Naar de inhoud

Felix Timmermans

Vlaamse schrijver, dichter en schilder * 1886 - 1947 *
akke.beakke.be

Archief

De Bende van de onzichtbare Hand - Felix Timmermans

De Bende van de onzichtbare Hand.

Door Felix Timmermans.

Het was op een donderdag, als 't na de noen geen school is. Gommaarken en drie van zijn vrienden trokken de stad uit, om op den buiten te gaan spelen. Ze waren aan een beek aan’t viskens vangen, als er daar een koopman met een grote valies kwam aangestapt. 'Halte la!’ riep de koopman, ‘wie van u wil mijn valiesje eens dragen. Ik zal er hem goed voor betalen!’ Gommaarken dacht ineens op de kermis van toekomende zondag. Een cirk met wilde beesten, een galoppeerdenmolen, smoutebollenkramen. En vóór de anderen boe of ba konden zeggen, liep hij naar de koopman, nam de valies over en volgde hem. De koopman ging wel twintig stappen voor, zei geen woord en zag niet om. Als Gommaarken hem probeerde in te halen, zette de koopman zijnen passer wat meer open, zodat het toch altijd twintig stappen bleven.

De valies was wel niet al te zwaar, maar veel te groot voor zo een klein jongeske, als Gommaar, zodat hij ze alle vijf minuten van d'ene hand in d'andere moest overnemen. Als ze lang gegaan waren, zag Gommaar in de verte de kerktoren van een dorp. ‘Daar zal het zijn!’ zuchtte hij blij, hij kreeg van her moed, en begon een liedje te fluiten. Maar de koopman ging het dorp door, zonder om te zien en zonder één woord te zeggen.
En nu was het een lange, lange steenweg, waar geen eind was aan te zien. Gommaar wierd moe, bleef al eens staan om op asem te komen, maar moest dan weer harder lopen om de koopman in te halen en bij te houden. ‘Meneer, is 't nog ver?’ riep Gommaar. De koopman antwoordde niet, ging zonder omzien voort, altijd twintig stappen vooruit.
Gommaar zei in zijn eigen: ‘Als ik op 't einde van de steenweg nog verder moet, dan vraag ik mijn geld, en ik keer terug.’
Als ze dan eindelijk aan 't einde van de steenweg gekomen waren, ging de koopman nog maar altijd verder door.

‘Is 't nog ver, meneer?’ vroeg Gommaar. Geen antwoord of geen blik. Gommaar kreeg goesting om de valies in de gracht te gooien; maar voor niemendal dan al die moeite? Dat kon er ook niet door. 't Was maar dat het zondag grote kermis was .... en wat is zo'n kermis als ge overal moet buiten blijven staan? Welaan dan met nieuwe moed de baan op. Hij kon bijna niet meer. Hoeveel uren was hij al aan 't gaan?
Zijn voeten deden pijn, zijn armen verloren hun kracht. Hij wist met die grote valies geen verblijf, dan droeg hij ze weer op zijn schouder, dan op de rug, dan voor de borst. En honger dat hij kreeg, het rommelde in zijn maag.
Toen zag hij ginder boven de bomen de torens van een grote stad. Daar móest het zijn. ‘En als 't daar niet is, ga ik toch terug naar huis, al gaf hij mij geen enkele cent!’ dacht Gommaarken.
Ze kwamen dan in de grote stad, waar er veel beweging was van mensen en gerij. Gommaarken moest goed opletten, om de koopman tussen al dit gewoel niet uit het oog te verliezen.

1810282-0b8de0cf1d5b5bc148c14b0863f50f3f.jpg

Hij zag, tot zijn grote schrik, dat er hier en daar al lampen werden aangestoken. De koopman ging door straten en stegen, over pleinen en over bruggen, nevens muren en schutsels, kerken en kloosters. En Gommaar sukkelde maar achteraan met het ‘valiesje’. Eindelijk bleef de koopman dan staan aan een huis, dat alleen stond in een straat zonder huizen. Hij nam de valies over en zei: ‘Ze zullen u seffens komen betalen’ en alvorens binnen te gaan zei hij er nog bij: ‘En zorg maar dat ge rap thuis zijt, want de Bende van de Onzichtbare Hand is weer fel aan 't werk.’ Dan sloeg hij de deur voor Gommaar zijn neus toe.
De schrik sloeg in het manneke zijn benen.
Hu! de Bende van de Onzichtbare Hand! Die geheimzinnige moordenaarsbende, die bijna elke nacht uit stelen ging en mensen vermoordde. De spraak ging dat die mannen zich door toverij onzichtbaar wisten te maken. 't Was daardoor dat de slimste gendarmen nooit iemand van die bende konden klissen. Ook kan niemand achterhalen waar ze bijeen kwamen en het gestolen goed hielden verborgen. En of Gommaar bang was van die Onzichtbare Hand!

Als hij 's nachts wakker wierd, moest hij er aan denken, en trok dan van schrik de lakens over zijn hoofd. Maar bij klare dag dacht hij er niet aan, anders zou hij zeker met die koopman niet zo ver zijn meegegaan, en de avond was zo onvoorziens gekomen! En nu moest hij door den donkeren terug naar huis, wel een weg van drie uren te voet!
Hij raapte al zijn moed tezamen. Hij had nog nooit gehoord dat de Onzichtbare Hand kinderen vermoordde. Zij stal en moordde enkel bij rijke boeren en bij renteniers en op kastelen, en randde op de wegen slechts kooplieden aan, die geld en kostelijke dingen bij hadden. En hij zou hard lopen en misschien met een wagen kunnen meerijden, die nog op de baan was. Op de slagen die hij thuis zou krijgen, dacht hij niet, die kwamen toch van zelf.
De deur van het huis ging open, en daar kwam een oude vrouw te voorschijn, die hem drie stukken geld gaf.

‘Van harte bedankt, madam!’ zei Gommaar. Drie frank! Feest! Feest! Koeken en chocolade! Daar moest vader en moeder een ganse dag voor werken! Hij liep onder het licht van een lantaarn om de franken eens goed te bezien. Het waren enkel drie centen, één goede en twee slechte.
‘Dat is zeker een abuis’, dacht Gommaar, en hij ging terug en klopte op de deur. Maar hoe hij ook klopte, en door het sleutelgat riep, de deur was toe en bleef toe. Hij is dan triestig voortgegaan, triestig maar haastig, om rap t' huis te zijn, en scheel van de honger.
Hij kwam voorbij een bakkerswinkel, en daar lagen zulke schone, verse van suiker-blinkende korentenkoeken, dat het water uit zijn mond liep door er naar te zien. Maar wie koopt er iets goeds voor één goede en twee kwade centen?
Toch trok Gommaarke zijn stoute schoenen aan, en ging de winkel binnen.

‘Meneer de bakker, geef mij eens vier van die korentenkoeken’, en hij lei zijn geld flink op de toog.
De bakker deed vier koeken in een papierenzak, doch in het overhandigen zag hij het geld liggen en riep: ‘Gij zijt zeker niet fijn wijs, dat ge voor slechte centen van dees goede korentenkoeken zult eten! Als ge niet rap weg zijt roep ik de politie!’ Toen kwam het verdriet van Gommaar zijn hart, en hij zei tegen de bakker, dat hij zo ver een grote valies gedragen had, ze hem zo weinig geld hadden gegeven, en dat hij haast ineenvouwde van de honger. ‘Omdat gij zo een honger, en ik een medelijdend hart heb!’ en hij gaf Gommaar een roggebroodje, en stak de drie centen in de schuif.
‘Veel eten aan, in elk geval’, dacht Gommaar en spoedde zich om de stad uit te zijn. Onderwegen meende hij een flinke beet te doen, maar ay! zijn tanden! Het broodje was zo hard als een steen, er moest beitel en hamer bij te pas komen om er een stuk af te krijgen.

Als hij buiten de poorten kwam, was het daar zo stikdonker dat hij al heel voorzichtig moest zijn om niet in een gracht terecht te komen.
Al zijn moeheid was verdwenen en hij liep zo hard hij kon. De ene tegenslag op de andere. Hij kwam ergens waar de baan een tweesprong maakte. Wat nu gedaan? Welke weg moest hij kiezen? Rechts of links? Ach, zo een klein jongsken, zo 's nachts alleen op de baan!
Met te blijven treuzelen was hij niets genaderd. Hij meende te gaan wenen, maar toen zag hij in de verte een lichtje branden. Hij daar op af. Hij kwam aan een boerenhuis, hoorde kinderen daarbinnen en klopte vol vertrouwen op de deur. ‘Wie is daar?’ vroeg een zware stem. ‘
Een jongeske dat verloren gelopen is, en zwart ziet van de honger’, riep Gommaar.

De deur wierd opengedaan en hij mocht binnen komen. Rond de tafel zat er een grote familie botermelkse pap te eten. Hij vertelde in 't kort zijn geval. ‘Goed en wel’, zei de boer, die eens pinkte tot zijn vrouw, maar ze zijn hier juist aan 't ruzie maken voor de laatste telloor pap. Wel, diegene die het verste kan springen, die mag ze hebben. Ik geef u ook een kans.’ De boer zette de deur open; een van de zonen sprong wel drie meter ver naar buiten en ging terug binnen. Dan sprong een andere zoon, en ging terug binnen. Dan sprong een van de dochters, dan weer een zoon, en zo het ene kind na het andere, en na elke sprong gingen ze terug binnen. Nu was 't de beurt aan Gommaarken. Hij lei zijn broodje op de tafel, zijn klak op een stoel, deed zijn blokken uit, nam een loop, en wip! hij sprong veel verder dan diegene die het verst gesprongen was.

‘Gewonnen!’ riep Gommaar. Hij had het woord nog niet uitgesproken, of bonk! de deur viel met een harde slag toe; 't licht ging uit, en hoe dat hij ook riep en kloeg, daar binnen was er genen kik meer te horen. Ten langen leste is Gommaarke dan maar voortgesukkeld in den pikkendonkeren, zonder klak, zonder blokken en zonder broodje. Nu was hij helemaal de weg kwijt, schoof voetje voor voetje vooruit, en ging voort op de tast. Nu eens struikelde hij, botste tegen een boom, trapte in 't slijk.
En 't was stil, stil; nergens was er iets te horen, van ver noch van dicht bij.
Ginder weer een lichtje! Het zullen toch overal geen schelmen zijn, zoals die boer met zijn botermelkse pap. En hij daar weer op af. Hij kwam aan een strooienhutteken, en klopte. Na een beetje wachtens, klonk er van binnen een stem, zo schraal en bibberend, als van een geitje dat men had leren spreken. ‘Wie is daar zo laat in de avond?’

Gommaar, die bij dit geluid al meer goesting kreeg om te gaan lopen, dan om te blijven staan zei: ‘Het is maar om te vragen hoe ik op de steenweg kan komen.’ De deur ging open, en daar kwam een oud meken open doen met een zwarte kat op de schouder. ‘Zou dat soms de toverheks van de Boskant zijn?’ dacht Gommaar. Hij meende te gaan lopen, maar het meken nam zijn hand en trok hem binnen. ‘Kom, lief ventje,’ bleette ze, ‘mijn schranulleken, zit maar op dat stoeltje. Het is seffens gedaan.’
Ze deed de deur op slot, en ging aan 't vuur staan, waar ze vetkeerskens aan 't maken was. Het waren eigenaardige keerskens, dubbele keerskens, lijk twee vingeren die omhoog steken.

Gommaar zag rond. Heel de zoldering hing vol gedroogde kruiden, op een kastje stonden er wel honderd potjes, aan de balken hingen opgevulde vogels en vleermuizen. ‘Dat is hier zeker bij de toverheks’, dacht Gommaar. Hij rilde van schrik en begon de ene weesgegroet na de andere te bidden. Het meken scheidde er uit met keerskens te maken, en zong als een gebed, een liedje, dat de haren van Gommaar er recht van kwamen.

‘Vet
van kinderen, vet van kinderen,
en
daarbij wat paddebloed
maakt
onzichtbaar,
en
brengt geld en goed.’

‘We zullen nu maar gaan slapen, mijn fluwelen oogske. 't Is buiten voor u te gevaarlijk. Kleed u maar uit, ge kunt bij mij liggen, mijn bloemeken fijn.’ Gommaarken gruwelde er van bij zo'n oud schabernak te moeten in bed liggen; maar hij was als betoverd, kon geen woord tegenspreken, en deed wat ze zeide, en kroop bij haar in 't bed. Hij trok zijn voeten in om haar mager lijf niet aan te raken. Seffens snorkte het meken. Hij bleef wakker liggen vol schrik en verdriet. Want hij voelde het wel, als hij sliep, zou het meken hem dood nijpen, en vetkeerskens van hem maken.
Ineens schoot het meken wakker: ‘Mijn kraai! Mijn kraai! Nu heb ik mijn kraai vergeten binnen te halen en ik mag na zonsondergang niet meer buiten....’ ‘Zal ik ze wel halen!’ zei Gommaarken, reeds blij van te kunnen gaan vluchten.... ‘Nooit,’ zei het meken, ‘na twaalf uur mag mijn deur niet meer open....’ Dus was ze toch de toverheks! Hij rilde als een blad.

1810282-8441743edfcef9a2761d5c747a3bcd52.jpg

‘Ik heb een gedacht’, zei het meken. ‘Boven het bed is een vensterken, en onder dat vensterken hangt de kevie van de kraai. Ik zal u opheffen, en dan kunt gij de kevie van de muur nemen. Ach, ik word zwaar, zwaar gestraft, als ze buiten blijft!.... Helpt mijn schaapken, helpt!.... ‘Goed’, zei Gommaar, blij in 't hart. ‘Hef mij maar op.’ Zij hief Gommaarken omhoog, die half door het vensterken kroop en naar de kevie tastte. Hij kon hem zo van de muur nemen. Maar hij was slimmer dan dat.
‘Nog een stootje, meken, nog een beetje!’ Zij stootte tegen zijn billekens, en wip! hij liet zich naar buiten vallen en schoot op de loop. Hij hoorde daarbinnen de toverheks permiteren, doch hij lachte.

Hij stond wel in zijn hemd, doch beter een Gommaar in zijn hemd, dan een Gommaar in toverkeerskens veranderd. Het zal toch eens morgend worden! En nu ging hij er maar op los, en voelde dat hij in een bos kwam. Liever in een bos dan bij de heks. Hij ging maar door. Ineens hoorde hij stemmen en bleef stokstijf staan van schrik. In het licht van een stallantaarn, rond een ton waarop een boek lag en een doodskop, stonden enige mannen met grote messen gewapend. Een was erbij met een doek vóór zijn ogen; die doek werd hem afgedaan, en toen sprak een man, waarschijnlijk het opperhoofd van 't gezelschap: ‘Gij zijt goed bevonden om lid van de Onzichtbare Hand te zijn. Gij hebt alle proeven doorstaan. Nu zullen wij u uitleggen hoe wij werken. Wij kunnen ons onzichtbaar maken, door het in brand steken van de dubbele kaarsen, die de toverheks van de Boskant voor ons bereidt, uit kindervet en paddebloed, en met bijzondere belezing. Wie zulke kaars brandend draagt, is onzichtbaar en de kaars is het ook. Maar het is ons enkel gegund van slechts twee uur lang onzichtbaar te zijn, van een tot drie uur in de nacht. Al de schatten en de gelden worden hier bij die boom gebracht waaronder zij verborgen worden. Om deze boom goed te herkennen, heeft men maar de bomen te volgen, als men van aan 't kapelleken begint, die aan hunne voet een grauw steentje hebben liggen. Zo komt men aan deze boom, die men herkennen kan aan zijn onderste tak, die in twee gesplitst is. Hier onder is de schatkamer, doch daar zult gij eerst mogen inkomen als gij uw zevende moord volbracht hebt.

Bij elke nieuwe maan verdelen wij. En nu zeg ik u nog eens, indien gij ooit iets verraadt van wat gij nu weet, wordt gij levend het vel afgestroopt, dat dienen zal om zakken te maken, waarin ons goud verborgen wordt. Nu gaat gij seffens met mij de notaris uit de stad vermoorden, de anderen moeten het kasteel gaan plunderen! Vóór drie uur hier allen terug!’
De mannen kwamen in beweging, en nu zag Gommaar iets, waarbij het angstzweet als beken over zijn lijf liep. Het opperhoofd van de bende was niemand anders dan de koopman, voor wie hij die valies gedragen had!
‘
Ons Lieven Heerke sta bij mij!’ Hij probeerde er stil van onder te muizen, maar hij trapte op een droge tak. Krak! En hij de gaten uit. Eer hij vijf meter verder was, hadden z'hem bij zijn hemdslip en sleurden hem naar het opperhoofd.

Gommaarken viel op zijn knieën, en smeekte zo erbarmelijk, en riep dat het een abuis was. Hij was verloren gelopen, hij was.... Daar was lezen noch bidden voor. ‘Een spion’, zei het opperhoofd. ‘Hei, daarom waart gij zo rap om mijn valies te dragen. Uw straf zal geweldig zijn, ventje! Morgen snijdt de toverheks u in duizend stukjes, om vet voor haar kaarsen te maken. Gelukkiglijk, want zij kloeg dat haar vet bijna op was. Straks zullen wij u met gloeiende priemen besteken, u onderhoren wie u gezonden heeft. Nu hebben wij geen tijd. 't Is bijna al een uur. Steek hem zolang in de ton.’
Voor Gommaarken nog iets kon gezegd krijgen, pakten z'hem vast, duwden hem in de ton. en sloegen er den boom weer op. Dan trokken de mannen weg.
Daar lag hij nu gevangen in een ton. om straks met gloeiende priemen gemarteld en daarna in duizend stukjes gesneden te worden. Hij riep op zijn moeder en O.L. Heer, verwenste alle cirken met wilde beesten en alle galop-peerdenmolens naar het diepste der aarde. Maar al dat geschreeuw was een plaaster op een houten been. Dan zat hij maar stil te snikken en zijn rampzalige dood af te wachten.

Hij tastte tegen de wanden van de ton. Alles was tonvast, gelijk een echte ton moet zijn. Ha! Gelukkig was het vierkant van de tap niet toe; zo zag hij nog iets van de wereld, of beter gezegd van de hemel. Hij zag de sterren. En hij dacht heel triestig: ‘Morgen ben ik een engeltje in de hemel, en dan eet ik alle dagen rijstpap.’ Magere troost. Daar verroerde iets! Een lichte stap op de afgevallen blaren. Hij probeerde te zien, zijn ogen waren al gewend aan den donkeren. Hij zag een beest voorzichtig naar de ton komen. Het was een vos. Dat wist Gommaarken niet, en toch was het er een. Die vos besnuffelde de ton, terwijl Gommaar zijne adem inhield, door een nieuwe schrik gepakt. ‘Morgen zal mijn haar grijs zijn als een duif’, dacht hij. En als die vos goed gesnuffeld had, hief hij onbeleefd zijn achterpoot op, en deed wat hij niet laten kon.
En alsof de vos beschaamd was, om hetgeen hij had gedaan, wou hij naar vossenaard het met zijne staart weer alles propertjes afvegen. Het einde van de staart kwam elke keer in 't vierkant gat te nauwe.

1810282-ba8b4b699fef42438d20c81a48896ba5.jpg

Gommaar kreeg ineens een goede ingeving. Die komen in de ergste ogenblikken. En als de staart de derde keer in 't gat te nauwe kwam, pakte Gommaar hem met allebei zijn handen vast, stevig vast, en kajiet! kajiet! riep de vos, en schoot op de loop, maar Gommaar liet de staart niet los, en de ton rolde mee.
Bots, knots, bonk! Ah, dat was me een rijden in een karretje zonder wielen. Krak tegen een boom, knots over een steen, geschud over de voren van het veld. Gommaarke wierd geschud als een beurs met lotjes. Maar niet lossen! Hij kreeg builen van hier en van ginder. Ay mijn kop, ay mijn ribben! Maar liever op zeven krukken lopen dan in duizend stukskens gesneden te worden! En Gommaar lachte, lachte dat zijn lege buik er van kermde. Maar hij loste niet, daar kwam het op aan. En de vos kajiete en jankte en liep hoe langer hoe harder met die ton aan zijn staart.

En als dat zo lang geduurd had, ineens een hevige bonk, krakkedekrak, en de ton vloog tegen een boom in honderd splinters vaneen. Toen liet Gommaar van zelf los. En de vos er van onder met een staart, die drie keer zo lang geworden was.

De dag kwam in de lucht, en zie! Gommaar stond nog geen twintig meter van de beek, waar hij gisteren met zijn vrienden, viskens had gevangen! Hij danste van geluk. Doch zo in zijn hemdslip kon Gommaarken niet door de stad gaan. Hij meende zich al in een bosken te versteken om de hulp van de ene of de andere boer af te wachten, als hij ginder een mussenschrik zag! Van de nood een deugd maken. Hij trok die mussenschrik aan, en hij op weg naar huis, met de handen op zijn achterste, dat zich al introk voor de slagen. ‘Dat is niets,’ zei hij, ‘ik blijf toch uit den hele.’ Hij kwam de nog slapende stad binnen, geen mens te zien, maar op een muur plakte een plakaat, waarop, God zij dank, zijn oog viel. Daar stond op te lezen: ‘Duizend frank beloning aan diegene, die het gerecht op het spoor kan brengen van de Onzichtbare Hand....’
Gommaarken heeft in zijn jeugd hard gelopen, maar nooit zo hard als nu, om t'huis bij zijn ouders te zijn.

En ginder stond de vader met een stok in zijn hand aan de deur te wachten, en de moeder stond nevens hem te wenen. Ze kenden hem eerst niet, toen hij daar lachend kwam aangelopen in dat belachelijk mussenschrikkostuum. Maar toen z'hem kenden riep de vader: ‘Hoe durft gij, en dan nog als een zot gekleed, nog onder mijn ogen komen. Kom hier, schelm, dat ik u bont en blauw sla!’ De moeder meende ook van alles te zeggen, maar zij kon niet beginnen, want Gommaar begon te lachen en riep: ‘Sla maar, vader, sla maar, moeder. Het kan er op af! Want nu zijn wij rijk. Laat mij eerst spreken, en geef mij de rammeling daarna!’
Ze lieten hem het dan eerst vertellen. Maar hoe verschoten die mensen, hoe wierden ze weldra anders gezind!....

Een uur daarna stonden zij met hem reeds bij de burgemeester. Die trommelde al de gendarmen op van zeven uur in de ronde. Dezelfde dag werd heel de bende gevangen, met het opperhoofd er bij; de schat wierd gevonden, en de heks had zich van schrik verhangen. En 't was een schone kermis voor Gommaar; een nieuw klederpak, veel bezoek aan de cirk met de wilde beesten, gedraai op de galop-peerdenmolen, smoutebollen, en dan ook rijstpap, rijstpap waarvan hij gedroomd had, toen hij door de tap naar de hemel zag.

Neen, hij moest er geen engeltje voor worden!

*****************

Hoe vind je dit bericht? 3 stemmen
Geschreven door Mon om 00:00 1 reactie Reageer op dit bericht

Felix Timmermans en De Witte

1800048-f3ccdd27d2000e3f9255a7e3e2c48800.jpg

Felix Timmermans en De Witte

Uit De Autotoerist, september 1964

De Witte en Ernest Claes komen uit het Heilig Land van Brabant. Van tussen Scherpenheuvel en Averbode. Die twee gemeenten hebben elk een berg, en op elke berg staat een schone barokke kerk. Die van Scherpenheuvel heeft er een krans van huizen rond, en die van Averbode niets dan zwarte mastebossen. En in elk van die kerken wonen de twee vermaardste O. L. Vrouwebeelden van heel Vlaanderen. Die O. L. Vrouw van Scherpenheuvel is een oud, zwart beeldeken, dat door een herder in een boom werd gevonden, en de Spaanse hertogen Albrecht en Isabella hebben daarvoor een grote koepel laten optrekken, die ze van buiten met gouden sterren hebben laten versieren, en van uit de verte is dat zeer schoon. En het levensgrote O. L. Vrouwebeeld van Averbode, dat nog nieuw is, 't riekt bijna nog naar de winkel, maar het is reeds zeer beroemd, staat in de abdij der witheren, en het torentje komt als een minaret boven de bossen van de berg zien.

1800048-4ad53c7872f9a877cc10d7fc7623180e.jpg

Jaar in, jaar uit doen die twee O. L. Vrouwen wonderen en genezingen, en 's zomers zijn de wegen, die er naartoe lopen, zwart gestippeld van bedevaarders en processies. Wie ooit van zijn leven eens Bruegels in levenden lijve wil zien, die moet daar maar eens op een zondag gaan wandelen, en dan zal hij verschieten, hoe spijt autobussen, radio's en verstopte saxofoons Bruegel nog in zijn volk leeft en het volk nog op zijn Bruegels leeft. Bijna elke bedevaarder, die voor deze O. L Vrouw een keersken aangestoken heeft, gaat dat ook, als hij tijd en meugte over heeft doen naar die van aan de overkant. Dan moet hij afdalen naar het dal, langs de wegen waarnevens het koren te rijpen staat en dan moet hij door het vriendelijk dorpken Zichem gaan, waar de Witte en Ernest Claes geboren zijn.

Wie zou dat ooit gepeinsd hebben! Dat er van daar uit een Witte en een Ernest Claes komen kon! Zo van tussen twee heuvelen, zo van tussen twee O. L. Vrouwen, zo van uit de stilte van blauwe heuvelkettingen, en de geheimzinnigheid der monnikenstreek, waar er nog ingevallen torens van oude riddersloten staan. Wie zou dat gepeinsd hebben? En wie dacht ooit op Zichem ? In de school hebben wij wel geleerd dat de Demer langs Zichem loopt, maar zo iets juist vergeet men het rapste. Ook weet iedereen dat men te Zichem van trein moet veranderen, en dat men daar heel lang wachten moet op de trein of de tram die u moet voeren naar een van de heiligdommen, die u zo van hier ziet liggen. Er is daar in Zichem een oud kerksken in bruine ertssteen, een watermolen en een plein met bomen. En verder is er, geloof ik, niets biezonders in Zichem. 't Is ook niet nodig.

Men kende Zichem omdat men er per abuis door moest om van de ene O. L Vrouw naar de andere te wandelen of omdat men moest wachten naar de trein, en men at er aan een herberg zijn boterham en dronk er zijn fleskensbier, dat kittelde in de neus. En er was niets biezonders te zien, ook niet aan de mensen, noch aan de mussen, 't waren mensen en mussen zoals overal... Men hoorde in de stilte soms wel iemand op een koperen bugel een moeilijke solo repeteren, en men dacht: hier op dit dorp is er een harmonie zoals op elk dorp. En men hoorde de kinderen in de nabije school hunne lessen spellen, en men dacht: dat is hier een school als op een ander, en men bekloeg onwillekeurig die schoolmeester, zoals men alle schoolmeesters beklaagt En men zag de pastoor, een oude pastoor, die al brevierend naar het bruine kerksken stesselde, en dan dacht men in zijn eigen: dat is een pastoor lijk alle pastoors. Ja, en men hoorde de watermolen bruisen, en men zag de mulder van die molen door zijn venster liggen, lijk alle mulders overal en altijd door hun venster liggen. En dan heeft men zijn pint uitgedronken en men is verder gegaan naar de andere O. L. Vrouw, en daarna heeft men nooit meer op Zichem nagedacht Hebde gij van uw leven op Zichem gedacht?... Niemand dacht er op.

Tot er ineens de Witte en Ernest Claes uit te voorschijn kwamen, en de lach in ons hart kwamen gieten. Van toen af weet iedereen in 't land dat Zichem tussen twee O. L. Vrouwen ligt, dat het ligt in een streek van gebeden en legenden, in een land van lemen hutten, in een land van abdijen, van wildstropers, en waar er nog spoken zijn, ja, echte spoken. Een land waar de vertellingen zo maar voor het grabbelen liggen, waar het uitzicht evangelisch schoon is, en waaruit nog nooit een kunstenaar gekomen was. En nu mag er geen bedevaarder meer naar Scherpenheuvel of naar Averbode gaan, of hij zegt tot degene die hem vergezelt, of hij zegt tot zijn eigen: « Daar, ginder woont de Witte, hier is Nest Claes geboren. » En hij lacht onder het bidden van zijn paternoster en hij hoopt de Witte in eigen persoon tegen te komen, en als hij een mens met wit haar ziet, en ze hebben daar veelal wit haar (Ernest Claes ook), dan denkt hij: " Dat is hem ". Maar het is hem natuurlijk niet En het beeld van de Witte zit in de bedevaarden een tijd lang in hun kop. En ze zien hem. Ze zien hem te veel zout in de patatten laten doen, ze zien hem op zijn Adams naar huis komen als ze zijn kleren hebben meegenomen, toen hij aan 't zwemmen was, ze zien hem in de catechismus, en hem die sigaarkens pikken bij meneer Boon, en dan in zijn te lang hemd, en als hij die muts van die boer uit de andere trein pakt en heel de historie van de Witte tuit doorheen de paternoster als een scheepstelegram doorheen radiomuziek. Ja, de Witte is een aangenaam boek. De Witte is een stuk van Vlaanderen geworden.

Dit boek hadden wij nodig. En de dingen die wij nodig hebben blijven bestaan, de andere zakken van hun eigen. Wij houden van de Witte, gij en ik, omdat wij er ons zelf in terug zien, onze jeugd. Ja, zo iets hebben wij gedaan, of wensen wij gedaan te hebben, zo iets van dat vrije durvende, alles trotserende.

De Witte is het leven van een overwinnende jeugd. En dat is zeker een van de bezondere redenen waarom wij het boek zo lief hebben. Hij heeft de melk van Reinaart gedronken en de geest van Uilenspiegel genoten: moed en levenslust, en dan wordt er u veel vergeven.
Wij houden van levens die ons iets geven wat wij te kort hebben , of wat wij verloren zijn. Nietwaar? Men is een volwassen mens geworden, men bekleedt een positie in de maatschappij, en dat is allemaal heel schoon van ver.

1800048-c3e089906f123451cd19be423a3fd7cb.jpg

Maar, kom, zeg het rechtuit, we hebben wij toch, helaas, allemaal veel achter ons moeten laten van het schoonste uit ons leven. Durf, droom, vreugde, spel en vooral de vrijheid. Die laat zijn droom onder water, voor zijn betrekking, die voor zijn decoratie, die voor de erfenis van zijn suikertante, en die andere voor wat anders, en dat is ten slotte allemaal heel menselijk, want we hebben schrik gekregen, — elkendeen heeft het recht van schrik te hebben, — van echte spoken. Ja, we dragen onze jeugd doorheen ons leven. Dat is waar, maar in doekskens. In doekskens van konventie of van andere dingen, met of zonder reden. Maar als ge dan zo op een schone keer «De Witte» in handen krijgt en ge leest daarin, dan vindt gij uw eigen daarin terug. Dan voelt gij uw eigen doorheen de doekskens. Gij en ik en een ander vinden ons daarin. En we salueren die Witte, en we zijn blij dat wij ons eigen teruggevonden hebben, 't Was vroeger toch zo goed en schoon! Daarna zegt men wel tot zijn zoontje: Manneken, houd u deftig... Maar van binnen in 't klokhuis van ons hart betreuren wij dat we onze Witte in doekskens moeten doen.

En dan houden wij ook van het boek, omdat het zo goed en mals geschreven is. Want we kennen wij allemaal nog veel plezanter grappen dan die van de Witte. Na de Witte van Zichem hebben er zoveel Wittekens in Vlaanderen onder een andere naam een papieren geboorte beleefd. Maar ze leven niet door. Ze komen niet tot aan ons hart. Ernest Claes heeft over de Witte dat mystieke waas van dichterlijkheid geasemd, dat meer tussen de regels dan in de woorden ligt.

Het is dat wat men niet ziet, maar wat het hart gewaar wordt.
Het is de vitamine, het leven. Iets vertellen is niets, 't hangt er van af wie het vertelt.
Dank om de Witte en om Zichem!

Dichters zijn ontdekkers van landschappen. Want Ernest Claes gaf ons ook een nieuwe streek te zien, de streek van het Heilig Land van Brabant, met zijn heuvelen en zijn mensen. Achter de Witte, die groots voor ons oprijst, zien wij nu ook Pastoor Munte, de wildstroper Wanner Raps, en al die schone aangename mensen uit de streek van Ernest Claes, en wij horen de fanfare der Sint-Jansvrienden hare stapmarsen spelen. Het is een wereld.

Ha, nu weten wij wie die pastoor was die naar de kerk ging toen wij aan die herberg zaten fleskensbier te drinken ; het was Pastoor Munte, verdorie, en die daar toen op die piston speelde om er schele hoofdpijn van te krijgen was er een van de Sint-Jansvrienden, en die mulder, wel die mulder was degene die door de Witte aan de katrol werd gebonden.
En Wannes Raps... Ja, nu kennen wij al die mensen van Zichem. En 't zijn bezondere mensen, en Zichem is een bezondere gemeente, omdat Ernest Claes zijn volk en zijn streek bemint, en vooral omdat hij een grote dichter is.

Maar wie had dit ooit van zijn leven kunnen denken als hij te Zichem een half uur naar de trein moest wachten ? Ge ziet, alles is mogelijk!

11 april 1930  –  Felix Timmermans

******

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Mon om 00:00 Reageer op dit bericht

De Triomf van Timmermans' Mirakelspel in Nederland

De Triomf van Timmermans' Mirakelspel in Nederland.

Een Tooneelgebeurtenis beschreven op vrijdag de 13 februari 1925

De Gebeurtenis van den dag op tooneel-gebied in Nederland is het triumphale succes dat het mirakelspel van Felix Timmermans « Als de Sterre bleef stille staan » te Den Haag en Rotterdam behaalt. Voor de katholieke Vlaamsche tooneel-literatuur is de eer van dezen triomf groot, want in de uitvoerige kolommen door de Nederlandsche bladen aan deze gebeurtenis gewijd — sommige bladen wijden niet minder dan vier feuilletons aan de première! — werd op het door-en-door Roomsch-katholieke en innig-VIaamsche van het gevierde spel van Felix Timmermans veel nadruk gelegd.

E.P. Hyacinth Hermans, schreef in « De Maas-bode » een geestdriftig stuk over de eerste opvoering te Rotterdam die een even reusachtig succes is geworden als de opvoeringen te Den Haag. Wij laten die opgetogen bespreking hier volgen :
« Het triumphale succes, dat het Hofstad-Tooneel verleden week bij de première van Timmerman's Mirakelspel « En als de ster bleef stille staan... » in den Koninklijken schouwburg te 's-Gravenhage behalen mocht, heeft zich gisteravond bij de eerste opvoering in den grooten Schouwburg te Rotterdam aldoor in stijgende lijn geprolongeerd.

Deze schitterende tooneelgebeurtenis behoort tot de « daverende dingen van den dag ».
In Den Haag viermaal achtereen een uitverkocht huis, bij de tweede voorstelling al vereerd met het bezoek van de koninklijke familie, nu in Rotterdam den eersten avond al een nokvolle schouwburg, die de levende belangstelling bewees welke er bij het publiek voor deze ongemene tooneelvertooning bestaat.
In de eerste plaats geldt dit natuurlijk het frissche oorspronkelijke talent van den schrijver Felix Timmermans, die in Holland door zjjn boeken en voordrachten ee
n aldoor groeiende populariteit geniet, en wiens figuren, nu op het tooncel gebracht en bezield door het levende woord een nog grooter aantrekkingskracht op zijn vereerders moeten uitoefenen.

Maar daarnaast komt de scheppende daad van den knappen regisseur Cor van der Lugt die het werk van den Vlaamschen auteur ten tooneele heeft weten te brengen op een wijze, dat er zulk een plastische en dramatische schoonheid uit zijn simpel Kerst-vertellingske groeien zou.

1799545-e1b21d34da4766ebccac3bbaaa445fe8.jpg

Hoe bekoorlijk dit en ook later het gedramatiseerd manuscript ook geschreven was, de regisseur die het aandorst dit spel ten tooneele te voeren, kwam voor de oplossing van technische moeilijkheden te staan, zooals zich maar bij weinig tooneelvertooningen voordoen. Want men moet niet vergeten dat bij groote opvoeringen van stukken, welke als gebeurtenissen in het, tooneelseizoen worden aangemerkt, de artistieke leiders bijna altijd het voordeel hebben dat zij zich kunnen richten naar het voorbeeld van het buitenland. Zij kunnen dat ieder naar hun eigen smaak en oordeel wijzigen, maar in elk geval de richting is aangegeven, het model en voorbeeld zijn er. Bij de regie en ensceneering van dit oorspronkelijk Mirakelspel van Felix Timmermans heeft Cor van der Lugt Melsert, geen richtend voorbeeld voor oogen kunnen hebben, hij was gedwongen alles van den grond af uit te stippelen, alles op te bouwen, elk detail tot in de kleinste finesses te verzorgen.

Hij heeft zich weken en maanden in den geest van het stuk, in het Vlaamschen Katholieke volksleven moeten inleven, en met een aangeboren smaak en zeldzame fijne aanvoeling heeft en er vooral bij zijne regie voor moeten zorgen dat het boertige en blijgeestige, dat de visie van Timmermans zoo rijk is maar met al zijn vaak grove realiteit zoo ontroerend contrasteert tegen een religieuzen achtergrond, dat juist dat boertige het religieus-vrome niet trekt naar het belachelijke. Dat nu is de groote verdienste van Cor van der Lugt, dat zijn regie spel en geest zoo volkomen beheerscht.

En hoe groot juist deze verdienste, is blijkt te meer uit sommige opmerkingen van tooneelcritisi der Haagsche bladen, waaruit men kan opmaken, dat zij den geest van het stuk niet geheel hebben aangevoeld noch begrepen.
Zoo kon de heer Borel niet begrijpen dat bij sommige passages en gezegden van den gullen Schrobberbeeck of van den gauwen Pitjevogel vaak zoo smakelijk werd gelachen. Wij hebben niet anders verwacht, bij dit spel van fijnen humor en tegelijk van religieuze ontroering.
Dit is de echte Roomsche lach, niet alleen een spontane prikkeling van de nerveuze lachspieren, maar een lach die even spontaan opwelt uit het Roomsche hart, een lach, die meteen bijval en ontroering beteekent.

Als de vagabond .Schrobberbeeck zich bij het Zoetelieve vrouwtje verontschuldigt, dat zijn ziel zoo zwart is gelijk zijn voeten, dan zal elke Roomsche lachen om de origineele uitdrukking maar meteen de ontroering voelen om de ootmoedige vergelijking van dezen armen zondaar. Naast de feillooze regie, waarvoor Cor van der Lugt alle eer is gegeven heeft deze buitengewone artist mede zich het voorrecht willen voorbehouden zelf de rol te creëeren van den ouden schaapherder, die van het ongemeene Driekoningen-drietal wel de fijne aristocraat is van gemoed.

Dat treft al dadelijk als wij 't verschooierde drietal onder de lamp rond het tafeltje zien zitten in de estaminet van Polien. Dat was als een doek van Ostade. Maar ondanks al de pooverheid van zijn schamele figuur hoe mooi, hoe aristocratisch fijn tooneerde v. d. Lugt's oude Suskewiet met zijn grijze levenswijze kop tegen het ronde vagebonden-type van Roemer-Schrobberbeeck en den guitigen Pitjevogel van Hans van Ees.
En Polien zelf als de waardin, hoe was de Vlaamsche herberg als een lijst rond haar bazige persoon. Een kleine maar weer een prachtig getypeerde rol van Juliette Roos.

Ook dat mag en moet van al deze artisten van het Hofstad-Tooneel gezegd worden, dat zij zich allen, in rollen groot en klein, met een zeldzame piëteit aan de zuivere uitbeelding van dit stuk hebben gegeven. En hoe rap was hun zinrijke taal, waarmede niemand ook maar docht een oogenblik te modderen. Tot het laatste oogenblik toe was het een genot naar den Schrobberbeeck van Anton Roemer te luisteren, lachen deed hij ons om ons in den gelijken lach weer meteen diep te ontroeren. Suskewiet, Pitjevogel en Schrobberbeeck waren drie levende kerels om heel een avond het tooneel te vullen.

En dat is juist het aantrekkelijke in dit stuk, dat rond deze drie levensechte schobbers het fijn-ontroerende mirakelspel speelt, Dat brengt ook juist de geweldige ontroering die bijna tastbaar over den vollen schouwburg hangt, als onmiddellijk na de rumoerige herbergscène, de drie vrienden, kinderlijk als de Driekoningen uitgedost, bij nacht in de sneeuw verdoold en den weg bijster geraakt, bangelijk biddend om uitkomst, door een grijzen nevel opeens het rosse lichtje zien gloren van den foorwagen, en daar voor de voeten van het pasgeboren kindeke al hun moeizaam verzameld hebben en houwen eerbiedig neerleggen. Een sublieme vondst van den naieven auteur, dat door het spel en de knappe mise en scène tot een meesterstukje van tooneelkunst is gemaakt.

Volgde de tweede acte, die minder dankbaar misschien, den regisseur technisch nog moeilijker eischen stelde. De schapenkooi in het zonnige sneeuw-landschap deed van zelf denken aan een levend schilderij van Mauve.
Maar dan volgde in den tweeden Kerstnacht het sterven van den ouden Suskewiet. door Cor van der Lugt met de hem zoo eigen ingetogenheid meesterlijk gespeeld. Maar dan moet voor zijn stervende oogen in de donkere hut het lichte vizioen opengaan, waarin het Christus-kind, het Kindeke-Groot, zooals Timmermans het aanduidt, den ouden vromen herder komt halen voor het Kerstfeest in den hemel. Hier komt de moeilijkheid van het Christuskind op het tooneel te brengen. Een kind mag het niet zijn, dat verbiedt heel nuchter de arbeidswet, maar ook al zou het een kind hebben mogen zijn, hier werd meteen een acteur of actrice gevraagd met het juiste begrip. Annie van Ees met haar vrouwelijk teere figuur verbeeldt nu het Kindeke-Groot in 'n pure innigheid, en zoo werd het tooneel van het witte Christuskind dat den ouden, uitgeleefden, versjovelden herder naar het gouden verschiet van den open hemel leidt, tot een ontroerende groep.

De heer Henri Borel meent, dat men « fervent catholique » moet zijn om nu nog in onzen tijd aan de bangmakerij van duivel en hel te gelooven. Vandaar dat hij in den satan van Keuler niet meer ziet dan een duivel. Zelfs als blague is het wat afgezaagd-goedkoop gezegd. Maar waar zelfs Borel nog wel gelooven zal aan een trek naar het kwade in den mensch, is de duivel als de personificatie van het kwaad ook op het tooneel nog wel een acceptabele figuur.
Wij zouden in het milieu van dit spel dezen duivel niet willen missen, al was het alleen om het hartstochtelijk spel van Hans van Ees als den gefolterden Pitjevogel in de derde acte, en vooral niet om de sublieme scéne van Annie van Ees als de diep ontroerende O. L. Vrouw van Zeven Weeën in haar prachtig kapelleke tusschen de nachtelijke, Bagijnenbosschen.
Annie van Ees, gisteren Brusse's Boefje, vandaag het innige Onze lieve Vrouwke van Zeven Weeën, wie heeft gisterenavond bij dit tooneel eerst met Pitjevogel en toen met den grooten rauwen Schrobberbeeck, niet een stille hulde gebracht aan het scheppingrijke talent van deze knappe actrice. Blijft ons nog over de Schrobberbeeck van Anton Roemer, wien heel den avond de malsche Vlaamsche taal zoo smakelijk van de lippen rolt gelijk een watervalletje.
Alleen om dezen zoo beduidenden artist in deze nieuwe creatie te zien van vagabondeerenden landlooper, wien de kiekens zoo bekoorlijk dicht langs de voeten loopen, en wiens handen rapper zijn dan zijn gedachten is een gang naar de « Sterre » waard.

Hoe suggestief was hij in z'n angst voor het weer vreeselijk-heilige dat hem in den derden en laatsten Kerstnacht zal gebeuren. « O God, laat U niet zien,, ik zal toch wel van mijn zonden bekeren! » Maar toch ziet hij God, levend geworden als de Christus aan het kruis op den Water-heuvel, terwijl in het heilig uur van den Kerstnacht alle lieve Vrouwkes van heel de streek dankbaar-blijde om het kruis heenstaan. Dan knielt ook Schrobberbeeck berouwvol neer en is evenals de andere twee kameraden... « binnen gegaan ».
Toen het doek voor de laatste maal viel, waarde nog een oogenblik stilte rond het ontroerende publiek. Dan rees het dankbaar op en bracht recht slaande een geestdriftige ovatie aan den knappen spelleider Cor van der Lugt en de voornaamste spelers voor dezen zeldzamen avond van hooge artistieke bekoring.

Het Hof-stad-tooneel heeft dezen avond te Rotterdam een première beleefd zooals het in de geschiedenis van zijn bestaan nog niet te boeken heeft gehad.

************

EERSTE OPVOERING
' De Ster ' wordt voor het eerst opgevoerd op 5 februari 1925 in de Koninklijke Schouwburg van Den Haag door het Verenigd Rotterdamse Hofstadtoneel onder leiding van Cor Van der Lugt Melsert. De creatie kent een enorm succes. Na vier voorstellingen, waarvan Koningin Wilhelmina er één bijwoont, verhuist de productie naar Rotterdam en spelen de acteurs ook hier voor een nokvolle schouwburg.

De Standaard schrijft op 13 februari:
"Een toneelgebeurtenis: de triomf van Timmermans' Mirakelspel in Nederland!". De Nederlandse pers is niet onverdeeld positief, maakt voorbehoud bij "het dwaze volksgeloof' en "de malligheden" in het stuk, maar prijst de vrome intentie en de plechtige wijding van enkele zuivere taferelen.

*-*-*-*-*

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Mon om 00:00 Reageer op dit bericht

Baron Isidoor Opsomer - Felix Timmermans

Baron Isidoor Opsomer

Toespraak van Felix Timmermans

Een stoet van schilderijen — een uitbarsting van gevoelens. — Men houdt zijn hart vast. Spontaan, zo direct van uit het hart en het oog op het doek gesprongen, in een roes van geluk. Zo begonnen zo geëindigd. — Zonder te eten, zonder te snutten, in een drift, een koorts. — Zo gedaan, dat bij de laatste borstelstreek Opsomer ineenzakt op een stoel, uitgeput en ledig van inspanning, een vod. Water — Azijn —…

Ziedaar ongeveer wat men denken moet, als men zijn schilderijen ziet passeren. Maar dat wat ge peinst is het niet. Neen, het zijn geen gebokste schilderijen, de kleuren storten zo maar niet uit zijn penselen. Zij zijn de vrucht van een lang werk, gewetensvol afgewogen, uitgezocht en gerijpt Het is spek dat lang in het zout heeft gelegen, wijn die op snee is geraakt door 't liggen. Achter elk schilderij steekt er een tast van ingediepte studies; elk doek is voorafgegaan van schetsen, krabbels, brouillons, zoekers, die de kunstenaarsvisie uit de schemer der verbeelding proberen naar voren te brengen. Alles gebeurt onder streng toezicht, niets dan de boter drijft boven, en de botermelk gaat door het mozegat. En op een schone Opsomerse dag wordt het maagdelijke witte doek voor de pinnen gehaald juist naar de gewenste afmeting, schoon om zien, plezierig om te bestrelen. Ja, ja dat is er allemaal bij nodig.

Nu kan de visie gezuiverd en beteugeld gestalte aannemen, in vrede en vurigheid tegelijkertijd. Ge kunt er gerust een pijp bij smoren. Het muziek zit in de vingeren. Neen, een goed schilderij is zo maar niet ineens van zijn moeder gekomen. Ik zal U iets vertellen. Er was eens een Chinese Keizer, die een schone vechthaan had, en die wou hij laten uitschilderen door een bekende Chinese schilder. Door er een vlugge schets van te nemen, prentte zich die kunstenaar het beeld van die vechthaan in zijn geheugen. Hij moest die schets nu uitwerken tot een schone schilderij, die hij aan de Keizer moest leveren, tegen de prijs van drie gouden vazen. Doch de kunstenaar scheen er niet haastig mee te zijn, het schilderij bleef weg. De Keizer liet er telkens naar vragen. „Nog niet af" was het antwoord. Zo na een jaar kwam de Keizer zelf om het schilderij. "Zet U neer Sire" zei de kunstenaar „ik zal het seffens gaan maken, wacht hier wat."

En hij verwijderde zich in zijn atelier. De keizer smoorde ondertussen enige sigaretten of speelde met zijn tenen, ik weet het niet. Maar in elk geval een uurtje nadien, kwam de kunstenaar terug met de prachtigste hanenschilderij, die de Keizer ooit gezien had. Hij kon zijn bewondering niet inhouden, maar vond toch dat de drie vazen nog al rap verdiend waren, zo op minder dan een uur. Toen bracht de kunstenaar de keizer naar zijn atelier, en daar hongen meer dan vijfhonderd geschilderde hanen. Allemaal zoekers om de goede te kunnen maken. Zo werken de echte kunstenaars.

Ga niet denken dat het schilderij een kopij moet zijn van de schets. Ach, bijna iedereen, die de borstel hanteert, kan een goede schets aan 't licht brengen, maar om er een goede schilderij uit te halen, die de spontaneïteit, de frisheid van de schets behoudt, dat is aan weinigen gegeven. Daar zijn er veel in gestikt. Ze verliezen grond, worden plat of te koekachtig. En door zo gestadig ernstig te werken bekwam Opsomer stiel en stijl.

De stiel moet men veroveren, de stijl heeft O. L. Heer U meegegeven.

De stiel is het werk, de stijl de inspiratie.

Door de stiel bekomt men de stijl. Naar aanleiding van een tentoonstelling van mijn vriend Oscar Van Rompay heb ik nog geschreven: "De grote stiel der primitieven maakt de grote mystiek der primitieven uit." Dat zeg ik nog. Door de stiel vangt men de Heilige Geest.

Het onderwerp komt bijna niet in aanmerking. Het onderwerp is slechts de aanleiding.

In mijn boek "Pieter Brueghel" is er een gesprek tussen Jan Nagel en de jonge Brueghel: "Luister Pieter" zegt Jan, "ge ziet nog te veel naar het onderwerp, dat heeft niets te maken. 't Is eender wat ge schildert: vrouwenvlees, eieren, hesp, fruit, landschappen, duivels, sint Antonissen of engelen, als 't maar goed geschilderd is, is 't goed. Gedachten, ontroering, mystiek, en wat ze daar rond vertellen, dat is zever in pakskes, dat schrijft ge in een boekske. Poot, Borstel, dat moeten we hebben."

" 't Spreekt vanzelf" zegt Pieter Brueghel "dat alles goed moet geschilderd zijn, maar een engel, die goed geschilderd is, is toch meer dan een gebarsten kruik, die goed geschilderd is." "Goed geschilderd is die kruik ook een engel" riep Jan Nagel, "en ik zal U nog meer zeggen, ziet ge die rotte viskop daar liggen in de goot? Ewel ik kan hem nog niet bezien, ik mag geen vis, maar goed geschilderd is die viskop zo mystiek als een engel, en nog mystieker als hij beter geschilderd is: God in de verf trekken. Wij vangen God met onze verf, als een heilige met zijn gebeden, en Hij heeft het gaarne en lacht ons toe."

En om het op zijn Nagels uit te drukken: Opsomer heeft een prachtige poot. En door die poot kwam de stijl, de persoonlijkheid, het eigen palet. Doch dat bekwam hij zo maar niet ineens. Daar is een volle platte wagen werk voor nodig geweest. Een overvloed van tekeningen, schetsen, akwarels, olieverf, litho's, etsen, studies met en zonder krijt. Een volle zolder. Opsomer heeft zijn stijl en persoonlijkheid stuk voor stuk moeten veroveren.

En dikwijls met de Engel moeten vechten, die hem de weg versperde. Persoonlijkheid? Het is niet genoeg van iets te zijn wat een ander ook is. Ge moet u zelf zijn. 't Is juist dat waar wij naar luisteren. Naar u zelf. Ge moet mij niet doen denken aan Rubens, Rembrandt, of aan mijnheer Van Gogh of een ander. Een kunstenaar is een wereld op zichzelf met eigen sensaties, waarnemingen en resultaten, 't Is die wereld die ons belang instelt. Van Gogh is van Gogh, maar laat Opsomer Opsomer blijven. En hij is het. Is het geworden. Velen durven zich zelve niet zijn. Ze twijfelen aan eigen kracht, vrezen hun eigen wereld. Isidoor Opsomer heeft veel met die twijfels te doen gehad, was bang, voorzichtig. Hij zag door een brilglas van Baertsoen in zijn vooroorlogse stadszichten, hij bleef haperen aan Alexander Struys, er was druk van Breitner in zijn oorlogs-Hollands werk, na de oorlog speelde de Franse schilder Vlaminck hem verschillende parten, en dan was er vooral God de Vader, bijgenaamd Permeke, die hem aan de tanden loterde!

1798173-8b573bd87811a547fc3c4540c03574cb.jpg



Och, men kan van al die mannen leren, maar er van onder uit geraken. Daar zit de knoop! En Opsomer heeft er zich van losgeworsteld. En triomfantelijk. Dat heeft strijd, moeite en pijn gekost .Och, de mensen zien een artist aan zijn werk of ze zien hem wandelen, en ze denken dat hij rustig is als een visser, die naar beet zit te wachten. Maar van binnen wordt er gevlamd, gestreden, gebruukt om vrij en los te komen. Dat zijn harde noten, en wie ze wil smaken moet ze zelf kraken. Opsomer heeft ze gekraakt, en is gelukkig elke keer als een kat op haar vier poten op de grond gekomen. Altijd opnieuw beginnen, niet zakken, de troef er in houden, en zich niet laten verstarren in een geval. Opsomer heeft zich niet bij een pekelharing gehouden, hij heeft naakt geschilderd, stillevens, interieurs, composities, processen, klappeien, typen en portretten, en niets heeft hij voorbijgegaan. Ja één ding: de boer op het veld, ik weet niet waarom. Doch buiten dit, heeft hij van alles de kazak vol gestoken.

En, altijd, als Pieter Brueghel, naar den levene gewerkt. Dat wat hij met zijn ogen zag, met zijn blik kon omvatten. Het uitzicht van de dingen, het leven rond hem, rond ons. Heeft geen dromen geschilderd, geen fantasie gestalte gegeven, buiten de twee Godecharles, maar toen was hij nog op school, en die heeft hij dan nog in onze tijd of in ons schoon Lier geplaatst. Het leven zoals het rond ons draait en zwaait is al schoon genoeg, en al moeilijk genoeg om er nog assistentie van hogere orde bij te halen. Daarbij Opsomer is geen fantast, hij kent zijn grenzen, weet wat hij overmeesteren kan en wat niet, maar daardoor blijft hij gezond, waar en echt. Die zin voor de schone realiteit, de vrees voor de fantasie, gefilosofeer en theories heeft hem dan ook gered van de uitwassen, die de moderne kunst met hare experimenten tot een blinde-darmontsteking heeft gebracht. Hij deed niet aan 't futurisme van haken en weerlichten en zwevende neuzen; hij deed niet aan 't confetti-luminisme, niet aan 't cubisme en nachtmerries van vierkanten, die tot zelfs een oog, de bril van de W.C. vierkantig verlangden. Niet aan 't zwabberisme dat huizen en torens zat doet waggelen en niet aan 't blazisme dat van een schone, naakte vrouw een ballon-captif maakt. Hij heeft slechts aan een isme gedaan. Aan het waarheidisme, het realisme. Hij schildert naar de natuur. Hij schildert de dingen en mensen zoals hij ze ziet door zijn ogen en niet door de woorden van de boeken. Hij is voor alles getrokken en aangezogen geweest door de kleur. De kleur van de dingen. In de aanvang, 't was mode en de eis van de tijd, schilderde hij ook het vertelsel van de dingen.

Opsomer heeft op zijn doeken in 't lang en in 't breed vertelt de dagelijkse historie van ons stadje Lier. Jezus komt er, achter de kerkepoort, in een schuitje prediken, heel gewoon, zonder vlaggen of trompetten, en de mensen luisteren ook gewoon, zoals ze met dezelfde belangstelling, in de halftwaalfmis naar de preek luisteren. De processie gaat uit op het Begijnhof met Margritje, en we herkennen de Clootens, Tistje Schoeters, Heilige Frans, Mie Pendule en den Tik-tak van 't Begijnhof. De vrolijke animatie van de 's Zaterdagse markt; de babbelaarsters met klein Mieke en de moeder van Julleke de zanger; de vismijn; het vrome uur der vespers; typen uit het Cellebroers; de pekens uit het Godshuis; de straatjes en pleinen, en dan vooral de toren, de Sint Gummarustoren, in alle weer en winden. Zoals de Japanees Hokusai honderd verschillende aspecten van de Heilige Berg Foujitha gegeven heeft, zo heeft Opsomer tientallen keren, als het er geen honderd is, over onze goede, dikke, vertrouwelijke Sint Gummarustoren verteld. Maar het meest wist hij te vertellen over het Begijnhof. Het is Opsomer, die na Anton Bergmann in zijn Ernest-Staas, het Begijnhof terug heeft ontdekt.

Hij houdt er aan, al de kleine dingen aan te halen, die de indruk verhogen. De kleur van de vochtige, doorzompte stenen, opgevreet van rhumatiek en ouderdom; van de bemoste dakpannen; van de afgeschilferde deuren; van de bloempotten achter de petrolkleurige ruitjes. Hij evoceert een poëem. Toch is het niet Gotisch, ik wil zeggen niet mystiek, geen begijnhofatmosfeer. Omdat het niet om het karakter van de dingen gaat, maar meer om de kleur alleen. Hij vertelt van de kleuren om de kleur. Hij komt niet naar 't Begijnhof om de stilte te schilderen, hij blijft niet staan luisteren naar een lekkende goot, niet naar de wind in de begijnevest-bomen of naar de mussen in de zon. Hij komt om te schilderen. In 't begin dan haperde hij wat aan de venstervierkanten, aan de vorm van een deurklink. Maar stilaan valt meer en meer het vertelsel, het anecdotische weg, de kleur alleen dringt zich op, dringt het narratieve naar de achtergrond, en ten slotte is het onderwerp nog enkel een pretexte, een voorwendsel om de kleur haar volle batavier te kunnen laten gaan. Vooral in de doeken van de laatste jaren. De kleur speelt nu eerste viool. De plezante straatsteentjes, de kleinigheden op muren en hoeken, weg, radicaal weg, omver en weggespoeld door de dronken kleurenroes. De huizen zijn enkel nog silhouetten, hier en daar nog een veeg, een plek, een toets, die een venster of een deur doen vermoeden. Het is de triomf van de kleur. En de poëzie die hij vroeger in het detail zocht, verkrijgt hij nu op een magistrale wijze door de harmonie der tonen. Dus Lier als vertelsel heeft voor hem afgedaan, amen en uit. Maar de kleur van Lier blijft in zijn werk. De Lierse kleur. Het olijfgroen van het water, het Engels rood der daken, het kermis-wit der gevels, de zachte oker van de straatstenen, dit parel-blauw en ritselend zilver onzer bewegende luchten, de zij-ige glanzen van het slijk als het water laag is. Ge zult die kleuren over al zijn schilderijen vinden, zowel in dit Hollands stadszicht, als in dit liggend naakt, in het stilleven met de broze eieren en zwarte pot, zowel als in de zeilen achter die Katwijkse vrouw. De kleur is het leven van zijn schilderijen. En zij leven omdat zij zo stiel- en stijlvol geschilderd zijn. Zeg nu niet, of zeg het wel, het komt overeen uit, er is geen fantasie in dit werk, geen grote mensencomposities, geen schepping, geen gedachten.

Ik zelf houd van fantasie, ja zelfs van het vertelsel in de schilderij, zelfs van het documentarische. De grote Vlamingen deden niets anders. Brueghel ons aller vader heeft er zijn kunst mee gevuld, maar hoe? Hij bleef niettemin een groot schilder. En het gaat er hier om, om het schilderen. En Opsomer heeft van onze grote schilders overgeërfd: dat wat aan die kerels het liefste was: de kleur.

Maar al lang zat er twijfel en voorzichtigheid in Opsomer, hij had wat Paul Colin terecht zegt, steeds de vrees om eenvoudig te zijn. Al lang zat er iets in hem te wroeten dat klaar naar voren wou komen. Portretten schilderen! Hoe gaat dat, ge kunt toch alles niet kunnen. En dat wat ge het meeste vreest van niet te kunnen, roept U op zekere dag uit uw schelp, ge staat er voor, ge moet er door. En zie! Was het dat maar? zegt ge als 't voorbij is.

Opsomer schildert het portret van Mr Albers uit Lier. Niet slecht "Door, dat moet ge nog doen, dat is genereus gedaan." Hij portretteert Charles Bernard. "Ziet ge wel Door, dat ligt in uw lijn." Dan pakt hij mij aan. En het is een verovering, een nieuwe vlucht. Van alle kanten proficiats.

1798173-2fbf68a1b325e78f3b8c27e87cef745b.jpg

Hij heeft nog wel vier portretten van mij geschilderd, ik breng geluk aan... En dan volgt die heerlijke Camille Huysmans met zijn nerveuze handen; nadien die rij degelijke portretten van ministers, burgemeesters, graven en tot dat van Koning Albert toe. En ook die portretten hebben zijn hand, zijn kleur, toets en tonengeschommel. De portretschilder staat voor onvoorziene moeilijkheden. Als realistisch-impressionistische schilder mag Opsomer een toren zijn schouders doen optrekken, vensters overslagen, een brug leggen waar er geen is, en zoveel schouwpijpen bijplakken en afrukken als hij maar wil: kwestie om harmonie te scheppen. Maar een portret is een portret, twee ogen, een neus, een mond. Die twee ogen, en die neus en die mond zijn van die mijnheer en niet van U, dus de zijne moeten erop en niet de uwe. Het is niet veel, een neus, twee ogen en een mond, maar er zijn twee miljard mensen, en alle twee miljard verschillen van elkander met neus, ogen en mond. Nooit twee dezelfde!

En zo als elk van buiten anders is, zijn z' het ook van binnen. En het binnenste van een mens kan men op zijn uiterlijk lezen. Dus begin nu maar een portret te maken, en dat innerlijke door dat uiterlijke te laten stralen. Dat is de portretkunst. Daar zijn geen telefoonpalen of schouwen weg te vagen. Daar is de kunstenaar gebonden en gekoord, overgeleverd aan de vorm en de karakteristiek van het gelaat en de persoonlijkheid van die andere. Dat vraagt een ontzettende inspanning, en spijts die vereiste nauwgezetheid, dit geduldig toezicht van het onderwerp naar het doek, daar dan nog een schilderij van te kunnen maken, een schilderij die uit de borstel gegoten is, los, lustig, zwierig, mild, rijk van kleur en tonen, mals van licht en schaduw, in een woord: als klokkespijs, daar nog een gelijkend portret van te geven, dat heeft, en daar is iedereen mee eens, Opsomer fleurig en groots gegeven en getoond.

En wat ik naar aanleiding van de kunstschilder Saverijs kan zeggen, zeg ik met des te meer klem over het werk van Opsomer. Het is Vlaams. Vlaams tot in de wortel. En nu mag men over Vlaanderen en Vlaams-zijn denken en voelen wat men wil. Gij Vlamingen zijt Vlaams, ge zijt het nu eenmaal, zelfs als ge de taal niet spreekt, maar dit Vlaams zit in uw vezels en pezen gebakken, dat is gestrengeld in uw zenuwen, vermengeld en gegist in uw bloed.

Dat komt van uit de lucht, van uit de grond, doorheen uw schoenen, zelfs door uw galochen, dat zit in het water dat ge drinkt, dat zit in het licht. Daar kunt ge zelf niet aan doen, het is een geheim lijk de electriek, men kan het niet uitleggen, maar het is er. Ge zijt een deel van uw land, een stuk van uw grond. Verloochen het of zijt er kwaad op, of niet, veracht het, trek er van onder of blijf. Maar als gij in de diepte van uw ziel daalt, en ge brengt die emoties daarvan naar boven, en ge geeft die als kunstenaar een uitdrukking, dan zullen emotie en expressie Vlaams zijn. Van ons land, van uw ras en van uw stam. Elke mens is een product van zijn land. De wortels van uw zieleleven, zuigen zowel de sappen dezer aarde op, als de eerste de beste appelboom. Maeterlinck, schreef in het Frans, maar hoe hij ook krinselt en draait, men riekt de Vlaamse geest er doorheen. Charles de Coster is Vlaams in zijn Frans. Verhaeren hetzelfde. Hoeveel te rijker en te heerlijker dan, als de kunstenaar zijn eigendommelijkheid bewust is, en ze als een moeder bemint. Dan leeft men in harmonie met zijn liefde. Opsomer is Vlaams, en hij is het ook in emotie en in zijn uitdrukking.

En Opsomer is ook Liers. Ik spreek nu niet alleen van de kleur. Maar Liers van aanvoeling. Men kan het grootste genie van de wereld zijn en toch de kenmerken van uw onmiddellijke omgeving dragen, en U doorheen die kenmerken uiten. Lier heeft een eigen atmosfeer, men kan zeggen een van gemoedelijkheid. Turnhout b.v. heeft die niet, daar zijn ze glad uitgestreken lijk het papier dat z'er maken, en ze bezien U lijk een schoppenheer die z'er vervaardigen. In Lier is er iets ronds, iets mals, gene flauwe truut van de Grote Jan uit te hangen, met een air de monpris. Geen dikdoenerij, geen ivoren torens. Ge moogt zijn wat ge wilt, maar men wil een zeker menselijk kontact tussen elkander. Ieder op zijn plaats, maar geen muur van pleister er tussen. Er is misschien iets burgerlijks in, dat de kunstenaar in 't algemeen veracht. Maar het is een troost te weten dat de Hollandse, gezonde burgers uit de gouden eeuw, spijts hunne burgerlijkheid de beste schilders van de wereld zijn.

Ik kan met veel liefde over het schilderen spreken. Omdat ik zelf toen ik nog klein was ooit het verlangen heb gehad van ook eens een groot kunstschilder te worden. Ik dacht dan aan twee schilders, aan Rubens en Opsomer. Ik had het boek gelezen van Conscience "Hoe men schilder wordt". Het tekenen, het kleuren pikte en kittelde van in de jongste jaren in mijn vingeren. Met zulk een boek te lezen was er als een zweep, die mij aanwakkerde.

Ah! Rubens! Ook een Rubens te kunnen worden! Dat is de droom van elke broekvent, die aanleg voor schilderen heeft. En van uit de Katholieke illustratie tekende ik de schilderijen van Rubens af. Ach! Eens een echte Rubens zien! En hoe zijn de mensen. Als ze een kind goed piano horen spelen, dan zeggen ze: Dat wordt een Beethoven. Als ze een manneke nog al handig zien schilderen, dan zeggen ze: dat wordt een Rubens. En zo wierd er verteld, dat die kleine blonde Opsomer 'ne Rubens zou worden. Opsomer was toen tien jaar ouder dan ik, en is het natuurlijk nog. Ik zag hem zo al eens van ver, haastig naar de statie gaan met een crunfeken op en zwarte lavallière, anders kon men niet schilderen, en met rollekens papier onder de arm en een schilderskast op de rug. Ik kwam veel bij onze nonkel Soo. Soo van Nueten uit den Bril, de kerkzanger, die met dat plat wagentje piano's vervoerde. Daar hadden ze een tekening van Opsomer, een voorstelling van Goden en Godinnen, een compositie.

En nonkel Soo zei: "Zie Felix, die dat gemaakt heeft wordt een Rubens!"

Hoe dikwijls heb ik geprobeerd die tekening na te tekenen. Niet zodanig omdat ik ze zo schoon vond, maar om te kunnen zeggen, ik kan het zo goed als dat stuk Rubens. En hoe dikwijls probeerde ik dan in 't bereik van Opsomer te kunnen komen, om mij te laten zien, mijn klak te kunnen afdoen, ja uit eerbied voor die Rubens in wording, maar ook om in mijn ogen te laten lezen, ik ben uw concurrent.

1798173-491cbe27353824f312fae66be17dd92d.jpg

Ach, Rubens, ah kon ik maar eens Rubens zien in 't echt! En op een keer, ik kon toen dertien jaar zijn, ging ik, in de vakantie, met een vriend naar de Papegaaienbossen om hazelnoten te plukken. Die vriend had een tante in Antwerpen wonen en was daar reeds dikwijls geweest. Ik sprak juist over Rubens en over Opsomer, (ik had juist de vier negerkoppen van Rubens nagetekend, later bleek het dat het de vier negerkoppen van Rembrandt waren), toen de bode van Lier op Antwerpen met zijn wagen voorbij gedokkerd kwam. Wij lazen op de huif Lier-Antwerpen. Wij lazen het heimwee in elkanders ogen.

Mijn vriend sprak van de Schelde, vol met driemasters, ik van de poesjenellenkelder en vooral van het museum met echte schilderijen van Rubens er in. "Het is vandaag donderdag, dan mogen wij overal voor niets binnen" zei mijn vriend. Daarmee zetten wij ons onder de wagen, in de kettingen, waarin de petrolvaten meegevoerd worden. Zo touterden wij tot Antwerpen, waar een gardevil ons van onder de wagen wegjoeg. Doch mijn vriend kende de weg. Eerst gingen wij naar de Schelde, dan naar Rubens. Inderdaad we mochten voor niets binnen. Daar zag ik nu Rubens in 't echt. Maar het was zo luisterlijk geweldig, zo triomfantelijk groots, zo ver boven mijn hevigste verwachtingen, zo ver buiten mijn grenzen van hoopvol kunnen, dat mijn schildershartstocht als koekebakkendeeg ineenzakte.
Als schilder had ik mijn eerste deuk gekregen. Ik zou dan maar voort doen met schrijven, begon met liefdegedichten, later met novellen, enz. Maar die drang om te schilderen bleef en heb ik nog. En door die drang bleef ik mij altijd interesseren aan het werk van Opsomer.

Ik heb het zien groeien, meer dan iemand anders. Ik zag hem haast alle dagen naar Antwerpen trekken en afkomen, hij moest ons huis voorbij. En ik zag hem staan schilderen op de werf, op de vismarkt, achter de kerkepoort, op het begijnhof. Hij stond altijd omringd van een hoop mensen en kinderen. Wees gerust ,ik stond er ook bij, en vooral waar het ging om het begijnhof. En 't kon dan voorkomen, dat ik in de stille begijnhofnoenen, als de begijnen binnen zitten, dat ik hem daar alleen aan 't werk vond. Zonder iemand rond hem. Hoe kon hij dan al werkende spreken vol geestdrift over het uitzicht van het Begijnhof, over die gewitte muurkens, rozig, blauwig, mauvig, groenig, uitgepeld uit parelmoer, voor de kermis van Margritje daar vers en nieuw opgeborsteld... en dan verweerd, vermat, en vermoeid, beregend, bemist en afpellend, ruivend. Het wit slaat uit en zweet met grote plekken, melaatsachtig en vochtig, ziek en verduft. En dan die rode steen, die bruine steen, die gele en okere, doorzopen, doorzabberd, of een pink dik bemost. Hoe kon Opsomer dan mals zeggen: Wat een geluk voor een schilder. Maar er was soms ook geredetwist tussen ons, soms scherp. Ik deed een tijd aan Pelladanisme. "Meer geest in uw schilderijen leggen, meer geest!" Dan zei Opsomer: Eerst goed kunnen schilderen, Fé! Dan is hij er van zelf in."

Dikwijls als hij mij zo eens met zijn lichte blik diep en lang bezag, zei hij: "Fé gij hebt ne schone kop..." Ik dacht dat het was om mij te vleien, maar hij voegde er helaas bij: "een schone kop om te schilderen, maar 't portret is 't moeilijkste dat er is". En zeggen dat ik later zo'n gunstig model voor hem geworden ben. Ge ziet, zo iets komt niet in een keer. Daar staat men 's morgens niet mee op. Dat portretschilderen zat reeds lang in hem te treuzelen.
De lavallière ging af voor een schone plastron, het crunfeke diende voor sigaren-assebak of ging de Nethe in. Hij wierd garde-civiek en leraar aan het instituut, en kwam alle dagen naar zijn klas, wat zelden is. 't Was de tijd van hevig werken, de Baertsoenertijd, en men zag hem overal staan schilderen. Dat was zijn grote Lierse verteltijd. Maar breder en breder wierd de streek van de borstel.

Een mens heeft altijd grote slagen nodig om te veranderen, een kunstenaar ook. En de oorlog bombardeerde de mensen naar de drie windstreken. Den Door, want wij zeggen den Door, kwam te nauwe in Engeland. In 't land van pikkels, detectives en mistlucht. Niets voor hem, zijn hart riep naar kleur, naar kleur die wisselt en keert in het spel van wolken en luchten. Naar waar dan beter dan naar Holland, waar de fijne Vermeer gewerkt heeft, de heldere Hobbema en Ruysdael. Daar vangt een nieuwe periode aan, en Breitner is zijn geloof. Hij leert er veel van. Een kunstenaar moet immer blijven leren. Het vertelsel verdwijnt geheel uit de schilderijen, en als hij na de oorlog terug komt, is het een nieuwe Door. Hij werkt terug in Lier, en creëert er zijn grote doeken, werkt van de morgen tot de avond. Stillevens en naakten komen er uit het penseel gelepeld. Maar daar komt Permeke voor de dag. Permeke, die als een holbewoner vierduizend jaar geslapen heeft en dan ineens wakker wordt, buiten komt met een knots in plaats van een borstel, in een wilde roes de schilderijen wild en ruw, maar daverend van brand uit de grond klopt. Permeke bracht verwarring en ontsteltenis en het snobisme van de Brusselaars deed er nog vijf bij van de laatste slag. Permeke, Permeke was alles wat de klok sloeg. Niets dan Permeke, de ene riep: „Groter dan Michel Angelo" de andere: „Rubens is er een kerstekind tegen". Men zag de andere schilders niet meer staan. Elke schilder was er door verbouwereerd, elke schilder dacht: Moet ik nu ook een holbewoner worden?
Ze zaten er van de put in. Den Door al met een halve voet. Charles Bernard probeerde hem op te monteren, en ik zei hem "Door blijft den Door. Blijft den Door door dik en dun". Heeft mijn angstige raad geholpen? In elk geval hij heeft zijn voet terug getrokken, kocht een jacht, ging uit varen en schilderde die grote serie waterlandschappen, die een goed deel van zijn werk zijn. Hij wierd bestuurder van het Koninklijk Instituut van Schone Kunsten en bleef in Antwerpen wonen. Van dan af begon eigenlijk zijn portrettenserie.

De meeste moderne museums bezitten van zijn werk, de particuliere verzamelaars stoefen met hun Opsomer. Ze hebben hem gedecoreerd, belint, besterd, gerubaneerd. De blonde haren zijn verdwenen, grijs zijn ze niet geworden. Men zegt wel eens: de vos verliest zijn haar, maar zijn streken niet. Ewel, spijts alles is Opsomer den Door, den Door uit Lier gebleven. En nu heeft onze sympathieke Koning hem tot de adelstand verheven met de titel van baron. Vroeger wierd men baron door te vechten of aan politiek te doen. Maar de nieuwe tijden hebben begrepen, dat er nog een andere adel is dan die van oorlogskunde of sluwheid van verstand. De adel van de geest. Het zwaard van de geest is zo machtig, en van zo een grote rijkdom voor een volk, als het zwaard waar men mee oorlog voert.
Gij hebt het verdiend, z' hebben het niet in uw hoed komen leggen. Wij, Lierenaars zijn daar fier op. Ik niet te min als vriend, Lierenaar en vereerder van uw werk.

Wij zijn blij. Wij weten het, Lier is een goede grond. Hij kweekt bisschoppen, ministers en baronnen. Wij zijn blij op zo een grond te leven. Daar gaat wat van uit. Voor 't ogenblik, ik heb ze geteld, zijn er in Lier meer dan 50 personen die aan kunst doen, aan muziek, letterkunde, beeldhouwen, schilderen. Ze zullen allemaal geen baronnen worden. Dat is ook niet nodig. Als we maar weten dat het baronnengrond is steken wij de pluimen op.

Ah! nu! Zo zijn de mensen. Die U anders niet bezagen, niets van kunst kennen, die zeggen nu, als z'in de trein zitten, en er wordt gesproken over Opsomer, dan zeggen zij fier: "oh, die ken ik heel goed, die woont maar 100 meters van ons af... of... die heeft aan mij nog een stekske gevraagd om zijn sigaar aan te steken..." Ge voelt, wij dragen daar iets van mee, we zijn daar allemaal fier op, daar is iets van ons bij, omdat ge van ons zijt.

En nu uw titel, elke baron draagt een titel, of niet ?
Kies niet Baron Door Opsomer van Lier tot Lier, of van Lier tot Antwerpen en terug.
Blijf den Door en kies gerust Baron Opsomer van Door tot Door.

*************

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Mon om 00:00 Reageer op dit bericht

Beste Mejuffrouw Lyra - Felix Timmermans

PALLIETER, VAN BOEK TOT MUSICAL

Pallieter, geschreven door Felix Timmermans in 1911-1914, verscheen in het tweede oorlogsjaar 1916 en werd onmiddellijk, aan beide zijden van het front, een succesboek. Bijna een anti - oorlogsboek: het deed de verarmde en hongerige mensen, in angst en vrees gespannen en ontredderd, dromen van het vooroorlogse luilekkerland en hunkeren naar de naoorlogse bevrijding en vrede die nog meer zouden brengen.

1790237-9aa0e1f925018ea836e494b81d4299c5.jpg

Pallieter, een successtory dus. En daarop nu het vervolg... ...de musical. Hoe een gloednieuwe musical over Pallieter beter aankondigen dan middels een brief die Felix Timmermans zelf schreef aan de voorzitster van Lyra naar aanleiding van de uitvoering van de Pallieter-revue in het jaar 1939.

Beste Mejuffrouw Lyra,

Gij hebt me gevraagd waar Pallieter naartoe is; Gij hebt het mij al dikwijls gevraagd. Gij zijt de enige niet. Ja, waar is Pallieter naar toe? Ik weet er niets van. Hij is de wereld in, de wijde wereld in, lijk de vogelen en de wind. De wind waait waar hij wil en de wereld is zo groot en zo rond.

Waarlijk, ik weet niet waar Pallieter is. Ik heb het mij ook nooit afgevraagd. En hij heeft mij nooit een brief geschreven.

Maar als hij terugkomt, zal ik hem met open armen ontvangen. De flessen staan gereed, nog dubbele gersten van voor den oorlog. (...)
Moest hij weerkomen, hij zou nogal eens verschieten! Want er is hier zoveel veranderd! Ik moet het niet zeggen, ge weet het allemaal. Of het beter of slechter is ?..

Elke tijd heeft zijn eigen zin - maar mensen blijven toch altijd mensen.

Laten we er onze kop niet mee breken. Alles heeft toch zijnen goede kant. En zolang de zon er nog is en er Lente komt met bloemen, Zomer met koren, Herfst met vruchten en Winter met inkeer naar binnen, is er nog genoeg om van alles de "sijs af te lakke!"

Er blijft nog altijd te Pallieteren.

En nu is er iemand, een dromer, die gedroomd heeft dat Pallieter toch teruggekomen is. Hij laat hem weer terugkomen omringd van zang, muziek en dans. Symbolen van de seizoenen, van de Nethe, van de jeugd en de vreugd komen hem groeten.
De beiaard speelt, de toren trilt, en veel is niet genoeg. Hij komt weer tussen zijn typen en mensen. Zij die zuur van karakter zijn verstaan er genen djanter van, maar voor hen die één kruimel levenslust in hun hart hebben kunnen houden; komt er een nieuwe kermis dan, en ze lopen met Pallieter mee.

Het is helaas maar een droom, Mejuffrouw Lyra, maar een droom kan ook schoon zijn, en daarom ga ik toch eens luisteren en zien.

Gij toch ook zeker?

Deze brief, ondertussen reeds bijna 60 jaar oud, sterkte ons in de overtuiging dat Felix Timmermans het ons niet kwalijk zou genomen hebben als we hem het nieuwe musical - initiatief hadden voorgesteld, dat hij er – integendeel zelfs – heimelijk lol in zou hebben gehad.

Dus... Aan de slag dan maar.

Maar een boek omwerken tot een theaterstuk en in tweede instantie tot een heuse musical is niet zo vanzelfsprekend als het op het eerste zicht misschien wel lijkt. Als het dan nog om een boek blijkt te gaan waar de kracht - meer dan in het verhaal -, schuilt in, weliswaar schitterende, sfeer en landschapsbeschrijvingen, dan kom je sowieso vroeg of laat in de problemen.

***************

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Mon om 00:00 Reageer op dit bericht

Het Geheim - Felix Timmermans

Het Geheim.

door Felix Timmermans  –  maart 1928

Netteke Verolen lag te sterven en de weinige familie, drie nichten — gezusters — en nen ouden onkel stonden er bij, en probeerden triestig te zijn. Het Gasthuisnonneke hield de brandende, gewijde kaars in de hand en las de gebeden der stervenden. De andere zieken der zaal zagen van uit hun bed naar Nettekes dood en fluisterden er over tot elkander. Ze lag in 't witte beddegoed grauw als ne patat, met groote blauwe oogschelen, die niet heelemaal toe vielen en een spleetje wit van heur droge oogen gaf te zien. Heuren azem ging lijk het getik van een wekker, zoo rap. En wat was het toch ? Zie hare witte lippen aanhoudend verroeren. Ze wou nog iets zeggen en 't ging niet. Er was een wanhoop, een smeeken in dit verroeren van die lippen ; 't waren als handen die iets redden wouën, maar één woord kwam er niet uit.

En de familie luisterde naar die verroerende, zwijgende lippen, en vergat te bidden. Want voor de drie gezusters, die altijd met drie eender gekleed waren en hetzelfde dachten, droegen die lippen een geheim, en dat geheim kon niet anders zijn dan dat de stervende nicht nog ievers een pot met geld had weggestoken. Zij wou hen nu zeggen waar die pot ergens stak. Dat dachten ze, en ze fluisterden het tot elkaar. Maar de nonkel dacht niets, die stond daar maar omdat hij ook geroepen was ; hij hoorde niet, was zoo doof als een kanon. En elken keer als hij die lippen verroeren zag vroeg hij aan een der nichten aar hij ook nonkel over was : « Wa zee ze ? »
De nicht fluisterde hem dan in 't oor : «Niks.» Maar dat hoorde hij ook niet.Hij deed of hij verstond, en knikte glimlachend, en zei tevreden : « Tiens, Tiens », om nen oogenblik daarna bij 't zien van verroerende lippen weer te vragen : « Wa zee ze ? »

De nichten vlochten van hun gedacht een sterke koord, waar ze met alle macht aan trokken, want er hong een schat aan. Toen ze een uur daarvoren naar hun stervende nicht wierden geroepen, zouden z'er nooit kunnen aan denken hebben.
Want Netteke was lijk zij een gering burgersmenschken geweest, naaister van beroep, die weinig at en altijd slappe koffie dronk terwille voor heur koppige maag. Maar nu wenschten de nichten ineens dat dit mager leven uit gierigheid zou geweest zijn, en Netteke daardoor een pot met goud had achtergelaten. Waarom zouden die lippen anders zoo wanhopig verroeren?

1785664-dba2a8384d427de204b33684f88447d7.jpg

De oudste der drie nichten, lijk de anderen met een perelenmanteltje om en een bussel hanenpluimen op den hoed, verstoutte zich met heur oor boven die lippen te gaan liggen, en zoo het geheim uit de stilte op te vangen.
— «Zeg het maar, Netteke...» zei de nicht, « zeg het maar. »
Netteke probeerde een oog open te doen, 't ging niet, en een traan rees stillekens als tegengoesting over hare ingevallen, verrimpelde slapen. Och, had die nicht maar gedurfd zelf naar die pot te vragen. De begeerte was er wel, maar ze dierf niet voor het nonneken, dat immer bad.

— « Wa zee ze?» vroeg de bevende nonkel ondertusschen.
— « Niks. »
De drie gezusters bezagen al eens elkander en er kwam al meer en meer compassie op hun gezicht te lezen.
Toen Netteke nog naaide hadden ze nooit een kleed bij haar laten maken.
In de week hadden ze haar nog eens komen bezoeken en z' hadden twee appelsienen en een half pak chocolat meegebracht.
Toen ze weg waren had Netteke tegen de zieke daarnevens gezegd : « De menschen zijn toch vreemd. Als ge gezond zijt zien z'u nog niet staan, ze gunnen u nog geen goeden-dag, zijn bang dat uw plafond op hunnen kop zal vallen. Maar als ge stijf ligt, plat te bed, en ge niets kunt profiteeren, komen ze u met appelsienen en chocolat bezoeken, als ze goed weten dat g'er geen stuksken van door uw keel krijgt.
De twee appelsienen en 't pak chocolat lagen nog op 't nachtafeltje. Netteke had zooveel ze kon aan die zieke verteld, en deze zieke had aan d'ander voortverteld, zoodat ze nu allemaal nijdig naar die nichten met hun gemaakt verdriet zagen.

De nichten waren vroeger altijd jaloersch, op Netteken geweest. Ze waren genichten beider moeders kant. En vroeger in hun jonkheid, terwijl de nichten altijd donkere kleeren droegen met veel knoppekens en hun kleergoed schrap tot op den draad versleten, en eens alle schrikkeljaren een nieuw kleed lieten maken, waarvan ze de stof jaren op voorhand hadden gekocht, was Netteke altijd, 't bracht heuren stiel ook mee, naar de mode gekleed, verzorgd, elegant, met goesting en smaak. Ze was net met een ijlen niet. De nichten noemden haar jaloersch : « Het journalleken,» en Netteke noemde haar als ze zoo 's Zondags in heur ouderwetsch kleed met drieën nevenseen zag wandelen : «Het Landjuweel. »
De drie zusters die steeds eender dachten, besloten dan ook van niet te trouwen. Dat was gemakkelijk daar Jan-van-pas toch niet kwam. Ze waren om te bersten als ze wisten dat Netteke een lief had. Maar toen z'op trouwen stond, en de jongen haar liet staan (niemand heeft ooit de reden geweten), hebben er de nichten van blijdschap nen straffen koffie opgezet.
Dat was een leelijke krak in Netteke heur leven. Ze vermagerde er van lijk ne spiering, maar bleef even modieus. Ze liet zich niet hangen, en ze behield den moed en den smaak om schoone kleeren te maken en te dragen.

Ze bleef nog jaren een frisch en aanminnig ding, maar toen kwam die maagpijn, die eeuwig knagende maagpijn, die dag aan dag erger wierd, en niet kalmeerde spijts alle remedieën die in de gazetten vet gedrukt staan. Ze vergeelde, kreeg putten in de kaken, verschraalde, at weinig, dierf niet meer eten, volgde alle regiemen, elke klant bracht er een ander, maar 't beterde niet en ze moest er hard bij werken. Maar nooit, niettegenstaande de maagpijn heur schoonheid en laagten verteerde, zat ze met ijzerkes in heur haar. Ze kwam beneden gekleed, effen en af, en als ze slapen ging was ze nog even zorgvuldig en net lijk 's morgens. In heur smaakvol te kleeden kwam er geenen moment vertwijfeling.
Maar de pijnen nepen harder. 't Werk moest al eens blijven liggen, kalanten bleven weg, en ze zat heelder dagen ineengekrompen op ne stoel te wiegen van de knaging. Maar heur kleeren waren in orde, en heur blinkend haar lag immer schoon in bekskens.

Stilaan geraakten de centen op, en met de vererging van de pijn kwam ook de nood. Ze wierd oud voor haar jaren, geel, gerimpeld donker; toen ze vijfenveertig jaar was zou iedereen gezegd hebben : 't is er een van zestig. Ten slotte moest ze naar 't gasthuis voor een operatie, de dokters sneden absessen uit haar maag weg, maar na tien weken lag ze nu nog in 't gasthuis, onkennelijk, grauw en verschrompeld. Z'had er toch steeds den moed ingehouden, z'had de oude-menschen-slaapmuts niet willen opzetten, en had er gelegen met schoon gekamde haren en verzorgde nagelen. 's Zondags na de operatie waren de nichten, doordat de pastoor van 't gasthuis hen over den ernst der ziekte was komen vertellen, haar komen bezoeken, en toen ze na tien weken nog niet gestorven was, hadden ze twee appelsienen en een pak chocolat gebracht. En nu waren ze dezen morgen rap, rap geroepen, want hun nichtje Netteke ging haar ziel loslaten.

Terwijl ze verdrietig keken, verheugden z'er zich in, dat zij blinkend, roos en ongerimpeld waren terwijl Nettekc daar zoo afgrijselijk grauw en leelijk lag, en ze verwachtten met spanning het geheim van de lippen die het maar niet konden gezegd krijgen. Ondertusschen vergat de nonkel niet te vragen : « Wa zee ze ? »

En terwijl het nonneken aan de laatste regels der gebeden was, terwijl den nonkel glimlachte alsof hij alles verstond, en de nichten met al hun begeerten naar het geheim van de stille lippen wachtten, kwam er een man binnen met een fototoestel. Een nonneken ging hem voor. « Hier, » zei ze. Ze kwam met den man naar het sterfbed, en ze fluisterde kort en verontschuldigend tot de familie : « Maak eens wat plaats. 't Is voor haar portret te hebben, 't moet dienen voor Mr doktoor. Hij maakt een studie over de verschillende gezichten bij den dood, 't Is seffens gedaan. Dat doen we al nen heelen tijd. »

1785664-9c7effe30c11038bb9e96175e349a8d9.jpg

De fotograaf plaatste het toestel handig voor het gelaat van Nettcke. Hij wou trekken. Maar de stervende doorging een huivering, en in een opperste wilskracht sperde zij de oogen open, de witte lippen trilden en 't stootte wanhopig uit de droge, dunne keel : «Zuster... neen...neen, zoo niet trekken... 'k Wist dat hij komen moest, ik kon het niet meer zeggen... Maar mijn haar is in de war, kam eens door mijn haar, dan zijn 't weer bekskens... Rap, rap ! Jezus... Maria... Al ... »

En het grauwe hoofd viel slap, en ze was dood.
— « Ik kom te laat, » zei de fotograaf.
« Zuster, is er niemand anders aan 't sterven ? Ik ben hier nu toch... »
De drie nichten bezagen malkander ontgoocheld, voelden zich voor den aap gehouden, en ineens, raf, en die met haar hanenpluimen nam onvoorziens het pak chocolat onder heur perelenmanteltje. De appelsienen liet ze liggen, dat laat zich zoo moeilijk dragen.

— « Wa zee ze ? » vroeg de nonkel.
— « Niks.»
— « Tiens, tiens, » glimlachte hij.

*****

 

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Mon om 00:00 Reageer op dit bericht

De eerste opvoering van De Ster

HET OORDEEL DER PERS OVER DE EERSTE OPVOERING VAN "EN WAAR DE STERRE BLEEF STILLE STAAN". (5/2/1925)

Een overzicht der persbeoordelingen over het jongste werk van Felix Timmermans en Ed. Veterman, is al even interessant als dat over het laatst opgevoerde werk van Shaw. Het bewijst eens te meer dat de critici over een sterk verschillend temperament beschikken, maar ook, dat er zijn die over zaken willen praten, waarover zij best deden te zwijgen.

Het " Handelsblad " beoordeelt als volgt stuk en ensceneering :
« En waar de Ster bleef stille staan... » is een modern mysteriespel. Voor alles een kijkstuk, moet het mits eene luisterrijke en karakteristieke insceneering stellig emotie wekken.
De middelen waarover het Vlaamsche Volkstooneel beschikt zijn van te geringen aard om aan deze vereisch te voldaan te hebben. Het gevolg was dat sterk uitkwam de zwakte van het technisch optimmeren van dit spel. Felix Timmermans is en blijft voor alles novellist, geen tooneelschrijver. Het modernisme der decoropvatting kan niet opwegen tegenover wat in dit opzicht reeds — zoowel ten lande als in den vreemde gepresteerd werd.

De kostumen waren beter geslaagd zoowel de kleurplakken van die van Pitje Vogel, Schrobberbeeck, Suskewiet en Polien, als die van de O.-L.-Vrouwkens en dit van het kindeken Jezus. De laasten in het bijzonder getuigden van kunstzin. Het grootste euvel der vertolking bleek dat de verschillende spelers dialect met een zuiver Nederlandsche uitspraak tot een niet te aanhooren mengelmoes vermengden.

1783388-4b2137397ba23e69529f9e33da8de6e0.jpg

"La Métropole" schrijft en looft de uitstekende vertolking:
Het is het mooie avontuur van drie gezellen die drie achtereenvolgende jaren Kerstmis vieren op hun manier, 't is te zeggen dat zij als Drie-Koningen uitgedost een rondgang door de streek maken, om de milddadigheid der bewoners op de proef te stellen. De opbrengst zal hun in staat stellen om te drinken. Hoe dan, na, verbazingwekkende voorvallen, Suskewiet, Schrobberbeeck en Pitje Vogel op het rechte pad gebracht worden is op aantrekkelijke wijze in dit mysteriespel
voorgelegd, in eene atmospheer van ruwe, maar gezonde vroolijkheid, waaruit eene mooie les van oprechte goedhartigheid te putten is. Ik kan u verzekeren dat de talrijke toehoorders dit spel wisten te smaken en er hun voordeel mee opdeden.

Uit « De Schelde » geven wij van het zeer waardeerend hoofdartikel, aan de « première » gewijd :
Als een vroom gebed vol wijding ontroerde het mirakelstuk van Timmermans en Veterman de ziel van het publiek, dat, aangetrokken door den roem, die de opvoering was voorafgegaan, den schouwburg St-Willebrordus tot aan de balken vulde. Na Pallieter, die naar Breughel keek en als Breughel keek, ging Timmermans reeds met het «Kindeken Jezus» en vooral thans met dit tooneelwerk de wereld in, welke honderden jaren voor hem Jan Van Ruusbroec betrad. We kenden het onderwerp, dat ons alles behalve geschikt leek om als theater behandeld te worden, maar dan zal de verdienste van Veterman ditmaal wel des te grooter zijn, omdat hij Timmermans' werk heeft doen leven op het tooneel, zonder het als theater te behandelen.
en over de vertolking zelf :
Bij de monteering van "Waar de Sterre bleef stille staan..." heeft de regisseur, Johan de Meester, op een even groot aandeel in de verdiensten recht. Hij heeft de gedachten van de auteurs vol afwisseling belichaamd, maar ze ook hun ziel gegeven, hun eigen kleur, en hun eigen beweging, naar de beweging, naar de kleur, naar de ziel van de scheppers.
Daar was een heerlijke eenheid naar den geest gekomen in het werk van deze verschillende kunstenaars, te danken natuurlijk aan hetzelfde wonder, aan hetzelfde mirakel dat hen alle drie had bezield en na hen de acteurs leidde, die we zonder onderscheid kunnen feliciteeren.
Ze hebben niet gespeeld. Ze hebben gebeden en geofferd.

In de « Volksgazet » schrijft L(ode) Z(ielens) :
Het tooneelwerk is, naar het mij lijkt, het mooist in het eerste gedeelte : de drie oude ventjes, die op Driekoningen-avond zingen gaan en daar lekkere brokjes en eenig geld mede omhalen. Verdwaald in een sneeuwveld ontmoetten zij daar in een foorwagen een oude man, en een jonge vrouw, die een kindje wiegt. Een zalige verrukking grijpt hen aan en zij geven alles wat zij hebben verzameld.
Dat is het zuiverste gedeelte, — en... waar hier de eerste novelle eindigt, zou, volgens mijn meening, ook wel het stuk kunnen eindigen. Want het verdere tooneelstuk is maar eene illustratie van het verhaal, de dialoog ervan, die gespeeld wordt, zonder den logisch zich ontwikkelden verhaalgang te kunnen geven. Toch kwamen er na dit eerste gedeelte af en toe wel zeer ontroerende dingen : de dood van Schrobberbeeck en op 't laatst de wandelende, Lieve-Vrouwkens van Vlaanderland.
Het samenwonen van Pitje Vogel met de « Zwarte Madam » — een hoofdstuk uit het tooverboek «De Zwarte Ambrosius», waarschijnlijk — kon niet bevallen.

« Het Tooneel », van zijnen kant, steekt zijne bewondering niet onder stoelen of banken :
Wat we bij de lezing van het stuk reeds vermoedden, is ten volle bewaarheid geworden : het stuk van Timmermans en Veterman heeft een triomfantelijke première gehad. Minuten lang duurde de ovatie, welke de auteurs bij het einde van den avond moesten in ontvangst nemen van het aandachtige, sympathiek gezinde publiek. Voegen we er ook aanstonds bij dat het werk door het « Vlaamsche Volkstoneel » verdedigd werd met een liefde, een toewijding die ontroerend aandeed. Hierin kwam hun echter ook dien malschen, sappigen, dankbaar-om-zeggen tekst van Timmermans te gemoet, die het acteeren in zulk spel tot een genot moet maken. Merkwaardig helpt daarbij ook de scenische handigheid van Veterman, die het op de planken brengen van het mirakel heeft; aangedurfd en daarin schitterend is geslaagd.

Tooneelwereld oordeelt :
« Als de sterre bleef stilstaan » is en blijft een religieus sprookje, een mirakelspel, tot een tooneelstuk is het niet gegroeid. Daar ontbreekt lijn aan, al de tooneeltjes zijn als fragmenten uit een boek, maar de samenhang ontbreekt, en als wij twee of driemaal het doek hebben zien dalen, kennen wij de personen reeds door dik en dun, wij begrijpen hun doening en raden al gauw hoe dit alles zal eindigen. Saai is de handeling ook uiteengesponnen, bondigheid had de schrijver tot richtsnoer moeten dienen, want het stukje is een als de ster der koningen, die immer rond zijn en draait. Vol bewondering staan wij voor de vertolkers.

De Antwerpsche tooneelrecensent van Het Laatste Nieuws, een realistisch tooneelschrijver, geeft het minst gunstige oordeel :
Na « Mijnheer Pirroen » kunnen we dit nieuwe stuk van Timmermans en Veterman bezwaarlijk een vooruitgang noemen. Men had het op voorhand aangekondigd als een meesterwerk. Dat scheelt hem nogal heel wat. Den leutigen, plezierigen Timmermans met zijn echt volksche gezegden, vindt men ook hier in terug, en sommige tafereeltjes op zich zelf beschouwd, vooral dan degene waarin stemming wordt gegeven doen het wel. Maar — er is geen stuk en vijftig maal wordt hetzelfde herhaald, tot in den treure.
De leider van het Volkstooneel, de heer Johan de Meester Jr., heeft ook hier weer zijn regiekunst laten spelen, en verscheidene tafereelen samengesteld die van een innige stemming waren, ware schilderijen vormden en dan ook wijding over de zaal brachten.

De Brusselsche tooneelrecensent van hetzelfde blad schreef :
« Met ware dramatiek hebben we tot dusver niet te doen gehad, wel met zeer plezierige schilderingen, mooi in de kleur en waar de drie koningentypes flink in uitgeteekend zijn, met liefde. Het verveelt geen oogenblik, al blijft er allicht geen bezieling van over.
De gestyleerde dekors, vooral van het sneeuwland met den foorwagen en de ster zijn van een zeer deugdelijk streven van boeiende aanpassing van de enseeneering met den tekst. Was het spel in den aanvang met zijn kermisleute wat verward, daar ontgroeide met des te meer felheid het schitterende werk van de Drie Koningen.

Eerste indruk : geen gaaf tooneel, maar werk waar men gaarne op kijkt, dat in zijn onderdeelen boeit, en dat allicht met zijn kleurig-mystischen ondergrond in Vlaanderen een blijde omreis zal doen. »
Ten slotte spijt het ons dat de tooneelkritieker van De Gazet van Antwerpen — die wij voor dit geschrijf niet aansprakelijk willen maken — tegen dit werk te keer gaat als een duivel in een wijwatervat, dan als «hij» geen enkel woord van afkeuring over had voor een anti-katholiek werk als « Jeanne d'Arc » : « Het schijnt of de auteurs met de toehoorders een loopje willen nemen. Veronderstellen zij het publiek — ons katholiek publiek — zoo onnoozel, zoo dom, zouden wij bijna zeggen, om dat alles maar als klokspijs te slikken. Meer zelfs, er komen menige uitdrukkingen in het stuk voor die voor katholieke toehoorders niet zouden mogen uitgesproken worden. En 't schijnt wel of beide auteurs maanden en maanden lang hebben honger geleden, want ze doen niets dan spreken van eten en drinken : van dikke buiken, nog dikke buiken en weer eens dikke buiken, van engeltjespis (wijn), vleesch met mostaard, vitriool
(genever), en andere flauwigheden meer.»

1783388-8a3023986d06343a19dba5d2f50b6fae.jpg

Dan schijnt hij bedacht te hebben en om het voorafgaande goed te praten :
« Het eenige wat in « En als de ster bleef stille staan », enkel waarde heeft, zijn een drietal korte tooneelen : « de dood van Suskewiet », de « bekeering van Pitje Vogel en die van Schrobberbeeck ». Daar schuilt poëzie in, al is het ook meer uiterlijk weergegeven dan innerlijk aangetoond. Dat kan onze katholieke toehoorders ontroeren en stichten. Is er voor een christen iets meer dichterlijk en iets meer verheven denkbaar dan de reine gegevens betreffend O. L. Vrouw, ons aller goed, reine Moeder, en het lieve Kindje Jezus? Als het werk van Timmermans en Veterman verdient opgevoerd te worden, is het ook enkel daarom. Uit de rest moeten zij veel onkruid wieden en weren, want het overwoekert er de witte rozen
en leliën der christelijke, reine onschuld en zuivere schoonheid. »

Deze tooneelrecensent is de eenige in heel de katholieke pers van Antwerpen en Brussel, die van meening is dat er in « En waar de Ster bleef stille staan » slechte uitdrukkingen voorkomen. In Holland werd o.a. door EE. PP. Jesuieten en Dominicanen niet de meest uitbundigen lof over het werk geschreven en geen enkele heeft één opmerking gemaakt over een woord in het stuk. Maar deze geheel alleenstaande uitspraak — die van een raar oordeel getuigt — kan geen afbreuk doen aan de waarde, ook niet aan de godsdienstige waarde van het werk van Timmermans en Veterman, die van andere zijde algemeen erkend worden.

N. v. d. R. — Wij zullen aan dit kurieus overzicht een der volgende dagen een beknopt overzicht laten volgen van de Brusselsche en de buitenlandsche pers.

*****

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Mon om 00:00 Reageer op dit bericht

Pallieter van Felix Timmermans - Peter van Arkel

Pallieter van Felix Timmermans

Door Peter van Arkel  -  Uit Het nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië  -  25/11/1916

Wie heeft er in deze maanden niet, zooals ook ik behoefte gevoeld om zoo nu en dan zich los te wringen uit den zwaren greep, waarmee deze benauwende en verbijsterende oorlogstijd iedere eenigszins gevoelige ziel omkneld houdt ? Je hijgt soms naar adem in deze benauwenis, je zoekt naar ’t blijde  licht in dezen duisteren nacht van misdaad en moord', je zoekt een bevrijdend pad uit den "inferno" van dezen tijd ,– je zoekt  iets, waarin je in je wanhoop en vertwijfeling je storten kunt, om niet meer te zien  den zwarten brandwalm en den ros-rooden  hellegloed van de puinhoopen in Europa, om niet meer te hooren het gekerm der gewonden, het gerochel der stervenden, het geklaag en gekrijt van vrouwen en  kinderen, die huis en haard en man en vader  en elkaar verloren soms voor altijd, voor altijd!
Je zoekt bevrijding  — al is 't dan maar tijdelijk; al is 't dan maar voor een paar arme uren.
Je kunt die korte stonde van vergetelheid en bevrijding vinden ieder in de richting van zijn eigen geestesrichting, van zijn eigen geaardheid. Ik zoek ze in studie en lectuur, in stille wetenschap en blijde kunst. Ja, vooral in de kunst, die immers uit haar aard allersterkst suggestief is en den geest absorbeert,  heentrekt naar een ander gebied, ’t gebied van den geest waar men koning is in de onafzienbare landen der verbeelding waar zelfs de geringste bureau-klerk  heerscher wezen kan in onaantastbare soevereiniteit.

1780892-dcc80a0816e72c5348dd7d5572b31793.jpg

Wanneer we dus onzen geest een paar uren willen bevrijden uit de verbijstering van dezen tijd, dan storten we hem in onze eigen droomen, en onze eigen hoog boven de trieste dingen van den dag stijgende verbeelding of in de schoone  verbeeldingen van anderen meer begenadigd, zooals die tot uiting zijn gekomen in verzenbundels of romans  of drama's. Als zulk een bevrijdend boek noem ik u Felix Timmermans’ Pallieter.  ’t Is bijna onbegrijpelijk, hoe in een tijd van zulk een ontzettend wereld-wee een boek van zulk een ongetoomde levensblijheid is kunnen ontstaan.  Maar wat kunnen en durven en  mogen ze niet, de benijdenswaardige dichters, die zich ganschelijk kunnen losmaken van het tijdelijke, van wat er in een bepaalden tijd gebeurende is, om zich van schoonheid dronken als een Pan te storten naar de toppen van het hooggebergte der sublieme illusie, verloren in de wolken, vanwaar de aarde met haar vaak weinig aanlokkelijke realiteiten niet meer zichtbaar is!

"Pallieter" — 't is geen roman, hoewel de held er vrijt  naar een kostelijk meideke, ze trouwt en er een forsche "drijling" van wint.’t Is een hymne aan het leven, grootendeels lyrisch, hoewel er beschrijvingen in voorkomen, die zijn van een hevig realisme als de tafereelen  van Breugel en Jordaens. Het is een uitbundige zang van leven en liefde, van vruchtbaarheid en overdadigheid, van lente en lust. Timmermans bezingt in zijn boek den jaarkring der Natuur in al haar wisselingen, in al haar  verscheidenheid, in al haar weelde — altijd schoon, altijd geestdrift-wekkend, nooit akelig, droef en leelijk voor iemand, die in alles den schoonen kern, den schoonen kant weet te zoeken en te vinden. Timmermans beschreef het levensfeest van Pallieter, den levenslustigen Vlaamschen molenaar, die onbetoomd en ongebreideld geniet van het malsche vette leven op den buiten, daar ergens aan den zelfkant van een oud stedeke, aan den oever van de Nethe.
Hij geniet het leven, omdat hij er alleen het genietbare in zoekt en vindt, omdat heel het leven en al zijne uittingen hem genietbaar en bewonderenswaardig toeschenen. 't Lijkt wel een leven in het sprookjesachtige Luilekkerland, dat leven van Pallieter in 't "Pays de Cocagne", honig en vette hesp, milde melk en versche vruchten, geurig dampende vleeschbouten en met safraan gekookte rijstpap wedijveren met gezellige dikbuikige Pastoors, vroolijke luidruchtige vrienden en vol-sappige, poezele, mollige meidekens om het bestaan te maken tot een kostelijk, durend festijn.

Pallieter vindt alles wat de natuur brengt even subliem.

De regen, die ons, on-pallieteriaansche individuen, in huis houdt of in huis jaagt, is voor Pallieter een motief van de innigste verrukkingen : "En klets! daar viel de regen." "Ja, mor dor van geprofeteerd! " riep Pallieter. Hij liet de toerten staan en liep naar buiten in den hof. Op een omzien stond hij uit te lekken lijk een waterhond en 't deed hem deugd, lijk aan een kouden bedelaar warme melk met korentenbrood. De koele, malsche regen ruischte frisch over het land, begoot de boomen en de planten, kletste op het water en kletterde op het dak. 't Was een symphonie van water ! De duiven en de kiekens sloegen hun vlerken over hun kop, om de warme puttekens van hun zwingen nat te laten worden.

Petrus de ooievaar stond roerloos met zijn wijf, elk op één been, in zijn nest en de eenden lagen op den blijk met open vleugels bijeen geklodderd. Pallieter was twee dagen te voren 't haar rats nevens het hoofd afgesneden en nu kletterde en blonk de regen er op lijk op een steenen bol. Het regende, regende!.... En, terwijl hier het water stroomde, kwam er een balk zonnestralen door de wolken geboord en daar was een vinnige plek lichtgroen land ginder achter in het veld. Het licht zifte door den vallenden regen, en nu was 't goud dat er viel, allemaal boonen goud. Pallieter keek zijn oogen uit. " Da's manna! " zei hij, en hij wierp zijn kop achteruit, opende den mond en liet er de gouden droppelen invallen. Er daar kwam weer een straal, en ginder nog een, en 't was alsof de eerste frissche, groene Lente met gauwte teruggekomen was.
Ginder, boven den veldbuik, rees het uitgewaterd einde van de vlaag omhoog en de helft van het land schitterde in de zon, wijl het donkere gedeelte nog ruischte van den regen. De vogelen schudden het nat van hun zwingen, vlogen op nen anderen tak en daar begon een zoetelief te fluiten, een vink te kwetteren, en ineens was ’t er op : al wat maar bek had sloeg met een gekuischte stem de frissche vreugde uit. De haan kraaide en een leeuwerik steeg omhoog. "Da's plizant, hé?" schampte Charlot, "oe zoe late beregene! " "Och meske, zwijgt, 'k ben er ne voet mee gegroeid", zei Pallieter, en hij ging een zuiver hemd en een ander broek aandoen...."

En waarover zou men nog geestdriftiger kunnen worden dan Pallieter over de sneeuw.
In den nacht voor Kerstmis was ze gevallen, zacht en ongezien, in dikke, vettevlokken, aanhoudend en menigvuldig, tot het morgen was geworden en Pallieter wakker werd: "Zijn eerste gedachte was aan Marieke, die schoon en rustig in zijn arm sliep, wakker te kussen, maar een wittigheid sloeg hem plots in de oogen, hij zag naar ’t open venster en zie! de tak van den notenboom die zich altjjd zoo zwart tegen de lucht afteekende, was glinsterend wit van sneeuw. Pallieter liet een kreet. Hij wipte zich op zijn hukken. Heel de wereld was besneeuwd ! God, o God! Geestdriftig sprong Pallieter over Marieken uit het bed en liep naar het venster; een goede kou sloeg hem in ’t gezicht. Hij kon niets zeggen van aandoening en geluk. Sneeuw, sneeuw, overal witte dikke sneeuw! De verten, de velden, de hagen, de waterwegen, de boomen, hoeven, wegen en straat, alles wit en blank, versch uit den hemel gevallen, met al de frischheid en de jongheid van een kind!

En die witheid deed alle geruchten zwijgen en gaf een stilte van een kerk over heel de wereld. Pallieter had die heerlijkheid in éénen oogopslag gezien; zijn hert sprong op, juichend schoot hij zijn broek aan en holde van de trap, roepend: "Het Geluk, het Geluk ! ....."

Pallieter is een optimist, die alles van den besten kant bekijkt, die openstaat voor alle levensopenbaringen, kinderlijk, argeloos, vrij van elke belemmering, voortkomend uit wat we beschaving noemen en dat zoo vervloekt dikwijls niets anders is dan conventie, holle, levenslooze, verslavende conventie. Pallieter is er vrij van, geheel en al — niet in den zin van bevrijd, alsof die conventie-beschaving ooit vat op hem had gehad, neen, Pallieter is altijd onaangetast gebleven door deze besmetting, ze heeft hem nooit kunnen raken en daarom bleef hij en is hij een kind, dat alleen het licht ziet en begrijpen kan.
Maar bestaat er dan een Vlaamsche boer van 't type van Pallieter? Wat raakt 't ons! En — ja zeker! hij bestaat, al was 't maar alleen omdat Felix Timmermans hem geschapen heeft. Laat hen, die de dingen van deze wereld, zelfs de mooiste — een bloem en een mooi meisje — per se "wissen schaftlich psychologisch" willen bekijken en onderzoeken, nu maar ferm en grondig de mogelijkheid gaan bepeinzen en bespreken of er een Pallieter bestaan kan — mij is 't en velen met mij zal 't zijn volmaakt onverschillig, want we gelooven in 't Pallieter-type en we genieten ervan. In ieder geval heeft hij recht op bestaan, omdat Timmermans hem opriep uit zijn rijke verbeelding en hem vleesch en been en bloed af. De rest — nitsjevo!

Pallieter is een groot kind met een dichterlijk gemoed. En daarom mag hij zeggen en doen al wat hij zegt en doet. Als hij in 't dorp een processie voorbij ziet gaan, dan zal niemand er aanstoot aan nemen, als hij het Allerheiligste noemt... "de Baas van hierboven, die de processie kwam sluiten...." En mooi vinden we in dezen mond het woord, dat hij spreekt na een bezoek aan de kerk.... "zijn ziel opende zich in hem en al het andere was als een vergeten droom.... " 'k Heb God gevoeld, mor 'k blijf toch mensch" — zei hij."
En begrijpelijk nog is deze kostelijke passage, waar Pallieter, na met den pastoor een "stoop kaves en een beschimmelde flesch wijn" te hebben gedronken, waarna hij in dolle leute met den goedigen "soetaane" een toertje aan 't dansen is gegaan, "goesting" gekregen heeft om het goede weer te psalmeeren en in den ouden verluchten bijbel leest : " Welgelukzalig is hij denwelken Gij uitverkoren hebt en doet naderen.... enz."

En dan : Pallieter sloeg het boek toe.
"Hij had onder het lezen goesting naar den smaak van honing gekregen, en hij at hem op een donkerbruin beschuitje."
En is ook Pallieters verzuchting niet kostelijk kinderlijk, wanneer hij als passagier op een vliegtuig is meegevlogen en zóó van uit de hoogte de aarde nog schooner vindt :  "Och Thomas à Kempis, as g'in e vliegmachien had gezete, oe boekske had duzend kieren iens zoo schoen gewest! "Dezelfde kinderlijkheid, dezelfde natuurlijkheid toont hij in zijn liefde, in zijn gezonde zinnelijkheid. Als Pallieter zijn mooi Marieken al lief heeft, is die liefde voor hem geen beletsel boven op een hooikar te klimmen bij een malsche boerenmeid en deze eens ter dege te pakken en te zoenen.... en hij zei tot zijn eigen : onvoorziene liefde smokt het best.

En evenmin vindt hij in zijn liefde een beletsel om op ’t veld met een maaistertje te dansen in dolle drift... "En zie! iedereen was aan den dans behalve de oude, die voor zich zelf maar tapte. Elke jongen nam een meiske en de jongens die overschoten dansten met elkaar; zoo danste Fransoo met een klein bultig boerken. Maar Pallieter had er het bloemeken uitgehaald; een mollig ding met bloote braaien en armen en een blozend gezicht vol rosse zomersproeten.
Ze had oogen vinnig lijk van een kat. Al dansend drukte hij haar malsch en zeer dun gekleed lijf tegen het zijn, zoodat hij goed al hare vormen waarnam en zijne handen betastten gulzig hare waggelende heupen, dat zij het uitkreet van de pret.

1780892-8f7433f88ee607659bac7c9cf9dbb076.jpg

En stel daar nu weer tegenover die idylle van de avondwandeling van Pallieter met Marieken, zijn liefste lieveke. Ze zijn na een groote toer op een hooiberg gaan zitten uitrusten en langzaam is de nacht gekomen en met den nacht de sterren. Pallieter heeft op zijn rug naar de sterren liggen kijken en wil ze nu Marieken wijzen : Maar Marieke sliep zachtkens in zijn armen.
"Wa geluk", zei hij seffens. Hij vond het zoo schoon, één en zuiver met den grooten, vredigen nacht, en een plotse teederheid welde in hem op. Hij gaf haar een pluimlicht kusken van bewondering en ontroering.
't Was te schoon en te innig om het te storen en hij maakte de ligging van zijn voet over haar been voorzichtig wat lichter, opdat het haar niet zou hinderen... Hij snoof versche geuren op, en de maan bedekte twee naar elkander verlangende sterren.

En zie, door den gezuiverden hemel dreef nog een eenzaam wit wolksken.
Het kwam aarzelend verder en ’t werd als aangetrokken door de maan. Het sneed er juist onderdoor, en zie, het gleed seffens vol ijle, roze, groen en mauve kleuren.... Maar 't gleed verder, verloor weer plots zijn zoete toonen, wierd wit en dreef aarzelend voort, alleen door den nacht. 't Was lijk een glimlach van den nacht geweest......

De verre nachtegaal zong voort op zijn klanken en nu en dan kwaakte in de beken een vorsch...... De nacht nam toe in klaarte; de smoor steeg dichter op uit de slooten, en dampte uit den grond. De oneindige stilte suisde en 't was alsof men de manestralen schijnen hoorde.
Het gers was wak en verroerde niet. En onwillekeurig door de stilte en den adem van den nacht gesust, sloot Pallieter zijn oogen, zag nog door de toeë oogschelen de klaarte van de maan die vóór hem stond en hem rijkelijk overgoot, en viel dan in een diepen slaap......"
's Morgens worden ze wakker nat van den dauw en bibberend .... "en luide klappend en zingend, arm aan arm, huppelden ze naar huis, frisch lijk salaad, en verlangden naar versche kleeren en heete koffie. Een herder toette op zijn horen en de klokken begonnen te luiden; 't was dag!"
Zoo zijn er tal van de kostelijkste hoofdstukken in dit boek: ieder hoofdstuk eigenlijk heeft zijn eigen kostelijkheid en is soms van het rauwste realisme, soms van de hoogste zuiverste lyriek.

1780892-21b8e69101af58d2b017aaf01518249e.jpg

Op en top Jordaens is "De feest"; daar wordt op een ongeloofelijke manier geschranst in een boomgaard, waar Pallieter en zijn meid Charlot een groote tafel op schragen hebben opgeslagen voor de talrijke genoodigde kermisgasten. Het hoogtepunt van dit boerenfestijn is 't slot, want Pallieter is na de soep recht gaan staan en heeft tot de gasten gezegd : "Nichtjes en kozentjes van Charlot, ge got hier allemaal veul ete, want er is veul geried gemokt, 't mot allemol oep! En daarom zeg 'k, dat de vier mense, die 't minste zullen ete, staaltje moete trekke, en dat den dië die het klenste strooike trekt, mè zan bloete achterkake in een telloor rijspap moet gon zitte ! " Ge begrijpt wat een leute er is, als Charel Verlinden, een dikke boteropkooper ’t fatale strooike trekt.
Kostelijk ook is het hoofdstuk "De honig", waarin Pallieter en zijn vriend Fransoo, de schilder uit den meulen, een tonneke honignaar het arme Gasthuizeken willen dragen, maar 't onderweg op een zuipen zetten, aan het dansen slaan met een hoop maaisters, dan van dronkenschap en vermoeienis in slaap vallen en slapend den armen honigpot omver schoppen. En dan nog.... ja maar waarom zou ik hier met een paar onnoozele opsommingen doorgaan, ge moet het boek lezen, om er uitbundig van te genieten en het te smaken als lekkere vette hesp en pas-gemolken
melk. Ik eindig dus, na alleen nog even de volgende, prachtige beschrijving te hebben afgeschreven, om te doen zien welk een kleurig en fijn woord-palet Felix Timmermans tot zijn beschikking heeft en gebruikte in zijn onvergelijkelijk boek "Pallieter" : "Weer werd hij aan den grond gelijmd, hij zag in welke schoonheid hij hier stond.

Hei! Al die geelgeworden bladeren, die gele boomen, waren doorhangen van de zon ! De gele soppen, die zuiver en hevig het licht droegen en scherp opstoken tegen het fijn blauw gehemelte, konden al die overmacht van licht en zon niet slikken en lieten het naar beneden vallen en omhulden heel hun boom met licht. Zoo deed elke boom, en de eene boom gaf zijn licht en zijn kleur aan de andere, en al die boomen waren bijeen lijk een gulden wolk. Pallieter werd er mee omklaard. Hij ging voort en bij elken stap ruischte het, fijn in de stilte van droge, gevallen blaren. — Ze lagen los en dik lijk tapijten, en gaven aangenamen reuk. Pallieter vond het een heerlijk geluid en hij hief zijn voeten niet meer op maar schoof ze door de bladeren. Het geruisch wierd er voller mee. Het was fijn, het deed hem droomen!

De blaren sloegen, schoven en vielen over zijn schoenen, hij speelde er mee, ging nu eens rapper, dan weer langzaam, en hij liet ze zingen, zingen lijk een verre zee. Zoo gaande kwam hij op een geheuvelde bloote plek, vol met gele bladeren en omgeven van hooge, zware boomen en dicht struikgewas. Pallieter bleef getroffen staan, want hier stootte de zon vrij en bloot al haar macht in het kleurig boomenloof, zóó hevig, dat het geel der klepperboomen sterk was als levend goud en het rood der beukenboomen als vlam in bloed. — 't Was een eerlijkheid van toon en verf, een openvouwing van de zuiverste goudkoleuren die men denken kon; ambergeel, bruin, rood, koper, bloed, vuur, vlam en goud. En het licht der zon weefde, doopte, sproeide en danste en sloeg ze ondereen tot een visioen van heiligen kleurenklank. Het was muziek. 

1780892-7f7c446c43b8175785c244f4e1116c2d.jpg

***********

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door Mon om 00:00 Reageer op dit bericht

Een Fransche Pallieter - 1929

EEN FRANSCHE PALLIETER.

De vader van het vroolijke kind der Netheboorden?

Het Vaderland – Staat- en letterkundig nieuwsblad  –  2/04/1929

"Je moet het eens lezen, had een jonge schrijver mij maanden geleden gezegd, dan zal je zelf  zien hoezeer Timmermans door zijn Fransch model geïnspireerd is geworden."

Het woord geïnspireerd werd daarbij met een duidelijk onwelwillende intonatie uitgesproken. De wereld is nu eenmaal vol van slechtigheid en het percentage naijver en leedvermaak is onder artiesten en litteratoren misschien nog wel iets booger dan onder kleermakers en patissiers. In zekere kringen schijnt men juist bijzonder graag over modellen en navolgingen, copieeren, zoo niet plagieeren te praten. Ditmaal vond ik het echter wel wat mal: die brave Erckmann-Chatrian zou al aan een Pallieter het litteraire leven geschonken hebben, och kom!

Ik dacht er dus zelfs niet aan L'Ami Fritz van den genoemden Franschen schrijver te gaan lezen en zijn Fritz met Timmermans' Pallieter te vergelijken. Verleden week nu echter vond ik dien Fritz op de markt liggen ; voor een dubbeltje was hij te koopen; het goedkoope boek bracht mij de goedkoope bewering van mijn jonge litterairen vriend weer te binnen en ik besloot nu toch maar eens aan vergelijkende litteratuurhistorie te gaan doen.

1777761-9ac1deeb081d4cc6e96fe8aa04ad0372.jpg

Gisteren nu, op den eersten heerlijken Zondag der lente, heb ik L'Ami Fritz gelezen. En die lectuur is mij bijzonder meegevallen. Misschien hebben het mooie weer en de rustige Zondag wel eenig aandeel in den prettigen indruk, dien vriend Fritz op mij gemaakt heeft, maar ook onder minder gunstige omstandigheden zullen zeer velen dit boek ongetwjjfeld met groot genoegen lezen.Is het Pallieterachtig of Pallieteriaansch ?
Ja en neen. De blijheid van het natuurlijke leven vindt men in L'Ami Fritz evenzeer verheerlijkt als in de Liersche schepping van Timmermans. Van lekker eten en veel drinken, van luidruchtig kermisvieren en van de stille zoetheid der liefde vertelt Erckmann-Chatrian al evengoed — althans evenveel — als de Vlaamsche schrijver. Zou deze laatste dan misschien door zijn Franschen voorganger zijn geïnspireerd.... dit woord al of niet met onwelwillende intonatie uitgesproken?

D
at Timmermans L'Ami Fritz gelezen had is mogelijk, maar dat hij Pallieter niet zoo hebben of anders zou hebben geschreven, wanneer hij dit Fransche boek niet gekend had, dat lijkt ons een niet te verdedigen stelling. Er is tusschen die beide werken een zekere verwantschap, maar er zijn daarnaast nog heel wat belangrijke verschillen. De verwantschap zelf zie trouwens veel dieper dan bij een eenvoudige navolging het geval zou zijn.

1777761-f043478fdcefb05fdf16d2d7e1542d29.jpg

Maar laat ik eerst wat vertellen van dien Vriend Fritz. Het boek is indertijd een groot succes geweest en, naar ouderen mij vertellen, ook in Nederland veel gelezen; thans is het van den lectuurshorizon der zoogenaamd litterair ontwikkelden verdwenen. In zekeren zin vormt de roman ook een belangrijk cultuurhistorisch en zelfs politiek-historisch document: de held is namelijk een Duitscher, het tooneel der actie is de Rijnpalts; de geschiedenis speelt in het jaar 1840 en is geschreven in den tijd van het tweede keizerrijk, in de periode dus dat er over den strijd om Frankrijks "natuurlijke" grenzen en om de annexatie van een gedeelte van het Rijnland tal van boeken, brochures en courantenkolommen vol geschreven werden.

Na '70 zal Erckmann-Chatrian een heele serie patriotische en ten deele fel anti-Duitsche romans schrijven; in de jaren '60 echter is Fritz nog zijn vriend, zijn zeer goede vriend. Dit Fritz dan is een vrijgezel en rentenier uit het keine stadje Huneburg in de Paltz, niet ver van Landau, groote zorg besteedt hij aan zijn wijnkelder en is ook zeer gelukkig een uitstekende keukenmeid van zijn moeder te hebben geërfd. Verder houdt hij ook van bier — vooral Märzenbler — en van gezellige kameraden. Een enkele maal drinkt hij wel eens te veel bier en daar bier zoo enorm veel water bevat is het voor de gezondheid veel verderfelijker dan goede wijn.

Soms overkomt het hem zelfs van eerst veel wijn en daarna veel bier te drinken. Dit was bv. het geval op het lentefeest van 1840. Ieder jaar viert Fritz namelijk een lentefeest; dan komt de Zigeuner Josef met zijn orkest; een paar vrienden uit het stadje worden uitgenoodigd. Josef zit mee aan tafel, de oudste wijnen worden voor den dag gehaald en de meid moet dien dag extra-goed koken; na het diner wordt koffie gedronken en Kirschenwasser en na deze laatste plechtigheid binnenshuis, begeeft men zich naar Het Groote Hert op de markt, waar nog menig glas bier wordt geledigd.
Zoo gebenrde dus ook in 1840, maar den volgenden dag moest Fritz dan toch constateeren, dat een menseh er niet goed aan doet zooveel bier te drinken. Hij besloot met zijn kater buiten de stad te gaan wandelen en op bezoek te gaan bij een zijner pachters. Het toeval nu wilde, dat die pachter een lief dochtertje had van zeventien jaar. Fritz, de verstokte vrijgezel, werd verliefd. Aanvankelijk gaf hij zich veel moeite om die belachelijke neigingen van zijn hart tegen te werken — wat zouden de kameraden wel zeggen — maar ten slotte werd het hem te sterk; hij liét zich drijven op een roze wolk van echt Fritzische sentimentaliteit en het slot was een huwelijk.

Een wat luidruchtige levensvreugde en eene ten slotte nog sterker blijkende sentimenteele romantiek, zijn dit niet de bestanddeelen van Pallieter? Daar komt nog bij dat het Lier van 1910 net zoo 'n stadje is als het Huneburg van 1840. Inderdaad de Ami Fritz lijkt wel een oudere broer van onzen Lierschen vriend.
Maar geen geestelijke vader en nog minder een model. De verwantschap zit, zooals wij reeds zeiden, veel dieper. Men zou hier met een eenigszins pedant woord misschien wel kunnen spreken van een gemeenschappelijken socialen ondergrond. Erckmann-Chatrian, evenals Timmermans, is in verzet gekomen tegen wat men cultuur noemt. Het is het eeuwige protest van de rust van het natuurgeworden verleden tegen de koorts van het cultuurveroverende heden: het is de roman van den Romein Tacitus, die de Germanen verheerlijkt en van de achttiende-eeuwsche dames en heeren, die wel herdertjes en herderinnetjes zouden willen zijn en spoedig zullen gaan dweepen met de helden van Ossian. In de negentiende eeuw echter neemt dit protest bij zeer velen den socialen vorm aan van de verheerlijking van het ambacht, in tegenstelling met den fabrieksarbeid of van een verheerlijking der kleine stad, centrum van gemoedelijke deugd en vroolijke gezelligheid in tegenstelling met de groote stad.

Huneburg is het centrum van 's werelds geluk voor den Franschman Erckmann-Chatrian en Lier is, drie kwarteeuw later, een hemel op aarde voor den Vlaming. Felix Timmermans, die plotseling genoeg krijgt van al die cultuur, waar de litteraire en artistieke vrienden uit Antwerpen steeds groote betoogen over opzetten. Hij zal nu eens toonen hoe men in Lier weet te leven ! En sindsdien is Lier een Nederlandsch Huneburg geworden en kan men Huneburg voortaan een Fransch Lier noemen, al ligt het dan ook buiten Frankrijks grenzen. Er is een zeker parallelisme tusschen de beide werken; er is misschien een gemeenschappelijke geestelijke achtergrond, maar meer niet. Pallieter is ongetwijfeld een volkomen zelfstandige artistieke schepping. Naar wij thans meenen — maar misschien missen wij nog het noodige perspectief — van heel wat grooter artistieke waarde dan L'Ami Fritz, al is dat ook een aardig-gemoedelijk, frisch boek.

Er zijn trouwens nog andere litteraire wer ken, voortgekomen uit diezelfde geestesge steldheid; wij noemen hier slechts Claude Telliers meesterstukje: Mon oncle Benjamin. Wie goed zoekt vindt misschien wel een heele Pallieterfamilie in de wereldliteratuur der negentiende eeuw. Dat de Vlaamsche Pallieter eerst in onze twintigste eeuw verschenen is, mag niet wonderlijk heeten, daar toch de Vlaamsche geestelijke wereld ook thans nog zeer bepaald klein-burgerlijk en dus begin-negentiendeeuwsch is.
Het zeer bijzondere succes van het boek is misschien wel voor een deel te danken aan dat min of meer archaïstisch karakter. Toen Erckmann-Chatrian schreef leefde de groote meerderheid der menschen nog in of vlak bij honderden Huneburgs; het Pallietersche Lier echter is voor de millioenen — en millioenen groote — stadsbewoners waarlijk een allercurieuste rariteit geworden.

1777761-c662f219318db795ae0dc634e6ea382f.jpg

*************

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Mon om 00:00 Reageer op dit bericht

De Liersche Zimmer-Ommeganck 1930

De Liersche Zimmer Ommeganck

Uit het Bataviaasch Nieuwsblad van 6/9/1930

De Zimmertoren is Zondag ingewijd.
Vandaag trok de groote stoet uit, waarvan vier der elf groepen aan de werken van Felix Timmermans zijn geïnspireerd, aldus een medewerker van de Tijd. Ik ging gisteren in den laten na-noen al eens kijken, waar de schrijver van Pallieter huisde. Zijn buurman, de kapper, bij wien ik mij wat liet opknappen voor den leutigen dag van morgen, die veel volk zou trekken, verkocht mij een pakje Pallieter-tabak in een door Timmermans zelf geteekend zakje. Ook vertelde hij mij seffens, dat hij wisse en zeker thuis was, want hij had hem niet zien uitgaan en
vóór een half uurken was hij nog op zijn werkvertrek. Zoo leeft men hier mee met de groote burgers.

1766051-8a3023986d06343a19dba5d2f50b6fae.jpg

Een en al vriendelijkheid en eenvoud kwam Timmermans aanstonds af, monter, frisch en met dien breeden lach, die over heel de gezondheid van zijn wezen ligt. Al spoedig was hij met zijn herinneringen in Noord-Nederland, waar hij voor zijn Vlaamsche kunst al in het begin van zijn schrijvers-loopbaan een zoo gunstig klankbord heeft gevonden.
Ja, daar wist hij dankbaar van te klappen.

Met den gemoedelijken onderpastoor van het Bagijnhof slenterden we wat langs de oude, meest typische plekjes van het oude Lier; hij wees op het uithangbord boven: de "Belofte Landsherberg", met de twee dragers uit het belofteland, die Timmermans geïnspireerd hebben voor zijn gelukkigen pennekras boven het bewuste hoofdstuk. Aan de samenvloeiing der twee Nethen namen we afscheid.
Feestelijk en vredig werd de stemming al op den vooravond in het stedeke gewekt door het concert op de Groote Markt.

Des ochtends waren de honderden Liersche duivemelkers, die op de markt zondagmorgen een soort beurs houden, al vroeg uit den slaap. Uit de Nethe-gebouwen brachten allerlei voertuigen den geheelen voormiddag feestgangers binnen.
Ik liep onderhand eens om den toren, die het eigenlijke begin van de feesten is geworden.

In onze vakschool, vertelde de onderpastoor, die daar les geeft, is het uurwerk volgens plan van Zimmer uitgevoerd. De Zimmertoren, zooals de oude Corneliustoren in den volksmond al werd herdoopt, is een torentje om 's nachts of bij regen binnen te zetten.
Maar Lier viert uitbundig feest om het herstel van dezen toren, die destijds deel, een soort bastion was bij den eersten vestinggordel der stad. We stonden klokslag 12 uur op het Wilsonplein naast den generaal der Praemonstreit, Mgr. Cretz, den abt van Averbode, te midden van honderden kijkers, toen de geheimzinnige luikjes openvlogen.

"God, laat de zon schijnen en houd den regen weg tot morgen", zoo bad Felix Timmermans twee jaar geleden bij den eersten ommeganck, en ook vandaag is die beé verhoord.
De propere, plezante straten van het lachend Pallieterstedeke liepen over van de ziedende menschenzee. En uit alle huizen woei de reuk van rijstpap, fricadellen en Liersche vlaaikes.

Het antieke stadje met zijn pittoreske gevels, zijn rustiek Begijnhof, de heerlijke zuiver gothieke St. Gummaruskerk met het doksaal van steenen kantwerk, kleedde zich feestelijk, want uit de gevels van ook het nederigste huizeke stak de vlag. De ballonvensters lieten hun fleurige koopwaar zweven, en de zon verfde alles in kleur en gloed.
Om drie uur trok de stoet uit. Juist snapten we Timmermans nog in een trammetje, vlak voor de ommeganck naderde. Hij had leute in het groote geval.

De drie nagebootste Belgische koningen, Leopold I. II en Albert, ieder met een gevolg van generaals openden na de gendarmen. Alle politieke opvattingen vandaag ter zijde stellend, bliezen vijf harmonieën in den stoet. En laten we het maar eerlijk bekennen, zoo fel en feestelijk hartstochtelijk blazen kunnen onze muzikanten niet. Er waren katholieke en socialistische muzikanten. Sint Caecilia en de Xaverianen hielpen de Kajotters en wisselden hun vroolijke marschen af met de socialistische mannen van Vooruit, die vuurroode hoofddeksels droegen en een nog vuriger vlag.
Ook de groote Lierenaars Tony Bergman en kanunnik David hadden de eer aan hun werken een groep ontleend te zien. Maar Timmermans had haast een eigen optocht met "Pallieter." En onder veel jolijt trokken Charlotte met de rijstepap en Pallieter met Marieken, zijn bruid, te paard te midden van kinderen, die de vier jaargetijden voortelden, voorbij. Bruiloftsgangers volgden, en tot sluit de huifkar met den ooievaar.

"Waar de sterre bleef stille staan", "Anne Marie", Pieter Breugel leverden elk een groep, en vooral bekende personen als de volksgroep van drie met de sterre, mijnheer Piroen, Pitje Vogel, Schrobberbeeck en Suskewiet en de foorwagen met de vlucht naar Egypte vonden bijval. En dan kwamen lange rijen folkloristische groepen van kinderen en volwassenen, maar vooral de Reuzen en het Ros Bayaard met de vier Heemskinderen in hun zilveren wapenrusting.
Vlaggen en kartellen der Liersche maatschappijen, zoo rijk en fleurig als wij ze in de rustige Hollandsche steden niet kennen, sloten den optocht. En toen we ze tweemaal hadden zien passeeren over de Groote Markt, om rond te trekken voor het gemeentebestuur op het rijkversierde bordes van het stadhuis, toen konden we met de hand op het hart zeggen, den geest aangevoeld te hebben van Lierke Plezierke.
Het is de onvervalschte vreugde van een gelukkig nog kinderlijk volk, dat de oogen- en oorenlust voor de weelde van den hemel en de bontheid van de aarde nog niet heeft verleerd.

*************

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Mon om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Felix Timmermans

↑ Terug naar de berichten