Naar de inhoud

Felix Timmermans

Vlaamse schrijver, dichter en schilder * 1886 - 1947 *
akke.beakke.be

Archief

Luisterspel Pallieter 2016

LUISTERSPEL ‘PALLIETER’

Om Felix Timmermans op een gepaste wijze te vieren naar aanleiding van het eeuwfeest van ‘Pallieter’, vroeg het Liers Cultuurcentrum aan theatermaker Johan de Paepe om een hedendaagse bewerking van ‘Pallieter’ te maken in de vorm van een luisterspel. Voor het stemmenwerk wordt een beroep gedaan op: Johan de Paepe (verteller Felix Timmermans), Pieter Jan De Paepe (Pallieter), Karin Jacobs (Charlot), Joke Emmers (Marieke), Jelle Cleymans (Fransoo) en Nico Sturm (Graaf).

Vanaf 28 oktober staat het luisterspel op
www.pallieterluisterspel.be.

 

1970677-21b8e69101af58d2b017aaf01518249e.jpg

*****

X

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door Mon om 00:00 Reageer op dit bericht

Bibliotheek van de stad Lier

LIERSE BIBLIOTHEEK EERT ‘DE FE’

In 2016 is het precies 100 jaar geleden dat de roman ‘Pallieter’ van Felix Timmermans verscheen. In dit jubileumjaar werden reeds tal van activiteiten georganiseerd. Om de zichtbaarheid van de grote Vlaamse auteur in het stadsbeeld te bevestigen, prijkt voortaan op de gevel van de bibliotheek aan het Kardinaal Mercierplein de nieuwe naam ‘bibliotheek de Fé’, samen met het hoofd van een pijp rokende auteur.

1964564-a0c1aa98431e7d71e2e4d127082c40e8.jpg

********

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door Mon om 00:00 Reageer op dit bericht

Anton Thiry - Gaston Durnez

DENKEND AAN ANTOON THIRY

DRIE STERREN
EN

EEN GEBROKEN PIJL

Door Gaston Durnez – verschenen in het Jaarboek 24 (1996) van het Timmermans Genootschap.

"Mijn vader was veel te goed, zegt Walter Thiry. Een zacht karakter. Ik was daar in een bepaald opzicht zelfs het slachtoffer van. Toen ik niet langer wou studeren en de school verliet, gaf hij toe... Hij had zich moeten verzetten, maar dat kreeg hij niet over zijn hart. Vader was een vrolijke figuur. Hij lachte heel graag en hij kon zowel mondeling als schriftelijk goed vertellen. Hij kon ook ontzettend goed knutselen. Zo heeft hij voor ons, zijn kinderen, toen wij klein waren, een poppenkast met draadpoppen gemaakt, waar wij dan stukken mee opvoerden. Die kast komt voor in het grote boek dat de folklorist Jan de Schuyter over het poppenspel heeft uitgegeven. Helaas, tijdens de feestelijkheden bij de Bevrijding in 1944 is ook die kast vernield. Vader is nooit meer helemaal dezelfde geweest. De oorlog heeft veel invloed gehad op zijn temperament..."

Walter Thiry (77) vertelt met een wat weemoedige glimlach. Stoffelijke souvenirs van zijn vader bezit hij nog zeer weinig. Die werden hem in de dramatische loop der tijden afgenomen. Tegelijk met het poppenspel uit zijn jeugd zijn heel wat familiedocumenten vernield of meegenomen door mensen die op het einde van de Tweede Wereldoorlog het ouderlijk huis hebben aangevallen. Van de meer dan 130 boeken die zijn vaders uitgeverij op de markt heeft gebracht, zitten er maar enkele meer in Walters boekenkast. Op de tafel heeft hij twee dunne mappen klaargelegd voor ons gesprek: daar vind ik enkele foto's in, plus kopies van brieven en artikels die vrienden in hun archief hebben gevonden. Een zeer actief leven is herleid tot enkele zwart-wit prenten, wat papier en herinneringen van een steeds kleiner wordende kring.

Een van de artikels in de map is de lange bijdrage die J. Bastiaensen in de jaargang 1955 van het tijdschrift 't Land van Ryen in vier afleveringen heeft gepubliceerd : "De Lierse verteller Antoon Thiry". Dat is al meer dan veertig jaar geleden en het is nog altijd het omvangrijkste overzicht van zijn werk. Sindsdien zijn wel bijdragen verschenen in verband met zijn belangrijke relatie tot Felix Timmermans (dank zij Louis Vercammen in onze jaarboeken) en over de activiteit van zijn uitgeverij Die Poorte (in de "Geschiedenis van de uitgeverij in Vlaanderen" van Ludo Simons, 1987). In verscheidene studies over de Vlaamse Beweging is bovendien Thiry 's aandeel in het Activisme duidelijk gemaakt. Ik denk aan het boek van de Nederlandse historicus Lammert Buning over "Het strijdbare leven van J.D. Domela Nieuwenhuis Nyegaard" (1976) en vooral aan het meer recente "Het aktivistisch avontuur" (1991), het omvangrijke en baanbrekende boek van de Vlaming Daniël Vanacker. Een en ander staaft de mening, dat Antoon Thiry eindelijk een nieuwe monografie verdient, waarin zowel de vruchtbare schrijver als de doelbewuste uitgever en de historische flamingant krijgen waar zij recht op hebben. Wie neemt die taak op zich?

1964733-01fca031a48679a8a9bb5ba70c9efb4b.jpg

Antoon Jan Frans Thiry, geboren te Leuven op 8 september 1888 en overleden te Antwerpen op 13 juli 1954, was het oudste kind van Frans Thiry, een katholieke onderwijzer die te Korbeek (bij Leuven) een grote rol speelde in het culturele en sociale leven. In 1898 verhuisde het gezin naar Lier, waar vader Thiry aan de Oefenschool van de Rijksnormaalschool werd verbonden. Aan deze school behaalde Antoon Thiry in 1907 her onderwijzersdiploma. Net als zijn generatiegenoten onderging hij daar de diepgaande invloed van de leraar Lambrecht Lambrechts, de dichter en promotor van de Vlaamse liedbeweging, die talrijke letterkundigen en flaminganten heeft gevormd. In 1903 maakte de 15-jarige Antoon Thiry kennis met de toen 17-jarige Felix Timmermans, met wie hij de Lierse academie bezocht en zijn eerste literaire proeven ondernam, die leidden tot hun gezamenlijke bundel "Bagijnhofsproken" (1911). Onderzoek door Louis Vercammen heeft aangetoond, dat het aandeel van Antoon daar zeker niet het kleinste in was.

In 1908 werd vader Thiry huismeester van de Rijksmiddelbare Normaalschool in Gent, waar zijn zoon voor regent voortstudeerde. In 1910 was Antoon Thiry een drietal maanden plaatsvervangend leraar aan de middelbare school in Sint-Niklaas en in 1912 trad hij in het huwelijk met Martha van Ael (1887-1974) uit Lier, zuster van de latere activist Huibrecht van Ael. In 1913 was hij de eerste die in het Nederlands examen aflegde voor de Centrale Examencommissie.
Te samen met Marcel Minnaert en Reimond Kimpe vormde Antoon Thiry de redactie van het maandblad De Bestuurlijke Scheiding dat van 1 mei tot en met 1 augustus 1914 verscheen en waaruit kort na het begin van de Eerste Wereldoorlog in Gent het radicale activisme van de "Jong Vlamingen" is voortgekomen. Antoon Thiry en zijn echtgenote stonden in voor het redactiesecretariaat. Nadien maakte hij deel uit van de redactie van De Vlaamsche Post, het activistische dagblad dat van 21 februari 1915 tot 5 mei 1916 in Gent verscheen (en waaraan ook Felix Timmermans heeft meegewerkt).

1964733-f17960d89a3b56f5b4c1086def427374.jpg

Thiry behoorde tot de medestanders van Domela Nieuwenhuis Nyegaard, de Nederlandse "Vlaming door keuze" (van Scandinaafse afkomst), die een zelfstandig Vlaams koninkrijk nastreefden, in een groot Germaans verband met Nederland en Scandinavië. Na verloop van tijd distancieerde Thiry zich van Domela wegens diens eigenmachtig optreden. In 1916 werd hij leraar aan de Rijksmiddelbare Normaalschool in Gent en toen kort nadien de Rijksuniversiteit werd vernederlandst, volgde hij daar cursussen als vrije student. Bij de oprichting van de Raad van Vlaanderen werd hij lid en behoorde hij tot de zgn. Jong-Vlaamse fractie. In mei 1918 keerde hij terug naar Lier om daar directeur van de Rijksnormaalschool te worden. Op 9 november 1918 verliet het echtpaar Thiry, te samen met het echtpaar Timmermans, Lier en week uit naar Nederland. Thiry werd bij verstek gevonnist. Hij was een van de 23 (drieëntwintig) terdoodveroordeelde activisten.
Na een paar moeilijke jaren, waarin hij trachtte van zijn vruchtbare pen te leven, werd hij in juni 1921 benoemd tot directeur van de bibliotheek te Tiel. Daar bleef hij werken en wonen tot hij in december 1930 naar Vlaanderen terug kon keren. Hij vestigde zich te Oude God (Mortsel) en begon daar, in samenwerking met zijn echtgenote, een in Nederland voorbereide uitgeverij, Die Poorte.
In 1933 stichtte hij ook de gelijknamige boekengilde. In de Tweede Wereldoorlog gaf Die Poorte o.m. Westland uit, een cultureel-letterkundig tijdschrift (juni 1942-augustus 1944). Peter Thiry nam, te samen met Frans van der Auwera (Bert Ranke), het redactiesecretariaat waar. Het leverde Antoon Thiry na de Bevrijding een gevangenisstraf van drie jaar op. Hij hernam zijn activiteit als uitgever en na zijn plotseling overlijden in 1954 hebben zijn echtgenote en twee zonen de zaak voortgezet tot in 1969.

In de woonkamer van Walter Thiry te Deurne (Antwerpen) hangt een wapenschild met drie sterren en een gebroken pijl. "De precieze betekenis daarvan ken ik niet", zegt Walter. "Maar het is het wapenschild van de Thiry's, gevonden in Frankrijk. De Thiry's moeten afkomstig zijn uit Chateau Thierry, waar ook Herman Thiery, alias de romancier en dichter Johan Daisne, zijn wortels heeft gevonden. Indertijd bestond er een vereniging van Thiry's en Thiery's en mijn vader is daar nog voorzitter van geweest." Walter Thiry is de tweede zoon van het echtpaar Thiry - Van Ael. De eerste was Peter, geboren te Gent in 1915 en overleden te Antwerpen in 1969.
Walter zag het levenslicht op maandag 7 juli 1919, in Voorburg, bij Den Haag, ten huize van Dr. C. de Leeuw, aan wie de dankbare vader later zijn novelle "
Meester Vindevogel" heeft opgedragen. Op die dag noteerde Felix Timmermans in zijn dagboek, dat de vader hem de geboorte van een zoontje kwam melden en meteen vroeg of hij getuige en daarna peter en Marieke, zijn vrouw, meter wilden zijn. Voor Felix was het de eerste keer in zijn leven. Diezelfde dag schreef hij een vijftal bladzijden voor de roman waar hij toen aan werkte, "Anna-Marie".
Zij vormen het eerste hoofdstuk, "De Dolfijnen".

Nog een ander goed nieuws bereikte hem op 7 juli 1919: "De Amsterdammer" publiceerde een "schone kritiek" van Frederik van Eeden over Pallieter. Dinsdag 8 juli ging Timmermans de boreling en zijn moeder bezoeken. Zij lagen "op een gerieflijke zolderkamer in het huis van den doktoor". De arts kende Felix, hij had een lezing van hem bijgewoond. "Wij aten er beschuit met muisjes", noteert de peter en hij voegt er aan toe: "Dit moet eigentlijk heten beschuit met muizenkeuteltjes. Vroeger wierd verteld dat de muizen de kinderen brachten. Dan lieten zij achter (mijn mening) suikeren muizekeuteltjes"...

1964733-ab7c77d4d13d5a1f3c4d961f9a585ce5.jpg

"Als opgroeiende kleuter heb ik hem mijn peter en meter weinig of niet gezien, vertelt Walter. Zij konden al vlug terug naar Lier wij moesten in Nederland blijven tot in 1930." "School heb ik gelopen in Tiel. Daar leefden niet minder dan achttien verschillende soorten van protestanten, maar een katholieke school kenden ze niet.
Ik ben dus naar een protestantse instelling geweest, maar mijn vader wilde niet, dat ik daar godsdienstles kreeg. Het moest katholiek zijn of niks. Het werd dan maar niks."

Als auteur wiens werk in Nederland werd uitgegeven en als bibliothecaris kreeg Antoon Thiry nogal wat contact met Hollandse collega's. Walter herinnert zich levendig één van hen: de regionalistische romancier Herman de Man (1898-1946). Deze joodse Nederlander, die in 1927 katholiek is geworden, had zich in 't begin van de jaren twintig in moeilijkheden gewerkt en dook voor een tijdje onder bij de Thirys. Zijn boek "Aardebanden", dat hij in 1922 publiceerde, heeft hij opgedragen "Aan Walter Thiry, mijn tweejarigen vriend". "Maar, zegt Walter, biezonder dankbaar heeft hij zich later voor de ontvangen hulp niet getoond."
"Een herinnering uit mijn kinderjaren die mij biezonder is bijgebleven, was een fietstocht met mijn ouders in Duitsland. Wij mochten in die tijd niet naar Vlaanderen maar wij reden wel naar het Rijnland dat toen door Belgische troepen was bezet. Ik zat bij moeder achterop de fiets. Het trof mij erg, dat Duitse burgers van de stoep moesten als er Belgische militairen aankwamen..." "Naarmate wij langer in Nederland verbleven, is vader meer anti-Hollands geworden. Dat was een gevolg van de levenssfeer ginder. Het had niet zozeer te maken met het protestantisme, waar hij niet wilde van weten, als vooral met de krenterigheid van de mensen. Wat is het jammer, zei hij, dat wij geen taal hebben die ons van het Noorden onderscheidt!" Die gezindheid blijkt ook uit de fotokopies van enkele brieven die
Walter Thiry heeft bijeengebracht. In zijn activistentijd verdedigde zijn vader de idee van een politiek zelfstandig Vlaanderen en nadien distancieerde hij zich duidelijk van de Groot-Nederlandse richting.

In een niet-gedateerde briefwisseling met Joris van Severen uit de jaren twintig spreekt hij zijn ontgoocheling over Nederland uit: "Hoe langer ik hier in Holland verblijf, des te sterker groeit mijn overtuiging dat Vlaanderen zich op alle gebied - ook het politieke - moet ontwikkelen naar zijn eigen katholieke aard en zeden, los van iedere vreemde invloed en ook niet het minst van Holland (zoals onze grote Guido Gezelle het terecht inzag), want daardoor zou ons Volk groot gevaar lopen zijn machtige levensbronnen - waarvan wij hier in ballingschap de waarde veel meer appreciëren dan ooit te voren en die ons trots alles doen blijven geloven in zijn schone toekomst - zien gedempt te worden".

In 1931 schreef Antoon Thiry de in 1932 verschenen roman "De Hoorn schalt", waarin hij eensdeels wilde laten zien, dat hij ook een probleemroman aankon, anderdeels wou uitleggen wat het activisme in zijn optiek is geweest en hoe de houding van zijn medestanders gerechtvaardigd kon worden. De stelling van Thiry luidde, dat het activisme de voortzetting was van de vooroorlogse Vlaamse Beweging. In een antwoord op een recensie in het weekblad De Noorderklok (waarvan ik de juiste publicatiedatum niet ken), beklemtoonde hij, dat hij voorstander bleef van een zelfstandige staat Vlaanderen, wat niet betekende "dat ik een samen-gaan met Noord-Nederland in een Statenbond niet zou kunnen aanvaarden". "De Hoorn schalt" was de eerste Vlaamse roman waarin de zaak stelselmatig werd behandeld. Thiry had hem begroot als een trilogie, maar de twee volgende delen heeft hij nooit voltooid. Ook documenten daarover zijn volgens Walter Thiry bij de Bevrijding vernield of verdwenen. Als literair werkstuk is het boek niet geslaagd, maar het blijft een interessant getuigenis.

In 1930, toen het gezin Thiry naar Vlaanderen kwam, was Walter elf jaar. "Ik had ondertussen, in 1924, ook een zustertje gekregen, dat bij dezelfde dokter in Voorburg is geboren en dat de naam van mijn moeder ontving. In Antwerpen liep ik school, eerst in het St. Lievenscollege, daarna in het Koninklijk Atheneum. Ik voelde mij daar helemaal niet in mijn sas en wou de school zo vlug mogelijk verlaten. Vader gaf toe. Hij nam mij op in zijn zaak." "De idee voor een boekengilde had hij in Duitsland gevonden. Vader heeft ze goed bestudeerd en ging hier en daar op verkenning. Als naam dacht hij eerst aan De Gouden Poort. Toen een gelijknamige bloemlezing van Julien Kuypers verscheen, maakte hij daar Die Poorte van. Moeder heeft bij de voorbereiding en de uitwerking een grote rol gespeeld. Terwijl vader zich vooral bezig hield met de inhoud en de vormgeving van de boeken, trad moeder op als de "commersante". Zij was een vrouw met heel veel smaak en een grote werkkracht. Wij hebben allen veel aan haar te danken gehad." Prof. Ludo Simons noemt Die Poorte (in zijn geschiedenis van de Vlaamse uitgeverijen) de belangrijkste van de "eenmansuitgeverijen" die in de periode tussen de beide wereldoorlogen in Antwerpen of omgeving werkzaam waren. In totaal heeft zij zo'n 130 boeken op de markt gebracht. Opmerkelijk is daarin het grote aandeel van buitenlandse literatuur, niet het minst uit Scandinavië. Dat is geen toeval.

Het "scandinavisme", de beweging ten voordele van een toenadering tussen de Scandinavische volkeren, die in de negentiende eeuw ongeveer tegelijk met de Vlaamse Beweging ontstond, is bij ons niet zonder invloed gebleven. Via mensen als de dichter Eugeen van Oye en de activistische voorman Domela Nieuwenhuis Nyegaard, met wie Thiry heeft samengewerkt, werd de idee van een bond tussen "Nederduitsers" en de Scandinaven ook even in onze gewesten gepropageerd. Belangrijker is de culturele invloed geweest van de herlevende Noorse taal en de schrijvers uit die periode, van Bjornson tot Ibsen, Lagerlöf, Undset en Hamsun.
Antoon Thiry, die zelf tot de literatuur was gekomen via Hans Christiaan Andersen, heeft zijn leven lang interesse gekoesterd voor het Noorden. Zijn uitgeverij bereidde hij o.m. voor met een essay-bundel die in 1934 bij het Davidsfonds verscheen onder de titel "Vikingers". Het Davidsfonds liet er 10.000 exemplaren van drukken! Thiry prees om te beginnen Bjornson "om de bruisende, nooit versagende geestdrift waarmee hij (zijn land) wekte tot nieuw en zelfstandig leven". Ook de vier andere auteurs over wie hij schreef (Lagerlöf, Lie, Hamsun en Undset) stelde hij de Vlamingen tot voorbeeld.
Wie de figuur van Antoon Thiry nader wil leren kennen, moet ook de polemiek bestuderen die hij in hetzelfde jaar voerde met de toen nog katholieke Gerard Walschap. In tegenstelling tot Felix Timmermans was hij een man die echt kon polemiseren. Zo ontpopte hij zich als een der felste bestrijders van Walschaps opvattingen, waarbij hij zowel van artistieke als katholieke motieven uitging. In januari 1934 publiceerde hij in het tijdschrift "Boekengids" zijn 'Kanttekeningen bij Trouwen" van Gerard Walschap", en in april 1934 maakte hij in hetzelfde blad een "Kanttekening bij de heden-daagse roman". Walschap liet zich niet onbetuigd en titelde in zijn weekblad "Hooger Leven" (18 februari 1934): "De oude garde valt aan". De kontekst van dit alles (dus ook De Pelgrim-beweging) wordt beschreven in het doctorale proefschrift van Lut Missine: "Kunst en leven, een wankel evenwicht. Prozaopvattingen tijdens het interbellum in Vlaanderen (1927-1940), een onderzoek van tijdschriften en week-bladen" (K.U. Leuven, 1992).

1964733-5ffabc2ea31f9a6972804a725eef47cb.jpg

De twist met Walschap zal de literaire reputatie van Thiry buiten de eigen kring geen goed hebben gedaan. Op termijn won de jonge voorvechter van de "nieuwe zakelijkheid" het pleit met zijn sterke pen en zijn moderne artistieke opvattingen. Onder de oorlog ging Walter Thiry lessen volgen aan de "Meisterschule fur Grafische Gewerbe" in Duitsland en in 1942 nam hij de technische kant van Die Poorte op zich, terwijl zijn broer Peter voor de eigenlijke uitgeverij zorgde. "Peter heeft bij ons ook eigen verzen uitgegeven. Helaas, ik bezit er geen enkel exemplaar meer van."
Lang heeft de samenwerking van de zonen niet geduurd, want Walter meldde zich voor het Oostfront. "Vader geloofde dat de Duitsers de overwinning zouden behalen en dat het voor de Vlamingen nu zaak was, hun plaats te veroveren in het door hen overheerste Europa. Ik geloofde dat ook." Het kostte Waker Thiry vijftien jaar gevangenisstraf waarvan hij er vijf heeft "gezeten". Nadien heeft hij opnieuw voor Die Poorte gewerkt, tot hij in 1964 door Antoon Sap werd aangeworven als vertegenwoordiger van zijn Standaard Uitgeverij, speciaal gelast met het fonds voor de basisscholen. Dat is hij gebleven tot aan zijn pensionering.

De echtgenote van Walter Thiry is een Nederlandse, "maar van heel dichtbij". Julia ("Juul") Groffen is afkomstig van Hoogerheide, vlak over de grens, bij Putte, op de rand van polder en heide. Haar vader was een aannemer van bouwwerken die heeft samengewerkt met Flor van Reeth, de schilderende architect die zo' n grote rol heeft gespeeld in leven en werk van Timmermans. Flor van Reeth heeft een tijd in Hoogerheide gewoond en daar was het, zegt Walter Thiry, dat hij de zgn. Walkurenrit uit "Pallieter" heeft meegemaakt. En dat hij zijn naam in de sneeuw heeft geplast. Een fantastische man, die Flor! Wat hebben wij allemaal gelachen en plezier gemaakt als hij er bij was."
Talrijke anecdoten, geestigheden, uitdrukkingen uit de brede Lierse vriendenkring van die jaren zijn, al dan niet vertekend en bijgekleurd, terechtgekomen in het werk van "de goede Fee". Dat was ook het geval in de verhalen van Antoon Thiry: "In mijn vaders geschriften vind ik vele Lierse en andere persoonlijke elementen terug. Zo kun je zijn roman "De zevenslager" uit 1934 bijna autobiografisch noemen. Tussen haakjes: weet je dat het boek in de Nederlandse editie "De zevenklapper" moest heten? Een zevenslager kennen ze ginder niet. Waar het kon, bleef mijn vader de Vlaamse kleur van zijn taal verdedigen."

Is het waar, dat de wederwaardigheden van Die Poorte enige wrijving tussen Antoon Thiry en Felix Timmermans hebben teweeggebracht ? Amper gestart, kreeg de uitgeverij sterke concurrentie. De jonge Mechelse schrijver Korneel Goosscns, die in 1929 met Nederlandse hulp de uitgeverij Het Kompas had opgericht, gaf de firma in 1933 de vorm van een naamloze vennootschap. Goossens' echtgenote, Livine de Weert, was een nicht van Felix Timmermans. En die werd een van de zeven "comparanten" bij de oprichting van de N.V Nog in hetzelfde jaar 1933 begon de uitgeverij met de succesrijke Feniksreeks, die via abonnees een bepaald aantal boeken per jaar verspreidde. In haar selectie zaten zowel Vlaamse als buitenlandse auteurs, niet het minst Scandinaafse...
"Naar de mening van mijn vader heeft Het Kompas de idee van onze uitgeverij overgenomen. Het deed hem iets, dat zijn vriend Felix daar bij betrokken was. Dat conflict is tussen beiden nooit uitgepraat. Ik heb dat altijd jammer gevonden."

Mogelijk was er op de achtergrond nog een ander punt van wrevel overgebleven: de wijze waarop de literaire critici de roman van Thiry "Het schone jaar van Carolus" hadden vergeleken met "Pallieter". Timmermans zelf heeft aanvankelijk zeker gedacht, dat zijn vriend hem een vlieg wilde afvangen. In zijn dagboek noteerde hij op 15 juli 1919, acht dagen na de geboorte van Walter, dat hij vlug doorwerkte aan zijn roman "Anna Marie" : "Ik zou heel dit ding zo rap niet laten drukken, maar A.T maakt om zo te zeggen mijn werk en is zinnens het gauw uit te geven, daarom wil ik hem voor zijn. Het gaat in dezelfde tijd, in dezelfde stad, en met dezelfde specialiteiten. Had ik er over kunnen zwijgen, 'k zou nu mijn werk in vree kunnen maken. Ik heb mij voorgenomen geen bijzonderheden meer over mijn werk te vertellen.

1964733-da553b4ee0b1549843651a4f23044c08.jpg

Ingrid van de Wijer tekent daar in "Al mijn dagen "(1986) bij aan, dat Thiry zijn manuscript al in 1913 grotendeels had voltooid. Heeft hij het in 1919 afgewerkt en misschien nog bewerkt? In elk geval, "Het schone jaar van Carolus" verscheen in de zomer van 1920, nog voor "Anna-Marie". Vaak werd sindsdien op de overeenkomsten gewezen, niet met dit boek maar met "Pallieter". Het kan niet anders of dat moet beide auteurs en vrienden enigszins gegriefd hebben. Ik kan mij voorstellen, dat Antoon Thiry zich tekortgedaan voelde. Na zovele jaren heb ik "Carolus" herlezen en ik vind er natuurlijk taal- en andere gelijkenissen in, maar vaak een heel andere sfeer en bedoeling. Ja, ik denk dat de roman niet op zijn juiste waarde is geschat. Walter Thiry glimlacht als ik daarover praat. Bescheiden doet hij geen uitspraak over de artistieke waarde van zijn vaders werk. Hij herinnert zich wel met spijt, hoe Antoon Thiry op een
bepaald moment in zijn leven zichzelf als "een schaduwfiguur" heeft gezien. "Daar leed hij onder."

"Toen vader in 1954 onverwachts overleed, hebben wij hem op het kerkhof van Lier laten begraven. Dat was zijn wens. Alhoewel hij sinds de Eerste Wereldoorlog niet meer in Lier had verbleven, wilde hij daar een rustplaats krijgen. Hij heeft zich altijd een Lierenaar gevoeld. Dat dankte hij aan de invloed van Timmermans. Het moet tussen hen beiden een geweldige vriendschap zijn geweest. Ondanks de verkoeling in de jaren dertig heeft zij innerlijk altijd standgehouden." Antoon Thiry ligt op het kerkhof niet zo ver van zijn jeugdvriend. Op zijn grafsteen is de toren van Lier afgebeeld en een opschrift verwijst naar de titel van een zijner verhalenbundels: "Hier rust Onder St. Gummarus Wake de Vlaamse schrijver Antoon Thiry ".

*******

Hoe vind je dit bericht? 3 stemmen
Geschreven door Mon om 00:00 1 reactie Reageer op dit bericht

postkaarten

wwwwwwww www wwwwww wwwwwwwww wwwwwwwwwwwwwww wwww wwww wwww wwww ww wwwwwwwwwwwwwww

1959522-3c11959f36cb3d4ee495d758376c7f44.jpg

1959522-7d2fdcc9bb616ea48b9466ffa98cf789.jpg

1959522-dc15749fce3fdb8dd14165a3427f3cca.jpg

1959522-e063c5ac41438df6ed6506c440024907.jpg

1959522-d568d1193efa58a167dced3906c60bd0.jpg

1959522-32814e93c3a90c9ebc8420b36ab952af.jpg

1959522-4c387473b10a51a2dd397553dbd54cae.jpg

1959522-e47f1edd5ca04227b115fe4b47786b85.jpg

1959522-f4b83394f445d7e561a92142408a9c1a.jpg

1959522-248b337149e5981cd3a63b7641dd1d33.jpg

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Mon om 00:00 Reageer op dit bericht

Een Mandeke Brabants fruit

Lier, een Mandeke Brabants fruit.
Een Felix Timmermans' moment

Een doedelzakspeler blaast de nasmaak van spek van zijn lippen.
Onverwachte vrijers zitten op de grens van het malse Brabant en de mijmerende magere Kempen.

Sneeuw is blank en vers uit den hemel gevallen met al de frisheid van een kind.

Waar de drie kronkelende Neten in zijige glanzen van sneeuw en ijs een zilveren knoop leggen, dààr is het, dààr strompelt het aloude Lier met zijn rode daken en witte trap- en krolgevelen, met zijn torentjes, straten en bruggen uit het weerspiegelende water op, eenvoudig, rustig, kleurig, zonnig en gelukkig als een droom van Vermeer van Delft.

Over de vriendelijke stad bokaalt de herfstlucht met haar wandelende wolken. Er is hier een glans van water in het licht, en 't licht is daardoor sijpelend en mals, als zilverdraad in oude tapijten.

Het edele schip der gotische kerk drijft als een ivoren galjoen boven de golven der daken waaronder de mensen met hun vertelsels wonen.

Lier glimlacht koraal en perelmoerig beneden in een kring van betuinde en beboomde wallen, die hier en daar als kathedralen oprijzen. Ze dragen het stadje met het begijnhof in hun armen.

1959522-7d2fdcc9bb616ea48b9466ffa98cf789.jpg

Er is het gemoedelijke gebaar van houten windmolens, die de landbouw zegenen. Overal, aan elke Nete-bocht doemen vergezichten op. Een lenteblijgemengel van rode daken en torens boven de vredegroene en daarachter de zondagsblauwe lucht met watten wolken.

Elk der poorten sluit Lier af van de verre wereld. De molpoort met haar druivenpurperen dak trekt haar log gevaarte in om het olijfgroene water onder haar bogen te laten doorlopen.

En overal daarond liggen malse veldtapijten waar de Neten blinkend doorheen schieten naast de lach van blozende dorpkens.

De kruisnetten hangen thuis bij de Leuvense stoof te drogen. De bootjes slapen.
Hier wandelt "Vettigen Teen" onder het water en de korsten ijs door, van den enen oever naar den andere.

Ievers aan een binnenneetje snorkt een klotsende watermolen in de stilte. De vlietjes dooraderen de stad, maar op een bedeesde wijze. Ze verstoppen zich, ze lopen achter de huizen, kronkelen en ritselen wispelturig lijk een meiske van 16 jaar.

Het begijnhof ligt vredig naast het landschap in winterslaap. Hier heeft God zijn voeten op de wereld gezet.

Het dikmurig spui verbindt met een lange tochtende gang twee vesten aan elkander, iets als een brug der zuchten. Binnen, achter de nijlpaardmuren zuchtten vroeger de pestlijders, nu zuchten 's avonds in de gang zuchtende geliefden.

De gemoedelijke straten zijn gegroeid, gegroeid naar de pleinen, naar de stadspoorten en langs de kronkelingen van Neten en vlietjes. Ze zijn belegd met bleke bollige kasseitjes, waar soms gras tussen groeit lijk het haar rond een menselijke kletskop.
De straten zijn zacht geëlleboogd. Ze zijn niet op staal gekocht. Ze wandelen, ze gaan eens zien naar wat er te zien is, winkelhaken of peinzen nevens een water.

Van water zijn de straten niet bang. Wip! de rug een beetje opgetrokken, en er is een ronde brug, en ze zijn er over.

De oude huizen hebben een ziel. Ze zijn warm doorolied van de tijd. Bedelaars, Turken die met tapijten leuren en vloekende voerlie komen logeren in "den Hemel" zelf. Maar veel is er door de tijd weggeknabbeld. Zoals het vroegere pestmeestershuizeke op het puntje van de St. Jansbrug en waarin men een kloeke pint kon drinken. De huizen tonen wat ze zijn. Ze huichelen niet en wat ze aan of bij hebben is van hen en van geen ander.

Van boven gezien is Lier vol verrassende blijde uitzichten, vredige hoeken en kanten en dromende waterspiegelingen waar de kunstenaars een tuimeling voor maken, als ze de kitteling van de muze gewaar worden.

Deze straat heeft het voornemen gehad rechtdoor te lopen, ze noemt zich eerst fier "Rechtestraat", en vooruit, maar ze botst op een huizeke met witte krulgevel, blijft staan, versmalt en komt verbaasd voor het portaal der kerk terecht.

Een mosselschip drijft binnen met rosse zeilen. Hoog naar de lucht zwiert de St. Gommarustoren zich op. Opsomer heeft hem honderd keren geschilderd op alle differente manieren. Die toren laat den "Door" niet los, in alle weer en winden, met blinkende zon of onder pijpestelenregen. Hij springt spontaan en direct uit het hart op het doek in één geut, zonder te eten, zonder te snutten.

De toren in leverworstkoleur draagt een gezellige peperbusmuts, waarboven een koperen haan ronddraait en een kruis peinst.

Er zit iets vaderlijks in hem, een heerser zonder trots die uit nodigt. Met zijn achtkantige kap als een helm, zijn galmgaten als ogen, heeft hij het voorkomen van een gemoedelijke tamboermajoor, die alle zeven minuten op zijn zeven gemakken een handvol klinkende perels over de fameuze rode daken smijt om de stilte onder hem niet te laten verstenen. 't Is elk op zijn eigen hetzelfde.

1959522-3c11959f36cb3d4ee495d758376c7f44.jpg

De toren zingt puur uit gewoonte en niemand luistert er naar. Maar 's zaterdags en 's zondags opent hij de lusthof zijner verbeelding, dan beiaardiert hij, geholpen door een Lierenaarke dat de stenen wenteltrap opklautert naar zijn klavier.

Zonder er fier op te zijn, als was het gewoon en dagelijks als een boterham, bewaart de stad nog een schone ruiker van oude gebouwen en brokken overschot ervan, die naar spannende vertelsels rieken.

De "Fortuin" heeft zich op haar zondags versiert met vriendelijke blaffeturen en een windwijzer die hoog in de zon blinkt.

Langs achter zijn de huizen intiemer dan langs voor. Langs voor verzorgen ze zich opzichtig voor elkander, en steken zich alle jaren in 't nieuw, maar langs achter ziet men niet nauw, daar zijn ze als in hun keuken in négligé.

De straten hebben kleine stegen als blindedarmen, kereweerom hebben plan noch opzet, echt gelijk de Lierenaars zelf. Alleen de rechte straten vervelen zich, omdat ze niets tegen kwamen. De nederige huizen hebben een verfvel van gedroogd kalkwater, ne frank per gevel, maar bij het bewerken van de kalk heeft men er een zacht toontje van blauw, roze, groen of geel in gelapt.

Haringreuk en armemensenhemdenreuk zweven langs de grauwe achtergevels over de vlietjes. De kerkepoort staat onbeleefd met haar rug naar de St. Gummaruskerk.
Daar woont de Heilige Frans die voor de zonden der mensen bidt.

Volkstypen geven koleur aan Lierke-Plezierke, Soeke Tap, Lakmoes, Zot Jefke, Blokske, en nog en nog. De magere lijkbidder zingt serieuze begrafenissen in de open deuren en in de brievenbussen.

Een slank torentje van een oud herenerf zakt met zijn tenen in de Nete. Zo ligt het stadje stil in zijn water en zijn groen vredig, levendig en toch zonder haast; zich spiegelend in heel zijn gemoedelijk proper aanschijn.

Elk plein heeft er voor gezorgd dat zijn kaalheid een versiersel kreeg. Een zuilpomp, zij paleert zich met dolfijnen, krollen en het wapen van Lier, eeuwig fabrieksmerk.
De pompen zingen hun waterliedeke, een emmer vol te lang. Ze staan daar als monumenten, standbeelden aan niemand gewijd.

De warmrode avondzon streelt over het buildragershuisje. Daar zitten forse mannen te wachten op een schip. Dan dansen de dragers over de wipplank en halen bakstenen uit de scheepsbuik naar buiten.

De ogen van de stad vallen met schokskes toe. De warme fruitkoleuren krijgen fles, verinnigen.

Als de zon achter Vlaanderen wegschuift en als de huizen al in de blauwe schaduw zitten dan gloort het stenen juweel nog jubelend in de laatste lichtstralen als een gouden galjoen op een blauwe zee.

1959522-f4b83394f445d7e561a92142408a9c1a.jpg

De mensen slapen. Behalve de enigste dichter, Rumoldus Keersmaekers, die in alles het schone ziet en daarom lang haar draagt. Hij staat bij 't pijpen smoren een gedicht te rijmen voor zijn venster in de zoete boterstraat : "Oh, Lier, op U ben ik fier.
Gegroet stad der kwezels, bij gebrek aan ezels."

Het is een nacht van pluimige stilte die om de heupen van de toren vleugelt. De besneewjde stad is met maneschijn overgoten. De nachtwaker "Dries Andijvel" loopt alle kwartieren rap langs de vier windgaten drie noten blazen : " Slaap gerust ! ".

Het erste morgenlicht drest tegen de spuwdraken waarachter de geest van ilenspiegel te lachen zit. De reuk van boter schuift over het
stadje. De morgenkoffiekan dampt, 't is de tijd van radijskes met latte kaas.

De inakels zwieren als stoppentrekkers omhoog en de feestelijke choorbogen, balustraden en nissen, soppen zich in het licht.

De St Gommaruskerk bloemt op als een kostelijke juweeldoos waarvan haar erkramen de blinkende edelstenen zijn. Orgelmuziek zuigt de ziel aar binnen.

In de witte ruimte duizelt het hart verbaasd om de lenige vlucht der spitshoge gewelven. Aan de pilaren hangen heiligen naar een kaars te wachten.

't Licht komt van overal gegoten. De ramen juichen als een Vlaamse vlaggestoet en als de zon die edelsteenmozaieken in vlam botst, dan worden de deuren van de hemel opengezet en ge ziet er binnen.

Koningen, graven en baronnen zitten er met heel hun familie, omgeven van een stoeferij van blazoenen.

De grote gothieke triptiek "Het Huwelijk van O.L. Vrouw" geurt naar wijn en leliën. Men heeft er reeds danig veel over geschreven, alleen om te laten weten dat men niet weet wie ze geschilderd heeft.

1959522-4c387473b10a51a2dd397553dbd54cae.jpg

Het stenen doksaal is als een Lierse kantensluier in het midden der kerk opgehangen,'t praalt en 't wemelt geweldig met torentjes, pinakels, arabesken, bladeren en figuren. Een kruisweg, enkeIe evangelisten het ene nevens het andere, tene onder, in, boven en achter het andere, broos als een leeg ei.

Alles sierlijk: aaneengevlochten, aaneengerankt, aaneengebloeid dat er het eind van verloren is lijk de doolhof van een spons. Om er migrène van te krijgen als men er op peinst dat het door mensenhanden is vervaardigd.

St Gommarus is de beschermheilige van Lier. Na roemrijke oorlogen tegen de Moorkens mocht hij met de nicht van Pepijn de Korte trouwen en hij bracht ze mee naar Emblehem. Door haar serpentachtigheid wierd hij heilig.

Op een schone zomerse dag was er een soldaat die een eikeboom omver kapte.
De eigenaar kwam zijn nood aan Gommarus vertellen. Door een hemelse ingeving gekitteld, zette de ridder de verslenste boom terug opeen, bond er zijn gordelriem rond en de eik stond daar zonder litteken, als vers uit de grond gegroeid. Nu bakt men dit wonder in peperkoekskes.

Met de oktober-kermisdagen is het een begankenis naar Emblehem om aan het St Gommarusfonteintje hetzelfde water te drinken dat de Heilige uit de grond deed springen om de dorstige knechten te laven. Water is toch maar water en men eet er daarom smoutebollen bij. De kinderen toeren op het paardemoleken van de schele Sterckx.

De St Pieterskapel is het ei waar Lier werd uitgebroed, Z'is 't moederke van de stad. Een oud moederke met rumatisme in haar leden, vochtig uitgeslagen en afgepeld.

Dat het daarbinnen wreed heeft gedaan heb ik op een oude print gelezen : "Als 't Noorse volk, tot straf van boven, ons land verwoestte, naar en wreed, is Fredegerus 't hoofd gekloven als hij aan 't altaar missen deed."

Madame Historie stoeft gaarne over de vele kloosterkens. Zevenhonderd jaar geleden, dat is nog vóór Napoleon zijnen tijd, woonde hieromtrent Beatrijs, priorin van de abdij van Nazareth. Haar zuverlik boeksken van zeven manieren van heiligerminne geurt naar wierook en serafijnen. Lier is een goede grond. Hij kweekt artiesten, bisschoppen, ministers, baronnen en.....savooien.

Op de Grote Markt, die moeite doet om zo groot te zijn als die van St. Niklaas maar er niet in gelukt, troont natuurlijk het stadhuis in een notarisdeftig, sober en smaakvol Louis XV-kleed. Het is de hersenpan van de stad. Zij onthoudt alles, die pan, en kent al de vertelsels.

Haar zenuwen zijn de mensen en ze voelt, ondergaat alles tot in de smalste straten en in de donkerste huizekens.

Een diligetitie komt op de markt gedaverd, zwaar van het volk en van deliefdebrieven.

Plots, nevens het stadhuis staat, als de silhouet ener uitgesneden lans, de lenige gothieke Belforttoren die uit een sierlijke kroon van vier schalietorentjes zijn spits in de lucht houdt. Een dwalende staartster is op die spits blijven haperen en wijst nu de winden aan.

Victor Hugo is het Belfort met een potloodstomperke komen aftekenen. Hij kon niet alleen goed rijmen en boekskes schrijven, maar hij was ook straf in torekes tekenen.
Hij kon zich niet tegenhouden en plakte er een verkeerd stadhuis tegen.

1959522-e47f1edd5ca04227b115fe4b47786b85.jpg

Op de Grote Markt liggen de kasseikes in een enorme spiraal die, naar het midden draaiend, eindigt met een ronde blauwe steen. Daar heeft voor 't laatst het schavot gewerkt toen de vallende koppen van de wrede moordenaars van de pastoor van Nijlen te zien waren.

De huizen op de markt laten hun goud blinken. De Eikenboom heeft een ijzeren boomke op zijn kop geplant. Daar vergaderden vroeger de Kamer van Rethorica.
Nu zitten ze er te lameren over kinderbedden en gebesten huwelijken.

Achter het stadhuis en naast het vleeshuis is het Schaeckberd weggekropen, één der vele Lierse brouwerijen. De onvolprezen "kavés" wierd geslurpt en gesmaakt tot in Keulen, diep in Frankrijk, ver in Holland. En overal te Lier smaakte hij gedurig naar nog. Het moet een plezierig kloek bier geweest zijn. Eén met een hart in. Het betreurde bier is voor goed van de aardbol verdwenen, maar de dorst blijft even groot.

Op elke vijftien huizen is er een herberg. Lier rijmt niet voor niet op bier en plezier. Boven de deur van een stamineeke hangt een geschilderd vertelsel van het "Belofte Land".

De vroomheid naar een enorme Lieveheer bekruist haast héél de gevel ener duivenmelkersherberg. De baas heeft uit gebrek van verbeelding zijn bierverkoperij dan maar genoemd : "In 't Kruis - Café Chantant".

Een oude binnenstadspoort waar men gaarne onder door gaat maar niet gaarne inkomt is het gevang. Waren er zo geen dikke tralies voor de ramen, waarachter men soms een gevangene ziet zuchten, men zou geloven 't is voorzeker de vergaderplaats voor een maatschappij om ter langste smoren.

't Is een hoge feest op de vlietjes te varen en zo van de achterkant der gebouwen te genieten. De Cornelistoren en het schippershuis staan met hun voeten in het water.
De Nete en de vlietjes zuigen en smekken aan de muren.

De gemoedelijke en slordige Cornelistoren is Lier vergeten te verdedigen. De verf van vroeger zit vol bersten en afgepelde vlekken van de allerhande weer. Mos groeit in kladden en franjes op de vermergelde steen en kruipt in de reten.

Een nederige horlogemaker heeft die oude toren later vol kamwieltjes gestoken.
Men noemt hem nu de "Zimmertoren". De 95 wijzerplaten in dit heelal tussen vier muren tonen het komen en gaan van zon en maan, het verschijnen der kometen en veel is niet genoeg. We volgen er de dierenriem, de dagen en de weken. Het ambetante februarimaandeke en de andere, de lichtjaren en de schrikkelijke schrikkeljaren, zo vertellen de schrijfboekomslagen. En alles draait op éne stang. De beroemde toren heeft bloemen in zijn knopsgat gestoken.

Naast de lieve Bertha en Tony Bergmann, die in de hogeschool advocatenstreken leren, staan Van Boeckel en Pirroen. Mijnheer Pirroen met zijn bruin-purperen frak en hoge hoed komt uit de krinolinentijd en trekt de uren uit het klokske. Maar daarvóór laat de smid zijn spierballen-arm op en neer gaan. De blaasbalg zoeft het vuur aan.

De hamer mokert op een witgloeiend ijzer, de vonken fonteinen, den Boeckel smeed slangen en vogels oprijzend uit vuur en duister. Hij plooit de tikkehanen naar zijn eigen kunst. Ze vechten tot ze gelijk gebroken postuurkens achterover vallen of ze kraaien metaalachtig tegen den nieuwe morgen.

In het museum hangt een kleine schets van Rubens : "Het Gebed van de heilige Theresia verlost de Zielen uit het Vagevuur". Het is als uit zijn hand gegoten, rits rats met het penseel in bruine verf gedopt en er dan een paar voorzichtige kleurtjes over geblazen.

1959522-e063c5ac41438df6ed6506c440024907.jpg

In een landelijke herberg zit een jonge deerne, omarmd door een ouwe vrijer, bier te drinken. Teniers heeft dat prachtig geschilderd vers uit de verf, transparant in gamma's van oker en groen.

Van Schelfhout een winterlandschap, een bevrozen rivier met schaverdijners. Daarover een grote lucht vol helderheid en vorst. Men voelt het, daar heeft de schilder een grote vreugde aan gehad.

Een rijkemansfamilie zit met pijpkenskraag en zwartgekloven fluweel in de schoenste kamer te pronken in de zachte glans van fruit. De huismuziek ritselt in de verf en doorzijpeld de kunst. Figuren om voor te knielen. Frans Floris heeft zijn stiel als een boterham in de hand, en laat dan de Heilige Geest maar komen.

Een stoet van Vlaamse spreekwoorden trekt voorbij. Breughel kwam armen te kort, de spreuken leven nog, ons volk zegt ze alle uren van de dag als gouden wijsheid. Pieter Breughel de Jonge heeft het werk van de Reus, die zijn vader was, achterna geschilderd.

Elk fragment is een schilderij, een wereld op zichzelf. De koleuren groeiden als gelukkige bloemen. Men ziet de onzichtbare schilder lachen met de menselijke doening in deze verkeerde wereld. Hij is opgenomen in de armen van zijn beminde, de schilderkunst.

De Begijnhofstraat botst tegen de vest op het Seeldraaiershuizeke. Vroeger woonde hier een man die zijn kost verdiende met zelen te draaien op het paadje van hier tot ginder. Hij kwam vooruit door achteruit te gaan.

Met Nieuwjaar brengt Susje Niks zijn gedrukte berijmde nieuwjaarsbrieven waarop alle jaren hetzelfde te lezen staat als oa. "Slaapt burgers dan gerust, terwijl wij doen de ronde." De volgende morgen zit Suske wéér in een straatgemak te slapen met de piek nevens hem en hij zal wéér geen dieven zien.

Sooke Vandermussche staat in zijn niéuwe bakkerij een spijs van siroop en ik weet niet wat in ronde deegschoteltjes te gieten. Efkens in de oven gebakken krijgen de randekes een bruin kantje en de harde spijs barst, smakelijk om te zien. Het is een hertlijk eten als ze nog kraken, want na een week zijn ze dor en droog, en wringen ze als een katoenen brok in de keel van de vreemdeling.

Toen Leopold II in Lier een tentoonstelling van handel en nijverheid kwam bezoeken bood Sooke de Koning een vlaaiken aan.
- "Pruuft dadis: Manhier Siere de Keunink zanne Mazjestât, hoe lekker da tees is.
"
De Koning beet in het vlaaike en vroeg vanuit zijn baard :
- "Wel, dat is lekker... en hoe wordt dat gereedgemaakt?"
- "Wel, Manhiere Siere de Keunink zanne Mazjestât, da zal ek na' s ni segge, c'est le secret de la maison."
- "Wees gerust, ik zal U geen konkurrentie doen."

In 1911 ronkten op de Molbeemden enkele grote ijzeren spinnekoppen met velg.
De koene luchtschipper John Verrept zette zijn klak achterstevoren en vloog met zijn ééndekker rond de St. Gommarusstoren. Drie hoekige signalen vertelden wat er ging gebeuren : witte vlag: men vliegt; zwarte vlag : men vliegt niet, rode vlag : men zal waarschijnlijk vliegen.

1959522-dc15749fce3fdb8dd14165a3427f3cca.jpg

Toen Koning Albert in 1914 aan het hoofd van zijn bloedende piotjes uit Lier aftrok hoorde hij het stedeke door de vijandelijke vuurmarmitten bestookt. Lier is er levend uitgekomen, naar invalied, met valse armen en benen en stilaan verprutst en vergaat het oude schone Lier van binnen en van buiten. Maar de schapekoppen pinken hun verdriet weg.

Achteruit, daar zijn de Reuzen, bezie ze maar goed want ze komen zelden uit hun paleis en morgen gaan ze'r weer binnen in hun négligé. Groot volk laat zich niet te veel zien. Het beiaardpaard huppelt moeilijk, naar traditie bereden door vier achtereenvolgende jongens van één huishouden. De vierling is ook goed.

De reuzen zijn de kartomen lijfwacht der grote feesten van Lierke-Plezierke. Reus Goliath blinkt van zeep, verf en vergulsel en danst als symbool van ordinair geluk.
Het is een grote familie met vader en moeder, groteva en grotemoe, Moorse knechtjes en de "Memme". Kinnebaba die met zijn snottebellen mee in de omgang stapt is het lemmekakske.

De bonen van de vest wandelen achtereen lijk pelgrims, in elk hoofd hun vogelen.
Het Begijnhof is d'amandelboon van Lier. En om de smaak en de reuk goed te bewaren ligt het wat bezijds onder het frisse gordijn der Begijnevest tegen de Nete.

Daarachter onder het feestelijk torentje in de oude huizen waar 's nachts oude herinneringen over de trappen kraken, bloeit de blanke bloesem der vrome begijntjes. Een poortje sluit 's avonds de boosheden der wereld af. De stilte en de eenzaamheid glijden over de bleke kasseikes langsheen de straten, overklast met zon.

De huizen staan er als onder water, als rechte planten in een vijver. En altijd de mussen die ongenadig hun eentonige snaar betokkelen.

Oud en ingevallen zweten de klamme huizekes, maar daarbinnen achter de zieke tochtige stenen verjongt zich de geest, gebogen over het geurige boeksken van Thomas à Kempis.

De enge straten blinken van vrede en geluk. Uitgeknipte schaduwen snijden het Hellestraatje in stukken. De daken zijn befluweeld met zacht mos, om artiestenfrakskes van te maken.

Het geloof suist rond de Kalvarieberg, waar in een proper hofke onder een blauw portaal Jezus dood ligt in de schoot zijner Moeder.

Rode bakstenen huizen met witte manchetten lachen in een eendere root. De stappen klinken in de smalle stegen verbaasd over hun eigen lawijt.

Het geloof prevelt uit de namen die op de deuren geschilderd staan : "De Wijngaard des Heeren", "De Goddelijke Oogen", "Zoete Naamke."

Een binnenkoerke wrijft de noenslaap uit zijn ogen en zucht onhoorbaar. De muurkens zijn moe van zoveel eeuwen te staan.

En hoog boven de tevreden nederigheid jubelt de kerk hoog en groot in volle Brabantse krullenweelde als een galante markiezin. De ziel van wie hier binnetreedt is een vijver zonder rimpels.

Elke begijn staat voor heur eigen potke. Ze kunnen zelf naar de markt hun erwtjes en engelse vijgen gaan halen. Ze hebben hun nederig hofke en koperen kandelaars te verzorgen en de grote tiktak-horlogie op te winden.

1959522-32814e93c3a90c9ebc8420b36ab952af.jpg

Met Sint Margriet korten de dagen dat ge 't ziet. Dan gaat er een schone processie uit omgonsd door een koperen feestmarch. Het is een klinkende dag in de egale vredigheid. De blijdschap blinkt op het gezicht van de maagdekens en de gesteven witte rokskes ruisen als een zee.

De geest rekt zich naar God en zijn zoete Heiligen. Perkamenten vrouwen, in wie de mizerie knaagt en met in hun kleren de geur van Godshuizen, zitten lui te weesgegroeten. Ze duikelen onder in hun geloof.

In een zeerogend geschitter van zonbeschenen goud, omgeven van zoete wierookgeur, sluit hoogweerdig de processie. De Heilige Hostie wandelt als een balsem over het hof, ingetogen als een gedurige zondag.

In witte lakens gehuld bidden de begijnen met litaniestem hun gebeden voor in den hemel te komen, voor de vagevuurzieltjes, voor hun kanarievogel en tegen de ratten en muizen.

In elke straat bloeit een vroom-vereerd O.L. Vrouwe beeldje. Zij is de troost, de zalf van elke straatmizerie, de zakdoek der bedrukte moeders, de post-restant der verliefden. En 's avonds met 8 september, schitteren de vensterrichels en het kapelleke van de honingzoete maagd uit Holland langs de baren der zee hier aangespoeld.

In de reuk van haring en ajuin ontluikt het blanke visioen der tedere Lierse kanten. Raamliederen zagen op de trage groei van wondere onmogelijke bloemen als vertelsels van sneeuw.
          " 'k Ben al zo lang aan 't zoeken om miljonair te zijn,"
          " Ik vin het in gen boeke of in gin maneschijn, "
          " 'k Zou gaarne rijkdom hebbe, dadis eenieders gunst,"
          " Maar hebbe dadis hebbe en krijge is de kunst,"
          " Maar hebbe dadis hebbe en krijge is de kunst."

Hier wandelt de mistiek in burgerkleding rond, De lente blaast het deurtje van het piepenholleke open. Het is zoet en koeleurig als een boekeeke suikerbonen.
Men hoort het gras tussen de kasseien groeien.

De stilte is als een druppel olie die aan de toot van een pomp te beven hangt. De witte straten zijn een getijdenboek, verlucht met de naiëve tafereelkens van Jezus' bitter lijden.

Als de kreunende poortjes open gaan laten ze frisse hofkens zien, die de aankondiging aan Maria verwachten.

De zon klast verfdozen op de blozende pannen. Zachte oker lekt op de pleinen en straatstenen. De Lierse smaak komt als een goede anijsreuk aan het hart, iets schoon en duurbaar dat men ver in het verleden waande, iets buiten de tijd, zonder de echo van de wereld op te vangen, een stadje dat inspiratie in de dichter giet.

Zo staat schoon Lier daar in zijn wallen op de scheiding van Brabant en Kempenland, fris en kleurig in de zon als een mandeke met schoon Brabants fruit waarvan de kerk de meloen is.

1959522-248b337149e5981cd3a63b7641dd1d33.jpg

Pallieter vertrok uit het Neteland, waar hij jaren had geleefd. Beiaard trok de witte wagen waarin Marieke met haar drieling zat. Petrus stond boven op de huif. Loebas liep naast het paard. Tussen het geklank der vogelen-kelen, floot kalm en trots de koninklijke nachtegaal.

En zo rolde de wagen over de zingende Begijnevest naar de blauwe verten van de wereld, lijk een nodend paradijs.

De schoonheid droomt van boom tot boom, doch alle schoonheid zal verdwijnen want alle schoonheid is slechts droom, maar gij zijt eeuwigheid. Heb dank dat gij mijn weemoed wijdt en zegen ook zijn vrucht.

Den ganse driehoek in de luchten, nu komt de wintertijd. Ik hoor U door mijn hart en door de reten zuchten. Ik ben bereid.

***************

Hoe vind je dit bericht? 4 stemmen
Geschreven door Mon om 00:00 Reageer op dit bericht

Clara Timmermans overleden

CLARA TIMMERMANS OVERLEDEN

 

1950744-f2260738c7bbfff76567bf388d1c01cb.jpg

Op maandag 29 augustus 2016 is Clara Timmermans op 93-jarige leeftijd in het rusthuis waar ze verbleef overleden. Clara was de tweede dochter van Felix Timmermans en de zus van Tonet, Lia en Gommaar.

Ze werd geboren in 1922 en was net als de andere kinderen van de Fé artistiek bijzonder begaafd. Zo maakte ze naam en faam als zangeres, kunstschilder en auteur. Bij het einde van de jaren ’40 en het begin van de jaren ’50 verzorgde ze als veel gevraagde sopraan tal van zangrecitals. Het aspect kunstschilder en aquarelliste kwam uitvoerig aan bod tijdens een retrospectieve tentoonstelling in 2007 in het Timmermans-Opsomer-huis.

Clara, die gehuwd was met Maurice Wagner, was een pionier op het vlak van haiku’s en schreef tal van prachtige vertelsels en verhalen. Voor de hand liggende titels zijn o.m. ‘In de hof van mijn vader’, ‘Langs de waterkant’, ‘Herinneringen aan mijn moeder’ en ‘Een Lierse vla in sprookjeskoek’.

Wij bieden de families Wagner-Timmermans onze oprechte deelneming aan.

**********

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Mon om 00:00 Reageer op dit bericht

Covers van Pallieter

Pallieter 100 jaar oud


De covers van Pallieter in 14 verschillende talen

 

1950005-f90980548dc18766ea57a78c3d4d9a42.jpg
Pools

1950005-8e3d35d646297380d4cc2dc4f06a31c1.jpg
Sloveens

1950005-9d39a02e8a56c76736e91b6bf12a0f43.jpg
Zuid Afrikaans

1950005-64aab49a26460a511c59ae0ec64adb81.jpg
Deens

1950005-662d26fa20acc1cdfabef5dd4615bd03.jpg
Duits

1950005-77e0eb692a588c6419b9da4dc89a4734.jpg
Engels

1950005-ad30a1885910cac1d210372542299253.jpg
Esperanto

1950005-8d3fc67a41cc3c93c3f16083cdd4105a.jpg
Fins

1950005-f96afdca50d558730ca49f00ba6347c4.jpg
Frans

1950005-bec4378f41ab92fd613d3727b7846e38.jpg
Italiaans

1950005-e5950784ef2232b82d888a3f3660ac12.jpg
Japans

1950005-b5ae0923469a911ad354a1d12c5e6534.jpg
Nederlands

 2331595-57e3d675e99a7fc2f13464a9e3b1e63a.jpg
Tsjechisch

 2331595-bebb17cf8f076842b32dd6a3b6eb97a6.jpg
Zweeds

********

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Mon om 00:00 Reageer op dit bericht

Pallieter en Felix Timmermans

Pallieter en Timmermans.

Uit De Tijd : godsdienstig-staatkundig dagblad van 26-10-1920

Een katholieke Vlaming schrijft ons : "Dat er onder die stijve Hollanders zoo'n Don Quichotten op het stuk van Katholicisme zijn...", heeft Timmermans bij ’t overwegen van den uit Nederland tegen zijn Pallieter gerichten aanval wel niet gezegd of geschreven, maar dan toch gedacht! En zóó moeten in Vlaanderen, verwonderd, heel veel katholieken denken, die — zonder de minste bedoeling om er een loopje mee te nemen, — ook maar "probeeren" goede katholieken te zijn, maar dit zóó oprecht en eenvoudig-van-harte doen, dat een "stijve" Hollander dit niet kwaad kan opnemen, zonder door het gevaar te worden bedreigd, de christelijke fraterniteit in het gedrang te brengen. Het is — wel te verstaan — niet mijn bedoeling, Pallieter of Timmermans te verdedigen, enkel aan te toonen, dat zulks niet eens behoeft, indien men zich maar even de moeite getroost elkaars psyche beter te begrijpen.

1949254-b73c035b6472fd4a7602a4bcf9e2a7ab.jpg

De Hollanders hebben maar eens te bedenken, dat eenerzijds de vorm, waarin het kerkelijk verbod van Pallieter is ingekleed, er genoeg op wijst dat niet de schrijver Timmermans getroffen wordt, en al evenmin zijn Pallieter als compositie, doch alleen die accidenteele bestanddeelen ervan, welke door hun voor stijve Hollanders'' kwetsende platheid, in schijn een cachet van pervers materialisme op het boek hebben gedrukt; anderzijds, dat nergens in Vlaanderen zelf — het milieu waarin en waarvoor Pallieter is ontstaan — de "Don Quichot" apostrofen tegen dien vermeenden materialistischen geest zijn gehoord, en dat aldaar niet eens een rechtstreeksch verbod van Timmermans' boek door de eigen kerkelijke overheid is afgekondigd. Heel het voor katholieken onbehagelijk verwijtengescherm, berust m.i. eenvoudig op een wederzijdsch misverstand. De ijvervolle Katholiek uit Nederland, die de hier en daar van moreel standpunt uit afkeurenswaardige bladzijden in Pallieter te Rome aan de kaak heeft gesteld, heeft blijkbaar vergeten, er rekening mee te houden, dat het boek van Timmermans gerijpt is in een physisch ziekelijken toestand, waarin het pijnlijk ontberen van alle aardsche welgedaanheid begrijpelijkerwijze excessen heeft doen fantaseeren, waarachter nochtans niet het zondig zinnelijk instinct mag worden gezocht, hetwelk wel bij een physisch in normale omstandigheden verkeerenden auteur zou mogen worden verondersteld.

Dat Timmermans dit later niet heeft ingezien, en daarop zijn boek niet naar den vorm gewijzigd? Daartegen kan worden ingebracht, dat het warme onthaal van Pallieter bij vele Katholieken, er genoegzaam op wijst, dat men over 't algemeen géén verkeerde bedoelingen of zelfs niet gevoelens bij den van aard eenvoudigen en geheel open schrijver heeft meenen te ontdekken. En in 't onderhavig geval, komt het haast alléén op een subjectief oordeel aan.
Dat Timmermans nu spottender wijze uitvaart tegen zijn "Don Quichot" schijnende geloofsgenooten, kan gerust als een logisch, uit het voorgaande volgend, misverstand van zijnen kant worden aangezien. Waarom ook die onverwacht scherpe afstraffing, zonder voorafgaande verwittiging, wat hij toch van geloofsgenooten had mogen verwachten, te meer, daar hij er vroeger reeds blijk van heeft gegeven vatbaar te zijn voor op redelijke gronden berustende opmerkingen, en in dien zin dan ook reeds een verandering in zijn werk aanbracht? Het is nu wel onverkwikkelijk voor ons, katholieken, dat Timmermans den bal heeft teruggekaatst, bij middel van een uitgesproken liberaal blad, "Het Vaderland".

1949254-17d0c6703c3484fa7007a3f57d1ef0dd.jpg

Maar laat ons daar geen verkeerde opvatting over koesteren. Timmermans wist misschien niet eens, dat "Het Vaderland" een liberaal orgaan is; werd daarbij niet een voor Timmermans misleidend voorbeeld gegeven, door een in Hollandsche Katholieke kringen gekenden katholieken leider uit Vlaanderen, die zelfs in de anti-katholieke "Haagsche Post" heeft geschreven, en daarvoor nooit van katholieke-Hollandsche zijde, publiek werd atgestratt ? Als heel zeker mag in elk geval werden aangenomen, dat Timmermans zijn — uitsluitend litteraire — bijdragen enkel naar "Het Vaderland" opzendt, omdat dit blad warm voelt voor den Vlaamsch-Nationalen strijd, welke ook Timmermans zeer ter harte gaat, en waartegenover de financieel-grootscheepsche Katholieke bladen van Holland ongelukkig eerder onsympathiek staan.

Timmermans onderwerpt zich aan de Kerk, wat alle Katholieke Vlamingen van harte verheugt; en laten we verder zijn "voorwaardelijk" opvatten, zooals het is bedoeld : vooraleer een gebaar te maken, van voor een Kunstenaar zeer zware zelfverloochening, eerst vernemen, in hoever hij het boek als geheel moet verloochenen, óf het... veranderen! Met nederige en volkomen onderwerping tegenover Rome bezield, — mogen we er toch den H. Stoel om danken, dat die laatste weg gehéél is opengelaten. Laten wij, Katholieke geloofsgenooten van Timmermans, daarom niet bitter zijn in onze uitspraken, de les indachtig : "hij alleen, die geheel zuiver is, werpe den steen", en bedenken we, dat we geen personen te veroordeelen hebben, wanneer Rome dit niet heeft gedaan, vooral niet, wanneer de weg der volkomen verzoening tusschen Pallieter en de H. Congregatie nog niet door Timmermans is afgewezen.

*-*-*-*-*-*-*

1949254-929a63da2a0cc9661ed35ab2d76955a0.jpg

De bedoelingen, waarmee de katholieke Vlaming hierboven het pleit voor zijn talentvollen landgenoot opneemt, verdienen allen lof en zijn grootmoedig gebaar zal ook in Holland gemakkelijk sympathieën winnen. Want gebeten is hier wel niemand op dien schrijver van Pallieter bij wien men ongetwijfeld een groote mate van goede trouw moet veronderstellen en die reeds een gecastigeerde uitgave van zijn boek ondernam. Maar de verdediger van den schrijver schijnt nog haast naïever dan deze zelf.

Te veronderstellen, dat de heer Timmermans, die maanden in den Haag heeft gewoond en langen tijd Holland bereisde, niet eens weet, dat "Het Vaderland" een liberaal orgaan zou zijn, is niet meer kinderlijk, maar kinderachtig. Ook de vergelijking met hetgeen zich een katholieken leider in een niet-katholiek weekblad veroorloofde, gaat niet op. Want deze schrijver heeft een of tweemaal geenszins in liberalen geest politieke meeningen in bedoeld periodiek uiteengezet, en toen daarover eenige opmerkingen waren gevallen ziet hij van deze medewerking af. De heer Timmermans daarentegen, herhaaldelijk gewezen op het liberale karakter van het orgaan, aan hetwelk hij zijn medewerking verleende, zet rustig zijn medewerking voort, niet in katholieken, maar in anti-katholieken geest, gelijk wij in ons artikel over zijn geschrijf hebben aangetoond.

"Timmermans onderwerpt zich aan de Kerk", schrijft de geachte inzender. Hij vergeet er bij te voegen, "voorwaardelijk", zooals Timmermans zelf verklaarde, en hoe weinig katholiek dit voorwaardelijk was, weten onze lezers. Had hij zich eenvoudig onderworpen en zijn werk herzien, zonder den bitteren uitval tegen de kerkelijke overheid in een liberaal blad, zijn geloofsgenooten, ook in Holland, zouden zich hebben verheugd over deze houding. Nu maakt hij zelf het noodzakelijk, dat hem gewezen word op zekere practijken van het liberaal-Katholicisme, welke wij Goddank, boven den Moerdijk zijn ontgroeid, en die men ook in Vlaamsch België zoo spoedig mogelijk moge ontgroeien. Want die kanker zou nog erger invreten in het katnolieke beschavingsleven daarginds, indien geregeld de methode van den verdediger des heeren Timmermans werd gevolgd, om alle fouten van een liberaal-katholieke mentaliteit te herleiden tot goede trouw. Ook als men de goede trouw aanneemt, blijft het in een openbaar geval als dit een plicht, die goede te verlichten.

*****

Hoe vind je dit bericht? 3 stemmen
Geschreven door Mon om 00:00 Reageer op dit bericht

Toespraken 25/6/2016 - Kevin Absillis, Kris Van Steenberge en Gerda Dendooven

Toespraak  boekvoorstelling Pallieter
25 juni 2016
Door Kevin Absillis

Geacht publiek
Beste collega’s, vrienden, familie, oude Timmermansfanaten en dankzij de tussenkomsten van de vorige sprekers ook nieuwe Timmermanssfanaten.
Beste familie van Felix Timmermans.

Een jaar of zes geleden kreeg ik de opdracht om een college te geven over streekliteratuur in het interbellum voor de masterstudenten Nederlands van de Universiteit Antwerpen. Zoals u waarschijnlijk weet, werd er nogal wat streekliteratuur geschreven in die tussenoorlogse periode, maar die vormde zeker niet de hoofdmoot van dat bewuste vak. Daarin stonden eerder grootstadromans en grotesken centraal, en teksten die op een of andere manier aansluiting vonden bij de zogenaamde historische avant-garde (expressionisme, futurisme, dadaïsme, …).

1930086-a4d99c80d8d42edd695ebd3c64aab5fa.jpg

Ik zal het maar meteen bekennen: ik had op dat ogenblik weinig met streekliteratuur. Het was een genre dat ik associeerde met oubolligheid, kneuterigheid, provincialisme. Het was het genre, zo meende ik te weten, dat de vaderlandse filmindustrie had grootgemaakt of liever klein gehouden met dialogen die volgens sommige schattingen voor 95% bestonden uit de regel ‘godverdommeverdommemiljaardemilledeju, van mijn erf ’.
Streekliteratuur, dat was iets voor katholieke Vlaamsgezinden van de oude stempel, of, voor zover deze groep niet volledig met de vorige overlapt, voor mensen met een jaarabonnement op Bokrijk, waar breugeliaanse taferelen de herinnering aan een idyllisch Vlaams verleden even warm moeten houden als de broden die er nog in ambachtelijke stijl worden gebakken.
Ik zet het een en ander wat dikker aan. Nog niet wanhopen en zeker nog niet gaan lopen. Er kom een wending aan.

Van breugeliaanse taferelen gesproken: ik besloot, nadat ik dus die college-opdracht had gekregen, om Felix Timmermans te gaan lezen. Dat heeft u goed gehoord: te gaan lezen. Voor het eerst dus. Tot een jaar of zes geleden had ik nog geen letter van Felix Timmermans tot mij genomen. Ik had nochtans vier jaar Nederlandse taal- en letterkunde gestudeerd en was intussen zelfs gepromoveerd tot doctor in deze discipline. Maar Timmermans had ik al die tijd nooit ontmoet. Niemand had me uitgenodigd of aangemoedigd om met zijn werk kennis te maken.
Dat had ik uit eigen beweging kunnen doen, hoor ik u denken. U heeft natuurlijk gelijk. Maar ik pleit verzachtende omstandigheden. Zoals de meer geslepen criminelen doe ik door me op een ‘ongelukkige jeugd’ te beroepen:
Ik ben geboren in 1980 en was dus een tiener in het enige decennium uit de vorige eeuw dat echt het predicaat glorieus verdient: de jaren 1990. De muur was gevallen, the sky leek the limit, opeens waren er 30 televisiezenders, niet veel later een stuk of veertig en nog wat later kon niemand de tel nog bijhouden. Ik maakte deel uit van de eerste zogenaamde postideologische generatie – in Vlaanderen wil dit onder meer zeggen dat je bij het woord zuil niet aan een per levensbeschouwing ingedeelde groep denkt maar aan pilaren die je met gerookte ham kan inpakken.

Mijn mentale horizon liet ik gewillig afbakenen door Humo, Studio Brussel en MTV. Grappig vonden we, in crescendo, Beavis and Butt-head, The Simpsons, South Park. Ironie was voor ons een manier van leven.
Wat ik eigenlijk wil zeggen is dit: ik werd volwassen in een cultuur klimaat waarin het vanzelfsprekend was om een grondig wantrouwen te onderhouden tegen het verzuilde verleden, Vlaamse folklore, alles wat zweemde naar volksverbondenheid... Dit klimaat tekende ook de sfeer op school. Zeker de vakken geschiedenis, Engels, Nederlands, zeg maar de vakken die er wat mij betreft toe deden, werden gegeven door oud-strijders van mei 68 en anders mensen die er in ieder geval graag bij waren geweest.
Ik herinner me nog scherp dat ik in het zesde middelbaar voor Nederlands een groepsopdracht moesten maken rond een auteur uit het interbellum – dat was in de tijd dat er in middelbare scholen nog literatuur werd gegeven en Latijn werd gesproken. Een paar jongens uit mijn klas, het waren fanatieke supporters van SK Lierse, de club speelde toen nog in de eerste klasse, sterker nog in 1997 werd de club onder aanvoering van Erik Gerets  landskampioen; die voetballers uit mijn klas dus wilden hun opdracht wijden aan Felix Timmermans. Dat was per slot van rekening de auteur van Pallieter, en met Pallieters, dat hoef ik u niet te vertellen, zo verwijst men hier te lande eveneens naar de spelers van SK Lierse. Over my dead body, zei de lerares die ook Engels gaf. Dat zal ze wel niet letterlijk zo gezegd hebben, maar dat ze Timmermans achterhaald vond, geen serieuze literatuur(meer), dat lijdt geen twijfel.

1930086-9fc6e8c90542e69e060daf6aae17b683.jpg    1930086-8cda81fc7ad906927144235dda5fdf15.jpg

Daarmee wil ik trouwens geen kwaad woord gezegd hebben over mijn lerares Nederlands van toen. Zij wilde ons opleiden tot kritische, mondige burgers met een goede, liefst zo kosmopolitisch mogelijke smaak. Dat ze besloot dat een boek als Pallieter daar niet toe kon bijdragen, reflecteerde gewoon de intellectuele consensus. Wie kan mijn verbazing beschrijven, toen ik, vijftien jaar na de middelbare school, een prille dertiger inmiddels, Pallieter daadwerkelijk ging lezen. Veel plot was er niet aan. Pallieter beschrijft een veertiental maanden uit het leven van een liederlijk aangelegde vlegel die als een nieuwe Adam in een paradijselijk landschap zorgeloos geniet op het ritme van de seizoenen. De handvol personages die deze Vlaamse lusthof bevolkt, maakt nauwelijks psychologische ontwikkeling door en veel dramatische stof is er evenmin. Pallieter ontmoet een Eva die Marieke blijkt te heten. Hij wordt verliefd en trouwt met haar. En nadat zij hem tegen het einde van de roman een drieling heeft gebaard, verlaat het jonge gezin de Netevallei om de wijde wereld in te trekken.

Een dergelijke synopsis doet uiteraard geen recht aan de roman. Het punt was dat ik helemaal geen ordinaire achterhaalde folklore ontdekte, maar een fascinerende, geestige en bovenal ontroerende tekst. U heeft daarnet al enkele flarden kunnen beluisteren. Ik sluit me graag aan bij het enthousiasme van Kris van Steenberge en Gerda Dendooven.
Pallieter was helemaal geen streekliteratuur – toch zeker niet in de zin waarop dat predicaat meestal wordt gebruikt. Pallieter is, zoals ik in het nawoord bij de nieuwe uitgave uitleg, de ultieme non-conformist, een onverbeterlijke anti-bourgeois, een hartstochtelijke gevoelsmens en bovendien, op zijn eigen manier, een soort kosmopoliet, die een opmerkelijke ontvankelijkheid voor vreemde culturen aan de dag legt, verbroedert met zigeuners en op het einde van de roman zelfs op wereldreis vertrekt.

Zo kon ik uiteindelijk tot mijn niet geringe verbazing veel in deze roman herkennen. Niet, of niet alleen een idyllisch Vlaanderen. In Pallieter meende ik iets te herkennen van Pietje de Leugenaar uit de televisieserie Terug naar Oosterdonck, zo prachtig vertolkt door Dirk Roofthooft. Zoals Pallieter intussen ook te herkennen valt in Wouter Deprez als die met humor en oprechte verontwaardiging ten strijde trekt tegen onze minister tegen het leefmilieu.
Mij vielen voorts parallellen op met liedjes van Joni Mitchell waarin zij het betreurt hoe het paradijs werd plat gebuldozerd voor een parking; en met de muziek van Van Morrison, de hunkering naar het goddelijke en het mystieke,  de bewondering voor de natuurelementen.

1930086-0b8de0cf1d5b5bc148c14b0863f50f3f.jpg

Pallieter bracht ook kinderherinneringen boven aan hete zomers waarin we tweelingkersen als oorbellen om onze oren drapeerden. En intussen herken ik Pallieter in mijn kinderen als ze achter zeepbellen aanhollen of om vertelselkes komen smeken.
Helemaal los van de persoonlijke indrukken en associaties die de tekst in me losmaakte, kwam ik ook onder de indruk van de artistieke kwaliteiten van de roman en hoe die verrassend dicht aanleunden bij de vernieuwingsbewegingen die rond de Eerste Wereldoorlog opkwamen – ik kan er hier niet over uit wijden. Wie dat verhaal wil horen, kan het lezen in het nawoord bij deze uitgave.
De ontknoping van het eerste deel van mijn verhaal van vandaag is hoe dan ook dat ik niet slechts één keer college gaf over Pallieter, maar van de roman een sleuteltekst maakte in de cursus Geschiedenis van de moderne Nederlandstalige letterkunde van de Eerste Wereldoorlog tot vandaag.

Flashforward naar de zomer van 2015, precies een jaar geleden. Ik heb een gesprek met Harold Polis in de broodjesbar van de Universiteit Antwerpen. Harold had enkele maanden eerder in de schoot van uitgeverij Pelckmans een nieuw fonds gesticht voor kwaliteitsvolle fictie en non-fictie. Ik mocht dan wel geen specialist streekliteratuur zijn, maar weet door omstandigheden iets van Vlaamse uitgeverijen en hun geschiedenis. Ik had dan ook medelijden met Harold en bood hem aan om zijn koffie voor mijn rekening te nemen. Half voor de grap, half voor de troost stelde ik hem een nieuwe uitgave van Pallieter voor. Dat zou zijn nieuwe fonds alvast wat kleur kunnen geven, letterlijk en figuurlijk. Bovendien wist ik dat het boek volgend jaar, in 2016 dus, zijn 100ste verjaardag zou vieren – uitgevers zijn gevoelig voor dat soort dingen omdat ze weten dat journalisten gevoelig zijn voor dat soort dingen omdat zij vermoeden dat het volk gevoelig is voor dat soort dingen – laten we hopen dat ze allemaal gelijk hebben. Enfin, Harold, zei ik, de koffie werd koud, als je er al geen media-aandacht mee versiert dan heb je toch tenminste de Lierse middenstand mee. En die bedenking over de middenstand bracht me naadloos bij het ultieme argument: ik zal de nieuwe uitgave op de leeslijst van de bachelorstudenten Nederlands zetten – dat tikt toch aardig aan, Harold, zei ik. Gaf dit de doorslag? Plots was het geen grap meer en was Harold al achter de rechten op de roman aan.

Na dit gesprek ging ik de roman nog grondiger lezen dan ik al had gedaan om een nawoord te kunnen schrijven voor de geplande jubileumuitgave. En ik las me ook nog beter in in de geschiedenis van de roman en zijn auteur. Hoe meer ik de tekst las, hoe fascinerender het boek en zijn geschiedenis me voorkwamen. En hoe bozer ik werd over de onrechtvaardige manier waarop er de voorbije decennia naar het literaire verleden is gekeken. Mijn verontwaardiging bereikte een hoogtepunt toen bleek dat Pallieter straal was genegeerd door de Koninklijke Academie voor Nederlandse taal- en letterkunde en het Vlaams Fonds voor de Letteren toen deze instellingen vorig jaar met trommels en trompetten hun canon voorstelden. De selectiecommissie voerde aan dat Timmermans onvoldoende aan haar maatstaven beantwoordde. Niet tijdloos, niet blijvend actueel, luidde het verdict, en indirect was er de suggestie van een tekort aan literair-esthetische waarde. Daarmee speelde ze op veilig en heulde deze commissie mee met de lezer die zo gehecht is aan het imago van intellectuele en esthetische meerwaardezoeker dat hij er oogkleppen voor lief bij neemt . Wat een gemiste kans!

1930086-ef9eeed2df9bb28167a649fdb04fc923.jpg

Wie Pallieter onbevooroordeeld tegemoet durft te treden, zal ontdekken dat hij veel meer te bieden heeft dan rijstpap en volksdans. Kris, Gerda en ik hebben dat al proberen te illustreren. Laat ik nog een laatste poging ondernemen door Pallieter in het brandpunt van de actualiteit te katapulteren. Als Pallieter vandaag op de wereld kon worden losgelaten, even levenslustig en vlegelachtig als Felix Timmermans hem honderd jaar geleden schiep, dan zou hij de Oosterweelverbinding vervloeken, megalomane winkelcentra laken en protesteren tegen ministers van Leefmilieu die bossen versjacheren voor industriële belangen. Zijn scheten zou hij laten knallen in de gezichten van bankdirecteurs, beursspeculanten en andere makelaars in eigenbaat.
Het duffe conformisme van de hardwerkende Vlaming zou hij ridiculiseren, evenals diens shopverslaving en algehele fantasieloosheid. Zijn hartelijkheid zou Pallieter bewaren voor sukkelaars uit verre streken, die hij zou ontvangen met rijstpap en boterhammen met hagelwitte plattekaas. Wellicht zou hij zijn ‘bruurs’ er nog een vrolijk welkomstlied bovenop doen.

Wie bereid is om zijn voorgeprogrammeerde esthetische weerstand op te schorten, zal in Pallieter een eigenzinnig kunstwerk kunnen herkennen, dat even schatplichtig is aan Vlaamse tradities als aan de artistieke vernieuwingsbewegingen die opkwamen rond de Eerste Wereldoorlog.
Het is deze unieke kruisbestuiving die van Timmermans’ roman in Vlaanderen en Nederland een weergaloze bestseller maakte en in de rest van de wereld het meest succesvolle literaire exportproduct dat ons taalgebied de laatste honderd jaar heeft voortgebracht. Pallieter werd nog voor de Tweede Wereldoorlog nog een tiental keer vertaald.
In een tijd zonder productiesubsidies, zonder door allerlei officiële fondsen gecoördineerde promotie. Met andere woorden: op grond van heel reële belangstelling en bewondering in het buitenland. In tegenstelling tot allerlei gehypte romans vandaag werd Timmermans’
Pallieter trouwens niet alleen vertaald, maar in het buitenland ook daadwerkelijk gekocht en massaal gelezen. De roman werd uitvoerig geprezen door de bloem van de Europese en Amerikaanse letteren.
Tijdens mijn onderzoek viel ik hierbij van de ene verbazing in de andere: Stefan Zweig, Rainer Maria Rilke, Hermann Hesse, toonaangevende Amerikaanse critici en periodieken zoals
The Dial (het lijfblad van het internationale modernisme), noem maar op. Niet alleen in recensies, maar ook in intieme dagboeken en brieven werd met de nodige geestdrift over Pallieter geschreven. Het ontroerendst is de reactie van Hermann Hesse.

De auteur schreef in 1924 een recensie waarin hij
Pallieter bejubelde als ‘een prachtig boek vol zon, gelach en innige levensvreugde.’ Toen de internationale pers een kwarteeuw later het overlijden van Felix Timmermans doorseinde, stond dat prachtige boek nog altijd in het geheugen van Hesse gebeiteld. Hesse had eind 1946 de nobelprijs gekregen.
Op 24 januari 1947 nam hij de tijd om de weduwe van Felix Timmermans, Marieke Janssens, te troosten met de volgende woorden: ‘Ik was een van zijn dankbare lezers, en de zomer waarin ik de toen net verschenen
Pallieter voor het eerst las stond volledig in het teken van dit zo mooie en beminnelijke boek.’

Op grond van zijn cultuurhistorische impact en betekenis alleen al had Pallieter een plek toe moeten komen in het kraaiennest van onze canon. Dat de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde en het VFL hierover anders konden oordelen, is een blijk van onvoorstelbare ongeïnformeerdheid of het resultaat van volstrekt misplaatste gêne — ik durf te gokken op een combinatie van de twee. In het nawoord had ik geschreven: de beslissing van deze canonsamenstellers zegt meer over de relevantie van hun canon dan over de relevantie van Pallieter. Maar een wijzer iemand maande me aan niet na te trappen. Hoe dan ook, u begrijpt dat die hele canon, tot wordt rechtgezet wat nooit krom had mogen zijn, mag worden uitgeleverd aan het kanon van Pallieter.

Toch wil deze jubileumuitgave niet alleen het een en ander rechtzetten, ze wil ook nieuwe lezers laten kennismaken met de roman. En deze onbevangen lezers hebben ruimschoots genoeg aan het hartstochtelijke advies van Rainer Maria Rilke dat ik graag aan u voorleg: ‘Ik stuur je, liefste, een hoogst vermakelijk, vlot leesbaar boek, een meesterwerk van vandaag en een dat zal blijven.
Lees, je zult lachen, maar ook diep ontroerd worden.’
Dank u.

 1930086-ae566253288191ce5d879e51dae1d8c3.jpg     1930086-799bad5a3b514f096e69bbc4a7896cd9.jpg

Woord van dank:
- Kris van Steenberge & Gerda Dendooven: voor hun aanstekelijke enthousiasme.
- Wendy Lemmens, een 27-jarige doctoraatstudente uit Nederland die intussen op eenvoudig verzoek Pallieter uit het blote hoofd van achter naar voor kan opzeggen. Zij verdient alle lof voor de bezorging van de tekst die we in deze uitgave presenteren. Zij heeft de tekst minutieus nagelezen, vergeleken met andere versies en het variantenapparaat opgesteld. Het resultaat is een unieke, gerestaureerde versie die de grootste kenners als de newbees leesplezier zal schenken. Het is bijzonder fijn om Wendy in de week van haar verjaardag, behalve een kleinigheidje, geschreven door een van Pallieters grootste bewonderaars, ook  een exemplaar van onze Pallieter in handen kan drukken.
- de erven Timmermans, in het bijzonder Gommaar Timmermans en zijn echtgenote die voor ons op zoek gingen naar de oorspronkelijke illustraties die Felix Timmermans maakte voor de eerste druk van Pallieter
- diverse mensen uit Lier:
Griet van Opstal, van de Dienst Erfgoed en Musea, die deze presentatie mogelijk maakte.
Voor het verschaffen van uniek illustratiemateriaal: Birgit Reynders van de Openbare Bibliotheek Lier (waar momenteel ook een Pallieter-tentoonstelling loopt) en Peter Putseys van het Liers stadsarchief.
- Hulde aan Gaston Durnez, de Timmermansbiograaf van wie ik veel geleerd heb; en aan Ronald De Preter, kunstenaar en de curator van ‘De Lierse Lente. Felix Timmermans en zijn kunstbroeders ten tijde van Pallieter’. U kunt deze prachtige tentoonstelling overigens zo meteen zelf bezoeken op de eerste verdieping van het museum.
Het is goed dat Lier Timmermans als kunstenaar nog niet vergeten is. Hopelijk kunnen jullie er mee voor zorgen dat dit zo blijft.

Ik dank mijn collega’s Kris Humbeeck, Valerie Rousseau, Filip De Ceuster en Dennis van Mol. Britt Kennis heeft uitvoerig editiewetenschappelijk advies gegeven. In mindere mate deed ook collega Frank Willaert dit. We zijn beiden erkentelijk. Net als Marlou De Bont, die twee jaar geleden een prachtige scriptie over onder meer Pallieter schreef en intussen aan de Universiteit van Wenen werkt – zo zie je maar.
Het team van uitgeverij Polis verdient alle lof. Harold dus, maar ook Katrien, Michèle en vormgever Stijn Dams die Pallieter nog bekoorlijker heeft gemaakt dan we ooit voor mogelijk hielden.
Voortaan zal de P. van uitgeverij Polis ook altijd een beetje voor Pallieter staan.
Tot slot zijn er natuurlijk alle vrienden en familie die mij minder zien als ik met dit soort projecten bezig ben. In het bijzonder mijn eigen Marieke, die Marijke heet en mijn twee Pallieters die Ezra en Amon heten. Tot de dag aanbreekt waarop ze dit boek zullen kunnen lezen, zal hen voortaan elke avond Hoe het varken aan zijn krulstaart kwam worden voorgelezen.

Intussen is het de hoogste tijd geworden om het glas te heffen op de nieuwe Pallieter. Ik zou zeggen ad multos annos, maar een echte Pallieter houdt het natuurlijk op :

‘Lot er ons de sijs van aflakke’.

 *******

Voorwoord voorstelling nieuwe Pallieter
26/6/2016
Door Kris Van Steenberge

Goede avond dames en heren,
Toen uitgeverij Polis mij een tijdje terug contacteerde met de vraag of ik als Liers auteur een woordje wilde zeggen bij de herdoop van een 100-jarige dan fronste ik de wenkbrauwen. En wel om twee redenen.
Een ervan was een meer dan gerechtvaardigde bescheidenheid.

Hoe kan je als Liers auteur met één boek op je naam en eentje dat binnenkort op de markt komt, iets gaan betekenen op het feestje ter ere van een alom gelauwerd werk van een auteur die jou in deze stad is voorgegaan en een oeuvre bij elkaar heeft geschreven waar je alleen maar kan van duizelen. Ik zou hier eigenlijk onder de tegels moeten kruipen uit nederigheid. Als ik het aantal boeken en vertalingen dat Felix Timmermans op zijn naam heeft staan ooit bij benadering wil evenaren en ik blijf verder werken aan het tempo waarop ik nu bezig ben dan moet ik, ik heb het even uitgerekend, een slordige tweehonderdtwintig jaren oud worden. De wetenschap is tot veel in staat, maar naïviteit kan men vooralsnog niet genezen.

Een tweede reden waarom ik aarzelde was achterdocht.
Als eeuweling terug gedoopt worden, daar moeten wel goede redenen voor zijn. Anders word je niet meer uit je stoffige hoek naar boven gehaald. Bij mij was het bijna dertig jaren geleden dat ik het boek echt gelezen had, ik had intussen wel de film en de musical een aantal keren gezien, maar de tekst zelf, zat ver weg.

1930086-23bc944b1d149f74d288562a4fa44fc8.jpg

Ik ben blij dat ik tegen Polis ja heb gezegd want daardoor dwong ik mezelf tot een nieuwe lectuur en tot een nieuwe ervaring. Wat ik destijds, als bronstige adolescent niet gelezen had, trof mij nu wel. Hoe Felix Timmermans, in een – naar hedendaagse normen – plotloos boek, een zeer poëtische wandeling maakt doorheen de seizoenen, en door de ogen van een jonge man de schoonheid van de natuur en het ontroerende van het eeuwige wentelen van de wereld weet te schetsen, is wonderschoon. En vooral, let goed op, niet gedateerd. Dat probeer ik te staven.

Hoe Pallieter in plaats winterhout te kopen, ontroerd geraakt door een beuk die drie man niet kosten omvatten, hij spreidde zich ver uiteen en verborg zijn kruin in den mist; zijn voet stond struisch met veel woest kronkelende en ver lopende armen rotsvast in den grond. Een model van een boom. De koning van het woud. Pallieter kocht hem en liet hem staan.

Joke Schauvliege, waar ben je?

Wat zou zijn mening zijn over al die de vreemden, op weg naar andere oorden, hij die voor die Bohemers zijn hoed afdeed, voor die mannen, die zwervend overal hun leven vulden met muziek uit alle landen. Daar was iets reuzigs in hen. ’t Waren dichters.

Zou Pallieter zijn eigen Lier trouwens nog herkennen?

Wat zou hij voelen bij het rooien van de bomen op zijn zo bejubelde stadsvesten, enkel en alleen voor de duistere machten die men kapitaal en immobiliën noemt.
Wat zou hij vinden van het peperdure prostaatgedruppel dat op onze Grote Markt werd geïnstalleerd, als je weet dat hij in zijn eigen tuin bij ’t fonteintje bleef staan dat op zijn hoogste spoot, en flitsperelend neerdripselde op den rug der rustige goudvissen?

Wat zou hij zeggen over de noodoplossing die men intussen heeft bedacht: kunstgras van plastic. Hij die luidkeels riep: ‘Ma salon! De loecht is ma plafon, de zon man horloge, het gers is man tapijt.’

Wat zou hij denken van een paar zotte lieden die hier onlangs in de Nete sprongen en een gasboete toebedeeld kregen, ze waren nog niet eens in hunnen blooten flikker.
Zou hij lachen met diegenen die op dat moment probeerden een scheet in een vogelkeveke gevangen te zetten?

Of zou hij zwijgen, aangedaan zijn tot in het klokhuis van zijn ziel?

Ik weet het, de tijden zijn veranderd. Het wentelen van de wereld is blijven doorgaan en we zijn honderd jaren verder. Maar het is goed om achterom te kijken. Het helpt vaak om het heden te begrijpen.
Om Timmermans te begrijpen.

Je gaat pas integer om met de geschiedenis van de mensheid, als je integer omspringt met de mensen die deze geschiedenis schreven, of je die passage nu leuk vindt of niet. Men poogt het verleden te begrijpen toch, het een plaats te geven, maar het niet weg te krassen. Dat verdient geen enkele ziel die ons voorging, geen boer, geen klerk, geen schrijver, geen kardinaal.

Men grijpt geen tijd, tijd grijpt ons.
Of met de woorden van Timmermans klinkt dat aldus:

De bladeren vielen, de winter rilde aan den horizon. Het was er mee gedaan. Het leven had alles gegeven wat het kon. Het was moe en uitgeput, en ging nu rusten terug in den grond, en er nieuwe krachten vergaren voor te naaste jaar.
Kikkers, vleermuizen, vogelen en krekels, alles doet en moet mee met de groote wet. Terugwerking. Het is de inademhaling van de wereld. Allerhande nieuwe levens zijn nu geboren en hebben geleefd, en daar het leven altijd maar leven moet en leven geven, zoo haalt het er vele terug naar binnen, om er te naaste jaar andere zielen in te blazen.
Hoe kan het anders? van waar zou de aarde het omhulsel der zielen blijven halen? Zij is immers rond en afgerond, en er is niet meer stof in dan er in is. Daarom doen die heengaan mee om anderen te laten komen.
Zoo heeft ieder zijn toer, en ’t een is even schoon als ’t ander, omdat het mee tot den asem van het leven behoort. Och ’t is zoo schoon als men er aan denkt, maar ach, wij menschen zouden het toch anders willen.


Beste toehoorders, ik wens jullie heel veel vreugde en literair genot bij deze nieuwe uitgave van de eeuweling. Vrolijke Pallieter … ik wens jou een gelukkige verjaardag.

1930086-d0096ec6c83575373e3a21d129ff8fef.jpg

Het ga je goed.

******

SPEECH 25 JUNI 2016 PALLIETER

door Gerda Dendooven

Mijn vader was een belezen man. Hij kende minstens twee vertelselkes uit zijn hoofd.

Het ene ging over beren, het andere over een varken en het derde was hij meestal vergeten.

Op koude winteravonden mochten wij, brave kinders, bij vader op de knie zitten om naar het ene of naar het andere verhaal te luisteren.

Mijn zussen kozen altijd het ene, dus koos ik het andere.

Omwille van de prachtige eindzin die ik jullie vanavond niet wil onthouden. Die gaat als volgt:

En 't verken zag om naar zijn staartje, en het vond het zoo schoon, dat het knorde van blijdschap, en 't was er zoo fier mee, en zoo pronkerig dat het er van op zijn teenen liep, lijk een rijk madammeken met een nieuwen hoed.

Wat kon vader toch prachtig vertellen.

Later, veel later, toen vader al jaren overleden was, heb ik van dit vertelselke mijn eigen versie gemaakt, weliswaar met een ander einde. Zonder hoed dus. Hoe het varken aan zijn krulstaart kwam, zo luidt de titel.

 2034613-fff55823b0008b8784973c691a367fef.jpg

Tot iemand me op een dag vroeg of ik Het verksken had gelezen.
Nee, antwoordde ik in eer en geweten maar toen ik het boekje onder ogen kreeg, wist ik meteen waar vader de mosterd had gehaald. Ik schaamde me diep over mijn eigen creatie en vreesde een aanklacht van plagiaat. Maar die bleef uit, misschien omdat Timmermans zelf zijn inspiratie bij Vlaamse Volksverhalen had gevonden.

In ieder geval begon met deze ontdekking ook mijn nieuwsgierigheid naar Timmermans te kiemen. Ik ging op zoek naar oude uitgaves, liefst met beeldekens van de hand van de schrijver.

En zo kocht ik op een dag, een in grijs linnen gebonden omnibus, met op het omslag de rode initialen FT te midden een blauwe lauwerkrans. Een dure uitgave met illustraties van de auteur. Fijne houtgravures. Gezellige prentjes. Een feestboek, zo leek het wel. Want op het schutblad was een briefje geplakt.

Bijzondere Prijs voor Verdienste toegekend door Het Stadsbestuur aan Mej…Huppel DePup leerlinge van het 6de studiejaar, te Gent op 26 juni 1963.

Wat die verdienste dan wel mocht zijn, stond er niet bij, maar dat het stadbestuur een boek, een omnibus in linnen gebonden, als "Bijzondere Prijs" schonk, aan een juffrouwtje van amper 12 jaar oud, was wel heel bijzonder. De jeugd moest opgevoed. Met literatuur nog wel. Wellicht had het stadsbestuur het boek zelf nooit gelezen anders hadden ze geweten dat het openingsverhaal, Pallieter dus, barstte van zinnelijkheid en wellust.

Uit mijn eigen jeugdjaren kende ik De zeer schone uren van Juffrouw Symforosa Begijntje, van diezelfde Timmermans, een prachtige novelle die op de verplichte leeslijst stond. Maar ondanks het thema- het leven van een begijn - zinderde ook dit verhaal van ingehouden sensualiteit.

Pallieter, daarentegen herinnerde ik mij alleen van een stiekem uurtje zwart-wittelevisiekijken want het boek was ooit verfilmd met wat bloot erin. Zou de jeugd van tegenwoordig nog geprikkeld worden door dit soort brave films? Zouden ze deze literaire held eigenlijk nog kennen? Zouden ze uberhaupt nog lezen? En wat dan wel?


Uit ervaring weet ik dat je verfilmingen moet wantrouwen, dus begon ik op een dag eindelijk eens die Pallieter te lezen. Het was een zachte zomeravond en de merel floot zijn lied. De tuin rook naar vis wegens – en dat merkte ik pas veel later – een dode pad waarvan de kop was afgebeten, die al dagen in een hoekje lag te stinken. Ik besef dat deze treffende beschrijving van een intense geur nogal pover is maar veel verder kom ik niet. Ondanks mijn gaven heb ik zo ook mijn beperkingen. Of te weinig talent. Of zou het luiheid zijn? Misschien een gebrek aan aandacht? Is het desinteresse of eerder onkunde?

Want hoe doe je dat, de geur van een rottend kadaver in woorden vatten? De kilte die uit het gras kruipt in zinnen kneden? De zachte bries van een zomeravond op papier vangen? Timmermans wist wel hoe het moest. Hij zou dit avondlijke moment tenminste smakelijk hebben beschreven.
Vooral in het bucolische Pallieter is hij een schilder met taal.
Hij schrijft zo gul en gulzig, bijna archaïsch, over geuren, regen, warmte en wind dat je soorten regen hoort druppelen, zonlicht ziet zinderen, de velden ruikt, de voorjaarsvochtigheid voelt. Hij schept een intens plezier in het verzinnen van nieuwe woorden en vervoegingen. Volgens een grammatica die hobbelt en dartelt. Wat een wellust, wat een zinnelijk genot, wat een exuberant en uniek taalgebruik. Maar steeds treffend want je hoort, ruikt, proeft en voelt de natuur in al zijn vormen.

Hij gebruikt ook nooit twee keer dezelfde beschrijvingen. In steeds andere bewoordingen weet hij de zintuigelijke waarneming tot in de kern te visualiseren. Zo brengt hij op een schilderachtige manier de natuur tot leven. Timmermans zou een goede kunstrecensent zijn geweest.

Wij, schrijvers van nu praten nauwelijks nog over de geur van de lente, de krakende winter of de dampende herfst. We maken er geen woorden meer aan vuil, we hebben er nauwelijks nog woorden voor. Honderd jaar geleden hadden we die nog wel.
Ook natuur hadden we nog.

Net zoals we wisten hoe de zomer rook en de zonsondergang het weer van de volgende dag kon voorspellen. Nu is er de weerman, of de weervrouw, en zelfs de weercomputer. Zijn we iets kwijtgespeeld ten voordele van de ontginning van onze kleine kromme navel? Beslist. Samen met het verlies van de natuur zijn we ook het zinnelijke genot dat erbij hoort verloren. En de taal om dit op papier te krijgen. Gevoelens beschrijven daar zijn we goed in geworden, maar dat waren we honderd jaar geleden ook al. Zelfs Timmermans.

Soms verdenk ik hem ervan dat hij met Pallieter een nieuw soort Jezus heeft willen scheppen. Een prediker van de existentiële band tussen mens en natuur. Ondanks zijn atheïstische overtuiging of misschien net dankzij, is Pallieter een soort vrijzinnige bijbel geworden met een religieuze visie op leven en dood.

Trouwens, zo bedacht ik onlangs, had Timmermans nu geleefd, hij zat aan tafel in De Afspraak als geweldige voorvechter voor het behoud van de natuur.

Helaas, Timmermans is niet meer. Maar niet getreurd. Pallieter leeft en hij herleeft in deze nieuwe editie.

Misschien moeten we dit boek maar cadeau doen aan onze Vlaamse minister van Natuur. Met op het schutblad een papiertje waarop volgende woorden:

Dit bijzondere boek wordt geschonken aan Mevr Joke Schauwvliege als verplichte literatuur bij het ontwikkelen van een ecologische standpunt als minister van natuur en natuurbehoud. En dit in het belang van onze kinderen en kleinkinderen.

Daar kijk ik naar uit. U toch ook? Maar eerst het boek lezen.

1930086-9fc6e8c90542e69e060daf6aae17b683.jpg

*****

X

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Mon om 00:00 Reageer op dit bericht

De Lierse Lente - Ronald De Preter

De Lierse Lente  3/6/2016 – 10/1/2017

Felix Timmermans en zijn kunstbroeders ten tijde van Pallieter

1926071-f3ccdd27d2000e3f9255a7e3e2c48800.jpg

 www.facebook.com/TimmermansOpsomerhuis

Lier, einde 19de eeuw: een burgerlijk en ingeslapen garnizoenstadje, een kleine provinciestad met neoclassicistische huizen rond haar Grote Markt, de Sint-Gummaruskerk en in de schaduw daarvan talrijke kloosters, godshuizen en kapellen. En verder het begijnhof en de Rijksnormaal-school, de kweekschool voor het officieel onderwijs. De tijd lijkt wel stil te staan.

Tal van jonge mensen die hier in deze periode het levenslicht zien, voelen zich geroepen om in de meest uiteenlopende domeinen creatief door het leven te gaan. Lier wordt een magneet, ook voor artistiekelingen van buitenaf. Het oude begijnhof, voordien nog door Anton Bergmann als pittoresk en sfeervol decor geromantiseerd, en even later door Isidore Opsomer als schilderachtige plaats ontdekt, wordt het magische oord om te dromen, te schrijven, te schilderen en te musiceren. Jonge Lierse kunstenaars ontdekken de weiden en de velden achter het begijnhof. Zij noemen dit 'het Salon'. Daar ontmoeten zij elkaar: de letterkundigen Felix Timmermans, Antoon Thiry, Jozef Arras, Gustaaf Van der Hallen; de kunstschilders Raymond De la Haye, Eugeen Yoors, Reimond Kimpe; de toondichter Renaat Veremans en de architect-kunstschilder Flor Van Reeth. Zij voelen zich geest-verwanten, dwepen met symbolisme en mystiek, vereren dezelfde auteurs. In de boeken van Ruusbroec, Guido Gezelle, Maurice Maeterlinck, Joris Karl Huysmans en John Ruskin zoeken zij inspiratie en bevestiging van hun artistieke missie.

De kunstprofeet Sâr Péladan, stichter van de Ordre de la + Croix + Catholique, trekt vanuit Parijs wereldwijd volgelingen aan, waaronder de jonge Lierse kunstenaars. Zij bestuderen zijn geschriften en kleden zich naar zijn voorbeeld. Kunst weert materialisme en dient de Rozenkruisersidealen van schoonheid, naastenliefde en geloof. Raymond De la Haye weet de diepzinnigheid van een mystieke geest perfect te combineren met lofzangen in stralende kleur- en lichtvisioenen. Eugeen Yoors raakt tijdens zijn studies aan de academie in Parijs persoonlijk bevriend met Péladan en overhaalt de anderen ertoe lid te worden van de Rozenkruisersorde.
Eugeen Yoors en Flor Van Reeth komen niet alleen in contact met Péladan, maar ook met Huysmans. Het avontuur zet zich voort en samen zullen zij hun grootse architecturale droom realiseren. Het Péladiaanse ideaal zal later doorschemeren in de Pegrimbeweging.
Intussen worstelt één van de jongsten onder hen met een geestelijke crisis. Hij bevrijdt zich vanuit de duisternis naar het licht door een ongeremde lyrische lofzang op de natuur, bevolkt met uitbundige en levenslustige figuren en vereeuwigd op papier. Het boek Pallieter krijgt gestalte en zal vijf jaar later bij zijn publicatie inslaan als een bom. Het brengt verering en discussie teweeg tot op het hoogste niveau en wordt uiteindelijk een mijlpaal in de Nederlandse literatuur. Met dit boek verovert Felix Timmermans de wereld. De Lierse Lente is een feit! Met Louis Zimmer en Lodewijk Van Boeckel vervolledigen zij de roem van dit kleine Netestadje. Lier staat plots op de wereldkaart.

Schrijver, tekenaar, schilder
In dat jaar verschijnt Schemeringen van de dood en begint Timmermans te schrijven aan Pallieter. Het zou drie jaar duren voordat het boek voltooid is en vijfjaar alvorens het in druk verschijnt.
"De Schemeringen van de dood is het ei waaruit Pallieter ter wereld gekomen is. Toen ik de Schemeringen schreef was mijn leven inderdaad omsluierd met een droeve en angstmakende allerzielennevel, waarachter zich een horizon van klagend klokgelui verborg.{...) Door het occultisme had ik een trek gekregen naar het mysterieuze, naar het griezelige, het Maeterlinck-achtige. In alles voelde ik mysterie." vertelt Felix Timmermans later in Uit mijn rommelkas (1922). In 1907 onderneemt Felix Timmermans met vriend en kunstbroeder Flor van Reeth een begijnhovenreis, voor beiden een inspirerende belevenis.
Ze werken samen aan Schemeringen van de dood, dat in 1910 bij Victor De Lille in Maldegem verschijnt (Duimpjesuitgave nr. 84). Timmermans draagt het boek op aan Floris Van Reeth die voor de illustraties zorgt. Van Reeth weet speels met de duistere materie om te gaan, maar Timmermans lijdt aan zwaarmoedigheid.

1906629-2f1260d0365e4b9f93f3493b3444d38d.jpg

In 1911 ondergaat de schrijver een heelkundige ingreep, er wordt gevreesd voor zijn leven. Het nonnetje dat hem verzorgt, brengt hem twee bloeiende hyacinten. "Ik rook de Lente!" zegt hij later. Het is voor hem het signaal van zijn heropleving. De levensdrang overwint zijn angst voor de dood. Eenmaal hersteld, noteert hij iedere dag natuurobservaties. Hij wil schrijven, maar hij mist een bindmiddel, een personage dat alles in zich opneemt en reflecteert. In de weilanden achter het begijnhof groeit de idee tot Pallieter, wiens avonturen terstond gedeeld worden met de vrienden. Gustaaf Van der Hallen schrijft de hoofdstukken over in een mooi en leesbaar handschrift. Een voorpublicatie in het Nederlandse tijdschrift De Nieuwe Gids onder redactie van Willem Kloos wordt enthousiast ontvangen. Bob Van Kampen, de zoon van uitgever Van Kampen, beseft de grote scheppingskracht en het volkomen nieuw en experimenteel taalgebruik.

Tegen advies van zijn vader in laat hij het boek drukken. In volle oorlogstijd verschijnt Pallieter, opgedragen "Aan Marieke Janssens, mijne vrouw", in een oplage van 1250 exemplaren. Het onthaal is overrompelend maar ook kritisch, vooral bij de kerk. Pallieter wordt door het Vaticaan als godslasterlijk beoordeeld en belandt op de lijst van verboden boeken. Een gezuiverde versie dringt zich op. Felix Timmermans weert zich, maar de tussenkomst van een vaktheoloog, dr. Theodoor Van Tichelen, blijkt onvermijdelijk. Pallieter zal spoedig de hele wereld veroveren, gekuist en ongekuist.

Bouwmeester Kunstenaar
De eerste ontmoeting tussen Felix Timmermans en Flor van Reeth heeft plaats op 12 mei 1906 in het Lierse begijnhof terwijl Van Reeth deze aquarel maakt.(*) Zij raken dadelijk aan de praat en ontdekken hun geestverwantschap. Hun belangstelling voor mystiek, Ruusbroec, Thomas à Kempis, Gezelle, Maeterlinck en de Vlaamse Primitieven maakt dat zij kunstbroeders worden voor het leven.
"Dat ik Flor tegenkwam, is geen toeval, maar dat moest zo zijn. Het was bijna of hij mij was, maar met een ander lichaam en een ander gezicht." memoreerde Felix Timmermans later in een artikel over zijn vriend.
Gezamenlijk maken zij in 1907 een begijnhovenreis, een zwaarmoedige belevenis, die Timmermans inspireert tot het schrijven van Schemeringen van de dood (1910), opgedragen aan en geïllustreerd door Van Reeth. In De witte vaas, de woning van Flor van Reeth in Mortsel, schrijft Timmermans het hoofdstuk Maneschijn uit Pallieter.

Vanuit de artistieke leefwereld van de Engelse Arts&Crafts evolueert Flor van Reeth naar een eigen regionale interpretatie van de versoberde art nouveau {progressief regionalisme). In 1912 geeft Maurice Maeterlinck hem de opdracht een landhuis te ontwerpen. Door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog blijven die plannen onuitgevoerd.
Bij de wederopbouw realiseert Flor Van Reeth de Lierse tuinwijk Zuid-Australie {1920-23), deels geïnspireerd op de begijnhoftypologie. Deze wijk werd tijdens de Tweede Wereldoorlog volledig verwoest.
In het Ruusbroeckhuisje op het Lierse begijnhof richten Felix Timmermans , Flor van Reeth en Ernest Van der Hallen in 1924 de Pelgrimbeweging op. Zij willen de vooruitstrevende katholieke kunstenaars verenigen. Met tentoonstellingen (Antwerpen 1927 en 1930), een eigen tijdschrift en een manifest, die een grote weerklank kennen, dragen Pelgrimkunstenaars uit diverse landen en uit verschillende disciplines bij tot de modernisering van de religieuze kunst. Tot hun belangrijkste werk horen: De Boodschapkapel van het Heilig-Hartinstituut in Heverlee (1929-1932), ontworpen voor Flor Van Reeth en met glasramen van Eugeen Yoors; een kruisweg van Albert Servaes en smeedwerk van Rie Haan. Daarna volgen de Sint-Walburgis-kerk (1936) in Antwerpen en de parochiekerk van het Heilig Hart (1937-1939) in Lier, waarvoor het bisdom de glasraamontwerpen van Yoors afwijst. Daarom noemt Felix Timmermans deze kerk een "onvoltooide symfonie".

1926071-156005c5baf40ff51a327f1c34f2975b.jpg

(*) Timmermans publiceert later een verslag over deze ontmoeting, maar idealiseert de gebeurtenis en hij omschrijft de bedoelde aquarel foutief. Volgens getuigenis van Flor van Reeth is het wel degelijk de hier getoonde aquarel die door hun onverwachte ontmoeting onvoltooid bleef. Timmermans kwam hem vanuit de Vestpoort tegemoet.

Kunstschilder, graficus
Felix Timmermans ontmoet Raymond De la Haye tijdens de avondlessen aan de Lierse tekenacademie. De zeer belezen en filosofisch ingestelde De la Haye wordt voor de jonge Felix een leidsman die hem introduceert in de wereld van mystiek, occultisme, astrologie, kabbalisme en theosofie. Dat zorgt bij Timmermans voor een overspannen verbeelding en een geloofscrisis en leidt tot een creatieve ontlading, een bevrijdende kreet in de natuur: het boek Pallieter. Naar verluidt zou de jonge Timmermans model gestaan hebben voor de ets 'De verloren zoon'. (Zaal Raymond De la Haye)

Raymond De la Haye gaat vroeg in de leer bij de decoratieschilders Alban Chambon en Henri Privat Livemont in Brussel. Ook volgt hij de avondlessen aan de kunstacademie in Anderlecht en studeert hij aan de Antwerpse Academie, waar hij in contact komt met Jean Delville. De la Haye legt zich toe op de wetenschappelijke kleurenleer en brengt zijn visie voluit tot uiting in luministische schilderijen. Ook als graficus is hij zeer bedrijvig.
Raymond De la Haye is een trouwe volgeling van de Franse schrijver en spirituele leider Sar Mérodack Péladan (1858-1918), excentrieke kunstcriticus, occultist en stichter van de Ordre de la Rose + Croix + Catholique. De la Haye leeft naar geest en kleding volgens diens regels: kunstenaarschap is priesterschap, kunst is als een gebed en dient los van het materiële verheven te worden naar de Rozenkruisersidealen van schoonheid, naastenliefde en geloof. Vegetarisme en geheelonthouding zijn noodzakelijk. De la Haye verheerlijkt deze zienswijze in een geëtst drieluik.
Ook in de hechte vriendschap met de Sombeekse kunstschilder Edmond Verstraeten, een pantheïstisch non-conformist, vond hij de bevestiging van zijn levensopvatting.

1926071-d0096ec6c83575373e3a21d129ff8fef.jpg           1926071-18e2999891374a475d0687ca9f989d83.jpg

Raymond De la Haye sneuvelt op 32 jarige leeftijd als soldaat aan het front in Luik tijdens de eerste dagen van de Eerste Wereldoorlog. "Hij vertelde over dingen waarvan ik nooit had gehoord of gedroomd. Met een innerlijke, kalme overtuiging vertelde hij over Astrologie, Theosophie en Kabbalisme. Hij sprak over de schoonheid en het doel van alles onder het licht van een mystiek, waarvan ik nooit een woord had vernomen. Ik kende toen alleen Ruysbroeck en de Visioenen van Anna-Catherina Emmerich. Zijn woorden maakten een zalvenden, geweldigen indruk op mij. Het nieuwe inzicht in het leven, het mysterieuze verband der dingen, achter de verschijnselen zien, trokken mij zo aan, als een slang naar zoet muziek, dat ik niet meer dacht, maar alleen verbaasd en vol wondere ontroering was, als voor een nieuw licht dat over mijn leven schoof."
Felix Timmermans, Uit mijn rommelkas, 1922

Kunstschilder, graficus
De liefde voor het schilderachtige karakter van hun geboortestad is wat Isidore Opsomer en Felix Timmermans innig met elkaar verbindt. Timmermans bewondert het uitzonderlijk talent van Opsomer en staat meermaals model voor hem.
Isidore Opsomer schildert, tekent en etst aanvankelijk pittoreske stadsgezichten en begijnhoftaferelen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog verblijft hij in Engeland en Nederland, waar hij onder invloed komt van kunstschilder George Hendrik Breitner. Van dan af ontwikkelt hij zijn kenmerkende monumentale en expressionistische schilderwijze, die hem vooral als portretschilder wereldfaam bezorgt. Isidore Opsomer zal directeur worden van het Nationaal Hoger Instituut in Antwerpen. In 1940 wordt hij in de adelstand verheven.

1926071-799bad5a3b514f096e69bbc4a7896cd9.jpg

In een voordracht over Isidore Opsomer, gepubliceerd in 1943, schetst Felix Timmermans de artistieke evolutie van zijn vriend en verklaart hij zijn koloriet:
"Maar de kleur van Lier blijft in zijn werk. De Lierse kleur. Het olijfgroen van het water, het Engels rood der daken, het kermis-wit der gevels, de zachte oker van de straatstenen, dit parel-blauw en ritselend zilver onzer bewegende luchten, de zij-ige glanzen van het slijk als het water laag is. Ge zult die kleuren over al zijn schilderijen vinden, zowel in dit Hollands stadsgezicht, als in dit liggend naakt, het stilleven met de broze eieren en zwarte pot, zowel als in de zeilen achter die Katwijkse vrouw. De kleur is het leven van zijn schilderijen. En zij leven omdat zij zo stijlvol geschilderd zijn."

Kunstschilder, tekenaar en glazenier
Eugeen Yoors brengt zijn jeugd door in Sevilla waar hij naar de kunstacademie gaat. Hij voltooit zijn studies aan de Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen en aan de Ecole des Beaux-Arts in Parijs. Daar raakt hij bevriend met Sar Péladan, mysticus en grootmeester van de Ordre de la Rose Croix Catholique.
In 1905 ontmoet hij in de Boechoutse kunstkring Streven de jonge kunstschilder-architect Flor van Reeth met wie een levenslange creatieve vriendschap ontstaat. Beiden worden lid van de Franse kunstkring Confrérie rosicrucienne la Rosace alsook van de Antwerpse Scalden. In 1913 richten zij Le Scarabée d'Or op, een werkstede voor
bouw- en versierkunst.
Tijdens de eerste wereldoorlog wordt Eugeen Yoors als militair vluchteling geïnterneerd in het kamp van Amersfoort. Later getuigt hij hierover :
"Gedurende de Eerste Wereldoorlog zat ik als gevangene in een kamp waar het eten schaars en oneetbaar was. Wij werden er haast allen ziek. Daar werd mij als gezelschap Pallieter toegezonden. De vreugde die hij mij bracht kan niet in woorden worden omgezet. Ik had het in de vooroorlogse jaren weten ontstaan en gedeeltelijk in zijn groei gevolgd. Niet alleen door mij werd het boek gelezen. Het werd door mijn medegevangenen verslonden en als stralen van een zon danste de Pallieteriaanse geest binnen in de sombere ellende van het kampleven."

1926071-032b2cc936860b03048302d991c3498f.jpg

Wanneer Felix Timmermans, Flor van Reeth en Ernest Van der Hallen in 1924 de Pelgrimbeweging oprichten, sluit Yoors zich daar onmiddellijk bij aan. De Pelgrimleden hebben gezamenlijke projecten op het oog. De modernistische Boodschapkapel van het Heilig-Hartinstituut in Heverlee, naar een ontwerp van Flor Van Reeth, wordt hun best geslaagde realisatie. De ruimte ademt een gewijde sfeer. Niet in het minst de kleurrijke glasramen van Yoors, 450 m2 in totaal, dragen daartoe bij.

Het portret dat Yoors tekent van de Nederlandse auteur en pelgrimbroeder Frederik van Eeden is bedoeld als ontwerp voor een kerkglasraam. In 1930, ter gelegenheid van de zeventigste verjaardag van Frederik van Eeden, wordt de tekening gereproduceerd en als geschenk aangeboden aan de pelgrimleden.
Eugeen Yoors en zijn echtgenote, de dichteres Magda Peeters, kennen Frederik Van Eeden al jaren. Op 11 mei 1919 bezoeken zij hem in Walden, de leefgemeenschap van Van Eeden in Bussum. Die dag noteert Van Eeden in zijn dagboek: "Een warme zomerdag. Ik lees Pallieter, met genoegen. Wonderlijk dat sterk stuk taal." Yoors zegt hem dat het boek meer succes heeft in Nederland dan in Vlaanderen.

Felix Timmermans noemt wereldburger Eugeen Yoors "de in het Frans opgevoede Vlaamse Spanjaard".

Bezoekersgids bij 'De Lierse Lente. Felix Timmermans en kunstbroeders ten tijde van Pallieter.
Tekst en samenstelling tentoonstelling: Ronald De Preter.
Realisatie: stad Lier
Met dank aan alle bruikleengevers
V.U.: RikVerwaest, p/a Paradeplein 2 bus 1, Lier

Opgedragen aan Luc Coenen. ere-conservator Lierse Musea

1929396-ef9eeed2df9bb28167a649fdb04fc923.jpg

Ontwerp van de cover voor zijn Pallieter

********

XX

Hoe vind je dit bericht? 3 stemmen
Geschreven door Mon om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Felix Timmermans

↑ Terug naar de berichten