Naar de inhoud

Felix Timmermans

Vlaamse schrijver, dichter en schilder * 1886 - 1947 *
akke.beakke.be

Archief

Over Pallieter. - Voordracht in het Foyer-Concertgebouw op 24 januari 1919.

Over Pallieter.
Voordracht in het Foyer-Concertgebouw op 24 januari 1919.

Uit De Gooi- en Eemlander  -  25/1/1919.

     "Pallieter", Felix Timmermans' bekend, ja, wel beroemd boek, is het vreugdige beeld van den zonkant van het Vlaamsche natuurleven. Het is vol zuiver levensgenot en een geneesmiddel tegen alle sombere gedachten. Dat is het voor den schrijver zelf ook geweest; en daarvan kwam hij voor een stampvolle aandachtige zaal boeiend, eenvoudig-Vlaamsch en grappig vaak, vertellen.

     Vooreerst zei Timmermans, dat hij over "Pallieter" zelf niets nieuws meer mededeelen kon. Al wat er in het boek staat, weet u en wat er niet in staat weet ik ook niet. Wat is er met "Pallieter" geworden, wat is er met den drieling geworden? Ik weet het niet en doe er liefst het zwijgen toe. Ik kan enkel spreken over Pallieter's ontstaan. Hij is niet uit de wolken gevallen — ik ben niet op een schoonen dag wakker geworden om te schrijven over lekker eten en veel drinken, om de menschen te laten lachen — Pallieter is de vrucht van een verkeerd geleefd leven. Er zit een zieleproces achter.
Het boek is geschreven voor den oorlog, van 1914 — '18.

2379737-495b55113e693de81521a166d3ff4d33.jpg

     Wie het begin van Pallieter wil lezen moet mijn "Schemeringen van den dood " naslaan. Ik schreef dit boek in schrik en duisternis, onder invloed van occultisme en theosofie.
Ik leefde toen nog spontaan, begon aan mijn eerste onderkin — en besefte ineens zeven lichamen te hebben in plaats van èèn. Ik verdoolde in gnosticisme, in kabalisme en in Blavatsky's geheime leer. Ik zocht den steen der wijsheid, en mijn goede moeder zeide : "Pas op, ge zult nog zot worden". Ik was ten slotte bang te leven, maar wilde voor me-zelf niet bekennen, dat ik verkeerd en ziekelijk leefde. Ik had geen houvast meer, had alles verloren, was verdwaald in het labyrinth van de metafysica. Ik zocht toen vrede in afzondering; in het woud en de kloosters. Een kuur van stilte moest ik doen. Maar in de afzondering vond ik geen vrede. Ik moest weer naar de menschen, al vond ik ze ook banaal. Ik ging toen naar de Bagijntjes, maar bleef in mijn wereld van bleeke vraagteekens, in een paddestoelenatmosfeer. Ik werd zoo mager als een paaltje. Toon schreef ik de "Schemeringen van den dood".

Ik zat in mijn donkere kamer en buiten straalde de zon, en sloegen de jubelende seizoenen over de wereld. Ik werd ziek, kwam op den drempel van den dood en had niets meer te doen dan den laatsten asem uit te blazen. Toen, bij het naderen van bleeken Hendrik, gebeurde het mirakel. Ik wilde leven. Ik snakte om te leven, haakte naar licht en zon en schitterende couleuren. Ik besefte dat ik in den kelder gezeten had, terwijl boven mij 't leven gonsde.
Ik was geestelijk genezen, maar m'n lichaam lag nog altijd plat als een strijkplank.
Ik wenschte licht en muziek, zon en gras — en ik genas. En m'n moeder, die 't zag, zei verrukt: "Ons manneke geneest''. Het nonneke dat mij bediende, was een blozende Vlaamsche dochter. De bracht mij een potje met hyacinthen, een roze en een blauwe.

     Die bloemetjes hebben 't eerste zaad van Pallieter in mij gelegd. Ik zei bij me zelf: ik zal m'n scha wel inhalen, ik wil het leven herleven. En ik stelde mij voor een man, die goed staat met God en de menschen, die het goede van de dingen ziet. Telkens ontsnapte de figuur en toen ik beter was, smolt zij geheel, als een fondant, alleen wijl ik zoo blij was om 't leven zelf. Eerder dan ik mocht was ik in ’t veld. Ik was als het kieken, dat uit het ei komt. Ik zag de boeren, de schaapherders, de schepen. Awel, dacht ik, daar is iets van te maken. Ik wou een dagboek van de natuur maken, een loflied der aarde. Ik kocht een boekske van zacht papier, twee ronde pennen en twee kleuren inkt — ik wilde schrijven als de monniken in de Middeleeuwen. Maar na vijf dagen wist ik niets meer. Ik had den mensch vergeten.

     Zoo kwam Pallieter in mijn boek, Pallieter, die het verlangen is. Hij is niet bang van een vloek, maar ook niet van het gebed, hij drinkt jenever, maar ook water, hij roemt het madeliefje, maar kan ook eten dat zijn broek los moet. Ik stuurde elk nieuwhoofdstuk naar "De Nieuwe Gids", en het werd aanvaard. Dan begon ik weer een nieuw, zonder dat ik wist wat er in zou komen. Ik heb vier jaar aan Pallieter gewerkt en het manuscript weegt wel vijf kilo. Dikwijls heb ik geweend als ik bladzijden, die te veel waren, moest wegdoen. Pallieter ging dood — maar ik zei : je moet leven. Charlotte was bijzonder weerbarstig; de pastoor was gemakkelijk. Van de vijf kilo is maar twee honderd gram overgebleven.

Pallieter is louter verbeelding, al zijn er in ons Vlaanderen, die van de streken van Pallieter weg hebben. Tijdens het schrijven van het boek ben ik eer droevig dan blij geweest; ik moest zooveel levensvreugde inhalen en dat leidde vaak tot conflicten. Ten slotte vertelde de spreker op humoristische wijze over 't ontstaan van tal van tooneeltjes uit het boek.
Na de pauze las spreker brokjes voor uit zijn nieuw boek :

"De zeer schoone uren van juffrouw Symforosa begijntjen".

2379737-ca538c343179bf0fbdfab6cd10469afd.jpg

Het publiek vermaakte zich kostelijk en toonde zich aan 't eind hoogelijk geestdriftig.

***********

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Mon om 11:31 Reageer op dit bericht

Beste vrienden - redactie

Beste vrienden, berichtje toegestuurd door Hilde en Koen van het F.T. Genootschap

Wij hebben de droeve plicht jullie het overlijden te melden van onze goede vriend Louis. Hij is zaterdagochtend overleden in de palliatieve instelling in Wuustwezel waar hij sinds kort was opgenomen. 
Hij leed sinds een half jaar aan een ongeneeslijke hersentumor. Koen en ik hebben hem begin september nog een bezoekje gebracht in Essen. Hij was toen nog in goede doen, wel steeds meer last van duizeligheid , geheugen en concentratieproblemen.

Hij hoopte dat het niet te lang zou duren… 
Gezien de coronamaatregelen zal het een afscheid in zeer bepekte kring zijn.

Hartelijke groeten, 
Hilde en Koen

2378413-0e4086039e40e35043830e6e8ad5184d.jpg

2378413-5dadcbdcd04dd2c913604a5fc8272eda.jpg


Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Mon om 15:52 Reageer op dit bericht

'Ik heb mijn kinderdroom waargemaakt' - Lieve Wouters

Gaston Durnez
'Ik heb mijn kinderdroom waargemaakt'

Door Lieve Wouters uit Kerk en leven van 18/12/2002  (Foto : W. Hendrix)

Nevel zweeft in slierten over de velden, wanneer ik op een dinsdagochtend naar Itegem rijd. Een bleek zonnetje wijst de weg. Fraai weertje toch voor de tijd van het jaar, bedenk ik. En dat terwijl het reeds tegen Kerstmis aanloopt. Ten huize Gaston Durnez echter geen kerstboom te bekennen. Komt nog.
De biograaf van Felix Timmermans kan immers wel tegen een portie eenvoudige romantiek met diepere betekenis.

Ooit heeft u gezegd: "Ik kijk elke week in het register van de Burgerlijke Stand of er geen beroemd man geboren is, maar vind niets dan onbekende beginnelingen.

"Hoe blikt u zelf terug op leven en werk ?
Van alle ongelukkige mensen ben ik de gelukkigste, heb ik eens gezegd, toen ik een moeilijke periode beleefde. Ik voel me in mijn vak oprecht gelukkig. Eigenlijk ben ik inmiddels op pensioen, maar zo voel ik het niet aan. Het lijkt of ik nooit afscheid heb genomen van de journalistiek en het schrijven. Ik blijf voortdoen. Ik ben zo gelukkig, omdat ik mijn kinderdroom heb mogen waarmaken: schrijver worden.
Dat was beslist niet vanzelfsprekend. Je moet weten dat ik als zevende zoon geboren werd in een arbeidersgezin in Wervik. Toch werd ik niet naar de koning genoemd, omdat vier jongens nog vóór hun tweede levensjaar overleden. We schreven 1928. Na mij kwamen nog vier kinderen, zodat we in het totaal met zeven jonge spruiten waren.

2378041-baa82cf619622b12e5248f4b66d78dac.jpg     2378041-4b3d9d8670c6f6ea3a08990d27e3551d.jpg

Ik groeide op in volle crisistijd. En crisis toen betekende nog wat anders dan de crisis waarover we vandaag spreken, hé. We waren arm, maar dat gold voor iedereen in de buurt. Thuis heerste een leescultuur. Lezen was in die tijd de enige manier om hogerop te geraken. Mijn vriendjes en ik leenden boeken in de bibliotheek en wisselden ze onder elkaar uit.
Op mijn tiende achtte ik mezelf klaar voor volwassenenliteratuur.
Zo leerde ik onder meer de boeken van Felix Timmermans kennen.

Wat sprak u daarin aan?
Felix Timmermans was op dat moment de grootste Vlaamse verteller. Ernest Claes kwam pas op de tweede plaats. Vooral Timmermans' geestige illustraties en speelse teksten konden mij toen boeien. Wat ik las, bootste ik na.
Zo begon ik zelf te schrijven.
Op een dag stootte ik in het gemeentelijk weekblad op een advertentie voor een opstel- en tekenwedstrijd.
Ik dong mee en won de eerste prijs. Nadien deed ik elk jaar mee en ik won keer op keer. Na mijn veertiende mocht ik dus niet meer deelnemen.

Maar werd uw talent ontdekt?
Een journalist van dat gemeentelijk weekblad had mij inderdaad opgemerkt. Hij zorgde ervoor dat ik naar het college kon. Voor een arbeidersjongen als ik zat dat er eigenlijk niet in. Ik had twee oudere broers, die net als ik goede studenten waren, maar zij waren al aan het werk. Dat ik naar het college mocht, is voor mij een bewijs dat de hemel bestaat!

In 1943 doken mijn broers onder om arbeidsdienst in Duitsland te ontvluchten. Bijgevolg moest ik thuis wel bijspringen. Dankzij dezelfde journalist kon ik aan de slag als typist, op het latere persbureau Belga nog wel!
Dat was eigenlijk een vrouwenbaantje, maar ik was fier als een gieter.
Met mijn vijftien jaar verdiende ik op slag evenveel als vader. Tegelijk was ik gered van een toekomst als boekhouder en werd ik geïntroduceerd in de wereld van de journalistiek. Ik werkte er tot aan de bevrijding.
Het was zwoegen. Ik sliep op kantoor, op het tapijt.

Via een vriend kwam ik als loopjongen terecht op de redactie van De Nieuwe Standaard. Ik heb daar afgezien, bittere tranen geschreid. Het was opnieuw een advertentie in de krant die voor mij nieuwe wegen opende. 
Een na de oorlog pas opgestarte uitgeverij zocht manuscripten om uit te geven. Ik had thuis een verhaal dat al een twintigtal bladzijden telde. Ik zond het in. Tot mijn grote vreugde werd het uitgegeven. De hoofdredacteur van Het Nieuwsblad kwam erop uit en nam me onder zijn vleugels. Hij bracht me naar de documentatiedienst van de redactie waar ik mijn eerste stappen als journalist zette.
Je ziet het, ik heb veel geluk gehad. Nu is zoiets niet meer mogelijk. Telkens wanneer een jonge mens met een tekst naar me toekwam, later op de redactie van De Standaard, zag ik daar opnieuw mezelf staan.
Nu moeten ze slagen in tal van proeven, alvorens ze worden aangeworven.

Onlangs kreeg u de Prijs voor Letterkunde 2002 van de provincie West-Vlaanderen voor uw biografie van Felix Timmermans. Bent u een eeuwige fan?
Toen ik veertien was en geregeld bijdragen schreef voor dat gemeentelijk weekblad waar ik het daarnet over had, kreeg ik op een bepaald moment als ereloon een facsimile van de hand van Timmermans.
Het was het boekje Een lepel herinneringen.
Op de eerste bladzijde staat: "Aan de Heer Gaston Durnez, hoogachtend." Daaronder had Felix Timmermans een boertje getekend. U kunt zich wel voorstellen welke indruk dat op me maakte. Ik kende het al snel uit het hoofd.

Zo rond mijn twintigste was de grote liefde echter voorbij. Timmermans' schrijfstijl leek me ouderwets. In die tijd was Graham Greene onze grote held. Hij verwoordde zeer goed het moderne levensgevoel van na de oorlog. Ik werd ook een Walschap-fan.
De herontdekking van Timmermans kwam veel later. Ik verhuisde naar Itegem vlakbij Lier, geboortestad van de auteur.
In 1972 richtten we met enkele geestesgenoten het Felix Timmermans Genootschap op.
Uitgeverij Lannoo vroeg me een biografie te schrijven van de grote Vlaamse schrijver.
Na mijn pensionering bij De Standaard ging ik actief op zoek naar bruikbaar materiaal.

Wie zegt dat Timmermans niet meer is dan een provincialistisch simpel manneke, heeft hem nooit goed gelezen. Een auteur heeft het recht beoordeeld te worden op zijn beste werk. Dat overstijgt heel zeker de eenvoudige romantiek. Timmermans laat je de alledaagse dingen zien alsof je ze voor het eerst ziet. Bepaalde werken zijn diep filosofisch.
In Timmermans' zogenaamde provincialisme zit de eigenlijke kern van het transcendentalisme *: hij doorgrondt het grote in het kleine. Timmermans vindt diepte in de eenvoud. Hij roept vragen op die ons nu nog kunnen aanspreken. En zijn geestige en kleurrijke metaforen zijn dan weer een bewijs van zijn taalgenie.
Felix Timmermans wordt helemaal getypeerd door zijn allerlaatste werk, dat hij niet voltooide. Daarin schrijft hij: "God ontdekken is zo gemakkelijk als een ei recht zetten. Columbus vaarde recht door, altijd recht door en hij kwam in Amerika uit, gij moet naar binnen varen, altijd naar binnen, recht door, en alles laten liggen, bijzijds, en ge zult er God vinden."

De wereld van Timmermans is inderdaad voorbij. Misschien is het juist daarom de geschikte tijd om hem nu onbevangen te lezen en je helemaal over te leveren en thuis te komen in die typische Timmermansiaanse sfeer van kleuren en metaforen. Je moet zijn werken lezen zoals je naar een oud schilderij kijkt.
Gaandeweg zul je ontdekken hoe achter en onder de kleuren drama's leven en problemen rijzen die dieper in de ziel en de geest binnendringen dan zijn legende beweert.

Dankzij 'Het kindeken Jezus in Vlaanderen' en de 'Driekoningentryptiek' is Timmermans onlosmakelijk verbonden met Kerstmis.
Een Duitse literatuurcriticus zei ooit: "In de Vlaamse literatuur is het altijd Kerstmis." Het was inderdaad een geliefkoosd literair thema in die tijd.

En wat betekent Kerstmis voor u?
In Onze familie neemt Kerstmis een heel bijzondere plaats in. Alle acht kinderen en achttien kleinkinderen komen naar Itegem. Samen zijn we met niet minder dan 43 mensen. Het samenzijn met mijn hele familie maakt me diep gelukkig. We hebben veel contact met elkaar, tegenwoordig ook via e-mail.

Kerstmis is tegelijk ook een heel pijnlijke periode voor mij. Mijn eerste vrouw stierf op 39-jarige leeftijd aan kanker. Rond Kerstmis was ze al heel erg verzwakt en ziek. Een kloosterzuster kwam inwonen om voor de kinderen te zorgen. Ze is nooit meer naar het klooster teruggekeerd.
Op een dag trok ze met de kinderen naar de bioscoop. Twee keer raden welke film gedraaid werd. Inderdaad, The Sound of Music. Die film was ons op het lijf geschreven, behalve dan dat ik geen kapitein ben.
Elf jaar later kreeg ook de zuster kanker. En opnieuw was de kerstsfeer helemaal beladen met het zorgen voor een doodzieke geliefde. Ze stierf op dezelfde dag als mijn eerste vrouw; 17 januari.
De datum staat in mijn geheugen gegrift.

Met Kerstmis moet ik altijd denken aan die blinde herder in het verhaal van Het kindeken Jezus in Vlaanderen. Timmermans beschrijft onnavolgbaar mooi hoe het juist die herder is, die het kindje het beste ziet. Voor mij was het ziekbed een beetje als die kribbe met dat tere kind dat onze Redder is.


* Het transcendentalisme is een filosofische en literaire beweging die in de jaren 1830  en 1840 in de New England-regio van de Verenigde Staten tot stand kwam en nieuwe ideeën verkondigde op het gebied van literatuur, religie, cultuur, en  filosofie.


 *****************

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Mon om 21:26 Reageer op dit bericht

De man achter GOT - Andy Arnts

De man achter GOT

Door Andy Arnts uit het Katholiek Nieuwsblad van 31/12/2010

Ter gelegenheid van zijn tachtigste verjaardag is er tot 20 februari een speciale tentoonstelling over het werk van Gommaar Timmermans in het Timmermans-Opsomer museum te Lier.

Op de zwart-wit foto met zijn beroemde vader Felix Timmermans, was hij ongeveer acht. Inmiddels is hij de tachtig gepasseerd: Gommaar Timmermans, beter bekend als striptekenaar GOT.

"Ik ga een goede wijn voor u openmaken", zeg hij. "Mijn vrouw heeft een schaal met koekjes en druiven opgemaakt. Neemt u gerust." Zelf is ze beneden, in haar winkel 'Timmermans Antiquiteiten'.
Een wit hoekpandje, mooi gelegen aan de Nete in het Vlaamse Lier. Vijftig meter verderop staat het Timmermans-Opsomerhuis, waar de manuscripten, illustraties, schilderijen en curiosa van vader Timmermans worden geconserveerd.
Aan de overkant van de Nete, op het Felix Timmermansplein, prijkt zijn borstbeeld en op de rivier zelf varen toeristenbootjes, met namen als Pallieter, Marieke en Vettigen Teen... allemaal personages uit het rijke oeuvre van vader Felix. Gommaar beziet het met een glimlach. "Awel, 't is natuurlijk heel bijzonder, maar je wordt dat gewoon met de jaren. Ik heb het ook nooit als een last ervaren dat ik een beroemde vader had. Het is nu eenmaal zo."

2377877-448d6f23a65deb9723bad66ebddea646.png

Leest u zijn boeken nog wel eens?
"Af en toe. Zoals het eerste deel van zijn roman over Pieter Bruegel, of Anna-Marie, omdat ik alle plekken, bruggen en huizen ken die erin voorkomen. Bepaalde personages zijn ook historische figuren geweest.
Mijn vader vertelde dat hij soms een straatje om moest gaan, om die personen niet tegen te komen."

Roept dat lezen weemoed op?
"Nee, daarvoor is het te lang geleden. Sommige boeken zijn wel ontroerend, maar dat heeft niets meer met hem zelf te maken." Felix Timmermans overleed in 1947, toen Gommaar zestien jaar oud was. "Indertijd was je met zestien nog een kind. Op college ging het er ook strenger aan toe dan nu. Later, na de Academie van Antwerpen, heb ik drie jaar bij uitgeverij Desclée de Brouwer in Brugge gewerkt, maar dat van 9 tot 5 werken lag mij niet.
Ik heb mijn vrijheid nodig. Terug in Lier heb ik me in het vrije beroep geworpen, met alle moeilijkheden van dien."

Het was ook een heel nieuw beroep, striptekenaar.
"Het stripverhaal was overgewaaid uit de Verenigde Staten. Mannen als Willy Vandersteen en Marc Sleen hadden dat opgepikt en waren ermee verder gegaan. En aangezien ik geen aanleg had om écht naar de natuur te tekenen, ben ik het ook gaan doen. Vandersteen had gezien dat bepaalde televisiefeuilletons bij kinderen succes hadden. Die formule nam hij over, maar onder een andere naam: 'Lassie' werd 'Bessy'.
Zo heb ik het nooit gedaan. Ik heb altijd nieuwe dingen verzonnen.
In het begin waren het kinderstrips, maar daar kon ik me niet mee amuseren. Vervolgens ben ik het steeds ingewikkelder gaan maken, tot ze op een dag bij De Standaard zeiden: 'Dit is niet meer voor kinderen, die begrijpen dat niet.'
Zo ontstonden mijn eerste humoristische volwassenenstrips."

Is humor is altijd uw handelsmerk geweest?
"Eigenlijk wel. Voor Knack heb ik losse, komische strips getekend, die een soort feuilleton vormden, zoals 'Iamboree', over de oude Grieken. Een verhaaltje ging bijvoorbeeld over man die naast zijn huis een spinazieveld had. Op een morgen stond daar plotseling een neushoorn in.
Enfin, wat die man wel niet allemaal deed om dat beest daaruit te krijgen."

Toch een beetje in uw vaders voetsporen.
"Mijn vader illustreerde natuurlijk op een andere manier. Hoewel... soms had hij in Gent een vergadering van de Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde. Wat hij daar precies deed weet ik niet, maar hij heeft er wel veel karikaturen getekend van de mensen die daar zaten."

Is de humorist GOT een afspiegeling van uzelf?
"Persoonlijk ben ik nogal bedachtzaam. Wat ik zie zijn twee werelden: je hebt het prachtige landschap zoals je het ziet, maar ook zoals je het beziet. Van binnenuit dus. En dat vind ik verschrikkelijk.
De natuur is een slagveld. Het leven kan een speeltuin zijn, maar voor sommigen mensen is het een hel.
Op school was ooit een opstelwedstrijd met als thema: twee mannen staren door een venster. De ene ziet de nacht, de andere de sterrenpracht. Dat tekent veel. Het is het verdriet van de schepping."

Godfried Bomans schreef ooit: Mijn humor is overwonnen droefheid.
"Zoiets heb ik zelf ook eens geschreven: wij moeten proberen ons verdriet te versuikeren, of te konfijten, zoals dat in keukentaal heet."

Bent u een religieus man?
"Ik ben erg geïnteresseerd in godsdienst. Niet alleen in het katholicisme, ook in andere religies. Ik geloof in een hogere macht. Dat heeft veel te maken met rechtvaardigheidsgevoel.
Neem nou die affaire met de kredietcrisis. Al die vergiftigde leningen die werden verkocht, waardoor zoveel mensen hun spaarcenten zijn kwijtgeraakt... dat is misdadig. Daarom moet er iets zijn, iets rechtvaardigs, zodat die gedupeerden uiteindelijk niet aan het kortste eind trekken."

Houdt u zich nu meer met het geloof bezig dan vroeger?
"Ha, nee. 't Is niet zo dat als de duivel ouder wordt, dat hij dan onder de preekstoel gaat zitten. Alleen heb ik nu meer tijd, en daarbij ben ik een paar keer goed ziek geweest. Dan ga je ook nadenken."

2377877-7770add308fa17188d9aa75db019ad4a.jpg

Leidt u een leven van terugkijken of vooruitkijken?
"Ik kijk zelden terug. Elke dag is er één. Natuurlijk denk ik aan de dood, maar ik heb daar geen duidelijke voorstelling van. Misschien is het een toestand waarin je de ware werkelijkheid ziet.
Ik geloof niet in dat middeleeuwse gedoe van hel en duivel. Dat komt allemaal voort uit de joodse Gehenna.*
In de Middeleeuwen hebben ze daar alleen wat vuur en tangen en zo bij gedaan. Ik denk dat iedere godsdienst een deelwaarheid bevat, dat heeft de katholieke Kerk zelf al schoorvoetend toegegeven."

Werkt u nog aan nieuwe projecten?
"Ik doe al een paar jaar praktisch niets meer. Ja, lezen, veel lezen. En reisplannen maken. Naar Parijs en Rome, zulke dingen. Misschien ga ik nog eens iets schrijven, iets humoristisch. Of iets tekenen, iets kleins. Ik ben nog fit, ik heb een hometrainer, dat doe ik elke dag ongeveer één uur.
(lacht) Maar ik moet er wel wat bij te lezen hebben - pockets, geen zware boeken, want dat fietsen is al zwaar genoeg."


* Gehenna is afgeleid van de naam van het smalle, rotsachtige Dal van Hinnom, ten zuiden van Jeruzalem. In oudere Nederlandse Bijbelvertalingen wordt Gehenna vaak vertaald met 'hel'. Tijdens het koningschap van Salomo werd in de vallei Moloch vereerd met het brengen van kinderoffers. 


************

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Mon om 10:50 Reageer op dit bericht

Gestopt met tellen, Hoeveel boeken ik geschreven heb - P. Anthonissen

"Ik ben gestopt met te tellen hoeveel boeken ik geschreven heb"
Gaston Durnez uit Itegem brengt nieuw boek uit op 80ste verjaardag

Door Pierre Anthonissen uit Gazet van Antwerpen van 9/9/2008 – Foto: Hilde Van Geirt

Vandaag wordt schrijver en creatieve duizendpoot Gaston Durnez tachtig. Net déze week verschijnt ook zijn nieuwste boek Vroeger waren wij veel jonger. "Ik woon nu al dertig jaar in Itegem, maar het Itegemse dialect krijg ik maar niet onder de knie", aldus de man die ondertussen acht kinderen, twintig kleinkinderen en acht achterkleinkinderen heeft.

Met zijn jongste kleinzoon 2377607-0c511f53ab79b55fc7197392a209c6e3.jpg

Jij schrijft nog steeds?
(Verwonderd over de vraag): Deze week ligt mijn nieuwste boek in de boekhandel. Vroeger waren wij veel jonger heet het. Vroeger staat voor de oorlog, de aller slechtste  tijd die er geweest is. Ik was de zevende zoon in een arm arbeidersgezin uit Wervik. In het boek schrijf ik over de eerste zestien jaar van mijn leven. Ik schrijf geen geschiedenis, maar ik schets de tijd en de situatie van een doorsnee arbeidersgezin. We hadden geen geld, maar er was genoeg om gelukkig te zijn: het echte platteland bestond nog en we konden nog op straat spelen. Weet je wat ik zo jammer vind aan deze tijd? Dat de straat van de kinderen is afgenomen. Het boek schreef ik om emotionele redenen. Veel van die mensen zijn intussen verdwenen. Ik blik terug op de dramatische omstandigheden, de oorlog, de eerste doden die ik zag...

Even later werd je journalist. Hoe ben je als plattelandsjongen in dat beroep verzeild geraakt?
Tot mijn vijftiende volgde ik handelsschool in Brabant, waar wij ondertussen woonden. Ik studeerde er steno en dactylo. Ik werd aangenomen als typist bij De Nieuwe Standaard. Later schopte ik het zelfs driemaal tot Belgisch kampioen typen. Ik ben journalist gebleven tot 1992. Heel die tijd hield ik de woorden "zien, oordelen, handelen" van Cardijn in het achterhoofd. Als jongeman speelde Cardijns jongerenbeweging KAJ een belangrijke rol in mijn leven en ik vond het een passend journalistiek devies.

Hoeveel boeken heb je intussen gepend?
Ik heb er geen idee van. Ik ben gestopt met tellen. Het moeten er iets meer dan vijftig zijn, denk ik. Eigenlijk zou ik het eens aan mijn dochter moeten vragen. Zij schrijft mijn biografie, dus zij moet het weten.

Op welke boeken ben je het meest trots?
Ik schreef de eerste grote naoorlogse reportage over Israël in 1960. Ook Zeg mij waar de bloemen zijn, een boek met beelden uit de Eerste Wereldoorlog en interviews met oud-strijders is een belangrijk werk voor me.
Mijn bekendste boek moet dan weer de biografie van Felix Timmermans zijn.

Heeft Timmermans je beïnvloed?
Zeker. Er zijn twee auteurs die een grote stempel op me gedrukt hebben. Felix Timmermans is er daar een van. Door zijn origineel en geestig taalgebruik was hij voor mij dé grote schrijver van mijn kindertijd, al werd hij vaak misbegrepen. Ook zijn levenshouding en zijn leuze "En toch..." spreken me aan.
Wist je trouwens dat hij ook een groot tekenaar was?
De tweede auteur die belangrijk voor me was, is Chesterton Ik leerde hem kennen via Maria Roseels. Over hem heb ik ook een boek geschreven, een portret dat als kennismaking dienst kan doen. Van hem is de uitdrukking "Ga niet dood voor je sterft". Helemaal mee eens!

Uit bewondering voor Felix Timmermans stampte je zelfs het Timmermans-Genootschap uit de grond.
Hoe kwam dat tot stand?
De heb het genootschap in 1972 opgericht met de grote Timmermans-kenner José De Ceulaer en Frans Verstreken. Zij hebben mij naar Lier gelokt, waar ik twaalf jaar woonde.

Daarna ruilde je de Pallieterstad in voor Itegem.
Ik woon hier intussen dertig jaar, maar het Itegemse dialect krijg ik maar niet onder de knie. "Pjetje" krijg ik maar niet over de lippen.
Intussen schreef ik ook een boekje met cursiefjes over Itegem. De Engel op het eiland luidt de titel, genoemd naar het café van Pinzielekes.

Schrijf je nog steeds cursiefjes?
Tot enkele maanden terug schreef ik om de twee weken een column in Tertio, een weekblad waar het christelijk geestesleven nog aan bod komt. Dat gebeurt elders bijna niet meer, of toch onvoldoende. In De Bond schreef ik in de jaren vijftig over mijn kinderen, onder de titel Met muziek door het leven. Daarna hield ik er een poosje mee op, maar eens met pensioen nam ik de draad weer op.
Nu schrijf ik over vrienden en gebeurtenissen die me opvallen.

Zitten er intussen nog nieuwe boeken in de pijplijn?
Het is vrijwel zeker dat er een vervolg komt op Vroeger waren wij veel jonger. Mijn professionele memoires heb ik in de boeken over de geschiedenis van De Standaard beschreven.

Wat steeds opvalt, is je humoristische schrijfstijl. Waar heb je die vandaan?
Dat is een aangeboren gave, die ik al schrijvende heb ontdekt. Mijn humor gelijkt trouwens sterk op die van Felix Timmermans. Ik zie het als een leuke manier om verdrietig te zijn. Het is bovendien een aangename vorm van spelen met taal, of van kritiek geven op bepaalde situaties.

Spelen met taal doe je blijkbaar graag. Je komt vaak spitsvondig uit de hoek.
Dat is ook een gave die je langzaamaan meer ontwikkelt. De vind het belangrijk dat het steeds spontaan blijft. Het mag zeker niet artificieel overkomen.

Je bent een echte creatieve duizendpoot. Je hebt je zelfs aan filmscenario's gewaagd. Vanwaar die interesse?
In de jaren vijftig en zestig heb ik veel kabaretteksten geschreven. Ik vertaalde daarnaast veel filmteksten van documentaires. Ik schreef met Fernand Auwera en met de hulp van Louis Paul Boon en Hugo Claus ook het scenario van De witte van Sichem, de film van Robbe De Hert. De schreef vooral veel dialogen. Dat deed ik graag. Ik heb enorm veel plezier beleefd aan die samenwerking.

Jij bent ook ontzettend veel in de prijzen gevallen. Haal je daar veel voldoening uit?
Zeker. Het doet altijd plezier als je een teken van erkenning krijgt.

2377607-d16e679c56527129b9c4ef1d6c51ffdb.jpg

*******************

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Mon om 22:12 Reageer op dit bericht

Liefde is nooit verboden - Frans Verleyen

Liefde is nooit verboden

Door Frans Verleyen uit Knack van 22/01/1997

Op 24 januari 1947 stierf hartlijder Felix Timmermans in de armen van zijn jongste dochter. Nu, vijftig jaar later, groeit het vermoeden dat de meest gelezen en vertaalde Vlaamse schrijver een nieuwe lezing waard is.
Pallieter moet maar even uit de weg gaan staan.

Het is altijd zo geweest: schrijvers worden vaak het slachtoffer van hun door het publiek best begrepen en ontvangen boek. Zo werd, om maar even in onze buurt te blijven, Louis Couperus ertoe veroordeeld de vader van "De stille Kracht" of desnoods van "Eline Vere" te zijn en te blijven. De rest geldt, nogal onterecht, als van minder waarde en raakt nauwelijks in de canon opgenomen. Bij een naam als die van Gerard Walschap doemt als vanzelf zijn geliefd geesteskind "Houtekiet" op. Andere, door hun tijdsgebonden problematiek interessante werken zoals "Het Celibaat" of "Het kleine meisje en ik" worden eerder verwaarloosd. Ernest Claes ondervond hetzelfde met "De Witte" van Zichem, die onder luid applaus zijn eigenlijke meesterwerk "Floere het Fluwijn" de pas afsneed. Stijn Streuvels ontving in zijn Lijsternest te Ingooigem lange rijen bezoekers die één roman als relikwie meedroegen : "De Vlasschaard". Voor de gemiddelde Vlaming leeft Louis-Paul Boon ongetwijfeld voort als biograaf van de achteraf ook filmheld geworden Priester Daens.
Toch is "De Kapellekensbaan" de echte sleutel tot het artistieke universum van Boontje.

Vismarkt  2377433-b2590b8900b9e3b38fcd639927c4b3a3.jpg

Auteurs die soms tot hun eigen verbazing een bepaald artistiek of intellectueel en maatschappelijk etiket meekrijgen, worden nadien niet zelden gebruikt door mensen die een of ander thema willen verdedigen. Ze worden ergens "ingeschakeld". Zonder nadenken komen hierbij namen voor de geest als Erasmus, Vondel. Voltaire, Conscience, Teilhard, Saint-Exupéry, Nietzsche, Garcia Lorca, Knut Hamsun, Céline Brecht: een greep uit het massagraf van cultuurhistorisch en ook politiek gerecupereerde schrijvers.
Dat lot is "de goede Fee" eveneens te beurt gevallen.

ZIJN SUCCES WAS GROOT
Lierke Plezierke, al dan niet met de mond vol vlaaikens, aarzelde niet om zijn literaire nalatenschap in folkloristisch en bijwijlen ook toeristisch bruikbaar materiaal om te zetten. De promotoren van het christelijk-Vlaamse volksgemoed teerden graag op zijn bijna lieflijk, van schilderachtige devoties doordrongen katholicisme. Flaminganten eerden hem dan weer als een militante voorloper, die uit eerlijke overtuiging zelfs de collaboratie met Duitsland niet schuwde.
Socialisten, Kamiel Huysmans bijvoorbeeld, ontwaarden in zijn boeken naast veel mededogen voor het uitgebuite plebs ook genoeg sociale kritiek op de onderdrukkers om Felix Timmermans een beschermende hand boven het hoofd te houden.
Hedendaagse performers die hun oeuvre aan de man willen of moeten brengen via evenementen in het literaire circuit, kunnen alvast in de leer gaan bij Felix Timmermans en zijn aanpak. Onverdroten reisde hij in de jaren twintig en dertig per trein de buurlanden af (maar ook Litouwen, Oostenrijk en Hongarije) om er voor uitbundig volle zalen toelichting te geven op zijn werk, en eruit voor te lezen. Kennis van de vreemde taal was daarbij geen onoverkomelijke moeilijkheid. Felix brouwde haar ter plekke zelf, tot ieders tevredenheid.
Zijn succes was groot, zijn bedongen honoraria navenant. Televisie bestond nog niet.

2377433-354d176d2188d71d84f23d49917dba4f.jpg

Een deel van zijn werk schreef hij ongetwijfeld op de toon van een goedgemutste volksverteller en entertainer. Uit verhalenbundels zoals "Het Keerseken in de Lanteern" (1924) of "Pijp en Toebak" (1933) komt een lichtjes oudbakken, soms ook wat sentimentele geestigaard tevoorschijn. Die nonchalante werkjes mogen echter niet doen vergeten dat Timmermans, houder van de Belgische Staatsprijs voor Literatuur (1922) en jarenlang Nobelprijskandidaat, een pluralistische vriendenkring van meer dan gemiddelde kwaliteit rond zich had.
In eigen taalgebied onderhield hij een min of meer geregeld (soms ook op bekvechterij uitlopend) contact met onder anderen Karel Van den Oever, Antoon Thiry, Fred Bogaerts, Lodewijk Van Boeckel, Stijn Streuvels, architect Flor Van Reeth, Renaat Veremans, August Vermeylen, ir. Reimond Kimpe, Jozef Muls, Jan Hammenecker, Valerius De Saedeleer, Willem Kloos, uitgever Van Kampen, tekenaar Anton Pieck, Isidoor baron Opsomer, Jan Toorop, Frits Van den Berghe, Gust De Smet, Dirk Coster, Elisa Belpaire, Frans Masereel, Rik Cox, Eugeen De Bock, Arthur Vanderpoorten, Herman Teirlinck, Kamiel Huvsmans, Ernest Van der Hallen, Pol De Mont, Jan Greshoff, James Ensor, Gerard Walschap, Ernest Claes, Emmamiel ("Mane") De Bom, Floris Jespers, Staf Weyts, Maurice Gilliams.
Die laatste sprak op 28 januari 1947 in het sterfhuis van Felix een grafrede uit.

FILMSCHERPE BEELDEN
Tussen haakjes, reeds in juli 1919 schreef Frederik Van Eeden waarderend dat de "geniale" geest van Timmermans (hij bedoelde daarmee Pallieter) hem aan "die van Rabelais" deed denken. Die opmerking zat goed raak. Van Eeden zelf was een soort geitenharenwollensokkendrager die een tijdlang met utopisch socialisme en anthroposofie schwärmde (de Waldenkolonie). Maar hij kon dus worden gecharmeerd door het "Vlaamse vitalisme", de natuurgebondenheid, de flower power en het onverbloemde alhoewel altijd wat gesacraliseerde hedonisme van "Pallieter" (1916). Nochtans is Pallieter een ruim wonende plattelandsmens die nooit werkt, de helft van zijn tijd verdoet met verliefd zijn of na een goede maaltijd in het gras te liggen, altijd geld op zak heeft, een werkster thuis en een schuit op de Nete. Bijna een Woodstock-figuur die op het eind van het verhaal dan ook letterlijk uit zijn eigen wereld verdwijnt om er nooit meer terug te keren.

2377433-13a5df507738b10895183377af05fbf5.jpg   2377433-5b139b4d9fb3f924a2cbaa5b375bd4cf.jpg

Een jaar na de door Van Eeden in De Amsterdammer gepubliceerde recensie zou Pallieter door het Vaticaan worden verboden voor katholieke lezers. De uitnodiging tot wellust lag er te dik en te kleurig op.
Het viel toen al op hoe filmscherp Timmermans zijn beelden wist te kiezen, misschien was hij daarom ook als schilder zo kostelijk narratief. (Hij voelde zich naar eigen zeggen gelukkiger met het penseel dan met een vulpen in de hand.) Vooral de niet-landelijke, niet-pastorale taferelen lijkt hij te beschrijven met een scenario, de nodige muziek en een picturale regie in het achterhoofd.
Wie in het vak staat, zou nog altijd de filmrechten moeten kopen van de troebele Hernat-saga (1941, een overigens wat uit zijn hengsels hangende roman), van "Anna Marie" (1921) in haar problematische driehoeksverhouding en vooral van "De Harp van Sint-Franciscus" (1932) waarin het Toscaanse levensgevoel, dansend tussen genot en heroïek en zelfkastijding, arcadisch maar ook tragisch op papier is gezet.

Het was een vergissing om bij voorkeur Pallieter naar de bioscoop te brengen, een personage met bijna geen andere dan pastorale verhaalstof — tenzij misschien het hoofdstuk waarin hij drie jaar vóór de Eerste Wereldoorlog warempel een vliegtuigtocht maakt. Veel complexer is Timmermans in zijn naturalistische sociale verontwaardiging over de Spaans-roomse onderdrukking van het volk dat door "Pieter Bruegel" (1928) geobserveerd wordt. In "De Pastoor uit Den Bloeyenden Wijngaerdt" (1923) neemt hij het op vóór een fatsoenlijke, half-vrijzinnige maar waarheidslievende jongeman die met het pantheïsme dweept. Hij kiest tégen de theologisch verblinde pastoor die liever zijn nichtje van liefdesverdriet laat sterven dan dat zij haar door God verboden Isidoor zou krijgen.

DE PASSIES VAN HET VLEES
Want, zo riposteert Timmermans in "Anna-Marie" : "Liefde is nooit verboden als ze echt is." En : "ze moet altijd nieuw en anders zijn. — In de innigste ogenblikken vergeten vrouwen alles, eer, stand, fatsoen, om gelukkig te zijn." Zo iets moet men eerbiedigen, zegt Simon Hernat tot zijn rentmeester. Die gelooft daar niets van : "De vrouwen geven hun lijf maar hun hart steken zij onder hunnen rug."
Geruime tijd vóór Walschap slaagt de Lierse schrijver erin eerbied te vragen en te krijgen voor de passies van het vlees, voor elk .jong, mals mosseltje" waarin "het sap" stroomt. Pallieter beleeft zijn onkuisheden nog monogaam en als het ware in een feestelijke verbondenheid met Gods schone schepping. Alhoewel, de ronde en roze lichaamsvormen, het ondergoed, de borsten, dijen en zelfs de schaamstreek van Marieke worden op een voor die tijd onwaarschijnlijk gedurfde manier ten tonele gevoerd. Later gaat de schrijver nog verder, hij begint ook de sociale en psychische duisternissen van de liefde te verkennen.
In dat riskante register wordt buiten het huwelijk samengewoond en vinden zwangere, thuis weggejaagde meisjes solidaire opvang bij haveloze kameraden. Cafédeernen blijken nog een goed hart te hebben ook, driehoeksrelaties baden in een problematische schoonheid. "Mens, er is in 't leven niets dan vrijagie, en die kent geen verschil tussen baronnen en herderinnen, noch tussen oud, schoon of lelijk. Amourke moet maar eens roos schieten en 't is gebakken."

Met Hernat raakt de lezer zowaar verwikkeld in de Freudiaanse marteling van een sado-masochistische verhouding tussen Simon en de "femme fatale met de jaguar-ogen". Hoe meer hij haar afranselt, hoe groter zijn verslaving aan haar "luie blik die hem tergt door haar kalmte. Slang ! dacht hij, terwijl hij haar zoende op de mond. — En zo, al spelend, martelde zij hem." Zelfs Wortel, de wroetende held in het meesterwerk "Boerenpsalm" (1935) bedrijft overspel "met een ander." En het volk beloert al die toestanden, "het likt en zabbert eraan", het zijn feesten tegen de verveling.
"En zo tiranniseren zij elkaar." De publieke mening is "een hyena".

In het postuum verschenen boek "Adriaan Brouwer" (1948) haalt de goede Fee zijn mosterd op een nog minder voor de hand liggende plek. Hij blijkt te weten wat cannabis en "belladona" zijn. Drugs, vermengd met "toeback" die de gebruiker "in de nevel" doen belanden. "Niets kan u nog schelen, ge voelt de steen in uw hart niet meer, en gij zelf zakt weg. ge drijft uiteen in een diepzoete bedwelming van goedheid en geluk. Zo geweldig als de liefde. — En nu mogen de paters zoveel bassen en preken, dat het slecht is voor dit en voor dat... — Iedereen zoekt zijn geluk."

MARIEKE JANSSENS
Destijds moet dat in Vlaanderen als ontoelaatbare avant-garde geklonken hebben. Gerard Walschap werd voor minder verketterd. Maar wellicht was die niet bereid tot wat de regelmatige kerkganger Timmermans als onbewust maar volleerd diplomaat telkens weer herhaalde : hij liet elke zondeval eindigen op een moment van inkeer, van sociaal of religieus toegekende vergiffenis. Walschap smeedde uit gelijkaardige thema's liever een daad van opstand tegen het heersende gezag. Daarom was hij, al bij al, misschien preutser en toch gevaarlijker dan de man uit Lier.
Het stond hoedanook vroegtijdig vast dat die een stuk van zijn leven met een aantal non-conformistische fellow travellers zou delen. Zijn opleiding aan de rijksmiddelbare school verliep erg slordig, hij was al vijftien toen hij het zesde leerjaar met krap de helft van de punten afmaakte. Daarna ging hij onrijpe gedichten schrijven, terwijl hij thuis "hielp" in de kantwinkel van vader Jan-Gommaar.
Rond die tijd trekt hij op met de wat oudere kunstschilder Raymond De la Haye die hem inwijdt in op dat ogenblik modieuze esoterieën, à la madame Blavatsky of Maurice Maeterlinck. Hij geeft zich over aan natuurmystiek, symbolisme, theosofie, occultisme, spiritisme en een vegetarische levenswandel — de sfeer in zijn eerste belangrijke boek : "Schemeringen van den Dood" (1911). De katholieke levensbeschouwing van zijn kinderjaren is lijdelijk vervangen door een vaag deïsme waarin God huiverend aangevoeld wordt als een alomtegenwoordige "energie" die het organische leven verwekt en er eigenlijk een "wetend" personage van maakt. De Gaia-theorie avant la lettre.

2377433-4374cfb613a971864d591dc55e9ba57f.jpg

In 1910 begint hij te vrijen met de simpele kantwerkster Marieke Janssens, die zo mooi kan declameren. Thuis krijgt hij onenigheid over die keuze zodat hij in Gasthof De Komeet op kamers gaat wonen, min of meer geïsoleerd en berooid. Hij behoort nu tot de artistieke bohème, maar beleeft daar weinig romantische genoegens aan. De huur betaalt hij met wat overblijft van een door de provincie Brabant geschonken aanmoedigingspremie (500 frank) en de opbrengst van wat losse commerce en dentelles.
Voor de rest schrijft hij noodbrieven naar enkele kennissen die beter bij kas zijn, of solliciteert hij zonder resultaat naar een stille baan bij een of ander tijdschrift. Zijn ouders dagen niet op wanneer hij uiteindelijk met Marieke trouwt (12 oktober 1911), maar het meningsverschil zal ten slotte worden bijgelegd.

EEN VRIJSCHEPPEND KUNSTENAAR
Al acht jaar eerder had hij het, welzeker, in een roekeloze brief aan vader laten weten. Hij wilde vrij scheppend kunstenaar worden, verzakend aan "stoffelijke vergeldingen", om het volk te verheffen en de Vlaamse gedachte te verspreiden. Letterlijk: "om aan ons medebroeders licht, liefde, waarheid en schoonheid te bezorgen. En dan mag de wereld nog zo fel op mijn hart beuken als hij kan, ik zal pal blijven lijk een rots in de zee. Zo volmaak ik mijzelve en door mij te volmaken, volmaak ik een deel van de mensheid en zal alzo een weinig van kwaad der wereld kunnen oplichten." Slechts gewapend met een getuigschrift lager onderwijs en een medaille van de plaatselijke tekenschool op zak legde Felix zich, in de kering van het vorige fin-de-siècle, een ambitieus programma op.
Dat laatste doet ons denken aan het fenomeen van de autodidact, zoals ook Stijn Streuvels er een was en Hugo Claus op de meest overtuigende manier zou worden. Voor zijn project blijkt de schrijver niet noodzakelijk een academische of andere doorgedreven vorming nodig te hebben. Bij Timmermans kwam daar een verbazende complicatie bovenop ; hij, die zo onwaarschijnlijk snedig met taal zou omgaan, heeft nooit correct leren schrijven.

Zijn manuscripten en eerste drukken wemelden van spellingfouten, rats verkeerde citaten, onbedoeld gebruik van dialect en vele andere achteloosheden waarvan zijn amateurisme geen last scheen te hebben. Alles wat hij kon geven, moest hij putten uit de intuïtieve inzichten van zijn jeugdjaren en — zonder de intellectuele dekking van een op klassieke kennis gerichte opleiding — uit zelfstudie achteraf.
Vermoedelijk was het destijds hier of daar spontaan opflakkerende flamingantisme een uitstekende voedingsbodem en gangmaker voor de ontwikkeling van intelligentie die zich via emotie weet uit te drukken, van een bijzonder soort schranderheid die alleen op verborgen gevoelsgolven kan drijven.
In Felix' jonge dagen zit dat flamingantische nog tamelijk eenvoudig in elkaar. Het houdt ongetwijfeld verband met kleinsteeds heimatgevoel, het verlangen naar eerbied voor de moedertaal, wat normale eerbied voor de sociale gebruiken en tradities, onbewuste afstand van een nog verre maar jacobijnse overheid die zich bijna uitsluitend van het Frans bedient — ook in Lier, het aan de Kempen grenzende provinciestadje waar Timmermans volwassen wordt en waar de belle époque met haar eerste grammofoons of electrische verlichting helemaal nauwelijks van zich laat horen.

BELGEN BESTAAN NIET
Reeds in 1905 schrijft hij als amateur-denker. maar geruime tijd vóór Jules Destrée, dat er tijden zullen komen waarin kinderen de periode zullen benijden "waarin wij bij Holland behoorden ; dan zullen zij voelen in wat onnatuurlijke toestand wij tegenwoordig geprangd zitten en versmachten. ꞌt Is waar, nu zijn wij 75 jaar vrije Belgen. Maar in de naam van god toch ! Wie heeft het gedacht gekregen Walen en Vlamingen bijeen te duwen en te betitelen met Belgen ? Belgen, bestaan er niet." Zo zet hij in een erg vroeg stadium een cultuur-conflict op de agenda, een kwestie die met de vorige generatie moet worden uitgevochten of eraan gesignaleerd.
Voor zijn ongeschoold talent, voor zijn gemoed, volstaat die demarche (mits enige autosuggestie) om tot een "roeping" te komen. Gaston Durnez denkt graag aan Timmermans terug als de "goede Fee", een eretitel die het best past bij een argeloos iemand.

2377433-2b5deefb7c668826ecbb13f284c741bd.jpg

Toch mag duidelijk zijn dat Fé zich op ongewoon jonge leeftijd een politiek gevaarlijk gedachtengoed eigen maakte. Het zou hem, zoals wij weten, in beide wereldoorlogen tot betrekkelijk milde vormen van respectievelijk activisme en culturele collaboratie brengen.
Gelukkig waren de erop volgende repressies, voor hem dan toch, niet erg radicaal. Wel had die van 1945-1946 het nadeel dat hij toen aan een gevorderde hartkwaal leed en op doktersvoorschrift iedere emotie, zoals angst voor de gevangenis, moest vermijden. Hij zag er toen inderdaad grijs, oud en ziek uit. Tegen het einde aan lag hij veel in bed, met een stapel kussens onder de rug, niet ongerieflijk geïnstalleerd in een kamer met uitzicht op de rustige stadstuin waarin — als het niet koud was — wat kippen rondliepen.
Op zijn allerlaatste tekening staat het Engels haantje dat als mini-dictator ("glanzend wandelend, op zijn Turks") tegenover de kippen van zijn neus maakt.

Tot twee dagen voor zijn dood schrijft hij brieven naar vrienden, met als hoopvolle boodschap dat hij op de terugkeer van de lente wacht, op de zon die hem weer zal doen ademen en werken. Want ondanks de "hartkramp" zit zijn hoofd barstensvol plannen, "er is nog zoveel te doen." Nu is hij tot weinig meer in staat dan wat vijlen en schaven aan de gedichten die onder de melancholische titel "Adagio" beroemd zullen worden. Want ; "wij zijn arm en knagen aan 't verleden en spelen met de kaarten van 't verdriet."

Misschien, maar dat is uiteraard speculatie, mijmerde hij nog wat over zijn Liers stadje dat toen al geregeld werd aangerand door bouwmeesters en architecten in dienst van een naar vooruitgang dorstende overheid.
Zesendertig jaar eerder, in 1911, had hij al polemieken geschreven tegen het overwelven, dus berijdbare straten maken van de vlietjes die Lier zo schilderachtig maakten.
Als vroegrijpe groene jongen begreep hij de redenen voor die sanering wel. Bij gebrek aan goede riolering stonken de onhygiënische waterloopjes van zodra ze binnen de stadsmuren arriveerden. Maar hij pleitte voor uitbaggeren, vers water aanbrengen, vissen en planten uitzetten.
Later probeerde hij trouwens de afbraak van de historische vismarkt te beletten. Het hielp niet. De mensen, schreef hij, hebben geen verstand meer van wat een oud stadje moet zijn. Dus nóg maar eens een doctrine avant la lettre : die van monumentenzorg of, bij uitbreiding, van Agalev. Laten we het dossier Timmermans toch maar eens heropenen.

2377433-d16e679c56527129b9c4ef1d6c51ffdb.jpg

******************

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Mon om 14:45 Reageer op dit bericht

Felix Timmermans overleed vandaag - Bertje Warson

FELIX TIMMERMANS OVERLEED VANDAAG 74 JAAR GELEDEN

Door Bertje Warson

Felix Timmermans overleed op 24 januari 1947. Vandaag 74 jaar geleden.

Felix Timmermans is de meest gelezen en meest vertaalde auteur.

Op 5 juli 1916 rolde Pallieter van de persen en zette Lier op de wereldkaart. Na honderd en vijf jaar is Pallieter nog steeds springlevend en populair. Wat zou Lier zijn zonder Timmermans? Zijn museum bewaren is echter teveel gevraagd.

In de weilanden achter het Begijnhof dat de Fe het ‘Salon van Lier’ noemt, groeit de idee rond Pallieter. Hij schrijft er drie jaar aan en tegen het advies in van zijn vader verschijnt in volle oorlog zijn boek Pallieter.
Lier staat plots op de wereldkaart. Wat zou Lier zijn zonder Timmermans?
Zijn werken werden in 27 talen, tot in het Japans toe, vertaald

2377379-fc06de696893b8f1ebd5c06357465a1f.jpg

TIMMERMANS-OPSOMERHUIS
Wat er met het riante Timmermans-Opsomerhuis, het museum van dé Lierse kunstenaars gaat gebeuren weet niemand. Op vandaag kan je er o. a. Nederlandse les krijgen.

Felix Timmermans, zijn zoon Gommaar (Strips in dag- weekbladen en animatiefilm voor BRT) en dochters Lia, (Wonderlijke Sprookjes voor Koningin Fabiola) Clara (Haiku’s) en Tonet (naïeve schilderkunst) zouden toch een mooie zaal mogen krijgen…? Het gaat om kunstenaars die de stad Lier een bijzonder grote uitstraling schonken en respect verdienen. Buitenlanders verplaatsen zich er voor. Helaas komen zij van een kale reis terug!

En dan hebben we het nog niet over de letterkundigen Anton Bergmann, Antoon Thiry, Jozef Arras, Gustaaf Van der Hallen, de kunstschilders Isidoor Opsomer, Raymond de la Haye, Eugeen Yoors, Reimond Kimpe, toondichter Renaat Veremans, architect-kunstschilder Flor van Reeth, en Kunstsmid Lodewijck Van Boeckel die ook hun vaste plek hadden in het Timmermans-Opsomerhuis.

Samen met zijn tijdgenoot Louis Zimmer die gelukkig zijn eigen Toren heeft, verdedigen zij de roem van de Netestad. Verscheidene onder hen verwierven nationale en zelfs internationale bekendheid.
Felix Timmermans werd zelfs in 1928 genomineerd voor de Nobelprijs.

De Lierse kunstschilder-graficus Ronald De Preter spaarde tijd noch moeite om rond de honderdste verjaardag van Pallieter in 2016 een schitterende expo van Felix Timmermans en zijn tijdgenoten te organiseren.

“WAT ZOU LIER ZIJN ZONDER FELIX TIMMERMANS?

“Men noemt hier alles wat boven- of ondergronds beweegt, op het water ligt of in de lucht hangt naar Timmermans of naar zijn personages, maar een museum waar men zijn werk kan zien en beleven is er plots teveel aan.
Terwijl ik met de opbouw van de tentoonstelling 'De Lierse Lente' bezig was, heb ik er tal van mensen ontmoet. Vooral buitenlanders, Nederlanders, maar ook Zwitsers, die kwamen speciaal naar Lier voor Felix Timmermans.

Het Timmermans-Opsomerhuis is dé ziel van Lier. Het ademt een heel aparte sfeer want je betreedt de wereld van Felix Timmermans en andere Lierse kunstenaars met hun rijkelijke verhalen. Kortom het verhaal van Lier”, besluit Ronald De Preter.
Wijlen Gaston Durnez voegde er destijds aan toe:

“In elke stad zouden ze zo’n man van formaat reeds lang een museum gegeven hebben”.

***********

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door Mon om 22:55 Reageer op dit bericht

Saluut bij een honderdste verjaardag - Marc Andries

Felix Timmermans : Saluut bij een honderdste verjaardag.

Door Marc Andries uit Topics van maart 1986.

Dit jaar, op 5 juli om precies te zijn, zou Felix Timmermans 100 jaar geworden zijn. Hij werd nauwelijks 60. Vermoeid, ontgoocheld stierf hij in 1947.
De ongehoorde barbaarsheid van de naoorlogse repressie had al zijn levenslust gedoofd. Tussen de twee wereldoorlogen was Timmermans Vlaanderens grootste prozaschrijver geweest. Zijn populairste werk was Pallieter, zijn absolute meesterwerk Boerenpsalm. Zijn populariteit werd verering. Timmermans was een levende legende Het schrijvende idool van een heel volk. Het werd hem niet door iedereen gegund. Ook vandaag nog niet. Toch is hij een uitzonderlijk schrijver geweest. Een kind van zijn tijd, dat is waar, maar dat is iedereen.
Ik was te jong om Felix Timmermans persoonlijk gekend te hebben.
Toch is er altijd al een speciale band geweest. En dat is zelfs in zekere mate in mijn eigen werk terug te vinden. Het barokke van vele van mijn verhalen gaat gepaard met bepaalde jeugdherinneringen en meteen ook met mijn eerste kontakten met het werk van Timmermans.

Mijn jeugd speelde zich af in de toen nog zo goed als ongerepte Netevallei tussen Lier en Duffel, waar de wielewaal zijn nest bouwde. Ik zag er zó Pallieter te paard over de dijken draven. Later liep ik school op het Gummaruskollege te Lier, maar ik was meer op de dichtbegroeide vesten te vinden en in het mysterieuze begijnhof, waar ik nog meende Juffrouw Symforosa te herkennen.

2376935-06af369e58d0df4db4635e62aa7bdd6c.jpg           2376935-7770add308fa17188d9aa75db019ad4a.jpg

Vele jaren later kwam ik via mijn vader, die Timmermans wel persoonlijk gekend heeft, in het bezit van twee intacte echte Timmermanskalenders, helemaal door de schrijver zelf ontworpen, getekend en van teksten voorzien Ik heb ze nog altijd.
De ene is die van het jaar 1930, met prachtige ingekleurde landschapjes en naïeve symbolische tekeningetjes in het kalenderrooster De andere is die van 1932: een verhalen kalender met prachtige koppen van "Pier van Boekweitstro", "Mie Vogel-Petrol-Mie" e.a. Ik koester ze als relikwieën.
Nog veel later, het moet omstreeks 1978 zijn geweest bezocht ik met een vriend het ondertussen beroemd geworden Welshe boekenstadje Hay-on-Wye.
Binnenstappend in de eerste de beste boekhandel (van de tientallen) wilde ik even controleren of de reputatie van het stadje als internationale antiquariaatsmarkt wel terecht was.
Ik richtte mij tot het eerste boekenrek, toevallig de letter T. En wat stond daar? Inderdaad, een prachtige eerste druk van Timmermans "De harp van Sint-Franciscus".
Timmermans striked again!
Ik leerde bovendien uit die uitgave van 1932 dat Pallieter uit 1916 op dat moment reeds aan zijn 16de druk toe was in de gewone uitgave en aan zijn tiende in de biezondere uitgave met tekeningen van Anton Pieck!

Start als Tekenaar
Felix Timmermans was de zoon van een kleine Lierse handelaar in kant, destijds nog een trots product van nijvere huisvlijt Toen hij in 1886 geboren werd, bevond Lier zich in een soort winterslaap, die het overigens nog tot de jaren '60 zou volhouden. Alleen de wekelijkse marktdag trok wat volk uit de omliggende gemeenten.
Lier was niets anders dan een uitbreiding van zijn begijnhof een verstilde samenleving, rustend in de oksel van de samenvloeiing der beide Neten.
Het moet zijn dat kleine Felix aan leren een broertje dood had. Na het lagere middelbare onderwijs zag hij het niet meer zitten. Hij wilde toen alleen nog maar schilder worden.
Dus ging hij bij vader in de zaak en volgde 's avonds wat teken- en schilderlessen.
Om zijn leerlingen toch maar te doen inzien dat ze zeker het voorbeeld van de beroemde schrijver niet moesten volgen, doch integendeel goed hun taal moesten leren, vertelde mijn leraar aan het college later minstens een keer per week het verhaal van Timmermans' grammaticale problemen.

Dit verhaal wil dat Felix Timmermans zijn hele leven lang zijn manuscripten, vooraleer ze aan de uitgever te bezorgen, taalkundig op poten moest laten zetten.
Het is duidelijk dat Felix Timmermans zijn eerste expressiemogelijkheid als tekenaar heeft gevonden.
Alhoewel men er meteen bij moet zeggen dat tekenen en schrijven in zijn geval van een zeldzame eenheid getuigen.
De tekenstift was voor hem in de eerste plaats wat het fototoestel voor Stijn Streuvels was: een middel om de realiteit te registreren en te archiveren voor later gebruik.
Maar ze was ook meer dan dat; ze was complementair, m.a.w zijn plastische en zijn literaire werk vormde een onverbrekelijke eenheid.

Een goede vriend van Timmermans, de Fee - zoals hij genoemd werd, was de schilder Fred Bogaerts.
En ook hier kruist zich mijn pad met dat van de grote Lierenaar: ik zat namelijk bij ene onvergetelijke «Juffrouw Bertha» in de kleuterklas en die was de dochter van deze Fred Bogaerts. In mijn herinnering is zij een lieve, aantrekkelijke blonde, jonge vrouw. Soms denk ik dat ik een beetje verliefd op haar was en ik koester zelfs het heimelijke verlangen dat dit wederzijds was.
Met Fred Bogaerts deelde Timmermans een atelier, een der grotere huizen, meen ik mij te herinneren.
Bogaerts moet een begaafd verteller zijn geweest en over de vriendschapsjaren met de Fee daar op het begijnhof heeft hij woeste verhalen de wereld ingestuurd Niet minder of de Fee en hij waren in die tijd de schrik van de Lierse begijntjes

Tussen Leven en Dood
Rond zijn 17de publiceerde Felix Timmermans zijn eerste teksten in een Liers weekblad. Het waren verzen en poëtische prozaschetsen. Nog in 1903 verscheen ook een bijdrage in Vlaamsche arbeid en Dietsche Warande en Belfort. Het duurde evenwel tot 1907 vooraleer er wat in boekvorm zou verschijnen.
De dichtbundel Door de dagen word evenwel onder het pseudoniem Polleke van Mher gepubliceerd, alsof Timmermans aanvoelde dat dit werk zijn naam nog niet waardig was.
Ondertussen was de jonge schrijver in spe in een diepe existentiële crisis terechtgekomen. De zo vrome jongeman begon zelfs aan zijn geloof te twijfelen en stortte zich in een exotisch en romantisch boeddhistisch avontuur.

2376935-897190f1adf1a18defbc47f93a04395a.jpg

In 1910 werd hij bovendien ernstig ziek Na een heelkundige ingreep zweefde hij zelfs maanden tussen leven en dood. De vrees voor de dood bracht hem dichter bij het leven. Een sterke levenswil hield hem overeind.
Dit explosieve levensoptimisme moest naar buiten en zette hem aan het schrijven van een roman die zijn credo zou zijn. In dit verhaal gaf hij gestalte aan de adamische, de paradijselijke mens, die zich verzette tegen elke schending van het natuurlijke om intens te genieten van het leven dat de aarde hem bood.
Het werd de eerste echte vitalistische roman in de Nederlandse literatuur.
Meteen ook een onverwoestbaar meesterwerk, dat naar zijn hoofdpersonage de titel Pallieter kreeg.
Toen het boek, met eigen tekeningen van de auteur versierd, in 1916, in volle oorlogstijd dus, verscheen was Felix Timmermans meteen beroemd. Hij was ook een gelukkig man; niet alleen had hij zijn ziekte overwonnen en het boek van zijn leven geschreven, hij had ook de vrouw van zijn dromen gevonden, in de persoon van Marieke Janssens.

In Tijdloos Lier
Toch streek er ook een schaduw neer over het leven van de succesrijke jonge auteur. Timmermans was van jongs af aan een overtuigd Vlaams-nationalist. In 1918 werd hij van activisme beschuldigd. Om aan vervolging te ontsnappen, week hij uit naar Nederland. Achteraf zou blijken dat deze repressie nauwelijks wat voorstelde in vergelijking met wat de Tweede Wereldoorlog teweeg zou brengen. Reeds in 1920 keerde Timmermans terug naar Lier.
In 1921 werd hem voor de periode 1918-1921 de driejaarlijkse staatsprijs toegekend voor Het Kindeken Jezus in Vlaanderen en De zeer schoone uren van juffrouw Symforosa, begijntjen.
Felix Timmermans was een romanticus in hart en nieren. Dit romantische karakter komt het sterkst tot uiting in Anne-Marie, terwijl er vaak ook een religieus element aan toe werd gevoegd, zoals in het onovertroffen verhaal De harp van Sint-Franciscus.
Minder geweten is waarschijnlijk dat hij zijn grootste commerciële succes haalde met een biografie, nl. het omstreden boek over Pieter Bruegel, zoo heb ik u uit uwe werken geroken(1928). Hoe dan ook, Felix Timmermans, de jongen die nauwelijks onderwijs had genoten, werd de succesrijkste schrijver die Vlaanderen ooit had voortgebracht.
Onmiddellijk reeds na zijn eigenlijke debuut met Pallieter, kon hij het zich permitteren uitsluitend van zijn pen te leven. Dat hij in de eerste plaats een verteller was, bracht ook mee dat hij een gevierd voordrachtgever was.
Tot ver over de grenzen, Duitsland, Oostenrijk, Engeland, Denemarken, Zwitserland, Polen, Hongarije enz. liepen de zalen vol om de joviale, corpulente Lierenaar te horen.

De stad Lier was in al zijn werken het belangrijkste personage. Het was echter een tijdloos Lier dat hij neerzette. Een stad die buiten de grenzen van de tijd de paradijselijke oorsprong van de mens een scène moest bezorgen.
Timmermans maakte daarbij exuberant gebruik van zijn kleurrijke schilderspalet en bevolkte zijn wereld met ongecompliceerde personages, die hij regelrecht zonder remmen uit de fantastische verbeelding van zijn jonge jaren scheen op te delven.
Tom Bouws schreef daar over in zijn boekje Vlaanderen, o welig huis (Heideland 1962): «Mannen als Veremans en Van Reeth behouden iets kinderlijks, maar het maakt hen niet kinderachtig.
Timmermans zou die argeloosheid niet hebben kunnen schrijven.»

Afscheid van het Leven
Tussen de twee wereldoorlogen werkte Felix Timmermans als bezeten. Hij publiceerde bijna 20 romans en bovendien een aantal verhalenbundels en toneelwerken.
Onder de bekendste De pastoor uit den bloeyenden wijngaerdt (1924), een verhaal dat ontstond uit een soort weddenschap met Van Reeth en Veremans tijdens een wandeling op Goede Vrijdag, toen Timmermans geconfronteerd met een biezonder lichtfenomeen in de ochtendlucht, meende een soort openbaring te beleven.

2376935-0c511f53ab79b55fc7197392a209c6e3.jpg

In 1935 verscheen Boerenpalm, een klinkend antwoord aan het adres van zijn critici die hem oppervlakkigheid en naïviteit verweten Een tweede meesterwerk, dat de autenticiteit van het talent van Felix Timmermans meer dan overtuigend bevestigde. De man die deze twee boeken schreef, wordt door Hubert Lampo gekarakteriseerd als «de grootste Vlaamse schrijver dezer eeuw».
Wellicht heeft Timmermans in die jaren te veel van zijn gestel gevergd. In 1940 kreeg hij af te rekenen met een hartkwaal die in de loop van de oorlog steeds erger zou worden.
Tijdens de bezetting haastten de Duitsers zich te profiteren van de enorme populariteit van Timmermans, zowel in Vlaanderen als in Duitsland zelf.

In 1942 bedachten ze hem met de Rembrandt-prijs van de universiteit van Hamburg. En weer was Timmermans argeloos. Op 6 augustus 1944 werd Felix Timmerman; getroffen door een kransslagadertrombose. De dokters waren formeel ; hij moest elke inspanning en elke emotie vermijden.
Maar bij de bevrijding in september 1944 kreeg hij het etiket collaborateur naar het hoofd geslingerd.
Alleen zijn ziekte kon voorkomen dat hij gearresteerd werd. Geconfronteerd met deze verdachtmakingen, verloor hij definitief zijn kinderlijke argeloosheid. «Ik ben er zeker van dat hij alle lust om te leven verloor, toen de keiharde werkelijkheid hem van dat kostbare goed beroofde.» schrijft Bouws.

Met de moed der wanhoop voltooide Timmermans op zijn sterfbed zijn oeuvre.
Hij eindigde zijn Adriaan Brouwer (1948) met de hulp van zijn familie, het geromanceerde levensverhaal van de schilder, zoals die dat zelf op zijn sterfbed overschouwt. Een terugblik van Timmermans zelf op zijn eigen leven, in diezelfde omstandigheden, want hij wist dat hij zou sterven.
Des te ontroerender is zijn afscheid met de verzenbundel Adagio, waarin hij zich oog in oog met de vergankelijkheid van het leven toevertrouwt aan Gods wil.

***************

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door Mon om 17:10 Reageer op dit bericht

Timmermans op de planken - Daniël De Vos

TIMMERMANS OP DE PLANKEN
En waar de Ster bleef stille staan in de Antwerpse K.N.S.

Daniël De Vos uit Zilveren Verpozingen van 1/12/2008.

Met een opvoering van De Ster was het succes, vooral in de Kerstdagen, in alle Vlaamse schouwburgen verzekerd In 1935 kwam het stuk voor het eerst in de Antwerpse K.N.S., in 1940 in de Gentse Schouwburg, in 1949 opnieuw in Antwerpen, met decors van Fred Bogaerts en als regisseur Maurits Balfoort.
De Brusselse K.V.S. speelde het in 1950,1952 en 1957, met Huib Van Hellem als regisseur en als hoofdacteurs Nand Buvl, Cyriel Van Gent en René Peeters. In 1966 bracht het Reizend Volkstheater het in een regie van Line Geysen, nogmaals in de Antwerpse K.KS. (José De Ceulaer in Timmermans ten tonele jaarboek 1982 van het Felix Timmermans-Genootschap).
Het gehele archief van wijlen de Antwerpse Koninklijke Nederlandse Schouwburg bleek gehuisvest te zijn in het Felixarchief, het nieuwe onderkomen van het Antwerpse Stadsarchief in dc Oude Leeuwenrui. Een ultra-modem uitgerust en ruim gebouw waar de toneelliefhebber urenlang kan snuffelen in oude mappen met bergen programmaboekjes, krantenknipsels en fotomateriaal. Helaas heb ik niets kunnen vinden over de eerste opvoeringenreeks in de K.N.S. uit 1935, maar wel dat er ook nog in het seizoen 1949-1950 en 1953-1954 een aantal voorstellingen plaatsvonden.

De Koninklijke Nederlandse Schouwburg in Antwerpen was een begrip: een huis met een traditie van bijna 150 jaar! De grootste en meest getalenteerde acteurs en actrices uit Vlaanderen stonden op de planken van de prachtige Bourlaschouwburg. Tot in de jaren vijftig van de vorige eeuw bracht het repertoiregezelschap vrijwel wekelijks een nieuwe première. Na 147 jaar besloten de grote cultuurbonzen de gerespecteerde instelling maar op te doeken en te vervangen door het nieuwe gezelschap Het Toneelhuis. De nieuwe koers onder directeur Luc Perceval zette veel kwaad bloed. Sinds 2007 heeft Guy Cassiers de leiding.
Zijn regies zijn vaak interessant omwille van hun sterk audiovisuele karakter. Voor wie interesse heeft in de fascinerende geschiedenis van het oudste Vlaamse theaterhuis, beveel ik graag het rijk geïllustreerde boek Tussen De Dronkaerd en Het Kouwe Kind: 150 jaar Nationaal Tooneel / KNS / Het Toneelhuis aan, uitgegeven in 2003.
Vanzelfsprekend kwam het toneelwerk van Timmermans ook in Antwerpen op de affiche!

In het programmaboekje van de heropvoering van En waar de ster bleef stille staan (seizoen 1949-1950), schreef auteur en toenmalig directeur van de Stadsbibliotheek Lode Baekelmans: Over het toneelwerk van Timmermans wordt nauwelijks gerept. Het is begrijpelijk vermits dit gedeelte van zijn werk steeds in samenwerking met anderen tot stand kwam, met Eduard Veterman of Karl Jacobs.
De boeken van Timmermans boden de stof, maar voor toneelbewerking was de hulp van een knap toneelman een vereiste. Timmermans moest voor het sappig dialoog instaan en de schilderachtige tonelen bezielen, waar een Veterman zorg droeg het geheel te binden tot een aantrekkelijk en levendig spel../.

2377093-f32b65af5cf4aa0e7f0f4eb8aad0c9f1.jpg        2377093-98283963270dae0670408d0439f4c418.jpg

In 1935 ging met veel succes En waar de ster bleef stille staan, een Kerstmislegende in drie bedrijven in première, weer in samenwerking met Veterman, bewerkt naar een Driekoningenvertelling.

De regie was van Jan Cammans. Het werd één van de meest vertoonde, oorspronkelijke werken in ons land: van 1941 tot 1946 in Vlaanderen 278 maal opgevoerd, waarvan 65 vertoningen doorgingen in 1946. Daarenboven werd de Franse vertaling 9 maal gespeeld. ./. Het toneelwerk van Timmermans behoort tot de meest geliefde van eigen bodem. Was hij niet de begaafde toneelman, de rasechte toneelschrijver, hij bracht atmosfeer, treffend dialoog en kleurige taferelen. Hij koos een medewerker waar zijn eigen aanleg te kort schoot../. Het werk van Timmermans bood immer een grote bekoring. Zo heeft hij schitterend het Vlaams toneel bij de menigte populair helpen maken.

De regie was van Jan Cammans. Het werd één van de meest vertoonde, oorspronkelijke werken in ons land: van 1941 tot 1946 in Vlaanderen 278 maal opgevoerd, waarvan 65 vertoningen doorgingen in 1946. Daarenboven werd de Franse vertaling 9 maal gespeeld. ./. Het toneelwerk van Timmermans behoort tot de meest geliefde van eigen bodem. Was hij niet de begaafde toneelman, de rasechte toneelschrijver, hij bracht atmosfeer, treffend dialoog en kleurige taferelen. Hij koos een medewerker waar zijn eigen aanleg te kort schoot../. Het werk van Timmermans bood immer een grote bekoring. Zo heeft hij schitterend het Vlaams toneel bij de menigte populair helpen maken.
En hoe werd De Ster in de pers beoordeeld?

De productie in het seizoen 1949-1950 tijdens de directie van Firmin Mortier, werd geregisseerd door Maurits Balfoort de legendarische maker van de BRT-reeksen Wij heren van Zichem en De vorstinnen van Brugge met decors van Fred Bogaerts. In de rolverdeling: René Bertal (Pietje Vogel, palingvisser), Jos Gevers (Suskewiet, herder) en Robert Marcel (Schrobberbecck, bedelaar). Verder Tine Balder, Maurits Goossens, Denise De Weerdt, Nora Oosterwijk en de piepjonge Bernard Verheyden als het kindeke Jezus. Over deze productie berichtte Bert Van Kerckhoven op maandag 26 december 1949 op de radio na de nieuwsberichten van 19 u: 
In de week van Kerstmis, vinden de bezoekers in de hal, de verlichte denneboom en brengen de spelers op het toneel een stuk dat aan de gelegenheid is aangepast. De menigvuldige opvoeringen hebben aan de drie hoofdfiguren de bekendheid gegeven van de personages uit de Paradijsvogels. Deze figuren zijn ten andere het best getekend en geven aan de vertolkers nog steeds dankbare speelgelegenheid. Door het opzet zelf - de bekering van het ongelovige Pietje Vogel - verloopt het stuk louter toneelmatig beschouwd, eerder in een anticlimax. Naar het einde toe is er geleidelijk meer atmosfeer dan actie, meer allegorie dan werkelijk gebeuren. Hier wordt dan ook van regie en spelers de grootste inspanning gevergd. Het boeiendst is zeker het 1ste bedrijf met zijn herbergscène en de eerste tocht van de "3 koningen " Gespeeld door het trio Bertal, Gevers en Marcel, krijgt het publiek hier pareltjes van toneelspeelkunst en volkshumor.
Balfoort bracht dit stemmig spel in goede voorwaarden op het toneel. Er was een verzorgde belichting en er waren mooie kerstliederen, gezongen op band door het mannen- en knapenkoor van OLV ter Sneeuw van Borgerhout. Het was schoon en ontroerend. Er was zaterdag uitbundig succes!

In Het Volk van 10/01/50 schrijft ene MVH: Timmermans 'gemoedelijke spel zal lang nog, zeer lang op het repertorium van vooraanstaande toneelgezelschappen prijken, om de bekoring welk uit de eenvoud en de ongekunsteldheid ervan straalt!

In De Volksgazet (z.d.) noteert H.L.: In de vertolking van de schamele 3 koningen uit onze Vlaamse folklore, hadden Robert Marcel, Jos Gevers en René Bertal wat men noemt een kolfje naar hun hand gevonden. Zij bereikten een bewonderenswaardige eenheid en men kan moeilijk zeggen naar wie de voorkeur gaat, want alle drie waren ze schilderachtig grappig, ontroerend en authentiek, in zoverre althans een soortgelijk spel ons van authenticiteit kan laten gewagen.

2377093-13a5df507738b10895183377af05fbf5.jpg

Winters schrijft in zijn recensie in Gazet van Antwerpen (z.d.1949): Wij weten dat het een levend prentenboek is, meer een héél mooi en dat het ondanks de lofwaardige bewerking van Veterman geen echt toneel is en wij weten ook heel goed dat er mensen zijn die de geschiedenis kinderachtig vinden.

Maurits Balfoort had de kerstmislegende van Timmermans en Veterman vol stemming geregisseerd; we hebben slechts een klein bezwaar tegen het toneel in de woning van Pietje Vogel en zouden die liever wat Vlaamser gezien hebben, wat gemoedelijker. Tine Balder, die overigens zeer verdienstelijk speelde, hadden wij liever wat minder demonisch gezien, zelfs voor een vrouwelijke duivel...

In Het Handelsblad (z.d.1949) meldt ene J.D.S.: het stuk vertoont zwakke gedeelten voor wat de bouw betreft. Het is een te zoeterig iets en de tekst is wat al te zeer voor simpele lieden uitgesponnen van het amateurstoneel. Buitendien kan die eenvoudige symboliek geen vrome kerststemming opwekken. Meer zelfs, die symboliek wordt niet altijd door het theaterpubliek gevat, doordat de goedkope humor en die tussendoor triviale uitdrukkingen des te gretiger door de aanwezigen opgevangen worden. De roluitbeelding was rijk gekleurd en tamelijk goed de Lierse typen benaderend.
Het succes was uitbundig. 
Niet iedereen is blijkbaar enthousiast over De Ster.

We lezen in Het Nieuwsblad (andermaal zonder datum! 1949): De vertolking van René Bertal als Pietje Vogel is een totale mislukking. De heer Bertal speelde zijn Pietje Vogel in zuivere revuestijl en dan liefst zowel zijn dramatische taferelen als alle andere, waarbij wij dan tot onze spijt een volledig tekort aan artistieke verantwoordelijkheid moeten constateren. De heer Robert Marcel als Schrobberbeeck heeft ons echter door zijn meesterlijke prestatie schadeloos gesteld. Hij heeft ons op ontroerende wijze een diep doorleefd en zielig bedelaarke ten tonele gevoerd zoals wij zelden mochten ervaren. De heer Jos Gevers als Suskewiet weet niet volledig het kinderlijk mystieke in zijn rol te ontdekken, maar mag toch op een zeer verdienstelijke prestatie terugkijken.

De ongezouten mening van Het Pallieterke mag hier niet ontbreken: Meer dan een toneelstuk is De Ster een evocatie van dat specifiek Timmermanse Vlaanderen met zijn zinnelijk mysticisme waar al zoveel over gepraat werd. Die Vlamingen, die kunnen bidden en vloeken in één adem, die de Hemel en z’n heiligen kunnen neerhalen tot hun eigen klein gedoe, en even vertrouwelijk omgaan met de sinten als met de garde-champetter Vlaanderen is ongetwijfeld ook méér en ook anders dan dat. Maar 't is beslist ook dat. En zo gezien is de Ster een welgekomen kerstspel. Welgekomen omdat het iets van eigen mensen en eigen grond is.
Welgekomen omdat het wijding brengt zonder zeurende predicatie en omdat het, weze het dan ook in schuifkens, simpel vertelt van simpele mensen met simpel sterk geloof Robert Marcel als Schrobberbeeck leek mij wel de beste. René Bertal heeft Pietje Vogel niet helemaal onder de knie gekregen. Het lolliger werk knapte hij wel netjes op, maar toch met trucjes waar te veel van Bertal en te weinig van Pietje Vogel in stak. (aan Jos Gevers werden weinig woorden verspeeld: men nam het hem heel kwalijk dat hij reeds "schampavie" was bij het begin van het derde bedrijf en na de opvoering niet kwam groeten).

Al de andere rollen zijn episodisch en van zeer ondergeschikt belang. De voornaamste onder hen, en zeker in de regie-opvatting van Maurits Balfoort, is de duivel in zijn dubbele gedaante. Mevrouw Tine Balder en Piet Bergers stonden hier voor in. Eerstgenoemde kon, als de roodharige verleidster, de expressionistische kapriolen van haar eega' s Studio (*) demonstreren en deed dat met de lenigheid van een turnmonitor en de charme van een Esquire pin-up, terwijl Bergers van zijn kant eens dapper kon uitbrullen.
De dames Cary Fonteyn, Denise De Weerdt en Nora Oosterwijk waren Lieve-vrouwkes die eerder tot een vrij profane devotie opwekten en mevrouw Lombaerts een Maria die om haar geluid- en bewegingsloosheid dient geprezen! Mevrouw Germaine Loosveldt was een potige Polien Pap en Free Waeles een Sint Jozef bij wie Maria -because z'n zaagtoon- het zeker niet plezierig had. Verder gezellig decorwerk vanwege Maurits Goossens, Lode Van Beek, Piet Van den Bosch, René Serval en een onbekende artist van de open-en-toe.

(*) De echtgenoot van Tine Balder was de geprezen Fred Engelen, acteur, regisseur en vooral befaamd lesgever aan de Studio Herman Teirlinck, instituut voor opleiding in de Dramatische Kunsten in Antwerpen en tegenhanger van de toneelopleiding van het Antwerpse Conservatorium.

In het seizoen 1953-54 werd liet stuk nogmaals hernomen. Directeur Firmin Mortier schrijft: Een herneming omdat Felix Timmermans in De Ster tot het leven heeft gewekt, al de tegelijk innige en simpele vroomheid, al de poëzie en ook al de naïeve levenslust van eenvoudige mensen. Over dit spel van drie rabauwen hangt, hoe fel het ook in de kleur is gezet, de ontroerende wijding van deernis met de mens en van het geloof in zijn hoge bestemming.
In de bezetting vinden we opnieuw het trio Bertal, Gevers en Marcel en daarnaast o.a. Jeanne Geldof / Piet Bergers (duivel), Luc Philips (koster), Ketty Van de Poel (OLV van de Stilte) en Suzanne Juchtmans (Maria).

2377093-278d37a9a68e16cace31cc77f3b2ac96.jpg         2377093-23f3ddbd3e23edffb8fb2c0e4e883fd0.jpg

Nog enkele reacties in de pers:
Het stuk zelf doet het niet meer zo best, èn omdat het, scenisch gezien, vrij onhandig in elkaar gedraaid is, èn omdat de gemiddeld ontwikkelde toeschouwer niet meer zo heel vlot in deze landelijke schijnvroomheid pleegt te trappen. Waarbij komt dat Timmermans' tekst uitermate schraal is en dus werkelijk in de mate van het mogelijke, door de regisseur en de acteurs moet gered worden. Bij de première afgelopen zaterdag bleef de zaal slechts schaars bezet, wat een weinig feestelijke aanblik bood. Regisseur M. Balfoort heeft gered wat er te redden was, en dankzij de smakelijke vertolkingen van een sterk verinnerlijkte Jos Gevers, een grappig-vlotte René Bertal en een prachtige Robert Marcel, werd de nagedachtenis van de auteur van Boerenpsalm geen al te grote schade berokkend.
Nochtans hebben we op onze stoel over en weer zitten schuiven uit gegeneerdheid voor de acteurs die zulke kinderachtigheden moesten debiteren, doch het deden met een ijver een beter doel waardig. Hoe de andere acteurs ook hun beste beentje voorzetten in kleine, rudimentaire rollen, zij slaagden er niet in de dramatische solden-atmosfeer uit Vlaanderens eerste schouwburg te weren. (H.L. in De Volksgazet)

Eugeen Winters in Gazet van Antwerpen (21/12/53) is een stuk milder: Voor een ongezellig slecht bezette zaal werd zaterdag door de KNS het bekende En waar de ster bleef stille staan, hernomen. Nochtans is dit werk met al zijn gebreken als toneelstuk, in zijn ontwapenende naïviteit en zijn van kerstwijding doortrokken atmosfeer, kleurig en sappig genoeg om volle zalen te wettigen.

De gerespecteerde toneelcriticus Maxim Kröjer schreef in Het Handelsblad van 21/12/53: Het gebeuren van dit stuk, hoe naïef ook, blijft ons steeds interesseren. Het noopt ons toe te kijken en te luisteren en het fascineert ons omdat het in iedere Vlaamse mens een snaar beroert die lang blijft natrillen Dat is nu eenmaal het geheim van onze enige Timmermans../. Naar onze mening heeft regisseur Maurits Balfoort het geheel te realistisch gehouden en er ontbraken de wijding en de onmisbare ontroering die ons het fantastisch gebeuren moet doen aanvaarden.

In de recensie in De Nieuwe Gids (geen auteur) van 21/12/53 lezen we: Het hangt ervan af vanuit welk standpunt men dit werk gaat bekijken. Groots toneel: neen! Schuifjes die aangrijpen en u de innigheid van het Kerstgebeuren, met de nadruk op het wonderlijke eensdeels en de deernis over de lijdende mens anderdeels doen aanvoelen, dan geeft men zich gewonnen Timmermans had die fijne toets een sfeer te treffen, zo diep menselijk zo volks en kleurig, dat men hoe ook gestemd, zich uiteindelijk moet gewonnen geven, getroffen door het fluïdum van zijn visie, zijn sfeer, zijn types. Dat zijn m.i. de elementen die "De Ster" jong en fris houden. Timmermans heeft dit werk ook niet geschreven om groot toneel te maken, waarover de kritiek dan ellenlange artikels en beschouwingen zou kunnen brouwen. Maurits Balfoort heeft dit volkse Kerstspel gehouden in een kleur en een rhythme die het paste. Elk schuifje wordt een beeldeke voor een kerstkaart.
Het kleurige tafereel bij Pollen Pap, het wonder der H. Familie, de tafereeltjes bij de hut van Suskewiet, waren even zoveel pareltjes van interpretatie en scenische ontroering.
Er was zelfs een grote ontroering bij het publiek bij de dood van Suskewiet.

Tot slot de visie van ene Locant in De Standaard van 21 /12/53: De voorstelling werd zo een beetje van uit de verte ineen getimmerd. Dat is niet zozeer de schuld van de regisseur Balfoort, als wel van de individuele prestaties van sommige leden van het gezelschap, die niet voldoende gevoel voor de vroomheid en de poëtische inslag van dit succesrijke kerststuk aan de dag hebben gelegd. Wij moeten herhalen dat René Bertal als Pietje Vogel geen ogenblik de wijding van het stuk ondergaat en aan zijn personage een gestalte verleent, die bezwaarlijk is te aanvaarden. Bertal, evenals Jos Gevers als Suskewiet trouwens, speelt die rol met een nuchterheid en een realisme die deze kerstlegende niet verdraagt en die ons geen ogenblik kan doen geloven aan de folkloristische kerstlegende. Suskewiet wordt naar ons gevoelen al te verstandig en te toneelmatig onder de schijnwerper gebracht. Gevers slaagt er niet in de ontroerende eenvoud van deze schoon-kinderlijke figuur te belichten. We willen echter aan Robert Marcel als Schrobberbeeck geen lof onthouden.

Hier hadden we werkelijk met de bedelaar van Felix Timmermans te doen!

2377093-695e528238cdb895808e6e9b7df9df48.jpg

**********

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door Mon om 00:00 Reageer op dit bericht

Gaston Durnez Exclusief - Etienne Van Neygen

GASTON DURNEZ EXCLUSIEF OVER ZIJN GROTE TIMMERMANS-BIOGRAFIE

Door Etienne Van Neygen uit  Tertio – 25/10/2000

"Ook ik zag de zon zinken als een goudvis"

Nee, Timmermans was geen simpel manneke dat folkloristische verhalen in het Liers schreef. Hij was een filosofisch geïnteresseerd en belezen man. Diepgelovig ook, met een verrassend modern godsbeeld. En achter zijn werk steekt veel meer dan algemeen werd en wordt gedacht. Een held was hij niet tijdens de oorlog, maar ook geen vriend van de nazi's. Trouwens, zijn succes in Duitsland dateert van lang vóór die nazi's er aan de macht kwamen.
Dat blijkt uit de lijvige biografie Felix Timmermans door Tertio-columnist Gaston Durnez, die eerstdaags verschijnt bij uitgeverij Lannoo.
"God ontdekken is zo gemakkelijk als een ei rechtzetten. Columbus vaarde rechtdoor, altijd rechtdoor en hij kwam  in Amerika uit, gij moet naar binnen varen, altijd naar binnen varen, recht door, en alles laten liggen, bijzijds, en ge zult er God vinden." De laatste regels die Timmermans schreef, kort voor zijn dood, uit de beginhoofdstukken van een roman over Jan Van Eyck.


Gaston Durnez maakt er geen geheim van, hij heeft de jongste jaren intens met zijn' auteur meegeleefd: "Tijdens het werken aan de biografie is mijn bewondering, ja mijn eerbied voor de artiest en de mens Timmermans toegenomen en verdiept. Er zit veel meer achter zijn werk dan veelal wordt gedacht. Doordat ik een aantal dingen moest analyseren en beschrijven, ben ik mij daar meer dan ooit bewust van geworden. Vooral wie hem niet heeft gelezen, ziet hem als een heimatschrijver, een folkloristisch verteller.
Dat was hij ook, maar hij was veel meer dan dat. 'Heimatschrijver' is wel geen scheldwoord, maar je kunt toch niet zeggen dat een boek als De harp van Sint-Franciscus een heimatroman is."

De Timmermans-biograaf  wilde in Lier worden geïnterviewd. "Want daar speelt het grootste deel van mijn verhaal zich af," zei hij me aan de telefoon. Daar werd Timmermans geboren in 1886, bracht hij bijna zijn hele leven door, daar alleen kon hij schrijven en daar overleed hij in 1947. En... daar woonde ook zijn biograaf twaalf jaar. We ontmoetten elkaar in een herberg aan de Grote Markt, in het zaaltje waar het Timmermansgenootschap, mede gesticht door Durnez, vergadert.

2376646-695e528238cdb895808e6e9b7df9df48.jpg     2376646-68c3d906ea0ccd1842d06a08deccd841.jpg

De liefde van Gaston Durnez (° 1928) voor 'de Fee' dateert van in zijn vroege jeugd in het Brabantse Asse. "Mijn oudtante en pleegmoeder kon prachtig zingen, voordragen en vertellen.
Zij bracht mij de liefde bij voor onze Vlaamse dichters en vertellers, onze 'Vlaamse koppen'. Onder haar invloed ging ik al vroeg lezen en het liefst boeken voor volwassenen. Maar Pallieter heb ik 'van horen vertellen' ontdekt,'' lacht Durnez. "Ik hoorde mijn pleegmoeder er giechelend indrukken over uitwisselen met een buurvrouw. Waarschijnlijk is Pallieter het eerste boek dat ik van Timmermans las. Dat moet rond mijn veertiende zijn geweest. Ik begreep niet alles, maar ik voelde toen toch dat ik iets geweldigs in handen had.
Toen ik vijftien was - nog tijdens de oorlog dus - heb ik Boerenpsalm gelezen. Acht frank kostte het boekje. Daar heb ik voor moeten sparen. Ik was bij de lectuur wel wat geschokt door bepaalde beelden die ik niet gewoon was. Maar het was een prachtig boek. Wel niet zijn beste, hoor. Hét boek van Timmermans blijft voor mij Pallieter Ik heb daar altijd ruzie over met mijn vrienden van het Timmermansgenootschap.
Ik vind Pallieter origineler dan Boerenpsalm, dat meer paste in de boerenmystiek van de jaren dertig en dat ook schatplichtig is aan Walschap. Maar ik wijs het natuurlijk niet af. Pallieter is ook een grotere taalschepping.
Mijn andere lievelingstitels zijn Juffrouw Symforosa en Ik zag Cecilia komen."

Bent u sindsdien Timmermans blijven lezen en herlezen?
"Nee. Vanaf mijn twintigste, toen ik in de journalistiek stapte, verdween hij jaren uit mijn blikveld. Niet dat ik hem niet meer goed vond, maar ik ging op in de naoorlogse wereld, ontdekte een andere literatuur en een andere manier van schrijven. En ja, op zeker moment ga je hem weer smaken.
Zijn zoon Gommaar zei me eens: 'Je moet een zekere leeftijd hebben om ons vader te appreciëren.' Dat klopt."

Heeft Timmermans u als journalist beïnvloed?
"Ja zeker. Als je de moed hebt om mijn cursiefjesbundels door te nemen, merk je dat duidelijk. Hij heeft mij leren kijken naar sprekende details. Ik heb veel geleerd van Minnekepoes - zijn vakantiedagboek ontstaan in 1939 en uitgegeven tijdens de oorlog, — een buitengewoon geestig boekje. Er staan schitterende typeringen en prachtige staaltjes van taalhumor in."
Timmermans heeft uw blik gericht... "Ja, dat is het kenmerk van een groot schrijven hij dwingt je de wereld te bekijken zoals hij hem heeft gezien. Het mooiste voorbeeld is de zin die Frans Verleyen als titel aan zijn Timmermans-boekje meegaf: 'De zon was gezonken als een goudvis'. Tien jaar geleden was ik met mijn vrouw in Assisi. Wij stonden rond vijf uur op de plek dichtbij de grot waar Franciscus sliep, en inderdaad de zon zonk en daar lag een goudvis. Ik zeg: verdraaid, Timmermans stond hier en heeft dat gezien."

U heeft uw boek de eenvoudigst mogelijke titel gegeven: Felix Timmermans. Een biografie.
"Ik dacht eerst aan de titel: Het Belofteland, herberg. Het beeld van het beloofde land keert in Timmermans' werk vaak terug: het verwijst op de eerste plaats naar Lier, maar het komt ook in zijn dichtbundel Adagio voor in een religieuze betekenis. En onmiddellijk na dat mooie beeld volgt dan de volkse sfeer van de herberg.
Helemaal in de geest van Timmermans, dacht ik: hij neemt eerst een hoge vlucht en daalt dan bruusk af.
Maar Lieven Sercu van uitgeverij Lannoo zei: Je hebt dat beeld niet nodig. De naam Timmermans op zichzelf roept al genoeg beelden en kleuren op.' Ik heb hem gelijk gegeven. En we waren het er ook over eens dat het een biografie moest worden, op zijn Engels. En niet de biografie, zoals in Frankrijk.
We laten nog ruimte voor andere biografen." Wat voor biografie wou u schrijven?

"Ik wou Timmermans zo goed mogelijk portretteren, zoals ik hem zie. Ik geef dus eerst en vooral de feiten. Maar zelfs als alle feiten kloppen, heb je nog geen goede biografie: je moet de geest van je figuur proberen te vatten. En dat is een kwestie van stijl en compositie. Of ik daarin ben geslaagd, moet de lezer uitmaken.
Ik wou ook ingaan tegen het vooroordeel dat Timmermans een oubollig schrijver uit een voorbije wereld is. Natuurlijk is zijn tijd voorbij. Maar dat geldt ook voor Streuvels en voor Dostojevski. En natuurlijk moet je als lezer bereid zijn om zijn wereld binnen te treden. Dat geldt voor elke grote schrijver.
Neem nu zo'n werk als De pastoor uit de bloeiende wijngaard, op het eerste gezicht een melodrama over een meisje dat een ongelovige jongen liefheeft. Ze mag van haar vader niet met hem trouwen. Met de hulp van de pastoor proberen ze die jongen te bekeren, maar dat lukt niet. En het meisje sterft van verdriet.
Wie sterft er vandaag nog van liefdesverdriet, zeggen wij dan... Maar goed, dat vinden wij dus iets van vroeger. En dus kunnen wij het boek lezen zoals Timmermans het bedoelde: als een bekeringsroman. Niet in de eerste plaats de bekering van die jongen, maar wel die van de pastoor die zo geniet van zijn wijnkelder. Hij beseft dat zijn leven zonder offer is geweest. Dat was voor de jaren twintig een zeer vooruitstrevende gedachte in de katholieke wereld van toen."

Wat maakt Timmermans voor u zo bijzonder?
"Zijn buitentijdse poëzie. Je hebt er een antenne voor of niet. En een behoorlijk aantal mensen blijkt die toch te hebben als je kijkt naar het succes van de Davidsfondsuitgave van het bijna volledig oeuvre. Een aantal mensen heeft die antenne niet, maar ze kunnen ze misschien krijgen. Denk maar aan Frans Verleyen. Die heeft overigens ook heel revelerend geschreven over Timmermans' taal door ze te vergelijken met die van Claus.
Het gaat in beide gevallen om een geslaagde kunsttaal. Wie het best, het diepst over hem heeft geschreven is Albert Westerlinck in zijn boekje De innerlijke Timmermans?

Timmermans is nog steeds onze meest vertaalde schrijver. Vooral in de Duitstalige landen had hij succes.
"Zijn eerste successen heeft hij in Nederland geboekt. Timmermans is in Nederland gemaakt... en ja, ook gekraakt. Maar inderdaad, hij heeft in Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland veel succes gehad. Dat succes dateert wel van lang voor het nazisme en het is vooral opgebouwd door mensen die niet in de nazi-beweging zijn terechtgekomen.
Timmermans was vreemd aan de nazi-ideologie. De hitlerianen hebben wel een aantal kunstenaars geduld en gepoogd te misbruiken. In Duitsland onder andere Ernst Wiechert, die Timmermans kende en hoogschatte.
Ik ga in mijn boek uitvoerig op hem in om de sfeer in zo'n totalitair land weer te geven. Die man, een protestant, distantieerde zich van de bloedtheorie maar bepleitte wel een bodemliteratuur, een literatuur die met de grond is verbonden. De nazi's hebben geprobeerd om hem te gebruiken, maar hij distantieerde zich in die mate dat hij in 1938 een paar maand in Buchenwald werd opgesloten.
Na zijn vrijlating werd hij door Goebbels ontboden en met de dood bedreigd. Toch heeft Wiechert nog een boek geschreven - dat uitgegeven werd! - dat helemaal tegen de nazi-ideologie inging: Das einfache leben.
En Timmermans kreeg dat van hem cadeau. Hoe was die uitgave mogelijk? Omdat er in nazi-Duitsland onenigheid was tussen het Propagandaministerie en de fanatiekste nazi's rond Rosenberg.
Het Propagandaministerie zag de mogelijkheid mensen als Wiechert nog te gebruiken, ook als waarschuwing voor andere schrijvers."

Hoe zou u Timmermans' houding tijdens de oorlog samenvatten?
"Timmermans was — zoals de meeste mensen - geen verzetsman, maar hij was wel fundamenteel democratisch en pacifistisch ingesteld. Als oud-activist was hij een Vlaams-nationalist gebleven, maar hij ijverde al lang vóór de Tweede Wereldoorlog voor samenwerking van alle Vlaamsgezinden. In de jaren '30 was hij vaak het mikpunt van radicalen. Die vonden hem te katholiek en te gematigd. Hij is nooit lid van het VNV geweest, heeft bij het begin van de oorlog zelfs niet de oproep van de Eenheidsbeweging getekend.
Hij was wel bereid tot een zekere vorm van culturele collaboratie. Maar daardoor heeft hij ook heel wat joden en andere gezochte personen kunnen helpen om aan de bezetter te ontkomen.
In 1942 durfde hij de Duitse Rembrandtprijs niet te weigeren. Hij heeft daartoe niet de gelegenheid, en misschien ook niet de moed en de kracht gehad. Vergeet niet: hij was toen al zwaar ziek. Heeft hij ook gedacht aan wat zijn vriend Ernst Wiechert was overkomen? Ik heb me dat afgevraagd.
Waarschijnlijk heeft hij die prijs ook beschouwd als een compensatie voor het vele geld dat hij nog in Duitsland had staan."

2376646-7770add308fa17188d9aa75db019ad4a.jpg

Over Timmermans' geloof schrijft u dat het zich in de loop van zijn leven heeft verdiept.
Maar toen ik Pallieter herlas, vond ik het bij momenten heidens of pantheïstisch.
"Er zit in Pallieter inderdaad iets heidens, hoezeer Timmermans dat ook heeft geloochend. Maar hij was tijdens het schrijven aan dat boek nog aan het groeien als artiest. Er bestaan van Pallieter zes versies, samen vijf kilo. Professor August Keersmaekers heeft ze vergeleken. De eerste versie is een antiburgerlijk boek dat met alles en nog wat spot en dat soms een vulgaire woordenschat hanteert. Dat was natuurlijk een verheerlijking van het leven na zijn grote religieuze crisis, maar ook een reactie tegen de wereld van zijn ouders.
Maar Timmermans heeft dat afgezwakt. Keersmaekers wijst op de grote rol van zijn vrouw Marieke daarin.
En vlak daarna schrijft hij Het kindeke Jezus in Vlaanderen en Juffrouw Symforosa"

In Het Kindeke en ook in Boerenpsalm vind je een mengeling van geloof en bijgeloof.
Je vraagt je soms af of Timmermans bijgelovig was.
"Bijgeloof hoort bij de wereld die hij oproept, het Lier van vóór de Eerste Wereldoorlog, een voorbije wereld dus die nog doorwerkte. Ik heb ook nog dergelijke verhalen horen vertellen. Ik denk dus niet dat Timmermans bijgelovig was. Zijn dochter Lia beaamt dat overigens. Maar hij had wel een zekere mate van volksgeloof: hij kon opgaan in processies en bedevaarten. En hij had een kinderlijk geloof in Onze-Lieve-Vrouw. Ik heb in mijn boek een ongepubliceerde litanie opgenomen, een mooie tekst, waarin hij zegt: 'ik heb altijd geprobeerd u te pas te brengen in mijn werk'."

Toch noemt u Timmermans' geloof opvallend modern voor zijn tijd.
"Ik spreek in mijn boek van een 'medemenselijk geloof'. Neem nu wat hij in Cecilia schrijft: 'Ge kunt God beluisteren in elkanders ogen.' Verrassend modern is wat het hoofdpersonage van hetzelfde boek zegt: 'God aan het kruis verstaat mij wel. Hij beziet mij met een oog vol goede wil, maar hulpeloos.' Dat is een wreed modern gevoel in een tekst uit 1936: de machteloze god. Dat heb ik bij moderne theologen gelezen en halfbegrepen...
Mijn vriend, de theoloog Herman Mertens verwijst naar Ricoeurs begrip 'deuxième naivité'. Maar ik hou eigenlijk niet zo van dat woord naivité met betrekking tot Timmermans' geloof. Iemand die de grote mystici las, noem ik niet graag naïef.
Er is ook die bekende tekening van het boertje dat doedelzak speelt, en daaronder het zinnetje: 'En toch.' Dat betekent zoiets als: God is onbegrijpelijk, het leven is onbegrijpelijk, maar ik zal voortdoen, ik zal voort muziek maken. Dat is toch maar een mager geloof, niet? Maar op het einde van zijn leven, doodziek, schrijft hij dan weer dat mooie gedicht uit Adagio, waarmee ik ook mijn boek besluit:

De kern van alle dingen
is stil en eindeloos.
Alleen de dingen zingen.
Ons lied is kort en broos.

En donker zingt mijn bloed
van heimwee zwaar doorwogen.
Ik zeil langs regenbogen
Gods stilte tegemoet.

****************

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door Mon om 11:17 Reageer op dit bericht

Meer van Felix Timmermans

↑ Terug naar de berichten