Naar de inhoud

Felix Timmermans

Vlaamse schrijver, dichter en schilder * 1886 - 1947 *
akke.beakke.be

Archief

Fred Bogaerts - Felix Timmermans

Fred Bogaerts

Door Felix Timmermans

Fred Bogaerts is het product van zijn omgeving en van zijn jeugd. Elke mensch wordt trouwens door zijn omgeving gevormd, en elke mensch vindt een troostrijke en zonnige toevlucht in zijn jeugdherinneringen. De kunstenaars van dien aard zullen steeds frisch en levend blijven. Omdat daar droom en werkelijkheid, waar iedereen van houdt, op hun felste en innigste wijze zijn saamgegroeid.
Indien een kunstenaar zijn omgeving en zijn jeugd in zijn werk weergeeft zooals de dingen werkelijk waren of geschied zijn, dan is dit werk dor als kurk en zwam, en flauw als verschaalde limonade. Daar moet een zonnewarmte inzitten van begeeren en verlangen. Een goede kunstenaar verdroomt die omgeving en die jeugd tot een ander leven; een gelukkig heimwee naar iets wat hij zich verloren waant, dringt zich op, en in zijn verbeelding krijgen menschen en dingen inniger vormen en kleuren, hunne gebaren zijn feller en bewogener, of heelemaal omgeven van stilte en rust, (volgens de persoonlijkheid van den kunstenaar) en er komt een klaarte van de ziel doorheen de lijn en de kleuren.

1876457-97b9297bf056acde44b5f7fbac4781b6.jpg

Die kunstenaars vermenigvuldigen afstanden, groepen, verhoudingen en handelingen, drukte en stilte, en niet alleen naar den uiterlijken, maar ook naar den innerlijken kant — zij verdichten het geval. Het geval groeit uit tot symbool. Alzoo wordt het iets, niet wat het was, maar zooals de kunstenaar verlangt dat het zou geweest zijn. En dat is zoo menschelijk. Het leven loopt met zijn licht en donker over de menschen; ze botsen zoo licht tegen elkaar, loopen moreele butsen en builen op; ontgoochelingen, angst en ongeluk ontnemen den vrede des harten; de wereldwalm verdoft het klare uitzicht der dingen. Men wil er uit, er uit! En de eene duikelt zich onder in zijn geloof, en de ander kruipt terug naar den tijd zijner jeugd, die bij elkendeen toch altijd een zoetheid, een frischheid nalaat, die hij herproeven wil. En onwillekeurig overdrijft hij de hevigheid er van.

Ook die kunstenaars overdrijven. Doch zij overdrijven niet moedwillig, noch met vooropgezetheid, noch door boekengeleerdheid, noch om een „isme" te verdedigen of te verkondigen, maar ze overdrijven puur door hun gevoel, en weten zelfs niet dat zij overdreven hebben. Het vreemde is, dat zij den tegenwoordigen tijd en de huidige dingen schilderend, die met het gevoel van hunne jeugd doordrenken. Daarom zijn het tegelijkertijd realisten, romantiekers en expressionisten. Ze zijn realist omdat zij de werkelijkheid (tenminste zooals die in hun verbeelding leeft) willen weergeven, zij zijn romantiek omdat het gevoel heel het geval, dat zij behandelen overheerscht, en expressionist, daar de vorm en de kleur (door hun verlangen de dingen anders te zien dan ze waren) overdreven is. Daarom zal hun werk als een vertelsel zijn.
Zij vertellen. Hunne kunst is een mededeeling.
Naar dit al schilderend vertellen, daar zijn de Vlamingen altijd naar toe getrokken geweest, en waren er steeds machtig in. 't Is het kenmerk der Vlaamsche schilderkunst. Zij laten hun vertelsel zien.
Maar was trouwens heel de beeldende kunst door de eeuwen heen, geen vertelselkunst? Wat hebben de Egyptenaren in hunne op de wanden der tempels gegriffelde hiëroglyfen anders gedaan? De vazen en beelden der Grieken, de fresco's en schilderijen en beeldhouwwerken der Gothieken, der Japaneezen, de werken der renaissance; 't zijn allemaal vertelsels, geschilderde verhalen van geloof en leven.

En dat ging zoo voort, immer door, tot de jaren 1880, toen ineens het impressionisme kwam, dat er plots mee ophield, en de schilderkunst zich vooral bepaalde bij kleur, verf en poot. 't Was de kunst om de kunst, omdat men verloren had het geloof in God en het leven. Men had niets meer te geven dan techniek. Wat prachtige vertellers in kleur heeft Vlaanderen niet gegeven!
Heel de wereld heeft er naar geluisterd, en nog!
Men heeft maar op de deur van de geschiedenis te kloppen en daar komen ze ineens met tientallen aan 't venster zien: Memlinc, Van Eijck, Quinten Metsijs, Pieter Bruegel (dezen grootste aller vertellers), Rogier van der Weyden, Dirk Bouts, David, Rubens, Van Dijck, Brouwer, Teniers, Baron Leijs, ja ook de Braekeleer en De Saedeleer (de eene vertelde van eenvoudige binnenkamers, de andere van besneeuwde heuvellanden); dan zijn daar nog Gustaaf Van de Woestijne, De Bruijcker, Jacob Smits, Servaes, James Ensor, Laermans en nog een heeleboel anderen. En zij vertellen klaar en duidelijk, zonder versoppering van kleur, en steeds stevig en duidelijk van teekening, wat juist het karakter van deze kunst eischt.
Zij hebben hun kunst aan Vlaanderen gegeven deze schilder-vertellers, als een boek vol van enluminures, waarin het geloof en het hart van ons volk te lezen staat.

1876457-389cc86d6085ecddb8eb111d352797ff.jpg

En als ik U hier nu heel blij en genegen Fred Bogaerts voorstel, dan is het niet om hem direct in de galerij van bovengenoemde figuren te plaatsen, maar om Uwe aandacht naar hem te roepen, omdat hij zoo een schoone belofte voor Vlaanderen is. Ik bewonder met even veel geestdrift den appelbloesem, als den appel. Elke appel is eens bloesem geweest. En ik wijs met even veel genoegen naar de belofte als naar de vrucht.
Laat mij U dus vertellen over dezen jongen bloesem, waarvan ik hoop dat hij een goede vrucht zal worden. „Jong" staat hier in figuurlijken zin, want Fred Bogaerts is geloof ik de 44 gepasseerd. Hij woonde te Lier, was onderwijzer te Brussel, reed alle dagen op en af, was ijverig in de vooroorlogsche Vlaamsche Beweging, zat haast elken avond een vergadering voor, stelde manifesten op, richtte optochten en stoeten in, maakte zonder rust noch duur propaganda, immer door voor Vlaanderen. Hij deed noch aan schilderen, noch aan teekenen. Alhoewel het in zijn bloed zat. Zijn vader was een vredig bloemenschilder, en had zelfs een oven, waarin hij zijn met kleurige bloemen beschilderde borden, vazen en schotels kundig wist te bakken.
Alhoewel Fred niet aan kunst deed, verkeerde hij toch immer bij de Liersche kunstvrienden, bij de dichters, de toonkundigen en de schilders.

Hij richtte mee letterkundige avonden in, tooneelvoorstellingen, concerten en tentoonstellingen. Hij was de goede vriend van allen op wie men rekenen en betrouwen kon. Toen kwam de oorlog, deed alles uiteenspatten, wierp alles overhoop. Voor Vlaanderen was de toekomst angstig. En Fred stortte zich met lijf en ziel in de Vlaamsche activistische beweging, hopende daardoor de Vlamingen hun recht te helpen verkrijgen.
Doch toen de oorlog gedaan had met menschenconfituur te maken, broedde de witte Vredesduif per abuis een kraai uit. Fred vluchtte met vrouw en kinderen naar Holland en kwam in Scheveningen wonen. Daar aan de zee, bij het eeuwig en weemoedig keeren en gaan der rustelooze baren, kwam een scherp heimwee zijn gemoed doorsteken. Een heimwee dat geuit moest worden! Wat de bloemen van zijn vader, het bezoek en 't geredetwist in de schilderateliers in zijn hart hadden opgestapeld aan lijn en kleur, begon te gisten en te werken; en weldra ging hij aan het teekenen en aan 't schilderen.
Zonder zijn tocht naar Holland, zonder dit heimwee naar zijn stad en land zou hij zeker nooit aan 't schilderen zijn gegaan.

De mijmering aan een ding is sterker dan het ding. Zijn hart ging open; 't verlangen naar ginder, naar „het land der stilte, en der breede, vredige natuur" wierd geprikkeld, en Fred Bogaerts vloeide over van teekeningen. En die teekeningen waren beelden van zijn omgeving en van zijn jeugd, gezien door het vergrootglas van droom en verlangen. Zelfs wat hij rond zich zag wierd van dien geest doorsapt. Het wierd een wereldje apart.
Het decorum van dit wereldje is het oude stadje Lier, met zijn witte huizen en roode daken, en zijn wallen waarop de windmolens zegevieren, 't Is het gevoelige Lier met zijn O. L. Vrouwenbeelden op de hoeken der straten en boven de stadspoorten, met den kruisweg aan de vochtige huizen van 't Begijnhof. Lier met zijn groen water, ronde bruggen, met zijn juweelige hoofdkerk, nederige kapellen en De Braeckeleer-herbergen, en zijn oude kruideniers- en snoepwinkeltjes met flesschegroene ruiten.
Ten Noorden van dit stadje, dat op het knooppunt van de drie Nethen zit, strekken zich de geheimzinnige bosschen uit van het stille Kempenland. Daar staan vergrauwd en verweerd de primitieve kruislievenheeren aan de hoeken der magere korenvelden, daar hangen aan de notenboomen de blauwe Lievenvrouwkaskens, daar blanken in de eenzaamheid van de heide, langs verloren wegen, de kapellekes met dikke traliën er voor. Geslepen dorpstorentjes wenken U aan het einde van draaiende wegen, langs waar vennen den hemel spiegelen, en leemen hutten, knokig als knotwilgen staan te vermossen en in te zakken. Bijna elk dorp heeft zijn mirakuleus beeld dat lange bedevaarten over de banen trekt. Een zeldzame houten windmolen, als een donker stuk natuur, spokerig in 't vlakke land, maalt het zuurgewonnen koren, 't Is er stil, eenzaam en heilig ingetogen.

1876457-5ed98d8192cc794dc38a9767142d9b09.jpg

Dit vrome Kempenland behoort mede tot het decorum van Fred Bogaerts verbeeldingswereld. Maar ook het zuiden van het stadje Lier maakt er deel van uit.
Dat is Brabant, het vette Brabant, dat over zijn golvende velden, die daar liggen lijk tapijten, zijn weelde van boornen, bloemen en vruchten laat glanzen. Talrijk zijn er de dorpen met barokke kerken, de windmolens staan er als feestende kinderen op den kam der heuvelen, hunne armen in de lucht, die riekt naar melk en boter. Er fezelt een verheuging, een blijheid van leven uit de wolken. In dit stadje, die Kempen, dit Brabant heeft Bogaerts zijn menschen gezet. Maar het stadje is in zijn verbeelding veel witter geworden van gevel, blozender van dak, en helderder van water. De heide is uitgegroeid, oneindig met een hopeloos, onbereikbaar einde, en het malsche Brabant is open gejubeld tot een belofte land, dat inzakt van overvloed.
Daarin leven zijn menschen; menschen die gevormd, geduimd, gegoten zijn naar den aard van die grond, van die lucht en het uitzicht der dingen. Als planten die gegroeid zijn naar het wezen van de aarde en het klimaat, waarin de natuur hen heeft gezet.
Nu eens zijn het dan scheve, schele, lang-opgeschoten, gebochelde, manke, kreupele, verlodderde, gekraakte mannen en vrouwen in wie de miserie knaagt, die met hun gekregen kleeren den geur rond dragen der eentonige Godshuizen, de klamte der begijnenwoningen, den schouwreuk der zwammige hoevekens, en de voddenlucht der krotten. Menschen in wie het leven uitdooft, menschen als beelden, die precies nooit jong geweest zijn, die altijd bestonden, en eeuwig schenen te sterven, maar in wie de laatste vingerhoed leven nog opschuimt van intens willen blijven leven, en dit met hulp van flambeeuw, bedevaart en gebed willen veroveren, 't Zijn die menschen waarvan Emile Verhaeren zei:

Mais aujourd'hui, serrés dans le pale cynisme
de leur dégout, ils ont l'esprit inquieté.

Of het kunnen dan weer dikke Brabantsche boeren, en gezonde boerinnen zijn, die rond en glanzend pronken van gezondheid, die blinken van lucht, die den nasmaak van bier of vet spek op hunne lippen dragen. Menschen voor wie den dag van morgen niet bestaat, tenzij het morgen kermis is. Die iets slims en geniepigs in hun oogen dragen, menschen wier vingeren gulzig zijn naar zinnelijkheid, loeren naar plezier, en wier beenen kittelen om te dansen bij het minste muziek. Maar het grootst is Bogaerts, en ook het diepst, wanneer die vroomheid en die zinnelijkheid zich in één onderwerp raken. Dan dragen zijn personen het echte karakter van de streek.
Meteen verlangen zij al de schoone goedheid van het leven in hunne armen te omvatten, en tegelijkertijd wil de ziel als een vuurpijl naar den hemel. Hunne tegenstrijdige verlangens vormen een kruis, zinnelijk in de breedte, geestelijk in de hoogte. Bij die Godsbetrachting komt
daarbij nog een angst. Een angst van ik weet niet wat — ze zijn bang; al mogen ze nog zoo kermissen, er ligt toch altijd iets op hun hart, dat hen tot zuchten praamt.
Daarom hij velen dit bidden uit schrik. Maar daarom ook die kermissen om dit te veel, dat onrustwekkend op hun ziele ligt, weg te lachen.

Fred Bogaerts voelt ze duidelijk aan die menschen en geeft ze duidelijk weer in de samenbotsing van hunne dubbele natuur. En zijn gevoel ziet dit alles in het groot.
Zoo moet ge ze begrijpen zijn processies, bedevaarten en begankenissen, kruipend over de oneindige heide; processies van een miserabel menschenoverschot, triestig, caricaturaal, waarin het leven zijn laatste gensters opslaat, waarin kinderlijk geloof zich samen vlecht met kinderlijk egoïsme. Zij sukkelen naar een kapelleken waar een beroemd beeld hen van hunne ongelukken, ellende en angst zal verlossen, en het geluk geven zal.
Ach! Steeds dit wachten der menschen naar het geluk! Elken dag, elk uur, elke minuut zitten wij naar het geluk te wachten. Morgen komt het, morgen, straks, toekomende maand, en men wacht, wacht, soms een ritseling doorhuivert ons, van iets dat als niet meer van de wereld is; maar 't vliegt voorbij, en we wachten opnieuw, en zoo komt de dood, stilaan. We verouderen, jeugd en energie ziften weg, alles vergaat aan ons, onze organen stompen en slijten af, we gelijken mommies, we gelijken wat ge wilt, maar we wachten immer, wachten, en gaan al wachtend het paleis van den dood binnen.
Ik vind dat men dit zoo goed voelt, dit "wachten" naar eeuwigheid in het werk van Fred Bogaerts. Blader maar in zijne teekeningen, van al die dingen waar ik uw aandacht heb opgeroepen is er hier en daar wat te vinden, natuurlijk in het eene voller dan in het andere. Ook
mag ik niet vergeten op den humoristischen kant van zijn werk te wijzen. Humor is levenswil, levensverheuging; de verheuging van het leven die boven de miserie uitbloeit. Het leven schoon en goed willen zien! Ook die humoristische aanvoeling die Fred Bogaerts sterk heeft, doet in zijn teekeningen soms het tragi-comische van zekere gevallen sterk naar voren komen.

Zoo is zijn werk een vermengeling van allerlei gevoelens, die op en neder gaan, zooals het bij de mensch geschiedt. Wat van zijn werk beschrijven?
Ik denk nog altijd aan een teekening: Drie oude muzikanten komen met hunne instrumenten van de processie terug, maar zijn onderwegen in de herbergen dronken geworden. De eene, een klarinetspeler staat zwijmelend en toch zoo vroom voor een O.L. Vrouwenbeeld aan een huisgevel te blazen, terwijl zijn twee kornuiten er met een dronken, latmager, oud wijf van onder zwieren. Dit werk schrijnt en nijpt van tragiek, maar ontroert tevens door zijn warme vroomheid. Die teekening is niet ingegeven om te spotten. Zoo een onderwerp heeft Fred Bogaerts wellicht nooit gezien, maar hij is er onbewust toe gedwongen geweest, dit alzoo te vertellen om zijn gevoel over den geest van tegenstrijdigheid in den mensch, en misschien ook in hem, duidelijk mee te deelen.
Om nu maar het eene door 't andere te grabbelen. Ik denk aan 't bezoek der drie koningen. — Ja, ja. 't Herinnert natuurlijk aan Bruegel, omdat alles wat ras-Vlaamsch is, aan Bruegel zal herinneren, door het feit dat Bruegel zoo een zuivere bloem van zijn ras was. Maar ik heb er deugd van, lijk van een lied waarin men nog naïef meedeelt: "het groene gras der aarde." Zooals men in dit lied het gras "groen" noemt, en dit gras op de aarde laat groeien, zoo oprecht is hier die kleur... de hemel blauw, de sneeuw wit, en de bonte kleeren der drie koningen navenant.

1876457-e559e302a1b98115e9913bfe8dac2bb4.jpg

Een bedevaart trekt de oneindigheid in naar het wonder. Maar onderwegen, eenzaam in de vlakte waaiert een eik zijn takken open, met aan zijn stam een O.L. Vrouwken, en zie heel de groep ligt daar biddend uitgestrekt, geknield met gerokken armen, smeekend, ze hebben niet kunnen wachten. Hun hart is te gulzig, hun levensdorst te groot, en ze vechten als om ter eerste aan de bron te drinken. Er is iets wanhopigs in die teekening, een triestigheid. Zie overal zijn menschen bidden, geknield, zich ineenkrollend lijk bange hondekens, ze worden plat gekneed door het gewicht der eeuwigheid, maar zijn daarna aan 't dansen op 't gezeur van een harmonika, om het er af te krijgen, dit gewicht. Zijn personen ondergaan die twee uitersten van licht en donker. Is er geen Lente-blijheid te rieken in die witte processie die over de bruggen van het stadje gaat? Is het niet de volle Brabantsche leute in die kermissen, die dansen, die fooren, jaarmarkten en volksspelen?
De trek naar de verheuging waar de kreupelen zelfs half van genezen.
Waar Fred Bogaerts zijn onderwerpen aanvoelt met die dubbele natuur, waar ik hierboven op gewezen heb, daar zal zijn werk steeds het best zijn, en ook het schoonst opgroeien. Want zijn louter plezante aanvoeling heeft steeds het gevaar van oppervlakkig te worden. En daarom trek ik den lezer dezer regelen vooral naar die prenten die van dat kruis in den mensch vertellen.

Zoo zult ge begrijpen die pelgrims, die drie koningen, die begijnen, bedelaars en horizontzoekers. Het is een wereld die we niet kennen, die we rond ons niet zien, in dezelfde handelingen zooals we ze hier in deze prenten zien, maar die we alle dagen om ons heen gewaar worden. Waarvan we de zuur-zoete geest voelen in de minste handeling, in 't kleinste gebaar en het kortste woord. De strijd tusschen geest en stof. Het is die wereld, die menschheid, die het genie Bruegel heeft meegedeeld, zoo sterk en geniaal als nooit iemand voor en na hem. Ook Fred Bogaerts gaat in deze wereld, nog zoekend en tastend. Door zijn persoonlijkheid zal hij van zelf, als hij zich zelf waardeert, de vormen en de kleuren anders zien. Hij trekt die wereld in, dieper en dieper, maar wat hij er ons reeds van getoond heeft, van die geestelijke tochten, dat doet hopen en beminnen.
Daar is iets van eigen kracht reeds merkbaar, zooals men uit den opengaanden bloesem het verschil van peren- of appelbloesem kan zien. Zijn figuren staan scherp afgeteekend tegen de scherp afgeteekende omgeving. Zij zijn hardnekkig geteekend. niet wollig noch wallig, maar stevig, puntig, grootsch van omtrek, scherp uit den heele (ik wensch de lijn soms wat fluweeliger en zoo mager niet, niet zoo dunnekens, als een elektrische siddering). Hij ziet zijn figuren decoratief, wat een groote hoedanigheid is (na het in de pap zitten van het impressionisme). Hij geeft zelden schaduw aan de vlakken, en vervalt zelden in hinderenden detail. Daardoor komt er een breedheid, een ruim licht over deze samenstellingen, en een japansche soberte, die immer schoon blijft omdat ze van den geest komt en er naar terugkeert. In die vormen, die een neiging hebben naar wolkenprofielen, zijn de kleuren plat aangestreken en scherp tegen elkaar contrasteerend, uit een gevoel van onduidelijkheidsvrees, en uit begeerte het vertelsel, om zoo te zeggen, evangelisch te houden.

Het hart van Fred Bogaerts is voorbereid, we zien het, we weten het, en wanneer nu die techniek knoestiger en machtiger wordt, wanneer die moeilijkheden, die toch zoovele zijn, onder de knie zullen gebogen worden, en dit komt door veel te werken, dan zal de kunst van Fred Bogaerts, hare verdiende plaats innemen.

Fred Bogaerts moet zoo voort doen; immer en immer zijn visie uitteekenen. Ik twijfel niet, de noodige kracht komt dan van zelf. Ik ben blij omdat Fred Bogaerts realistisch, romantisch en expressionistisch is (dat in een vlaamsch woord weer te geven is moeilijk). Laat mij hem kortaf : "dichter" noemen. Een dichter ziet de dingen sterker, gevoeliger en uitdrukkelijker dan andere menschen. Zijn kunst zet de oude traditie der Vlamingen in regel-rechte streep door. Zij riekt naar onze lucht, naar den haard waar hespen in de schouw hangen, en waar 't porceleinen O.L. Vrouwenbeeldje op de schouw naar een gebedje wacht. Dat deze kunstbloesem rijpe!
Door volharding, en als de zon mee werkt, zal het een schoonen bogaerdworden, waar we allen veel deugd zullen aan beleven! Ik ben er zeker van!

Ik geloof dat hij zijn schoonen naam: Bogaerts, niet zal gestolen hebben.

*****

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Mon om 00:00 Reageer op dit bericht

De Harp van Sint Franciscus - Gabriël Smit

De Harp van Sint Franciscus.

Door Gabriël Smit - Uit De Gooi- en Eemlander  -  3/6/1932.
Ik heb aan den persoon van Felix Timmermans een herinnering, die mij altijd is bijgebleven en die steeds in mij herleeft, wanneer ik zijn boeken lees. Timmermans zou een lezing houden in een dorpje aan een van onze groote rivieren. Men wees mij de oude school : ik zat in het gymnastieklokaal op een lange, houten bank, tusschen boeren, die groote, roode handen op hun harde knieën hielden gespreid. Er was gaslicht: melkwitte bollen vulden de donkere hoeken met een vreemd, ijl suizen, waarin grijze rookslierten langzaam ronddreven als geheimzinnige planten in een vijver. Timmermans stond op een geïmproviseerd tooneeltje achter een wankelen lessenaar, zijn korte gestalte bewoog heen en weer, zijn groote kuif trilde in het lage licht, hij lachte, gebaarde, vertelde, praatte tegen de eenvoudige menschen. Het was een eenvoudig, gemoedelijk praten, men was op burenbezoek, de woorden gingen heel gewoon van hart tot hart.

Het waren soms ernstige woorden, waarin een groote maar zeer simpele gevoeligheid verborgen lag, woorden van trouwe aanhankelijkheid tegenover de dagelijksche dingen van het hem dagelijks omringende landschap, kleine, met liefde gadegeslagen gebaren van de menschen, die hij in zijn eigen stadje kende, geestige, ronde verhaaltjes, moppen — maar steeds bleef alles zichzelf gelijk in een natuurlijken eenvoud, die alle dingen plaatste in het zelfde, vertrouwde licht, dat ook over de luisteraars te leven begon in den warmen schemer van rook en gaslicht. Alles kwam dichter bij elkaar, — ergens ver buiten stond een groot, zwaar leven over de dijken, het water en het lage land, hier waren eenvoudige menschen bij elkaar binnen den kring van sentimenten, die allen gemeenzaam waren : trouw aan den geboortegrond, vanzelfsprekende, elementaire gevoelens van vreugde om het geschapene, den simpelen levensgang van de geboorte naar den dood, verlicht door een vertrouwde onderworpenheid aan de macht, die boven de sterren staat en het koren doet groeien uit de geduldige aarde.

1854302-7cc111b650efdd0dd024cd5683f61492.jpg

Het kan zijn, dat mijn herinnering deze oogenblikken heeft verfraaid en geromantiseerd, maar zeker weet ik den goeden eenvoud, die tusschen de wanden van het oude dorpslokaal hing, de elementaire simpelheid en natuurlijkheid, die voor mij altijd een van de schoonste eigenschappen van Timmermans' boeken is. Lees "Anna-Marie", zeker het beste van zijn vroegere romans, of "Het Kindeke Jezus in Vlaanderen", voortdurend heeft het weinig gecompliceerde in de karakters van zijn personen, de primitieve, onbevangen open manier van zien, die toch eerbiedig blijft, de natuurlijke beweging, waarmede de ontmoetingen verloopen.
Men heeft hem vaak — en ongetwijfeld niet ten onrechte — verweten, dat hij nog later slordiger begon te schrijven, te zeker was van zijn zaak. Er was soms een vaak gewilde oubolligheid in zijn boeken, die geforceerd aandeed en op den duur wrevelig stemde.

Hij werd tè geestig, tè rond, tè gemoedelijk. Deze zaken, die aan een bittertafel buitengewoon te waardeeren zijn, gaan in het werk van een bizonder kunstenaar tegenstaan, omdat tenslotte een kunstwerk van andere dingen rekenschap heeft te geven dan van gezelligheid en borrelhumor.

Dit zal ook de reden zijn, waarom bij vele letterlievenden zijn figuur den laatsten tijd op den achtergrond geraakte: men kon hem moeilijk langer au sérieux nemen. Zijn werk dreef hem in de richting der "beschaafde amusementslectuur" en men heeft dat vaak betreurd: schrijvers met een zòò natuurlijk talent zijn nog altijd zeldzaam.

Zijn roman over den schilder "Pieter Breughel" keerde de dwaling in vele dingen ten goede. Het boek mag dan een vreemde en veelal tè subjectieve verbeelding van den fantastischen realist Breughel zijn, in ieder geval bracht het zijn figuur zeer nabij en wierp het een helder, verklarend licht op veel dat in dezen dronken zwerver totnogtoe duister was.
En daarenboven was het geschreven met een groote, levende aandacht, een glimlach van blij herkennen van veel, dat in anderen, verwanten, dierbaar was.

Het zoo juist verschenen boek "De harp van Sint Franciscus" bestendigt dezen goeden keer. Wellicht voldeed de figuur van den heiligen bedelmonnik van Assisië ook nog beter dan Pieter Breughel aan den absoluten eisch voor een biographischen roman: de verwantschap tusschen het object en den schrijver, zooals deze is of (vooral) zooals deze zou wenschen te zijn. Ook hier zullen de op dit gebied deskundigen, zwaarwichtige en nauwgezette theologen hun hoofd bedenkelijk schudden: het is inderdaad een zonderling wezen, deze Franciscus van Timmermans. Maar de gestalte van den heilige is met een zoo groote aanhankelijkheid en overgave geschilderd, zijn geheele levenswandel wordt den onbevangen lezer in zulke frissche, sterke kleuren en blijmoedige gebaren voor oogen gezet, er is een soms zoo warme waarachtigheid in de tafereelen, dat men zich vrijwel onmogelijk aan de bekoorlijke sfeer onttrekken kan.

Zoo begint het boek (de aankondiging van Franciscus' geboorte):
"De zon was gezonken als een goudvisch. En boven het O. L. Vrouwe-kerkske, dat daar zoo eenzaam in het bosch vergeten stond, hong er ineens een schoon en stil muziek. Een herder, die met zijn schapen langs daar voorbij kwam, was juist van zin voor Maria een lieke op zijn klarinet te blazen, als hij dat hoorde. Hij verschoot en zag naar 't ingezakt dak. Maar er was niets anders te zien dan een beetje overschot van den uitgedoofden dag. — Hebben z'er nu een orgel? dacht hij. Hij stootte het poortje open en stak zijnen kop naar binnen. Het was er donker en stil. — Dan komt het toch van buiten, zei hij. Hij ging terug en zag weer naar omhoog. En zie, de
schapen stonden ook te luisteren. Dat kunt ge aan hun oogen zien. Daarboven wierd het muziek maar altijd puurder en rankten er wel honderd gouden stemmen door malkander."

Dit is Timmermans in zijn geheel en op zijn best. Er is vrijwel niemand onder de hedendaagsche Nederlandsche schrijvers die zoo scherp en snel een gansche atmosfeer tastbaar kan oproepen als Timmermans in het eerste zinnetje deed. En alles in dit boek krijgt een zèèr typisch accent; lees b.v. het ééne zinnetje "Dat kunt ge aan hun oogen zien", in het verband van de schilderij. Het is of een vriend met u door den avond loopt en u onder het vertellen even op den arm tikt. Gij zelf zijt een vreemde in het landschap, waar ge doorheen wandelt. Maar dat is niet erg. Uw geleider is uw vriend en hij zal het u duidelijk maken.
Even trekt hij zich uit zijn verbeelding terug en verklaart u een nieuwe bizonderheid. Ge zijt nu geen vreemde meer, ge zijt geheel opgenomen in de harmonie van deze andere wereld, ge kunt straks de dingen herkennen en misschien knikt ge de menschen vertrouwelijk toe.

1854302-9aca47719cdd2ef18fdf42186dcab3b1.jpg

Men kan van Timmermans zeggen wat men wil: hij is onze beste verteller. Hij is een meester in het scheppen van die intimiteit tusschen auteur en lezer, welke de moeilijkste weerstanden overwint. Dat is ongetwijfeld zijn grootste kracht, het is ook zijn grootste gevaar, want men komt er onwillekeurig toe de dingen niet meer met de strenge normen te meten, waaraan kunst onderworpen behoort te zijn. Maar misschien is dat niet erg, want deze omstandigheid is zoo weldadig, dat men er veel door de vingers om ziet.

Langs de glooiende wegen van het Zuiden staat vaak een klein madonnabeeldje in een miniatuurkapelletje. Het is een glimlachend figuurtje, de harde kleuren zijn in regen en zon en wind getemperd tot een innigen glans. Er zijn groote papieren rozen om het beeldje gewikkeld en kinderen hebben er in zonderlinge potjes veldbloemen naast gezet.
Dit alles is misschien niet schoon, aesthetisch in den strikten zin van het woord, maar het is zeldzaam bekoorlijk. Ge kunt vaak moeilijk aan de vreemde zekerheid ontkomen, dat het er ook voor u, stugge Noorderling, is neergezet. Ge glimlacht en gaat, vervuld van een lichte, teedere vreugde, verder.

Dit is ook het bizondere gevoel, dat in u overblijft na het lezen van dit boek van Timmermans. Er zijn vele bezwaren tegen in te brengen, maar het heeft een aantrekkelijkheid, die zeer zeldzaam is: een primitieve, natuurlijke vroomheid en eenvoud, een verrukte blijdschap om alles wat schoon is buiten het grijze, stoffige asphalt der steden, waarin de meesten van ons zijn verdwaald. Op deze dingen moet ge zuinig zijn; er is al te veel, dat verloren is geraakt en soms ligt in een klein, veronachtzaamd hoekje de hemel open.

***********

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door Mon om 00:00 Reageer op dit bericht

Timmermans en Tijl Uilenspiegel

Felix Timmermans
en
Tijl Uilenspiegel

1. Driemaal gedoopt.
De legende van Uilenspiegel schijnt in de 14de eeuw ontstaan te zijn in Midden-Europa. De Duitschers beweren dat Uilenspiegel uit een boerenfamilie van Brunschweig geboren is, waar zich ook zijn graf bevindt. De Vlamingen integendeel zeggen dal hij in Damme bij Brugge het levenslicht zag. De legende vertelt het vroolijke leven van iemand, die iedereen voor den gek hield, woordelijk alles uitvoerde, vol grappen, en vreemde en heldhaftige avonturen beleefde. Terwijl de legende van mond tot mond overgeleverd werd, hebben vele schrijvers zich aangetrokken gevoeld zijn vroolijk leven te boek te stellen. Honderden werken zijn over Uilenspiegel verschenen. Charles de Coster, de Fransch-schrijvende Belg, heeft over hem een heerlijk en lustig heldenleven geschreven. Hij deed hem optreden als het vrijheidssymbool van het Nederlandsche volk toen dit door Spanje verdrukt werd. Er wordt verteld dat Uilenspiegel driemaal gedoopt is. Eerst over de doopvont in de kerk. Een tweede maal, toen de baker, die te veel bier gedronken had en langs de rivier waggelde hem in 't water liet vallen. Zijn vader Klaas redde hem. De derde maal, daar hij vuil was van 't slijk en men hem in een ketel warm water moest dompelen om hem weer zuiver te maken.

1849236-0d8d66518e25876a3173590db27013b8.jpg

2. De schuldige onschuld.
Op vierjarigen ouderdom stak Uilenspiegel reeds zooveel deugnieterijen en grappen uit, dat de geburen bij Klaas, zijn vader, kwamen klagen. De vader vermaande hem, maar Uilenspiegel sprak : « Vader, ik zal u bewijzen dat het al leugens zijn. Rijd met mij op den ezel, ik zal mij achter u zetten. Ik zal stil zijn en mij niet verroeren, en toch zullen de lieden roepen dat ik een deugniet ben. » De vader nam hem mee. Ze zaten op den ezel. Uilenspiegel van achter. En telkens er menschen aankwamen trok hij van achter zijn broek af, en liet hen zijn hemd zien. En de boeren en boerinnen riepen : «Kijk wat een deugniet, kijk wat een onbeschaamde schelm.» Hoort ge vader, ik zwijg en houd mij stil, en toch roepen ze leelijke dingen van mij. » De vader zette hem dan voor zich op den ezel. Als er nu menschen aankwamen, trok de jonge guit een leelijk gezicht, sperde wijd zijn mond open en stak naar de lieden zijn tong uit. En weer riep men : « Kijk wat een deugniet, kijk wat een onbeschaamde schelm. » Toen zei de verbaasde vader treurig : « Gij zijt onder een slechte ster geboren, gij zwijgt en misdoet niemand iets, en toch roept men dat ge een onbeschaamde schelm zijt. »

1849236-09326fab10ecaeb3586a15190c91942f.jpg

3. De twee honigkorf-dieven.
Op een avond was het te laat om terug naar moeder te keeren. Hij zocht een geschikte slaapstee op, en die vond hij in het bieënkorfhok van een bieënkweeker. Er waren ledige korven bij en in een van die nestelde hij zich en sliep er rustig, 's Nachts kwamen er twee dieven om een honigkorf te stelen. Zij zochten natuurlijk de zwaarste. Zij hieven één voor één de korven op. Die waar Uilenspiegel in sliep was zeker wel de zwaarste. Die namen ze dan ook mee, en droegen hem voorzichtig op een berrie door den stik-donkeren nacht. Uilenspiegel was oudertusschen wakker geworden en trok den voorsten drager eens duchtig bij zijn haar. De man schold kwaad op zijn maat.
« Hoe kan ik u bij uw haar trekken als ik alle moeite heb om de berrie vast te houden? » vroeg deze. Een weinig verder rukte Uilenspiegel de achterste bij zijn haar. Nu schold deze kwaad op den voorsten drager. Maar deze antwoordde : « Hoe kan ik u bij uw haar trekken, ik heb alle moeite om mijn weg in den donkeren te vinden.
» Uilenspiegel herhaalde dit nog eenige keeren tot meerdere woede van beide dieven. Deze lieten ten einde geduld den biekorf vallen, grepen elkaar vast en rolden al vloekend en vechtend op den grond, tot groot vermaak van Uilenspiegel, die in een hooiopper ging slapen.

1849236-6afa2c9869d549954d6c1e902db3925c.jpg

4. Uilenspiegel gaat vliegen.
Op een keer deed hij in de nabij zijnde gemeente verkondigen, dat hij van uit het venster van het stadhuis in de lucht zou vliegen. Op den aangeduiden dag en uur, stond de markt vol volk, dat van wijd en zijd per wagen of te voet was afgekomen. Toen hij in 't venster verscheen werd iedereen stil, in gespannen aandacht, een man te zien vliegen. Uilenspiegel stak zijn arm uit, en in de stilte van het plein sprak hij lachend :« Ik dacht dat ik alleen als gek op de wereld rondliep. Nu zie ik dat heel de gemeente en de omtrek vol gekken zit. Indien gij mij allen zegdet dat gij vliegen kunt zou ik u niet gelooven, maar als ik u zeg dat ik vliegen kan, dan gelooft gij mij. Hoe zou ik kunnen vliegen, daar ik noch gans noch vogel ben. Ik heb geen vleugels, en zonder vleugels kan men toch niet vliegen. » En hij liep weg langs een achterdeurtje en liet het volk woedend en roepend achter.

1849236-8ed7c430632ed190791106ae02257665.jpg

5. Uilenspiegel als melk-opkooper.
Uilenspiegel reisde van stad tot stad en waar hij kwam stak hij grappen uit en verdween dan weer plotseling, om de woede van de bevolking of het gerecht te ontkomen. Zoo kwam hij ergens in de vroegte een stad binnen, wist zich van een groote kuip meester te maken en plaatste die op de markt. Elke melkboerin die hij zag riep hij tot zich en zei haar dat zij hem de melk aan dubbele prijs kon verkoopen. Allen waren haastig om hunne melk in de kuip te gieten. Doch als de kuip nu vol was, en de boerinnen naar het geld vroegen, begon hij te lachen en vroeg hen : « Hoe moet ik u betalen ? Ten eerste kan ik allen niet even veel betalen daar er bij zijn die hun melk met te veel water hebben gedoopt, en ten tweede daar ik niet weet hoeveel elk er in gegoten heeft. » Toen liep de schalk weg en stond van ver de boerinnen uit te lachen die vroetend en vechtend de melk terug uit de kuip wilden veroveren.

1849236-86d0fa7ddd0c478998039a210fbecfa6.jpg

6. Uilenspiegel als kok.
Hij kwam zich als kok verhuren bij een pastoor, wiens dienstmeid slechts een oog had. Denzelfden dag gelastte zij hem twee Brusselsche kiekens aan het spit boven het haardvuur te braden. Toen de kiekens malsch waren, at Uilenspiegel er een van op, want de pastoor had immers gezegd : « Gij zult eten wat wij eten. » En de meid :« Gij zult maar halven arbeid moeten doen. » Daarom at hij een kieken en deed dus het werk maar half. Nu kwam de meid eens zien hoe hij zijn werk zoo al verrichtte. Hoe stond zij verwonderd slechts een kieken in plaats van twee aan het braadspit te zien. En zij sprak tot Uilenspiegel : « Er waren twee hoenders ? waar is het andere gebleven ? » Hij antwoordde : « Vrouwke doe ook uw ander oog open en gij zult er twee zien. » Daarop wierd de meid boos en ging naar Mijnheer Pastoor haar beklag doen. « Ja, zei Uilenspiegel tot den pastoor, ik heb een kieken opgegeten, omdat gij mij gezegd had : gij zult eten als wij. Nu waren die kiekens zoo lekker bereid, dat ik dacht : men zal er mij niets van geven, en om u niet tot leugenaar te maken, heb ik er om uw best wil dan ook een opgegeten. » De Pastoor lachtte, maar zei Uilenspiegel zijn post op.

1849236-a679cf9f2358d02f2d00c4b433109e2a.jpg

7. Uilenspiegel als geneesheer.

Hij kwam in een stad en plakte groote brieven aan de kerkdeuren, dat hij een geneesheer was, die alle ziekten in eenmaal kon genezen. De dokter van het gasthuis kwam bij hem en vroeg : « Kunt gij ook mijn zieken die in 't gasthuis liggen genezen ? Zoo ja dan krijgt gij een volle beurs gouden geld. « Uilenspiegel stemde toe. Hij bezocht elken zieke en sprak hem in stilte toe : « Houd geheim wat ik u zeg, anders sterft gij. Luister : om al deze zieken te genezen moet ik de ziekte van allen tot pulver verbranden, en die assche aan de anderen te eten geven. Daarom zal ik straks met den heer dokter in de deur staan en roepen : «Wie niet krank is die kome buiten, en die dan gaan kan, kome, want van die blijven liggen moet ik de ziekte verbranden. » Toen ging hij met den heer dokter in de poort staan en riep luid : «Wie niet krank is kome buiten. »

En zie, alle zieken kwamen ineens naar buiten gestormd, zelfs deze die al tien jaar te bed lagen, en liepen de stad in. De heer dokter ging vlug naar binnen zien. Geen enkele zieke meer.Hij gaf hem de beurs met geld. Uilenspiegel dankte hem, en zei dat hij dringend naar een andere stad geroepen was. Toen men een uur later reeds vele zieken naar het gasthuis terugbracht, en de dokter het bedrog vernam, was Uilenspiegel reeds Ver weg.

2661665-fe5df232cafa4c4e0f1a0294418e5660.jpg

8. Uilenspiegel als bakkersknecht.

Uilenspiegel verhuurde zich op een dorp bij een bakker als knecht. Hij hielp mee bakken. Tegen den avond zei de bakker tot hem : « Gelief nu het meel te ziften, opdat het morgen vroeg klaar zij, gereed om te bakken. » « Goed, zei Uilenspiegel, geef mij een licht, een lamp, een kaars, om goed te zien bij het ziften.» « Neen, zei de bakker, ik geef geen licht, mijne vorige knechten gebruikten dat ook niet, dezen tijd. Zift in de maneschijn, dat is licht genoeg. » « Dan wil ik het ook doen », sprak Uilenspiegel. De bakker ging slapen. Ondertusschen draagt Uilenspiegel de zak meel naar buiten, en begint te ziften in de maneschijn, zoodat het meel op den grond terecht kwam. Toen de bakker wakker werd en naderbij kwam en zag hoe het kostelijk meel over den tuin lag verspreid, werd hij boos. Doch Uilenspiegel sprak : « Ik heb gedaan wat gij mij bevolen hebt, in de maneschijn gezift. » Maar voor de bakker Uilenspiegel wilde slaan, was deze reeds vlug als een kat de gaten uit.

2661665-8cda81fc7ad906927144235dda5fdf15.jpg

9. Uilenspiegel als torenblazer.

In een ander land gekomen, verhuurde hij zich bij een graaf, om als torenblazer op zijn versterkte burcht dienst te doen. De graaf stond immer in vijandschap met een andere burchtheer en had zoodoende veel krijgers te spijzen. Men vergat aan Uilenspiegel eten te brengen. Toen nu denzelfden dag, de vijand uit de andere burcht aanrukte en de koeien uit de weiden der boeren buitmaakte, blies Uilenspiegel niet op den horen. Als de graaf van een zijner knechten vernam dat de vijand daar was, trok hij aanstonds met zijn volk er op af. Hij zag Uilenspiegel van op den toren lachen. « Waarom blaast gij niet als de vijand daar is », riep hem de graaf. Hij riep terug : « Vóór het eten blaas of dans ik niet». De graaf en zijn manschappen wisten het vee van den vijand terug af te nemen en voerden het de burcht binnen waar er feest mee gehouden werd. Weder vergat men Uilenspiegel eten te brengen. Toen het maal nu klaar was en geurend op de tafel kwam, blies Uilenspiegel op den horen. Iedereen sprong in 't harnas en naar buiten in den nacht. Geen vijand te zien. Er was ook geen vijand geweest. Uilenspiegel had maar geblazen, om dan rustig en alleen te kunnen eten. Tegen dat ze terug kwamen was hij verzadigd en er stillekens van onder getrokken.

2661665-30e62fddc14c05988b44e7c02788e187.jpg

10. Uilenspiegel verkoopt hazen.

In een herberg had hij vernomen hoe twee gierige kooplieden 's anderendaags den buiten zouden optrekken om bij een strooper een haas te koopen, waarmede ze Kerstfeest zouden vieren. Bij een strooper was zoo'n beestje goedkooper als in de stad. Uilenspiegel die 't gesprek had afgeluisterd, kocht 's anderendaags een hazenvel, ving een kat, en naaide die in 't hazenvel. Hij ging den weg op, de twee kooplieden tegemoet. Hij droeg het dier onder zijn jas. Toen hij hen ontmoette vroeg hij of ze geen haas wilden koopen. Zij vroegen van het dier te zien. Ze vonden het een schoonen haas en betaalden Uilenspiegel. Maar het dier bleef niet stil zitten als een gewone haas ; het spartelde uit de handen van den koopman, en vluchtte een boom op, waar het begon te miauwen. Een haas die op een boom kruipt en miauwt, o, wat een wonder ! Uilenspiegel kon zich niet meer houden van lachen en toen zagen de kooplieden dat ze bedrogen waren. Uilenspiegel koos rap het hazenpad om aan hun woede te ontkomen.

2661665-ae566253288191ce5d879e51dae1d8c3.jpg

11. Uilenspiegel is liefdadig.

Hij ontmoette eens twaalf blinde lieden. Hij had er medelijden mee. Ze zagen er ook zoo arm en hongerig uit. Zeker zou hij hen geld gegeven hebben, maar hij bezat geen rooden duit. En toch wou hij gaarne voor hen iets doen. « Beste mannen, zei hij, ik ben een ridder, en ik kom juist een groote som geld te ontvangen. Daarom wil ik liefdadig zijn, en bied u hiermee twaalf gulden aan, waarmede ge rijkelijk in dit gasthof « De Gekroonde Pot » op mijn gezondheid kunt eten. »

Zonder iets te geven trok hij voort. De blinden dankten hem verheugd, spoedden zich naar de herberg, en iedere blinde meende, de eene heeft het geld of de andere. Aan den waard in het gasthof riepen ze allen gelijk : « Een rijke edelman heeft ons twaalf gulden gegeven, schep nu maar lekker eten op. » De waard bakte, bediende en schonk van 't beste, en de blinden lieten het zich goed smaken. Na het eten toen de waard de rekening aanbood, kwam het uit dat geen der blinden geld bij had, en in woede ontstoken, ranselde hij hen buiten. Uilenspiegel die aan de stadspoort had gewacht, was blijde te vernemen dat zij er met eenige stompen en wat harde woorden van af kwamen. Ze zijn toch eens gelukkig geweest, dacht hij, en zingend trok hij verder.

1716922-62bf1edb36141f114521ec4bb4175579.jpg

 12. Zijn laatste grap.

Uilenspiegel reisde nog door menig land en streek, en overal wist men van zijn grappen en guitenstreken te vertellen. De laatste grap die men van hem vernam was zijn dood. Iedereen was tevreden eindelijk verlost te zijn van hem die zooveel menschen voor den gek gehouden had. Voor alleman is de dood bitter en droevig. Maar voor Uilenspiegel was de dood een grap, omdat hij niet gestorven is. Toen men hem ten grave droeg en de grafmaker de kist in den grond wou laten glijden, ging het deksel ineens omhoog en Uilenspiegel sprong lachend recht, tot grooten schrik van de omstaanders die ijlings op de vlucht sloegen.
En Uilenspiegel riep hen toe : « Uilenspiegel kan slapen, gelijkt en gekist, en naar 't kerkhof gedragen worden, maar sterven kan hij niet. » En lachend sprong hij de kist uit, en ging het land in, maar waar, dat weet niemand. En dat is al goed ook.

1716922-8df7b73a7820f4aef47864f2a6c5fccf.jpg

**************



Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Mon om 00:00 1 reactie Reageer op dit bericht

Felix Timmermans ter Gedachtenis

1844860-ca2f2686e5dbb12f94a447bce36647ad.jpg

FELIX  TIMMERMANS  TER GEDACHTENIS
(Lier 5 juli 1886 - 24 januari 1947)

Reeds tien Jaar is Timmermans overleden en toch blijft hij in het brandpunt van de belangstelling staan. Geregeld verschijnen herdrukken en nieuwe vertalingen van zijn werk ; de radio en de televisie zenden het uit en zowel in schouwburgen als in parochiezalen, tot in het dialect van Frans-Vlaanderen toe, wordt het met veel bijval gespeeld. Nooit zijn er zoveel studies van Vlamingen en buitenlanders over hem verschenen als in de laatste tijd. Langzaam maar zeker worden de bouwstoffen verzameld, die moeten toelaten van zijn persoonlijkheid en kunst een definitief beeld te ontwerpen. Hel zal verschillen van de Timmermans die in de legende voortleeft, want hij was anders, veelzijdiger en dieper, dan over het algemeen wordt erkend.

Op zijn talrijke voordrachten vertelde hij graag over zijn afkomst. Hij was het dertiende van veertien kinderen. Zijn vader, die handel in kanten dreef, was een opgewekt en welbespraakt man. die sappig en schoon kon vertellen : zijn moeder een vrome en ingekeerde vrouw, die zichzelf vergeten heeft om het geluk van haar groot gezin te behartigen. Van de eerste moet Timmermans zijn aanleg tot de kunst, van de andere zijn drang naar het mysterieuze en godsdienstige hebben geërfd.

Reeds als opgroeiende jongen wilde hij kunstenaar worden, tekenen, schilderen, later ook schrijven. Hij is zowel het een als het ander blijven doen. ofschoon het duidelijk is dat zijn biezondere verdienste op letterkundig gebied ligt. In 1907 kwam zijn eerste boek uit, onder de schuilnaam Polleke van Mher. Het was een verzenbundel, die hij Door de Dagen getiteld had. Tijdens zijn laatste levensmaanden, getekend door de dood, zou hij met de gedichten uit Adagio tot de liefde uit zijn jeugd terugkeren en zijn loopbaan afsluiten zoals hij haar begonnen was. Tussen dat begin en einde heeft hij een dertigtal boeken uitgegeven, die tot verschillende genres behoren, want behalve verhalen en poëzie, heeft Timmermans ook toneel, vertelsels voor de jeugd en boeken over schilders geschreven.

Om hem met zijn gehele persoonlijkheid te leren kennen, moeten wij beginnen met Schemeringen van den Dood (1910). Toen Timmermans deze sombere verhalen verzonnen heeft, was hij op zoek naar een geestelijk houvast. Eruit blijkt dat hij reeds vóór zijn vijfentwintigste jaar een drang naar het bovennatuurlijke in zich droeg, die hem na een lange verdieping en verheldering van zijn inzicht, tot een innerlijk en vroom godsdienstig man zou maken. Dan volgt Pallieter (1916), een uitbundige hymne aan het leven met zijn schoonheid, zijn overdadige weelde en meeslepende genoegens. Wij zouden echter de geest van het boek miskennen als wij achteloos voorbij moesten gaan aan de weemoed om de vergankelijkheid der aardse vreugden, die in sommige hoofdstukken even sterk tot uiting komt als de zinnelijke overmoed in sommige andere.

Die ijle droefgeestigheid zal voortaan in al het werk van de Lierse meester aanwezig blijven, als een dunne nevel in de verte van een herfstlandschap. Zij doordringt in De zeer schoone Uren van Juffrouw Symforosa, Begijntjen (1918) en Ik zag Cecilia komen (1938), twee van zijn beste verhalen, het gehele gebeuren drukt ook haar stempel op zijn stijl. Ondertussen was in Het Kindeke Jezus in Vlaanderen (1917) een ander uitzicht van zijn persoonlijkheid aan het licht getreden: zijn belangstelling voor het volksleven over het algemeen, voor schilderachtige gebruiken en woorden, feesten en typen, voor alles wat de eentonigheid van het burgerlijke fatsoen kan onderbreken.

1844860-b1612f871568046e41e318bc23329cb4.jpg

Een mengeling van die verschillende motieven komt in al zijn volgende boeken voor. De hoogtepunten zijn : Pieter Brueghel, zoo heb ik U uit uw Werken geroken (1928). De Harp van Sint-Franciscus (1932) en Boerenpsalm (1935). In Adriaan Brouwer (1948), dat tijdens de laatste oorlogsjaren geschreven werd, is de onderstroom van milde bedroefdheid om de onvolmaaktheid van de menselijke staat sterker geworden dan de vreugderoes om de heerlijkheid van het leven. In Adagio (1947), de verzenbundel waarmede hij zijn bestaan en kunst heeft afgesloten, is de godsdienstige verzaking aan zichzelf zo overwegend geworden, dat alle andere strevingen eraan onderworpen zijn.

Timmermans was een gevoelsmens, geen denker. Doordat hij nooit gelijk heeft willen hebben, prikkelt hij niet tot verzet. Men neemt hem aan, omdat men van hem houdt. Zoals hij de wereld zag en de mensen had leren kennen, door zijn zintuigen en met zijn hart. heeft hij ze uitgebeeld. Een romancier in de enge betekenis van het woord was hij niet. zelfs minder een verhalend dan een lyrisch kunstenaar. Hij was dichter en schilder, een schilderende dichter met het woord.

Waarschijnlijk is hij de meest gelezen Vlaamse schrijver : werk van zijn hand werd in zestien talen overgebracht. Een reden tot fierheid mogen wij zeker daaruit halen, maar die fierheid zou een beetje ijdel lijken als we haar niet onze belangstelling ten grondslag moesten leggen.
Laten wij Timmermans nog eens lezen en meteen ontdekken dat hij rijker en menselijker is dan het bij velen in hun herinnering lag.

*****

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Mon om 00:00 Reageer op dit bericht

De Vlaamse Timmermans - Paul Hardy

De Vlaamse Timmermans

Door Paul Hardy uit De Gazet van Antwerpen – 1/10/1957
Dieper peilend naar Timmermans.
Bij aanvang van dit jaar, precies op 24 Januari, was het tien jaar geleden dat Felix Timmermans overleed te midden van een laster- en depreciatiecampagne, zo mensonterend dat zij zelfs van uit een zeer linkse hoek een passionele reaktie uitlokte. Hoewel het reeds vóór de oorlog in sommige literaire milieus gebruikelijk was zich over de waarde van Timmermans' werk minachtend uit te laten, de smaad waarmede hij in de maanden van kollektieve verblindheid onmiddellijk na de bevrijding, werd bejegend, heeft — hoe ongerechtigd ook — bij velen reserves doen rijzen, niet zozeer tegen zijn persoon — die men sympathiek bleef vinden — dan wel in verband met zijn werk. Zij die, door afgunst gedreven, de «kunstenaar» in Timmermans hebben bezwadderd en neergehaald, hebben dus wel een tijdelijk resultaat bereikt.
Ze zijn op de koop toe gediend geworden door de gevoels- en gedachten stromingen in de hedendaagse literatuur, die tenslotte aan de tegenpool liggen van de jubilante, door de drie kardinale deugden gedragen, levenskunst, waarvoor de geschriften van Timmermans een bijna hymnisch getuigenis zijn. Ik twijfel er niet aan of de jongere literaire generatie zal — als God haar leven verleent —, eens tot rust gekomen, haar onverschilligheid ten aanzien van Timmermans prijsgeven.

1844709-dfea41c28d9d65bde96f5a059dd51045.jpg

Er is inderdaad belangstelling voor Timmermans geweest dit jaar. Hopelijk is die belangstelling de aanvang van een dieper door te drijven studie over de Lierse meester en zijn merkwaardig oeuvre, Enkele maanden geleden mochten wij in dit blad de aandacht vestigen op een korte, doch revelerende studie over de « mens » Timmermans door Lic. José de Ceulaer. Door toedoen van de K.S.A,-Jong Vlaanderen en de V.K.S.J. werd het lovenswaardig initiatief genomen tot de publicatie van een bescheiden hulde-album, waarin bijdragen werden gebundeld van een tiental medewerkers, die ieder op hun beurt een aspect van Timmermans' persoonlijkheid of werk in het licht stelden. Uit dit sympathieke werkje zal men weliswaar geen nieuwe elementen opdelven met het oog op de Timmermans' studie als zodanig, doch ongetwijfeld heeft het bij de studerende jeugd de liefde en waardering voor Timmermans doen toenemen — wat klaarblijkelijk beantwoordt aan de bedoeling van de samenstellers.
Bij de Uitgeverij «Wiek Op» te Brugge verscheen thans, van de mij onbekende Elias Dupon, een eigenaardig boek over Felix Timmermans.

Pas vandaag nog viel mij bovendien een studie in handen van Prof. A. Westerlinck, getiteld «De innerlijke Timmermans» waarin de bekende criticus en essayist zich tot doel stelt de spiritualiteit van de schrijver te evoceren aan de hand van diens verzen.

Maar we willen het hebben over Elias Dupon. Zijn boekje heeft niets te maken met literaire kritiek. Ik zou het zelfs niet als een studie in de gebruikelijke zin durven bestempelen, hoewel de auteur er heel wat steekkaartenzorg moet hebben aan gespendeerd. Het is veeleer een vrij omstandige verzameling citaten uit Timmermans' werk. Elias Dupon heeft, met een welbepaald doel voor ogen, zijn aanhalingen geschift en in rubrieken onderverdeeld, daarbij af en toe in herhalingen vervallend wat — zijn opzet in acht genomen — vrijwel onvermijdelijk was.
Hij leidt zijn reeksen citaten in en kommenteert ze, doch telkens zeer summier. Soms trekt hij — op een eveneens bondige wijze — enkele rake conclusies.
Klaarblijkelijk heeft hij geoordeeld dat, door zijn citaten doeltreffend te groeperen, Timmermans ons zelf zou zeggen datgene wat hij, Dupon, ons over Timmermans wenste diets te maken. En zijn doel heeft hij bereikt... in de onderstelling althans dat men zijn boek ten einde leest. Wanneer men een procedé toepast zoals dat van Elias Dupon, dient men op zijn hoede te zijn. Had hij de typografische voorzorg genomen zijn bindende teksten in een ander lettertype of in een ander letterformaat te laten zetten dan de citaten van Timmermans (die voorzeker 80 t. h. van het geheel uitmaken) dan ware zijn boek leesbaarder geweest. Zoals het er nu naar uitziet vergt het van de lezer een niet te onderschatten inspanning om volkomen bij de zaak te blijven. En dat is jammer voor een werk waarin de wezenskenmerken van Timmermans' levensvisie, door het naakte woord van de grote schrijver zelf, zo treffend worden aangetoond.

Dit boekje is het werk van een man die de harmonische ontplooiing van de Vlaamse volksaard alleen mogelijk acht in een organische verbondenheid met de christelijke ethiek, zoals ze door de Roomse Kerk aan de gelovigen tot beleving wordt voorgehouden, rekening houdende — zoals trouwens de Roomse kerk door het ten dienste stellen harer genademiddelen doet — met de volledige, innerlijk gespleten menselijke natuur.

In de mens-en-kunstenaar Felix Timmermans heeft Elias Dupon een exponent ontdekt die de Vlaamse volksaard, zoals hij die ziet, op een als het ware voorbeeldige wijze belichaamt in de veelvoudigheid van al diens aspecten en schakeringen, zoals deze weerspiegeld liggen in Timmermans' voornaamste roman-figuren en zoals ze in de meer informatieve delen van Timmermans verhalen tot uiting komen.
In vier romanhelden blijkt Felix Timmermans zijn eigen levensvisie vooral te hebben beleden: in Pallieter, Breugel, Brouwer, doch vooral in Wortel uit.« Boerenpsalm ». Door het afgewogen naast elkaar plaatsen van tientallen citaten is het betoog van E. Dupon inderdaad overtuigend over de hele lijn.

De lijn die, na de sombere periode waarin « Schemeringen van den Dood » ontstond, door het werk van Timmermans heenloopt, is stijgend-verticaal tot ze wordt opgevangen, en uiteindelijk in een logische bekroning vastgelegd, door de lyriek uit het «Adagio».
Aan die lijn liggen vastgeknoopt de volkse Vlaamse deugden als liefde voor geboortegrond en landschap, nationale vrijheidsdrang, volksgezind verweer tegen belagers, weerzin tenslotte voor alle vormen van volkse ontaarding, José de Ceulaer gewaagt ergens, in zijn hoger vermelde studie, over karakter zwakheid bij de helden van Felix Timmermans. « Zwak » zijn ze inderdaad wanneer het er op aankomt hun zondige natuur te beteugelen, maar onbuigzaam en sterk blijken ze in hun verzet tegen onderdrukking (Breugel), in de trouw aan hun artistieke roeping (Breugel, Brouwer), in hun trouw aan hun door God en aard gewilde levensbestemming (Wortel).

1844709-0870227fe36ac61fb95c3039fab5d16d.jpg

Aan diezelfde lijn liggen gebonden hun onuitroeibaar geloof in de Schepper, in zijn wijze Voorzienigheid en zijn bestendige mystieke nabijheid; hun diepe gehechtheid aan de door de kristelijke ethiek geconsacreerde, natuurlijke waarden als de echtelijke liefde, het gezin, het immer-aanvaarde moederschap. Natuur en boven-natuur zijn in het werk van Timmermans op bijna onthutsende wijze met elkaar verbonden. Zijn religieuze gesteldheid treedt uit geheel zijn werk, tot in de onderdelen ervan, naar voren — niet enkel in de idee, maar zelfs tot in de woordkeuze!
De hiernavolgende uitspraak van Verschaeve acht Elias Dupon op geen enkel Vlaams kunstenaar treffender van toepassing dan op Felix Timmermans: «De grote Vlaamse kunstdaad bestaat daarin dat zij zinnen en geest, werkelijkheidsliefde en hemelverlangen niet in onderscheidene kunstenaars, of in een en denzelfden achtereenvolgens het uitleven, maar beide in één hartegloed begeerde en in één kunstwerk uitstortte.., Zo ontstaan werken, één in hun tegenstellingen en één in hun polariteit... Het is bij ons gebruikelijk geworden, te spreken van twee stromingen bij 't Vlaamse volk, en daarbij te gewagen van het volk van Memling en het volk van Rubens, alsof de eerste kunstenaar de mystiek, en de tweede de aardse liefde belichaamde. Ik kan met de beste wil geen mystiek zien waar ik levensbleekheid bespeur, noch er loochenen, waar levensvolheid straalt. Ook mystiek moet geheelheid zijn omdat zij vlam des levens is, »

Wellicht zullen al de hierboven aangestipte kenmerken van Timmermans de goede kenners en vereerders van zijn werk niet zo erg verbazen. Maar desondanks zullen ze verwonderd zijn over het feit dat Timmermans het alles zelf zo sterk heeft geformuleerd. Het is de niet te miskennen verdienste van Elias Dupon zulks te hebben aangetoond. Zijn werk zal derhalve voor de verdere Timmermans' studie 'n kostbaar richtsnoer zijn.

*****

Hoe vind je dit bericht? 3 stemmen
Geschreven door Mon om 00:00 Reageer op dit bericht

Timmermans was Einmalig - José De Ceulaer

Timmermans was " Einmalig "

Door José De Ceulaer uit De Standaard van 27/7/1972
Essen, juli. — Een paar duiven trippelen rustig rond op de verlaten Kennedy-platz, waar parkeren op een zondagmiddag geen probleem is. Waar zijn ze allemaal, de 700.000 inwoners van de elf eeuwen oude stad in het hart van het Roergebied ? Essen, jawel... maar slechts na lang zoeken vind ik een restaurantje, dat dan nog door een Joegoslaaf wordt opengehouden. De Margarethenhöhe ligt een eindje buiten het centrum. Het is er nóg rustiger. Dr. Karl Jacobs, 66 en gepensioneerd schoolhoofd, woont er trouwens Im stillen Winkel, waar je nog vogels kunt horen fluiten.

Hij ziet er net uit zoals men zich een Duitse vertaler van Timmermans zou voorstellen: «gemütlich» en vooroorlogs. Geen die om de haverklap «Ach was» zegt, met het daarbij behorende handgebaar. Hij spreekt overigens voortreffelijk Nederlands, al hoor je natuurlijk wel, als hij Phiether Broigel zegt, welke taal hij van zijn moeder leerde.

1844259-f3ccdd27d2000e3f9255a7e3e2c48800.jpg

— Ik heb Felix Timmermans voor het eerst bezocht in september 1927, zegt Karl Jacobs. Ik was toen nog student en had in Frankrijk een Vredeskongres bijgewoond, waar ik een Duitse katolieke jeugdbeweging vertegenwoordigde. Ik maakte er kennis met enkele jonge Vlamingen als Victor Leemans, Ast Fonteyne en Leo Wouters. Wij hadden «Pallieter» gelezen en waren er entoesiast over. Ons kontakt met de Vlamingen had tot gevolg, dat ik het waagde, met een student in de teologie naar Vlaanderen te komen en bij Timmermans te gaan aanbellen. Wij spraken elk onze moedertaal, maar verstonden elkaar best. Toen ik de volgende dag de gelegenheid had, Timmermans een spreekbeurt te horen houden in Antwerpen, werd de mogelijkheid besproken dat de auteur van «Pallieter» ook eens in het Rijnland zou komen voorlezen uit zijn werk. Hij beloofde tegen die tijd Duits te leren en ik zou mij aan de studie van het Nederlands zetten.

Toen hij in maart 1928 in Keulen arriveerde, bleek hij helemaal geen tijd gevonden te hebben om Duits te leren. Hij had een paar in het Duits vertaalde fragmenten van zijn werken meegebracht. Wij zouden die na de middag inoefenen. Na een paar pogingen vond Timmermans het al welletjes en ging hij eens rustig rondkijken in de stad. Ik vreesde dat de eerste voordracht een ramp zou worden, maar Timmermans maakte zich helemaal geen zorgen en las als toegift, zonder enige voorbereiding, ook nog Het Verksken voor. De avond werd een sukses. De volgende dag trad hij zelfs in Düsseldorf voor de radio op.

— Waaraan schrijft u zijn sukses in Duitsland toe?
— Na de eerste wereldoorlog was er hier nood aan eenvoudige, hartelijke en probleemloze lektuur. Die vonden wij in Pallieter en Het Kindeken Jezus in Vlaanderen.
Het sukses ervan legde de grondslag van de bijval die daarna ook Ernest Claes, Stijn Streuvels en Gerard Walschap verwierven, maar die was niet zo opzienbarend als die van Timmermans.

Literair bereikte De Witte niet hetzelfde peil en het werk van Streuvels lag in de lijn van dat van Knut Hamsun. Timmermans was « einmalig ». Ik kan begrijpen dat de jongere Vlamingen niet meer in zijn stijl of die van Claes schrijven. Zij zoeken aansluiting bij de internationale literatuur, maar wat wij van de Fransen en Amerikanen te lezen krijgen, is van een groter gewicht Daarom zijn de kansen van Hugo Claus en andere moderne Vlamingen hier niet groot, ze hebben een te sterke konkurrentie, ze hebben de eenmaligheid van Timmermans niet.
— Hoe staat de jongere generatie hier tegenover Timmermans ?
— Er is voor het ogenblik niet veel meer van hem op de markt. De ouderen hebben zijn boeken in hun bibliotheek, de in pockets verschenen boeken zijn nagenoeg uitverkocht. Indien het Insel-Verlag nog zelfstandig was, zouden er wel nieuwe uitgaven op de markt komen, maar het behoort tot de groep van Suhrkamp, die niet veel voor Timmermans over heeft.

1844259-59b7b0c3243117982d48081e1641976f.jpg

— Heeft zijn werk nog een toekomst in Duitsland?
— Ik geloof dat niets definitief is, ook niet het huidige gebrek aan belangstelling voor Timmermans. Ik geloof niet dat werken als De Pastoor, Anna-Marie en De Familie Hernat het zullen blijven doen, maar de belangstelling zal zich koncentreren op zijn belangrijkste werken als Pallieter, Pieter Bruegel en Boerenpsalm en op novellen als Juffrouw Symforosa, Driekoningentryptiek en Ik zag Cecilia komen. Dat kan nog wel een tijd duren, maar die werken zullen opnieuw in de belangstelling komen, net zoals het werk van Herman Hesse, die ook had afgedaan, nu weer in is bij de hippies.

— Welke kwaliteiten schrijft u Timmermans in hoofdzaak toe?
— Ik houd het meest van zijn sappigheid, zijn hartelijkheid, zijn intensiteit van aanvoelen en ook zijn vrolijkheid.
— Ziet men in Duitsland de Nederlandse literatuur als één geheel?
— Als geheel is de Nederlandse literatuur hier onbekend. Ik vind dat er een groot verschil is tussen het werk van de Vlamingen en dat van de Nederlanders.
— Ziet u een verband tussen Timmermans en de andere Vlaamse schrijvers ?
— Het verband is betrekkelijk klein, Streuvels b.v. is helemaal anders, ernstiger, algemener, maar niet eenmalig zoals Timmermans.

Eerlijk en korrekt
Karl Jacobs is doctor in de filozofie en volgde kursussen aan de universiteiten in Bonn, Lausanne, Parijs, München en Keulen. Door zijn kennis van het Nederlands, het Frans en het Engels, werd hij onder de oorlog eerst tolk in Rijsel en daarna bij de administratie van de Oberfeldkommandantur in Gent; ook tijdens zijn krijgsgevangenschap werd op hem een beroep gedaan als tolk. Of het waar is dat Timmermans als «Judenfreund» bekend stond, kan hij ontkennen noch bevestigen.

— Ik weet wel dat Timmermans altijd eerlijk en korrekt geweest is, zowel vóór als onder de oorlog. Hij handelde altijd volgens zijn natuur, zijn karakter en zijn geweten. In de Rembrandt-prijs zag hij een kulturele onderscheiding, maar hij zou wel liever gehad hebben dat de prijs hem niet tijdens de oorlog was toegekend. Een weigering van de prijs zou hem zeker grote moeilijkheden bezorgd hebben.
Karl Jacobs was niet de eerste Duitse vertaler van Timmermans. Aanvankelijk moest hij zich tevreden stellen met vertalingen van korte verhalen en bijdragen, omdat het Insel-Verlag een eigen vertaler in dienst had, de uitgeweken Vlaming Peter Mertens.
Deze was in de verpakkingsdienst van de uitgeverij, maar Dr. Anton Kippenberg gaf hem de gelegenheid een meer intellektueel werk te verrichten door Timmermans te vertalen. Toch heeft Karl Jacobs een indrukwekkend aantal vertalingen gemaakt, ook van o.a. Ernest Claes, Stijn Streuvels, Karel Van de Woestijne en in de jongste jaren voor het Mercatorfonds.
Ik vond Timmermans vertalen niet zo moeilijk, zegt hij, ik heb het graag gedaan, maar natuurlijk gaat er altijd wel iets verloren van de originele tekst.

1844259-8102bfe6fd4802204ce6888c4d8fc2c9.jpg

Karl Jacobs heeft Timmermans niet alleen vertaald, hij heeft ook met hem samengewerkt. Hij vertaalde de toneelstukken Mijnheer Pirroen en Leontientje, Het Kindeke Jezus in Vlaanderen bewerkte hij voor het toneel en Timmermans vertaalde die bewerking op zijn beurt in het Nederlands. Samen schreven ze De Zachte Keel, de toneelbewerking van Pieter Bruegel en De Onzichtbare Hand. Van die drie stukken werd enkel Pieter Bruegel ook in het Nederlands gepubliceerd, De Onzichtbare Hand werd in het Nederlands nooit opgevoerd.

— Wat mij bij mijn Kontakt met Timmermans het sterkst getroffen heeft, zegt Jacobs, is het vertrouwen dat hij mij, die toch twintig jaar jonger was, heeft geschonken. Van het begin af hebben wij elkaar goed begrepen en was er een diep menselijk kontakt tussen ons.
Hij toont mij tekeningen, brieven en opdrachten van Timmermans in zijn boeken Als wij aan zijn gastvrije tafel zitten, komt zijn zoon even aanlopen, die geneesheer is en een dubbele voornaam heeft met een symbolische betekenis: Karl-Felix.

*****

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Mon om 00:00 Reageer op dit bericht

Levenslied in schemering van de dood - Gaston Durnez

Levenslied in schemering
van de dood.

Door Gaston Durnez uit De Standaard van 1965.

Pallieter, die gelukzalige zanger van het leven, die blozende genieter van al wat deugd doet en koleurig is, werd geboren op de vooravond van de eerste wereldoorlog. Op het ogenblik dat hij zijn triomftocht begon als zinnebeeld van levensvreugde, gingen in Europa de lichten uit. Voor Felix Timmermans was Pallieter de redding uit een geestelijke krisis, het einde van een ziekte die hij van zich af gooide toen hij ontdekte dat er in de schemering van de dood ook bloemen en bomen groeiden en dat het leven vruchtbaar kan zijn, met smaken van wilde aardbeien en lente. Amper was het boek klaar, of hij werd gekonfronteerd met de gruwelijkste aanval op dat leven die hij zich kon inbeelden. Terwijl duizenden dankbare lezers zich bij de lektuur beroesden en hun zwartgeblakerde tijd ontvluchtten naar het paradijs van de verbeelding, keek Timmermans ontzet naar de puinen van zijn luid en toch zo innig bezongen Pallieterland.
En het duurde maanden eer hij opnieuw zijn evenwicht vond in de klaarte van het Kindeke Jezus in Vlaanderen, die tijdeloze volksprent van vergulde devotie.

Hij was nog jong toen hij in 1911 aan zijn meesterwerk begon : amper vijfentwintig. In 1912 huwde hij het zes jaar jongere Marieke Janssens en terwijl zij met z'n beidjes, net als zijn vader, een kanthandel dreven en aldus een oude Lierse traditie volgden, zong hij het levenslied van zijn blije held. Toen hij het verhaal, opgedragen aan zijn jonge vrouw, liet lezen aan Hugo Verriest, was die vol geestdrift. En Willem Kloos, de Noordnederlandse dichter die hem zo diep ontzag inboezemde, publiceerde het werk onmiddellijk in afleveringen in zijn tijdschrift, naarmate het klaar kwam.

1831174-1ee5ea5cdf23d13dfdca9819c174d2ff.jpg

Mevrouw Timmermans vertelt
Het laatste fragment zou verschijnen in september 1914. Toen stonden de Duitsers al voor de fortenketting rond Antwerpen, waar Lier een schakel in was.

Een groot hart
«Het schone boek was niet af toen de oorlog begon», vertelt Marieke Janssens, nu 72, maar nog altijd met het zacht gelaat en de glimlach van haar trouwfoto. « Wij woonden toen op Kartuisersvest, in een volkse buurt, en wij waren er gelukkig met onze kant en zijn schrijfwerk ». Succes bij de Vlaamse en de Nederlandse dichter betekende niet noodzakelijk bijval bij de uitgevers! Timmermans legde het boek aan verscheidene firma's voor, naar niemand wilde het. Spraken sommigen niet van een heidense inslag, een onkristelijke levensverheerlijking? Later zette men de schrijver onder druk om de eerste editie te « zuiveren » en enkele passages weg te laten die de puriteinen ergerden! Wie die teksten nu leest, zonder de tijdsgeest van toen een beetje te kennen, begrijpt er niets van.

In « Het Rijke Roomse Leven » vormen zij een van de typische hoofdstukken... «Pallieter kwam ten slotte bij Van Kampen terecht vertelt mevrouw Timmermans. « Daar aarzelde men ook een beetje, tot de uitgeverszoon zijn vader kon overtuigen : Publiceer dat werk gerust, ge zult vlug zien welk succes het zal worden ! »

«Pas in 1916 verscheen het in boekvorm Het zou tot na de oorlog duren eer wij goed wisten welke bijval Pallieter in Nederland had genoten en hoe bekend de naam Timmermans er plotseling was geworden Nu ontvingen wij er maar nu en dan enig nieuws over en iemand bracht ons een eksemplaar van de eerste uitgave mee. Dat was voor Felix een goede reden om feest te vieren. Ook alle andere keren dat wij goed nieuws ontvingen, hield hij kermis.
Alle gelegenheden waren voor hem geschikt om familie en vrienden bijeen te roepen. Dan bakten wij pannekoeken van patattebloem of maakten iets klaar met maïs en andere oorlogskost. Felix hield er zo van, in familiekring te zijn. Hij was een goede man die de mensen gaarne zag. Dat heeft hij ook naar buiten zo vaak getoond, bijvoorbeeld toen hij mee ging helpen bij de soepbedeling en de voedselvoorziening voor arme mensen. Hij had een groot hart ».

1831174-7c3c530de89a60e7d7d039a585910d4f.jpg

Augustus 1914. Te Lier begon de eerste wereldoorlog alsof het een verhaal van Timmermans was: een dag te vroeg en met een koddige burgerwachtpaniek, een verstoorde gouden bruiloft en een onderbroken prijsuitdeling van het college.

Toen men hoorde over de moord in Serajewo en over « de internationale spanning » las in de kranten, kon niemand geloven dat het ernstig zou worden. Toch niet voor België, dat al zo lang neutraal was kunnen blijven. De herbergstrategen verwezen naar vroegere voorbeelden van grote conflicten waarbij «wij» ons hadden mogen beperken tot bewaking van de grenzen.
Na de eerste opschudding hernam het Kempense stadje — met nog geen 25.000 inwoners besloten levend tussen zijn oude groene vesten, in de atmosfeer van de negentiende eeuw of nog vroeger — zijn rustige gang. In de wijkkomitees herbegon men de voorbereiding van de grote Sint-Gummarusfeesten die om de 25 jaar moeten plaats hebben en die nu in 1915 zouden worden gevierd. Sint-Gummaras, de patroon van de stad, zou van zijn beschermelingen een kleurrijke stoetenkermis krijgen. Niet voor niets heetten zoveel Lierenaars Gommaar!

Maar de zomer vorderde, de spanning verminderde niet en de mobilisatie werd afgekondigd. Lier kende plotseling een luide drukte. Buiten de stadspoorten begon het paar forten van de grote Antwerpse gordel zijn magere kanonnen te poetsen en binnen de stad kwamen de opgeroepenen zich aanmelden in de opslagplaatsen. Nog kon men niet geloven dat het zover was. Men dacht aan vroegere oproepingen die ook op niets uitdraaiden.
Een veiligheidsmaatregel mensen, méér niet!

Maandag 3 augustus had in de feestzaal De Valk op de Grote Markt de plechtige prijsuitreiking plaats aan de leerlingen van het Sint-Gummaruskollege. Voor een stampvolle zaal, met vooraan « Monseigneur de Afgevaardigde van Zijne Eminentie de Kardinaal », de deken, de directeur, de burgemeester en de notabelen, voerden de jongste studentjes een soldatentoneeltje op. Daarna werd er gedeclameerd en begonnen de grotere jongens aan een bijbels toneelspel, « Gekruisigd ».
Om 11 u., op het ogenblik dat het Sanhedrin begon te twisten over het lot van « die volksopruier en -misleider », kwam een stadsbediende de zaal binnengelopen, recht naar de burgemeester. Hij fluisterde hem iets in het oor. De burgemeester zette zijn pence-nez recht verliet in zevenhaasten de voorstelling, weldra gevolgd door de priesters en de deftige heren van de eerste rij die de ontstellende boodschap hadden gehoord. Achter in de zaal vertelde de stadsbediende welk nieuws hij was komen brengen en daar stoof men ook al buiten. De spelers op het toneel gooiden hun bijbelse mantels af en sprongen naar beneden. Ergens begon iemand « De Lamp des Heiligdoms » en andere prijsboeken-goed-op-snee zonder verder omhaal uit te delen en in algemene verwarring snorde men naar huis.

De Stormklok
Op het stadhuis werd de burgemeester opgewacht door de militaire bevelhebber van de streek die 't gezag kwam overnemen. Hij toonde een telegram. De staat van beleg was afgekondigd. De vijand kon spoedig voor de vesting opdagen. Iedereen moest helpen om de forten in verdediging te brengen! Binnen weinig minuten stond heel Lier op stelten. Een stadsbode werd naar de Sint-Gummarustoren gezonden om de stormklok te luiden. Bij de ingang van de kerk botste hij op een stoet van witte maagdjes, lustig blazende muzikanten en rijtuigen vol mensen in zondagse zwarte pakken en met bloemen in de armen. Een gouden bruiloft die arriveerde voor de plechtige dankmis!
« Halt! riep de bode en sprong voor de feestelingen. Halt! Het vaderland is in gevaar! Iedereen naar huis om bijlen en rieken en gaffels. Ge moet gaan helpen in het fort! » Door de straten van de stad rende de belleman om het mansvolk bij mekaar te rinkelen. Men greep de gereedschappen die men vinden kon, ledigden ijzerwinkels en smidse. Tamboers roffelden en in groot ornaat, met blinkende zwarte hoeden en witte handschoenen, kwam de burgerwacht aangesneld. Het volk liep de huizen uit. Op de Markt werd appèl gehouden.

Toen bleek de vergissing. Het telegram was niet bestemd voor Lier maar voor Liers, aan de Duitse grens. De Garde Civique ging in de herbergen haar mondvoorraad opeten en haar emotie doorspoelen met een flinke pint, en de hulpverdedigers keerden terug met hun blinkend alaam. Men herademde en lachte. Daags nadien kwam er een nieuw alarm.
Een echt. (1).

1831174-868479c9a70e8678aacd388079718b59.jpg

(1) De geschiedenis van de prijsuitreiking wordt uitvoerig verhaald door Modest Geuens in het Jaarboek 1956 van het Lierse Sint-Gummarus-kollege. De anekdote van de gouden bruiloft wordt beschreven in « De eerste oorlogsjaren in het land van Sint-Gommarus » door Frans Verschoren.

******

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door Mon om 00:00 Reageer op dit bericht

Expositie in De Brakke Grond te Amsterdam

Expositie in De Brakke Grond

Toespraak van de Heer Etienne De Ryck, Secretaris-generaal van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, ter gelegenheid van de officiële openstelling van de expositie over leven en werk van Felix Timmermans, in De Brakke Grond te Amsterdam, op 2 augustus 1986.

Zeer Geachte Genodigden,
"Uw werk is onsterfelijk, uw naam is vereeuwigd op deze aarde, uw roem blijft, zolang uw vaderland hier zal bestaan".
Met deze woorden nam kunstschilder Oscar Van Rompay afscheid aan het graf van zijn trouwe vriend Felix Timmermans.

Felix Timmermans werd inderdaad de meest succesrijke schrijver, die Vlaanderen ooit heeft voortgebracht. Zijn werken werden uitgegeven, heruitgegeven en andermaal uitgegeven, vertaald in zevenentwintig verschillende talen.

Gerard Walschap
getuigt over hem : "Na Gezelle kan men in onze letteren wel niemand met grotere zekerheid een zuiver type van geboren schrijver noemen dan Felix Timmermans".

Hubert Lampo karakteriseerde hem als "de grootste Vlaamse schrijver dezer eeuw".

De Nederlandse auteur Maarten 't Hart citeert de aanhef van Boerenpsalm uit het hoofd.

En Lier, zijn geboortestad, zal zijn gouden kind, zijn onvergelijkbare ambassadeur, inderdaad blijven eren en gedenken in lengte van jaren.  Zijn indrukwekkende Pallieter staat nu, ten voeten uit, gebeiteld door de beeldhouwer Jan Keustermans, op het plein nabij het Timmermans-Opsomerhuis en het stadspark, voor eeuwig en altijd.
Waar de drie kronkelende Nethen een zilveren knoop leggen, waar plots het spekbuikige, overvloedhoornige Brabant zich scheidt van 't Mijmerland, mager Kempenland, daar is het.
Daar droppelt Lier met zijn rode daken en witte trap- en krolgevelen, met zijn torentjes, tuintjes, straten en bruggen uit het weerspiegelende, olijfgroene water op, eenvoudig, rustig, kleurig, zonnig en gelukkig als een droom van Vermeer Van Delft".

1830437-39c429bae6ae4f6bfb890092ec5f7052.jpg

Zo schreef Timmermans in "Schoon Lier", Als met een penseel. Want als men Timmermans zegt, zegt men Lier, en heel Lier ademt Timmermans.
Lier, tevens geboortestad van Kanunnik Jan Baptist David, samen met Jan Frans Willems uit het nabij gelegen Boechout een van de meest belangrijke grondleggers van de Vlaamse kulturele heropleving na 1830.
Het initiatief om naar aanleiding van de honderdste verjaardag van Felix Timmermans een herdenking te organiseren werd genomen, in de loop van het jaar 1984, door de inmiddels overleden vroegere Lierse burgemeester en Minister van Staat Herman Vanderpoorten.
Er werd een herdenkingscomité opgericht dat van het jaar 1986 een waardig Felix Timmermansjaar heeft gemaakt.

Het feestprogramma en de diverse evocaties rond de gevierde auteur verlopen zeer succesvol en telkens onder grote belangstelling.  Eind juni bezochten reeds meer dan 10.000 bezoekers de tentoonstelling "Met pen en penseel" in het Timmermans-Opsomerhuis te Lier. Maar ook anderen namen lovenswaardige initiatieven.

De uitgeverij "Den Gulden Engel" komt in dit Timmermansjaar met een viertal boeken van en over Felix Timmermans :
- Van zijn oudste dochter Lia, is er "Mijn Vader" dat al in 1951 geschreven werd en nu heruitgegeven wordt.
- Van Felix Timmermans zelf verschijnt "Vertelsels" met illustraties van zijn andere dochter Tonet.
- Nog van Felix Timmermans, verscheen zijn dichtbundel "Adagio" met medidaties van Prof. Herman - Emiel Mertens.
- Van Dr. Ingrid Van de Wijer, verscheen een belangrijke studie over de dagboeken en het archief van Felix Timmermans, onder de titel "Al mijn dagen".

- De uitgeverij "Mark Grammens" publiceerde van de hand van Gaston Durnez "
De Goede Fee".
- Bij het "Insel Verlag" te Frankfurt am Main. verscheen een "Jubiläumsausgabe in vier Bänden,- Zum hundersten Geburtstag Felix Timmermans"
- Het Felix Timmermans-Genootschap publiceerde enkele maanden geleden zijn dertiende jaarboek, onder de titel "Leven in zijnen asem".
- En de Vrienden van de Kappellekerk van Brussel organiseerden onder de auspiciën van Dr. Van Der Klauw, Nederlands Ambassadeur in Brussel, een bijzondere Timmermans-evocatie, ter herinnering aan de feestgroet die Felix Timmermans er uitsprak in 1924 aan het graf van Pieter Bruegel de oudere.

Met eerbied en trots wil ik hier de aanhef van deze merkwaardige feestgroet citeren :
"Peter Bruegel ! Het Vlaamsche volk heeft mij een klinkend geluk bezorgd. Het heeft mij hier naar uw graf gezonden om U zijn warmen groet te brengen, en zijn innigen dank; en ook om U te zeggen dat het nog altijd leeft, vischgezond, zowel van buiten als van binnen!  Gij zijt de geestelijke bewaarder van onze zeden, onzen aard en onze levensuiting. Wat hebt ge niet van ons gesehilderd, geteekend en in 't koper gegriffeld ? Alles !
Onze zeven hoofdzonden, onze zeven deugden, onze vreugde en ons verdriet, onze hoogten en onze laagten, onze mystiek, ons bijgeloof en onze zinnelijkheid.
O gij lacher, spotter, mystieke, triestige, tragische, satyrieke, wijze en triomphante mensch !  'n Mensch vóór alles. Een menschenhart boordevol.  Voller kan het niet !
En gij naamt het uit uw volk en gaaft het voor uw volk ! Omdat gij uw volk hebt kunnen beminnen en bewonderen door dik en dun.  Ons hart is gezwollen van fierheid omdat gij van ons zijt.  We danken U, en genieten van U; als een appelenreuk hangt gij gestadig en frisch in onze gedachten.  Gij zijt onzen spiegel; om te weten hoe we zijn, hebben we maar langs de kleurige dreef uwer werken te wandelen en we zien ons.  Gij zijt ons geweten; om te weten wat we zijn, hebben we maar in het boek uwer kunst te bladeren en we kennen ons.
Zoals gij ons gezien hebt, zoo zijn we nog.  En daarom groeten wij U zoo vertrouwelijk; en al onze levensuitingen, die U begeesterd hebben bestaan nog, en zijn hier met mij aan uw graf en groeten U".
(Einde citaat.)

1830437-d7102683e6e826fdd4690f15014e8b73.jpg

Dames en Heren,
Ter gelegenheid van de officiële openstelling van de expositie over leven en werk van Felix Timmermans in de Brakke Grond te Amsterdam, breng ik hier vandaag in uw aller naam, dezelfde feestgroet, met zijn eigen woorden en kleuren, aan Leopold Maximiliaan Felix TIMMERMANS, Prins der Nederlandse Letteren.

********

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Mon om 00:00 Reageer op dit bericht

Bij de Hilversumsche Gymnasiastenbond

Felix Timmermans bij de Hilversumsche Gymnasiastenbond.

Uit De Gooi en Eemlander – 24/11/1924.
"Moeten kunstwerken verklaard worden?" Met deze woorden leidt een bekend kunsthistoricus een interessant boekje over het verklaren van kunstwerken in. De auteur beantwoordt deze vraag bevestigend en verdedigt vervolgens zijn meening. Doch meer dan voor de kunsthistorie geldt deze vraag en bevestiging voor het geschreven woord. Van de waarheid hiervan heeft ook Felix Timmermans, gevolg gevend aan het sympathiek verzoek van den Hilversumschen Gymnasiastenbond om een lezing over zijn werk te houden, ons weer overtuigd.

Ofschoon het moeilijk is een letterkundige periode door jaartallen vast te leggen, kunnen we zeggen, dat van omstreeks 1890 de opbloei der Vlaamsche letterkunde dagteekent. Een opbloei, die zich merkwaardig snel ontwikkelde maar door den oorlog helaas een tijdlang wreedaardig werd onderbroken. Het is hier echter niet de plaats om een historische beschouwing over de Vlaamsche letterkunde te geven en wij willen dan ook volstaan met de namen van Guido Gezelle en Frank Lateur (beter bekend onder zijn pseudoniem Stijn Streuvels) in herinnering te brengen, daar zij het zijn geweest, die den krachtigen stoot in de goede richting gaven en die de jongere tijdgenooten zoo sterk beïnvloed hebben.

1829940-b60a0aa088fe891a3f6bf612e3c85d00.jpg

Tot de jongere prozaschrijvers behoort ook Felix Timmermans, die men ’t best naast Streuvels kan stellen. Beiden scheppen zich een eigen stijl, voor beiden is ’t dialect een vereischte om uitdrukking aan hun gevoelens te geven. Timmermans zoowel als Streuvels zijn de fijne waarnemers van de realiteit van hun omgeving. Zij verstaan de kunst om de lezers deze werkelijkheid door hun uitbeeldingsvermogen mede te doen doorleven. Beiden trachten het innerlijk zieleleven, de diepste psychologie van de hen omringende menschen te doorgronden, Timmermans wellicht nog meer dan Streuvels. Zaterdagavond heeft Timmermans ons hiervan overtuigd.

De bijeenkomst werd geopend door den heer P. Kapteijn, praeses van den H. G. B. die den heer Felix Timmermans hartelijk welkom heette. Vervolgens bedankte spreker in het bijzonder den burgemeester mr. P. Reijmer, de curatoren en dr. G. Blokhuis, rector van het gymnasium, die door hun tegenwoordigheid blijk van belangstelling gaven. Hierna gaf de heer Kapteijn het woord aan Felix Timmermans.

"Diepgeworteld in de menschen zit mijn werk", sprak Timmermans en hij maakte ons duidelijk, hoe hij eigenlijk alleen in Lier, zijn woonplaats, geïnspireerd door de huizen, de menschen, kortom door de heele hem zoo door en door bekende omgeving, zijn geestesproducten kon vormen. Hoe goed kunnen we zijn verontschuldiging begrijpen aangaande zijn werk "Anna Maria", dat de auteur in ons land voltooide. In zijn tijdelijke woonplaats Den Haag miste hij alles, wat zijn geliefd stadje Lier hem in zoo ruime mate bood.

In den Haag bleven de mijnheeren de mijnheeren, de mevrouwen de mevrouwen. Door de behandeling van de invloeden, waaronder zijn kunstgewrochten ontstonden, heeft de auteur bereikt, dat velen zijn werken nog meer zullen waardeeren en zich in de gegeven psychologische vraagstukken inwerken.
Wellicht bereikte de auteur Zaterdagavond zijn hoogtepunt, toen hij bij 't behandelen van het ontstaan van "Het Kindeke Jezus in Vlaanderen" over zjjn vader sprak, door wien hij bij dit werk het meest beïnvloed werd. Hoe wondermooi en vol soberheid schetste hij het huiselijk leven, de vreugde der kinderen, wanneer vader, die kantkoopman was, terugkeerde na een langen tocht en dan altijd van zijn reis iets bijzonders, al was het maar een doos meikevers, medebracht. Heel veel meer vertelde hij van zijn vader en wees er nog op, hoe de vertelsels van de drie Koningen en onze lieve Vrouwe, aan hem in zijn prille jeugd gedaan, 't begin vormden van het ontstaan van "Het Kindeke Jezus in Vlaanderen". Vóór de pauze besprak Timmermans "Schemering van den dood". Toen hij dit schreef, was hij in een mystieke stemming door toedoen van een vriend, die mysticus en spiritist was. Zijn pessimistische stemming werd hem zóó de baas, dat hij ziek werd, maar toen hij den dood nabij was, kreeg hij er plotseling genoeg van. Met zijn herstel ontwaakte in hem een blijde levenslust. In deze stemming ontstond "Pallieter".

Ofschoon spreker niet uitvoerig uitweidde over zijn groote werk, behandelde hij eenige episodes en figuren, die in het boek voorkomen. Hij had o.a. een reden voor een tweegevecht noodig en nu vertelde Timmermans hoe hij daaraan kwam. Een zijner vrienden liep op een landgoed, dat een graaf toebehoorde. Zijn vriend ontmoette daar den graaf, die hem aansprak en vroeg of hij niet wist, dat hij op verboden grond liep. De vriend vroeg daarop den graaf, waarom die grond hem toebehoorde, waarop de graaf antwoordde, dat zijn voorvaderen om dien grond gevochten hadden. De vriend stelde den graaf toen onmiddellijk voor
om dan samen ook maar eens om dien grond te vechten.

Talrijke humoristische gebeurtenissen uit zijn leven en zijn omgeving, welke hem stof voor zijn werken hadden gegeven, haalde Felix Timmermans aan. Pastoor Van Aken, uit wien voornamelijk de figuur van den pastoor in Pallieter ontstond, deed hij door zijn karakteristieke beschrijving voor ons leven. Immers hoe juist schetste hij dezen man, die oa. een gebed samenstelde voor het geval, dat men van een toren viel, die ook bij een bezoek aan den bisschop toen deze hem prees wegens zijn net voorkomen — netheid was gewoonlijk ver te zoeken bij pastoor Van Aken — zijn handschoenen uittrok waaronder een tweede paar te voorschijn kwam zoo vies en onoogelijk, dat de bisschop er geducht van schrok!

De pastoor trachtte daarop den bisschop gerust te stellen met de verzekering, dat 't met zijn voeten nog vrij wat erger gesteld was! Ziehier een paar van de 307 gevallen, die spreker volgens zijn zeggen van pastoor Van Aken zou kunnen vertellen.

1829940-282492895e43f9ef8ff9620ef400b2ef.jpg

Over 't ontstaan van "Anna-Marie" deelde de auteur mede, dat zijn eerste inspiratie een klagend lied was, door een man onder zijn raam gezongen. Hij vergat het, om 't zich later weer te herinneren, toen hij 't op nieuw hoorde. Nu begon hij te fantaseeren. De hoofdfiguur, een zondige vrouw, voor wie dit lied zou geklonken hebben, haalt hij uit Italië. Hij laat haar in Vlaanderen komen om een erfenis te halen, een zeer eenvoudige reden dus. Elke vrouw zou, daar gaarne een reis voor maken!

Bij "Het Kindeke Jezus in Vlaanderen" werd de schrijver in eerste instantie, zooals reeds gezegd is, beïnvloed door de vertelsels van zijn vader. Spreker wees erop welken indruk die fantastische verhalen maakten, hoe de vader den kleinen Felix geruststelde voor den Moorenkoning door te zeggen, dat hij de drie Koningen op zijn tochten ontmoet had. Ook 't huisje, waar onze lieve Vrouwe gewoond had, wist de vader nauwkeurig te beschrijven. Later, in tweede instantie, werd Timmermans vooral beïnvloed door een schilderij van Breughel.

Vol vuur beschreef spreker het mooie, vreugdevolle leven in Lier. Hieruit sprak vooral de groote liefde van Felix Timmermans voor 't land, waarin hij opgegroeid was. In felle kleuren schilderde hij de feestelijkheden in 't kleine plaatsje, welke ten slotte toch een vromen grondslag hadden. Na de pauze besloot Timmermans dezen kunstavond met een fragment uit een nog onuitgegeven werk "Pieter Breughel" voor te lezen.

Ook hier bewonderden we den woordkunstenaar en zijn buitengewoon uitbeeldingsvermogen. Dikwijls zijn echter auteurs niet de beste reciteerders van hun eigen werk. Ook bij Felix Timmermans meenden wij dit op te merken.

De heer P. Kapteijn bedankte aan 't slot van den avond den spreker en sprak den wensch uit, dat deze lezing ertoe mocht bijdragen den band tusschen Zuid- en Noord Nederland te versterken.
Op volgende avonden zal het bestuur van den H. G. B. goed doen de vertegenwoordigers der pers een betere plaats aan te wijzen, daar het volgen van de lezing hun thans noodeloos moeilijk werd gemaakt.

*********

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Mon om 00:00 Reageer op dit bericht

Timmermans als schilder en tekenaar - W.A.M. van Heugten

Felix Timmermans
als schilder en tekenaar.

Door W.A.M. van Heugten.

Tentoonstelling in Noordbrabants Museum Den Bosch - 4/9/1973.

Buiten België had de schrijver Felix Timmermans biezonder veel trouwe lezers en vrienden in Noord-Brabant. Daar sprak hij ook herhaaldelijk en las hij tijdens voordrachtavonden van verenigingen en instellingen voor uit zijn werk.

Vooral in Waalwijk, bij Den Bosch, had hij goede vrienden; vond hij daar niet de inspiratie voor zijn roman De Familie Hernady? Te Breugel bij Eindhoven onthulde hij een gedenkteken voor Pieter Brueghel en hij verklaarde in dat Meierijse dorp aan de Dommel Pieter Brueghel «geroken» te hebben.

Toen Lia Timmermans later eens te Eindhoven voor een overvolle zaal over het leven en het werk van haar vader sprak kreeg zij een overweldigende ovatie. In de hoofdplaats nu van die uithoek van het oude hertogdom Brabant, te 's Hertogen-Bosch, is, nog tot 16 september, in het Noordbrabants Museum aan de Bethaniestraat een tentoonstelling te zien over Felix Timmermans als schilder en tekenaar.

Officieel heet deze tentoonstelling "Felix Timmermans, schrijver, schilder", maar feitelijk wijst ze toch vooral op de schilder en tekenaar. In totaal omvat ze 56 olieverfschilderijen, akwarellen, tekeningen en vignetten. Dat alles was eerder al te zien in het «Konvent» van het begijnhof te Lier. Het werd door de familie Timmermans in bruikleen afgestaan; de meeste stukken zijn afkomstig van mevrouw Timmermans - Jansen, de weduwe, die nog steeds in het oude huis van de schrijver te Lier woont. Bij de opening van deze tentoonstelling werden haar vóór het fraaie portret, dat baron Opsomer van Felix Timmermans schilderde, met een toepasselijk woord prachtige bloemen aangeboden.

1827969-7c0e1a74211b27ef01f06e4357c28af2.jpg

SCHILDER EN SCHRIJVER.
Deze tentoonstelling werd, op de openingsavond en in de kataloog, ingeleid door Hubert Lampo. Bij de opening zei Lampo onder meer, het nog steeds jammer te vinden, dat hij Felix Timmermans nooit persoonlijk heeft ontmoet. Hij wees er op, dat Felix Timmermans zich in verscheidene romans met grote schilders bezighield: Pieter Brueghel, Adriaan Brouwer.

Ook Hubert Lampo noemde Pieter Brueghel een «streekgenoot» van de Noorbrabantse kunstvrienden, die de officiële opening bijwoonden: «Hij heeft deze streekgenoot uitstekend gepeild. Dit is het werk van een heel groot schrijver; met dit boek kunnen wij in heel de wereld terecht». Lampo kon overigens niet spreken van de schilder en tekenaar afzonderlijk : de schilder en de schrijver vormden samen de uitdrukking van één persoonlijkheid. Hij vond het werk van Felix Timmermans «dat van een zeer groot kunstenaar, een van de weinige genialen, die wij hebben gehad» en die, in een verkrampte tijd, niets kunstmatigs of modieus heeft. Bij Felix Timmermans, zei Lampo, heeft men nooit het gevoel, dat hij niet autentiek is. Hij schreef zoals hij was.

In het voorwoord van de kataloog gaat Hubert Lampo nader in op de vraag of Felix Timmermans inderdaad — zoals hij zelf beweerde — liever schilderde dan schreef. Dat dit zo was, kon hij gemakkelijk begrijpen : het schrijven van een roman is slavenarbeid.

Als romancier vindt Hubert Lampo daarbij het meest ontmoedigende de onoverzichtelijkheid. De romanschrijver of novellist dobbert als de drenkeling op een zee, waarvan de golven hem zelfs verhinderen de horizon te zien en kust of haven niet eens im Frage komt. De schilder, de tekenaar daarentegen, blijft het overzicht bewaren. Hij volgt met het oog wat hij doet.

En wat hij doet, ziet hij onafgebroken groeien. Ik geloof, dat daar Timmermans' geestdrift voor deze aktiviteit buiten de literatuur gezocht hoort te worden.

KRISTELIJK EN VOLKS
Evenals zijn geschriften laat deze tentoonstelling van schilderijen en tekeningen ons Felix Timmermans zien als een kunstenaar, die even volks was als kristelijk. Het ene was bij hem van nature geheel verbonden met het andere. Zijn kristelijke levenshouding — die duidelijk wars was van alle kil geteologieer — was, ook blijkens zijn schilderijen, tekeningen en vignetten, vervlochten met het alledaagse leven van het volk om hem heen. Hij voelde zich klaarblijkelijk verbonden met een volksheilige als Sint-Franciscus, met pastoren, paters en begijntjes, processies en misdienaars omdat hij daarin een kristelijke levensvreugde vervat wist.

Als schilder en tekenaar liet Felix Timmermans zich inspireren door de bijbelse geschiedenis en de levens van volksheiligen maar ook door het landschap en de mooie dingen om hem heen en door wat er om hem heen aan lief en leed gebeurde: als dichter zag en voelde hij het schone in de gewone dingen.

Hij schilderde de Driekoningen, niet zoals zij in werkelijkheid geweest zullen zijn, doch zoals de Vlaamse volksmensen ze zagen, de vlucht naar Egypte, zoals zij het volk aansprak, Jezus voor Pilatus, zoals hij ook in de passiepreek werd afgeschilderd, maar ook een landschap met een zaaiende boer, het Land van Belofte, stillevens met brood, haring en peperkoek, winterlandschappen met en zonder molen, een markt en een boerenkermis. En natuurlijk schilderde en tekende hij portretten van zijn kinderen, van Clara en Lia, Tonet en Gommaar.

1827969-9b829ece77034dbebbb86c6dfb45bc2a.jpg

Als schilder en tekenaar had Felix Timmermans duidelijk de trekken van een volkskunstenaar. Dat blijkt niet alleen uit zijn onderwerpen maar ook uit zijn werkwijze en zelfs uit de kleuren, die hij gebruikte. Maar het meest autentiek spreekt hij zich ongetwijfeld uit in het vignet. Op dat terrein was hij een meester. Daar, in het vignet, is de gevoelige tekenaar één met de gevoelige schrijver. Doorgaans in weinige trekken houdt hij de stemming van zijn verhaal vast. Hij vult niet alleen het blad met een volks tekeningetje maar laat in een krabbel, waarin de dingen tot het elementaire herleid zijn, het akkoord van zijn laatste alinea nog even naklinken. Geestig, zoals op oude gevelstenen en dikwijls op een humoristische wijze vat hij zijn mededeling aan de lezer in die speelse tekeningetjes samen, of geeft hij ze door, voor het volgende hoofdstuk, of sluit ze, aan het einde, af.

Wie zou die eigen illustraties en vignetten uit Felix Timmermans' boeken willen missen?

De tentoonstelling in het Noordbrabants Museum te Den Bosch werd aangevuld met een aantal boeken van Felix Timmermans, in het Vlaams en in een groot aantal talen, tot in het Esperanto en het Japans. Daar ligt een speciale druk van een van zijn verhalen voor zijn vrouw; een zeldzame huldeblijk! Deze aanvulling laat zien, dat het werk van deze schrijver, schilder en tekenaar, die zich waarschijnlijk niet of nauwelijks van zijn genie bewust was — «Eigendunk, zelfs zelfvertrouwen stemde niet overeen met het karakter van deze zachtmoedige poëet», schrijft Hubert Lampo in de kataloog — zijn weg vond over heel de wereld. Waardoor anders kon dat gebeuren dan door zijn hoge kwaliteit? Een tentoonstelling dus, die een geschikte gelegenheid biedt om Felix Timmermans volledig te leren kennen en het beeld van de schrijver aan te vullen met dat van de schilder en tekenaar.

*****

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Mon om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Felix Timmermans

↑ Terug naar de berichten