Felix Timmermans in Lier geboren werd. In de Pallieterstad worden al van in april allerlei manifestaties georganiseerd n.a.v. de 100ste verjaardag van Timmermans, die door Albert Westerlinck terecht «een briljant vertegenwoordiger van de volkskunst» genoemd werd. Zijn kunst is «spontaan als het spel van een kind».
De hulde komt in feite 39 jaar te laat. Toen Timmermans einde januari op het kerkhof van Kloosterheide begraven werd, gebeurde dat op die ijzige wintermorgen in de grootste onverschilligheid en afwezigheid van prominenten. Ook Timmermans was één van de onverdiende slachtoffers van de repressie. Later, te laat, heeft men ingezien fout te zijn geweest. Voor Felix Timmermans niet alleen. Daar waren ook Ernest Claes, Jef Van Hoof, Armand Preud'homme, e.a.

In de school was Timmermans geen goede leerling en voor opstel behaalde de knaap minder punten dan voor turnen.
De meester maakte zich zorgen over zijn leerling. Maar geen enkel Lierenaar heeft later zijn stad zo vol romantiek beschreven als deze slechte leerling. Zijn boek «Pieter Breughel» heeft, wellicht omwille van het onderwerp, het rekordaantal van veertien vertalingen behaald. 
Vandaag is het literaire werk van Timmermans een beetje vergeten omwille van het dialektisch taalgebruik. Maar tussen de twee wereldoorlogen in was hij, samen met Ernest Claes, één van de populairste Vlaamse schrijvers. Als graficus wist hij zijn boeken met eenvoudige en toch sprekende tekeningen te verluchten.

Timmermans heeft zijn liefde voor zijn geboortestadje uitgezongen in de lyrische evokatie «Schoon Lier». Maar ook in tal van andere werken slaagde hij er in lokale motieven te verwerken. Ofwel zocht hij inspiratie in de onmiddellijke omgeving, met in de allereerste plaats het Netedal.
Vader Timmermans was geen schrijver maar een goed verteller. In de huiskring bracht hij vooral kerstverhalen, wat de kleine Felix sterk heeft aangesproken. Als «slechte leerling» belandde hij in de kanthandel van zijn ouders. Omdat hij toen al enige aanleg vertoonde voor tekenen, mocht Felix bloem motieven ontwerpen op de in die tijd befaamde Lierse kant.
Nochtans riskeerde hij zich reeds aan wat gedichtjes, die werden gepubliceerd in een Liers weekblad. 
Dank zij kunstschilder Raymond de la Haye geraakte Timmermans op het goede spoor. Ondanks een ernstige ziekte op 21 jarige leeftijd, zette hij zich volop aan het schrijven. Zo groeide Timmermans uit tot één van de grootste figuren van Lier. Zijn naam prijkt naast een Van Boeckel, Zimmer en Opsomer.

2318787-10c73764320fc6618ee581801d55ff14.jpg

Te biechte gaan.
«Pallieter» was het eerste werk van Felix Timmermans. Het boek werd tijdens wereldoorlog I in afleveringen gepubliceerd in het tijdschrift «De Nieuwe Gids». Eigenaardig genoeg kende dit werk eerst in Nederland enige belangstelling.
Pas daarna ging Vlaanderen aandacht aan Pallieter schenken.
Maar het boek zorgde er voor dat Timmermans van dan af van zijn pen kon gaan leven. Hij zou verhalen gaan schrijven over de meest uiteenlopende onderwerpen. Bovendien verdiende hij een aardig centje bij met lezingen in het buitenland : Engeland, Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland.
Wanneer Timmermans met de trein op weg was voor een lezing, zette hij zich op losse velletjes aan 't tekenen.
Zo maar. De tekeningen kwamen niettemin steeds van pas.
Het schrijven beschouwde hij als zijn werk, het tekenen als een hobby. 
Timmermans drukte het op zijn sappige wijze uit als volgt: «Schrijven is te biechte gaan, tekenen is te kommunie gaan». Timermans verluchtte bijna al zijn werken zelf.

Timmermans was ook een natuurliefhebber.
«Voor mij is heel de natuur een kleed, waarmee God zich om gordt». (De Pastoor uit den Bloeienden Wijngaerdt).
De publikatie van «Boerenpsalm» was een literaire verrassing. Hier kwam een rijpe auteur aan het woord, die in een gebalde, onversierde taal boer Wortel in de ik-vorm zijn gevecht tegen de natuurelementen, familiale tegenslagen en zijn eigen zwakheden liet vertellen. 
Felix Timmermans bezat de fantasie om bepaalde verhalen in de Kempen te laten afspelen. Het feit dat de familie in 1939 voor enkele maanden de bungalow «Minneke Poes» aan de Dennenlaan in Grobbendonk huurde, was hieraan niet vreemd.
Die enkele maanden zijn Timmermans bijgebleven.
Dochter Lia schreef hierover: «Als de brem in bloei stond, verhuisden wij naar het stille dorp. Onze pa was een en al opgetogen. Het was er kalm en rustig en zo echt iets voor ons. Van in de vroege morgen was vader al aan het ronddrentelen in het bos ernevens of op de heide. Elke dag bracht iets nieuw, en hij was er altijd op uit ons iets schoons te laten zien of horen in de natuur, om ons blij te maken».
De familie Timmermans trok vaak op wandel in Grobbendonk. Dan bespeelde Felix soms een ocarina of een mondharmonica. Af en toe ging zijn verlangen om alleen te zijn in de «pluimige stilte».
Lia: «Ik geloof dat 1939 voor onze pa een van de gelukkigste jaren van zijn leven was».
In 1943 verscheen het boek «Minneke Poes» naar de naam van de Grobbendonkse bungalow.

«Liers begijnhof»
«Het begijnhof  is d' amandelboon van Lier. En om de smaak en de reuk  goed te bewaren, ligt ze wat bezijds onder de frisse gordijn der begijnenvest tegen de Nete, vlak in de waai der velden, maar omsloten en bewaakt met klimop bewassen muren en zwaargegrendelde poorten». ( Felix Timmermans in « Schoon Lier »).
Felix Timmermans heeft de sfeer van het Liers begijnhof ondergaan toen de beslotenheid en de stilte nog niet doorbroken werden. Toen de poorten op sluitingsuur dicht gingen en het witte linnen nog gebleekt werd op het groene gras van de begijnenbeemd.
Toen de kleurrijke processie nog door de smalle straten trok en er nog voldoende begijntjes waren om het beeld van de H. Begga te dragen. Timmermans was jong toen hij voor het eerst de rust, de stilte en de romantiek van het begijnhof zocht. Hier deed hij aan spiritisme en studentikoze grappigheid tot verwondering en ergernis van de begijnhofbewoners.
In de periode tussen de twee wereldoorlogen in heeft hij er tweemaal een werkkamer gehuurd, eerst in nr. 4 van de Grachtkant en later, rond de jaren veertig, aan de achterkant van het huis nr. 11 van de Margaretastraat.

In al die jaren heeft hij er vele artiesten ontmoet en aan het werk gezien.
Het Liers begijnhof is voor Timmermans een inspiratiebron geweest.
Eén van zijn laatste novellen «De zeer schone uren van juffrouw Symforosa, begijntje», is een parel van begijnhofstemming en Piëteit. 
Ook zijn Pallieter ademt helemaal de begijnhofsfeer.Pallieter is immers een buurman van het hof en zijn huis «De Reynaert» staat vlak naast de begijnenvest. De pastoor is zijn vriend en zelfs als het hof gesloten is, vaart Pallieter met zijn schuit door een vlietje (dat Timmermans in het Hemdsmouwke laat vloeien) tot bij de pastorie.
Pallieter beleeft ook met vreugde en ontroering de feestelijke gebeurtenis van de begijnhofprocessie.

2318787-6001b0fcbb763820b3be1bfcb9222619.jpg

Timmermans tekende tientallen tekeningen en schilderwerken «als liefdesbriefjes aan het begijnhof».
Voor de uitgeverij «De Sikkel» tekende hij in 1928 een begijnhofkalender, die gedeeltelijk door de Lierse uitgeverij «Van In» opnieuw werd uitgegeven in 1968.
Pastoor Biermans, een aristokraat, kon wonderwel met Felix Timmermans opschieten. De pastoor, die statig en stijf als een grenspaal het terrein en de rechten van het begijnhof afbakende en beschermde, beschouwde Timmermans als een «interessante vriend», met wie hij op hoffelijke manier van mening kon verschillen.
Felix Timmermans bezat een rijke fantasie, die in zijn verhalen tot uiting kwamen en «kleur» gaven aan zijn proza. Boer Wortel (Boerenpsalm) is altijd blij wanneer hij uit Geel weg is. Zijn broer is er ter verpleging.
«Het krioelt er van zotten, de ene is O.L. Vrouwtje, de andere doet altijd tuf tuf lijk een trein, die weer denkt dat hij Napoleon is. Als ik daar lang moest blijven is er kans dat ik ook begon te spelen».

Timmermans laat Pieter Breughel met zijn vriend Hans Franckert vanuit Antwerpen naar de kermis in St-Job trekken, om er, als boeren verkleed, mee te slampampen. Ze vierden er allebei een trouwfeest mee in het Kempense Halle. «Ze gingen verder, met de belofte, in elke herberg die ze tegen kwamen 'nen pot te drinken ter ere van de pier van Magerhal; want het is daar zo schraal en droog, dat ze de enigste pier die ze er ooit vonden, met een ketting aan 't gemeentehuis hebben vastgelegd als een natuurwonder».
Biezonder fantasierijk gaat Timmermans te werk in zijn boek «Het Kindeken Jezus in Vlaanderen».
Hij laat Maria langs de Netedijk naar haar nicht Elisabeth in Grobbendonk stappen, om de blijde boodschap te melden. Jozef is een timmerman uit de Kempen en Maria komt uit het Land van Ryen. In Bethlehem staat het volk « getroppeld rond een liedjeszanger, die met een doedelzakspeler aan zijn zijde, de moord op de pastoor van Nijlen bezong ».

Na de vlucht keerden María en Jozef met het Kindeke «langs de Kempen» terug naar Nazareth. Timmermans beschrijft de streek : «De landschappen en de wegen verwisselden weinig van aangezicht, 't Was steeds een eentonige verscheidenheid van gulden geneverstruiken, verre vlakten heidepurper, verrassingen van blonde duinen en overal de donkerheid der masteboomen, met soms aan de laaihete weg een armzalig hutteke met open staldeur, waaruit 't beslijkte achterste van een mager, steertslagend koeitje».

********

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Mon om 00:00 Reageer op dit bericht

De goede Fee op zoek naar de Kern - Gaston Durnez

De goede Fee op zoek naar de kern.

Door Gaston Durnez uit De Standaard - 1985

MECHELEN — Felix Timmermans blijft een van onze populairste schrijvers. Dat blijkt uit de herdrukken die geregeld van de pers komen, uit de bibliofiele vlijt waarmee velen zijn werk verzamelen, uit de talrijke opvoeringen van sommige toneelstukken, uit de literair-toeristische belangstelling voor zijn "land van herkomst" en niet het minst voor het "Felix Timmermans Genootschap" dat sinds dit jaar meer dan vierhonderd leden telt, meer dan er ooit zijn geweest. De vriendschap, ja, de liefde die velen in Vlaanderen en daar buiten "de goede Fee" blijven toedragen, zal volgend jaar ongetwijfeld nog meer tot uiting komen, als men zijn honderdste geboortedag zal vieren.

2318541-f3ccdd27d2000e3f9255a7e3e2c48800.jpg           2318541-7f4e56d7827aab03407debbcf94cdca2.jpg

Des te vreemder is het, dat Timmermans nog altijd lijdt onder een zeer onvolledig beeld van hem dat leeft bij ons publiek. Nog altijd gaat hij bij velen door voor een pallieterachtige, bruegeliaanse, zinnelijke levensgenieter, voor een Brabantse kermisvogel. Net als Ernest Claes wordt hij eenzijdig gedoodverfd als een plezierig verteller zonder diepte, niet veel meer dan een brave heimatschrijver. Men vergeet dan dat Timmermans ook met levens en geloofsproblemen heeft geworsteld (zie zijn ꞌSchemeringen van de dood', die aan een herwaardering toe zijn), dat hij fijnzinnige dingen heeft geschreven als ꞌDe schone uren van juffrouw Symforosa'.
Men verwaarloost dan voor het gemak de realistische auteur van "Boerenpsalm". En men schuift de mystieke dichter van "Adagio" opzij… Een van de mensen die zich de jongste jaren bijzonder hebben ingespannen om de Timmermans-gemeenplaatsen te doorbreken, is Herman Mertens die in het jaarboek van het F.T. Genootschap enkele opgemerkte opstellen over godsdienst en geloof in het werk van de auteur heeft gepubliceerd, opstellen waarin een diepe, zoekende, kritische en tegelijk zeer vrome ziel wordt belicht. Timmermans was niet zomaar een kleur- en beeldrijke verteller, hij was ook en vooral iemand die naar "de kern van alle dingen" zocht en die uiteindelijk, in alle stilte, op weg was naar die kern.
Herman Mertens (57) is een uit Klein-Brabant afkomstige theoloog die zijn doctorstitel haalde aan de Gregoriana in Rome en als gewoon hoogleraar verbonden is aan de Katholieke Universiteit Leuven. In de faculteit theologie is hij voorzitter van de afdeling dogmatiek. Zijn vrienden kennen hem tevens als een groot liefhebber, van literatuur, en niet alleen omdat deze literatuur een interessante "vindplaats" kan zijn voor de theologie.
"Ik gebruik inderdaad graag literaire werken", zegt hij, maar dat betekent niet dat ik de literatuur wil zien als de dienstmaagd van de theologie!
Als het daarover gaat, citeer ik mijn betreurde vriend Albert Westerlinck die schreef: 'Literatuur, kunst, is niet zijn evenmens willen overtuigen, hem aanzetten tot revolutie of hem in de kerk willen brengen.'

Beminnen is alles
"Wat ik in mijn jeugd in Timmermans bewonderde en waardeerde", vertelt professor Mertens, "was zijn plastisch uitbeeldingsvermogen, zijn kleurrijk schilderspalet, zijn rake, volkse, humoristische gezegden, zijn franciscaanse spiritualiteit. Hij is altijd een van mijn lievelingsauteurs geweest Nu ik hem het jongste decennium meer systematisch ben gaan lezen en bestuderen, ben ik ook getroffen door de ernst van zijn levensboodschap, die uiteraard niet overal op dezelfde manier en in dezelfde mate aan bod komt.
Anderdeels stoor ik mij nu meer dan vroeger aan bepaalde stijlslordigheden en aan de gebrekkige structuur van sommige romans. Ook het gebrek aan dieptepsychologische beschrijving van sommige romanfiguren ervaar ik nu meer dan vroeger als een manco".

Hoe ziet u Felix Timmermans als gelovige?
"Hij is natuurlijk allerminst een theoloog, laat staan een zedenprediker, een stichtelijk godsdienstdidacticus! Hij is een gelovige voor wie geloven een vorm van leven (en van loven) is. Graag maak ik hierbij onderscheid tussen religie, vroomheid en geloof. De religieuze Timmermans leest en interpreteert de werkelijkheid van mensen (geschiedenis) en dingen (natuur) waarmee hij verbonden is op zulke intense en diepe wijze dat hij zijn (sociale en kosmische) gebondenheden beaamt. Een voorbeeld daarvan vind je als Pallieter in extase is in het bos bij nacht, onder de blinkende sterrenhemel. Een ander voorbeeld is Boer Wortel uit 'Boerenpsalm', verknocht aan veld en kroost. Of Franciscus en de natuurmystiek. En vanzelfsprekend de hele Adagio-bundel, vooral dan de herfst- en nachtgedichten.
Velen zullen hem toch op de eerste plaats een volkse bedevaartganger noemen...
"Dat is hij ook geweest. De vrome, devote Felix, de rozenkransbiddende Mariavereerder, de man van volksdevoties, de vriend van paters en pastoors. Maar er is ook en vooral de kristen die het evangelie van Jezus Kristus (met de Liefde als hoogste wet en de Eenvoud als de voorwaarde voor die liefde) onvoorwaardelijk aanvaardt…en zich hierbij toch kritische vragen stelt Symforosa beleeft haar mooiste uur als zij Martienus in het klooster gelukkig ziet. Getroffen door het levensoffer van Leontientje wordt zowel pastoor Serneels "bekeerd" tot het evangelische geloof als de geus Isidoor. Suskewiet 'verlicht' door de genade, op het moment dat hij de driekoningenbuit aan de arme mensen uit de foorwagen weggeeft weet dat aan God geven betekent aan de anderen geven. Geloof is geloof in de kern, in de Voorzienigheid (Boer Wortel, Hernat), in de Schepping (Pallieter, zie ook de laatste bladzijde in 'Adriaan Brouwer).

2011357-30e62fddc14c05988b44e7c02788e187.jpg

Wijst u dan het beeld van de naïeve Timmermans af, zoals men hem vaak heeft gezien?
"Nee. Vanuit zijn werk komt hij mij voor als een in vrome man, die een kinderlijk geloof koestert, op het naïeve af. Maar anderdeels dit geloof voortdurend kritisch aftast Niet dat hij de franjes van het volksgeloof misprijst of met een door geredeneer verlicht geloof wil opschieten. Maar eerlijkheid vóór alles, geen pose. geen komedie, geen gecommercialiseerde godsdienst Als hij, op terugreis uit Italië, in Lourdes komt, ergert hij zich daar aan al die verkopers die met het heilige handel drijven, maar wat verder wordt hij diep getroffen door 'de mensheid in al haar ellende van het lichaam en in al haar liefde van de ziel'.
In "De Harp van Sint Franciscus" predikt de Poverello: 'De kern van het leven is liefde. Beminnen, dat is alles. Och iedereen kan een keerske dragen in de processie, dat is niets; het enige is: altijd verheugd zijn met wat we uit Gods handen krijgen. Dat is liefde.
Tussen het kerkelijk-dogmatisch levensvreemd geloof van pastoor Serneels (in "De Pastoor in de Bloeiende Wijngaard") en het zoekende, eerlijke, schone ongeloof van de humanist Isidoor staat het geloof van Leontientje, niet omdat het onkritisch is, wel omdat het 'zuiver' is, want zonder bijbedoelingen, en offervaardig."

Heeft Timmermans zijn geloof "geschoold"?
"La foi du charbonnier was voor hem geenszins het ideaal Hij was te veel 'zoeker' om er vrede mee te nemen, te veel 'onrustig' hart, te eerlijk en te kritisch. Daarom heeft hij Augustinus, Ruysbroec, Thomas à Kempis, Theresia van Avilla, de Bijbel gelezen. En vaak "stillekes gebeden". Natuurlijk interpreteerde hij de Bijbel historiserend en fundamentalistisch, maar hij zocht de kern van de boodschap. Van dit levenslange, eerlijke zoeken, is 'Adagio' de rijpe en schone vrucht. Zonder de heilige tradities te verloochenen, kon Felix Timmermans de vertrouwde geloofspraktijken en kerkelijke devoties voldoende relativeren. Hij kon onderscheid maken tussen vroomheid en geloof, al riepen deze elkaar op en werden zij in één adem beleefd."

U spreekt ergens over "la deuxième naïveté"
"Dat is een woord van Paul Ricoeur dat ik op Timmermans durf toepassen. Zijn geloof was kinderlijk en eenvoudig, maar beproefd, getest. Volks geloven en kritisch nadenken zijn hoegenaamd niet in tegenspraak met elkaar". "Uitgerekend omdat hij als gelovige zo naar de kern zocht, blijft Timmermans actueel als religieus schrijver", meent Herman Mertens.
"Hij zou zelf duchtig hebben gelachen, mocht men hem theologische bedoelingen hebben toegeschreven.
Iedere vakkundige exegese was hem vreemd. En toch spreek ik met Kerstmis graag vanuit de 'Driekoningentryptiek' en 'Het Kindeke Jezus in Vlaanderen'. Geseculariseerde vertaling van de christelijke heilsboodschap moet men bij hem niet zoeken en toch kan de scheppingstheologie vandaag de dag nuttige en aangename inspiratie vinden in 'Pallieter', 'De Pastoor...', 'Boerenpsalm', 'Adriaan Brouwer', 'Adagio', 'De Harp… In zijn recente ecologische scheppings theologie schrijft Jürgen Moltmann: 'die ganze Schöpfung ist geistgewirkt'. Maar Timmermans heeft dat in 'De Harp… veel vroeger en veel kleurrijker gezegd: 'Alles is doorgoten van zijn Geest'. Ik zou nog andere gekruide voorbeelden kunnen citeren".

Wat is in religieus opzicht het belangrijkste boek van Timmermans?
"'Adagio", denk ik. "Omdat het een sublieme recapitulatie is van heel zijn schrijversleven. Westerlinck heeft er echter al op gewezen, dat je deze bundel niet los van het vorige oeuvre mag zien.
De aanzetten tot 'Adagio' liggen inderdaad verspreid over de hele Timmermans-literatuur, van 'Schemeringen van de Dood' tot 'Adriaan Brouwers'. Daarom is het eigenlijk moeilijk met één titel te antwoorden op de vraag naar 'het' belangrijkste boek van FT als 'homo religiosus'. Moet ik 'Pallieter' noemen, denkend aan het scheppingsgeloof? En 'Boerenpsalmꞌ (schepping, zonde, kruis theologie)? In De Pastoor… komen het scheppingsgeloof, de geloofsgroei tot uiting. In 'De Harpꞌ is dat natuurlijk de franciscaanse spiritualiteit: liefde, natuurmystiek, soberheid.
En dan is er het kinderlijke Jezusgeloof in 'Het Kindeke Jezus.' en de 'Driekoningentryptiek'. En het gerijpt Kristusgeloof en de Voorzienigheid in 'Boerenpsalm'… En wat te zeggen over 'Pieter Brueghel', waarin het kerkgeloof in conflict komt met de volksverbondenheid en de vrijheidsdrang van de halve geus?"

2318541-156005c5baf40ff51a327f1c34f2975b.jpg

In verband met Bruegel verwijst u ook altijd graag naar een „flamingantische dimensie"…
"Ja, als ik voordrachten geef over Timmermans, lees ik altijd een bladzijde voor uit 'Brueghel',waar pater Edgardus Pieter waarschuwt tegen de Inkwisitie.
'Wie tegen Spanje is, is tegen de kerk, dus…ꞌ Het antwoord van Pieter, 'Waarom dit dilemma?', had het antwoord van flaminganten kunnen zijn. Waarom altijd die pijnlijke keuze: of het volk, of de bisschoppen? Timmermans, zoals wij hem uit heel zijn oeuvre rieken, is voor mij het type van de cultuur flamingant van wie ik veel houd en waar ik trots op ben."
Ter gelegenheid van de Boekenbeurs verschijnt het Jaarboek van het Felix Timmermans Genootschap, onder de titel "Leven in zijn Asem", een uitdrukking ontleend aan de marktpreek van Franciscus in "De Harp…"
De bedoeling van samensteller Herman Mertens en van zijn collega’s is, de invloed van Timmermans' geloofshouding op diens literaire werk aantonen. Tot de medewerkers behoort Ignaas Dom, een 57-jarige priester, afkomstig uit Lier, die al een kwarteeuw pastoraal werk in Duitsland achter de rug heeft. Dom woont als pastoor in het Westduitse Niel, niet zover van Nijmegen, waar hij weldra zijn doctorale dissertatie voorlegt: een studie waarin hij de pastorale theologie toetst aan elementen uit het werk van zijn grote stadsgenoot. Zo worden nog voortdurend, aan divers se universiteiten aspecten van Timmermans bestudeerd.

Bent u niet bang dat u op de auteur met dit alles een nieuw etiket plakt?
"Geloof en literatuur zijn twee verschillende zaken en men bewijst een auteur eer noch een dienst door hem religieus te etiketteren. Het omgekeerde is eveneens waar: het atheïstische imago verhoogt de literaire waarden allerminst. De autonomie van de kunst en van het schone moet worden verdedigd, al hoeft men daarom nog niet te zweren bij het liberale princiep van l’art pour l’art.
Toch is er een osmose tussen het esthetische en het religieuze, en vertonen literatuur en geloof soms raakvlakken. Spelen de levensbeschouwelijke inzichten van een kunstenaar niet vaak mee in de probleemstelling van zijn artistiek werk? Hebben de religieuze aanleg en de geloofsopties van een auteur geen invloed op zijn denken, voelen, smaken, kiezen, schrijven? Met het Jaarboek bedoelen wij deze invloed te peilen en aldus dieper inzicht te verwerven in de 'zielꞌ van de auteur en de 'geest' van zijn werk".
"Als theoloog ben ik bijzonder geïnteresseerd in Felix Timmermans als 'religieus' auteur omdat hij een exponent is van zowel het toenmalig heersende culturele bewustzijn als de in zijn tijd en ruimte vigerende geloofsopvattingen. Literatuur kan een interessante vindplaats zijn voor de theologie. En zelfs meer.

Een auteur als Timmermans heeft vele van zijn volks- en tijdgenoten 'opgevoed' in het authentieke geloof, al hoed ik er mij voor hem tot theoloog, katecheet of predikant te promoveren. Het was hem om literatuur en kunst te doen. Maar is 'De Ster' niet een stuk van ons volk geworden, de kristelijke kerstviering bij uitstek in Vlaanderen? Zijn sommige verzen van 'Adagio' geen gemeengoed van ons kristelijk volk?"
Na de samenstelling van het Jaarboek heeft Herman Mertens nog een ander boek op zijn actief geplaatst. Binnenkort verschijnt bij de Standaard Uitgeverij in Antwerpen een nieuwe editie van het geliefde 'Adagio', waarin hij bij elk gedicht een meditatie heeft geschreven, vrucht van zijn jarenlange omgang met dit boek, als lezer en als predikant "Ik heb er mijn jongste grote vakantie aan besteed", vertelt hij.

"Nooit heb ik, als schrijvende theoloog, zozeer de indruk gehad dat mijn schrijven bidden was"

*******

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Mon om 00:00 Reageer op dit bericht

Saluut bij een honderdste verjaardag - Marc Andries

Felix Timmermans : Saluut bij een honderdste verjaardag.

Door Marc Andries uit Topics van maart 1986.

Dit jaar, op 5 juli om precies te zijn, zou Felix Timmermans 100 jaar geworden zijn. 
Hij werd nauwelijks 60. Vermoeid, ontgoocheld stierf hij in 1947. De ongehoorde barbaarsheid van de naoorlogse repressie had al zijn levenslust gedoofd. Tussen de twee wereldoorlogen was Timmermans Vlaanderens grootste prozaschrijver geweest. Zijn populairste werk was Pallieter, zijn absolute meesterwerk Boerenpsalm. Zijn populariteit werd verering. Timmermans was een levende legende Het schrijvende idool van een heel volk. Het werd hem niet door iedereen gegund. Ook vandaag nog niet. Toch is hij een uitzonderlijk schrijver geweest. Een kind van zijn tijd, dat is waar, maar dat is iedereen.

Ik was te jong om Felix Timmermans persoonlijk gekend te hebben
Toch is er altijd al een speciale band geweest. En dat is zelfs in zekere mate in mijn eigen werk terug te vinden. Het barokke van vele van mijn verhalen gaat gepaard met bepaalde jeugdherinneringen en meteen ook met mijn eerste kontakten met het werk van Timmermans. Mijn jeugd speelde zich af in de toen nog zo goed als ongerepte Netevallei tussen Lier en Duffel, waar de wielewaal zijn nest bouwde. Ik zag er zó Pallieter te paard over de dijken draven. Later liep ik school op het Gummaruskollege te Lier, maar ik was meer op de dichtbegroeide vesten te vinden en in het mysterieuze begijnhof, waar ik nog meende Juffrouw Symforosa te herkennen.

Vele jaren later kwam ik via mijn vader, die Timmermans wel persoonlijk gekend heeft, in het bezit van twee intacte echte Timmermanskalenders, helemaal door de schrijver zelf ontworpen, getekend en van teksten voorzien. Ik heb ze nog altijd.
De ene is die van het jaar 1930, met prachtige ingekleurde landschapjes en naïeve symbolische tekeningetjes in het kalenderrooster De andere is die van 1932: een verhalen kalender met prachtige koppen van "Pier van Boekweitstro", "Mie Vogel-Petrol-Mie" e.a. Ik koester ze als relikwieën.
Nog veel later, het moet omstreeks 1978 zijn geweest bezocht ik met een vriend het ondertussen beroemd geworden Welshe boekenstadje Hay-on-Wye. Binnenstappend in de eerste de beste boekhandel (van de tientallen) wilde ik even controleren of de reputatie van het stadje als internationale antiquariaatsmarkt wel terecht was. Ik richtte mij tot het eerste boekenrek, toevallig de letter T. En wat stond daar? Inderdaad, een prachtige eerste druk van Timmermans "De harp van Sint-Franciscus".
Timmermans striked again! Ik leerde bovendien uit die uitgave van 1932 dat Pallieter uit 1916 op dat moment reeds aan zijn 16de druk toe was in de gewone uitgave en aan zijn tiende in de biezondere uitgave met tekeningen van Anton Pieck!

Start als Tekenaar
Felix Timmermans was de zoon van een kleine Lierse handelaar in kant, destijds nog een trots product van nijvere huisvlijt Toen hij in 1886 geboren werd, bevond Lier zich in een soort winterslaap, die het overigens nog tot de jaren '60 zou volhouden. Alleen de wekelijkse marktdag trok wat volk uit de omliggende gemeenten.
Lier was niets anders dan een uitbreiding van zijn begijnhof een verstilde samenleving, rustend in de oksel van de samenvloeiing der beide Neten.
Het moet zijn dat kleine Felix aan leren een broertje dood had. Na het lagere middelbare onderwijs zag hij het niet meer zitten. Hij wilde toen alleen nog maar schilder worden.
Dus ging hij bij vader in de zaak en volgde 's avonds wat teken- en schilderlessen. Om zijn leerlingen toch maar te doen inzien dat ze zeker het voorbeeld van de beroemde schrijver niet moesten volgen, doch integendeel goed hun taal moesten leren, vertelde mijn leraar aan het college later minstens een keer per week het verhaal van Timmermans' grammaticale problemen.

Dit verhaal wil dat Felix Timmermans zijn hele leven lang zijn manuscripten, vooraleer ze aan de uitgever te bezorgen, taalkundig op poten moest laten zetten. Het is duidelijk dat Felix Timmermans zijn eerste expressiemogelijkheid als tekenaar heeft gevonden.
Alhoewel men er meteen bij moet zeggen dat tekenen en schrijven in zijn geval van een zeldzame eenheid getuigen. De tekenstift was voor hem in de eerste plaats wat het fototoestel voor Stijn Streuvels was: een middel om de realiteit te registreren en te archiveren voor later gebruik. Maar ze was ook meer dan dat; ze was complementair, m.a.w zijn plastische en zijn literaire werk vormde een onverbrekelijke eenheid.

2318130-4f9a2ee2e732ffc8e94d36a6efadaff3.jpg         2318130-d5db9e8177994cde4332b3f11f898152.jpg

Een goede vriend van Timmermans, de Fee - zoals hij genoemd werd, was de schilder Fred Bogaerts.
En ook hier kruist zich mijn pad met dat van de grote Lierenaar: ik zat namelijk bij ene onvergetelijke «Juffrouw Bertha» in de kleuterklas en die was de dochter van deze Fred Bogaerts. In mijn herinnering is zij een lieve, aantrekkelijke blonde, jonge vrouw. Soms denk ik dat ik een beetje verliefd op haar was en ik koester zelfs het heimelijke verlangen dat dit wederzijds was. 
Met Fred Bogaerts deelde Timmermans een atelier, een der grotere huizen, meen ik mij te herinneren.
Bogaerts moet een begaafd verteller zijn geweest en over de vriendschapsjaren met de Fee daar op het begijnhof heeft hij woeste verhalen de wereld ingestuurd. Niet minder of de Fee en hij waren in die tijd de schrik van de Lierse begijntjes.

Tussen Leven en Dood
Rond zijn 17de publiceerde Felix Timmermans zijn eerste teksten in een Liers weekblad. Het waren verzen en poëtische prozaschetsen. Nog in 1903 verscheen ook een bijdrage in Vlaamsche arbeid en Dietsche Warande en Belfort. Het duurde evenwel tot 1907 vooraleer er wat in boekvorm zou verschijnen.
De dichtbundel Door de dagen word evenwel onder het pseudoniem Polleke van Mher gepubliceerd, alsof Timmermans aanvoelde dat dit werk zijn naam nog niet waardig was. Ondertussen was de jonge schrijver in spe in een diepe existentiële crisis terechtgekomen. De zo vrome jongeman begon zelfs aan zijn geloof te twijfelen en stortte zich in een exotisch en romantisch boeddhistisch avontuur.
In 1910 werd hij bovendien ernstig ziek Na een heelkundige ingreep zweefde hij zelfs maanden tussen leven en dood.
De vrees voor de dood bracht hem dichter bij het leven. Een sterke levenswil hield hem overeind.

Dit explosieve levensoptimisme moest naar buiten en zette hem aan het schrijven van een roman die zijn credo zou zijn. In dit verhaal gaf hij gestalte aan de adamische, de paradijselijke mens, die zich verzette tegen elke schending van het natuurlijke om intens te genieten van het leven dat de aarde hem bood. Het werd de eerste echte vitalistische roman in de Nederlandse literatuur.
Meteen ook een onverwoestbaar meesterwerk, dat naar zijn hoofdpersonage de titel Pallieter kreeg. Toen het boek, met eigen tekeningen van de auteur versierd, in 1916, in volle oorlogstijd dus, verscheen was Felix Timmermans meteen beroemd. Hij was ook een gelukkig man; niet alleen had hij zijn ziekte overwonnen en het boek van zijn leven geschreven, hij had ook de vrouw van zijn dromen gevonden, in de persoon van Marieke Janssens.

In Tijdloos Lier
Toch streek er ook een schaduw neer over het leven van de succesrijke jonge auteur. Timmermans was van jongs af aan een overtuigd Vlaams-nationalist. In 1918 werd hij van activisme beschuldigd. Om aan vervolging te ontsnappen, week hij uit naar Nederland. Achteraf zou blijken dat deze repressie nauwelijks wat voorstelde in vergelijking met wat de Tweede Wereldoorlog teweeg zou brengen.
Reeds in 1920 keerde Timmermans terug naar Lier. 
In 1921 werd hem voor de periode 1918-1921 de driejaarlijkse staatsprijs toegekend voor Het Kindeken Jezus in Vlaanderen en De zeer schoone uren van juffrouw Symforosa, begijntjen.
Felix Timmermans was een romanticus in hart en nieren. Dit romantische karakter komt het sterkst tot uiting in Anne-Marie, terwijl er vaak ook een religieus element aan toe werd gevoegd, zoals in het onovertroffen verhaal De harp van Sint-Franciscus.

2318130-fb0bd80a2eb03dd85f99b4d01b316eb7.jpg

Minder geweten is waarschijnlijk dat hij zijn grootste commerciële succes haalde met een biografie, nl. het omstreden boek over Pieter Bruegel, zoo heb ik u uit uwe werken geroken (1928). Hoe dan ook, Felix Timmermans, de jongen die nauwelijks onderwijs had genoten, werd de succesrijkste schrijver die Vlaanderen ooit had voortgebracht. Onmiddellijk reeds na zijn eigenlijke debuut met Pallieter, kon hij het zich permitteren uitsluitend van zijn pen te leven. Dat hij in de eerste plaats een verteller was, bracht ook mee dat hij een gevierd voordrachtgever was.
Tot ver over de grenzen, Duitsland, Oostenrijk, Engeland, Denemarken, Zwitserland, Polen, Hongarije enz. liepen de zalen vol om de joviale, corpulente Lierenaar te horen.
De stad Lier was in al zijn werken het belangrijkste personage. Het was echter een tijdloos Lier dat hij neerzette. Een stad die buiten de grenzen van de tijd de paradijselijke oorsprong van de mens een scène moest bezorgen.
Timmermans maakte daarbij exuberant gebruik van zijn kleurrijke schilderspalet en bevolkte zijn wereld met ongecompliceerde personages, die hij regelrecht zonder remmen uit de fantastische verbeelding van zijn jonge jaren scheen op te delven.
Tom Bouws schreef daar over in zijn boekje Vlaanderen, o welig huis (Heideland 1962): «Mannen als Veremans en Van Reeth behouden iets kinderlijks, maar het maakt hen niet kinderachtig, Timmermans zou die argeloosheid niet hebben kunnen schrijven.»

Afscheid van het Leven
Tussen de twee wereldoorlogen werkte Felix Timmermans als bezeten. Hij publiceerde bijna 20 romans en bovendien een aantal verhalenbundels en toneelwerken.
Onder de bekendste De pastoor uit den bloeyenden wijngaerdt (1924), een verhaal dat ontstond uit een soort weddenschap met Van Reeth en Veremans tijdens een wandeling op Goede Vrijdag, toen Timmermans geconfronteerd met een biezonder lichtfenomeen in de ochtendlucht, meende een soort openbaring te beleven.
In 1935 verscheen Boerenpalm, een klinkend antwoord aan het adres van zijn critici die hem oppervlakkigheid en naïviteit verweten Een tweede meesterwerk, dat de autenticiteit van het talent van Felix Timmermans meer dan overtuigend bevestigde. De man die deze twee boeken schreef, wordt door Hubert Lampo gekarakteriseerd als «de grootste Vlaamse schrijver dezer eeuw».
Wellicht heeft Timmermans in die jaren te veel van zijn gestel gevergd. In 1940 kreeg hij af te rekenen met een hartkwaal die in de loop van de oorlog steeds erger zou worden. Tijdens de bezetting haastten de Duitsers zich te profiteren van de enorme populariteit van Timmermans, zowel in Vlaanderen als in Duitsland zelf.

In 1942 bedachten ze hem met de Rembrandt-prijs van de universiteit van Hamburg. En weer was Timmermans argeloos. Op 6 augustus 1944 werd Felix Timmerman; getroffen door een kransslagadertrombose. De dokters waren formeel ; hij moest elke inspanning en elke emotie vermijden.
Maar bij de bevrijding in september 1944 kreeg hij het etiket collaborateur naar het hoofd geslingerd.
Alleen zijn ziekte kon voorkomen dat hij gearresteerd werd. Geconfronteerd met deze verdachtmakingen, verloor hij definitief zijn kinderlijke argeloosheid. «Ik ben er zeker van dat hij alle lust om te leven verloor, toen de keiharde werkelijkheid hem van dat kostbare goed beroofde.» schrijft Bouws.
Met de moed der wanhoop voltooide Timmermans op zijn sterfbed zijn oeuvre.

Hij eindigde zijn Adriaan Brouwer (1948) met de hulp van zijn familie, het geromanceerde levensverhaal van de schilder, zoals die dat zelf op zijn sterfbed overschouwt. Een terugblik van Timmermans zelf op zijn eigen leven, in diezelfde omstandigheden, want hij wist dat hij zou sterven.

Des te ontroerender is zijn afscheid met de verzenbundel Adagio, waarin hij zich oog in oog met de vergankelijkheid van het leven toevertrouwt aan Gods wil.

***************

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Mon om 00:00 Reageer op dit bericht

Een ministadje uit de voltooid verleden tijd - Frans Verstreken

Een ministadje uit de voltooid verleden tijd
Het Lierse Begijnhof inspireerde de schrijvers en schilders

Door Frans Verstreken uit de Gazet van Antwerpen van 21/5/1978.

«Laatst brachten mijne stappen mij naar het Begijnhof. Ik wilde de stille, eenzame plaats wederzien, waar een deel mijner jeugdige jaren verliepen, het schilderachtige huisje terugvinden, waar ik mijn eerste onderwijs ontving. Groot was de teleurstelling! Ik vond nog wel de oude Begijntjes weder, maar ꞌt oud Begijnhof, helaas, niet meer. De geest onzer eeuw richtte ook hier zijne verwoestingen aan. De koorts van afbraak en vernieling, de dolheid om alles te moderniseren, hadden het heilige oord niet gespaard.»

In deze termen uitte Tony Bergmann een goede eeuw geleden zijn ontgoocheling over verbouwingen in het Lierse begijnhof, waar hij als knaapje lessen had gevolgd aan de Oordjesschool of het «établissement pour lꞌéducation des deux sexes» en er het oog sloeg op de lieve Bertha. Bergmann heeft met zijn nog steeds vlot leesbaar autobiografisch boek «Ernest Staas» de poorten van het begijnhof voor de literatuur opengezet.
Anderzijds liet Felix Timmermans «Juffrouw Symforosa», het begijntje dat verliefd werd op de tuinier, er haar «zeer schone uren ». dromen. Dit sublieme literaire juweeltje vol poëzie en verstilde humor, en Bergmanns onvolprezen Ernest Staas zijn de twee pieken waartussen zich plejaden letterkundigen hebben bewogen.
In «Pallieter» en in een paar andere verhalen van Timmermans duikt het begijnhof nog in de achtergrond op.
De beroemde Lierse schrijver, die achtereenvolgens in verscheidene huizen op het hof een werkkamer huurde, had voordien een reeks «Begijnhofsproken» gepubliceerd, in samenwerking met Antoon Thiry, die het miniatuurstadje eveneens betrok in zijn bundel «Onder Sinte Gommarus' Wake».

Een uitstekende vertegenwoordiger van de anekdotische vertelkunst was de jonggestorven Jozef Arras, wiens «Begijnensprookjes» door Timmermans werden verlucht.De ascetische auteur en jeugdbezieler Ernest van der Hallen, die door het Davidsfonds wordt herdacht naar aanleiding van de dertigste verj aring van zijn overlijden, hield lange tijd het piepkleine Ruusbroec - huisje aan de Hellestraat in huur. Daar schreef en vergaderde hij. Thans komen er dames samen, die er bij wijze van hobby aan het kantraam zitten om het oude Lierse kunstambacht in ere te houden.
Evenmin werd het begijnhof vergeten door Frans Verschoren, die met veel zin voor humor het kleinsteedse leventje schetste. Ten slotte denk ik aan poëzie van de Lierenaars Ernest de Weert, Karel de Winter en Walter Mets. Renaat Veremans vond er o.m. inspiratie in de openbare kruisweg, en Frans Boogaerts komponeerde zijn romantische liederen op een begijnhofkamer.

Naglans
Waarin schuilt de charme van het begijnhof als inspiratie bron voor de kunst ? De aparte, ommuurde stadswijk verrast de bezoeker door haar nauwe steegjes, onverwachte hoekjes en doorkijken, binnenkoertjes, besloten tuintjes en boogpoortjes met liefelijke huisnamen.
Men komt er onder de bekoring van de monumentale toegangspoort, de eigenaardige kalvarieberg en de openluchtkruisweg. De kerk met haar lantarentorentje rijst ietwat grootsprakerig op boven de neergehurkte huizen. Kunstenaars kunnen niet wegkijken van het steeds wisselende kleurenspel op de vaak grillige bouwsels, die als het ware organisch gegroeid lijken, zonder stedebouwkundige voorschriften.
Ondanks zijn aantrekkelijke verscheidenheid in de details, vertoont dit eiland van stilte een grote eenheid. Daarom geniet het ook globale bescherming als stedelijk landschap.
Precies zo'n dekor beantwoordde aan de verlangens der literaire en plastische stromingen van die dagen.

Bovendien is het Lierse begijnhof begunstigd door zijn ligging: de Nete,de (thans verdwenen) beemd en de (gevelde) olmenvest werden dan ook dankbaar beschreven en geschilderd. Tegen deze achtergrond leefden de begijnen. Schrijfstof werd geleverd door hun ongekompliceerde godsdienstbeoefening (overvloedig vermengd met folklore - elementen), hun kostwinning (kantwerk, ziekenverzorging, (hosties bakken), hun naïeve rekreatie (uitgangsdag, liedjes, spelletjes) en hun ambten (grootmeesteres, kosteres, portierster).
Door het vergrootglas van de verbeelding werd dit alles geaksentueerd en in de verf gezet.
Daarbuiten bevolkten de literatoren hun boeken met misdeelde stumperds en volkstypen, die men vroeger onder de hofbewoners aantrof.
De geestverwante Lierse heimat schrijvers — beurtelings realistisch observerend, estetizerend, impressionistisch schetsend en humoristisch typerend — voelden zich allen aangesproken door de intimiteit van dit archaïsche kader, dat tot het gebruik van verkleinwoorden uitnodigt.

Opsomer
Al wandelend door de smalle straatjes, passeren we vroegere schrijfkamers, ateliers, woonsten en inspiratiepunten van romanciers, novellisten, dichters, komponisten, schilders, grafici en tekenaars. Precies een eeuw geleden werd Isidoor Opsomer te Lier geboren. Aan zijn schilderwerk wordt thans in het Stedelijk Museum een herdenkingstentoonstelling gewijd. Gelijklopend toont men zijn grafisch oeuvre in galerij Konvent.
Tot kort na de eerste wereldoorlog riep deze artiest met een eerder getemperd palet het klimaat van het oude provinciestadje op.
Nadat hij in anekdotische taferelen ook het begijnhof voor de plastische kunst had ontdekt, wierpen talloze schilders zich op dit haast onuitputtelijk onderwerp. Er ontstond een ware begijnhofkultus, waarvan we de hoog bloei kunnen situeren tussen de jongste eeuwwisseling er de dertiger jaren. 
De intrede van het legertje artiesten leek bijna op een invasie. Citeren we Timmermans' intieme vriend architekt Flor van Reeth, intimistisch tekenaar en akwarellist, en de jonge en veelbelovende, maar in 1914 gesneuvelde luministische schilder Raymond de la Haye, die enkele platen van het begijnhof etste.

Beeldhouwer en schilder Gommaar van den Brande heeft er gewoond, evenals Frans Ros, gewaardeerd schilder van kerkinterieurs, en Fred Bogaerts, tekenaar van armoeizaaiers. Tevens hebben de kunstenaars Raphaëla van den Brande en Willem Aerts op het hof verbleven. Begijnhofdoeken werden eveneens geborsteld door Jos Tilleux, Felix de Winter, de gebroeders Jules en Theofiel Verstreken. En vergeten we de grote invloed niet, die er uitstraalde van de schilderklas van Oscar van Rompay in het «Soete Naemken».
Het ligt voor de hand dat ook Felix Timmermans veel heeft gewerkt op zijn vertrouwde begijnhof. Zijn tekeningen en schilderijen in felle «koleuren» zijn gekenmerkt door de ontwapend - spontane eenvoud van de volksprentkunst. Zijn dochter Tonet ontleende bewust - naïeve verbeeldingen aan het hof.
Ten slotte Lode Verhoeven, de enige kunstschilder die momenteel deze wijk bewoont. Zijn landschappen uit de omgeving en begijnhofgezichten in een helder koloriet zijn sfeer scheppend en optimistisch van toonaard.

2315903-e613b73d03946fc4e674eddf1fe917cd.png

Ook van over de rijksgrenzen kwamen artiesten naar Lier. De bekende Nederlander Anton Pieck verzorgde destijds een kunstmap met houtgravures van het stadje - in - de - stad, met toelichtende teksten van Felix Timmermans, wiens luxe - editie van «Pallieter» hij eveneens verluchtte. Hij liet zich bovenal bekoren door afgeschilferde muurtjes en melaatse gebouwen, gebukt onder de ouderdom.

Genezing
Niemand kan ontkennen dat het Lierse begijnhof langzaam maar meedogenloos aftakelt.
Enkele privé initiatieven van monumentenzorgers hebben een paar verziekte huizen gered.
Vooreerst is er het lichtende voorbeeld van Kunstkring Konvent, die het in 1712 uitgebreide gebouw, waar destijds jonge novicen hun proeftijd doorbrachten alvorens ze in de begijnenparochie werden opgenomen, met goede smaak heeft gerestaureerd. De voormalige huiskapel werd in een kunstgalerij herschapen.

Later voegde men er een aangrenzend vertrek en de fraaie zolder aan toe. Galerij Konvent is een begrip geworden voor het artistieke leven in Lier en het ommeland. 
De gilde «Heren van Lier» kwam na jaren hard werken zopas klaar met de restauratie van de verwaarloosde tweewoonst Sint - Walburgis, die achter een muurtje verdoken zit en de schilderachtige volksnaam «Piepenholleke» draagt. Het interieur werd opnieuw tot een geheel versmolten en verrijkt.
Laten we hopen dat deze twee prijzenwaardige bijdragen tot de revalorisatie van het hof een stimulerende invloed bij de overheid zullen hebben.
Weldra zal zich hierbij nog een derde vereniging aansluiten. Het wellicht meest gefotografeerde plekje in het centraal gelegen hoekhuis aan het Pompstraatje. Tegen het hoofdgebouw plakt een verrukkelijk aanbouwsel, dat opgesmukt wordt door een openbare pomp met siersmeedwerk. Alle wandelaars worden bekoord door dit ensemble dat de religieus - poëtische naam «De Benedictie des Heeren» draagt.
In het begin van de vijftiende eeuw stond dit gebouw reeds vermeld als een konvent, waar minder gegoede begijntjes een gemeenschappelijk onderkomen vonden.

Het huidige pand dateert uit 1617 en werd evenmin door de tijd gespaard. Het OCMW, dat eigenaar is, liet onlangs de bedaking herstellen. Thans is «De Benedictie» in huur genomen door Heemkring Lyrana (voorheen Lierse Heemkring Konvent). Deze vereniging wil haar lokaal, dat nieuwe perspectieven opent, in fazen opknappen maar daarbij de autenticiteit van een begijnenwoning respekteren.
Ten voordele van het restauratiefonds geeft de heemkring een reproduktie uit van een onderhoudende pentekening van de bekende Limburgse kunstenaar Steven Wilsens.
De prent werd met grote zorg in een beperkte oplage gedrukt op zwaar akwarelpapier.

Ze kost 350 fr. Voor postbestellingen 50 fr. toeslag voor verpakkings- en verzendingskosten (bankrekening 405 - 1021001 - 10 op naam van Heemkring Lyrana met vermelding Begijnhofprent Steven).

Heemkring Lyrana houdt zijn eerste open deur dagen op 27 en 28 mei en op 3, 4,10 en 11 juni (zaterdags van 14 tot 18 u., zondags van 10 tot 12 u. en van 14 tot 18 u.). Dit gaat gepaard met een bescheiden tentoonstelling «Vettigen Teen nodigt uit...», omdat de laatste bewoner Jos Henderyckx was, die de hoofdrol vertolkte in de TV- film «Onze - Lieve - Vrouw der Visschen». Naast foto's, boeken en dokumenten worden poppen en dekors getoond van het «Poppentejater Duim» uit Mortsel dat een bewerking van dit Timmermans verhaal op zijn repertoire heeft staan.

De grote Lierse schrijver prees het begijnhof als de amandelboon van Lier. Met stille weemoed bezong hij de zwetende «klamme huizekens» : «Moe van zoveel eeuwen te staan, hangen de muurkens voorover, en als de kreunende poortjes opengaan, laten ze frisse hofkens zien die de aankondiging aan Maria verwachten.»

2315903-93a9605d20e0a5a282decdd55bdaabf9.jpg

De Limburger Steven Wilsens is met zijn vliegend tapijt boven het Netedal ter hoogte van de peperbus van Gummarus blijven hangen om «Het Lierse begijnhof en de wonderbare visvangst» op papier te zetten.
Met een amusante syntese van het ministadje als achtergrond illustreerde de cartoonist het bekende Timmermans verhaal van bootvisser Vettigen Teen.
Deze prent wordt thans door Heemkring Lyrana op groot formaat en in een beperkte oplagen uitgegeven.

********

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Mon om 17:31 Reageer op dit bericht

Felix Timmermans, Tekenaar en Schilder - Denijs Peeters

Felix Timmermans, Tekenaar en Schilder
Door Denijs Peeters

Door redactie van Artistenblad van januari 1956

Wat het Davidsfonds voor ons volk betekenthoeft niet meer bewezen te worden. Reeds meer dan 75 jaar heeft het door zijn gezonde en degelijke lektuur ontzaglijk bijgedragen tot de kulturele verheffing van onze Vlaamse mensen. De laatste jaren werd de uitgave aanzienlijk uitgebreid door de vele keurboeken. Als goede opvoeders hebben de uitgevers immers begrepen dat niet alleen ontspanningslektuur mocht gegeven worden, ook nu en dan een steviger brok kan geen kwaad. Op artistiek gebied denken we o.m. aan de uitstekende studies over Hendrik Conscience en het volksleven, Ernest Claes, Ernest van der Hallen, Dieric Bouts, De boer in de kunst, Shelley, en nu pas nog over Dante en de Divina Commedia.
De laatste Belleman van het Davidsfonds (herfst 1955) kondigt ons naast een werk van Dr. A. Stubbe over Albert Servaes, ook en vooral een kunsthistorische studie van Denijs Peeters over « Felix Timmermans, tekenaar en schilder ». Wat de naam Denijs Peeters betekent weet iedereen die op de hoogte is van de kunstkritiek ; wat de naam Davidsfonds betekent weet iedereen in Vlaanderen ; maar wat de naam Felix Timmermans betekent kan men bevragen zowel in Holland als in Zuid-Afrika,. in de U.S.A. zowel als in Brazilië, in Finland zowel als in de Balkan, in Indië zowel als in Japan.

2314325-a9516301dd9182dc092943355de79666.jpg

Daarom noemen we het zo'n verheugend feit het verschijnen van dit nieuwe werk over de schone kunstenaar Felix Timmermans (het elfde na zijn dood!). Er zijn zoveel bekoorlijke facetten te bestuderen dat het nog jaren vergen zal eer we eens de volledige syntese van deze rijke persoonlijkheid in handen zullen hebben.

Ondertussen juichen wij van harte deze nieuwe studie toe, die een zeer belangrijk aspekt van zijn kunstenaarschap onder de loep neemt. Ik weet weldat dit nu niet voor de eerste keer geschiedt. Het eerste artikel over Timmermans grafische bedrijvigheid verscheen in Het Vlaamse Land van 26 maart 1921, geschreven door zijn goede vriend Flor van Reeth. Daarna verschenen er regelmatig hier en elders artikels over hetzelfde onderwerp in de tijdschriften. In 1935 kwam te Berlijn het boek uit van Dr Adolf von Hatzfeld « Felix Timmermans Dichter und Zeichner seines Volkes », met 75 foto's en reproducties.

Maar uitgenomen de korte bijdrage van Felix Timmermans zelf en een van Dr Karl Jacobs werd er over de schilder en tekenaar verder geen woord gerept. In de latere werken van Dr Karl Jacobs (1949), Lia Timmermans (1951) en Bert Verbist (1953) werd er ook een hoofdstuk aan gewijd. Een systematische studie echter was nog niet geschreven.

Denijs Peeters heeft thans die leemte aangevuld.

« Hoe men Schilder wordt »
Felix Timmermans als tekenaar en schilder ; wat is daar niet over te vertellen ! De tekenlust en de liefde voor hevige kleuren was hem van jongs af in het bloed gegoten. Geen papier of lege plek, of er stond seffens een manneke op, een molen of een bloem, een vogel of een hond. Als ze thuis de kleine pagadder een hele dag muisstil wilden houden, moesten ze hem maar veel papier en veel kleurpotloden in de hand stoppen. Voor zijn weinige spaarcenten ging hij de sterkgekleurde Epinal-prenten kopen om die daarna te kunnen aftekenen, liefst met nog schreeuwender kleuren. Enige jaren later viel hem bij toeval het boek van Consciense « Hoe men schilder wordt » in handen !
De daad bij het woord voegend, gaat hij als jongen van een jaar of dertien, zonder toestemming van zijn ouders, met een kameraadje naar het Antwerps Museum om die machtige meesterwerken van dichterbij te kunnen zien. De indruk was zo overweldigend dat zijn droom erbij bezweek. Maar daar zag hij in een andere zaal het werk van Bruegel, onze Vlaamse Bruegel. Men had kunnen spreken van een liefde-op-het-eerste zicht.

Die ontmoeting zou een onuitwisbare indruk achterlaten.

Als leerling aan de Ecole moyenne was Felix Timmermans geen uitblinker. Hij wachtte maar naar het teken van de bel, want dan mocht hij naar de avondlessen aan de Lierse Tekenakademie. Daar was er geen spraak van verveling. Hij zou het nooit over zijn hart gekregen hebben ook maar één les over te slaan. Het was te boeiend wat hij daar te zien en te doen kreeg. Na de inleidende oefeningen leerde bij er de Grieks-Romeinse klassieke beelden natekenen met boskool en zwart krijt. Toen hij het tekenen onder de knie had, begonnen ze met het schilderwerk naar reprodukties. De Italiaanse en Vlaamse Primitiever, en vooral Bruegel natuurlijk, bekoorden hem weldra meer dan heel die godenwinkel der Oudheid en Renaissance. Nadien had hij normaal zijn studies te Antwerpen moeten voortzetten. maar... Felix Timmermans had niet veel goesting om iedere morgen om half zeven op te staan. Ging zo zijn carrière als kunstschilder teniet, langs de andere kant is hij zo bewaard gebleven voer de literatuur.

Berijmde Schilderijkes.
Vanaf 1901 dateren zijn eerste pennevruchten ; in 1901 verscheen zijn eerste artikel ; in 1907 zijn eerste verzenbundel « Door de dagen ». De gedichtjes die enkel dokumentaire waarde bezitten, heetten ook « Berijmde schilderijkes ». En daarmee heeft Felix Timmermans van meet af aan heel zijn later werk gekarakteriseerd. Het is inderdaad, zoals Dr Karl Jacobs het zo raak zegt :« De verteller en de schilder Timmermans zijn niet van elkaar te scheiden ; ze zijn mond en ogen van hetzelfde scheppende hart ». In zijn Rommel-kas-verhaal openbaart Felix Timmermans ons welke nood hij gevoelde aan zijn visuele verbeelding : « Alles wat ik zie beschrijf ik, de minste kleur, elk gebaar van mens en dier, 't bewegen van bomen en wolken, ꞌn rimpel op de Nete, maar ik moet het eerst kristalhelder in mijn verbeelding zien. Schrijf ik weinig of veel over iets, 'k moet het alles eerst duidelijk zien ».

Koleuren. Koleuren !
In de jaren vóór de eerste wereldoorlog behoorde Felix Timmermans natuurlijk tot de groep der jonge Lierse kunstenaars. De schilders waren het talrijkst vertegenwoordigd: Isidoor Opsomer, Raymond De la Haye, Fred Bogaerts, Frans Ros, Flor van Reeth. Onder hun invloed zal Felix Timmermans nog meer de waarde van de schilderkunst leren beseffen.
Wat zij op hun panelen penseelden, zou hij met de woordkunst trachten weer te geven. We hoeven maar eens boeken als Pallieter en Het Kindeken Jezus in Vlaanderen te doorbladeren om terstonds op te merken met hoeveel kleur-nuanties Felix Timmermans te werk is gegaan.
« Koleuren, koleuren is alles in alles ! » zal Pallieter uitroepen. De verbinding tekenaar-verteller wordt nog klaarder, wanneer Timmermans zijn eigen werken gaat illustreren. Wie kent ze niet die typische, frisse vignetjes in tal van zijn boeken ? De reeks gaat vanaf Pallieter (1916) tot Bij de Krahbekoker (1934 ). Bij de latere werken als Boerenpsalm, Ik zag Cecilia komen, De familie Hernat en Adriaan Brouwer is nog alleen het titelblad versierd. Waar hij echter nog zuiver verteller bleef als in de eerste bundel Vertelsels. Minneke Poes en Een lepel herinneringen treffen wij ze weer aan. Vooral dit laatste werkje is zeer interessant omdat het in facsimilédruk uitgegeven met het eigenaardig handschrift, verbeteringen en vignetjes in de tekst verwerkt.

Buiten zijn eigen voortbrengselen illustreerde hij ook werken van Ernest Claes, Ernest van der Hallen, Tony Bergmann, e. a. Naast dit eenvoudige tekenwerk was hij ook etser, hout- en linosnijder, akwarellist en pastelschilder. Vooral dit laatste wekt onze belangstelling. « Schilderen en tekenen ik ben er door bezeten.
Ik versta nog altijd niet waarom ik geen schilder geworden ben in plaats van schrijver...» getuigt hij.
Is deze voorliefde te verklaren door het feit dat hij bij het schilderen nooit moest zoeken naar de vorm, maar onmiddellijk zijn idee kon uitwerken. Vandaar die grote haast bij het schilderen, waar hij bij het schrijven jaren nodig had voor een boek, en tienmaal een bladzijde kon herschrijven als het moest.
Zo begrijpen wij beter dat andere woord van hem : «Schrijven doe ik omdat het moet, schilderen doe ik om mijn plezier».

Felix Timmermans was te open van geest om genoeg te weten hoeveel zijn schilderwerk waard was ; hij deed het meer uit liefhebberij dan om echte kunstwerken te vervaardigen. Nu mogen we toch ook niet denken dat zijn schilderwerk een hobby was zonder meer. Ook daar laat de kunstenaar zich zien niet zo geniaal weliswaar als in zijn literair werk maar toch even persoonlijk, even zintuigelijk, even kleurig, even volks.
Hier en daar treffen we zelfs een meesterstukje in zijn genre aan.

Het Werk der Anderen.
Wat volgens de Belleman, de schrijver in zijn studie gelukkig niet vergeten heeft, is het belangrijk aspekt : Timmermans als bewonderaar van andermans werken. Felix Timmermans was te zeer kunstenaar tot in zijn vingertoppen, om niet de kunstwerken van anderen naar hun volle waarde te kunnen schatten. Hij haalt ergens het woord van Emiel Verhaeren aan : « Admirez-vous les uns les autres».
En bewonderen, dat kon Timmermans ! We wezen reeds op zijn jeugdige geestdriftige bewondering voor Rubens, en daarna vooral voor Bruegel, die het idool van heel zijn leven zou worden. Zou hij een dag hebben laten voorbijgaan zonder er van te spreken!
Wat er ook van zij, belangwekkend zijn in ieder geval de biografie, het toneelstuk, de redevoeringen, artikels en bijdragen over de geliefde Meester. Voeg daarbij de biografische roman over Adriaan Brouwer en de eerste uitwerking van zijn voorgenomen werk over Jan Van Eyck.
Lees zijn bewonderende Italiëreis van 1925 in « Naar waar de appelsienen groeien ».
Verder hetgeen hij sprak en schreef over Fred Bogaerts, Isidoor Opsomer, Flor van Reeth, Anton Pieck, Albert Saverijs, Oskar van Rompay.

Dit alles en nog veel meer zal behandeld worden in dit boek. Dat het een degelijke studie zal zijn, weten zij die de monografieën van Denijs Peeters over Maurits van Reeth, Frans van Immerseel en Eugeen Yoors onder handen gehad hebben. Dat het boek zeer goed verzorgd zal zijn wat betreft typografie en illustraties, mogen we met reden veronderstellen van het Davidsfonds. Dat het onderwerp tenslotte zeer boeiend en leerrijk is, daar staat de naam Felix Timmermans borg voor.
Als eerste voorbereiding op het grote Timmermans-jaar 1957, kunnen we ons slechts om deze publikatie verheugen.

**************

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Mon om 17:24 Reageer op dit bericht

In defence of Timmermans - Godfried Bomans

In defence of Timmermans

Door Godfried Bomans uit Elsevier van 3-12-1966

2313944-032b2cc936860b03048302d991c3498f.jpg

Wie in Lier rondloopt en daar nog iets hoopt terug te vinden van wat Felix Timmermans er destijds heeft ingestopt, die komt van een kouwe kermis thuis. Ik zeg "ingestopt", want ik geloof dat het er in Timmermans' tijd ook niet was. Ik had dezelfde ervaring met Delft.
Daar zat Dirk Coster zijn handen te warmen boven een vuur, dat al lang was uitgegaan.
Hij schreef over het "Delftse licht" en de "mystiek van Delft", maar als je er kwam moest je alleen maar goed uitkijken dat je niet overreden werd. Zodra er van een stadje geschreven wordt dat er iets heel teers te beleven valt kun je er donder op zeggen dat het verdwenen is.
De reden hiervan is duidelijk. Het "typische" wordt pas opgemerkt als het een tegenstelling vormt met de wereld er omheen. Precies vanaf dat moment heeft dat hele bijzondere geen eigen existentie meer.
Het is er louter als contrastverschijnsel en dat is geen bestaansgrond.

Met klederdrachten gaat het net zo. Als een dracht wordt "aardig" gevonden betekent dit dat alle andere mensen in gewone kleren lopen. Zo'n pakje is gedoemd te verdwijnen. Je kunt het nog even rekken omdat het inderdaad wel aardig is en ook toeristen trekt, maar hetgaat onherroepelijk voor de bijl.
Het is, waar het ook gedragen wordt, een Volendams buisje geworden. Zo staat het ook met Lier. Je springt er nerveus over de zebrapaden van het ene geveltje naar het andere en dankt God dat je het weer gehaald hebt.
En intussen komt de gedachte op: hoe heeft Timmermans dat klaargespeeld?
Het antwoord is, dat Timmermans zijn ogen heeft dicht gedaan. Hij zag in het binnenste van zijn hoofd een visioen van Lier en heeft zich toen vast voorgenomen het zo te houden.
Lier is gewoon een bladzijde uit zijn werk. hij heeft het hele stadje zelf geschreven.

 

Hij was, behalve de architect, ook de enige inwoner. Maar zo groot is de macht van een schrijver, dat dit beeld van Lier voor altijd bevroren werd. Begijntjes, populieren, de kasseien op straat en de vriendelijke onderpastoors, die zich monkelend over die kinderhoofdjes van de ene kleurige parochiaan naar de andere begaven, ze zijn er allemaal niet geweest. En voor zover hij die dingen heeft opgemerkt is dit een bewijs, datze al op sterven lagen. De mensen vóór Timmermans, die daar allemaal niets van gezien hebben, die leefden er middenin. Ze zagen het niet, omdat het hun gewone leven was. Pas toen het 't leven van destijds werd en zich als lief begon af te tekenen, "zag" Timmermans het. Maar toen was het te laat. Te laat voor de toerist wel te verstaan. Niet te laat voor Timmermans. Voor hem was het er allemaal, in een schitterende fictie en oneindig veel mooier dan wanneer het er werkelijk geweest was. Geen realiteit haalt het bij de gedachte. Het is toch een ongehoorde prestatie wat die man geleverd heeft! Want juist de bittere teleurstelling van Lier is een enorme hulde aan "den Fé". Hij heeft die verwachting dan toch maar gewekt. Ik weet weinig van hem af, maar ik vermoed dat hij hier geboren werd en in zijn vroegste jeugd iets daarvan "geroken" heeft, zoals hij het zelf zou hebben uitgedrukt.

Hij heeft daar toen niets bijzonders in gezien en misschien was het dat ook niet. Het is mogelijk, dat Timmermans een stukje van dat middeleeuwse leven als de normale werkelijkheid ervaren heeft. Het is ook mogelijk, dat hij als kind reeds dat wonderlijk vermogen bezat om de dingen, die daarmee in tegenspraak waren, eenvoudig niet binnen de cirkel van zijn waarneming toe te laten. In beide gevallen is het resultaat hetzelfde: een lieve, innige wereld, waarin God hetlaatste woord had. De mensen met hun kleine hebbelijkheden hurkten in hun rode pannehuisjes onder de Sint Gommarustoren, daarbuiten begon het gras en zongen de vogels en nog weer verder schenen Antwerpen en Brussel te liggen, maar dat had men alleen van horen zeggen.

Let eens op hoe in het werk van Timmermans radio, telefoon, auto's en vliegtuigen geen enkele rol spelen, terwijl al die zaken wel degelijk omhem heen bestonden. Fabrieken, kantoren, lichtreclames, glas, staal en beton, heel die werkelijkheid ignoreert hij rustig en in plaats daarvan tovert hij zijn eigen kabouterachtige wereld te voorschijn. Hij heeft over Lier een glazen stolp gezet en al die geluiden buitengesloten. Het is er stil. Aandachtig en in zichzelf verzonken schuifelen zijn mensen door de kromme straatjes en heffen af en toe het hoofd op om naar een leeuwerik te luisteren. Want de stolp is hoog. Hij reikt tot de hemel. God zit er ook nog in. Maar zijn omtrek is klein, de Nethe valt er nog net binnen. Daarbuiten is de Boze Wereld. Om de enkele "stadsmensen" die hij in zijn boeken toelaat hangt een bang vermoeden van slechtheid. De pastoors schudden het hoofd als die mannen voorbijkomen.
Dat kon wel eens mis gaan. Het gaat ook meestal mis. Klein is Timmermansꞌ wereld, maar hoe dicht van atmosfeer! Hij was een magiër in woorden en zo sterk is de suggestie, waarin hij Lier gevangen heeft, dat men verbaasd staat als men er werkelijk komt. Het klopt helemaal niet, men herkent het stadje nauwelijks. Wie uit die vreemde antiseptische wereld van Timmermans het echte Lier binnengaat merkt pas goed wat een kunstenaar hij was.

Men ziet daar alles wat hij geschrapt heeft: bussen, bioscopen, warenhuizen, stoplichten en motorfietsen, het blijkt er allemaal te zijn. En van wat hij heeft opgeroepen is bijna niets aanwezig. Was het er toen? Ik vermoed van evenmin. Iets meer misschien, want de wereld wordt elk jaar kaler, maar niet veel. Timmermans heeft het eenvoudig zó willen zien en door een mate van autosuggestie, waarover alleen kinderen beschikken, was het er ook. En hier zijn we aan 'n lichtpunt gekomen in dit wonderlijke raadsel hij was een kind. Hij zag het moderne leven om zich heen als duisternis en had daar angst voor. Hij was, zoals alle kinderen zijn, "bang voor donker".
Het lieve en vertrouwde, dat hij in zijn jeugd gekend had, wilde hij prolongeren en hij liet de chaos van daarbuiten niet toe. Eenmaal heeft die hem bedreigd, vlak na zijn puberteit, toen hij voor de keuze stond volwassen te worden of zo te blijven. Hij noemde dit later zijn "zwarte tijd".

Plotseling stond hij voor de demonen van zijn eigen generatie: de angst, de twijfel, de verscheurdheid.
Een vreselijk doodsverlangen overviel hem en hij redde zich op het nippertje doordie geesten uit te bannen in zijn eerste boekje: "Schemeringen van de dood". Men herkent er de latere Timmermans volstrekt niet in. Geen wonder. Het was een afrekening. Wat men er wel in ziet is wat hij had kunnen worden, als hij de moed bezeten had om daar doorheen te gaan.
Vermoedelijk een zeer groot schrijver. Dat is hij nu ook, maar van een beperkt bereik.
Felix Timmermans is een felle lamp geworden binnen een te kleine cirkel. Hij had het in zich een veel wijdere lichtkrans te werpen, maar hij dook weg in Lier. Wat hij daar gedaan heeft is niet gering.
Verhalen als "De zeer schone uren van juffrouw Symforosa" zijn parels van vertelkunst. Maar tegelijk heeft het ꞌt kneuterige van een geest, die een bredere vleugelslag had en weigert op te vliegen. Er zit iets van escapisme in al zijn werk, van de man die vrijwilligde ogen sluit.

Dit verklaart ook zijn houding in de bezetting. De feiten zijn bekend. Hij ontving officieren van de Weermacht als die een handtekening wilden hebben in de Duitse vertaling van Pallieter of Boerenpsalm en aanvaardde de prijs van de stad Hamburg, die door Antoon Coolen geweigerd was.
Meer is er niet gebeurd. De gelijkenis met Wodehouse is niettemin treffend. Ik bedoel niet in daden, want Wodehouse heeft veel erger dingen gedaan, maar in gesteldheid. Wodehouse was ook een man, die op een bepaald punt in zijn ontwikkeling is blijven staan. Wie hem gelezen heeft kent dit punt: de wereld van onthande Lords en statige butlers, die in een vreemde verstarring door al zijn boeken lopen, compleet met monocles, rijzweep en pandjesjas. Heel die wereld was al lang vergaan toen Wodehouse begon te schrijven, maar precies als Timmermans heeft Wodehouse dit verdwijnen eenvoudig niet aanvaard.

Hij ging door alsof er niets gebeurd was.
In die vreemde hallucinatie behoort ook een oorlog tot de gebeurtenissen, die geïgnoreerd dienen te worden, omdat ze het eenmaal gekozen wereldbeeld verstoren. Dergelijke geboren escapisten zijn geen verraders. Het zijn kinderen met angst voor het donker. Ze willen alles vriendelijk houden, ze kunnen geen "nee" zeggen enze menen dat ook de andere partij met vriendelijke bedoelingen vervuld is. Wie bet geval Wodehouse helemaal wil kennen moet het meesterlijk essay van George Orwell "In defence of Wodehouse" eens lezen. Zijn hele betoog is ook op Timmermans van toepassing. Wie meent dat Timmermans op eigen voordeel uit was begrijpt hem niet. Hij zat gevangen in de atmosfeer van Lier, waar men een uitgestoken hand met warmte drukt.
Dat daar toevallig een soldaat aan vastzat was "politiek". 
En politiek hoorde tot de talrijke duistere bedrijven, die zich ergens buiten Lier voltrokken.

"Ik had daar geen gedacht van", zei hij mij, precies een week voor hij stierf.
Hij meende dat. 
Het was helaas ook waar.
Na de bevrijding heeft Timmermans de tol betaald voor zijn vrijwillige begrenzing. De oorlog vraagt om een volwassen houding en hij was daarvoor niet toegerust. Met diep verdriet en in oprechte verbazing heeft hij de verguizing ondergaan, die plotseling boven zijn krullekop losbarstte.
Hij stond verbijsterd. "Ik ben toch het Vlaamse volk altijd welgezind geweest". Volkomen waar. Hij heeft met gulle hand gegeven, zijn hele leven lang. Dat hij die hand een keer had moeten dichthouden en er een vuist van maken, dat heeft hij niet begrepen. Eren wij hem nochtans om wat hij wèl begreep. Het is veel geweest.

********

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Mon om 00:00 Reageer op dit bericht

Hoe Pallieter werd onthaald door Nederlands publiek - Karel van den Oever

Hoe Pallieter werd onthaald door het Nederlandse publiek
Brieven uit het familiearchief

Door Karel van den Oever uit De Standaard van 5-02-1957.

2312240-901066f22c4639be33f8796cd81c1627.jpg

Nu het tien jaar geleden is dat Felix Timmermans stierf en overal huldeartikelen over zijn leven en werk verschijnen, is hel wel interessant een paar brieven bij de dokumentatie te voegen, die een oorspronkelijke kijk bieden op de eerste periode van Timmermans, toen hij juist bekend was geraakt door Pallieter. De brieven werden geschreven door de letterkundige Karel van den Oever aan zijn broeder Korneel. De dichter bevond zich toen in Nederland en was getuige van de eerste reakties van het Nederlandse publiek op de verschijning van Pallieter. Wij laten hier beide brieven volgen :

* * * * * * * *

Baarn, 3 maart 1919.

Ik heb Timmermans hier uitgenodigd om over zijn «Pallieter» te komen spreken. Reuzesukses! Het Baarns intellekt was er, en de zaal te klein. We hebben zitten lachen om al de geestigheid die geen Hollander kan nadoen ; en dan die droogbedaard humoristische mimiek van Felix, die over Charlotte vertelt gelijk Vermandere over Van Zon. Wat zijn wij toch sappige Uilenspiegels! Niet elk Baarner loopt met «Pallieter » en « 't Kindeke Jezus » mee. Ze zitten hier in kategorieën. Socialisten zijn erg Pallieteriaans en liberalen zelfs veel enger dan katolieken-van-het-Dogma.
Een brave liberaal, met plooien in het voorhoofd als ravijnen, zei mij dat «Pallieter». « La Terre » van Zola was! Katolieken — niet allen — en Protestanten vinden « Pallieter » een «heidens boek».
«Pallieter is een verderfelijke libertijn, een pantheïst een monist», «een gruwel voor de religie, waarvan hij een karikatuur geeft». Zij vinden het «Kindeke Jezus» een «profanatie». Er is hier de laatste tijd een hele strijd geweest, waarin zelfs Persijn gemengd werd.

De dag vóór de lezing kreeg ik van de anti-Pallieter-familie Steenhoff op mijn kop dat Timmermans enkele dagen geleden te Hilversum in zijn lezing de « confessio-publica» zou gedaan hebben ener «onzedelijkheid» die tot de intieme consciëntie moest blijven behoren. Ge begrijpt mijn onrust.
Maar Felix protesteerde bij mij, en in zijn lezing was er volstrekt niets «onzedelijks» te ondervinden.
Dit was een groot sukses voor mijn, de uitnodiger, en voor de katolieke familie Sterneberg, die de lezing finantieel dekte. Het is alleszins te betreuren dat uit deze vergadering — die toch door Roomsen op touw gezet was — zoveel Roomsen wegbleven uit opzettelijk vooroordeel en verkeerde voorlichting. (Gelukkig op één manier, die wegblijverij, want de zaal zou niet groot genoeg geweest zijn).
De « muur van fatsoen » die hier zo preuts opgetrokken werd rond de lezing van Timmermans, heeft de schone katolieke etiek geschaad : men heeft de gemoederen in verwarring gebracht door grote levenszinnelijkheid met bestiale pornographie op één lijn te insinueren, alsof er geen onderscheid was tussen Rubens en Félicien Rops, tussen Timmermans en Zola.

Wie Timmermans kent, weet genoeg hoe hij zelf verbaasd stond om al de « stelsels » en al de «wanbedoelingen» die men hem, och arme, aanwreef. Timmermans heeft nooit aan monisme gedacht, toen hij Pallieter schreef en ook niet aan een libertijns boek tegen het geloof. Hij heeft er zijn zottigheid eens in uitgeleefd, op zijn Reynaerts, op zijn Uilenspiegels, op zijn Breugels, en al de zwaardoende beschouwingen langs deze of gene kant zijn overdreven. Ik persoonlijk geniet aan de «levende ziel» van dit werk en plaats af en toe een distinguo omdat ik katoliek ben. Maar dit is nu weer het plezante dat het «fatsoenlijke» Holland ofwel erg buiten — zijn — fatsoen springt om zo een boek, dat geen enkel Hollander schrijven kan, ofwel nog erger aan fatsoen gaat doen om de «onfatsoenlijkheid» te remmen der anti-klerikalen, die het zo wat tegen ons geloof uitspelen.
Timmermans is er ver vandaan — zoals hij mij zegt — in zijn «Pallieter» alles «maagdelijke schoonheid en onschuld » te vinden, en in zijn «Kindeke Jezus» alles «bijbelse stiptheid» maar noch het één is een «heidens boek», noch het ander een« profanatie », en waar hij in het één zondigde was het uit ongedwongen levensreaktie, terwijl hij in het ander zich eenvoudig vergiste uit «domheid». (Eigen erkenning!) zoals Primitieve Vlaamse schilders zich vergisten... 
En de Timmermans-zaak gaat voort!...

* * * * * * *

2312240-f1417b495359a63c319f76136f2489b1.jpg

Baarn, 12 maart 1919.

We zitten hier nog volop in het pro- en anti-Pallieter, en het pro-Kindeke Jezus en het anti-Kindeke; Jezus» waartoe — het schijnt vreemd als ge de laatste kwalificatie hoort — de « integrale » Roomsen behoren, die zich de broek niet willen laten afdoen in orthodoxie door welke Protestant ook. Het «Kindeke Jezus» van Timmermans is volgens hen afschuwelijk, ergerniswekkend, profanerend, vol gebrek aan eerbied : de H. Maagd is een gruwelijke misrekening, «de H. Jozef een « zeer gewoon biggenboertje», enz. In één woord : als Pallieter « een heidens boek is », dan is het «Kindeke Jezus» effenaf een « profanatie ».
Uit die verwoede klasse Puriteinen noem ik mevrouw Albertine Steenhoff en mijn vriend de h. Pieter Steenhoff, de Jezuïet Gielen en anderen. Langs de bewonderaars die zo streng de lijn niet trekken, noem ik — à part ma petite personne — pater Molkenboer, de Dominikaan de Kapucijner Maximilianus, die beiden er mooie studies over schreven in « De Beiaard » en « De Maasbode », Maria Viola, Edw. Brom en anderen.
Ge ziet : zoveel Brom en anderen. Ge ziet zoveel hoofden, zoveel zinnen. En het mooist van de grap : de uitbundigste aanbidders van Felix zijn, tussen door, de Amsterdamse joden uit de Jordaan, die met tientallen naar elke lezing gaan luisteren die Felix over de wordingsgeschiedenis van dit boek in Amsterdam geeft.

Ook sprak Felix daarover in Baarn zelf, voor een eivolle zaal met zeer gemengd publiek, en ik moet bekennen dat niemand er aanstoot aan nam. Integendeel, over het ontstaan van « Het Kindeke Jezus» wist hij zo rooms te vertellen, dat menig andersdenkende mij kwam zeggen hoe hij er door gesticht werd. Verbeeld u dat Timmermans de blijde en droeve mysteries van de Rozenkrans begon uit te leggen als de «schilderijkens» die in zijn geest bleven en de oorzaak werden van dit «profanerend» boek.
Voor mijn paart meen ik dat er in Holland nergens een katoliek causeur optreedt die voor een gemengd gezelschap het zo ver drijft. Felix had daarbij zijn kerkboek in zijn zak, waaruit hij, na afloop der causerie aan een belangstellende toonde hoe de Rozenkrans bij ons in Vlaanderen gelezen wordt.
En daar pas zijn weer de poppen aan het dansen geraakt, nu Mevr. Steenhoff even in « het Centrum » een afkeurend woord over dit Jezusverhaal, 't Kindeke Jezus uitsprak, ten behoeve van jonge meisjes en vrouwen, die zulk boek al te graag in de heilige vastentijd lezen. En ik heb nu mijn kritische pen op het papier gezet om te tonen dat de H. Maagd-figuur in Timmermans veel overeenkomst heeft met die in «Het Leven der H. Maagd» varn Anna Catharina Emmerich. Het wordt immers Timmermans als een grief gerekend dat hij O. L. Vrouw uitbeeldt als een «zwakke vrouw», terwijl zij toch in de H. Schrift de « sterke » is.

Maar aan voorbeelden uit Emmerich toon ik aan dat Timmermans én Emmerich beiden de natuurlijke zwakheden der Heilige Maagd niet verbergen, en ik stel het dilemma : ofwel is Emmerich profanerend, en dan is Timmermans het ook, ofwel is zij het niet, en dan is Timmermans het evenmin!
Ik schreef U op 3 maart dat volgens sommigen Timmermans onder lezing de confesso pubblica zou gedaan hebben van een jongelingsfout die tot de intieme consciëntie had moeten blijven behoren, en dit alles, zo vertelde mij Persyn, omdat Timmermans gesproken had dat «Pallieter de vrucht was van een verkeerd leven».
In die zin namelijk dat theosophie en okkultisme hem geheel van streek hadden gebracht. Men had er een «seksueel feit» willen door verstaan!

De pastoor van Baarn heeft mij het mooie boek van Timmermans « Het Kindeke Jezus in Vlaanderen » cadeau gedaan. « Ik heb er niet veel aan, zei hij, ik verkies het bijbels verhaal. » Natuurlijk, ik ook! Die Hollanders snappen niet veel van onze Vlaamse kunst, ze komen er nooit achter ; hun beoordelingen zijn ook zo «tragisch» over Timmermans : ze zoeken er allerlei systemen achter. En dan worden zij zo pedagogisch-wijs, zo geleerd...
Verontschuldig mij om deze lange brief. Hollandse redeneerzucht zit ook al in mij. Een echte plaag.

Uw Karel

********

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Mon om 15:38 Reageer op dit bericht

Adriaan Brouwer - Sirius

Felix Timmermans – Adriaan Brouwer
Felix Timmermans -Anton Thiry – Begijnhofsproken

Door Sirius uit De Standaard van 9-01-1949

Tussen de thans postuum verschenen « Adriaan Brouwer » en de in samenwerking met Antoon Thiry geschreven «Begijnhofsproken,» waarvan een herdruk voorligt, schuift zich zo goed als gans het werk van de betreurde Felix Timmermans in. Een veertigtal jaren scheiden dit vroege geschrift van het laatste, jaren van een onafgebroken productiviteit, die ons enkele der voornaamste verhalen onzer moderne letteren heeft bezorgd.

2311259-7b6366b0e41fb201b78d52486d3f4960.jpg

Heeft in die vier decennia Timmermans heel wat weg afgelegd, toch is het niet moeilijk verwantschap tussen de «Begijnhofsproken» en «Adriaan Brouwer» te onderkennen, — het bezwaarlijk afscheidbare aandeel van Thiry in eerst genoemd boek buiten beschouwing gelaten.

Ofschoon sterk geëvolueerd, is het essentiële bij een schrijver, de stijl, in feite weinig veranderd : reeds in de Begijnhofsproken vindt men dit kernachtig-volkse, dit beeldrijke, ook dit min of meer pittoresk-folkloristische, alles elementen die zich later bij Timmermans in hoge mate zouden ontwikkelen en de wezenlijkste kenmerken zouden vormen van zijn zo fel uitgesproken persoonlijkheid.
Wij hoeven het ons niet te ontveinzen, dat die kenmerken niet door een ieder als kwaliteiten zijn gehuldigd geworden. Ik geef grif toe, dat Timmermans er wel eensmeer van schijnt gevraagd te hebben dan ze op zichzelf geven kunnen. Met stijl, anders gezegd expressiewijze, hoe persoonlijk ook, is niet alles gezegd, zelfs als deze laatste aller goedkeuring en bewondering mocht wegdragen. Er is o.m. nog de breedheid van visie, de intensiteit van levensgevoel en geestelijke levensdoordringing en het is niet te ontkennen dat zelfs in onze letteren andere romanschrijvers Timmermans in zake penetratie der levensverschijnselen en -conflicten, zo psychologisch als sociaal, aanzienlijk hebben overtroffen. En toch heeft Timmermans iets op hen allen voor, dat wellicht de doorslag geeft : nl. het met niets en niemand te vergelijken, eigen karakter van zijn werk.

Men neme b.v. zijn « Pallieter », met « Boerenpsalm » ongetwijfeld zijn meesterwerk. 
Wij noemden het boek eens een expressionistische roman. Na jaren menen wij nog die karakteristiek te kunnen handhaven. Het nieuwe, jonge, frisse levensgevoel, de naïeve zinnelijkheid, de primitiviteit en onverbloemde afkeer van alle gekunstelde beschavingsvormen, het blijde optimisme dat in een zo schrille tegenstelling stond met de toonaangevende romanliteratuur van die dagen. — was dit alles niet kenschetsend voor de geest van levensbevestiging en levenswil, van terugkeer naar gezonde verhoudingen en eenvoudiger behoeften, die heel een deel der expressionistische beweging bezielde?

« Pallieter » was (en is) een argeloze hymne aan de goedheid van het leven en de natuurlijke gaven der wereld, spontaan, ongezocht, ongekunsteld en oerkrachtig. Dit boek is in zover enkel te vergelijken met Gorterꞌs « Mei », maar oneindig minder verfijnd en minder gecultiveerd, precies wat op dit moment zoniet geverfd werd, dan toch blijkbaar aan onuitgesproken verwachtingen beantwoordde. Gorter liep te zijner tijd storm tegen de dode vormen en de benepen geest ener gemummificeerde literatuur en «Mei» was een der machtige golfslagen der vernieuwing, die een massa rhetorikale rompslomp voor goed wegspoelden. Maar cultuurinhoud en symboliek waren toch die van het laat-negentiende-eeuws individualisme en spijt de frisse toon is de grondgedachte van «Mei» pessimistisch. Van dit alles echter geen spoor in «Pallieter». Hier staan we voor 'n breuk met de geest van de tijd. Hier zijn leven en kunst beide a.h.w. weer natuur geworden in de plaats van cultuur.

« Pallieter » heeft geen andere "bindingen dan die van het allereenvoudigste leven, geen andere behoeften dan de meest essentiële. Hij is argeloos als een kind, gezond en ongecompliceerd als een boer. Gretig is zijn zinnenleven, zijn geestelijke beslommeringen zijn nagenoeg onbestaande.« Pallieters » primitiviteit verklaart gedeeltelijk zijn succes, primitiviteit van geest en ook van vorm en stijl, — al zou men Timmermans onrecht aandoen hier in zijn kernachtige en beeldrijke, schoon onverbloemde volkse expressiewijze niet de hand van een knap prozaïst te zien. Het werk staat daar als in zijn aard iets geheel enigs, iets dat uit de band sprong van de toenmalige literatuur.

Dit is zo opvallend, dat men het moeilijk lijkt te kunnen aanvaarden. Men heeft « Pallieter » voorouders willen bezorgen. Voor de ene was het « L'Ami Fritz » van Erckmann-Chatrian, en nog onlangs meende iemand anders «Pallieters» grootvader in Eichendorffꞌs «Taugenichts » ontdekt te hebben.
Allemaal ijdel gebazel. Al kan men voor « Pallieter » voorzaten over tien generaties aanduiden, deze late telg van een eventueel zeer oud geslacht heeft het bloed van dit laatste toch op een verbazende wijze weten te verjongen — en daar alleen komt het op aan, al lijkt men dit juist niet altijd te willen aanvaarden.

Intussen, Timmermans' reputatie van groot schrijver werd gewis goeddeels door zijn « Pallieter » in stand gehouden. Dat natuurlijk talent bleek nogal opvallend aan hoogten en laagten onderhevig. Een paar malen vatte hij onderwerpen aan, waarvoor zijn krachten hetzij ongeschikt, hetzij ontoereikend waren. Zijn in een mooi boek als « Het Kindeke Jezus in Vlaanderen » de schoonste kwaliteiten van zijn opmerkelijk debuut in de « Begijnhofsproken » geïntensifieerd terug te vinden, de mystieke tegenpool a.h.w. van de sensuele « Pallieter », zijn « Franciscus » en minder nog zijn « Bruegel » kunnen als zeer geslaagde werken gelden.
Tot de Boerenpsalm ons weer Timmermans toonde op zijn best.

Het lijkt wel, dat deze schrijver zich het meest op zijn gemak voelde, als hij aan geen bepaalde historische stof gebonden was en aan zijn vrij scheppende fantasie de losse teugel vieren kon, — wat nog eens spreekt voor het tot op zekere hoogte « natuurlijke » van Timmermans' begaafdheid.
Het zeer persoonlijk geïnterpreteerde beeld dat hij ons van de grote heilige en de grote schilder schiep, vooral dan dit laatste, paste maar weinig in het historisch kader waarin wij gewoon zijn geworden het te zien, terwijl de schrijver ons moeilijk er van kon overtuigen, dat wij het te zien hebben zoals hij het ons toont. Er is in beide werken iets dat hapert, iets te naïefs en zelfs vaak onbeholpens, dat we bij Bruegel en zelfs bij St. Franciscus niet voetstoots aanvaarden kunnen.
Dit ruw-primitieve en hoekige, dit ruig onontbolsterde aanvaarden wij daarentegen wel bij een fictieve figuur als de boer Wortel uit Boerenpsalm, waarin Timmermans, anders maar niet minder suggestief dan Karel van de Woestijne in zijn «Boer die sterft » iets als een synthese van alle heimatromans heeft gegeven.

Zijn nieuw, postuum werk « Adriaan Brouwer » nu is naar de vorm met de Boerenpsalm verwant; alleen is het geen lof- of klaagzang, maar veeleer een biecht.
Brouwer ligt, twee en dertig jaar oud, in het hospitaal op zijn sterfbed, en verhaalt zijn leven. Veel moois heeft hij ons niet te vertellen. Hij is er zich terdege van bewust dat hij roekeloos met zijn leven er zijn genie heeft gespeeld en het ene samen met het ander in kroegen en kabberdoesjes met rokers, drinkers en deernen te grabbel heeft gegooid. Nu is het te laat beklaagd en de stervende kunstenaar windt er geen doekjes om.
Men kent Brouwers' leven slechts in de grote lijnen, weet dat hij te Oudenaarde «1605» geboren werd, een paar jaren te Antwerpen werkte, reeds in 1625 te Amsterdam opdook en daarna te Haarlem, waar hij ongetwijfeld met Frans Hals in aanraking kwam. Maar in 1631 is hij weer te Antwerpen, waar hij als meester in het St. Lucasgilde ingeschreven staat. Als schilder staat hij thans zeer hoog in aanzien, zelfs Rubens schijnt zijn kunst hoog op prijs te hebben gesteld.
De bakker Joos van Craesbeek leerde hij schilderen en was met hem intiem bevriend ‒ ook met diens vrouw? Van Februari tot September zit Brouwer gevangen in de Citadel te Antwerpen, vermoedelijk wegens  een politiek delict. Zijn laatste levensjaren blijven obscuur. In 1634 woonde hij bij een Antwerpse plaatsnijder en overleed einde Januari 1638.

Op dit stramien brodeert Timmermans zijn verhaal, als gezegd in de vorm van een soort belijdenis, zonder veel pogingen om het uitvoerig te reconstrueren, zoals Edmond van Offel en Ernest van der Hallen niet zonder succes hebben gedaan. Er is bij Timmermans kwestie van een jeugdliefde, van zijn moeder die hij zonder afscheid verlaten heeft en dit worden dan de voornaamste drijfveren van het heimwee, dat hem uit Holland naar Vlaanderen terugdreef. Maar zijn moeder is dood en zijn Isabel spoorloos verdwenen.
Tamelijk uitvoerig wordt ons zijn verblijf bij Frans Hals verhaald, alsmede zijn betrekkingen met Joos van Craesbeek en diens vrouw. Natuurlijk spreekt Brouwer in zijn « biecht » over zijn kunst, maar meer nog wellicht over roken en drinken en boemelen. Met het ene zowel als het andere vulde Timmermans Brouwers' leven, dat hij snel laat opbranden in de dubbele vlam van de hartstocht voor de schilderkunst en de losbandigheid.

Onverzwakt vindt men in dit boek 's schrijvers kruimige, schilderachtige stijl terug, zijn met veel pittige, vaak curieuze woorden gekruide taal en vooral zijn onuitputtelijke, eigenaardige beeldspraak, die zich in altijd maar nieuwe vergelijkingen en metaphoren botviert. Men kan over de wezenlijke doeltreffendheid van die vele figuren van mening verschillen, 's schrijvers vindingrijkheid en oorspronkelijkheid op dit gebied zal een ieder moeten toegeven.

2311259-753e71dcae8596530c9501b4f4c45bad.jpg

Men oordele : Het leven is een soep met vier troostende mergpijpen in : de drank, de liefde, de toebak en de kunst. — Ge wordt er van (van het Oudenaardse bier. n.l.) als een klok vol diepe klanken, ge voelt u Paschen tot in uwen kleinen teen. — zoodat wij onzen boterham naar binnen moeten werken als een drogen handdoek. — Thuis zit het leven gevangen in een zandlooper, hier strooit ge het rond als het zaad voor de vogels. — Daarin (bedoeld wordt de kunst) was ik steeds angstvallig en nauwgezet als een kwezel in den biechtstoel, — Ik kan zo rap schetsen als vliegen vangen in October. — Het ene geluk is nog niet binnen schuur of men piept al achter den hoek of er nog geen andere wagen aankomt.

Die citaten haal ik reeds uit de eerste zeven of acht bladzijden. En zo gaat het door tot het einde toe. Het boek is om zo te zeggen een lange, ononderbroken beeldspraak één lang inwendig monoloog in een verbazend rijke figuurlijke taal uitgedrukt. De lyrisch-epische grootheid echter van de « Boerenpsalm » bereikt het niet. Heeft de schoon niet zeer grote, historische stof hier weer 's schrijvers vrije fantasie belemmerd. Het verhaal blijft, naar mijn gevoel althans, in het algemeen wat eentonig. Het gaat wat te veel over kroeglopen en nachtbraken, roken en slempen. Aan de voor de hand liggende verleiding, Brouwer als mens zowat op gelijke voet te stellen met het janhagel en klootjesvolk dat hij bij voorkeur schilderde, heeft Timmermans wellicht te veel toegegeven.

Misschien is dit zelfs niet eenmaal historisch juist, want evenmin als men een boer moet zijn om boeren, een monnik om heiligen, een krijgsman om veldslagen te schilderen, evenmin hoeft men een liederlijk leven te leiden om het schorremorrie op het doek te werpen. Maar zelfs aangenomen dat Brouwersꞌ vroege dood het gevolg van bedenkelijke uitspattingen zou wezen, dan nog lijkt mij het beeld dat Timmermans hier van de grote schilder gegeven heeft, wat te weinig reliëf te hebben. Het blijft bij een schets in brede trekken waarin men meer de virtuositeit der penseelvoering en de frisse kleur (in casu de beeldrijke, pittoreske taal) dan de totaliteit der figuur, wat levenswaarheid, karakter, psychologische penetratie betreft, bewondert.

2311259-ecf68f60a9301e3a60122efe1fd87216.jpg

« Adriaan Brouwer » lijkt mij beter geslaagd dan « Breugel » waar er beslist te veel zwakke zijden aan te wijzen zijn, maar zal mij noch «Pallieter » noch de « Boerenpsalm » doen vergeten.

Tot het einde toe blijkt Timmermans in elk geval de oerkrachtige, verbluffend oorspronkelijke stylist te zijn gebleven als hoedanig hij zich in vrijwel al zijn geschriften openbaart.

*******

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Mon om 00:00 Reageer op dit bericht

De Pallieter rel - Lode Zielens

DE "PALLIETER" - REL
De "petite histoire" van de letteren...

Door Lode Zielens uit De Volksgazet van 8-10-1959

In het deel XII / 1958 van de «Handelingen» der «Zuidnederlandse Maatschappij voor taal en letterkunde en Geschiedenis» verscheen een belangrijke bijdrage over « De definitieve uitgave van Pallieter. » Daar wij voor de jongere generatie hetonderwerp niet van belang verstoken achten, terwijl de rijpere generatie wellicht nog slechts vage herinneringen aan de Pallieter -rel heeft, vinden wij het niet misplaatst, hier even bij bedoeld artikel van Dr. M. Cordemans stil te staan. Het was in de zomer van 1920 dat in Nederland (niet direct in Vlaanderen dus) het even voorbarige als overdreven gerucht de ronde deed, dat Timmermansꞌ «Pallieter» op de kerkelijke index zou zijn geplaatst.

Korte tijd nadien bracht de bisschop van Utrecht, die steunde op een brief van de Romeinse Congregratie van het H. Officie, de gelovigen ter kennis «dat Pallieter verboden is te lezen, maar niet vernietigd hoeft te worden.»
Voor de pers ging dit natuurlijk lang niet onopgemerkt voorbij.
Het liberale « Vaderland » maakte zich vrolijk over de Katholieke bekrompenheid, doch de R. K. «Maasbode » antwoordde hierop met argeloos cynisme o.m. « ’t Is misschien gek, maar we hebben geen literair geweten.
We hebben maar één geweten, en dat verplicht ons ons te houden aan de geboden, die de H. Kerk. Ons stelt». Wat niets aan duidelijkheid overliet, wat het Hollandse katholieke standpunt betreft... 

Ook de Belgische bisschoppen hadden het rondschrijven uit Rome ontvangen maar  er, — typisch Belgische mentaliteit, zelfs bij de bisschoppen ? — het publiek alsnog geen kennis van gegeven.
Hoe dan ook, een Brusselse correspondent van « De Maasbode » ging te Mechelen aankloppen en werd in kennis gesteld van het uit het Vaticaan ontvangen bericht, dat als volgt luidde :
Eerwaardigste Heer en Eminentie, Onder de aandacht van de verheven Congregatie van het H. Officie is gebracht het werk, geteld «Felix Timmermans (sic) (Amsterdam P.N. van Kampen & Zoon) ».

Dit werk is na nauwkeurige bestudering door Eminenties, de Eerwaardigste Kardinalen, die gelijk met mij de opperste Inquisitie vormen, in de zitting van Donderdag de 9e van de afgelopen maand, gequalificeerd als de wellust der zinnen strelend, de godsdienstige ceremonieën op oneerbiedige wijze behandelend, terwijl het de waarheden des Geloofs als het ware bespottelijk maakt, zodat het VOOR DE GELOVIGEN VOL GEVAAR is! Daarom hebben wij gelast, dat iedere Belgische en Hollandse Bisschop de Gelovigen zal vermanen, dat dit werk niet gelezen mag worden. Terwijl ik dit aan Uwe Eminentie schrijf, breng ik U de aan Uwe waardigheid verschuldigde eerbetuiging.
Van Uwe eminentie de zeer toegenege Uwe Kardinaal Mery del Val.

2310664-4bda968af86af0f3362908bac4751baa.jpg

Men kan zich voorstellen, dat de katholiek Felix Timmermans, wiens rechtgelovigheid nooit in twijfel was getrokken in zijn vaderland, waar b.v. Rubens als één der hoogtepunten van de religieuze kunst beschouwd wordt, zich over het geval niet bepaald opgetogen uitliet, toen een medewerker van het Nederlandse en liberale «Vaderland », waarin hij trouwens zélf vaak artikels publiceerde, hem te Lier kwam opzoeken, waarna hij zelf zijn zienswijze op de zaak in een artikel kenbaar maakte (21 October '20).
Hierin lezen wij o.m.: «'t Was dus waar! Ge kunt peinzen hoe ik verschoot!
Zoveel jaren aan Pallieter geschreven, hem zoveel jaren gedrukt weten, en altijd gedacht hebben, dat boek heb ik als Katholiek geschreven, het is als Katholiek door Katholieken geprezen en nu duwt men, door opstook van een macht, die nooit zeggen zal : « Dat heb ik gedaan », Pallieter zo maar in een hoek.

Dat is niet fair, en ik geef gelijk waar Léon Bloy zegt: « L’index est un guichet derrière lequel l’Eglise se déshonore ».

Verder voegde de zich beheersende, doch diep gekrenkte en begrijpelijkerwijze verbolgen schrijver er aan toe, dat hij uit goede bron wist, dat het initiatief tot het inquisitoriaal ingrijpen niet van de bisschop van Utrecht, noch van die van Mechelen uitging, maar dat deze kool hem in elk geval via Holland gestoofd was geworden. Langs katholieke Nederlandse zijde werd hem dit stuk ten zeerste kwalijk genomen, ofschoon hij er nochtans in verklaard had, dat hij bereid was zich «voorwaardelijk » te onderwerpen, op conditie te weten, waar het schoentje precies knelde. Om hierachter te komen zou hij dan ook onmiddellijk de nodige stappen aanwenden, wat misschien op het eerste gezicht niet bepaald dapper kan schijnen, doch uit menselijk opzicht begrijpelijk is voor een man, die b.v. niet over de strijdlustige en onvermoeibare natuur beschikte, die Walschap tien jaar à vijftien jaar later aan de dag zou leggen.

Hij riep de tussenkomst in van mejuffrouw Maria Belpaire, die grote invloed in de katholieke middens had, en zich onmiddellijk tot de eerwaarde heer Dr. Theodoor Van Tichelen wendde.
Deze priester schreef terstond terug, dat Timmermans moest gered worden uit de klauwen der ketterjagers en erkende grif dat hij zich in de plaats van de schrijver veel verbolgener zou hebben gevoeld! In een volgend schrijven van deze priester heette het: «Die Hollandse kerels hernemen de drijverijen der voormalige ketterjagers.

De Hollandse kath. moesten ze maar eens flink tot op hun huid uitkleden, 't Is het enige middel om ze mak te maken » Hieraan moet evenwel toegevoegd worden, dat de ergernis van Dr. Van Tichelen hoofdzakelijk werd ingegeven, door de gedachte, dat Pallieter voorgoed de katholieke lezers verboden zou worden, en dat hij tegen een eventuele zuivering blijkbaar geen bezwaren koesterde.

Tenslotte trad Mechelen in verbinding met Rome om het verbod te verhinderen, door alle storend geachte passages en uitdrukkingen uit de tekst te verwijderen. Een Romeinse monsignore merkte in dit verband schamper op : «Pallieter zuiveren? De tekst verbeteren? Jawel. Maar wat doet U met de geest van het boek? Wanneer U een kopje koffie krijgt en deze U met suiker wordt geserveerd, terwijl U die zonder suiker zoudt willen, hoe moet die suiker er dan uit verwijderd worden? Dat gaat niet meer. »
Hoewel, van het inquisitoriaal standpunt uit, deze opmerking nog niet zo gek was, werd er tenslotte een modus vivendi bereikt. Er zou op initiatief van Dr. Van Tichelen een gezuiverde tekst tot stand worden gebracht en deze zou als definitief worden beschouwd en gebruikt voor de zestiende druk, die in 1930 verscheen.
Waaruit moge blijken, dat men niet naar de schier onvindbaar geworden eerste druk van de « Pallieter » hoeft op zoek te gaan om het boek in zijn oorspronkelijke conceptie te lezen, zoals sommigen het zich verkeerdelijk voorstellen.
Zonder dat wij het geval willen minimaliseren, moeten wij hier echter aan toevoegen, dat het met de wijzigingen en weglatingen zo geen vaart placht te lopen, tenzij men het betreurt, dat het vaak om details gaat, waarover op de huidige dag wellicht noch de katholieke autoriteiten, noch de katholieke critici, noch de katholieke lezers zouden struikelen. Zinnen of zinsneden als de volgende werden o.m. weggewerkt: « Nu is het leven zot lak ’n hiet maagdeke » / « O Sinte Franciscus, die scheel zaagt van de honger! » / « ...en met onzere tanden beet hij heur in de malse hals en in de kaken. » / « Wa veur nen uil kan er nog nen hemel verlangen als hem zo iet ziet! / « Maar zij waren gewillig als ꞌt vlees van een jonge vrouw ». Voegt men hierbij nog een paar olijke zinspelingen op pilaarbijterijen en kwezels, zo is ongeveer het belangrijkste in verband met deze weglatingen aangestreept.

Begrijpelijkerwijze heeft deze quaestie destijds heel wat Stof doen opwaaien en in de niet-katholieke middens, waar men belangstelling voor de literatuur koestert, heeft men Timmermans zijn concessies nooit helemaal vergeven. De Vlaamse katholieken waren trouwens ook helemaal niet opgetogen over het geval, doch gaven de schuld aan de Hollandse pastoors, die de kat de bel hadden aangebonden en hierbij blijken van Calvinistische kortzichtigheid hadden gegeven.
Ondertussen ware het een beetje overdreven, dertig tot veertig jaar na de feiten, er de schrijver nog een kwaad hart om toe te dragen. Als mens, die aan het begin van zijn carrière stond, legde hij om diplomatische redenen het hoofd in de schoot. Hij was geen held of geen vechter. Doch naderhand hoeft hij nooit het essentiële wezen van zijn kunstenaarschap verloochend. En toen hij éénmaal zijn « Boerenpsalm » had geschreven (1935) bleek het duidelijk, dat hij zijn artistenziel niet voor een schotel linzen verkocht had...

1930086-ef9eeed2df9bb28167a649fdb04fc923.jpg

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Mon om 00:00 Reageer op dit bericht

Boerenpsalm - Willem Rueder

VAN PALLIETER TOT BOERENPSALM.
Opmerkingen naar aanleiding van het boek "Boerenpsalm "door Felix Timmermans.  (5de druk).

Door Willem Rueder uit Overtocht van juni 1945.

Dit is de Timmermans van Pallieter. Nu heeft hij weer de bezieling gevonden, die een boek doet tintelen en glanzen van lyrisch uitdrukkingsvermogen. Er is weliswaar een groot uiterlijk onderscheid tussen de Timmermans van Pallieter en die van de Boerenpsalm. De bezieling is minder uitbundig geworden, maar even ware van pathetiek, veel bezonkener, maar niet minder suggestief in weergave en waarachtig van gevoel.

Timmermans, de vlotte en gevoelige verteller, heeft zich hier gelouterd tot zijn kern i de boerenziel. Hier is geen afstand meer tussen auteur en verbeelding; dit is een dagboek, zij het een gestyleerd dagboek; een orde van elementaire doch bewuste overtuiging. Geen onvoorwaardelijke heroïsche verheerlijking van de arbeid, doch een tevreden aanvaarden; een toestemming tot het leven, dat vreugd en leed tezamen mengt tot een stille berusting voor de slagen. " de ouderdom is als een zeef, ze laat alleen de zon door, en ze verguldt de herinneringen. "

Maar ook een stamelende dank voor al het mateloos schone.

Een kunstwerk blijft altijd een mysterie. Wij praten en schrijven veel over "ismen", stylen, opvattingen en wat niet al. Misschien is het enige criterium al die theorie te kunnen vergeten en alleen maar te kunnen bewonderen; meer nog, - want wonderen gebeurt altijd nog op een afstand, - alle critische remmen, omdat het met die theorie toch niet zo heel erg klopt, te vergeten in een ontroering, die opgezogen wordt tot de verborgenste vezels van ons innerlijk. Een diep-voelend mens heeft in zijn scheppingsdrang zo heel veel niet nodig. Niets dan waarachtige bezieling; dat is alles, maar dat is dan ook alles.

Pallieter was een abstractie, een kunstenaarsdroom, " de droom van een dichter, van een mens, die zich bevrijdt, iets uitroeiend in zijn hart, en bij het driftige begeren de levenskommer negeert " Pallieter stond niet in ons leven, doch in het subjectief- geïdealiseerde leven van den dichter.
Dat was de afstand, die ons van Pallieter scheidde. In de Boerenpsalm is Pallieter in ons leven gekomen, met zijn schoonheid en zijn smart; zijn vreugden en zijn vrezen. De abstractie is realiteit geworden. Timmermans diepe menszijn heeft zich ook hier niet verloochend. Pallieter blijft de verrukkelijke bevrijdende droom, waar we in heimwee naar kunnen verlangen, maar deze Wortel. is de mens, die leeft in elk van ons, die leeft in den boer vooral en dus ook in Timmermans! Pallieter, de vogelvrije, de in de natuur volmaakt ongebondene, heeft zijn bodem gevonden en zijn geloof in Wortel met zijn land en zijn God.

2308915-f386d01c2ba13655fb42886c64cc1299.jpg

Luister naar Pallieter, .wanneer ; hij "goesting kreeg om het goede weer psalmeren" :
"Gij maakt de omgeploegde aarde dronken; Gij doet ze dalen in hare voren; Gij maakt ze week door de regendroppelen en zegent haar uitspruitsel, dat zich zal verblijden. Ge gebenedijt, de krone Uws jaars van Uwe goedertierenheden en Uwe voeten druppen van vettigheid; zij bedruppelen, met vruchtbaarheid de weiden der woestijnen en de heuvelen zijn omvangen van verheuging."
En naar Wortel ; "O Heer, laat niet  alleen het oog van ’t kasteel op mijn veld rusten maar laat ook Uw groot oog er over wandelen, en alles zal weer goed worden onder een glans van uwen alomvattenden blik, en het groeisel zal zich weer sappig en malsch oprichten doorvoed van den koelen dauw der hemelen.
Dauwt hemelen, dauwt! zingt het liedje. Uwe voeten druppelen van vettigheid staat er in de boeken, maar met een traan van goedheid uwer oogen is de Wortel al tevreden."

Pallieter, de dagenmelker, is uit het Netheland vertrokken, maar herkennen wij hen niet in Wortel? :
" Ha, wat is er zoo jeugdig als bij ’t krieken van den dag, in uw werkbroek te schieten, naar buiten te wippen en de koelte van den morgen over uw vel te voelen ritselen. De nevel ligt nog op de velden. De vruchten, het kruid, het gras zijn overzadigd van dauwdruppels. Het is zoo schoon, en 't is zoo stil, dicht bij en heel in de verte. Ge hebt spijt, dat Ge moet hoesten, de zon breekt door den smoor, en de reuken van het veld rollen rond uw hoofd. Ge riekt den klaver, het koren, het beekwater; het mest, de bloemen, den honing, ge luistert naar den leeuwerik. En zoo staat ge daar in uw deur te asemen, den morgen in te drinken, lijk koelen drank, en van den groei van uw vruchten te genieten, van uw werk, dat daar zoo schoon ligt, ordelijk in voren en vlakken, lijk schoone tapijten. Ge wipt op van geluk en werklust, uw bloed trilt en ge zwiert, rijker dan een koning de staldeuren open. Ha, die warme reuk van beesten en mest."

Timmermansꞌ werk is voor een groot deel symbolisch. Het zinnelijke suggereert dikwijls het bovenzinnelijke. De personen zijn vaak, wat we noemen, "typen". Vooral de bijpersonen. Vaak kennen we hun slechts in zoverre als ze in verband staan tot den hoofdpersoon of de hoofdpersonen; complexe karakters zijn het niet.
Daaraan dankt zijn werk zo iets beminnelijke primitiefs gelijk de middeleeuwse schilders en miniaturisten, die elke associatie rondom den hoofdpersoon of het hoofd-gebeuren, groepeerden met een onbewust verwerpen van perspectief, zowel chronologisch als visueel. Zijn werken zijn dan ook geen weldoordachte composities.
(Van Pallieter wist hij zelf, dat het eigenlijk geen roman was). Lyriek steunt nimmer in de eerste plaats op een positievermogen. Maar, meesterlijk verteller als hij is, weet hij om de levende draad van zijn lyriek, die zijn werk doorloopt al de fijne plastische details te schilderen en te verhalen; de aanrakingspunten van Pallieter of Wortel of hoe de hoofdpersoon mag heten (Timmermans blijft het toch) met de wereld rondom hem, de personen, die typen zijn, de natuur, die vaak draagster is van een symbolische gedachte.

Zó schept Timmermans zijn dramatische hoogtepunten: hij schildert met dikke lijnen en vette sprekende kleuren; (vgl. de geraffineerd primitieve tekeningen, waarmee hij zijn boeken verlucht), hij speelt die functies tegen elkaar uit, die op een bepaald ogenblik elkaar het sterkst beïnvloeden en alles wat de aandacht van het hoofdgebeuren kon afleiden, verwaarloost hij. Hij bereikt hierdoor een nauwelijks geëvenaard suggestief uitdrukkingsvermogen.
Dit procedé volgt hij ook; in de Boerenpsalm. Bijvoorbeeld, wanneer Wortel, radeloos en wanhopig, van angst, om zijn kind dat sterven gaat, Aloisken, den belezer laat komen :
"De kwade hand, zei hij, ga naar kruiskensberg en als alle puttekens niet leeg staan dan zal ’t genezen als ge dan alle weken een jaar lang ꞌs vrijdags ꞌt gebed van Keizer Karel leest.
Ik naar Kruiskensberg. Wat geluk! de puttekens waren vol.' Hoe ik ben thuis gekomen weet ik niet meer.
Als gevlogen over heg en over haag.
Maar als ik de deur open deed, lag ons Polleken dood in ons Fien haar schoot, 't zag groen.

2308915-7872c78bb926a4363a9c71088619437c.jpg

Na het ons doen ondergaan van Wortelsꞌ blijdschap maakt Timmermans de dood van Polleken tot ’n waarlijk tragische moment. Het schone bestaat slechts bij de gratie van het lelijke. En omgekeerd.
En wanneer Wortels' Kruislievenheer niet wil vlotten en hij Frisine, de huishoudster vraagt voor hem te willen poseren : "Ze leunde met den kneukel van haren wijsvinger op de tafel en stond voor mij met gesloten ogen. Verbaasd bezag ik haar natuurlijk, dat ik van alteratie geen kerf deed. Ik zat haar maar te bezien met den Jezus op mijn knieën en het mes in de hand. Ik zag haar en het zweet welde op mijn voorhoofd. Een gezonde kloeke vrouw stond vóór mij, met een dikken witten hals, stevige borsten die op en neer gingen. Zelfs met haar ogen toe overmeesterde ze mijn hart. Mijn blik wandelde bewonderend over haar lichaam. Wat een aantrekkelijke vrouw, een lust, een verlokking, en tegelijkertijd boezemde ze ontzag in en ging er van haar iets baasachtigs uit. Geen week wijf. Een die men zoo maar niet aanpakt, die men zelfs vreest, en als zij niet eerst begint met verliefd te worden, weet een mensch niet meer hoe, te draaien en te keeren om haar te winnen. Ha, wat een ogenblik! Ik voelde mij doordaverd worden van hel en duivel.
Ik had haar op dit ogenblik zowel mijn mes , in hare borst kunnen ploffen, als ze tot mij trekken en haar breken onder mijnen hartstocht.

Goed dat ik naar den Jezus zag, en ik hoorde zijn stem. Die stille stem die al zo lang, zonder woorden, mijn gedachten onrustig maakte. Ik had in snikken kunnen losbarsten.
Dat zijn momenten dat uw ziel en uw vleesch als vaneen gereten worden."
Dit zijn de momenten, dat Timmermans het meest oorspronkelijk is. Een geestelijk innerlijk conflict dat wordt verzinnelijkt tot vrouw en kruis. Geen abstracties van geweten of rem-complexen; een vrouw van vleesch en bloed; een kruislievenheer van hout. Timmermans is dan ook geen moeilijk schrijver, maar het is zijn grote verdienste de oneindige wereld van het abstracte, waar woorden slechte begrippen kunnen stamelen, te binden aan het vertrouwde dagelijkse zinnelijke wereldbeeld. Alle symboliek en ook deze, vergt weliswaar een grote zelfscheppende werkzaamheid van den lezer, maar voor wien de macht daartoe bezit, kan het de vreugde aan dit werk slechts verhogen.

Zo zijn er talloze voorbeelden te geven. Timmermansꞌ symboliek schuilt niet zozeer in het woord, dan wel in de voorstelling, minder in de stijl dan in de verbeelding.
Vooral in dit werk, dat veel tragische episoden bevat, dat op menigeen zelfs een indruk van tragiek zal maken, alhoewel dat volstrekt niet Timmermansꞌ bedoeling kan zijn, treft ons de stille triomf van de humor, het felste wapen van den mens, die het betrekkelijke van elks klein streven peilt, de valsheid van veel traditioneel gevoel en het dwaze van een strijd, tegen machten, die sterk zijn als God zelf. Timmermans humor is niet zozeer groots in het enkele komische moment; de verdienste daar in schuilt in de gestyleerde verwerking van de volkshumor. Groter is hij in het gesynthetiseerde beeld, van Timmermansꞌ werk; als geesteshouding.

Het is die humor, die zijn werk meestal behoedt voor pathetiek, rethoriek, en melodrama, waarvoor het gevaar lang niet denkbeeldig is.
Timmermansꞌ werk is niet actueel. Hij past weinig of niet in welke artistieke stroming dan ook. Hij is meer van alle tijden dan specifiek van de onze. Hij is als zijn volk, dat hij in zijn werk vereeuwigd heeft : wisselend van uiterlijk, maar in wezen steeds dezelfde. En als typisch "volks" schrijver, die zijn inspiratie direct put uit dat volk en niet indirect uit de grootsten, de individuen uit dat volk, past hij wellicht meer in het middeleeuwse wereldbeeld (wat de West-Europese cultuur betreft) dan in het onze.

2308915-97c00f10da494b9fa07cfa464453c9f5.jpg

In Timmermans is iets van den Gothieker, die zich uitleeft in vormen en geïmproviseerde ornamenten, meer dan in een harmonische grote compositie, wiens vormgeving meer een beeld is van steeds wisselende strijd om het ene ideaal, dan de gestalte van een goddelijk genieten en bezonnen rust ; meer een drager van symbolische waarde, dan een concrete aesthetische gestalte op zich.
Het is om dat weinig tijdsrepresentieve, dat Timmermansꞌ werk vaak zo verschillend door de critiek is beoordeeld. Al wie zich op een principieel dogmatisch religieus, aesthetisch of ethisch standpunt stelt bij de beoordeling van dit werk, kan vaak niet anders dan het, profanerend, artificieel of oppervlakkig woordengespeel verwijten. En dat is eigenlijk heel jammer. Want Timmermansꞌ werk is in zijn beste momenten van een zo diepe en raadselachtige problematiek als den mens zelf. En daarin loopt veel critiek dood.

*******

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Mon om 15:58 Reageer op dit bericht

Meer van Felix Timmermans

↑ Terug naar de berichten