Naar de inhoud

Felix Timmermans

Vlaamse schrijver, dichter en schilder * 1886 - 1947 *
akke.beakke.be

Archief

Felix Timmermans over den Vlaamschen humor

Felix Timmermans over zijn werk
en over den Vlaamschen humor.

Uit Leeuwarder Nieuwsblad van 30 oktober 1925


Breed geschouderd, 'n vriendelijke forsche kop met 'n groote, zwarte krullebos en 'n paar heldere, telkens van uitdrukking wisselende bruine oogen, dat is Felix Timmermans, de groote Vlaamsche schrijver. En hij vertelde gemoedelijk, zooals hij dat in zijn boeken doet, maar zonder dat zoete, zachtvloeiende van taal, dat zijn geschriften kenmerkt en dat eens een bekend criticus aanleiding gaf hem een woord-virtuoos te noemen. — Zoo eenvoudig verhaalde hij van de boeken die hij "gemaakt" had (wij spreken altijd heel eerbiedig van scheppen) en hoe ze in zijn brein waren ontstaan.

Hij vertelde van zijn vader, de kantenkoopman, van zijn zestien broers en zusters en van het eenvoudige, blijmoedige Vlaamsche land, zoodat de avond omvloog. Nog al lang bleef de schrijver stil staan bij "De schemeringen van den dood".
Dat boek, zei Felix Timmermans, dat maakte ik door al dat gepraat van mijn vriend over occultisme, spiritisme en nog een heele massa "ismes" meer. Wat voelde ik me trotsch, ingewijd te worden in de geheimenissen van al die wetenschappen.

Ik zag er de oplossing in van allerlei levensvragen, ik voelde me superieur, ver verheven boven al m'n stadsgenooten, die van al die mysterieuze dingen niets wisten. Ik ging naar het Trapistenklooster met een heel boekje vol "ismes" in mijn zak en naar het Bagijnenhof, waar ik woonde, keek ik er veel in. Mijn vrienden kwamen, deden de tafel dansen en de stoelen janken! Toen werd ik ziek, moest geopereerd worden en in mij kwam 'n groote angst voor den dood.
— In die dagen was het, dat ik dat boek schreef. —Naast de vrees voor den dood kwam echter de vurige wensch om te mogen blijven leven in mij op en in dezen gemoedstoestand vielen alle "ismes" van mij af!
— O, toen ik toen weer beter was, wat een vreugde om het leven steeg er in mij, wat was ik dankbaar en blij! En in die stemming schreef ik Pallieter. Ik heb er lang werk over gehad. Het boek dat gij kent, is n.l. niet de eenige Pallieter. Bij mij thuis, boven op den zolder, liggen nog een heeleboel andere Pallieters, maar dit leek mij tenslotte de beste.

Na Pallieter schreef ik "Het kindeke Jezus in Vlaanderen". Dat kwam door mijn vader. Vader was een kantenkoopman en als hij terug kwam van zijn reizen, vertelde hij ons vele, mooie verhalen. De meeste menschen beginnen altijd met "Er was eens", maar mijn vader niet, die zei altijd: Ik was eens.
Hij was de man die roodkapje redde en hij was de man, die de drie Koningen ontmoette in Vlaanderen. Later vertelde mijn leeraar mij, dat het in Palestina was en ik moest 't wel gelooven, anders kreeg ik geen prijzen.
Maar toen vele jaren daarna in den bangen oorlogstijd mijn schoonmoeder bad: "De drie Koningen zagen den ster; wees gegroet", toen zag ik de drie Koningen niet in Palestina. Maar in Vlaanderen, zooals mijn vader mij vertelde, dat bij ze was tegen gekomen.

* * *

Anne-Marie schreef ik na het "Kindeke Jezus in Vlaanderen". Het kwam eigenlijk door een oud portret en een man, die een lied zong in den nacht, stuurde het eerste gedeelte naar Kloos maar die zei heel wat anders dan gewoonlijk, wanneer hij mijn werk ontvangen had; hij zei, dat hij geen tijd had. Dat rook naar iets, ik begreep, dat ik mis was, dat ik den waren draad niet te pakken had. Maar het motief: een vrouw, die van een man houdt, maar moet ervaren, dat hij getrouwd is, bleef en na een tijdje begon ik toch weer met de uitwerking.
Aan den notaris Pirroen zou ik aanvankelijk maar twee regels te wijden, maar in plaats van die twee regels heb ik het halve aan hem gewijd en ik heb er geen oogenblik spijt van gehad. Hoe ik aan Pirroen gekomen ben? Heel eenvoudig. Ik liep over de markt te Lier en zag een man over den markt stappen, kort en vierkantig als een doos was hij gebouwd. — Dat is mijn notaris dacht ik, daar heb ik hem heelemaal!

De bij-figuren Van de Nast, Livinus, Corenhemel zijn gedeelten uit menschen die ik gekend heb.

Timmermans vertelt dan in 't kort den inhoud van "Anne-Marie", dit prachtig werk, vol echt Vlaamsche humor waarin zonder zwaarwichtigheid zonder moeizaam-kervende psychologie, de verborgen roerselen van het zoo ingewikkelde menschenleven worden blootgelegd.
Anne-Marie is een adellijke jonge vrouw, die, meer nog gedreven door weemoed dan door de erfeniskwestie waarom notaris Pirroen haar naar Lier roept, besluit naar Vlaanderen te gaan en daar een jaar in het stille stadje te gaan wonen. Ze ziet daar onder de Dolfijnen een club van mannen, onder voorzitterschap van notaris Pirroen een die haar bizonder aantrekt, van wien ze gaat houden — te laat echter verneemt zij dat hij getrouwd is — Daar tusschen door speelt de geschiedenis van den notaris, die 20 jaar en langer wacht op zijn Cézarine!

2160839-9d2538d7fbcbfd01177aa0574efa630f.jpg

Na de pauze sprak Felix Timmermans over den Vlaamschen humor, die voor hem niets anders is dan de uitbloeseming van het leven, de kunst om een traan met een lach te vermengen. 'n Vriend van mij heeft 't eens zoo mooi en juist gezegd, zei Felix Timmermans. Hij zei: De humor schiet zijn wortelen in de tragiek van het mensenleven. Het Vlaamsche volk nu is altijd overkarnd geweest met tragiek, het is altijd overheerscht geworden door vreemden, er is veel gestreden en veel geleden. Maar het volk, het Vlaamsche volk bleef, ondanks al die ellende bestaan, omdat het als spek in het zout lag, met welk zout ik bedoel de levensvreugde, zonder welke het zeker ten onder zou zijn gegaan.
De verpersoonlijking van die levensvreugde is "Reinaart De Vos", de verpersoonlijking van den echt Vlaamsche humor Tijl Uilenspiegel. En dan hebben wij nog Pieter Breugel. Wat 'n levensverheuging gaat er van hem uit!

En nu ging Felix Timmermans eenige uitingen van echt Vlaamschen humor vertellen en de menschen lachten, lachten zooals erbij ’t Nut — Felix Timmermans sprak gisteren voor de maatschappij tot Nut van ’t Algemeen — in langen tijd niet gelachen is.

Een voorbeeld: Twee mannen met een vaatje jenever 't veld in om de boeren die in 't hooiland stonden, n borrel te schenken, maar het ging regenen, de boeren trokken naar huis en hadden geen behoefte aan 'n borrel. De mannen rolden 't vaatje weer stadwaarts, hadden zelf verbazend veel trek in een glaasje, maar durfden 't elkaar niet bekennen. Eindelijk diepte de een drie centen — de prijs van ’n borrel — uit zijn broekzak en kocht er een glaasje van zijn makker, die, zoodra hij de drie centen had, voor dat geld 'n borrel van den ander kocht, die op zijn beurt voor dezelfde 3 centen weer een borrel van hem kocht en zoo ging 't door tot het vaatje leeg was!

En wat is er gelachen om de grappen van pastoor Van Aken, die door zijn ambtsbroeders gewaarschuwd werd voor een vrouw, die altijd, altijd maar kwam biechten en nooit uitgepraat raakte. «Bij» mij komt ze maar één keer", zei pastoor Van Aken. De vrouw kwam, praatte drie kwartier aaneen en toen ze eindelijk vroeg: Hoe vindt u 't, mijnheer de pastoor? kreeg ze geen antwoord. Mijnheer pastoor hield zich slapende.

Het Vlaamsche volk, besloot de heer Timmermans feest, feest altijd door, om iedere kleinigheid wordt alles en ieder bij elkaar getrommeld en men feest, Daar gewoonlijk hebben die feesten toch wel 'n godsdienstigen grondslag. Hartelijk toegejuicht verliet de heer Timmermans 't podium. — 't Nut had een prachtigen avond gehad.

***********

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Mon om 21:03 Reageer op dit bericht

Adagio - Lia Timmermans

De "Adagio"-gedichten van mijn vader.

Door Lia Timmermans - Tekst van een voordracht door schrijfster gehouden te Averbode op 3 October 1952.

Vele mensen hebben gedacht dat vader in de laatste jaren van zijn leven een weemoedig, triestig, gebroken en ineengestort mens is geweest. Ik durf daar vlakaf op antwoorden dat juist in die laatste jaren van zijn leven en zelfs nog méér naarmate zijn einde naderde, vader het diepste en het meest echte geluk heeft gekend van heel zijn leven, en dit trots alle uitwendige moeilijkheden, ziekte en allerlei beproevingen. Moeder en wij hebben dat gezien en ondervonden, alhoewel wij toen niet wisten wat de oorzaak er van kon zijn.

Deze bewering zou ik ook kunnen staven met aanhalingen uit dagboeken, uit annotaties en met woorden, die hij ons heel terloops heeft toevertrouwd. Vele daarvan zijn ons slechts achteraf duidelijk geworden, bijzonder als wij die onder elkaar zijn gaan verbinden, en meest nog als wij heel aandachtig de verzen van Adagio zijn gaan lezen.

Die verzen van Adagio liggen ook in uw bereik, in ieders bereik en daarom wil ik ook alleenlijk over die verzen spreken.

* * *

Als wij de culturele geschiedenis van Vlaanderen ontleden en, zo ineengedrongen mogelijk trachten te resumeren, dan vinden wij bij de Vlamingen twee diepe karaktertrekken — en daar zijn alle cultuurhistorici het over eens: — de Vlaming is een natuurmens en een mystieker.
Als ik zeg: een natuurmens, dan bedoel ik een natuurlijk mens, een mens die leeft volgens zijn natuur, die leeft zoals hij gemaakt is, iemand die zijn zintuigen gebruikt, zijn ogen en oren, zijn neus en mond, handen en voeten; een mens die tot de natuur gaat en ermee verbonden is.
En een mystieker. Niet de mystiek in de profane, overigens valse betekenis, die het woord gebruikt om een romantisch-godsdienstige en half-mysterieuze atmosfeer te bedoelen. Maar wel de echte mystiek, die in haar kortste definitie eenvoudig wil zeggen: (althans voor het eerste stadium) het lijdelijk ondergaan van de werkingen der genade en in sommige bevoorrechte gevallen het bewustzijn van de tegenwoordigheid van God in de ziel.
Deze twee elementen, natuur en mystiek zien wij vanzelfsprekend het best en het rijkst ontwikkeld in de meest glanzende periode van onze geschiedenis. Onze primitieve schilders hebben steeds in hun godsdienstige taferelen die natuur uitgebeeld met een rijkdom en een juistheid van zinnen nooit door vreemde schilders geëvenaard. Als ze op het voorplan de kruisafdoening voorstellen, staat er op het achterplan een hele stad gebouwd met torens en kantelen en uit de open stadspoort komen reeds Jozef van Arimathea en de heilige Vrouwen aandragen met de balsempotten en linnen windsels.

Zit op het voorplan de Moeder van Smarten met haar dode Kind op de schoot, dan is de achtergrond een zomers, heuvelend, Brabants landschap.
Van vóór : St. Jan op het eiland Patmos, verslonden in zijn apocalyptische vizioenen; achter hem: weiden en beekjes, en hoog in een berkenboom zit een vogeltje te fluiten.

Onze middeleeuwse dichters en mystieke schrijvers van hun kant, hebben ook niet nagelaten in hun verheven gedachten en bespiegelingen steeds mens te blijven en zij gaan hun vergelijkingen zoeken in de natuur en in het dagelijks leven van de mensen. En hier denk ik te mogen zeggen dat ook vader in deze zin, op het einde van zijn leven, een volledig Vlaming geworden was.

Dat vader een hevige bewonderaar der natuur is geweest en er in heeft meegeleefd weet iedereen.
Zijn mystieke neigingen en zelfs, tijdens de laatste jaren, zijn mystieke toestand, vormen echter een onderwerp dat uit de aard der zaak altijd discreet en zelf secreet is gebleven. Zelden of nooit heeft hij daar iemand over gesproken. Over de meest intieme bewegingen van zijn ziel was hij toch altijd weinig mededeelzaam en heel gereserveerd — alweer een trek van de Vlamingen.
En het is slechts op het einde van zijn leven, pas als hij het einde voelde naderen, dat hij daar een en ander van heeft willen vrijgeven. Het was met stukken en brokken dat hij nu en dan, als hij zich iets beter voelde, op een stukje papier, op een hoekske van de tafel of rechtzittende in bed, een klein gedichtje neerschreef.
Over de poëtische waarde van deze gedichten zal ik hier niet spreken, maar alleenlijk over de inhoud.

Vader heeft zich altijd geïnteresseerd voor de mystieke schrijvers in 't algemeen, wat gelezen in Joannes a Cruce, iets van Theresia van Avila, dan eens een stuk uit Ruusbroec, maar voor zover ik weet heeft hij nooit de mystiek bestudeerd als wetenschap.
Over mystiek schrijven of mystieke beleving weergeven, vooral in de ik-vorm, veronderstelt ofwel een grondige studie der mystieke theologie ofwel persoonlijke ervaring .... Alle schrijvers zijn het daarover eens. Poulain zegt zelfs dat wij het onmogelijk kunnen zonder het ondervonden te hebben, daar de fouten en de verkeerde toon dadelijk zouden opvallen. Ook de verbeelding en voornamelijk de verbeelding is onmachtig de mystieke vereniging na te bootsen, vermits zij niets anders kan dan tastbare beelden weergeven, hetgeen volledig het tegenovergestelde is van de staat waarover het hier gaat.
Het geheel van de mystieke elementen, als ik het zo mag uitdrukken, of liever de weergave van de verschillende kenmerkende elementen van de mystieke toestand is in Adagio nu zó gevarieerd en zó volledig en tegelijk zó verspreid over verschillende plaatsen van het boekje, dat het niets anders kan zijn dan de werkelijke weergave van een persoonlijke experimentele toestand.

2146308-156005c5baf40ff51a327f1c34f2975b.jpg

De persoonlijke ervaring en meteen het Vlaams karakter komen des te duidelijker naar voren daar de weergave van de mystieke bevindingen verweven is in een hele serie natuurintermezzo's.

Ik bedoel hier de gedichten:

"Met rood en blauw op gouden grond maal ik mijn engelen en Madonennen .... ";
"De sterren ranken rond mijn venster rein met de rozen saam ...";
"Maria zingt in gouden avondstond met blanke kele .  ..";
het Hert van Sint Huybrecht, met het kruisbeeld in zijn gewei;
het gedicht over Sint Franciscus en zijn stigmata;
het gedicht van Sint Sebastiaan met pijlen doorboord;
het gedicht van de Eremijt en dat over de Emmaüsgangers.

Het zijn bijna allemaal taferelen zoals onze oude Vlaamse schilders die met voorliefde hebben behandeld. Van deze schilderachtige gedichten met godsdienstig onderwerp, die ik natuurintermezzo's heb genoemd omdat ze geen positief mystieke gedichten zijn en tussen deze laatste zonder orde verspreid liggen, zijn er toch nog een vijftal die eindigen met een toespeling op eigen zieletoestand en die, als tegen wil en dank, toch uitvloeien in eigen mystieke bevindingen.
Zó b.v. het gedicht van "Het Hert van Sint Huybrecht", dat op het laatste ogenblik nog voor de dodende pijl is gespaard gebleven door de verschijning van het kruisbeeld in zijn gewei:

               Nu ik U heb gekend en dienend mogen dragen

               wordt mij de dood, dien ik steeds vreesde, zoet,

             en loop ik fris en hopend door de dagen

             de hoornengalmen tegemoet.

En ook het gedicht van "De Eremijt" — het is een tafereel van Hieronymus Bosch.

               Soms, als door d' hel en God uiteen gescheurd,

             ben ik de speelbal van twee machten.

             Ach, lijk de maan zich hoven d' aarde beurt,

             zo lacht een rappe dood als troost in mijn gedachten.

             Vergeef mijn zwakheid. Heer! Doch zo Uw hand

             zich over mij houdt zal ik niet versagen,

             want 'k wil de vlinder zijn, die zich in U verbrandt.

             Maar ach, mijn God, wat zijt Gij zwaar om dragen!

Steeds hier en daar in kleine details, temidden der zielservaringen vindt men nog de eigen beeldenkeuze, de eigen toets van vaders schrijfwijze:

              "Een ganzendriehoek in de luchten

             nu komt de wintertijd....".

             "Ik ben de stenen pijp, die ieder uur kan breken,

             en eiken dag voor U een nieuwe zeepbel blaast".

             " 't Is of de dag in alle vlijt

             met een oneindigheid van priemen

             de grijze pij van mijnen deemoed breit"

* * *

De mystieke toestand is verschillend in ieder afzonderlijk geval en is anders bij elke mens. Hij is Gods werk.
"Het is God, die de ziel tot de beschouwing roept. In deze heeft de ziel noch eigen initiatief noch eigen werkzaamheid. God werkt in haar terwijl zij zich passief houdt", zegt de Heilige Joannes a Cruce.
De mystieke toestand is een proefondervindelijk kennen van God. Het essentieel bestanddeel ervan is de lijdelijkheid, de passiviteit, waar dikwijls nog aan toegevoegd wordt de genade van het bewustzijn van Gods tegenwoordigheid.
Die passiviteit bestaat in de gebondenheid der vermogens van de ziel, de gebondenheid van de geest, van de verbeelding, van het redeneringsvermogen, van de opmerkingsgave en het geheugen.
Dat wil daarom niet zeggen dat deze vermogens inactief zijn in de zin van "dood" of "ingeslapen", maar wel dat ze niet werken uit eigen initiatief; dat integendeel God de plaats van de mens inneemt als drijfvermogen van wat er in hem omgaat. Het is als het ware een "negatief zien"

Bij die beschouwingen beleeft men tegelijk een tweevoudig gevoel: genot en angst.... Onuitsprekelijke blijdschap om de tegenwoordigheid van de goddelijke Gast en een bang beklemmend gevoel, wijl men hem nog niet volkomen bezit. Nu eens genot, dan weer angst. Nu eens duisternis, dan weer bovenmatige liefde tot God, die men niet onder woorden kan brengen. De beschrijving ervan blijkt onuitsprekelijk te zijn.
Zulk een toestand kan natuurlijk niet bestaan zonder dat zekere voorwaarden vervuld zijn. Er is zuiverheid van hart nodig, progressieve onthechting aan alles, en zuiverheid van geest, want nieuwsgierigheid, verwarring en verstrooiing leiden de ziel af van haar gemeenschap met God. Er is een grote deemoed nodig en nederigheid, en dit intiem contact vraagt vroom stilzwijgen. Volgens Joannes a Cruce is het een doorslaand bewijs van naaste roeping tot mystieke beschouwing "wanneer de ziel haar behagen vindt met God alleen te zijn". Sprekend over deze gedichten van mijn vader, zal ik hier niet trachten uit te maken of hij verheven werd tot de eigenlijke passiviteit, zoals die door de mystici wordt beschreven, of dat hij nog maar gekomen was tot de toestand van "gebed van eenvoud".

Het gebed van de ziel in die toestand wordt uiterst eenvoudig. De eenvoudige blik van de ziel wordt herhaaldelijk en bijna uitsluitend op God gericht en de ziel verkeert in een toestand van dorheid. Dorheid, die nu eens zacht en rustig is, doch meestal bitter en pijnlijk. Deze dorre rust wordt door de mystieke schrijvers gewoonlijk genoemd: de nacht der zinnen. Deze heeft tot doel de ziel aan al het gevoelige te onthechten. Bij deze dorheid komt een pijnlijke, altijd gevoelde behoefte aan een steeds inniger vereniging met God. Hierbij komen de beproevingen, die verschillen van mens tot mens en een algemene; loutering, voor iedereen dezelfde.
In vaders geval waren het op het einde van zijn leven, een zware ziekte en vele moeilijkheden, die waarschijnlijk het uitgangspunt geweest zijn van die nieuwe richting in zijn leven.
De ziel leert bij ervaring zichzelf en haar ellende kennen. Haar kennis van God wordt zuiverder.
Nu en dan ontvangt zij geestelijke vertroostingen, waarvan de grootste en gelukkigste die is waarin God zijn tegenwoordigheid laat voelen.

Dit gevoel kan zelfs zó ver gaan, dat het de indruk geeft van een doordringen, een versmelten en een verzinken in God, zoals Tauler dat uitdrukt in zijn Institutiones: "De geest is ondergedompeld en als opgeslorpt in de volle zee, in de afgronden van de goddelijke oceaan, zodat men wel mag uitroepen: God is in mij! God is buiten mij! God is overal rond mij. God is helemaal van mij en ik zie niets dan God! "

* * *

2011357-8cda81fc7ad906927144235dda5fdf15.jpg

Er zijn natuurlijk nog vele andere vormen en verdere graden in de mystieke vereniging, want dit alles vormt nog maar slechts een begin.

Laten wij nu terugkeren naar Adagio en het even doorbladeren. U zult zien dat vele van die gedichten tot God gezegd zijn. Of, als ze beginnen over een of ander bepaald onderwerp, verlaten zij dit al gauw om weer te eindigen met God aan te spreken. Dat is ook niet te verwonderen. Wij hebben immers altijd geleerd dat het gebed essentieel bestaat in het contact van de ziel met God. Gezien nu de mystiek hoofdzakelijk bestaat in de passiviteit en de bewuste tegenwoordigheid van God in de ziel, is het dus wel in het gebed dat die ziel de tegenwoordigheid van en de vereniging met God zal zoeken.

Als deze gedichten dus op een gebed eindigen of helemaal in gebedsvorm geschreven zijn en anderzijds toch ook de stempel dragen der beproevingen en ziekte die vader in die jaren heeft ondergaan, is het wel een zeker teken dat zij zijn zielstoestand van die laatste jaren getrouwelijk weergeven, te meer daar wij er die klare ontwikkeling in kunnen volgen welke helemaal overeenkomt met de evolutie van de ziel zoals de mystieke schrijvers die gewoonlijk uitleggen.

Ik ben er bijna zeker van dat vader er zich theoretisch hoegenaamd niet van bewust was en zelfs niet vermoedde in welke toestand of graad van mystieke vereniging hij zich bevond, wat voor hemzelf trouwens helemaal overbodig was. Daarom staan de gedichten door elkaar en moeten we, om de verschillende kenmerken van die mystieke toestand weer te vinden, van de ene plaats in het boekje naar de andere gaan zien. Het feit dat hij zich van die toestand niet bewust was, pleit nog eens voor de echtheid ervan.

Er is eerst een grote introversie waar te nemen: de mens die zich naar binnen keert en ziet dat hij zo lang gewacht heeft om het juiste, echte licht te vinden en te laten ontvlammen: 

"De blaadren rijzen door den stuggen nevel,

er zijn geen klanken meer, er is geen lied,

slechts in het dorre riet een vroom geprevel.

Nu komt de tijd dat men naar binnen ziet. 

Het leven vlood en das blijft in onz' handen,

't verlangen stijgt om mede te vergaan.

Doch in den weemoed blijft één lichtje branden, 

het licht dat w' in den zomer overslaan,

waarvoor wij slechts, tot onze scha en schande,

rondom den wintertijd om olie gaan".

Het is hier wel degelijk de opgang naar God:

"Door de neevlen van den avond

pint de horen van de maan.

'k Wacht hier op de leege baan

om met U, stil in Uw schaduw

mee naar Emmaüs te gaan"

Terzelfdertijd komt reeds het boven aangehaalde kenmerk mee te voorschijn:

"die met der zon luidruchtigheid voor de ziel,

in bont en dwaas gedoe verviel,

en nu bezinkt, vervuld van spijt,

en het berouw voelt kiemen ....

't Is of de dag in alle vlijt,

met een oneindigheid van priemen

de grijze pij van mijnen deemoed breit".

Die deemoed, die nederigheid is een eerste vereiste. Men kan God niet zien zolang men nog zichzelf in 't oog houdt:

"Ach, ik weet het, 't kan niet helpen,

eerst moet ik den trotsen muur

van mijn eigen ik afbreken,

en dan slaat dat zalig uur".

Dat afbreken van het eigen ik moet vooral voor een kunstenaar, zoals U wel kunt vermoeden, bijzonder pijnlijk geweest zijn:

"Dat is juist mijn angst en zorge,

en dat is mijn laffe pijn,

dat Gij dan te groot geworden

ik mij zelf niet meer zou zijn".

Eens echter dat hij een glimp van Gods schoonheid heeft kunnen bevroeden, dan valt de zelfverloochening niet zo zwaar meer:

 "De schoonheid droomt van boom tot boom,

doch alle schoonheid zal verdwijnen,

want alle schoonheid is slechts droom,

maar gij zijt d' Eeuwigheid!

Heb dank dat Gij mijn weemoed wijdt

en zegen ook zijn vruchten"

Die zelfverloochening en zuivering moet echter, lijk de mystieke leraars steeds beweren, de hele tijd van de evolutie doorgevoerd worden:

"Mijn ziele, dwaas van zangen en verlangen

geraakte in 't sterrenweb van Uwen nacht gevangen.

O Heer!

'k Voel mij verzengeld tussen aarde en Hemel hangen,

en 't doet zo zeer".

Zo ook komt heel natuurlijk verder in het boek ditzelfde thema weer:

"Ik sta weer moederziel alleen,

een arme mens in zak en asse,

die angstig op zijn ziel moet passen,

zo wordt zij door de stof verdwaasd.

Hoe kan een mens zo in elkander steken?"

 Het wordt soms nog eens lastig en telkens is Gods hulp daarbij nodig:

"Het ligt zo zwaar op mijn gemoed,

alleen kan ik het niet bewerken;

maar, als God mij een teken doet,

zal mij dat troosten en versterken.

Dan wordt het goed! "

Het wordt soms zelfs heel zwaar te dragen:

"Soms, als door d' hel en God uiteen gescheurd,

ben ik de speelbal van twee machten.

Ach, lijk de maan zich boven d' aarde beurt,

zo lacht een rappe dood als troost in mijn gedachten.

Vergeef mijn zwakheid. Heer! Doch zo Uw hand

zich over mij houdt zal ik niet versagen,

want 'k wil de vlinder zijn, die zich in U verbrandt.

Maar ach, mijn God, wat zijt Gij zwaar om dragen! "

Het zware wisselt dan af met de vertroosting en alles wordt weer eenvoudig. Het is een klassiek verloop van zulk een toestand:

"En luister nu, hoe alle dingen zingen,

en alles zingend in elkaar vervliet,

de mensen en de dingen,

de vreugd, het kwaad en het verdriet,

lijk duizend schoon accoorden

van een en 't zelfde lied!

O zalig uur, waarop de ziel, gerijpt

van zangen, zonder beeld of woorden

Gods wil begrijpt! "

De kern van heel de zaak, de basis zoals wij hoger zagen, blijft immer de vereniging met God en de eerste stap, de eerste gewaarwording, als ik het zo mag zeggen, is het verlangen naar die eenwording:

"Als betoverd aangetrokken,

draai ik immer rond Uw schijn,

aarzelend en toch verlangend

vlam van Uwe vlam te zijn".

Hij weet dat in die eenwording alles is vervat en alles is bereikt en het hoogst denkbare geluk geschonken wordt:

"Met U zijn er geen verten meer

en alles is nabij.

Des levens aanvang glinstert weer,

geen gisteren en geen morgen meer,

geen tijd meer en geen uren,

geen grenzen en geen muren;

en alle angst voorbij,

verlost van schaduw en van schijn,

wordt pijn en smart tot vreugd verheven!

Hoe kan het zo eenvoudig zijn,

Hoe kan het leven Hemel zijn,

met U, o kern van alle leven!"

En ook in het volgende gedicht:

" 't Geheim blijft tot de nacht behoren,

waarin ik ben ontstaan,

tot, opgeslorpt, in schijn verloren,

in 't licht vergaan

in U ik word herboren! "

Het is wel helemaal zoals we het hoger aanhaalden uit Tauler en nu door vader op een meer dichterlijke manier wordt gezegd:

"D' aarde slaapt vol donk're kracht,

milde sterren blinken

en de melkweg nevelt zacht.

'k Voel mij diep in God verdrinken

Ach, hoe heilig is de nacht".

Hij moest dan zeker af en toe het geluk smaken dat op dit lang verwachten volgen moest, alhoewel deze bijzondere gaven steeds genade zijn, steeds onverdiend:

"Ik heb zo lang naar U getracht,

zoals de arme kranke wacht

naar 't krieken van den morgen".

Dat hij de tegenwoordigheid van God in zich werkelijk gevoeld heeft, blijkt uit verschillende bladzijden, waar hij schrijft:

" 'k Zocht U altijd buiten mij,

tot het leven mij verwondde,

en ik U, o zaalge stonde,

in mij zelven heb gevonden!"

" ꞌk Huiver van ontzag en glorie

als ik U in mij herken"

En op een andere plaats:

"Ik hoor U door mijn hart en door de rieten zuchten…"

"Hij is in ons! In ons! Zo is het goed!

En laat ons zwijgen en verlangen"

En zelfs als tijdelijk dit godsgevoel verdwijnt, laat het nog steeds zijn zalige invloed na:

"Dit was het wonder.

Wij stonden weer alleen,

doch vouwden blij onzꞌ handen.

Het was alsof Hij door ons heen verdween

en 't licht in ons is blijven branden.

Blijf zo in ons, o Heer, de zon gaat onder! "

En op een andere keer:

"Nu 't stil is, wordt mijn ziel de zeekinkhoren

waarin ik God, die door de Heemlen bruist,

beluister, en zijn hoog bestaan kan horen!

O broos geluk, dat in mijn ziele suist,

en uit wat stilte en weemoed wordt geboren,

maar door dit hart straks weer zo snel verhuist".

Hier zou ook wel kunnen verwezen worden naar hetgeen de mystieke schrijvers gewoonlijk noemen "de vijf geestelijke zinnen", doch dit zou ons misschien te ver voeren als we dit hier in détails wilden uitzoeken en aantonen.

Midden in dit alles komen steeds momenten en zelfs perioden van duisternis. Het wordt onverstaanbaar, het gaat op en neer:

" 't Licht gaat uit en 't licht gaat aan...."

Er is liefde, rust, er komt hoog geluk, er komt weer lijden. Er moet een lange weg worden gegaan:

"Hoe loopt de weg door de woestijn

naar Uw Beloofde Landen?

Er is veel dorst, er is veel pijn,

maar weinig troost voorhanden.

Wij kwamen in 't begin der wegen

de kloeke druivendragers tegen,

en vroegen toen reeds: Is 't nog ver?

Zij wezen met kort duimgebaar,

alsof het nog een boogscheut waar,

naar d' Avondster.

En 't land werd niet gevonden.

Maar ꞌt heimwee blijft, spijts twijfel, nood

en ijdelheid en zonde.

Begint het soms in 't aanschijn van den dood?

Men zegt: Wie God wil zien moet sterven

Of loopt de weg doorheen de grot

van onze ziel, waarin Gij waakt, mijn God?

Dan valt de schone hoop in scherven,

want dan begint de weg van her....

Dan was het nooit zo na, mijn God,

maar ach, ook nooit zo ver! "

En juist die toestand waarvan de Mystiekers spreken en welke in die perioden vaak voorkomt, geeft hij op een paar plaatsen weer:

"Ik weet het niet, ik vind geen naam,

ik krijg het met geen woorden saam

wat er nu omgaat in mijn ziele.

Is het soms blijdschap? Is 't verdriet?

of allebei? En ook weer niet.

Ik kan slechts zwijgend knielen".

Maar als Gods genade blijft, dan kan er niets de opgang van de ziel nog stuiten:

"Indien Gij U verborgen houdt,

al lokkend achter 't doornenhout,

't mag steken en 't mag kerven,

dan zal ik dóór de dorens gaan,

al kwam ik bloedend bij U aan,

'k wil in Uw liefde sterven"

En ook:

"Uw schoonheid heeft mijn rust verstoord

en jaagt mijn ziel gedurig voort.

'k Ben niet meer 't zelfde wezen.

Uw liefde steekt mij als een piek,

O zoete pijn, zij maakt mij ziek;

toch wil ik niet genezen"

2146308-2aa744861ce013505d74e1d9a1b75fc3.jpg

(Adagio in het Duits en Litouws)

Zelfs wat de mystiekers "De nacht der zinnen" noemen zoals wij hoger hebben aangehaald, komt duidelijk in dit gedicht naar voren:

" 't Gebergt ligt in den nacht verborgen,
maar d' hoogste toppen zijn verlicht;
zij zien het worden van den morgen
in 't aangezicht.

Zo glinsteren de kristallen tinnen
van mijne ziel in Gods gelaat,
terwijl zij zelf in nacht der zinnen
verloren staat"

En verder:

"De nachtziel zingt haar levensdank,
doorheen uw hart; gij zijt de klank,
de fluit van haar refreinen;
noch klokken, orgels of klaroen
heeft zij voor instrument vandoen,
gij zijt haar bidfonteine".

Van deze aardse vereniging met God gaat heel natuurlijk de gedachte van de ziel en haar verlangen naar de vereniging met Hem in de hemel, die eeuwig duren zal:

"O mocht mijn ziele hoog en zuiver branden

zoals de maan thans neerblinkt op het dal,

wanneer ik uit de nauwe wanden

des levens, naar de landen

van Uw Belofte stijgen zal".

 

"De kern van alle dingen

is stil en eindeloos.

Alleen de dingen zingen.

Ons lied is kort en broos.

 

En donker zingt mijn bloed,

van heimwee zwaar doorwogen.

Ik zeil langs regenbogen

Gods stilte tegemoet"

Een laatste facet nog wil ik hier aantonen waaruit blijken mag dat vader — hij die gedurende zijn leven ons zoveel schone dingen gaf en van zijn rijkdom mededeelde — ons ook nu in zijn geluk wil betrekken:

"De Geest waait waar hij wil

en staat nooit stil.

Nu eens bij u, dan bij een ander.

Waarom bezien wij zo elkander?

Zie, wat bij u is, is bij mij.

't Komt uit hetzelfde klaar getij,

gelijk de waatren van de beken

zich voeden aan denzelfden stroom

of uit dezelfde bronne breken.

Wij zijn de takken van één boom,

van 't zelfde huis de gangen,

de aders van het eendre bloed.

En of de geest met vlam en zangen

bij u nu, dan bij mij verwijlt,

of weer verterend naar een ander ijlt,

Hij is in ons! In ons! Zo is het goed!

En laat ons zwijgen en verlangen"

En verder:

" 'k Zou van mijn woorden, van mijn taal

een glinsterende schaal

van 't puurste maaksel willen gieten,

waarin ik Uwen eeuw'gen naam

met al zijn diepte en schoonheid saam

zou kunnen laten vlieten,

en hem als kostelijken wijn

aan and'ren doen genieten"

Op het einde van zijn leven heeft vader eens aan een vriend gezegd: "gedichten maken dat is bidden".
Nu pas kan men dit begrijpen en kan men zeggen: Vaders gebeden zijn deze gedichten geworden. Gebed is contact met God. En het is juist omdat hij gekomen was tot zo een hoog gebed en het in dat contact met God zó ver heeft gebracht, dat hij deze gedichten heeft kunnen maken. Het zal misschien bij sommige mensen verwondering wekken en hun in 't eerst onverstaanbaar en onverenigbaar blijken, dat dezelfde mens, die Pallieter schreef, op zekere dag Adagio componeerde. Ik kan daar slechts op antwoorden in de zin van de oude Vlaamse spreuk; "Gods wegen zijn wonderbaar" De weg die vader heeft afgelegd is tamelijk lang geweest en wij kennen uit de geschiedenis meerdere gevallen waar de weg véél korter was of de twee uiteinden veel verder van elkaar af lagen. Het slot van Adagio heeft vader niet op het laatste blad geschreven maar op de titelpagina. Dit vers is de korte inhoud van Adagio; het is ook de korte inhoud van heel vaders leven en betrachten. Het is de finale en klinkt zo:

 "Ik ben een snaar op Uwe harp,

en wacht naar 't roeren van Uw vingren,

om ook mijn klank doorheen ’t gerank

van Uwe symphonie te slingeren"

*****************

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Mon om 21:44 Reageer op dit bericht

De nachtelijke Dauw - Felix Timmermans

DE NACHTELIJKE DAUW.

Door Felix Timmermans uit Vlaanderen roept.
Hoe betooverend deze aanvang van een sprookje, waarin een aardmannetje za
l pogen de juweelen van het viooltje te stelen, — tot ze, in zijn hand, in een water druppel veranderen!

Toen de witte Winter gesmolten was en uit het land wegdreef langs de beken en de rivieren naar de zee, was het kaal, dor en verlaten over de wereld. O. L. Heer stuurde dan de Lente naar beneden, om aan bosch en beemd, veld en weide een schoon uitzicht te geven.
De Lente is een vermenigvuldiging van kleine, lieve maagdekens, die bezonder uitbundig, onervaren en speelziek van aanleg zijn. Daardoor konden zij de opdracht van versieren en besmukken niet naar den juisten zin gedaan krijgen.
Doch Moeder Zon kwam meehelpen, om met haar licht en hare warmte, de teere bloemen en broze gewassen te beschutten, die de lentemaagdekens zoo maar ordeloos en roekeloos aan de boomen en struiken gehangen, en in de bosschen en weiden gestrooid hadden.

Men zou er anders wat van beleefd hebben.

En als dan alles in schoonen bloei te pronken stond, gingen die mejuffrouwkes, moe van spelen en fikfakken, onbekommerd op een wolk liggen slapen, en lieten aan Moeder Zon alleen het verdere werk over. Zoo zijn nu eenmaal alle Juffrouwkens. Toen het dan avond wierd en Moeder Zon ook gaarne een oog had toegedaan, riep ze hare trouwe meid, Mie Maan, om over de schoone bloeisels te waken, en ze met het een of ander spel bezig te houden. En als Moeder Zon dan in hare slaapkamers was, riep Mie Maan haren ouden vriend Menheer van der Dauw, de diamantslijper, en ze vroeg of hij de bloemen en de kruiden eens zou willen versieren met zijn kostbare edelgesteenten.

— Ik vraag niet beter, zei de grijze Mijnheer van der Dauw, en het duurde niet lang, of hij begon in het licht van Mie Maans gezicht zijn schitterende briljanten uit te deelen. De rozen in den tuin van het kasteel wilden de grootste en de meeste hebben. En ze kregen ze.

Toch verwekte dit bij de andere bloemen niet de minste afgunst. Voor die andere bloemen zijn de fiere rozen slechts parvenus, nieuwe rijken, die hunnen tijd vergeten zijn, toen ze met hun takkken van zeven blaadjes (nu hebben ze er vijf, dat schijnt voornamer) met een simpel bloemkelksken, ergens aan een beek verloren stonden.

Nu hangen ze de groote Madame uit, blazen zich op, voorzien zich van scherpe sporen als hanen of ridders, dragen een hooveerdige papillottenkrul, en laten zich zonder blikken of blozen «de koningin der bloemen» noemen. Ah! Ah!

Allemaal valschen hoogmoed, want zonder hulp van menschenhanden, die hen snoeien, enten, koppelen, en wat nog allemaal, zijn ze niemendalle. Zie maar eens, als ze wat verwaarloosd worden door menheer de hovenier, de mensch die de bloemen anders wil, dan komt hunne wilde natuur weer boven en kunnen ze de teekens van hunne geringe afkomst niet verloochenen. Dan schieten er, van onder aan den stam, weer een of meer wilde scheuten te voorschijn, met takken van zeven blaadjes en met een bloemeken waar men meelij bij bekomt. Als niet eens komt tot iet! Neen, dan maar liever : zijn| wat ge zijt, en vrij en ongedwongen in de open en goede natuur op eigen handje zorgeloos open te bloeien.

Geen rijker kroon dan eigen schoon!

Doch voor Menheer van der Dauw is een bloem een bloem, en als ze maar niet van papier zijn, geeft hij zooveel juweelen als ze maar verlangen. « Ieder zijn smaak, » zegt hij in zich zelf.

En zoo versierde hij de rozen in den tuin, de beemden, de bloemen aan de rivieren en trok het bosch in. Daar had hij ook zijn werk met uit te deelen. En weldra waren varens, sleutelbloemen, madeliefjes, lelietjes, en anderen, ieder naar zijnen stand en verlangen met de schoonste briljanten, die men zich denken kan, veredeld en versierd. Mie Maan goot daarover haar zilver licht, en al die edelsteenen blonken zoo geheimzinnig schoon, lijk de sieraden van een prinsesje uit een sprookje.

— Moeder Zon zal blij zijn, zei Mie Maan tegen Menheer van der Dauw, als ze morgen wakker wordt, en al hare lievelingen zoo prachtig uitgedost ziet.
— Zonder dank, steeds tot uw dienst, zei de oude diamantslijper en meende al voort te gaan. Maar hij bleef staan en snuffelde.
— Wat is me dat voor een fijnen geur, zei hij. Hij zag rond, zocht, bukte zich, en daar zag hij in de diepe schaduw tusschen gras en kruid, een purper bloemeken weggedoken.
— Wie zijt gij ? vroeg Menheer van der Dauw, zijt gij het viooltje niet?
— Ja, menheer, zei een klein bloemeken, ik ben het viooltje.
— Ik wist al niet wat ik miste, zei de oude, die schoone kleur en die uitgelezen reuk.

Men moet waarlijk met zijnen neus over den grond kruipen om u te vinden.

Waarom zit gij daar dan toch zoo stil verdoken, lief ding?

— Wel, menheer, lei het viooltje uit, ik ben opengebloeid toen O. L. Heer met Goeden Vrijdag op het kruis gestorven is. Daarom heb ik een purper kleedje aan, dit is toch de kleur van het verdriet, en daarom zit ik in den donkeren te treuren.
— Dat is heel schoon en lief van u, Goe-Vrijdag-bloemeke. Maar ge kunt toch niet eeuwig blijven treuren, omdat gij een purper kleed aan hebt. De Koningen zijn ook in het purper gekleed en dat zijn de gelukkigste menschen der wereld. En daarbij, zijt ge dan vergeten dat er na Goeden Vrijdag ook een Paschen geweest is, waarop O. L. Heer is verrezen?
Och neen! dat wist het viooltje niet, en 't begon te glimlachen omdat het niet meer moest treuren.
— Zoo is 't goed. Gij hebt de zuiversten balsem en de schoonste kleur, en daarom ga ik u versieren met de schoonste briljantjes, die ik in mijn bezit heb, zei menheer van der Dauw, die met zijnen rooden neus genietend het viooltje besnuffelde.

En de oude diamantslijper haalde vanuit de witte watte van zijn juweelendoos de zuiverste briljantjes die hij ooit geslepen had. Hij stak het viooltje er een in ieder oor, en hing om het gouden hartje een brelokske van drie steentjes, lijk een klaverblad. Dan schoof hij het kruid en het gras opzij, zoodat een milde manestraal ongehinderd het viooltje kon verlichten.

Hoe fijn, hoe edel blonken en fonkelden die briljanten boontjes op dit diep-donker purper fluweel! Menheer van der Dauw was er zelf door verrast. Hij wist niet dat de steentjes zoo schoon waren.
Nu zag hij het eerst, en hij vond medeen zijnen stiel de schoonste stiel der wereld.

Het viooltje huiverde van geluk als het zijn eigen bezag. En al de bloemen en kruiden waren één lof en bewondering. Ze rokken zich uit om het beter te kunnen zien, en de eene fezelde het voort aan de andere, het ging van bloem tot bloem, ook de woorden van Menheer van der Dauw wierden niet vergeten! En alhoewel het niet ter ooge, enkel ter oore van de hooveerdige rozen kwam, konden zij het zich toch goed voorstellen. Ze krobten zich op van nijd en afgunst, trokken een dubbele kin en haalden misprijzend de schouders op.

Ze staken lijk een kat hunne nagels vooruit van jaloerschheid.

Als Menheer van der Dauw dan weg was, riep de gemoedelijke Mie Maan, die het bloemenvolk een heele nacht van dienst wou zijn, eenige nachtegalen, om met hunne schoone liederen de bloemen te vermaken. Seffens kwamen er eenige aangevlogen, en zij weefden met hun gezang guirlanden van klankperelen in de boomen.

De bloemen wiegden hun stengel en wiegden hun hoofdje op de maat van de muziek.

Dat spel was zoo schoon, dat de luisterende sterrenhemel een heel eind naar beneden zakte om het beter te zien en te hooren. Ja, er waren er zelfs, die er zich uit de lucht lieten voor vallen, om er niets van te laten verloren gaan.

Het madeliefje, dit vinnig dingeske, trilde met zijn kanten roksken als de eerste danseres van operaballet, de sleutelbloemen waggelden hunne bellekens, de paardebloem krulde zich open en toe, en ’t viooltje wiegde zacht, en liet zich heelemaal meegaan in de zaligheid van de muziek en in de zaligheid van zijn geluk.

Mie Maan lachte omdat alles zoo schoon en lustig ging.
Doch bij de rozen, die de vreugde daar beneden hoorden, was er geen plezier.
Zij wiegden niet mee op den zang der nachtegalen.

Dat was veel te gemeen voor kasteelvrouwen. Maar ze konden ook niet, want ze waren vast gebonden aan een beschilderde stok. Ze waren kwaad, ze konden het maar niet slikken dat het viooltje zoo zeer wierd geprezen om zijn schoonheid en zijne sieraden.

Waren de rozen vrij lijk de dieren geweest dan zouden ze zeker met tijgerwoede heel dit lovend en bewonderend en lustig gespuis in flarden vaneen gescheurd hebben, en van het viooltje ware er natuurlijk niets meer overgebleven.

*************

 2140113-427308c4908db360a2ec802a922a4f73.jpg

 

 

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Mon om 23:29 Reageer op dit bericht

De Nood van Sinterklaas - Felix Timmermans

De Nood van Sinterklaas

Onlangs zijn er twee nieuwe vertalingen vrij gegeven van het werk van Timmermans : De Nood van Sinterklaas. In het WAALS en in het PICARDISCH


2056550-e4d0e332bd29ac3b12713e1229cf037b.jpg

2056550-02e2292eb1843889c59ea351b56ca76d.jpg

*****

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door Mon om 00:00 Reageer op dit bericht

De Vlietjesdemping te Lier - Felix Timmermans

De Vlietjesdemping te Lier

Door Felix Timmermans.

Waar het lieve stadje Lier zijn zeer schilderachtige huizen en daken bijeen troppelt, wentelde vroeger de groote zee. Eeuwen lang, na zij zich terug getrokken had, bleven er nog groote moerassen en drabbige gronden bedekt met riet. Vandaar de naam der Nethestreek "Het Rietland" of "het land van Ryen". Het was daar dat de Menapiërs, die reeds met noesten arbeid en taaie wilskracht bij plekken gezonden grond veroverd hadden, zulke moeilijke taak aan Julius Cesar opleverden.

Ten noorden van Lier begint aanstonds den zandigen zeegrond der Kempen die zich uitstrekt ten noorden tot in Holland en ten oosten tot in Duitschland, langs Limburg door. Ten zuiden openen zich de vlakke vettige velden van het vruchtbare land van Brabant. Lier ligt dus op de scheiding en is lager gelegen dan het oppervlak der beide Nethen, die te Lier samenstroomen en het water meevoeren van overtollige bijloopen, komende uit de provinciën Limburg en Antwerpen. Aldus baanden de samenvloeiende wateren, vooraleer zij door dijken en afsluitingen wierden gestremd, zich in alle richtingen uit en alzoo ontstonden de natuurlijke waterloopen in onze stad. Het water moet in die tijden van af 1200 zoo geweldig in hoeveelheid geweest zijn dat onze voorouders nog waterloopen in en buiten de stad bijgraafden, daar de natuurlijke waterloopen alles niet konden afvoeren en het water in de huizen drong.

Aldus kan men zien dat Lier een waterstad is en zij zich uit het water heeft moeten winnen, en dat zij nu nog slechts vrij blijft door de hooge steile dijken langsheen de Nethe. Nóg zelfs is het bij springvloed geen zeldzaam geval dat het laagste gedeelte der stad onder water staat.

Al deze natuurlijke en kunstmatige waterloopen binnen de stad worden vlietjes genoemd.

In de 17e eeuw waren ze heel talrijk al waren er toen reeds vele verdwenen ; want in de aanteekeningen van Avondtroodt, voor titel dragend : "Een beknopte aanteekening van onheilen en rampen veroorzaakt door stormwinden, springvloeden enz", lezen wij, dat de Beggijnenvliet in 1579 werd te niet gedaan om er een stevig bolwerk op te maken.

De Vrouwevliet werd in twee gesneden door de verbinding, gegraven in 1426 en sedert dien verloor zij alle belang, wierd aan haar uiteinden opgestopt en veranderde in een modderpoel. Later wierd deze dicht gemaakt en thans is er geen spoor meer van te vinden. En nu sedert langs alle kanten degelijke waterafleidingen in de beemden zijn gemaakt, de Nethe een kalmen, regelmatigen loop heeft gekregen, zijn deze vlietjes aangeslijkt geworden en staan ze zelfs bij de hoogste tij geen meter onder water.

 

Deze vlietjes, die tusschen huizen en onder straten door loopen, namen vroeger allen afval en uitgestorte vuilnis mee, doch nu er bijna geen water meer in komt en de vuiligheid niet meer afgedreven wordt zijn zij een werkelijk gevaar voor de openbare gezondheid geworden.

Zij liggen soms heelder weken droog, opgepropt van slijk, met in 't midden een vuil waterken van nog geen arm breed, en het krioelt er van stukken ijzeren en steenen potten. Al wat den huismoeders, die langs de vlietjes wonen, niet meer aanstaat, wordt er in geworpen : overschot van het eten, graten van visch, beenderen, enz. Dan nog met hooge water komen er hondenlijken in gedreven en gaan er niet meer uit, en zoo zijn deze vlietjes een waar mengelmoes geworden van allerlei onzuiverheid ; zij zijn er van opgepropt, en 's zomers, als zij meestal droog liggen en de zon op al die rottigheid stooft en bakt, dan komt er een geur uit die alles behalve aangenaam is.

 

De onderaardsche waterlaag, die de putten en pompen voedt, is meestal bedorven en er zijn reeds menige malen epidemische ziekten door ontstaan.

Zoo zijn er op zijn minst 17 vlietjes die de stad doorkruisen, en het wierd werkelijk tijd dat er aan dit gevaar een eind moest gesteld.

Het stadsbestuur heeft eindelijk het groote werk ondernomen deze vlietjes te dempen.

Langs alle kanten is men reeds aan 't werken : gieten van buizen, aanbrengen van gezonden grond enz. enz. en binnen het bestek van twee jaar zullen de vlietjes tot het verleden behoren.

De openbare gezondheid zal er bij gewonnen hebben, maar... er is een grooten maar bij.

Een maar, die mij dit artikel deed schrijven : den maar dat Lier op zijn schoonst, op zijn schilderachtigst, op zijn intiemst, er mee zal verdwenen zijn ! En dat is te betreuren.

 

Dit valt zoo te betreuren, dat men spijt gevoelt dat het ontwerp gaat verwezenlijkt worden, of beter : dat men geen ontwerp heeft uitgedacht 't welk tevens de vlietjes behield en tegelijkertijd rekening hield met de gezondheid. Men had b.v. de vlietjes kunnen laten uitbaggeren en het zoo regelen, dat er gedurig aan zuiver water zou instaan. Het zou waarschijnlijk niets meer kosten en de ziel van het blijde stadje Lier werd er mee gespaard. Want de vlietjes zijn het hart en de ziel van Lier. Zonder die is Lier, Lier niet meer !

Mijn voorstel kan heel naïef schijnen, ik weet het helaas : ’t zijn vijgen na Paschen.

De ziel van Lier gaat er mee verloren, zeg ik !

 

Och ge moest ze eens zien, de lieve kleurige, intieme oude hoekjes die de vlietjes doen ontstaan hebben ! Zij verlekkeren hert en ziel ! Daar is Lier te zien ! Mag ik hunne wispelturige wandelingen maken ?

Zij schieten in het volle veld los uit de Nethe, kruipen onder een oude steenen brug en dan gaan ze tusschen oude vochtige muren, waarover klimop en veil kwistig neerhangt, wandelen langs neerdalende hoven met groene hagen en spiegelen terug den sneeuwwitten droom die de Lente op de appelaren en kersenboomen kuste ; ze wringen zich tusschen de oude achterbuurten, met hun hooge daken, rood-kareelen muren met witte banden, en nog met in loodgevatte ruitjes perelen : van schilderachtigheid.

Ze schuiven nevens hooge witte kloostermuren, waarboven dikke populieren komen uitgewiegd, en verdwijnen onder donkere bogen tot ze, na een heel eind in de duisternis geweest te zijn, weer openschitteren nevens een zongevulde bleekerij, de stad weer indraaien op een volkspleintje, andere vlietjes ontmoeten, vijvers in hoven maken en weer krinkelkronkelend langs een heel andere kant zich in de Nethe verliezen.

 

Het slijk heeft riet en rijk groen nevens hunne boorden doen wassen en met dien edelen gordel slingeren ze zot als de Ourthe in de Walen, in en uit de stad. Een klein, Vlaamsch Venetië !

Er is nooit op gedacht de vreemdelingen, die onze stad bezoeken, op een vlietjestocht per boot te vergasten. Och dat zou heerlijk zijn, ik heb het eens gedaan en ik mag gerust zeggen dat het van 't schoonste en 't fijnste is wat men van het Vlaamsche land kan proeven.

 

In de stille zonuren daarop te varen, voorbij de wemeling van muurkens, poortjes en daken, voorbij hofkes met bleekend linnengoed aan koorden, en helkleurige bloemen op den grond, voorbij kloosters en pleintjes, van de duisternis in de zon, met de vredige geluiden van den achternoen: een dichtbije smishamer, het geroep van een mosselvent, het gekraai van een haan, — en dan uit den hoogen stadstoren de klare blije rammel te hooren lossprenkelen aan de roode daken en de groote zomerboomen. Ach 't is om het water van in den mond te krijgen ! En nu gaat er van al die schoonheid, van die echte "De Braakeleers" in den levene, niets meer overblijven, niets.

De wateren worden gedempt en toegedaan. Alzoo te hunnen profijte zullen de eigenaars der aanpalende huizen den nieuwen grond voor goedkoop in beslag nemen, de tuinen uitbreiden, de muren optrekken, de gebouwen vergrooten, zoodat het een het ander zal raken en alzoo wordt dan alles ingenomen en afgesloten.

 

Schoone dingen verdwijnen. Zie maar de plaat op bladzijde 563. De oude brug zal er niet meer van noode zijn en verdwijnen, het schoone gezicht dat men thans tusschen de twee kloostermuren te aanschouwen krijgt zal ons verstoken worden door een hooge muur.

Waar de oude knuistige haag bloeit en groeit zal waarschijnlijk ook een muur komen, ofwel zal er bijgebouwd worden en aldus zullen wij voor altijd de weerspiegeling van de schoone hoofdkerk in het water moeten missen.

Op het stadsgedeelte dat bladzijde 561 afbeeldt zal een plein komen, een markt. Het oude schippershuis zal voorzeker nieuwe eranderingen ondergaan, doorgetrokken worden tot aan de linksliggende fabriek en men zal van hier van de oude gevangenpoort geen steek meer te zien krijgen.

Zoo zal alles wat van Lier de fijnheid uitmaakt voor eeuwig verdwijnen.

Verschillige kunstschilders, waaronder bizonder Isidoor Opsomer uitmunt — want uit alle landen komen er — hebben gelukkiglijk indertijd menige van deze zoo echt-traditioneele brokjes stadsschoon op doek gebracht, die al de intieme liefelijkheid van deze onherroepelijk ten ondergang gedoemde hoekjes weergeven.

De troost is klein, doch wat wil men : de nieuwe tijd eet den oude op. Maar het zien van deze schilderijen zal aan onze nakomelingen het spijtig geval van de demping der vlietjes nog droever maken.

("Van Onzen Tijd", XII, 55, 9 juni 1912, pp. 561-364).

*****

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door Mon om 00:00 Reageer op dit bericht

Pallieter naast Boerenpsalm

Hoe Felix Timmermans begon te schrijven,
vijftien jaar oud...

Pallieter naast Boerenpsalm.

Uit Het Volk  -  16/11/1940.

Streuvels werd als voorbeeld te realistisch geacht!

Met de post uit Vlaanderen ontvingen we vandaag het Jongste nummer van "Sirene", het halfmaandelijks blad voor kunst en letteren, dat enkele jongeren dapper in stand houden.

Het nummer opent met een gesprek met Felix Timmermans, die aardige dingen vertelt over zijn eerste stappen op het gebied van de literatuur. Toen "den Fé" nog heel klein was, mocht hij eens mee naar een concert, waar ook werd voorgedragen. Daar hoorde hij gedichten voordragen en thuis begon hij toen maar direct aan het rijmen oftewel verzen maken. Dat was dus nog vóór hij schrijven kon. Bij gebrek aan kennis van het alfabet is deze poëzie verloren gegaan. Al gauw begon hij daarna lange vertellingen te doen. Neven en nichtjes, vader en moeder en kennissen vormden een willig gehoor. Later schreef de jonge Timmermans wel eens een stukje van deze vertellingen op en hij maakte er tekeningen bij, precies zoals nu nog in sommige van zijn boeken.

2049578-550319b866c18a57d557d61167728919.jpg

Leerjaren
Het onderwijs dat Felix Timmermans in zijn Jeugd genoot, was niet bijzonder intensief. Er was nog geen leerplicht en bovendien was hij vaak ziek. Bovendien was hij wel vlug, maar buitengewoon zwak van geheugen. Zelfs het "Onze Vader" en "Jantje zag eens pruimen hangen" heeft hij nooit uit zijn hoofd kunnen leren. Het spreekt vanzelf, bekent Felix Timmermans openhartig, dat ik dankbaar van elke echte of geveinsde ongesteldheid gebruik maakte om die verfoeilijke school te laten opdonderen!"

Lezen leerde Felix wel, maar er waren thuis maar weinig boeken. Een kist met boeken, die een oom naliet, bevatte grotendeels Latijn, Frans en Duits en zo moest Felix zijn eerste boek uit de Stadsbibliotheek lenen. Het was "Op weg naar Frankrijk": Fier gelijk een Turk liep ik er mee over straat en hoopte, dat niemand mij en mijn boek over 't hoofd zou zien! Van dan af heb ik veel, zeer veel gelezen — maar nooit verzen".

De globe als boekenbron
Aan de poëzie heeft den Fé dus blijkbaar een broertje dood. Wel verdiepte hij zich zeer in... de sterrenkunde. Dat kwam doordat zijn vader zo graag een wereldbol, een globe, wilde hebben. In een advertentie werd er een aangeboden. Als premie. De kopers kregen de globe cadeau bij een hele vracht boeken over sterrenkunde! Gehoorzaam kocht de vader de boeken en hij kreeg zijn globe — de zoon de lectuur!

Toen Felix 15 of 16 jaar was, sloot hij zich aan bij een jeugdig genootschap ter beoefening van de schone kunsten. Op het programma stonden schilderen, schrijven, musiceren en drinken. Deze kring heeft op Timmermans, naar hij erkent, grote invloed gehad. Hij schreef toen nog in de trant van Conscience.

Zo : "De glorierijke dagvorstin verhief zich boven de bevende kimme". Gedurende een verblijf te Westerloo zag ik een boek van Stijn Streuvels: "Dagen".
Terwijl ik even tijd had, las ik enkele mooie zinnen, zoiets als: ........"De knotwilgen in de mist"......       Dat is 't! dacht ik bij mezelf. Die enkele woorden brachten zulk een totale omwerping in mij teweeg, dat ik mij met verdubbelde ijver in dit nieuwe trachtte in te werken. Een paar weken nadien verscheen in een weekblad te Westerloo een verhandeling van mijn hand over Lepold I.
Twee dagen na die heuglijke gebeurtenis ontmoette ik een priester, die naar de begrafenis van Servaes Daems ging. Was het een neef, of een kozijn? ......dat doet niets ter zake.

Hij gaf me de raad aan mijn moeder de werken van Guido Gezelle te vragen. Natuurlijk, dat ik hem over mijn ontdekking van Stijn Streuvels vertelde. Maar dien schrijver keurde hij sterk af, daar Streuvels veel te realistisch was, zei hij. Op een Davidsfondsfeest heeft professor Bauwer me bij de Lierenaars ingeleid. Zo kwam ik dan eindelijk in de letterkunde, onrechtstreeks geholpen door Streuvels en Gezelle.

Op de vraag naar de moeilijkheden, die hij moest overwinnen, zegt Timmermans: — Ik moet zeggen, dat mijn opgang zeer vlot van stapel gelopen is. Ik geloof, dat dit te danken is aan het volgende feit : Van jongs af heb ik veel van de schilderijen van Breughel gehouden. Als een vijs zat een ideaal in mijn hoofd: "gelijk hij schildert : zo vertellen".

Dit heeft zich dan ook steeds stevtger in mij vastgeankerd. Ik begon dus met zijn leven te beschrijven. En nu moet u een groot onderscheid maken tussen den geschiedschrijver en den verteller. Wij verzinnen zelf 't leven van onze figuren. Wij laten ze handelen en wandelen. Kortom : ze zijn ons eigendom. Wij houden ons niet zo nauwkeurig aan de feiten — natuurlijk houden wij er wel rekening mee en volgen ongeveer de draad van de geschiedenis. Daaruit volgt
natuurlijkerwijs, dat we 't leven van zo'n persoon beschrijven, zoals 't zou kunnen gebeurd zijn.

Om u daarvan 'n klaar voorbeeld te geven, zal ik een passage uit "De Harp van St. Franciscus" nemen. Zeker ogenblik verlaat hij Rome. De ene geschiedschrijver zegt langs die poort, een andere zegt langs gindse. Ik ben dus verplicht te kiezen (of ik moet er helemaal niets van zeggen, als dit mij aanstaat).

2049578-382874511bcb2159c8c0d3149ca28974.jpg

Dan gaat mijn verbeelding aan t werk en zal die handelwijze kiezen, die 't meest bij het verhaal aansluit. Zo ontstaat eindelijk, na duizenden gevallen te hebben opgelost, een psychologisch harmonisch geheel. Het spreekt vanzelf, dat ook wij niet vrij zijn van walingen, evenmin als 'n rekenkunstenaar verlost is van 't fouten maken.
Ook de vraag, welk boek hij van zijn eigen productie het mooist vindt, heeft Timmermans beantwoord: „Dat zijn er drie. 'k Zou 't ene niet kunnen noemen zonder 't andere. Namelijk : Pallieter, Symphorosa en Boerenpsalm." En over de oorsprong van "De Boerenpsalm": "Hoe eigenaiardig en schijnbaar ongerijmd het ook moge klinken, "Pallieter" is de onmiddellijke oorsprong van Boerenpsalm. In Pallieter is het leven uitgebeeld, zoals ik het graag zou zien: ontdaan van alle overbodigheden en zonder zorgen. Het is het leven beschouwd door een regenboog.

Toen ik mijn werk overlas, zag ik plots, dat het een utopie was. Het was alsof ik ontwaakte uit een heerlijke droom en ruw de werkelijkheid voor mijn ogen had.

En het echte, het harde leven — maar ook het schone leven! — heeft zijn belichaming gevonden in Boerenpsalm. Van al de mensen is het de boer, die zich zelf het meest geeft, die de meest dienende is! Hij ook heeft de meeste moeilijkheden. Hij telt elke regendruppel; hij bekommert zich over elk zaadje. Want niemand is zo afhankelijk, dan juist de boer. En Ja, ik beken het : ik schrijf zeer gaarne over een boer......"

*******

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Mon om 00:00 Reageer op dit bericht

Pallieter in het klooster - Cees Visser

Pallieter in het klooster

Door Cees Visser uit Zilveren Verpozingen december 2012.

"En zie! Ginder, heel, héél ver, een witte stip, langs den kant waar het zuiden openklaarde, reed de witte huifwagen de regenboging onderdoor.Alzo vertrok Pallieter, de dagenmelker uit het Neteland. en ging de wijde, schone wereld in, lijk de vogels en de wind."

Met deze woorden sluit Felix Timmermans Zijn Pallieterroman af. Hoeveel lezers zullen zich sindsdien afgevraagd hebben: waar zal Pallieter uiteindelijk terecht gekomen zijn?

2436277-f3ccdd27d2000e3f9255a7e3e2c48800.jpg

Een paar jaar geleden deed ik tot mijn verbazing een verrassende ontdekking: Pallieter heeft een schitterend plekje gevonden in het klooster van de Zusters van Liefde aan de Oude Dijk in Tilburg!!!

Hoe het zo gekomen is, dat is een lang verhaal. Maar eerst moet ik uitleggen hoe ik mijn ontdekking deed. Mijn vrouw en ik waren uitgenodigd door een goede vriendin. Zij behoort tot de congregatie van de Zusters van Liefde te Tilburg. Vanuit onze protestantse achtergrond zijn wij altijd nieuwsgierig naar het rijke Roomse leven en zo kwam het, dat wij een rondleiding kregen door het klooster. Wie schetst onze verbazing toen ons in de voormalige Novicenkapel een prachtige collectie beelden werd getoond.
We waren er stil van...

Dat is werk van Zuster Jesualda, vertelde onze vriendin. We keken geïnteresseerd rond en plotseling zag ik een expressief beeldje van een jonge man die gretig het leven in volle overgave omarmt. Op het kaartje ernaast las ik: Pallieter [brons 32 cm] "Als in het oosten een klaarte bibberde en er een haan gekraaid had wipte Pallieter uit zijn bed, trok zijn hemd uit en sprong pardoes in de Nete.
Over de grond en tussen de bomen hing een grijze smoor. Het was heel stil, het gers woog zwaar van de koele dauw en van de bomen vielen grote lekken." Een citaat uit het begin van het eerste hoofdstuk van Pallieter "Een fijne morgen in de Mei.''

Deze eerste kennismaking met het werk van zuster Jesualda Kwanten (1901-2001) was voor ons een openbaring. Zij heeft heel veel prominente Nederlanders in brons 'in beeld' gebracht Voor haar passeerden schrijvers zoals Anton van Duinkerken, Albert Helman en Pieter van der Meer de Walcheren. Uit de toneelwereld kwamen we Albert van Dalsum, Mary Dresselhuys, Hans Tiemeijer en Henk van Ulsen tegen. Heel bijzonder expressief zijn de beelden van cabaretier Toon Hermans en zijn vrouw Rietje. En last but not least hebben de koninginnen Juliana en Beatrix model voor haar gestaan.
Maar daar is nog veel meer te genieten! De Christusdrager Christofoor, een intiem tuinbeeld 'Het Gesprek', een kleine Piëta, schitterende kinderkopjes, een ingekeerde Benedictus en prachtig intrigerend tekenwerk. Te veel om op te noemen!

Als Timmermans-liefhebber was ik natuurlijk zeer verguld met mijn ontdekking. Ik besloot het Pallieter-geheim voorlopig voor mezelf te houden. Maar een jaar later kwam toch het moment dat ik in het bestuur van de Timmermans-Kring voorzichtig een tipje van de sluier oplichtte door aan te kondigen dat ik een stukje voor Zilveren Verpozingen wilde schrijven over 'Pallieter in het klooster'. Dat riep natuurlijk direct vragen op en aarzelend bekende ik een en ander over mijn ontdekking zonder het achterste van mijn tong te laten zien. Grote verbazing op de gezichten... Daar hadden ze toch eigenlijk van moeten weten... Maar nee, het was echt een nieuwtje voor hen. Wie had nu ook kunnen denken dat Pallieter uiteindelijk asiel gevonden zou hebben in een klooster... Dat het bij de Zusters van Liefde was, verzweeg ik voorlopig maar! Enkele weken na mijn biecht zoemden de geruchten al rond. Ik kreeg zelfs via de mail vragen om informatie. Een doorgewinterde Timmermans-speurder wist mij zelfs te melden dat hij dicht bij de oplossing van het raadsel was.

Ik heb die drukte maar zo'n beetje laten betijen met begrip voor het feit dat het voor Vlamingen best moeilijk te verteren is dat Pallieter in het Nederlandse Brabant de serene rust had gevonden...
Nu moest het artikel over deze zaak op korte termijn dan toch maar eens geschreven worden. Omdat ik wel begreep dat er 'eerst zien, dan geloven' geroepen zou worden, besloot ik een afspraak met onze Tilburgse vriendin te maken en haar te vragen of we het Pallieterbeeldje mochten komen fotograferen. Dat bleek niet zo maar te gaan. Daar moest eerst toestemming voor gegeven worden om het uit de vitrine te halen. Een maand later sprong het licht op groen en togen mijn vrouw en ik vol verwachting naar Tilburg. We werden gastvrij ontvangen en keken verrast op toen bleek dat Pallieter verlof had gekregen om enkele dagen bij onze vriendin op de kamer te logeren.

Mijn vrouw Akki maakte een serie foto's en we gebruikten de Pallieteruitgave met de prenten van Anton Pieck als achtergrond om Pallieter op zijn gemak te stellen, het werd een genoeglijke middag daar tezamen op die kamer in het klooster. Straks zou Pallieter weer terug moeten naar de Novicenkapel. En om het gemis een beetje te compenseren deden we onze vriendin het mooie Pieck-Pallieterboek cadeau.

Nu zullen er zeker Timmermans liefhebbers zijn die in de komende lijd op beeweg willen gaan naar de Novicenkapel aan de Tilburgse Oude Dijk om daar het werk van Zuster Jesualda te bewonderen. Om hen enigszins voor te bereiden vertel ik kort iets over haar leven.

Jesualda werd in 1901 in een dorpje vlakbij Nijmegen geboren. Toen zij in 1928 haar intrede deed in de congregatie van de Zusters van Liefde was zij reeds in het bezit van onderwijsdiploma's. Al gauw ontdekte men dat zij een bijzonder tekentalent had. Dat bleek onder meer uit de bidprentjes die zij ontwierp. Zij werd gestimuleerd om de tekenopleiding voor het Middelbaar Onderwijs te volgen aan de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten in Amsterdam. Nadat zij de akte behaald had, gaf ze vele jaren les in tekenen en kunstgeschiedenis aan een Middelbare Meisjesschool in Amsterdam. Toen zij na haar zestigste jaar met 'pensioen' ging, kreeg zij de gelegenheid om zich verder te bekwamen in de beeldhouwklas van de Amsterdamse Rijksacademie. Haar eerste proeve was een kop in klei van een Amsterdamse volksvrouw uit de Jordaan die daar model stond.

Ze werkte er met veel passie aan, zich inlevend in haar model en het resultaat was verbluffend. Na de opleiding mocht ze zich vanaf 1966 'erkend' beeldhouwster noemen! Dat werd het begin van een carrière die tot op zeer hoge leeftijd voortduurde. Zij kreeg een eigen atelier in het klooster aan Oude Dijk in Tilburg waar zij met veel succes in alle vrijheid haar kunst kon vormgeven. In 2001 stierf zij, 100 jaar oud. Zij liet het klooster een schat aan beelden en tekeningen na. Dat leidde in 2003 tot het inrichten van een museum dat speciaal aan haar werk gewijd is.

Wie belangstelling voor het indrukwekkende oeuvre van Zr. Jesualda heeft, kan zich oriënteren op de webstek van de Zusters van Liefde (www.scmm.nl). Als men het museum zou willen bezoeken, dan kan men via e-mail, per brief of telefonisch contact opnemen met het Provincialaat van de Zusters van Liefde, Oude Dijk 1, 5038 VL te Tilburg (e-mail: provincialaat@scmm-tilburg.nl; telefoon: 0031.13.5433196).


2436277-156005c5baf40ff51a327f1c34f2975b.jpg

Daar, in de voormalige Novicenkapel, zult u oog in oog komen te staan met de eeuwig jonge Pallieter. Zr. Jesualda heeft zich in hem verdiept en hem gestalte gegeven zoals hij vrij en onschuldig op die eerste zomerse morgen in mei het paradijs van de Nete betrad en 'pardoes' in het koele water sprong. Het bijschrift bij het vitale beeldje heeft zij enigszins gekuist aangepast, maar dat mag in het klooster! Het zij haar vergeven...


In de oorspronkelijke uitgave staat: Als er in het Oosten een klaarte bibberde en er een haan had gekraaid, wipte Pallieter uit zijn bed, trok zijn hemd uit en liep in zijne blote flikker naar de Nete. Over de grond en tussen de hoge bomen hing een grijze smoor. Het was heel stil, het gers woog zwaar van de koele dauw en van de bomen vielen grote lekken.
Pallieter liep en sprong zo maar rats het hoge water in, duikelde naar onder en kwam weer blinkend van water en geluk, naar asem scheppend, in het midden boven. De waterkoelte deed het bloed in zijn lijf opspringen, het deed hem deugd en hij lachte............

Zoo dee Adam -
Zoo dee Adam -
Zoo dee Adam 's Zonen
Adam had zeve zone,
zeve zonen had Adam.

**********

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Mon om 00:00 Reageer op dit bericht

Info FT Genootschap

 

U kan de Jaarboeken van het Felix Timmermans-Genootschap aankopen in het

Timmermans-Opsomerhuis,

Netelaan 4

2500  -  Lier

(open alle dagen behalve maandag van 10 tot 12u. en van 13 tot 17u.)

 

of bij

Koen De Vriese ( secretaris FTG )

Jozef Ickxstraat 87,

2180   -  Ekeren

(T. 03 646 78 40 of 03 205 21 82).


***********************

Felix Timmermans-Genootschap :

contactadres:

Dhr. Marc Somers

Van de Wervestraat 41A

2060  -   Antwerpen

 

Hoe vind je dit bericht? 6 stemmen
Geschreven door Mon om 00:00 1 reactie Reageer op dit bericht

F T Fring bestaat 25 jaar

           1843632-e4f96772fcef7605e7a2086ab49f9f89.jpg

Reeds 25 jaar Felix Timmermans Kring.

 

Toen in 1990 een klein groepje enthousiastelingen overging tot de stichting van een nieuwe Timmermansvereniging, waren de reacties zeer uiteenlopend : onbegrip, meewarig hoofdschudden, ja zelfs hier en daar een licht ongenoegen. Maar wij hebben doorgezet, zonder enige vorm van subsidie, van wie dan ook. En kijk, reeds dat eerste jaar verscheen tweemaal ons blaadje “Zilveren Verpozingen”.

Van een kleine nieuwsbrief ondertussen uitgegroeid tot een zeer gewaardeerde en rijk geïllustreerde Timmermans-magazine van telkens 40 blz, met dank aan een gedreven groep medewerkers.

 

Elk jaar organiseren wij een ledendag die in Lier gelinkt kan worden aan Felix Timmermans.

Op 22 maart  2015 gaat het dus voor de 45ste keer! zijn.

 

Met nauwelijks bedwongen trots, zagen wij hoe de vier kinderen van de Lierse schrijver er alles aan deden om daar telkens aanwezig te zijn.

Zonder te hoog van de toren te blazen, zijn er toch enkele verwezenlijkingen waar we erg trots op zijn.

Zo maakten wij zesmaal een Italiëreis in de voetsporen van Timmermans. Zo gaven wij tot vijfmaal toe een toneelwerk van Timmermans uit in de huidige spelling, geïllustreerd met knappe houtsneden. Een daarvan, De zachte Keel, was zelfs een 1ste druk in het Nederlands.

 

Verder brachten wij een CD op de markt met o.a. de stem van Timmermans, een video met het TV-spel Anna-Marie van de VRT en een video met een prachtige zwart-wit film over Lier met beelden van Timmermans in zijn werkkamer.

Maar wat het belangrijkste is en blijft: ondertussen is de Felix Timmermans-Kring meer dan zo maar een vereniging geworden, het werd een echte vriendenkring waar het goed vertoeven is. Wij zijn de kleinste en de jongste maar wellicht ook de actiefste.

 

Ondertussen een beetje nieuwsgierig geworden?

Wel, door storting van 20 € op rekening BE61 0017 0952 9717 van onze Kring, kan je een jaar van al dat moois genieten. En als je absoluut erelid wil worden, dan stort je 30 €.


Aan het erelidmaatschap is ieder jaar een boeiende Timmermansbrochure verbonden.

Wij van onze kant heten je nu reeds van harte welkom.

********************************

Een bijzondere Timmermans-verrassing!

 

Door toedoen van ons bestuurslid Jan Schroven kunnen wij jullie een primeur aanbieden. Wij beschikken nu over de tekst van een nooit gepubliceerd jeugdwerk van Felix Timmermans :
een roman met als titel Opgestoken.

Dit romantisch-tragisch verhaal brengen wij vanaf het decembernummer in afleveringen in ons tijdschrift Zilveren Verpozingen.

Na enkele jaren zullen onze leden dus in het bezit zijn van de volledige tekst.

Als voorproefje dit fragment :

 

Op een slijkerige weg die van Schilde over Zandhoven naar Lier loopt, gingen drie mensen.

De eerste was een jonge, flukse boer met blozende wangen en brede schouders, het hoofd hing hem op de borst en een zweem van mismoed en verdriet verduisterde zijn gelaat, zijn ogen waren op de lekken gericht die aan de klep van zijn klak biggelden. Op een dikke knuppel leunende, stapte hij loom voort alsof twee kanonballen aan zijn voeten hingen.

 

In ons 46ste nummer brengen we dus een unieke en enige première : een onbekende en ongepubliceerde roman van Felix Timmermans. Een terug gevonden jeugdwerk uit 1903 van de 17 jarige Felix Timmermans. Hoogstwaarschijnlijk handelt het hier over zijn eerste volledige roman, de eerste oefening van de meester.

Net zoals de voorpublicaties in oude literaire tijdschriften brengen we met toestemming van de familie Timmermans, waarvoor onze grote dank , in een tiental afleveringen deze roman.

Ter ere van Vlaanderens grootste schrijver.

Voor allen die reeds een voorsmaakje willen, verwijzen we naar de Timmermans biografie, geschreven door Gaston Durnez. Op pag 44 vindt u een bondige samenvatting.

Voor de volledige roman : lid worden van onze Felix Timmermans Kring!

  

**********

Hoe vind je dit bericht? 5 stemmen
Geschreven door Mon om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Felix Timmermans

↑ Terug naar de berichten