Naar de inhoud

Felix Timmermans

Vlaamse schrijver, dichter en schilder * 1886 - 1947 *
akke.beakke.be

Archief

Felix Timmermans te Lier gehuldigd

Felix Timmermans te Lier gehuldigd.

Dagblad van het zuiden voor Eindhoven - 8/7/1942

STADSWANDELING HERDOOPT.
GEDENKSTEEN ONTHULD EN HERINNERINGSBOOM GEPLANT.

     Het Nethestadje Lier vierde dezer dagen zijn grooten zoon, Felix Timmermans naar aanleiding van het feit, dat hij den Rembramdtprijs voor het jaar 1942 heeft ontvangen.

In den ochtend vond een ontvangst plaats in het stadhuis, waarbij talrijke vooraanstaande Vlaamsche en Duitsche personen aanwezig waren, personen aanwezig waren, o.a. dr. J. Grauls, gouverneur der prov. Antwerpen, U. van de Voorde namens het ministerie van onderwijs, dr. A. Borms, prof. Anton Jacob, Baron Is. Opsomer, Ernest Claes, Ernest van der Halle, Renaat Veremans, J Sterckens

     Na een hartelijke toespraak door burgemeester Alfred van der Halle sprak Kreiscommandant Majoor von Maercker, om den schrijver van "Boerenpsalm" te eeren. Namens de provincie bracht ook Dr. Jan Grauls hulde aan den schrijver. In naam van den rector en de professoren van de Hansische Universiteit te Hamburg hield Prof. Dr. Noack een rede waarbij hij op de cultureele wisselwerking wees tusschen Vlaanderen en het Duitsche Rijk.
Mevrouw Timmermans deelde met bloemen in de hulde, waarop de .,fee" op de hem eigen sappige wijze dankte : "In mijn voordracht te Antwerpen, vertelde ik, dat ik blij was, dat Onze Lieve Heer me op de werekd had geblazen. Ik had eigenlijk willen zeggen dat ik blij was dat ik te Lier geboren was. Maar te Antwerpen mocht ik dat toch zoo botweg niet zeggen. Ik werd er toch zo goed ontvangen en die mannen uit de grootstad, willen van iedereen "ne sinjoor" maken.

Hier op mijn eigen kassei, kan ik het evenwel zeggen, want ik houd toch zoo veel van Lier. Als er een nieuwen Bisschop, of een nieuwen Minister of nen nieuwen Baron benoemd of aangesteld wordt, dan ben ik blij, dat die Bisschop, of die Minister of die Baron van Lier zijn. Ik kan over Lier hooren spreken en er naar luisteren, als naar 't schoonste vertelsel. In den vreemde, bij het beste glas, heb ik heimwee naar Lier.
En Timmermans besloot zijn rede met de woorden: "Ik ben blij, dat ik vandaag — nu ik 56 jaar oud geworden ben — ook sedert 56 jaar de lucht van Lier inasem. Hoe de hemel er uit ziet, weet ik niet, maar ik hoop dat het een tweede schoon Lier is en, in dit geloof wil ik leven en nog niet sterven"....
En daarop werd de eerewijn geschonken.

1632212-00a4ca906835d25cc8e5abd85499c04f.jpg

De verdere huldiging.
's Namiddags had, onder overgroote belangstelling in het museum Wuyts-van Campen de academische zitting plaats, ingericht door het Vlaamsche kunstenaarsgilde der stad Lier.

Redevoeringen werden uitgesproken door Ernest van der Hallen, voorzitter der kamer van letterkundigen, onderafdeeling van het kunstenaarsgilde, Ernest Claes en Thomas de Backer, voorzitter van den provincialen cultuurdienst. De schrijver van "De Witte" sprak daarop tot Timmermans, als de "vriend". Over uw oeuvre is alles reeds gezegd. Menschen, die er nog meer over willen weten, moeten maar uw boeken lezen. Het is de vriend en de mensen, die ik heden huldigen wil. Timmermans, u staat thans in de periode van volle rijpheid. U weet thans wat goed is en wat u kunt.........

In Vlaanderen beleven wij thans een zware tijd. Als wij werkelijk Vlaanderen sterk willen maken, dan moeten wij steunen op de oude beproefde waarden, n.l. op onze kunst en onze kunstenaars. Hoe grooter onze kunstenaars zijn, hoe meer rechten Vlaanderen zal kunnen doen gelden op eigen zelfstandigheid.
"De Fee" heeft veel gedaan tot de vestiging van die zelfstandigheid in Vlaanderen. Op dit gebied heeft Timmermans zelfs meer diensten bewezen, dan 20 Vlaamsche ministeries.

Vriend Timmermans, aan al die feestvieringen komt thans ook een einde. Morgen is het weer werkdag. God geve u de gezondheid om uw werk voort te zetten. Dit wenscht u uw trouwste vriend.
Muziek en zang; sloten dezen middag af. Den geheelen avond werden verder de feestelijkheden nog voortgezet.

     Te 17 uur 30 begaven de genoodigden zich naar de stadswandeling "Begijnhof-Pallieterland", welke officieel door den burgemeester tot "Felix Timmermans Wandeling" werd gedoopt. Aan de Begijnhofstraat werd vervolgens een gedenksteen, geplaatst, waarbij de heer Alfred van der Halle, een toespraak hield. Hierna moest de schrijver eigenhandig een lindenboom planten, welke voor het nageslacht, de gedachtenis van Timmmermans zal bestendigen. Al deze plechtigheden werden door een dichte mensenmassa gevolgd.
Het Vlaamsch gemengd koor "t En zal", van Lier en het koper-ensemble Jan Bolle zorgden voor een passende muzikale omlijsting. ,
's Avonds werd de woning van Timmermans door buren en afvaardigingen van de verschillende stadswijken in de bloemekens gezet.

********

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Mon om 00:00 Reageer op dit bericht

Werklust tot den laatsten dag

WERKLUST TOT DEN LAATSTEN DAG

Uit De Maasbode 27/1/1947.

1631361-d82fd583e2c17efe84edc78043e41ecc.jpg

     Met het overlijden van Felix Timmermans heeft Vlaanderen zijn grootsten verteller verloren. Velen wisten, dat hij sedert lang lijdende was maar slechts weinigen vermoedden, dat zijn hartkwaal haar fatale ontknooping nabij was. Zijn goede vriend, de schilder Opsomer, zeide ons drie weken geleden: "De Fee is een vogel voor de kat, het kan evengoed over vier dagen als over vier maanden met hem gedaan zijn". Timmermans zelf scheen zich van den ernst van zijn toestand niet volledig bewust te zijn; dit bleek uit een brief van 11 dezer, waarin hij ons liet melden: "Ik lig nu weer te bed, maar ben toch zóó aan de beterende hand dat ik mijn woorden kan dicteeren". Alleen de handteekening was van hem zelf.

In denzelfden brief deelde hij ons mede, dat hij ondanks zijn hartziekte een bundel verzen heeft kunnen schrijven, "Naar ik van alle kanten verneem", zeide hij, "vindt men die gedichten schoon; zij verschijnen binnen enkele maanden in Nederland onder den titel "Adagio". Ik zal u dan zeker zoo een bundeltje zenden". Van iemand, die deze gedichten in handschrift had gelezen hoorden wij, dat zij van zeer droefgeestigen aard zijn met den dood als hoofdthema.
Kenmerkend voor de werklust van Timmermans is wel, dat hij op den laatsten dag van zijn leven nog naar zijn uitgever in Antwerpen is gegaan om de uitgave van dezen bundel te bespreken.

     Het toeval wil, dat op den avond van zijn dood te Bern de première werd gegeven van de opera "Kerstmis-sater", waar van het libretto was genomen uit Timmermans' werk: "Het keerseken in den lanteern".
Op Donderdagavond te 10 uur kreeg hij een hartaanval; nadat de geneesheer een injectie had gegeven trad een schijnbare verbetering in, maar te middernacht kwam de dood over hem.

     De hartkwaal van den schrijver zal zeker voor een deel ook moeten toegeschreven worden aan zekere moeilijkheden, welke hij na den oorlog heeft gehad in verband met de zuiveringsactie; er was een "geval Timmermans". In zijn zelfden brief van 11 dezer zeide hij hierover: "Er is nogal wat over mijn geval gesproken geworden doch, in vertrouwen gezegd, het is niets". Reeds tijdens den oorlog had hij eens mondeling gezegd, dat de Duitschers geen poging onverlet lieten om hem te compromitteeren, maar dat hij ze zooveel mogelijk op afstand hield. In de vooroorlogsche jaren had hij in Duitschland en omliggende landen ontelbare voordrachten gehouden. Al zijn boeken waren in het Duitsch vertaald en vandaar in andere talen want Timmermans was de meest vertaalde van alle schrijvers van België.

     Tijdens den oorlog gingen herhaaldelijk hooge Duitsche officieren bij hem aanbellen om een opdracht van zijn hand in een of ander boek. "Kon ik die generaals en andere hooge mannen de deur voor den neus dichtslaan?" vroeg hij ons. "Het zou geen dag geduurd hebben, of ik zat in de gevangenis en wat zou er dan met mijn gezin geschieden?"

De Duitschers hebben hem daarom den Rembrandtprijs opgedrongen; en ook bij andere gelegenheden onderging hij hun opdringerigheid, vandaar de moeilijkheden die hij na den oorlog ondervond.
     Het is zeker niet noodig hier de titels op te sommen van zijn boeken waarvan de meeste zoozeer van levensvreugde tintelen alsof zij met zonnestralen waren geschreven; er was een categorie menschen die hem critiseerde omdat hij van het Vlaamsche volk meestal alleen maar, het boertige zag, doch juist met het vooral langs die zijde te belichten, liet hij de andere facetten van dat volk beter naar voren komen, aan anderen de gelegenheid gevende daar den gloed en den glans van te verheerlijken.

Slechts 60 jaar oud verlaat Timmermans het wereldtooneel. Er was nog veel van het genie van dezen man te verwachten, want zijn inspiratie was onuitputtelijk.

************

Hoe vind je dit bericht? 4 stemmen
Geschreven door Mon om 00:00 Reageer op dit bericht

Lot er ons de sijs van aflakke - Jos Borré

' Lot er ons de sijs van aflakke '

Jos Borré - 9/8/1996.
In de Lierse literatuurgeschiedenis is er na Felix Timmermans niets meer geschreven.

De stad is nog steeds doordrongen van de beroering door het levensgenot die uit sommige van zijn werken spreekt. Meneer Pirroen op de Zimmertoren, het standbeeld van Pallieter, de Pallieterroute, café Pallieter, restaurant De Pirroen, de houten wegwijzers met figuren en taferelen uit zijn boeken. De opvolgers van zijn personages komen elk jaar opnieuw te voorschijn op Lier kermis in juni, waar de heren geacht worden in strooien hoed – een 'tits' - te verschijnen. De tweedehandsboekhandel 'Schoon Lier' in de Van Cauwenberghstraat is een zoek- en ontmoetingsplaats voor verzamelaars van Timmermans-edities, waar nieuwtjes uit de twee Timmermansgenootschappen worden uitgewisseld. Een namaak-Timmermans is nog altijd populair als auteur van Lierse wijkverhalen, een volks kerstspel en een inventaris in twee delen van Lierse woorden en uitdrukkingen: Kak van Maria en Zweus.
Eigenlijk is het omgekeerd gegaan. Timmermans heeft op treffende wijze de aloude ziel van 'Lierke plezierke' in beeld en klank gevat en neergeschreven, en de Pallieters vonden in hem een ijkmaat voor hun levenslust. Timmermans werd de totem van de Lierse luim, het zinnebeeld van de echte Lierse mentaliteit.

"Hier looft men God, maar met een stuk spek in de mond."
     Felix Timmermans werd op 5 juli 1886 geboren in de Karthuizersvest, nu een winkelstraat, als dertiende van veertien kinderen. "Ik was een overschotje." Omdat er geen plaats meer was in het trouwboekje moest zijn naam op het omslag worden geschreven.

Zoals andere huizen waarin hij in Lier heeft gewoond, is het geboortehuis ondertussen verdwenen. Het langst woonde hij op het nummer 30 in de De Heyderstraat, waar in 1957, tien jaar na zijn dood, een gedenkplaat werd aangebracht. Daar zou zijn werkkamer in de oorspronkelijke staat zijn bewaard, maar het huis is niet open voor het publiek. Het wordt bewoond door zijn zoon, de tekenaar en schrijver Gommaar Timmermans (GoT).

     Voor meer en konkreter aandenkens moet men naar het Timmermans-Opsomerhuis, het oude Hof van Geertruyen, bij de Binnennete aan de andere oever van de Zimmertoren, sinds 1968 museum voor Lierse kunstenaars. Timmermans moet hier inderdaad de ruimte delen met de schilder Isidoor Opsomer, de komponist Renaat Veremans, de kunstsmid Louis Van Boeckel, de schrijver Anton Bergmann en enkele mindere goden. Maar de geest van Timmermans waart door alle vertrekken. In een kamer hangt een reeks panelen, elk met gegevens over literatoren uit de geschiedenis van Lier, vanaf Beatrijs van Nazareth (13de eeuw) tot Jozef L. De Belder. Op het paneel van kanunnik Jan Baptist David, Vlaams voorvechter naar wie het Davidsfonds werd genoemd, prijkt ook het menu dat ter gelegenheid van de inhuldiging van zijn standbeeld op de Lierse vest (stadswandeling) op 22-23 augustus 1897 werd afgewerkt : 'Tomatensoep, Garnaalpasteikens, Tarbot op zijn Hollandsch, Ossenborst met Madeirasaus, Hesp in gelei, Opgevulde Bloemkoolen, Kiekens met salaad, Pronkgebak, Vruchten en Nagerecht'.
In 1897 was Timmermans een knaap van elf, aan hem kan het niet gelegen hebben.

1626265-34333c64a603f73034b5fd8069fb48b4.jpg

Zinnelijke levenservaring
     Isidoor Opsomer heeft Timmermans een flink aantal keren vereeuwigd. Een groot portret ten voeten uit van Timmermans hangt in het stadhuis. In de Opsomerzaal vindt men, wat uit het zicht in een verloren hoek, een gehavende en niet gedateerde tekening, en een ets uit 1914, van een Timmermans van achteraan in de twintig, een bol gezicht met glimlach en guitige blik en een grote kuif rechtopstaand haar. Op de Timmermans-etage hangen overtuigender olieverfschilderijen van een al oudere Timmermans, met "een blauwgeschoren, zak-kakig gezicht", zoals hij de wijnhandelaar in De pastoor uit den Bloeyenden Wijngaerdt beschrijft.

     Uit alles spreekt hier de zinnelijke levenservaring. Als hij zich over Ernest Staes, advocaat van stadsgenoot Anton Bergmann uitlaat, een bewonderde voorganger: "Dat heb ik niet gelezen. Dat heb ik gevreten." Op een foto zitten vele kinderen als in een weeshuis aan lange tafels voor een bord vol witte leegte in de lens te kijken. Er zal duidelijk niet gegeten worden voor de fotograaf klaar is met zijn werk. De schrijver staand aan het hoofd van de tafels, een paar afwachtende vrouwen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog was Timmermans voorzitter van de Lierse afdeling voor Volksopvoeding. "Hij zorgde zelf mee voor de papbedeling en fleurde het lokaal op met zijn tekeningen." In een toonkast de indrukwekkende luxe-editie op groot formaat van Pieter Bruegel open op de titelbladzijde, met de ondertitel zoo heb ik u uit uwe werken geroken. Elders een citaat geplukt uit Adriaan Brouwer, dus van de gerijpte, gelouterde, oudere Timmermans: "Het leven is een soep met vier troostende mergpijpen in : de drank, de liefde, de toebak en de kunst." In deze volgorde?

     Tegen de wanden in afzonderlijke panelen per boek de illustraties die Timmermans zelf maakte voor zijn werk, in simpele lijnen met grove arceringen voor de schaduwvlakken, naïef-expressionistisch van stijl, bij gelegenheid in heldere kleuren. Veel processiebeelden, begijnhofminiaturen, devotietaferelen. Op groot formaat in olieverf een zaaiende boer, met kolenschoppen van handen à la Permeke, een bolle zaaizak voor de buik, in zwarte broek, met zware tred het zaad uitstrooiend over een donkerbruine, van vruchtbaarheid zompige en bolstaande akker. Alles bij de grond is donker. Een onweerswolk verdwijnt net uit het zicht, voor de rest is alles in de lucht-met-regenboog en alles op de verre achtergrond licht en luchtig.
     "Timmermans wist dat hij niet zo'n goed schilder was. Hij stelde slechts enkele keren tentoon, op verzoek van vrienden, in Amsterdam, Den Haag, Keulen, Leuven en Lier." Maar de prijs van zijn artistiek werk vandaag liegt er niet om.
In zijn boeken brengen noch de aardse geneugten noch het geestelijke heil de uiteindelijke vervulling van het leven. Het een moet het ander aanvullen, maar er blijft iets onvoltooids, zelfs al wordt het onbegrijpelijke belichaamd en vereerd in een godheid. Er zit altijd een bijsmaak aan het genot: "Mystiek en zinnelijkheid mengelen zich in Lier bijeen, en meer dan ergens anders vindt men hier dit verdeelde hart : de herberg naast de kerk. Het heimwee naar de Hemel en een dronk op het leven."

1626265-0870227fe36ac61fb95c3039fab5d16d.jpg

     De jonge Timmermans maakt een donkere periode door voor zijn levenslust zich zo opvallend manifesteert. Onder invloed van de jonggestorven schilder Raymond de la Haye verdiept hij zich in de teosofie en de okkulte wetenschappen, en hij leest onder anderen Maeterlinck en Joris-Karl Huysmans. De parochieherder gooit het jonge gezelschap uit het huis aan de Grachtkant nummer 4 in het Begijnhof omdat het er spiritistische seances houdt. Zijn eerste grote werk. Schemeringen van de dood, bevat sombere verhalen over nachtmerries, hopeloze liefdes, overspel, moord en zelfmoord. "Alles was zwart en donker en dood."

Hollandse winkelhaken
     Maar na een zware operatie waarbij hij de dood in de ogen ziet, beleeft hij in de volle zomer van 1911 een totale ommekeer in zijn levensbeschouwing. "Mijn klein, alledaags en zoekend schrijversleventje kreeg er een geweldigen schok door en keerde zich om." Uit deze plotselinge verrukte levenslust ontstaat Pallieter. De overvloed van bloemen en vruchten, de lucht zwanger van wisselende geuren, het wervelend en koppelend gedierte, altijd voort, altijd opnieuw. Breek je er het hoofd niet over, begrijpen kun je het toch niet, maar " t' is schoen, en lot er ons de sijs van aflakke..." Toch, zegt Timmermans-kenner August Keersmaekers, zal de "fundamentele weemoed" nooit helemaal uit zijn werk verdwijnen.

     Pallieter verschijnt van 1912 tot 1914 in afleveringen in De Nieuwe Gids. Dan breekt de oorlog uit. Pas in 1916 bereikt het herwerkte, maar dan nog vijf kilo zware manuskript uitgever Van Kampen in Amsterdam via de Duitse Presse-delegierte in Gent en de Belgische vice-konsul in Terneuzen. De eerste editie van Pallieter staat vol tikfouten en onnauwkeurigheden, en er ontbreekt een bladzijde in. Maar nog erger is de reaktie in sommige Noordnederlandse katholieke bladen : daarin wordt Pallieter amoreel, sensueel en godslasterlijk genoemd. De affaire laait zo hoog op dat in 1920 in Rome een kerkelijk verbodsdekreet over Pallieter wordt uitgesproken. Geschrokken repliceert Timmermans dat hij altijd "een goed katoliek" probeerde te zijn. Hij doet een beroep op de om zijn Vlaamsgezindheid in een obskure Brusselse parochie uitgerangeerde, maar onverzettelijke kanunnik Theodoor van Tichelen ("die Hollandse winkelhaken verstaan ons niet") om de tekst te helpen herzien.

     In een brief uit 1920, in het museum is die nochtans belangrijke datering weggevallen, sust Timmermans zijn uitgever met de overweging dat het boek toch "niet op de index" terechtgekomen is en "slechts voor Holland en België" verboden is. En op zijn kousevoeten laat hij weten "na mij goed bedacht te hebben (...) dan toch (...) enige wijzigingen" te willen aanbrengen, "hier en daar een zin, en misschien een kort toneeltje".
     Eruit gaan (ik pik voorbeelden uit de inventaris die dr. Marcel Cordemans in 1958 maakte in de Handelingen van de Zuidnederlandse Maatschappij voor Taal- en Letterkunde en Geschiedenis) : de 'zinnelijke' passage waarin Pallieter Marieke achtervolgt na een naakte zwempartij, het zicht op "de tepeltjes" en "blote roze billen", en dat "haar boezemkens waggelen". Uitdrukkingen als "Nu is het leve zot lak 'n hiet maagdeke". Begijntjes kunnen wel "meestal arm" zijn, maar niet ook nog "gierig". Als Pallieter op kerstochend opstaat moet hij voor het ontbijt "naar’t zevenuren-misken op 't Begijnhof.
     Van Tichelen: "Laat hem naar de mis gaan: een paar woorden!" En Pallieters lof voor een overvloedige zomerweelde wordt afgesloten met de bedenkelijke uitroep "Geloofd zij God om de peren en de appelen!" Volgens August Keersmaekers de subtiele ironische wraak op de Hollandse "winkelhaken" van twee Vlaamse "spuiters".
Pas in de zestiende druk. van 1930, is de steeds verder gaande zuivering voltooid. Pas in 1966, vijftig jaar na datum, verschijnt als de negenentwintigste druk in een bijzondere uitgave de oorspronkelijke tekst opnieuw.
     Timmermans maakte zelf enige ontwerpen en schetsen voor het omslag van Pallieter. Overigens had hij als naam voor zijn hoofdfiguur ook aan 'Pagadder' of 'Kadots' gedacht, maar een vriend koos voor 'Pallieter' omdat in die naam het best de geest van het boek besloten zat. In de toonkasten liggen voorbeelden van de talloze vertalingen van Timmermans' werk. Pallieter heet in het Zweeds Livets Fröjder ('De vreugden des levens'). Adagio is ook in het Japans overgezet. En hoeveel suggestiever klinkt The perfect joy of St. Frances dan De harp van Sint Franciscus! In het Engels mocht het.

Rembrandtprijs
Foto's tegen de muur.

     De schrijver in zijn werkkamer, zware pijp in de mond, vadermoordenaars met gestrikte das, de tafel in Mechelse stijl vol papieren. Op de achtergrond een wandklok. (Elders in het museum : de wandklok, met ernaast een foto van de schrijver die de wandklok gelijk zet. Het verleden materieel overgeheveld.) De schrijver in de deuropening in de De Heyderstraat, op de dorpel, nog steeds "met vadermoordenaars en gestrikte das, maar nu ook met stofjas, de handen in de zakken. Schrijven is intellektuele arbeid.
En steeds die bolle, gezakte wangen, de verwilderd opstaande kuif.

De schrijver in 1942 op de uitreiking van de Rembrandtprijs van de Hanze Universiteit van Hamburg. Echter geen woord over de konsekwenties daarvan. Tijdens de oorlog was Timmermans aktief in de organizatie van het plaatselijke kulturele leven, als voorzitter van 'Volk en Kunst' en van de Lierse afdeling van de Kamer voor Letterkundigen, een onderdeel van de door de Duitsers opgerichte Kunstenaarsgilde. Na afloop nam men hem echter vooral kwalijk dat hij deze Rembrandtprijs had aanvaard.
     Op het ogenblik zelf waren de reakties verdeeld. De vrijzinnige Lode Baekelmans zag er geen been in en was aanwezig op de viering van Timmermans in Antwerpen. Het Davidsfonds van Lier morde, waarop Timmermans ontslag nam als lid. Hoewel hij sympatie voor de bezetter aangewreven kreeg, werd Timmermans vlak na de oorlog buiten vervolging gesteld.
     Een close-up van de schrijver op zijn doodsbed. De gebogen lijnen van voorhoofd en neus. Het op doodsprentjes eeuwig geciteerde afscheidsgedicht uit Adagio :

"De kern van alle, dingen
is stil en eindeloos.
Alleen de dingen zingen.
Ons lied is kort en broos.

En donker zingt mijn bloed,
van heimwee zwaar doorwogen.
Ik zeil langs regenbogen
Gods stilte tegemoet."

1626265-ee4f6527b366457036d2138d9860c135.jpg

     Timmermans stierf op 24 januari 1947, eenenzestig jaar oud. De grillige donkere lijkkoets werd getrokken door twee met zwart fluweel beklede paarden. Het was bar koud die dag.
Er bestaat een foto van Walschap, met dikke mantel en handschoenen, samen met de vrouw van Ernest Claes, in bontjas met mof, en met uitgever Bob van Kampen, in hoge hoed en witte sjaal boven een lange zwarte mantel, op het besneeuwde kerkhof van Kloosterheide, een eind buiten de stad. Mensen die er toen bij waren vertellen mij dat Walschap en Westerlinck, die begin 1947 in een felle polemiek in literaire tijdschriften verwikkeld waren, aan het ruziën sloegen nog voor ze van het kerkhof af waren.

*********

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door Mon om 00:00 Reageer op dit bericht

Een brave burger uit het vrome Lier - Stefaan Praet

Een brave burger uit het vrome Lier.

Door Stefaan Praet - 28/6/1986
     Op 5 juli zal het 100 jaar geleden zijn dat Felix Timmermans in een volkse Lierse wijk geboren werd. In de eerste helft van deze eeuw was hij zonder twijfel onze populairste schrijver, en nog altijd is hij de meest vertaalde Vlaamse auteur. Timmermans heeft niet voor niets geleefd; hij heeft zijn sporen nagelaten en die leiden alle naar Lier, een stadje tussen Antwerpen en Mechelen, waar men met gemengde gevoelens terugkijkt op het leven van "de Fee".

     Het verhaal gaat dat er ooit een welstellende Nederlander is geweest, die zo geboeid raakte door de verhalen van Felix Timmermans dat hij in de omgeving van Lier een villa liet bouwen om ter plekke te kunnen genieten van de uitbundige "breugheliaanse" sfeer die hij er dacht aan te treffen. De man heeft er niet lang gewoond. Hij begreep al vlug dat de Pallieter toestanden en Lierke Plezierke een uitvinding van Timmermans waren en dat Lier in feite een stad is als een ander, waar het niet alle dagen kermis is. Hoewel de Lierenaars nog altijd hun best doen om voor de toerist een beeld op te hangen van leute en plezier, zoals die cafébaas die ons met enige trots uitlegde hoe de inwoners van Lier aan hun scheldnaam "schapekoppen" gekomen zijn : ze zouden ooit voor de keuze gestaan hebben hun stad te verrijken met een universiteit of met een veemarkt. En ze kozen resoluut voor de beesten.

Al thans, zo wil de legende het.

     Omdat de inwoners van het stadje aan de Nete het vooral moeten hebben van het toerisme, hebben ze handig geprofiteerd van de veelgelezen boeken van Timmermans die niet karig was met zijn lof op Lier om een feestelijk imago te creëren dat de toeristen in drommen naar Lier zou moeten lokken. Niet te tellen zijn de cafeetjes, restaurants en vakantiehuisjes die de naam "Pallieter" dragen. En op 25 mei van dit jaar deed ook het stadsbestuur zijn duit in het zakje door in de buurt van de Zimmertoren een meer dan levensgroot standbeeld van Pallieter te onthullen. Hoe wel het bronzen beeld van beeldhouwer Jan Keustermans beslist een indrukwekkend kunstwerk is, biedt het toch maar een troosteloze en verlaten aanblik op de regenachtige en winderige dag waarop ik Lier bezoek.

1621985-b6128d830e2fa4295f47bdc7d3881017.jpg

     Niet ver van het Pallieterstandbeeld, in het opgefriste Timmermans Opsomerhuis, loopt nog tot 30 september een retrospektieve tentoonstelling van het literair en grafisch oeuvre van "de Fee". Niet iedereen in Lier is daar even entoesiast over: de jongeren zijn niet geïnteresseerd in dit overjarig museumgedoe: zij hebben andere idolen. En de oudste inwoners van Lier zijn nog niet vergeten dat Timmermans zich als flamingant en aktivist zowel tijdens de eerste als de tweede wereldoorlog "verbrand" heeft. Veel kan je Timmermans op kollaboratie-vlak nochtans niet verwijten, hoogstens zijn naïeviteit in zaken waar het politiek betrof. De Lierse middenstanders, en dat zijn er nogal wat, zijn nog het gelukkigst met de tentoonstelling en de daarbij horende lezingen, koncerten en voordrachten, want voor hen is Timmermans, samen met klokkenmaker Louis Zimmer, de toeristische lokvogel van de stad.

Zondagsschilder
     Volgens stadsbibliotekaris Jo Cooymans is er op de Timmermans-tentoonstelling veel onbekend grafisch werk van de Fee te zien, afkomstig uit familiebezit en van privéverzamelaars. Er zijn schetsen en tekeningen, etsen, houtsneden en lino's, waterverf- en olieverfschilderijen. Zoals het een amateur past, probeerde Timmermans zowat alle genres.


In zijn jeugd had hij trouwens meer aanleg voor tekenen dan voor schrijven, maar om zich verder te gaan bekwamen aan de Antwerpse Akademie had Timmermans geen zin, omdat hij dan alle dagen vroeg uit bed zou moeten!

     Timmermans bleef dus een "zondagsschilder", hij schilderde voor z'n plezier en illustreerde er z'n boeken mee. Hij tekende en schilderde vlug en gemakkelijk; het schrijven kostte hem veel meer tijd en moeite. Zijn tekeningen en schilderijen zijn schatplichtig aan figuren als Permeke en Van Den Berghe, maar ook aan de Vlaamse Primitieven uit de 16de eeuw. Men zou ze het best kunnen omschrijven als naïef en expressionistisch. Bij voorkeur schilderde Timmermans boeren en "kleine lieden", geen burgers of "salonmensen". Zijn figuren zijn onbeholpen in hun proporties, onhandig in de aflijning, primitief en kinderlijk, maar juist daardoor zo ontroerend. Timmermans zelf had een grenzeloze bewondering voor Pieter Breughel en Adriaan Brouwer. Over beide schilders schreef hij een roman.

Pallieter
     De tentoonstelling in het Timmermans-Opsomerhuis werd tematisch opgevat. Naast de relatie "literatuur-schilderkunst", wordt uitvoerig aandacht besteed aan de tema's "Geloof en devotie", "Liefde", "Gegroet O Lier" en "Pallieter".

Wellicht is Timmermans bij het grote publiek vooral bekend met één boek, en dat is "Pallieter". Hij schreef deze levensblije roman vóór het uitbreken van de eerste wereldoorlog en liet hem in Nederland publiceren in 1916.
     Het schrijven van "Pallieter" was een vitalistische reaktie na een soort geestelijke depressie waarin Timmermans was terechtgekomen, en die hij heeft beschreven in "Schemeringen van de dood", een boek met zes lugubere novellen. Timmermans was toen zwaar ziek en dacht dat hij ging sterven, maar hij genas zichzelf met het schrijven van Pallieter, een flierefluiter van een man, die zijn naam in de sneeuw pist en die liefheeft volgens het ritme van de seizoenen. Marieke Janssens, de vrouw van Timmermans, stond model voor de vrouwelijke hoofdrol in "Pallieter". Vol verrukking laat Timmermans zijn held aan het eind van het boek uitroepen: "O Marieke, gij hebt mijn leven zo schoon en groot gemaakt".

1621985-01f8b0e6e1a65d887e55862ec32e6839.jpg

     De steun en liefde van zijn vrouw had Timmermans overigens hard nodig in die tijd, want als bekend flamingant en aktivist was hij na de oorlog een "verdacht" burger. Vóór het uitbreken van de eerste wereldoorlog had Timmermans zich reeds in een artikel in "Lier Vooruit" afgevraagd wie er op het onzalige idee gekomen was Walen en Vlamingen "bijeen te duwen" en hen Belgen te noemen, want "Belgen bestaan er niet". Lang voor Jules Destrée dus aan de koning schreef "Sire, il n'y a pas de Belges", wist Timmermans dit al.

Timmermans liet zich ook als flamingant kennen in zijn boek "Boudewijn", een satirisch dierenepos in verzen, te vergelijken met onze middeleeuwse Van Den Vos Reynaerde, waarin hij de verfransing en verdrukking van het Vlaamse volk aan de kaak stelde.

Censuur
     Vlak na de oorlog vond Timmermans het wijselijk om uit te wijken naar Nederland, maar na een paar jaar al mocht hij terugkeren naar Vlaanderen. Daar wachtte hem echter een tweede koude douche: de Kongregatie van het Heilig Officie in Rome had moeite met de wulpse weelde die in "Pallieter" uitbundig was beschreven en wilde dit "zinnen strelende boek" op de index van verboden publikaties zetten. Stijn Streuvels raadde de Fee aan zijn boek op de Lierse Grote Markt te verbranden, liever dan er een letter aan te veranderen.

Maar Timmermans, de brave burger uit het vrome Lier, had een groot hart en was bovendien commercieel genoeg om wat aanstootgevende passages te schrappen, zodat het boek verder kon worden verkocht. Het zou nadien nog 50 jaar duren eer het boek, in 1966, in een "ongekuiste" versie verscheen.

     Hoewel Timmermans wel voor eeuwig en altijd zal worden geassocieerd met "Pallieter", heeft hij nog ander en zelfs beter werk op zijn aktief staan. "Boerenpsalm" bijvoorbeeld, waarin hij vanuit de psychologie van een eenvoudige boer de verknochtheid aan eigen grond en eigen haard beschreven heeft. Of het tragisch romantische "Ik zag Cecilia komen", waarin het hoofdpersonage een sterk doodsverlangen koestert, om voor eeuwig met zijn geliefde Cecilia "een lied en een stilte" te zijn.

Populair
     Het duidelijkst heeft Timmermans zijn levensfilosofie verwoord in de minder geslaagde roman "De Familie Hernat", waarin hij Simon Hernat laat zeggen: "Karnol, ik vraag mij af waarom wij leven". En de simpele, maar levenswijze knecht Karnol antwoord: "Omdat wij altijd denken, 't zal beter worden".

     Met die filosofie kende Timmermans een enorme populariteit, zoals mag blijken uit een referendum dat de Vereniging ter Bevordering van het Vlaamse Boek in 1938 had gehouden, om te weten wie de populairste Vlaamse auteur was. Van de 20.000 antwoordformulieren die binnenkwamen, gingen 15.564 vermeldingen naar Timmermans, voor Ernest Claes (14.529), Hendrik Conscience (12.685), Stijn Streuvels (10.712) en Gerard Walschap (6.720).

     Ook in het buitenland was Timmermans erg populair. Hij gaf lezingen in Duitsland, Zwitserland, Oostenrijk, Polen, Hongarije enz. Zijn boeken werden in meer dan 20 talen vertaald en kenden een enorm sukses. Johan Fleerackers noemde hem ooit "de Conscience van de 20ste eeuw", waarmee hij bedoelde: "Conscience leerde het Vlaamse volk lezen, Timmermans leerde het buitenland over het Vlaamse volk lezen".
     Daarbij moet nochtans opgemerkt worden dat het buitenland door de werken van Timmermans, maar ook door de boeken van Claes en Streuvels, een vertekend beeld van de Vlaming heeft. Het hardnekkige vooroordeel dat het hier alle dagen kermis is. Het is allicht geen toeval dat Timmermans roman "Pieter Breughel" ( in 16 talen vertaald) zijn best lopende boek in het buitenland is.

1621985-a11455dad17c3568ef6d2c668f8500f3.jpg

     Voor de lezer van nu is er aan het werk van Timmermans niet zoveel plezier meer te beleven. Zijn religieuze benadering van het leven en zijn volkse beschrijving van het dagdagelijkse gedoe in een kleine stad appeléren niet meer aan de interessesfeer van de moderne lezer.
     Grammatikaal en technisch is Timmermans ronduit zwak, maar zijn sterke punt is het vertellen, het oproepen van beelden en de associaties die hij daarbij maakt. Of, om het met de woorden van José De Ceulaer, de voorzitter van het bloeiende Timmermansgenootschap, te zeggen: "Felix Timmermans lezen kan je de indruk geven dat je in een album met oude prentkaarten bladert waarop de kerk nog in het midden staat, met de herberg ernaast, onder een Vertelselblauwe lucht".

Van expostie tot vuurwerk
De- 100ste geboortedag van Timmermans is goed voor een heel pakket aktiviteiten.


Te beginnen met de tentoonstelling "Met Pen en Penseel" in het Timmermans-Opsomerhuis aan de Netelaan. Zij is alle dagen open, behalve op maandag en vrijdag, van 10 tot 12 uur en van 13u30 tot 17u30, en dat nog tot 30 september. Prijs: 50 fr., groepen betalen 25 fr. per persoon. De catalogus die bij de expositie hoort, bevat naast enkele inleidende beschouwingen ook een 30 tal lijntekeningen en 15 grote kleurenreprodukties van schilderijen, akwarellen en pastels van Timmermans.
Het is te koop in het Timmermans-Opsomerhuis en kost 450 fr.

     Afdeling boeken valt ook een en ander te signaleren. In de reeks Aktueel van uitgever Grammens schreef Gaston Durnez een boekje over leven en werk van Timmermans, onder de titel "De GoedeFee". Aan de hand van persoonlijke herinneringen en lektuur schetst Durnez een beeld van de schrijver, tekenaar en schilder. Net zoals het werk van Timmermans zelve, is de tekst van Durnez vriendelijk en gemoedelijk. Het boekje telt 104 pagina's en kost 295 fr. Bij Den Gulden Engel, de gloednieuwe uitgeverij van drukker Smits in Wommelgem, verscheen een boek van Ingrid van de Weijer, dat het midden houdt tussen een wetenschappelijke studie en een rijk geïllustreerd album. "Al Mijn Dagen" is de titel en het brengt het verhaal van het ontstaan van Timmermans teksten, hun overlevering, kompositorische en stilistische varianten uit handschriften en drukken, met een inleidende studie van de manuskripten van Timmermans. Vele foto's uit het familiealbum en reprodukties van schilderijen illustreren het wetenschappelijke gedeelte van dit werk (365 blz. 2.400 fr.).

     Van Lia Timmermans, dochter van "de Fee", verscheen bij dezelfde uitgeverij een anastatische herdruk van "Mijn Vader", een boek vol tedere herinneringen. Verder worden een kunstdrukkalender met 12 gekleurde pentekeningen van Timmermans, een brandglasraam met de beeltenis van 't Belofte Land en een luxe uitgave van het boek "Schoon Lier" uitgegeven.

     Op woensdag 2 juli zendt de BRT, onder de titel "In de voetsporen van Felix Timmermans", een biografie van Timmermans uit. In dit programma wordt vooral nagegaan waar de schrijver zijn tema's en inspiratie vond. (BRT 1 - 21u.40). En op 27 september verschijnt een speciale postzegel met de beeltenis van Timmermans. En op 19 oktober besluit de Lierse Sint Gummarus kermis met een speciaal Timmermans-vuurwerk, bestaande uit motieven als "Drie Koningen", "de Ster" enz. Van de meeste aktiviteiten zal een videoreportage gemaakt worden, die nadien te koop zal worden aangeboden.
Voor praktische informatie kan men terecht op het stad huis, Grote Markt, Lier, tel.(03) 480 22 23.

********

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Mon om 00:00 Reageer op dit bericht

De Pastoor in den bloeienden Wijgaard

De Pastoor in den bloeienden wijngaard

Uit De Gooi en Eemlander – 18/12/1925.
     In de groote zaal van Concordia, waar geen plaatsje onbezet was, heeft gisteravond Felix Timmermans voor de afdeeling Bussum van de Nederlandsche Vereeniging van Huisvrouwen een lezing gehouden onder den titel "De pastoor uit den bloeienden wijngaard". 't Was echter niet alleen over dat ééne werk, dat Timmermans ons vertelde, ook zijn boeken, die aan het schrijven daarvan vooraf gingen behandelde hij, omdat schrijven is als plukken, omdat een boek is als een oogst, het moet gerijpt zijn voordat het is, en de pastoor uit den bloeienden wijngaard is gerijpt uit de voorafgaande boeken. De invloeden werken reeds te voren en dan ten slotte zet men zich aan het werk.

     Spreker vertelde van zijn eerste boek de "Schemeringen van den Dood", dat ziekelijk is, dat een paddestoelen-atmosfeer, een kelderlucht ademt. Daar tegenover staat "Pallieter", één jubeling, één stuk levensverheuging en kerngezond.
     "De Schemeringen van den Dood" zijn alléén tragiek; Pallieter is alléén levensvreugde, doch "De Pastoor uit den bloeienden wijngaard" is een mengeling van beide, is èn tragiek èn levensvreugde.
Over den groei van die werken en zijn eigen innerlijken groei, dat hij twee zoo absoluut tegenstrijdige werken schrijven kon en daarna een boek, dat een evenwichtige samenvloeiing van die beide is, deelde Felix Timmermans ons een en ander mede, door te vertellen gebeurtenissen uit zijn jeugd en jongelingstijd, van zijn ouders, van zijn vader vooral en van menschen met wie hij in aanraking kwam.

     Hij verhaalde van zijn verlangen naar mystiek, toen daar een vriend kwam, een schilder, die wist en vertelde van allerlei "ismen" en Timmermans hoorde graag daar van. " 't Was als een zomervijver, waar hij induikelde en — waar hij bijkans in verdronk". Hij kreeg een tegengoesting van te leven tot dat hij, na een zware operatie zijn eene oog opende — want na een zware operatie opent men niet twee oogen tegelijk — en zag aan het gebaar van het nonneke dat zijn toestand bedenkelijk was. Hij lag daar "met zijn tien teenen naar omhoog, alleen maar om asem uit te blazen" en toen ontwaakte in hem de wil om te blijven leven — "want wie zou er willen sterven? " — de lust om het leven te genieten; geen zoeken naar ismen meer, maar het leven aanvaarden, met beide handen het dankbaar aanvatten als een rijke gave Gods.
     Na zijn herstel stond hij als nieuw geboren in het bloeiende Nethe-land en ,"'t was als een glasraam, zoo helder". 't Was zóó schoon, dat hij het schrijven wilde in een boek en hij zette zich aan den arbeid en schreef drie schoone bladzijden over het Nethelandschap en den volgenden dag één bladzijde slechts en toen niets meer : hij kon niet want het weer was hetzelfde gebleven. 't Was alles eender als den eersten dag. En terwijl hij zich afvroeg : wat moet ik beginnen als het nu 't heele jaar door zulk weer blijft?, begreep hij dat er een . mensch ontbrak in zijn werk. Toen ontstond de figuur van Pallieter, de onsterfelijke levensgenieter.

1620120-71a43d6636ff0c16cfd9832d94412533.jpg

     Timmermans heeft hem beschreven van zijn geboorte tot zijn dood in een manuscript dat' 5 K.g. woog en dat nu rust onder stof op den zolder van zijn woning in het stedeken Lier.
Vermakelijk was het, zooals hij vertelde, hoe hij zich Franso gedacht had als een mager man, een schilder, die boven in een molen werkte aan Breughelsche landschappen en hoe hij toen in de werkelijkheid zijn romanfiguur ontmoette, een schilder, die beneden in een molen aan Breughelsche landschappen werkte, maar...... een ton met schuimende krullen en een safraan puntbaardje.

     Van 1910 tot 1914 werkte Felix Timmermans aan Pallieter en juist een kwartierken had hij zijnen naam daaronder geschreven of hij hoorde een trompet en men zegde hem : De oorlog is verklaard. Maar Pallieter was af, gelukkig, want door den oorlog kraakte Timmermans terug in elkaar. Toch heeft hij tijdens den oorlog "Het kindeke Jezus in Vlaanderen" geschreven. Dat leefde onbewust reeds in hem, toen hij nog een manneke was van 7 jaar.
Dat was de schuld van zijn vader.
En Timmermans vertelde van zijn vader — die leek op Bismarck maar vaselienachtiger was —, die met een blauwen buis en een rooden zakdoek met witte bollekens en de zijden muts op den kop, op een hondenkarreken ging kant verkoopen op Walcheren en hoe hij dan altijd thuiskwam met iets moois of iets bijzonders : een hoedendoos vol meikevers, of "Russische" rapen", witte bollen met een staartje van onder en van boven huzaren loof ", die te Middelburg op de markt gekocht waren, maar toch zóó echt Russisch smaakten!

     Timmermans vertelde hoe Vader verhalen deed aan zijn zestien kinderen — waarvan spreker nummer 13 is (applaus) — verhalen van Ali Baba, van Moeder de Gans en vele anderen en hoe altijd Vader zelf in het verhaal een rol speelde en hoe hij steeds dan den kindereneen held toescheen. Vader vertelde eens, hoe hij op den weg een oud manneke met een ezeltje was tegengekomen. Op dat ezel zat een vrouw met een wijden kapmantel, waar onder een kindje krijtte. Het oude manneke vroeg vader naar den weg : "Baoske, kunde me ook zeggen waor Egypte is".
     Toen Felix later op school hoorde dat het verhaal gebeurd was in Palestina, kon hij dat niet geheel vatten en in zijn leerboek teekende hij het tafereel zooals 't in Vlaanderen geweest zou zijn. En toen, tijdens den oorlog, zijne schoonmoeder in den donker gebeden zeide:
"En Maria ging over de heuvelen naar hare nicht. Wees gegroet. En de drie koningen gingen naar het Oosten. Wees gegroet.....", toen herleefde vaders verhaal met die tafereelen en ze gebeurden allen voor Timmermans weer in Vlaanderen en met een naald van letterkunde reeg hij ze aaneen tot "Het Kindeke Jezus in Vlaanderen".

     Na de pauze vertelde Timmermans van "Anna Marie"; hoe een weemoedig lied, des nachts gezongen in de straten van Lier, hem bracht op het idee voor den roman, hoe hij de figuren van Pirroen en van v. d. Nast vond in een bijzonder inwoner van Lier en in een familielid nonkel Riek en tenslotte verhaalde hij van "Den Pastoor in den bloeienden wijngaard". De pastoor die tevreden leeft in zijn parochie en met zijn wijnkeldertje en die een nichtje heeft, dat een niet-katholieken jongen bemint. De pastoor poogt vergeefs den jongen te brengen tot het geloof en het meisje, vroom katholiek, offert zich op het altaar der liefde en sterft tenslotte.
     Uit dit boek las spreker een fragment voor, nl. dat waar het nichtje Heeroom vertelt van tnre liefde voor Isidoor.

Aan het einde van zijn lezing vertelde sprekernog iets over zijn laatste werk. "En waar de ster bleef stille staan", dat ontstaan is naar aanleiding van een liedje dat zijn vader gezongen had en dat hij toen hoorde zingen door een bedelaar en een palingvisscher langs de huizen, Schrobberbeek en Pitje Vogel. Met een allergeestigst verhaal hoe deze laatsten voor 3 centen hun dorst leschten aan wel voor 20 franken jenever besloot de heer Timmermans zijne lezing.
't Ging maar een heel klein beetje over "den Pastoor in den bloeienden wijngaard"; eigenlijk was het meer een lezing over de werken van Felix Timmermans, maar what is in a name?

     't Was een mooie avond en aan het bestuur van de Bussumsche afdeeling der Nederlandsche vereeniging van Huisvrouwen komt alle eer toe, dat het een lezing van den heer Timmermans op het programma plaatste. Nu deze zulk een succes gehad heeft, zullen ongetwijfeld meerdere dergelijke volgen.

********

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Mon om 00:00 Reageer op dit bericht

De Meimaand mint de nachtegaal - Guido Defever

De Meimaand mint de Nachtegaal.

Door Guido Defever - mei 2002.
     Timmermans kende zelf geen muziek, maar hij zoog ze op en zette ze om in poëzie en proza, vanaf de uitbundige roman Pallieter uit 1916 tot in de verstilde gedichtencyclus Adagio uit 1945/47. Twee tegenpolen in het oeuvre van Timmermans, en merkwaardig genoeg, net de twee werken die op hun beurt het meest als inspiratiebron dienden voor waardevolle composities van o.m. Flor Alpaerts, Renaat Veremans, Arthur Meulemans, Jos Van Looy, Raymond Schroyens en Frits Celis.

1615492-cf58ac97eb11de893ebc9751a376700f.jpg

Symfonie van licht en goud
     Het symfonisch gedicht Pallieter van Flor Alperts (1876—1954) is ongetwijfeld het bekendste en het kleurrijkste orkestwerk naar Timmermans. In de zomer van 1921 bracht Flor Alpaerts zijn vakantie door in Viersel en trok elke dag per fiets het bos in om daar zijn schetsen voor zijn "Pallietersymfonie" op papier te zetten. "Het waren mee van de schoonste ogenblikken in mijn leven... Ogenblikken van zalig alleen zijn met een droom, met een scheppingsdrang waaraan vrijelijk uiting kan worden gegeven, in de ideaal-passende omgeving...''.

     En Alpaerts vertelt verder: "... en dat brengt mij onwillekeurig den geweldigen indruk te binnen, dien ik onderging toen een onweer mij verraste en ik mij verplicht zag, op mijn terugweg, in een schuur te schuilen. Vlug haalde ik daar mijn potlood en mijn muziekpapier te voorschijn en schreef mijn indrukken neer. Dat onweer kwam als besteld, haast op het passende ogenblik : ik wilde immers ook de zogenaamde 'Walkurenrit' van Pallieter en Marieke in muziek uitbeelden, wanneer zij op hun ongezadelde rijdieren naar huis stuurden, na hun spelevaart op de Nethe".

     Romantischer kan bijna niet : de componist die aangepord door een flink onweer midden in het bos een Walkuriaans thema neerpent ! In werkelijkheid heeft Flor Alpaerts inderdaad in de zomer van 1921 een aantal schetsen gemaakt, maar het werk uiteindelijk pas in 1924 voltooid. Alpaerts spreekt zelf niet over een symfonisch gedicht, maar wel over een programatische symfonie in drie delen : Meimorgen - Zomeravond - Bruiloftsfeest, naar drie hoofdstukken uit Pallieter. Als vorm staat het veel dichter bij b.v. La Mer van Debussy en Fontane di Roma (1917) of Pini di Roma (1923) van Respighi, dan bij een symfonisch gedicht van Richard Strauss. De kleurrijke orkestratie wordt doorkruist met flarden van duidelijk herkenbare motieven, dikwijls met archaïserende wendingen. Citaten uit oud-Nederlandse volksliederen worden hier wonderwel ingepast: "De Winter is verganghen", "Het waren twee coninckxkinderen", "Reuzenlied", "Pierlala" e.a...
     Felix Timmermans moet in 1922 reeds een uitvoering gehoord hebben van het eerste deel, "Meimorgen", dat wel al voltooid was eind 1921. Hij schrijft erover aan Alpaerts : "Het was of ik een gouden insect hoorde, dat stilaan wakker werd door zonnegoedheid, dat zijne vleugels trilde en deed beven, heviger en heviger; elk getril was een gouden klank, en 't dier groeide, groeide tot een geweldige torenhoogte en naarmate gonsde en zong en triompheerde het goud zijner vleugels tot een symphonie van licht en goud. " (Lier, 16 nov. 1922).

Pallieter spoorloos
     De Pallietersymfonie van Alpaerts is een hoogtepunt in de Vlaamse symfonische muziek. Maar ook Renaat Veremans zou een "Pallieter" gecomponeerd hebben. Meer nog : Veremans lag zelf mee aan de oorsprong van één van de hoofdstukken uit Pallieter. Timmermans en Veremans waren twee handen op één Lierse buik : in dezelfde buurt geboren en getogen en van jongs af aan in een dweperige vriendschap met elkaar verbonden: Felix las Renaat poëzie van Willem Kloos voor en Renaat speelde voor Felix muziek van Wagner en Beethoven. Het duo Timmermans – Veremans werd de kern van een groepje verwante zielen waartoe ook de schilder en architect Flor Van Reeth deel ging uitmaken. En zo vond het hoofdstuk "Maneschijn" uit Pallieter zijn oorsprong in één van de muziekavonden ten huize Van Reeth in Mortsel. Ook daar moet Veremans voor de zoveelste maal de "Mondscheinsonate" van Beethoven gespeeld hebben ter afsluiting, zo vertelt Veremans in "Mijn herinneringen aan Felix Timmermans" (1950) : "Alvorens naar bed te gaan zouden we eerst nog een wandeling maken door de velden tot aan een oude hoeve. Het was een zwoele avond en alles baadde in de zilveren maneschijn. Er werd weinig gesproken. De Beethovenmuziek echode nog na in ons hoofd. Alles was vol wijding... 'Men hoort en men voelt de stilte' sprak opeens de Fe...     Bij het thuiskomen trok ieder naar zijn kamer. Toen we 's anderendaags vroeg aan de koffietafel zaten haalde de Fé, na het ontbijt, plots enkele bladen papier uit zijn vestzak en verzocht ons te willen luisteren, 'want ik denk iets goeds geschreven te hebben'. Hij las toen heel het hoofdstuk "Maneschijn". Hij was heel de nacht niet op zijn bed geweest en had tot 's morgens geschreven".


     Tussen 1921 en 1926 werd er bij de "Vlaemsche Muziekhandel" in Antwerpen een pianostuk van Renaat Veremans gepubliceerd met de mysterieuze titel : "Maannacht, voor klavier, getrokken uit het Symphonisch Gedicht 'Pallieter' (1919)". Een overtuigend bewijs dat ook Veremans een symfonisch gedicht Pallieter heeft gecomponeerd, en dit voor Alpaerts aan zijn Pallieter begon. Alleen, deze Pallieter is met de Noorderzon vertrokken: er is geen uitvoering geweest, er is geen manuscript bewaard en ook later rept Veremans er met geen woord meer over. De autograaf van "Maannacht", dat in het Conservatorium van Antwerpen bewaard wordt, heeft als titel: "Maannacht, getrokken uit het symphonisch gedicht De Nethe" De laatste twee woorden werden doorstreept en vervangen door "Pallieter".
Ook De Nethe is spoorloos.

1615492-95396280d239d4dcf8c3f0ddd7770fc9.jpg

Levenslange vriendschap
     Er bestaat wel een ander symfonisch gedicht van Renaat Vcremans dat uitdrukkelijk naar Felix Timmermans verwijst, zonder evenwel een werk van Timmermans als uitgangspunt te nemen. Het gaat om een In Memoriam Felix Timmermans dat Veremans in 1957 componeerde, tien jaar na het overlijden van Timmermans, als dankbare herinnering aan een levenslange vriendschap. De ondertitel luidt: Nacht en Morgendontwaken aan de Nethe.

     Dit tweedelig symfonisch gedicht begint met een impressionistisch sfeerbeeld van de nacht, dat wegsterft in een vioolsolo, beantwoord in de hoorn. Dat hoornmotief wordt het thema voor het opgewekte, stralende morgenontwaken. Voor een werk uit 1957 getuigt het niet bepaald van vernieuwingsdrang, maar wellicht vond de 63-jarige Veremans het belangrijker om zich opnieuw in te leven in de Pallieterjaren dan de esthetiek van de jaren 1950 aan te kleven.

     Renaat Veremans was van 1921 tot 1941 dirigent van de Koninklijke Vlaamse Opera en componeerde zelf een aantal operettes en vier opera's. Eén ervan is Anne-Marie (1937-38), geïnspireerd op de roman Mijnheer Pirroen van Felix Timmermans, die zelf zijn roman bewerkte tot libretto. De uitvoering door het K.V.O. vond plaats op 22 febr. 1938 onder leiding van Renaat Veremans en met decorontwerpen van Felix Timmermans.
Er bestaat jammer genoeg geen klankopname van dit werk.

Het was niet de eerste maal dat er een samenwerking op touw was gezet voor een Veremansopera op tekst van Timmermans. Een vroegere aanzet was er al in de jaren 20 met een zangspel in drie bedrijven: De Kerstmissater, naar de novelle van Timmermans uit 1924. In "Mijn herinneringen aan Felix Timmermans" schrijft Veremans :"Vol geestdrift en vuur staken we van wal. De goesting van de Fé als librettoschrijver was echter van korten duur. Nadat het eerste bedrijf gecomponeerd en georkestreerd was, vond hij die novelle niet geschikt om als opera bewerkt te worden. Hij had misschien gelijk!"

En toch: ditzelfde gegeven werd later wel als opera bewerkt en uitgevoerd. Het werd Le Faune van de Zwitserse componist Walter Furrer. Timmermans gaf in het voorjaar van 1946 zijn akkoord voor de operabewerking. Begin 1947 liet Walter Furrer aan Timmermans weten dat de opera zou gecreëerd worden op 24 januari 1947. De creatie had plaats in Bern.
Op de ochtend van die dag overleed Timmermans in Lier.

1615492-6f30ede487c8d2a8172308305953a434.jpg

Inkeer en berusting
     Het laatste werk van Timmermans is een bundel gedichten uit de jaren 1945-1947, postuum samengebracht onder de titel Adagio. Het zijn verzen van inkeer en berusting, die geen enkele binding hebben met het klassieke Timmermansbeeld in de literatuur :

"De kern van alle dingen
is stil en eindeloos.
Alleen de dingen zingen.
Ons lied is kort en broos"

     En precies deze verzen zouden een hele reeks componisten aanspreken: Renaat Veremans, Arthur Meulemans, Ivo Mortelmans (zoon van), de vergeten Brugse componist Lionel Blomme, de Lierse componist en vroegere directeur van de Lierse muziekacademie Jos Van Looy, de Lierenaar Piet Fabri, Juliaan Wilmots, Raymond Schroyens en Frits Celis. Een aantal gedichten werden bekend in koorzettingen: andere als liederen voor zang met piano- of orkestbegeleiding.

     Aan Frits Celis danken we de wondermooie koorzetting: De Meimaand mint de Nachtegaal, O gulden lied, kristallen taal, juweel der avondstonden. Op zijn beurt was dit gedicht de neerslag van een muzikale indruk: Clara, dochter van Felix, studeerde zang aan het Conservatorium van Antwerpen. Thuis luisterde de Fé geduldig en aandachtig naar de liederen die zij instudeerde. Sommige liederen inspireerden hem tot gedichten, getuigt Clara Wagner-Timmermans in het Jaarboek 1973 van het Timmermansgenootschap : "De meinacht mint de nachtegaal'' zijn de klagende vocalises van een liefdeslied van Rimski-Korsakov op woorden gezet."

******

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Mon om 00:00 Reageer op dit bericht

Lie (r) ver groot - Reuzen erfgoed onder de loep

           7s2y.jpg

LIE(r)VER GROOT Reuzenerfgoed onder de loep

 

OUDE LIERSE REUZENTREIN.

De benaming oude Lierse reuzentrein doelt op de groep reuzen, wagens en dieren die traditioneel en al eeuwenlang de stoeten in Lier opluistert. Zij vormt naast andere groepen en themawagens een vast onderdeel in grote optochten. Zij zijn ‘de klop, de fusee! de groote vreugde van den stoet! de droom der kinderen, de verbazing der grooten’ aldus Felix Timmermans (Lierke Plezierke 1928: 28)

De volgorde waarin ze verschijnen is meestal: paardjes met ruiters, het ros beiaard met de vier heemskinderen en de reuzenfamilie samengesteld uit Goliath, Reuzin, Kamenierster, Kinnebaba, Grotemoe en Groteva, Jannekebroer, Miekezuster en twee Moorse knechtjes.

De leeuw die de maagd van Lier op zijn rug draagt en het schip van ’s lands welvaren behoren ook tot de reuzentrein, maar situeren zich soms in een ander onderdeel van de stoet. De overige dieren zijn: kameel, olifant en walvis.

De oude Lierse reuzentrein is verbonden met de traditie van de ommegangen. Vanaf hun ontstaan in de veertiende eeuw laten de reuzen zich jaarlijks zien. In 1815 wijzigt de frequentie van de ommegang naar een 25-jaarlijks interval.


‘Achteruit, bezie ze maar goed, want alle vijf en twintig jaren komen ze maar eens uit hun paleis en morgen zijn ze’r weer binnen! Groot volk laat zich lang wachten en zich niet te veel zien.’

(Felix Timmermans, Lierke Plezierke, 1928)


KORTE REUZENGESCHIEDENIS.

De eerste Europese reuzen zijn vooral Bijbelse figuren en dateren uit de veertiende eeuw. Ze spelen een didactische rol in processies: net als miniaturen in boeken, net als beelden, fresco’s en glasramen in kerken hebben reuzen een moraliserende boodschap en helpen ze de godsdienst aanleren.

 

In Lier ontstaat de eerste processie waarschijnlijk rond 1354, het jaar waarin de relieken van Sint-Gummarus voor het eerst worden erkend. Eind veertiende eeuw zijn er drie processies: één op de donderdag van Sacramentsdag (de tweede donderdag na Pinksteren), één op de eerste zondag na Sacramentsdag en één op O.L.V.Boodschap. Er lopen muzikanten, kaars-, beeld-, relikwie-, vaandeldragers, maagden en narren, gilden en hoogwaardigheidsbekleders in mee; hoe grootser, hoe aantrekkelijker de stoet.

 

De vijftiende eeuw betekent een bloeiperiode voor de reuzen in de Lage Landen.

De oudste reuzen worden vermeld in Oudenaarde (1433), Aalst (1447), Namen (1449), Leuven (1463), Dendermonde (1468) en Lier (1469).

In Lier blijkt de zondagsprocessie na Sacramentsdag de belangrijkste. Het aantal personen en wagens met Bijbelse scènes neemt toe en de processie evolueert naar een praalstoet. De (nieuwe) reuzenelementen krijgen wereldlijk karakter en maken stoeten aantrekkelijk. Het ros beiaard, de draak, de olifant (begeleid door een Moor), Goliath en zijn knecht en Goliaths vrouw doen hun intrede. Het hoogtepunt van dit volks spektakel in een christelijk kleedje ligt rond 1480. Er rijden ondertussen wagens mee die taferelen als Jozef en Maria in Bethlehem, Mozes, Gideon, de hel, Sint-Gummarus, de maagdenberg, en de molen van Parijs uitbeelden. Waarschijnlijk voor 1477 verhuist de ommegang naar 11 oktober, de sterfdag van Sint-Gummarus. Van 1498 tot 1571 geeft de stad de organisatie ervan in handen van de rederijkerskamers.

 

In de zestiende eeuw krijgen de Europese reuzen te kampen met verbodsbepalingen van kerk en staat en worden ze uit heel wat religieuze optochten geweerd. Past het frivole niet bij de protestantse soberheid volgens het gedachtegoed van de Reformatie, ook in onze streken heeft de tegenbeweging van de katholieke kerk – de Contrareformatie – het niet begrepen op de grote poppen die ze omschrijven als heidense monsters. Vanaf 1571 gaat de ommegang in Lier een tijdje niet meer uit ‘om den geusen tijd’. Eind zestiende eeuw neemt de stad de organisatie terug op zich.

 

Tijdens de zeventiende eeuw blijft de ommegang een jaarlijkse traditie om de grootsheid en welvarendheid van de stad uit te dragen. In 1722 bedraagt de uitgave 1/12de het gehele stadsbudget. Er verschijnt dat jaar een boekje met een schotschrift; een gravure toont het eerste groepsbeeld van de Lierse reuzenfamilie. 

 

De opkomst van het rationalisme, de Franse Revolutie en de napoleontische oorlogen in de achttiende eeuw doen de reuzencultuur geen goed. Tijdens het Franse bewind worden heel wat reuzen vernietigd, publiekelijk verbrand of beschimpt. Over de gebeurtenissen en gebruiken in Lier tijdens deze periode weten we niet veel. Onderzoek zal antwoord geven op de vraag of de reuzen nog jaarlijks uitgaan en hoe de traditie wordt ingevuld.

 

Vermoedelijk in 1815, naar aanleiding van de duizendste verjaring van het overlijden van Sint-Gummarus, beslist men om elke vijfentwintig jaar jubelfeesten te organiseren. Vanaf dan en heel de negentiende eeuw door laten de reuzen zich enkel op bijzondere gelegenheden zien.

 

De grote heropleving van de reuzencultuur ontstaat uit een creatieve golf midden twintigste eeuw. De reuzen die dan gemaakt worden, staan doorgaans symbool voor een groep, wijk of gemeente. Vooral in de jaren '90 nemen Lierse wijken en verenigingen het initiatief voor een eigen reus. De levendige interesse is een gevolg van de nood die mensen en gemeenschappen voelen om hun eigenheid en identiteit te zoeken en uit te dragen.

 

Vandaag concentreert de reuzencultuur zich voornamelijk in België, Frankrijk, Spanje en Portugal.

Ons land telt zo’n 1700 reuzen, in Lier zijn er 23.

 

 

REUZEN-ERFGOED ONDER DE LOEP.

Een reus fascineert sinds mensenheugenis door zijn grote gestalte en een levensloop die erg op die van mensen lijkt.

Reuzen en reuzengrote dieren maken deel uit van de literatuur, de kunst en de mythologie van elke beschaving. Zij belichamen universele thema’s zoals angst, macht, religie en cultuur; ze stellen ondermeer helden, goden, helpers of monsters voor.

 

Lier telt eenentwintig reuzen en het aantal blijft groeien. De helft ervan zijn oude reuzen. Hun ouderdomsdatum verwijst naar de eerste publieke verschijning - te beginnen in de vijftiende eeuw - en is niet meer van toepassing op het materiaal waaruit ze vandaag bestaan. De immateriële waarde (gebruiken en tradities) van de oude Lierse reuzen is eens zo belangrijk en uniek: de samenstelling van de groep is vandaag vrijwel dezelfde als enkele eeuwen geleden. Nergens bleef de reuzentrein zo volledig als in Lier.

 

Lange tijd kwamen de oude reuzen jaarlijks onder de mensen, maar nu zijn hun optredens exclusiever en laten ze zich alleen op bijzondere gelegenheden zien. Ook de nieuwe reuzen maken vandaag mee het erfgoedverhaal: zij vertellen over wijken en verenigingen, hun identiteit en tradities. Momenteel maakt iedereen zich op voor de ommegang van de Sint-Gummarusfeesten 2015.

Maak kennis met het reuzenvolk: niet alleen met hun levensloop maar ook met de gebruiken en de mensen om en rond de reuzen.

 

 

REUZEN IN DE MAAK.

Een reus bouwen is vaak het werk van vele mensen. Een kunstenaar maakt het hoofd en de handen, vroeger vooral met hout, vandaag met piepschuim, polyester en kippengaas. Het lichaam wordt meestal door iemand anders gemaakt. Riet is ideaal, want licht en gemakkelijk om met de reus te wandelen en te dansen. Recente reuzenlichamen bestaan vaak uit houten latjes, aluminium buizen, mousse, en komen meer dan eens op een platform met wieltjes terecht.

Kleding maken is een vak apart. Het is maatwerk dat door handige naaisters gebeurt.

 

 

REUZEN IN HERSTEL.

De reuzen ondergaan hun hele leven verzorging en herstel. Zij laten zich standaard voor elk optreden controleren en retoucheren: kledij wordt gewassen, gesteven en hersteld, kapsels in orde gebracht en bepaalde onderdelen vernieuwd. Vaak weerspiegelen stijl en materiaalgebruik een bepaalde tijdsgeest.

Sinds de negentiende eeuw treden de reuzen minder frequent op. Het langdurig opgeborgen staan, aan het oog onttrokken en dus van zorg verstoken, leidt tot verval.

In 1928 onderneemt Bernard Janssens een grote hersteloperatie, het levert hem de naam 'reuzendoktoor' op.

Naar aanloop van de ommegang in 2015 geeft de stad in 2010 opdracht om enkele praalwagens te restaureren: de leeuw, het schip en de walvis.  Aanvullend volgen in 2014 de kameel, de olifant en het ros beiaard.

 

 

DE REUS DANST.

Geen processies en plechtigheden zonder muziek. De stadsrekeningen geven een beeld van de verschillende instrumenten en zangers die meelopen in een stoet: fluitspeler, trommelaar, doedelzakspeler, vioolspeler, koren (op wagens), gitaar- en luitspelers, blazers, harp en vedeltokkelaars, tuimelaars, dansers, narren, steltenlopers.

 

De reuzen bewegen zich dansend voort. Ze huppelen en draaien rond hun as of rond elkaar op een ritme dat door trommels of een fanfare aangegeven wordt.

Sneyers schrijft in 1682: ‘Goliath, de huisvrouw en de camenier, de zes kleine reuskens die samen geestig op trommel en fluit weten te dansen: gehele balletten en dansen in forma’. In 1722 krijgt Michiel Henricks '14 gulden voor de dansen geleert te hebben aende reuskens'.

 

Sinds de tweede helft van de twintigste eeuw begeleidt Koninklijke Harmonie Leo XIII de reuzenfamilie op een potpourri van melodieën, waaronder die van het reuzenlied en het bekende 'Al die zegt : de reus die kom. De reus die kom, …'. Het Lierse reuzenlied ontleent de melodie aan 'het lied van karnaval'. De tekst beperkt zich tot het refrein: 'zie de rokjes zwaaien, draaien, draaien, draaien. Het is weer groot feest. We zingen om ter meest! Zie de rokjes zwaaien, draaien, draaien, draaien. Het is weer groot feest. We zingen om ter meest.'

 

 

******

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door Mon om 00:00 Reageer op dit bericht

Schreiben is wie beichten... - Karlheinz Pieroth

Schreiben is wie beichten...
Malen wie Kommunizieren!

Door Karlheinz Pieroth uit Kirchenzeitung " Der Dom "

     Man schrieb den 5. Juli 1886, als Felix Timmermans "auf die Welt geblasen wurde". Ein Tag wie jeder andere im belgischen Lier. Und doch ein Datum, das zumindest den Standesbeamten des sommerseligen Städtchens ins Schwitzen brachte, denn für den 13. Timmermans-Sproß fand sich kein Plätzchen mehr im Familienstammbuch. "Ich war eine Zugabe; und deshalb schrieb man mich einfach auf den Umschlag mit den Namen Leopoldus Maxianus Felix." Von diesem barocken Dreiklang blieb für den Hausgebrauch nur der griffige Felix, der Glückliche. Wahrhaftig, ein Glücklicher und ein Glück zugleich. Denn die "Zugabe" wird zur Gabe, zum Geschenk für das kleine Lier und die große Welt. Heute, hundert Jahre danach, ist dieses ganze Lier auf den Beinen, seinen berühmten Sohn "sappig" zu "felicitieren", d. h. flämisch, zünftig zu feiern.

     Sein "schön Lier", keine 20 Kilometer vor den Hafentoren Antwerpens gelegen, "wo die drei Nethen ihren Lauf zu einem silbernen Knoten zusammenwinden", wie Timmermans seine Heimat beschreibt. Schmelzpunkt zweier Landschaften: Im Nordosten das stille "Kempenland", arm, einsam, demütig und zutiefst gläubig. "Es ist das Land der Abteien." Im Süden das reiche, lebensvolle Brabant, das Land des Malerfürsten Rubens. "Auch hier lobt man Gott, aber mit einem Stück Speck auf der Zunge." Beide Lebensströme finden ihren Platz im "geteilten Herzen" des kleinen Lier: "Die Schenke neben der Kapelle! Das Heimweh nach dem Himmel und ein Trunk auf das Leben!"

Hier blüht die Kunst des Erzählens
     Hier, hinter kalkweißen Treppengiebeln und handtuchschmalen Fensteraugen ist Raum und Zeit für tragikomische Geschichten und Gestalten, blüht die Kunst des Erzählens in warmen Stuben und bierseligen Kneipen. Der junge Felix hat Muße, in diese skurrile Welt hineinzuhorchen. Da ist der Vater, der als Spitzenhändler in blauem Bauernkittel und hoher Seidenmütze mit einem fünfspännigen Hundewägelchen über Land fährt und neben einer Hutschachtel voll Maikäfer einen bunten Strauß von Histörchen, Anekdoten und Episoden heimbringt. Ein Fabulierer, der draußen "eine Viertelstunde vor Lier" den Heiligen Drei Königen begegnet und vom schwarzen König den Auftrag erhält: "Grüß zu Hause den kleinen Felix!"

Da ist Nachbar Kaluiken, ein armer Schuster und reicher Münchhausen zugleich. "Es war ein Fest, ihn erzählen zu hören." Wie er als Soldat mit einem Trommelwirbel den König zu Tränen rührt und Majestät mit zittriger Stimme gesteht: "Das ist so schön, als wenn Beethoven Orgel spielt." Da sind die Klöpplerinnen, die für Felix' Vater die feinsten "Kanten werken". "Früh schon lauschte ich den armen Arbeiterinnen, die die schlohweißen Spitzen ablieferten, ihrer saftigen Sprache, ihren farbigen Gesprächen und derben Geschichten."

     Das ist ganz Lier, das für Timmermans zum "besten Mitarbeiter" wird. Zeitlebens singt er das Lied dieser, seiner Stadt, ohne Land und Leute an der Nethe in das enge Ansichtskartenformat einer „Heimatdichtung" zu zwängen. Er porträtiert seine kraft- und lebensvolle Welt im Kleinen. Was unter seiner Feder lebendig wird, steht stabil auf einem von Wind und Wetter blank gefegten Kopfsteinpflaster. Seine Menschen haben sich ihm von Kind an eingeprägt. Sie sind Fleisch und Blut, Glaube und Zweifel, Freude und Leid, Tragik und Komik. Der Ernst des Lebens beginnt für Felix in der Schule. Anscheinend zuviel Ernst für den Glücklichen, denn er ist "meist einer der Letzten". Später faßt Timmermans diese Lebensphase in eine knappe

1608491-5d571ff093598492d09d8686c4180c9a.jpg

     Bestandsaufnahme: "Meine Kinderzeit ging vorüber mit Zeichnen, Lesen, Erzählen, und ich träumte davon, ein Kunstmaler zu werden"So macht er sich nach der Schulzeit auch zunächst als Entwerfer kunstvoller Spitzen im väterlichen Geschäft nützlich. Als er dann zum Sprung in die Kunstakademie des nahen Antwerpen ansetzen soll, scheitert dieses Vorhaben, weil er morgens zu früh aus den Federn gemußt hätte. Dafür erwacht aber eine zweite Neigung in ihm: er beginnt zu schreiben. Scheinbar schwerelos. "Ich habe einfach geschrieben, wie ein Junge flötet, der sich selber gern hört."

Zwei künstlerische Seelen: Malen und Schreiben
     Fortan streiten und vertragen sich die beiden künstlerischen Seelen in Felix' Brust. In seiner angeborenen Bescheidenheit, die ihn auch in den Jahren größter internationaler Erfolge nie verläßt, enthüllt er das Geheimnis seiner Poesie: "Ich habe einfach geschrieben. Wovon das Herz voll ist, läuft das Papier über. ... Ich würde es niemals fertig bringen, selbst über das höchste oder tiefste Gefühl einen Satz zu schreiben, den unsere Waschfrau nicht verstände. ... In meinem Falle richtet das Herz sich nach dem Volke."

Und dieses Volk, nicht nur das flämische, empfängt jeden neuen Timmermans als ein Kapitel "flandrisches Evangelium", als einfältig fromme Botschaft, die unsere angekränkelte Welt verständlich und erträglich macht. Sein blutvoller "Pallieter" allein wäre ein Dichterleben wert. Timmermans schreibt ihn nach einer lebensgefährlichen Operation. "Pallieter", wie er seinen legendären Tagemelker tauft, verblüfft die Welt. Er wird bei seinem Erscheinen 1918 zum Idol und Symbol einer geschlagenen Generation von Überlebenden, die mit ihm und in ihm Leben, Glück, Freude, Güte, Hoffnung, Licht und Liebe wiederentdeckt und voller Bewunderung vor Gott und seiner Schöpfung steht.

Seine Werke wurden in 25 Sprachen übersetzt
     Timmermans hört in das Herz des Volkes hinein und setzt das Erlauschte in sein großes Gesamtwerk von Erzählungen, Novellen, Romane, Theaterstücken und Gedichten um. Seine Bühne ist das von ihm zum Mittelpunkt seiner Welt erkorene Flandern. Und es gelingt ihm, den Blick der großen Welt auf sein kleines Land zu richten. Seine Werke werden in 25 Sprachen übersetzt. Sie erreichen Auflagen von vielen Hunderttausenden. In Deutschland wird er zwischen den Kriegen der am meisten gelesene ausländische Dichter. Manches davon ist auch heute noch bei uns gegenwärtig: "Das Jesuskind in Flandern", "Das Triptychon von den Heiligen Drei Königen", "Franziskus", "Bauernpsalm", "Der Pfarrer vom blühenden Weinberg", "Minneke Pus", "Die sehr schönen Stunden der Jungfer Symforosa, dem Beginchen", "Adrian Brouwer" und "Pieter Bruegel".

Als liebenswürdiger Botschafter Flanderns fährt Timmermans durch halb Europa, liest in überfüllten Sälen vor Tausenden begeisterten Menschen und wirbt für eine christliche Welt.

     Doch jeder Ruhm hat seinen Preis. So auch bei Felix Timmermans. Der Dichter beklagt den Maler: "Die Farbe zum Malen wird hart in der Tube, und ich male doch auch so gern. Ich schreibe, weil ich muß, aber malen, das tu ich zu meinem Vergnügen." Und schließlich: „Schreiben ist wie beichten, malen wie kommunizieren."
Trotz aller Zeitnot hat Timmermans ein großes malerisches Werk hinterlassen, in dem sein Lier und sein Flandern sichtbar werden in Menschen, Landschaften, Kalendern sowie unverwechselbaren Initialen und Illustrationen zu seinen eigenen Büchern und Werken anderer Autoren. Wenn er unter eines seiner schönsten Gemälde, das er "Der Hergott und die Kuh" betitelt, "Sonntag" schreibt, so steht dieses eine Wort für sein gesamtes bildnerisches Werk: Es ist Sonntagsmalerei in Vollendung, weil die Welt Sonntag und Sonnentage hat, wenn der Maler "die duftige Ölfarbe wie milden Wein" kosten darf.

Und so sind viele seiner Bilder wie fromme Legenden eines heiter verklärten Himmels mit wirklichen und seltsamen Heiligen. Über allem gilt für ihn "malen, das tu ich zu meinem Vergnügen". Ein Vergnügen, das sich besonders bei der letzten Jahrhundertausstellung seiner Werke in Lier (Timmermans-Opsomer-Museum bis zum 31. September 1986, täglich geöffnet von 10 bis 12 Uhr und von 13.30 bis 17.30 Uhr, außer montags und freitags) auf jeden Besucher überträgt.

1608491-1b5ac0b42b6a593133be0d7b1918169e.jpg

In dunklen Stunden religiöse Gedichte
     Felix Timmermans Abschied von der Welt ist lang. Ein schweres Herzleiden überschattet die letzten Jahre seines Lebens. Sehr schwer trifft ihn die verleumderische Anklage, er sei im Krieg Kollaborateur der Deutschen gewesen. Er wartet auf Rehabilitierung. Seine Kräfte schwinden. In diesen dunklen Stunden entstehen seine religiösen Gedichte, sein "Adagio" als Brücke, Bogen und Vollendung seines Lebenskreises:

Der Kern von allen Dingen
Stets in der Stille glüht;
Allein die Dinge singen,
Recht bald schweigt unser Lied.

Und dunkel singt mein Blut,
Vom Heimweh schwer
Ich treib auf Regenbogen
Zu Gottes stiller Flut.

Am 24. Januar 1947 stirbt der katholische Maler-Dichter Felix Timmermans. Er hinterläßt uns den Schlüssel zum Geheimnis seines Glücks und seiner Kunst, einfach und klar wie er gelebt hat: "In allem schimmert das Göttliche. Bewundern ist danken. Ich bin froh, daß Gott mich auf die Welt geblasen hat. Und mehr habe ich nicht gewollt, als diese Freude niederschreiben."

******

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Mon om 00:00 Reageer op dit bericht

Zij die wij bewonderen... - Risoto

Zij, die wij bewonderen...
Felix Timmermans.
De levende Pallieter. Een zoon van Vlaanderen.

Door Risoti uit het Nieuwsblad van het Noorden - 28/1/1926.
     Antwerpen — uitstappen. Treinverbinding met Lier is slecht, heel slecht, zoodat wij uren zouden moeten wachten op den trein, die ons naar het oude stadje zou brengen, waar wij Timmermans zouden ontmoeten. En wij zijn er zoo erg mee ingenomen, dat hij direct schreef ons te willen ontvangen "Zaterdag na den noen".

     Want wij hebben al van anderen gehoord, dat de auteur van Pallieter zich heel moeilijk geeft, niet bar toeschietelijk is voor vreemden, Wij zullen dus naar Lier gaan, eerst een uur met de tram naar Oude God. Wat klinkt dat in onze ooren naar, zoo iets als een ruwe vloek, een dorpje zoo heilig te noemen. Onze Zuid-Nederlandsche vrienden vinden dit heel gewoon, Antwerpen kent de Jezusstraat, een beruchte nachtkroeg heet Marie José, naar het Belgisch prinsesje. 's Lands wijs 's lands eer.

     In Oude God overstappen, een schommelende autobus van voor den zondvloed brengt ons naar Lier. En het is zoo koud, zoo bitter koud, de sneeuw ligt zoo hoog, de hatelijke, aanmatigende sneeuw, die elk landschap dood maakt, de wreede dood, zonder hoop op herleving. Hoe kan ooit iemand een sneeuwlandschap mooi vinden — hard en genadeloos.
     Even verder loopen over het mooie marktplein en wij staan in De Heyderstraat voor het huis van Pallieter's vader. De deur gaat open en Pallieter denken wij, is het, die ons binnen laat. Een donkerbruin gezicht, van dat zwarte, pikzwarte, glanzende haar, donkere oogen, vrij gezet, niet te groot. Timmermans is het, Timmermans zoo van tafel. Pallieter in levenden lijve. Hij is net thuis, den vorigen avond in Alkmaar een voordracht gehouden.

1607883-59f9541bffed161c896bd20f9966127c.jpg

     Of wij een half uur rond willen loopen, hij is nog niet klaar. Even een verwonderd kijken van ons, dan herinneren wij ons in Vlaanderen te zijn, en de Vlamingen zijn rond, in onze oogen wat ruw, maar zeggen het precies zooals het is. En zeker op ons verbaasd kijken, voegt Timmermans erbij "de kerk is hier dichtbij en die is heel mooi". Nu moeten wij toch lachen en wij gaan. Pallieter, wist gij niet, hoe koud het was? Gulle, ronde gastvrije Pallieter — maar het is waar, hoe levend gij ons ook lijkt, gij zijt een boek, en uw maker is een man, die een druk leven heeft.
     Als wij weer terug komen, is alles in orde. Timmermans gaat vertellen, moeizaam, bang te herhalen, wat al zoo vaak over hem geschreven is en wat hij zelf in zijn voordrachten, hoe zijn werk ontstaat, zegt. Moeilijk is het contact met dezen begaafden Vlaming te krijgen, hij geeft zich niet gemakkelijk. Wat een verschil met Toorop, bij wie de uren omvliegen.
Ernstig blijft het gezicht, terwijl hij vertelt. Alleen de oogen verraden den schalkschen geest, die overvloedige, uitbundige levenskracht, die ons uit zijn werken tegenstraalt.

     Want dit is wel het sterkst uitkomend in al Timmermans' werken : de gezonde humor, de levenslust, het genot van het leven om het leven zelf. En daarnaast kan hij zoo teer zijn, van een simpel gegeven iets van groote, tragische schoonheid maken, wat de lezer aangrijpt en niet meer loslaat.
In het Kerstnummer van De Nieuwe Amsterdammer had hij een verhaaltje gegeven :

Het konijn. Het gegeven? Heel erg alledaagsch. Een konijnenfokker, die een konijn verkoopt, het beest wordt geslacht en de slager die het brengt, zegt, dat het beest beslist jongen moet hebben. Zij gaan kijken en vinden een paar kleintjes. Is dit alles? En het is zoo ontroerend mooi geworden, dat korte verhaaltje. De man gaat voor u leven, zooals hij daar zijn konijnen fokt en van hen houdt. En het konijn zelf, dat zoo hevig te keer gaat, zoo bang spartelt, omdat menschenhanden hem van de jongen halen. En dan het slot, als de verteller het doode konijn teruggebracht heeft en de oude konijnenman zegt : "neen, ik zal u ook niet opeten, neen, zeker niet, arm beestje."

1607883-7a3f6e9ae7609a0fd6c64101952c8ebc.jpg

     Groot is een talent, wat zoo met zulke middelen, zoo eenvoudig, diep te ontroeren weet.
En dan die krabbetjes erbij. Timmermans illustreert veel zijn verhalen, hij is behalve schrijver ook een zeer talentvol schilder, deze begenadigde Vlaming. En schilderen doet hij haast nog liever dan schrijven, schoon hij, na zijn Drie Koningen, niets nog geschilderd heeft; hij heeft het zoo druk, ook door zijn tal1ooze voordrachten.
     Timmermans is geen vreemde in Holland en — eigenlijk bij ons veel meer bekend en bewonderd dan in zijn eigen land. Want triest klinkt zijn stem, als hij ons vertelt van den nood van Vlaanderen, van den achterstand in ontwikkeling van het volk.
Vlaanderen vrij, Vlaanderen een eigen cultuur, eigen ontwikkeling, dat is wat de Vlaamsch nationalisten vragen, tot welke groep Timmermans ook behoort. "Wij kunnen niet samen met de Frankkiljons" zegt hij, "zij kunnen heel goed zijn, maar water en vuur verdragen elkander niet, wij hooren niet bij elkaar."

     Maar als wij vragen : hoe stelt u zich voor dat Vlaamsch nationalisme te verwezenlijken, aansluiting bij Nederland, een zelfstandig Vlaanderen?, dan klinkt het : "Dat weet ik niet, daar bemoei ik mij niet mee, hoe dat verwezenlijkt moet worden daar zijn de politiekers voor die moeten dat in orde maken, ik strijd voor de ontwikkeling van Vlaanderen."
Weer het typisch verschil tusschen Noord- en Zuid-Nederland. Wij, zwaar op de hand ras. moesten al lang, statuten, reglementen, voorzitter, sprekers hebben.
Hier : daar zorgen de politiekers voor.

Timmermans is verleden jaar in Italië geweest, waarvan hij ons vertelt in zijn: "Waar de appelsienen bloeien"; hij deed dit, omdat hij een boek wil schrijven over het leven van den Heiligen Franciscus. "Maar, voegt hij er bij, daar ben ik nog niet aan toe; het ligt nog klaar te stoomen in de cel"; dit met een tikken tegen het hooge voorhoofd. Eerst wil ik over Pieter Breughel schrijven; ik houd zoo van zijn werk, en wil dan zijn leven beschrijven, zooals ik mij voorstel, dat het geweest kan zijn. Het is dus geen historisch verhaal, het berust op fantasie, maar wat rekening met de mogelijkheid houdt.

     In Italië heeft Timmermans zoo genoten van Fra Angelico, hij, die zoo van kleuren houdt, geraakt in extase, als hij van die mooie transparante kleuren op het palet van Fra Angelico vertelt.
"Angelico is zoo puur, alle deugden van de menschen schijnen in hem gecristalliseerd te zijn, zoo rein is alles bij hem. Het is, zooals Gezelle zegt : ik wensch niets dan blomme te zijn.
Wij zijn dilettanten, ik voelde zoo mijn kleinheid tegenover dezen Grootmeester der Kunst, maar tevens ook de begeerte, om te werken, te geven het beste, wat in mij leeft."
     Dan vertelt Timmermans ons hoe hij al schreef, toen hij 14, 15 jaar was en nog jonger schilderde, hoe er wel een kern van waarheid in zijn werk is, maar gezien door de fantasie van den kunstenaar.
In Pallieter lezen wij van de Nethe, de bosschen bij de Nethe. Maar daar zijn heelemaal geen bosschen in dat vlakke land, maar Timmermans zag ze, had ze noodig in de verven van het landschap.
     Zoo zal het ook met het Italië van Franciscus worden. Als de schrijver zijn oogen sluit en zich het Italiaansche landschap voorstelt, waarin hij zijn held laat leven, ziet hij een paar windmolens, en die zal hij ook schilderen in zijn boek, ook al heeft heel Italië geen windmolen.

1607883-3109a99bfeab4a3e33460077e3db0ee8.jpg

     De oude schilders, die de Bijbelsche verhalen schilderden, hadden ook nooit Palestina gezien; het zou curieus geweest zijn, als zij er geweest waren en hun fantasie dan hadden laten werken, wat er dan te voorschijn gekomen was. Ik teeken menschen, maar niemand zal in het werk een ander herkennen, omdat ik niet één enkel type beschrijf. Anne Marie bijv. is uit een tiental typen opgebouwd. Ik neem de eigenaardigheden van verschillende menschen en maak er dan een enkel figuur van, die al die eigenschappen kan hebben. En wat in mijn werk legende lijkt, is juist waarheid.
     Tusschen door wordt er gebeld en met een excuseer mij, gaat Timmermans open doen en daar hooren wij hem naar achteren roepen : "Is er nog brood noodig?" heel eenvoudig, zonder eenige mooidoenerij. Want behalve een groot schrijver, is deze levende Pallieter een goed huisvader, trotsch op zijn twee kleine meiskes en vol verlangen dat de nieuwe baby nu eens een jongen zal zijn.
     Met een beetje weemoed erkent hij, dat Noord-Nederland hem beter kent, de Vlaming, in zooveel tekort gedaan, die zijn eigen landstaal in zijn scholen niet kon leeren, heeft niet de groote liefde voor lezen, die wij bezitten. Wij willen de boeken hebben in eigendom, die wij mooi vinden, de doorsnee Vlaming leest ze uit de leeszaal, zal ze niet zoo licht koopen, moet nog liefde voor boeken krijgen. Maar Jong Vlaanderen is sterk, het heeft zulke eminente voorgangers, zulke begaafde werkers.

     Felix Timmermans, de man van het sterke geloof, de machtige pen is er, en een land wat zulke mannen voort kan brengen, heeft een rijke toekomst. En wij van Noord-Nederland wij zijn trotsch op Pallieter, die een frissche geur van leven en lieven in onze lucht bracht, in onze zware, trage lucht.
Wij staan weer buiten — maar de sneeuw lijkt minder dood, minder koud, wij hebben gestaan naast een man, die schoonheid geeft, omdat hij het leven lief heeft, omdat hij een der uitverkorenen is.

*********

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Mon om 00:00 Reageer op dit bericht

Een ongekuiste Pallieter in Geitenleer verpakt

Een ongekuiste Pallieter in Geitenleer verpakt.

Negenentwintigste uitgave van Felix Timmermans

Uit Limburgsch Dagblad (NL) - 9/12/1966.

     De negenentwintigste uitgave van Felix Timmermans’ Pallieter in geitenleer verpakt. Geiteleer met goudopdruk. Het papier is Oudhollands en uit de kuip geschept De prijs van het prachtboek — Een staal van vakmanschap en heerlijk om in de hand te houden en naar te kijken — bedraagt in België 550 franken, dat is rond de 40 gulden. Het werd uitgegeven door van Kampen, Amsterdam, en Van In, Lier. Men denkt het overgrote deel van de beperkte oplage (cijfers worden niet gegeven) in Nederland te plaatsen. De luxe-editie werd op de markt gebracht ter herdenking van het feit, dat Pallieter vijftig jaren geleden voor het eerst in druk verscheen. Het boek werd op de Boekenbeurs te Antwerpen ten doop gehouden.

Al met al veel eer. Zelfs voor een luisterrijk werk als Pallieter.

1606759-f01ad795dd6cc2966ca051010b7c365e.jpg

Verschil niet groot
     De negenentwintigste is niet alleen 'n luxe-Padlieter, het is ook een ongekuiste. Het verschil tussen de gekuiste en de ongekuiste Pallieter is overigens niet groot. In de gekuiste staat te lezen: "Doch alvorens binnen te gaan, watterde Pallieter nog eerst zijn naam in de sneeuw." In de ongekuiste uitgave bezit hij, bij wijze van zeggen, nog de kracht en de voorraad om een streep onder die naam te trekken. De jubileum-editie werd vooral een ongekuiste omdat elk literair werk als het maar enigszins kan ongekuist te boek dient te worden gesteld. Dat kon wat Pallieter betreft in de twintiger jaren blijkbaar niet. Maar het indertijd "de wellust der zinnen strelend" werk laat de zinnen van 1966 koud. We zijn intussen wel wat anders gewend. Rechtgeaarde Vlamingen vergeten middelerwijl en volkomen terecht niet er op te wijzen, dat toendertijd niet zo zeer in Vlaanderen maar in het steil rechtzinnige Nederland verontwaardigde protesten opstegen tegen die maar op vrouwelijke achterwerken kletsende Pallieter.


     Uit de lectuur van de op schrift gestelde bezwaren tegen Pallieter blijkt intussen, dat de protesten niet op de allereerste plaats gericht waren tegen de oppervlakkige en wat boerse zinnelijkheid, maar tegen het zondige feit van het beschrijven en suggereren van een paradijs op onze aarde, die volgens kerk en geloof (in die volgorde) een tranendal hoorde te zijn, waarin vooral de lager geplaatsten in omfloerste blijheid dienden te lijden om op die wijze wat vagevuurjaren weg te strepen.

1606759-a241b147598f97d7b79118b1adf41d81.jpg

Wellustig werk
     Toen de zaak Pallieter "aan Rome werd voorgesteld", reageerde Rome zo kleinsteeds als men dat in die tijd mocht verwachten. Staatssecretaris, kardinaal Merry del Val schreef een brief aan de episcopaten van België en Nederland, waarin van het lezen van het wellustig werk werd afgeraden. Dat kwam in de praktijk neer op een verbod. In Nederland werd een en ander vanwege het episcopaat gepubliceerd. In het Nederlands. In België daarentegen beperkten de bisschoppen zich fijntjes tot een publicaties van del Val's tekst in de latijnse taal en slechts in de eigen kerkelijke publiciteitsorganen.... Er is in België naar aanleiding van de luxe-uitgave van Pallieter natuurlijk het een en ander over het werk en over de auteur gezegd en geschreven. Men heeft Felix Timmermans een gouden kroon op het hoofd gedrukt en op een met zilver beslagen ebbenhouten troon gezet. Men (Hubert Lampoo) heeft van hem gezegd, dat hij met Pallieter een mythische figuur heeft geschapen. Een figuur als de Uilenspiegel van Charles de Coster. Pallieter beweegt zich in een paradijselijke wereld. Hij is het oerbeeld van de Adamische mens, een natuur-god die in het onderbewuste vam alle mensen leeft. Freud en Jung werden er bij gehaald. De na een pessimistische, spiritistische, theosofische periode van een lichamelijke ziekte herstellende Timmermans kraaide in Pallieter niet slechts de vreugde om het leven uit, maar schonk gestalte aan een alom in het collectieve onderbewustzijn der mensen levende figuur, die de dagen plukt en de goede dingen van het leven kust.


     Men, allen, ook Lampoo, raakte in een soort Timmermans-roes. Pallieter is een heerlijk boek. Geschreven in een sterk dialectische taal, maar in een taal die de lezer met de lippen doet smakken zodra hij er de krul uit gekregen heeft Maar Pallieter is geen boek om er op de wereldmarkt een eerste prijs mee te halen.

     De literair geïnteresseerde Vlamingen zijn niet immuun tegen overdreven cultus. Als ze de naam van Stijn Streuvels uitspreken, zetten ze de pet af en kijken eerbiedig in de richting van Het Lijsternest, waar dezer dagen koning Boudewijn de gevierde, terug getrokken levende auteur weer even de hand ging drukken. De Vlamingen mogen trots zijn op hun auteurs, zoals de Nederlanders daar jaloers op zijn, maar het is zaak met beide benen op de goede Vlaamse grond te blijven staan. De verering en ook de overdreven verering en verafgoding van eigen, overigens verdienstelijke schrijvers en cultuurdragers, heeft uiteraard te maken met wat men de Vlaamse Beweging noemt, die een economische, sociale, maar vooral toch een culturele beweging is. Zo' n beweging is nooit vrij van chauvinisme en overdrijving.

     Streuvels en Timmermans hebben geen overdrijving nodig. Ze hebben een plaats veroverd in de Nederlandse letterkunde. En ze zullen die plaats behouden, onafhankelijk van een al dan niet kunstmatig opgewekte opleving van de belangstelling voor hun werken. Maar ze zullen al is of wordt die belangstelling nog zo groot, niet uitgroeien buiten de grenzen, die ze zich in en door hun werk stelden.

Rembrandt-prijs
     "Als u daarover schrijft, doe dat dan zo zacht mogelijk," was de eerste reactie van de eerste Timmermans-kenner die ik vroeg of en welke moeilijkheden Timmermans na de oorlog had gehad. "Felix", zei hij, "is mijn vriend geweest. Hij heeft nooit iemand kwaad gedaan. Hij heeft geen politieke daden gesteld en niets geschreven, dat tegen hem gericht kan worden. Hij heeft niet met de Duitse vijand gecollaboreerd Hij heeft wel uit Duitse handen de Rembrandt-prijs aangenomen. En hij heeft de Duitsers die hem in zijn huis te Lier kwamen opzoeken ontvangen, zoals hij iedereen ontving. Die Rembrandt-prijs hebben ze hem in de nek geschoven zonder hem vooraf te raadplegen. Albert Servaes heeft die prijs ook gekregen.       Ze hebben Felix na de oorlog wat gepest. Er werd een onderzoek naar zijn gedragingen ingesteld. Maar hij werd niet geïnterneerd. Omdat hij ziek was, kreeg hij een tijdje huisarrest. Veroordeeld werd hij niet. Dat onderzoek naar zijn gedragingen — het ging om die prijs — leidde tot niets en verzandde. Hij deelde dat lot met een half millioen andere Belgen over wie ook dossiers waren aangelegd. Maar men zat toen toch vooral achter de culturelen aan.

Al wie een pijp rookte, was verdacht. En Felix was een pijproker."

1606759-00a4ca906835d25cc8e5abd85499c04f.jpg

Bange man
     Anderen schilderen Timmermans als een brave en erg bange man. Hij was een Vlaamse nationalist. Geen verzetsstrijder! De vrienden van Timmermans vinden het jammer, dat de Duitsers destijds met die Rembrandtprijs kwamen aandragen. Dat Timmermans die prijs accepteerde vindt men normaal. Alleen kort na de oorlogsellende, toen grote klopjacht werd gehouden, stond ook de hartzieke Timmermans op de zwarte lijst. Hij werd ingedeeld bij de lichte of zeer lichte gevallen, die spoedig werden vergeten.


     Over het oorlogsverleden Timmermans wordt nu nog maar nauwelijks gesproken. Over de schrijver Timmermans raakt men waarschijnlijk nooit uitgepraat. Zijn, nu ongekuiste en in prachtgewaad gestoken, Pallieter is een heerlijk werk. En het is niet goed het zijn frisheid en eerlijkheid, zijn gebondenheid aan Vlaanderen te ontnemen door het in de bonton van de essayistenstijl op te trekken naar nevelige hoogten waarin het niet huis hoort, het verdient aanbeveling 't boek weer eens ter hand te nemen en te herlezen wat geschreven staat tussen de eerste en de laatste zin van het schone boek. Tussen "In die eerste Lieve Vrouwkensdagen, was de lente ziek" en "Alzo vertrok Pallieter, de dagenmelker, uit het Netheland, en ging de wijde, schone wereld in, lijk de vogels en de wind".

*******

Hoe vind je dit bericht? 4 stemmen
Geschreven door Mon om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Felix Timmermans

↑ Terug naar de berichten