Naar de inhoud

'PATATI PATATA

akke.beakke.be

Feel good in TITI's elektronisch kletscafé waar het leven gezien wordt door een Oiljsterse vrouwenbril...en feel je niet good, dan retour à domicile!

Archief

Onwaardige vaders...

Wellustelingen....

Episode...

19...

‘Jij, jij schoft, jij stuk ellende, jij verderf van mijn kind, jij onwaardige vader’, krijste zij.

‘Nu is het gedaan. Voortaan hou ik me onze jongen bezig, hoor je !’ reageerde ik kalm  doch beslist en riep daarop nog harder dan zij:

‘Zie je niet dat hij dit kotsbeu is. Die spoken van hierboven maken jou ziende blind, jij… jij kwezel.’

 Zij kwam op mij af en mepte met grote uithaal  op mijn gezicht.

‘Jij, hoe zou jij je om een kind kunnen bekommeren? Je bent haast nooit thuis en zit je niet in dat duivelsoord van een krant, dan kruip je naar je werkkamer. Jij stuk niets, jij goddeloze, jij satansloeder, monster ja, een monster dat verdelgd moet worden, dat ben je’.

Dit was onze eerste slaande ruzie.

Francis zat er stilletjes, onbegrijpend en angstig bij. Ach, die talloze hoogoplopende twisten, soms met een por, een slag, zelfs een schop toen Francis nog een jochie was. Vervreemd opgroeide tussen zijn ouders en later meer en meer wegkroop achter zijn studieboeken. Wij maakten hem in feite tot een verschrikte zwijger, en ik, ik wou me om dit alles nog meer aan hem hechten zonder echter ooit zijn kille schors van bange weerstand te kunnen doorbreken.

 

Ja, beste lezer, die zinloze, overdreven godsvruchtigheid van Gerda! Ik zou er willen aan voorbijgaan, maar ik moet er blijven over schrijven. Het is immers de kern van mijn geschiedenis.

Neen, ik ben nooit wat men noemt “gelovig” geweest. Te nuchter? Misschien. Zeker niet te simpel van geest. Hoe mysterieus het ontstaan van de mens ook is, kennis en weten zijn ten slotte stukken beter dan geloven. 

Ik kan alle respect opbrengen voor de oudste volkeren ter wereld, de aanbidders van de zon, dat wonderlijk hemellichaam, dat ons licht en warmte geeft en dat, hoe verbazingwekkend ook, met miljarden jaren energie  zichzelf  dag na dag blijft opladen.

Maar de leer van een  god volgen en eren, die, na drie eeuwen caritatieve werken, het pacifisme in het Westen verving door verheerlijking en wettiging van zinloos geweld. In wiens naam moorden, branden en folteringen, liefst honderden  jaren lang zijn gebeurd. Een leer volgen, die onze geschiedenis onteert door de gruwelijkse oorlogen, door vrouwen te onderdrukken en levend te verbranden. Een leer, die de Afrikaanse medemens ging mores leren met paters en nonnen als excuustruzen en met de stilzwijgende en welwillende medewerking van staatshoofden als exploitanten van de bodemrijkdom, als vampieren die naties leegzuigen. Een leer die nu fulmineert naar mensenhandel, maar eeuwenlang expert was in slavenhandel. Een leer die achttien eeuwen lang een spoor van bloed, vernieling en dood heeft achtergelaten. Een leer, die er maar niet in geslaagd is  het wereldbeeld  mooier, beter en leefbaarder te maken, neen, hondermaal neen. Spreek mij gerust tegen als ik fout zit, beste lezer, maar  dát kan er bij mij echt niet in. Daar bedank ik feestelijk voor.

 Het enige “religieuze” moment, dat mij kan boeien, is een fenomenale goal of schitterende pass van een Zuid-Amerikaanse voetballer, die op de knieën valt en de handen ten hemel steekt.

Religie en voetbal? Waarom niet! Dus de Rode Duivels in het vervolg op retraite in een Norbertijnerklooster in plaats van een luxe resort ergens te velde!

Wordt vervolgd

Reageer op dit bericht

Leven met godswaanzin

Wellustelingen....

Episode...

18...

Afzonderlijke slaapkamers waren voor ons dan ook vrij vlug normaal. Haar kon het niet schelen. Integendeel, ze dankte er royaal haar Heer voor. Mij stoorde het evenmin. Eigen handwerk smaakt nog altijd stukken beter dan zoutloos gepomp, vooral gevolgd door een kruisteken en schietgebedje omdat die vunzigheid weer voor weken van de baan was. En dat, toen de “Make love, no War”-golf al geruime tijd Europa had overspoeld.

 

 Als moeder, beste lezer , faalde zij evenwel niet. Francis  werd nog meer hààr oogappel dan de mijne. Zijn strikt verzorgde levensbegeleiding werd haar heilige, dagelijkse plicht. Ze lette met argusogen op zijn voeding, hygiëne en gezondheid. Leerde hem zelfs lezen en schrijven vòòr de basisschool ermee begon. Zocht zorgvuldig de juiste vriendjes voor hem uit, liever twee of drie speelkameraaadjes dan eentje (met twee jongetjes in de speelkamer weet je maar nooit). En, waanzinnig religieus als zij was, bracht ze hem de ‘onschatbare waarden en normen’ van de rooms- katholieken bij .

 

Ik steiger nog als ik terugdenk aan die te brave  kinder- en tienertijd van Francis. Zijn deemoedig verveeld gezichtje terwijl hij haar preken aanhoorde of zijn martelaarsuitdrukking als hij roerloos moest luisteren, terwijl ze met haar toonloze nonnenstem pagina’s voorlas uit haar bijbel.

 Zal ik u een voorbeeld geven? Francis moet zo’n tien jaar geweest zijn en haast elke avond, na de schooltaken, was een kwartiertje kinderbijbel luidop lezen het ritueel voor het slapen gaan. Het kind pruttelde tegen.  Wou Kuifje .

‘Taal is taal’, zei Gerda, ‘ en beter geestelijke taal dan de onozelheid die je vader meebrengt.’

En vocht is vocht, beter geestrijk vocht dan jouw wijwater, dacht zijn vader en nam een deugddoende slok Ricard.

 

Op haar programma die avond, dè goddelijkste en kostelijkste komedie aller tijden: het scheppingsverhaal.

Ze zaten tegenover elkaar. Hij met zijn boek, zij ellebogen op tafel, gevouwen handen en vingertoppen tegen de mond, vroom aandachtig luisterend. Toen mijn zoon aan de passage kwam waarin  de schepper de aarde boven de lucht heeft geschapen en hij dacht dat zulks op niet veel leek, omdat het ene toch onder  het andere moet, stopte Francis  abrupt  zijn lectuur  en vroeg:

 ‘Maar wie schiep god dan eigenlijk?’

 Als iemand het in Keulen hoorde donderen, dan was het Gerda. De ogen wijdopen, een hand onmiddellijk op het hart. Het spreekwoord “Van de hand Gods geslagen” prachtig in beeld gebracht. Halleluja, eindelijk mijn beurt.

Ik zei, drukkend op ieder woord:

‘De vriendjes van je ma, jongen. ’t Is te zeggen, heel lang geleden eerst  de volgelingen van Jezus, de bekendste Jood aller tijden, maar door de kerk van Rome altijd afgebeeld met een arisch gezicht. Ik heb je vorige week verteld over Hitler en zijn uitverkoren volk. Je weet dus wat dat betekent, een ariër, ja? Wel, die Jezus had de verdienste  breeddenkend en sociaal te zijn. En waarom, jongen? Omdat hij vertelde over goede waarden zoals naastenliefde, de hongerigen spijzen, de naakten kleden en dat alle mensen gelijk zijn voor god.

 

Weet je Francis, mijn grootmoeder  was ervan overtuigd, dat die Jezus in feite de allereerste bekende socialist ter wereld was. Daarom ging zij steeds braafjes  en zo dankbaar naar de zondagsmis. Tot je pa haar veel later voorlas uit boeken, waarin stond dat die christelijke waarden al zo’n tweeduizend jaar vòòr de geboorte van Jezus door de Egyptenaren waren uitgevonden. Die mensen aanbaden ook een god. Die heette Amon. Alle mensen waren gelijk voor Amon. Vijfhonderd jaar vòòr de geboorte van diezelfde Jezus, wisten de Chinezen al, dat je een ander niet mag aandoen wat je niet zou willen dat die andere jou aandoet.

Ja, jongen, mijn grootmoeder trok toen grote ogen. Zij had niet de kans gehad om naar school te gaan. Zij kon niet lezen. Ze kwam uit een kroostrijk gezin, met z’n elven waren ze. Brave mensen, arm maar proper en…gelovig. Zij luisterde naar de mooie verhaaltjes van meneer pastoor, ook de minder mooie. Verhalen die haar verschikkelijk bang maakten, waardoor ze nachtmerries kreeg. Over mensen die eeuwig brandden in de hel, de zondaars en de zondaressen.

 

Dat waren mensen die niet luisterden en niet deden wat meneer pastoor wou. Meneer pastoor die wist alles veel beter. Die haalde zijn wijsheid uit  boeken geschreven door Rome. Wel, jongen, die volgelingen van Jezus, hun geschriften en hun verbeelding, die schiepen de god van het Westen. En al hun tralala werd nog zinlozer opgefokt en uitgebuit door pauzen, pastoors, nonnen, ook door de tante-nonnekens van je ma, jawel, en door de Jezuïeten. In feite door iedereen van die kliek, die er munt uitsloeg om vooral macht te verkrijgen en daarom nog meer bijbelse verhaaltjes uit de duim zoog.
 

 

Zoals dat van die man, chef van een dorp, die de bergen introk. Daar hoogstwaarschijnlijk kauwde op bladeren van een of andere struik en hallucineerde. Een soor  lsd-trip, een hippie uit de oudheid dus. Ik heb je al verteld van de hippies en Woodstock. Wel in plaats van bloemenkransen te maken, te dansen en de meisjes te kussen, begon hij als een gek te beitelen. Eens zijn bui over, kwam hij naar huis, met  stenen vol tekens. Zijn mensen konden dat toch niet lezen in die tijd. Voilà, zei hij, voortaan gaan julllie zo leven. God heeft de wolken opengetrokken en mij een opdracht gegeven! Die man was dagen van huis weg. Hij moest toch een goed excuus hebben, vooral tegenover zijn vrouw. Natuurlijk werd zijn verhaal voortverteld en geloofd. Dat is zoals een leugen. Je blijft die altijd weer herhalen. Je wijkt er niet vanaf en op de duur wordt ze aanzien als een waarheid. Zelfs door de leugenaar. Die gasten, die schiepen haar god, baas, en niemand anders.’


Wordt vervolgd

Reageer op dit bericht

Tongen en mestkarren



Bededictus wil tongen…



zien. Het lichaam van Christus ontvang je beter direct op de tong, meent de man. Knielen aan de communiebank, handen onder het witte laken en tong uitsteken. Geen A zeggen hooguit amen, liever niets. De handen zedig gevouwen, kin op de borst naar de stoel schuifelen en dankbaar ingetogen vijfminuten silence absolue, kuchen foei. Met God bezig zijn en met jezelf en met werken van barmhartigheid zoals de vraag of je straks pruimen of appelmoes opdient bij het konijn. Jarenzestiggedoe!

 

Net nu Anglicanen homoseksuele bisschoppen toelaten en de Joodse gemeenschap in ons land een vrouwelijke rabbijn aanstelt, gaat deze paus meteen een halve eeuw achteruit. Nu nog de pastoors verplichten om op de kansels te kruipen, de missen in het Latijn zodat de modale kerkganger er geen fluit van begrijpt en we zitten opnieuw begin vorige eeuw. Gregoriaanse gezangen herinvoeren, à la bonheur, doch uitsluitend omwille van de prachtige muziek.

 

Wat zou de bedoeling van die man toch zijn? Zieltjes winnen? De Westerlingen zijn dat infantiele stadium al lang voorbij. In achtergestelde landen, daar trappen de mensen er nog in. Kerkelijke symboliek als pleister op hun miserabel bestaan. Een mens zou voor minder gaan.

Maar hier bij ons? Hier wordt er voor heel wat andere zaken gegaan. Vermindering van accijnsrechten op mazout bijvoorbeeld. De camions moeten bollen, de koeienmelk afgetapt en vervoerd, BTW en belastingen naar beneden, landbouwregels herbekeken. Zaken die je niet verkrijgt door als gedweeë schapen naar de kerk te gaan telkens de klokken gaan bimbambeieren.

 

Betogen gaan ze morgen, truckers en boeren, Vlamingen en Walen zij aan zij. Mannen met handen aan hun lijf, noeste werkers. De mannen met boerenlogica, met gezond verstand.Dus De Decker, jongen, jij morgen als voortrekker de mestkar op.

 

Brood op de plank, ghodverdomme, dat is wat anders dan een hostie op de tong!

1 reactie Reageer op dit bericht

Onbeantwoorde vragen

Wellustelingen....

Episode...

17...



Zijn daarachter mijn bewondering en mogelijke afgunst te zoeken? Stel ik mij domweg aan alsof ik niet de vader en hij niet de zoon is, maar ik veeleer een sanguinistisch aanhangsel van hem met mijn zoon in de juistere rol van paternalisme?

Begrijp dus mijn gemengde gevoelens van krenterige vreugde en onderdrukte prikkelbaarheid, toen hij met de grootste onderscheidingen zijn titels in Gent en Boston behaalde en het vrij vlug bracht tot Europees verantwoordelijke van een belangrijke Amerikaanse verzekeringsmaatschappij, een goed, blijkbaar gelukkig (!?) huwelijk sloot, een kast van een villa betrok in Keerbergen en die liet renoveren

Francis legde de lat steeds hoger, startte ook een eigen zaak op: dienstverlening à la carte, dus hoofdzakelijk beheer van zwart kmo-geld, overname van kleine accountantbureau’s, beursspeculaties, adviseur van vastgoedyups.

 

Naar buiten uit - zijn bedrijvigheden in het vage even terzijde gelaten -een heer van stand, een klasbak hors série, die zijn moneybijbel aan zijn kniebuigende omgeving dicteerde alsof het reële sprookjes waren. Moest er al eens aan de noodbel getrokken, de netwerkvrienden hielpen met de glimlach. That’s what friends are for!

Zie mij dan, beste lezer, de afstandelijke toeschouwer-vader, in-tevreden en fier ondanks alles, tegenover de onkreukbare uitstraling van zijn zoon. Doch vader was inmiddels evenmin  bij de pakken blijven zitten.Vader had ondertussen “De Klapper” geschapen, het populairste weekblad van de groep ooit. Samen met de krant vetmester van de uitgeverij.

 

Toen de oplagetteller na anderhalf jaar boven de 70.000 sprong, liet ik alle nevenactiviteiten vallen en volgden de royalties conform de stilzwijgende normen binnen de groep.

Er was absoluut geen reden om mij een loser te voelen. Leuk villaatje, firmawagen en de eigen gedroomde bordeauxkleurige Rover, plus een kei van een zoon. Voor de buitenwereld was ik echt een geluksvogel met beslist goed gespekte bankrekeningen.

Maar mijn huwelijksleven, van binnen uit gezien?

 

Ma douceur de vivre werd eerst uitsluitend gecelebreerd aan mijn werktafel. In een achterkamertje, waar ik de eerste jaren mijn stationsromannetjes uittikte en er telkens opnieuw mijn hongerige hartenkreet in uitschreeuwde naar een eigen beleefde, passionele en hechte liefdesrelatie. Grote afschuw en schaamte van mijn eega voor dit soort werk! Wel haar goedkeurend knikje bij het nakijken van onze bankrekening.

Dit wil ik eerst en vooral onderstrepen: mijn huwelijk met Gerda was in feite voor mij een schijnhuwelijk en voor haar een noodoplossing, een soort noodliefde. Een sacrale tussenfase, de tussenfase waarin zij wachtte op haar god.

Eens getrouwd en al vlug vader, wou ik weer van haar af. En zij van mij. “Liefde” tussen ons was als een surrogaat van gewoonte en onverschilligheid. Wederzijds gedogen met geforceerde glimlachjes van welzijn voor de  naaste omgeving.  Op hoog- en feestdagen  gekruid met de voor haar verplichte vier- minuten- plafond-kijken.

 

Gerda  had absoluut geen behoefte aan seks, laat staan aan eigen genot, ondanks mijn schuchtere pogingen ooit in een periode die wittebroodsweken heet. Op zich geen extreem geval. Er lopen beslist, nu nog, massa’s jonge vrouwen rond die onder andere niet eens weet hebben van de weldoende waarde van hun clitoris. Gerda was er zo eentje ontdekte ik te laat. Verdomme! Komt daarbij dat ze op jonge leeftijd haar devoot zieltje aan de goddelijke beschermheer had verpand.

Wordt vervolgd

2 reacties Reageer op dit bericht

Snifsnif

De snuifdoos van mijn oud-tante…







een klein metalen doosje was het. Zoiets van vijf bij vier cm. In elke handtas zat er eentje. Tante ging nooit buiten zonder handschoenen, handtas en doosje snuif. Ik herinner me vaag de sierlijk gegraveerde letters op de dekseltjes, groen en zwart en in het Engels. Tante was niet de enige dame die snoof. Bij de generatie van mijn grootmoeder was dat blijkbaar in. Vaak lagen de doosjes naast het kopje koffie op tafel. Tante was een ervaren snuifster. Als kind was ik gefascineerd door haar snuifroutine. Een kleine tik van de duim en het dekseltje floepte open. De pinkvinger ging in de hoogte en met de toppen van wijsvinger en duim prikte ze een minieme dosis van het bruine goedje en duwde het spul in haar neusgaten. Even krachtig opsnuiven en tante was gezet voor een halfuurtje. Die neusgaten van haar, gaten is een te zwak woord, tante had neusholen, bruin beslagen neusholen. Ik vond het vreselijk voor zo’n elegante dame, doch mijn entourage zag daar geen graten in. Blijkbaar was snuiven een normaal iets onder bejaarde vrouwen in de vijftiger jaren.

Ooit heb ik zo’n doosje uit haar tas gejat. Het bruine spul rook naar munt en peper. Op het toilet opgesnoven. Waarschijnlijk teveel genomen en een niesbui van jewelste gehad. Gevolg enkele kletsen op de billen, boze afkeurende blikken en vermanende vingers van iedereen.

 

Jaren later heb ik het andere soort snuivers meegemaakt. Een chique party in het Brusselse. De start van een nationale publiciteitscampagne voor sportkousen, sponsoring voor een toptennisspeler toentertijd. Schoon volk en veel drank, teveel drank. Naast de uitgelezen borrelhapjes, zilveren schaaltjes daarop een hoopje wit spul en een soort van scheermesjes of zoiets. De schaaltjes waren erg in trek, de hapjes bleven gewoon staan. De provinciale trien die ik toen was wou weten waar het bij de schaaltjes om te doen was. Ik zag al die geëxalteerde mooie mensen heel hyperkinetisch doen en mijn frank die viel maar niet.  Uiteindelijk vertelde mij iemand dat het “white sugar” was. “ Go ahead, help yourself” riep iemand. “Afblijven, kind, het is pure cocaïne laat die gekken maar doen!” zei mijn baas. Dus heb ik die gekken maar laten doen. Nergens nog ooit zo’n stel idioten bezig gezien.

Mijn eerste kennismaking met de zogenaamde gesofistikeerde beau-monde en de Brusselse jeunesse dorée: een weerzinwekkend spektakel.

Op de terugweg vertelde mijn baas dat dit soort feestjes schering en inslag was in dat milieu, dat cocaïne het favoriete snoepje van die upperclass was, schandalig duur en vreselijk verslavend.

 

Jaren later, einde tachtiger jaren, kreeg ik voor het eerst hasj in handenof was het cannabis?. Ja ja in handen! De flowerpower-prikkel.Een van onze secretaresses zat in een vechtscheiding en om haar heetgebakerde echtgenoot een loer te draaien, had ze zijn” voorraad” gewoon mee naar kantoor gebracht. Haar man vloog op lange afstanden en naar het schijnt leverde het smokkelen van hasj door boordpersoneel in die tijd geen enkel probleem op. Bovendien zeer winstgevend handeltje.

Komt die man van haar op kantoor. Een stormram. Ruzie van jewelste. Slagen en dreigingen. De bedrijfsbeveiliging erbij gehaald. Gezorgd voor een tijdelijk onderkomen voor de jonge vrouw en toen gebeurde het:

“Of ik de inhoud van een pakje mee naar huis wou nemen om in het huisvuil te kieperen.” vroeg ze. Bah ja waarom niet. Mocht ik weten wat het pakje bevatte? Nina liep rood aan, stotterde tenslotte: “ Twee brikken drugs”. Watte?  Ik daarmee de trein op naar Aalst! Geen denken aan! Met horten en stoten vertelde ze mij over het bijzonder lucratieve handeltje dat door tal van personeelsleden van onze toenmalige nationale luchtvaartmaatschappij was opgezet. Een mens gelooft zijn oren en ogen niet. Maar het bewijs lag op mijn tafel. Hoe we er finaal vanaf zijn geraakt? Overuren gemaakt en met een zwitsers mesje die samengeperste troep in mootjes gehakt, doorgespoeld in diverse toiletten. De heren wc’s raakten wel flink verstopt. So what, opgeruimd staat netjes.

 

Tot daar mijn ervaring met dope: tienduizenden franken doorgeflost, de riolen in. Nu schijnt er dat in de riolen van Antwerpen-Zuid de hoogste concentraties cocaïne gemeten wordt. Maakt de uitstoot van vrouwelijke urine de vissen tot hermafrodieten, thans krijgen de sukkels nog een portie drugs erbij. Vijftig duizend lijntjes vliegen dagelijks door Belgische neuzen en dat spul moet geloosd worden. Vijftig duizend! Goed voor een jaarlijkse consumptie van 1,75 ton en een omzet van 70 miljoen euro. Ooit elitedrug nu allemansdrug aan het luttele bedrag van 50 euro voor 1 gram. Daalt de koopkracht voor primaire etenswaren, de hang naar het witte spul zit in de lift. Vandaar dat ik hoegenaamd niet begrijp dat de sportwereld op zijn kop staat omdat een wielergodje heeft gesnoven! België tiert en raast. Verwijten vliegen de ether in, sites staan bol van verontwaardiging. En die 49.000 duizend anderen die dagelijks soelaas zoeken in een lijntje? Wie schopt keet tegen die massa? Niemand. We kennen ze niet. Wat niet geweten is deert niet toch? Dat we met duizenden Vorst Nationaal of de weiden van Werchter bestormen om daar een troep snuivers de meest rommelige waardeloze muziek te zien brengen, dat stoort ons niet. Iedereen mag maar niet Tommeken. Tommeken heeft een voorbeeldfunctie, zeer belangrijk zo’n functie voor onze kindjes!

 

Hoezo belangrijk? Dragen alle fans van Eddy Wally rode hoeden en roze brillen? Neen toch? Moeten alle beginnende schrijvers aan het fiolieteren gaan met een pornosterretje omdat hun grote Vlaamse voorbeeld het deed? Moet ik omwille van mijn jarenlange begeestering voor een bepaalde schrijfster de lesbische toer opgaan? Waarom moeten onze kinderen zich dan spiegelen aan de handel en wandel van een wielrenner? Zijn we té slap, of te overstressed of té laks geworden om de noodzakelijke opvoedingslijnen uit te zetten en hebben ze daardoor thuis geen afdoend voorbeeld meer?

Reageer op dit bericht

Flash backs

Wellustelingen....

Episode...

16...


Van vroeger tot nu

 

 

 

Beste lezer, ik zou u de rest van dit verhaal kunnen presenteren als een journalistiek verslag. Zakelijk-koel. Beknopt. Met een paar sensationele titels. Zoiets gaat er altijd als koekenbrood in. Of als thriller, een pakkende thriller, gekruid met onvermoede medische en juridische toestanden, bewogen verbale duels tussen ondervragers en verdachten. Een mengeling van Silent Witness, een diepmenselijke Frost in het bourgondisch vel van een Witse of een vaderlijke Baantjer met de accuratesse van Poirot. Kan niet. I haven’t got the latters little grey cells, om niet te spreken van de overkill aan thrillers op de markt.

Geloof me, u zou er ten slotte veel bij verliezen. Ik wens dat u de hele zonderlinge geschiedenis kent zoals ik ze heb ondergaan. Zonder franjes, met alle onthutsende, pijnlijke en pikant-erotische details. Ik wil, beste lezer, dat u er van het begin tot het eind live bij bent. Om juist te kunnen oordelen.

 Of te veroordelen.

 

Nu ik me, als de donkerste schaduw van mezelf, voor een spiegel het vel afstroop, stel ik vast dat het allemaal een zelfgezochte hel werd en dat ik er kermend in opbranden moest, met geen enkele kans om er nog uit te raken en me een wijzer, gelouterd man te weten. Gedane zaken nemen nimmer een keer. Alleen dwazen dragen een boetekleed  vóór de zonde.


Mijn enige zoon, Francis, economist en financieel expert, op het mierenneukerige af (soms tot het frauduleuze toe), heeft één devies: ‘The painting is on the canvas, not behind it’. Waarmee hij bedoelt dat een kunstwerk (of het leven, dat toch het allerbeste kunstwerk aller tijden is) eigenlijk iets is om verstandelijk-emotioneel te ondergaan, niet om er heel diep over na te denken en er een soort van schaakspel van te maken

 

Ik heb mijn zoon altijd bewonderd. Of was die jubelende trots, die glunderend-vaderlijke waardering, meer onderdrukte jaloersheid omdat hij het verder had geschopt dan ik?

Die jongen van mij had echt schitterende studies gedaan. De kroon op het werk: een mastership aan een Amerikaanse universiteit. Ik echter was gestopt na de eerste kandidatuur rechten, nadien slechts een jaartje journalistenschool. Francis was precies, hardnekkig, een volbloed doorzetter. Ik niet. Ik wou meteen scoren. Poen scheppen. Zelfs  door een koel berekend huwelijk? Waarom niet?

 

Als tiener keek ik uit naar mijn American Dream. Als zestienjarige kon ik, tot mijn grote verbazing en trots van mijn ouders, mijn avonturenverhaaltjes en speurdersstories geplaatst krijgen. Natuurlijk bracht het niet veel op, meer zakgeld eigenlijk.Verleidelijke smaakmakertjes waren het echter, die me, na mijn vervelende studies, geleidelijk aan in de richting van de journalistiek dreven.

Eerst enkele feuilletons, zoals dat toen heette (o, dankbare, kitcherige dorpsromantiek) en daarna meer de sensatietoer op, succesvol reportagewerk, onderzoeksjournalistiek toen en nu eldorado voor de populaire pers. Kortom mijn springplank naar een vaste zit op een krantenredactie.

 

Door Gerda te trouwen zat ik pas echt op rozen. Althans zo dacht ik, en, op de keper beschouwd, heeft die hang naar geld me inderdaad geen windeieren gelegd. Francis echter is altijd van een ander kaliber geweest, al moet ik toegeven dat hij met de jaren een financieel aardje naar zijn vaartje kreeg. Eén groot verschil: ik was door mijn job ietwat bohémien, liet graag geld rollen; hij, financieel expert, pietje-precies, harde doorduwer en zonder scrupules. If need be, schaamteloos hypocriet.
 

Wordt vervolgd 

Reageer op dit bericht

Dat verwoestende telefoontje...

Wellustelingen....

Episode...

15...


Max vloekte binnensmonds en ging weg, mokkend om haar bevel, vergat zelfs zijn afscheidskus. Hij ergerde zich aan zichzelf. Was korzelig, humeurig om dat telefoontje.

Onderweg dacht hij dat het hem, eerlijk gezegd, geen barst kon schelen wat er met die hysterische kwezel was voorgevallen. Waarom had ze Francis of zijn Trien niet laten oproepen, zelfs Serge of een van haar paternosterzusters. Natuurlijk niet! Ze wist immers met wie hij ’s woensdagsnamiddags was. Mevrouw wou gewoon zijn leven verzuren. Ze was er weer in geslaagd, vooral na dat goddelijk wellustig vrijen. En dat voor hem zo belangrijk gesprek. Een volledig jaar hunkeren naar die ene bepaalde dag om eindelijk zijn leven een andere wending te geven. Lap! Magistraal! Weer stoken en stokken in de wielen. Nu met een ongeval. Proficiat, jij  bitch.


Toen Max zijn villa naderde, wist hij meteen dat er iets meer dan ongewoons was gebeurd. Op de oprit een politiecombi, de Porsche van Francis, een voor hem vreemde wagen en ook een lichte vrachtwagen. Een vrij jonge man wachtte aan de deur. Aan de overkant een vijftal toeschouwers. Een eigenaardig gevoel van verbazing, kille nieuwsgierigheid en vooral vrees maakten zich van hem meester.

Hij stapte weifelend uit. Zijn ogen zochten zijn zoon. Hij zag hem nergens. De jonge man  kwam hem tegemoet.

‘Meneer Cijnens?”

Hij herkende de stem van de man die hem  had opgebeld.

‘Ja! Wat is hier aan de hand? Wat is er met Gerda? Waar is ze?’


De jonge man nam hem bij de arm en leidde hem met zachte dwang in het salon. In een flits zag hij achteraan in de hal, onderaan de marmeren trap, drie personen in hurkzit. Tussen hen een grijze voet en een deel van een been. Een grijs been! Gerda droeg uitsluitend grijze nylons. Zij ligt daar! Gerda ligt daar!

Max draaide zich meteen om. Wou zich overtuigen. Wou Gerda zien. De jonge man met koelbeheerste stem sloot even koelbeheerst de salondeur en stelde zich voor:

‘Gert Van Haverbeke,  politie Wemmel, ik sta in voor…’

Max hoorde vaag iets over hulp aan nabestaanden, slachtofferbejegenaar. Hulp aan nabestaanden?! Al die mensen. De drukte buiten. Zijn vragen kristalliseerden  zich tot een concreet beeld:

 ‘Ze is dood. Gerda is overleden, nietwaar, zeg het toch! Wat gebeurt hier?  En mijn zoon? Waar is mijn zoon? Is er  iets met mijn zoon?’

“Uw zoon is in de keuken, meneer Cijnens, samen met een collega. Gaat u nu rustig zitten, meneer. Er is een ernstig ongeval gebeurd hier in huis. Mevrouw Cijnens, uw echtgenote, is inderdaad …overleden en de omstandigheden zijn …’

‘Al dat volk hier, de politie! Neen, geen ongeval! Dit is geen ongeval. Ze is overvallen. Ze hebben haar…!’

Hij schreeuwde de woorden uit alsof ze zurig braaksel waren en herhaalde verslagen:

‘Vermoord, godverdomme, vermoord nog wel!’

Wordt vervolgd


 

Reageer op dit bericht

Het langverwachte gesprek...



Wellustelingen....

Episode...

14...


Hoe meer hij haar onderging, zich letterlijk door haar liet verpletteren en leegzuigen, hoe minder hij haar begreep en hoe meer hij op haar verslingerd raakte.

Nu eens vleide ze, als verpersoonlijkte Marianne de eerlijkheid zelf:

‘Jij bent de enige, de echte man voor mij. Jij hebt mij ontbolsterd. Mon amour, que je suis  femme  avec toi.’

Dan weer haar fijn spottend lachje, toen hij bij een tweede of dappere (bijna) derde vrijpartij in gebreke bleef:

‘Je zit niet op de redactie hoor, je zit op mij. Volgende week, voor je vaderdag, vier dozen Viagra. Een glas water en drie pillen tegelijk binnen. Compris?’

Max glimlachte er beteuterd bij. Hij kon haar niets kwalijk nemen. Zij was een eigenaardige vrouw met een dubbele bodem. Brutaal. Radicaal. Eigenzinnig cool en toch zo hypergevoelig. Overdreven passioneel vooral.

Het kwam hem voor dat hij in haar niet één vrouw beminde, maar velen, totaal verschillend van elkaar, maar allen even hypnotiserend.

 

Hij kon Marianne daarom niet zien als gehuwde vrouw. Zeker niet als Gerda, zijn machochel. Verdomd niet!  Een bolide vergelijk je niet met een tweepaardje! Gerda was…nee, niet aan denken nu. Zijn namiddagen met Marianne liever inlijsten en in verblindende spots zetten. Haar tot monument verheffen. Haar zijn wedergeboorte, zijn lichtjaren noemen. Dat moest hij.

Hij zei haar eens:

‘ Je bent bijzonder knap, intelligent, warmbloediger dan welke vrouw ook. Jij had met een vingerknip een rijke vent aan de haak kunnen slaan.’

‘Trouwen! Moi! En die echtgenoot opzadelen met die sukkel van mijn vader. Nooit!  Gelukkig gaat het momenteel goed met zijn gezondheid, ondanks de hartklachten van de voorbije maand.’

Enkele weken later was haar vader er plotseling niet meer. Longoedeem.

 

En nu vandaag, dag op dag, een jaar geleden: haar belofte, zijn geduld. Zijn hoop. Hij had er bij het binnenkomen van de kamer willen over beginnen, doch ze had hem direct de mond gesnoerd met haar wulpse beten van kussen.

Nu misschien? Hij keek haar aan. Zo meteen zou ze ontwaken uit haar lichte slaap. Hij moest erover beginnen. Zij had het hem beloofd. En hij had haar verzekerd nog een vol jaar te wachten. Zelfs niet één keer was hij bij haar thuis langs gekomen.  Nu, vandaag was die termijn om.

 Max kreeg zin in een sigaret, een laatste neut cognac uit de vergeten glazen. Hij draaide zich naar haar toe. Rook het beste van henzelf op haar fijne huid. Beroerde omzichtig het dichte dons van haar venusberg en hoorde haar zachtjes kreunen. Alsof het onbewust gebeurde, zocht haar hand zijn hard wordende penis, maar duwde ze hem daarop bruusk van zich af en riep:

 ‘Zo laat al! Kom, enough is enough. Kleren aan! Time to go!’

‘Goed, ik ga douchen!’

Marianne rekte zich als een voldane poes. Ze geeuwde:

‘Ik lekker niet. Ik wil je in mij blijven voelen. Jouw liefde uit mijn lichaam wassen, dat is pas zonde.’

Max wipte uit bed en verdween in de badkamer. Buiten floot, piepte, groende en lispelde nog de prille lente van de verlate zonnedag, een ode aan de serene avond.

‘Max?’

‘Ja!’

Hij keerde in de kamer terug, zijn hemd dichtknopend. Ze stond in zwart slipje en beha.

‘ Sache que votre  peau porte merveilleusement bien le noir, madame.’

‘ Gekkerd, even ernstig ja ? Wij moeten praten. Vandaag is het precies een jaar geleden, weet je nog…’

Ze nam zijn handen in de hare.  Haar stem trilde:

‘Max, na de begrafenis heb ik je gevraagd één jaar geduld te oefenen. Met ons. Met onze toekomst. Nu wil ik er opnieuw over beginnen. Nu, vandaag, kunnen we er open en eerlijk over spreken.’

‘Ik wil je trouwen, Marianne.’

‘Dat weet ik. Ik ben vrij. Maar jij, Max, jij bent …’

‘We gaan scheiden’.

‘We? Jij, ja, Maar zij? Nooit geeft zij je op. Nooit, hoor je? Dat kneuterige geloof van haar en financieel…’

‘Dààr draait het absoluut niet om. Dat weet je toch. Trouwens, Francis vindt het de juiste oplossing voor beide partijen.’

‘Jouw zoon, die windhaan? Die zou zich absoluut niet verheugen in ons huwelijk. Zeker weten! Vandaag praat hij jou naar de mond en morgen staat hij vierkant achter zijn moeder. Als puntje bij paaltje komt, weet je wat die zoon van jou samen met zijn ijsranonkel zal doen? Aan hetzelfde zeel trekken, dat van Gerda, niet het jouwe.’

‘Laat mijn zoon en zijn vrouw er buiten. Ik wil  coûte que coûte van haar af en daarmee basta!’

De stem van Max  was schor en basta was net één van die woorden, die op Marianne werkten als een rode lap op een stier.

‘Wat ben jij toch een naïef klootje, Max. Zie je echt niet wat jou te wachten staat? Zal ik het jou op een plaatje geven? Jouw eega, opgejut door schoondochter en maatje Serre…’

‘Serge’, verbeterde Max.

‘…dat stuk pastoor. Man toch! Gerda vertolkt de rol van haar leven. De madonna met de zeven weeën. Troosteloos, tierend om de overspelige echtgenoot, nadien zwaar depressief en maar pillen slikken. …’

 ’Marianne, alsjeblief!’

‘…verloren, ontredderd,  machteloos lijdend en strijdend als oudere vrouw tegen een bloedmooie rivale, à propos zelfs jong genoeg om haar dochter te zijn. Shakespeare kan hier serieus een punt aan zuigen.’

‘Marianne, genoeg. Ik kan je staaltje pathos best missen. Vanavond spreek ik met Gerda en ten laatste morgen met mijn zoon. Je zult zien, hij zal beslist…’

‘…niet aan jouw zeeltje trekken. Mag ook niet, dat is alleen van mij!’

 Haar klein-meisjesstemmetje deed wat het doen moest: Max laten smelten.

Op dat ogenblik zong zijn mobieltje de tonen van de brabançonne en Marianne trompette mee. Hij viste het geluid uit zijn binnenzak. De display toonde het nummer van zijn vaste telefoon thuis. Merkwaardig. Gerda belde hem nooit. Wat krijgen we nu, vroeg Max zich af. Zijn stem klonk echt bitsig, stug:

‘Ja, en! Ja, met Cijnens. Hoezo een ongeval? Is het ernstig? Waar ligt ze? Thuis! Als u erop staat…ja ik kom eraan!’

De verbinding werd verbroken. Max staarde perplex naar zijn mobieltje en toen naar Marianne, vol vragende nieuwsgierigheid in haar ogen.

‘Wat is er met Gerda? Een ongeval?’

Hij haalde nonchalant de schouders op en kleedde zich verder aan.

“Blijkbaar. t Was de politie van Wemmel. Ze willen dat ik onmiddellijk naar huis ga. Aangereden zeker. Ik kreeg geen verdere uitleg. Kan de politie het in drie woorden zeggen, dan gebruiken ze er geen vier. Ze hebben haar niet moeten afvoeren, ze ligt thuis. Erg kan het niet zijn!’

‘Die mensen roepen niet iemand op als het niet ernstig is, Max.’

‘Och, voor mijn part kan ze de pest krijgen. Dat ze hen naar haar zoon of schoondochter laat bellen, maar niet naar mij.’

 ‘Verwittig je zoon. Bel hem onmiddellijk.’

Marianne klonk meer dan beslist. Max zuchtte en deed wat ze vroeg.

‘Tiens, hij is momenteel niet te bereiken. Wat krijgen we nu? Francis gaat zelfs met zijn gsm naar toilet! Trouwens, op dit uur zit hij normaal bij haar. Met een bakje  slappe decaf  te luisteren naar haar chagrijn. Hij kan natuurlijk in een file hangen, maar zijn mobieltje uitzetten, that’s unlike Francis.’

Marianne legde haar hand op zijn mond. Rustig, doch vrij bevelend zei ze:

‘Je rijdt nu naar huis. Gerda is je echtgenote. Doe je plicht en vertrek. Nu meteen, Max!’


Wordt vervolgd

Reageer op dit bericht

Wellustelingen 13



Ze heeft gelijk, hij was een rotzak, een jaloerse dwaas. Hij keek haar aan. Zijn hart kromp. Ze staarde verdoofd voor zich uit. Weg de glans in haar ogen. Weg de lichte blos op haar wangen. Weg de grappige lachkuiltjes rond haar mond. Uitgelopen mascara lieten zwarte sporen na op een lijkbleke teint. Neusvocht vermengd met speekselslierten langs de mondhoeken. Hij had zijn prachtige vrouw als het ware een dodenmasker aangemeten.


Bij Gerda zou hij daarom beslist meer dan één fles champagne gekraakt hebben. Zoals Marianne er nu uitzag, deed hem met beide handen op het stuur bonken. Wat jaloersheid aanrichten kan! Hij nam haar in zijn armen. Ze liet begaan als een slappe pop. Totaal versuft, weerloos. Hij kuste haar wangen, voorhoofd en kin. Slikte haar speekselresten in. Likte haar gezichtje letterlijk schoon.

 

‘Mijn engel, mijn alles, verdomme wat doe ik je toch aan? Nooit meer, nooit meer, ik zweer het. Hoor je mij, zoetje? Toe, lieveke, zeg dat je het me vergeeft. Bieke, alsjeblief zeg toch iets. Gaat het?’

Ze knikte. Hij voelde het naschokken van haar tenger lichaam tegen zijn borst.

‘Wil je naar huis, zoetje? Mag ik eerst je nog even in de armen houden?’

Marianne staarde hem aan. Verslagen. Met in-trieste blik.

‘ Dit nooit meer, Max. Nu wil ik rust, alleen rust.’

‘Zou ik…kunnen mijn armen je die rust brengen.. in…ons nestje, ja ?’

Ze glimlachte flauwtjes. Door zijn jongensachtige, stuntelende verlegenheid kwamen haar lachkuiltjes beetje bij beetje terug. Hij kuste teder haar handpalm, startte de wagen en reed langzaam door.

 

Straks zou hij haar als een jonge bruid naar bed dragen. Zich tegen haar aanvlijen en de warmte van zijn liefde in haar lichaam laten overgaan. Zij de baby, hij de moederschoot. Hij zou haar zachtjes strelen. Zelfs een wiegeliedje zingen of een sprookje vertellen. Zijn klein meisje in slaap wiegen, dat zou hij. En dan, bewegingsloos en ademloos, dat prachtig mensenkind, dat goddelijk geschenk gemaakt voor hem alleen, dankbaar en teder bewonderen.


Vrijdag, en alle daaropvolgende woensdagen en misschien vrijdagen, zou hij haar nog meer verwennen, de allerkleinste wens in haar ogen lezen en vervullen. Meer nog dan het beste van zichzelf wou hij haar schenken. Als ze de liefde bedreven het laatste vocht uit zijn lichaam persen. Hij wilde zijn godin terug. Zijn Aphrodite kirrend bij hem in de wagen, wijn proevend in het restaurant, sensueel flanerend, dansend cheeck to cheeck.


Kunstjes wou hij voor haar maken, pirouettes, een draaiende derwisj, zelfs op stelten lopen als clown in de Nieuwstraat, op een zaterdagnamiddag nog wel.

Hij wenste zijn laaiende amazone terug, vooral in bed. Zijn blauwe engel, von Kopf bis Fuss auf Liebe eingestellt. En hoe!

Zij kon zich dan, nog niet eens helemaal uitgekleed, soms met het onderdrukte gebrul van een uitgehongerde tijgerin op hem storten. Bijtend, klauwend, krabbend, likkend, strelend, flemend, woest en dan weer verrassend teder, moederlijk bijna, in een caleidoscoop van de meest tegenstrijdige gevoelens, die haar in een mum van tijd naar de diepste hoogtepunten voerden.

Dan jubelde ze, heftig naar adem snakkend : ‘ Ik ben op de Himalaya!  Hoger, nog hoger!’.

Wordt vervolgd

1 reactie Reageer op dit bericht

Meer van 'PATATI PATATA

↑ Terug naar de berichten