vandaag jaren terug 28 juli 1952 monique van de ven
vandaag jaren terug 28 juli 1952 monique van de ven
vandaag jaren terug 28 juli 1928 jcq bouvier
vandaag jaren terug 28 juli 1928 jcq bouvier28 juli 1928 acqueline Lee Bouvier (Jackie) Kennedy Onassis, bekend onder vele namen, onder andere Jackie Kennedy, Jackie Onassisen Jackie O., (Southampton (New York), 28 juli 1929 – New York, 19 mei 1994) was de Amerikaanse first lady van 1961 tot aan de dood van haar toenmalige echtgenoot, president John F. Kennedy in 1963. Ze zat naast hem in de auto toen hij werd doodgeschoten. Ze hertrouwde in 1968 met Aristoteles Onassis, een Griekse zakenman. Jacqueline Bouvier werd geboren in het Easthampton Hospital in Easthampton, New York. Ze was de oudste dochter van John Vernou Bouvier III (1891-1957) en Janet Norton Lee (1906-1989). Om hun aanzien te verhogen overdreven beide families over hun afkomst. De Bouviers vertelden dat ze afstamden van de koninklijke Fontaines uit Frankrijk en de Lee's zeiden dat ze van de Virginia Lee's afstamden. Jacqueline was voornamelijk van Ierse, Schotse en Engelse afkomst. Haar laatste Franse voorouder aan vaders kant was Michel Bouvier, haar overgrootvader die naar Philadelphia verhuisde. Ze had één zusje: Caroline Lee, die bekendstond als Lee, geboren in 1933. Haar vader, die de bijnaam "Black Jack" had, was een playboy; het feit dat hij altijd achter de vrouwen aanzat, leidde uiteindelijk tot de scheiding met Janet toen Jackie nog een jong meisje was. Tot ze 12 jaar was, verbleef ze elke zomer op het domein Lasata van haar grootouders in East Hampton waar ze leerde paardrijden op haar favoriete paard Danseuse. Nadat haar ouders officieel gescheiden waren in 1942 en haar moeder hertrouwd was, bleef ze paardrijden op de Hammersmith Farm van de Auchincloss familie. Ze hield van lezen, schilderen, gedichten schrijven en had een goede relatie met haar vader. De relatie met haar moeder was vaak afstandelijk.
1935-1942 The Chapin School - New York - kleuterschool en lagere school 1942-1944 Holton Arms School - Bethesda, Maryland - lagere school en eerste jaar middelbaar 1944-1947 Miss Porter's School - Farmington, Connecticut - Middelbaar 1947-1949 Vassar College - Poughkeepsie, New York - College 1949-1950 Universiteit van Grenoble en de Sorbonne - Parijs, Frankrijk - uitwisselingsprogramma 1950-1951 George Washington University - Washington, D.C. – behaalt een graad in de Franse literatuur 1954 Georgetown University- Georgetown, Washington D.C. Amerikaanse geschiedenis Toen Jackie op Vassar College zat, werd ze "Debutante van het jaar" in 1947/48. In 1951 had ze haar eerste baan voor de krant Washington Times-Herald. Haar werk bestond erin vragen te stellen aan mensen die ze ontmoette in Washington. De vragen en amusante antwoorden verschenen dan in de krant. Hierdoor leerde ze senator John F. Kennedy kennen.
In december 1951 was Jackie verloofd met de jonge effectenmakelaar John Husted. Jackie pendelde tussen New York en Washington om John te ontmoeten. In New York verbleef ze in het appartement van haar vader, Black Jack Bouvier, die erg gesteld was op John. In maart 1952 werd de verloving echter verbroken, op advies van haar moeder. Zij vond dat Husted die $17000 per jaar verdiende niet rijk genoeg was hoewel zijn familie in hoog aanzien stond, ze vond hem ook onvolwassen. Jackie ontmoette John Kennedy (bijnaam Jack) voor het eerst op het huwelijk van een gemeenschappelijke vriend in 1948. Drie jaar later kwamen ze weer met elkaar in contact in mei 1951 op een etentje bij Charles en Martha Bartlett thuis. Kennedy vergezelde haar naar de auto, maar ontdekte dat Husted haar opwachtte. In de winter van dat jaar zagen ze elkaar op een evenement in Palm Beach, Florida. Nadat de verloving van Jackie verbroken werd hielden de Bartletts een nieuw etentje op 8 mei 1952 waarop de romance tussen Jack en Jackie ontlook.
Ze trouwden op 12 september 1953 in Newport, Rhode Island. Haar bruidsjurk en die van de bruidsmeisjes werd ontworpen door Ann Lowe, een bekende modeontwerpster. De receptie werd op Hammersmith Farm gehouden met ruim 2000 gasten. Na de bruiloft keerden ze na een korte huwelijksreis terug naar Washington. In het begin van hun huwelijk ondervond senator Kennedy erg veel hinder van zijn rug door een oorlogsblessure; hij werd twee keer geopereerd. Terwijl hij herstelde van de operatie moedigde Jackie hem aan om een boek te schrijven, Profiles in Courage dat gaat over senatoren die hun carrières riskeerden om te vechten voor zaken waarin ze geloofden. Het boek kreeg de Pulitzer-prijs voor biografie in 1957. Het huwelijk verliep niet probleemloos, deels door Johns gezondheidsproblemen maar evenzeer door zogeheten verhoudingen - beide werden voor het publiek verborgen gehouden. De eerste vijf jaar van hun huwelijk woonden ze in een huis op de N Street in Georgetown, Washington. Jacqueline spendeerde in deze eerste huwelijksjaren veel van haar tijd en geld aan het herinrichten van het huis en het kopen van kleren. In 1956 werd ze voor het eerst zwanger; het zou een meisje worden dat ze Arabella noemden maar ze kreeg een miskraam. Een jaar later zou ze een dochter krijgen, Caroline. Jacqueline was erg gesteld op haar schoonvader, Joseph P. Kennedy die op zijn beurt ook op zijn schoondochter gesteld was. Hij zag dat zij veel PR-potentie had als vrouw van een politicus. Haar relatie met Rose Kennedy was meer afstandelijk. Ze kon het ook goed vinden met haar zwager Bobby. Ze kon echter niet zo goed omgaan met de competitieve en sportieve eigenschap van de Kennedy clan; ze was stiller en meer gereserveerd. Liever bracht ze de tijd alleen met John door dan met de hele familie erbij. De Kennedy zusters noemden haar "de deb" (debutante) en Jackie was er nooit happig op om mee te doen aan de familiale touch-football wedstrijden. Eén keer brak ze haar been in een honkbalwedstrijd met de familie Naam Geboren Overleden Opmerking Arabella Kennedy Jr. 23 augustus 1956 23 augustus 1956 doodgeboren dochter, begraven naast haar broer Patrick en hun vader nadat hij in 1963 vermoord werd en in 1967 in de Kennedy graftombe. Caroline Bouvier Kennedy 27 november 1957 Getrouwd met Edwin Schlossberg; heeft twee dochters en een zoon. Ze is het laatst overlevende kind van John en Jackie. John Fitzgerald Kennedy Jr. 25 november 1960 16 juli 1999 Getrouwd met Carolyn Bessette; stierf samen met haar in een vliegtuigcrash in 1999. Patrick Bouvier Kennedy 7 augustus 1963 9 augustus 1963 overleed twee dagen na zijn geboorte.
In januari 1960 kondigde senator John Kennedy aan dat hij zich kandidaat stelde voor het presidentschap en begon lange dagen te werken en door het hele land te reizen. Jackie had ook een actieve rol in de campagne. In Appleton, Wisconsin deelde ze handtekeningen uit aan leerlingen van een lagere school en zei erbij dat haar handtekening leesbaarder zou zijn dan die van haar man. De campagne in West Virginia was het zwaarste voor Jackie, ze had niet verwacht dat de regio zo arm was. Toen ze later in het Witte Huis nieuw glaswerk nodig hadden, stelde Jackie voor om het glaswerk bij Morgantown Glassware uit de verarmde staat te bestellen. Enkele weken voor het begin van de presidentiële campagne werd Jacqueline zwanger, en vanwege haar eerdere miskraam zeiden de dokters dat ze het best thuis kon blijven. Ze hielp haar man van huis uit door duizenden brieven te beantwoorden, reclamespotjes voor de televisie op te nemen en door een wekelijkse column te schrijven in een krant, Campaign Wife, die door het hele land verspreid werd. Ze werd bijgestaan door haar persoonlijke secretaresse, Mary Barelli Gallagher, die ook in het Witte Huis haar post bleef verzorgen. Ze bleef voor Jackie werken tot enkele maanden na de verhuizing van
Jackie naar New York. Datzelfde jaar publiceerde Gallagher nog de bestseller My Life with Jacqueline Kennedy. In de uiteindelijke verkiezing op 8 november 1960 versloeg John F. Kennedy nipt de Republikein Richard Nixon en werd zo president.
Mevrouw Kennedy, de president, André Malraux, Marie-Madeleine Lioux Malraux, Lyndon B. Johnson en Lady Bird Johnson komen net van de grote trap in het Witte Huis af op weg naar een diner met de Franse minister van cultuur in mei 1962. Jackie droeg een jurk die ontwerpen werd door Guy Douvier van Christian Dior. Jackie beviel, via een keizersnede, van John F. Kennedy Jr. twee weken nadat zijn vader werd verkozen. Kort daarna kreeg Jackie een rondleiding door het Witte Huis van Mamie Eisenhower die haar niet zei dat er een rolstoel was om te gebruiken. Toen ze thuiskwam stortte ze in en had nog steeds geen goede gezondheid toen ze het Witte Huis betraden in januari 1961. Ze was een van de jongste first lady’s in de geschiedenis, net na Frances Cleveland. Jacqueline vond de titel first lady niet zo prettig, ze vond dat het klonk als een paardennaam. Ze vroeg om aangesproken te worden als mevrouw Kennedy. Zoals elke First lady kwam haar leven in het publieke oog. Ze vond het zelf niet erg om interviews te geven of om gefotografeerd te worden maar ze maakte zich wel zorgen over welk effect het zou hebben op de kinderen. Ze was vastbesloten hen te beschermen zodat ze een normale kindertijd zouden hebben. Ze liet maar weinig foto’s van hen nemen, maar als ze weg was liet de president wel foto’s nemen van de kinderen door fotograaf Cecil Stoughton. Mevrouw Kennedy plande vele culturele evenementen, ze inviteerde artiesten, schrijvers, wetenschappers, dichters en muzikanten op het Witte Huis. Ze sprak vloeiend Frans en kon ook Spaans en Italiaans. Ze was ook erg handig in het aangenaam bezighouden van mensen waardoor ze een uitstekende reputatie kreeg als gastvrouw. Haar sociale vaardigheden waren legendarisch, zoals kan worden opgemerkt uit de manier waarop ze omging met president De Gaulle in Parijs en Nikita Chroesjtsjov in Wenen. Het bezoek van de president aan Wenen bleek een ramp te zijn maar Jackie maakte vele dingen goed. Toen aan Chroesjtsjov gevraagd werd om Kennedy een hand te geven voor een foto, zei de communistische leider dat hij liever eerst haar een hand zou geven.
Door haar Franse afkomst, voelde ze een sterke band met Frankrijk. Dit reflecteerde in vele aspecten van haar leven, bijvoorbeeld voor de menu’s op staatsdiners, haar kledingsmaak en liefde voor ballet. Ze koos voor de Franse binnenhuisarchitect Stéphane Boudin van Maison Jansen om de privéfamilievertrekken op de tweede en derde verdieping opnieuw in te richten. Ze koos een Franse kok, die in Vietnam (voormalige kolonie) geboren was om chef-kok te worden in het Witte Huis.
De restauratie van het Witte Huis was het eerste grote project van Jacqueline. Ze vond de eerste rondleiding in het huis, gegeven door Mamie Eisenhower, maar niets omdat er weinig historische dingen terug te vinden waren. In de kamers stonden meubelen die volgens haar geschiedenis misten. Haar inspanningen begonnen al op haar eerste dag in het Huis, met de hulp van decorateur Sister Parish. De familievertrekken moesten aantrekkelijker gemaakt worden en meer geschikt voor een familieleven, er kwam een nieuwe keuken en meer plaats voor de kinderen. De fondsen die beschikbaar gesteld werden voor dit project waren al snel uitgeput. Ze richtte een comité op om het restauratieproces te financieren. Ze vroeg ook meubelexpert Henry du Pont om raad. Haar beleid werd in die tijd bijna niet opgemerkt, behalve in roddels dan die ontstonden over de hoge kosten. Later werd wel duidelijk dat ze de verschillende stijlen van Parish, du Pont en Boudin goed had aangepakt. Ze startte ook de publicatie van een handleiding over het Witte Huis. Met de opbrengsten
daarvan betaalde ze de rest van de restauratie. Door haar kwam er ook een wet die vastlegde dat meubels uit het Witte Huis eigendom werden van de Smithsonian Institutionen dat ze niet konden meegenomen worden door vertrekkende ex-presidenten. Ze schreef ook persoonlijke verzoeken aan degenen die stukken van historische waarde hadden om ze terug te schenken aan het Witte Huis. Op 14 februari 1962 gaf Jackie een rondleiding in het Witte Huis op de televisie samen met journalist Charles Collingwood van de CBS, daar zei ze onder andere dat ze wou dat alles in het Witte Huis het beste was. Samen met Rachel Lambert Mellon liet ze ook de rozentuin van het Witte Huis opnieuw aanleggen en de oostelijke tuin, die na de moord op haar man werd omgedoopt in de Jacqueline Kennedy Garden. Haar inspanningen voor restauratie en behoud van het Witte Huis zorgde voor een permanente nalatenschap in de vorm van de White House Historical Association, het Committee for the Preservation of the White House, een permanente curator, het White House Endowment Trust en het White House Acquisition Trust.
Alvorens de Kennedy’s Frankrijk bezochten kwam er een televisiespecial in het Frans met Jackie op het gazon van het Witte Huis. Toen ze het land bezochten had ze al de harten van de Fransen veroverd, haar vloeiende Franse uitspraak maakte ook indruk op de Gaulle en de Fransen. Na het bezoek schreef het tijdschrift Time, dat erg opgetogen was over de first lady, "er was ook nog een man die bij haar was". Zelfs de president grapte erover en zei "Ik ben degene die Jacqueline Kennedy naar Parijs vergezelde, en ik heb ervan genoten!"
Op aandringen van John Kenneth Galbraith, de Amerikaanse ambassadeur in India ondernam Jackie een reis naar India en Pakistan, samen met haar zuster Lee, de reis werd goed gevolgd door de pers. Galbraith viel een merkbare scheiding op tussen haar eigenzinnige kledingsmaak en andere frivoliteiten enerzijds en haar goede intellect anderzijds. In Lahore gaf de Pakistaanse president Ayub Khan zijn paard Sardar aan Jackie cadeau. Later ontmoette ze ook nog de Iraanse keizerin Farah Pahlavi.
Jackie kreeg op 7 augustus 1963 een zoontje Patrick Bouvier Kennedy, dat te vroeg geboren werd via een keizersnede. Doordat zijn longen niet volledig ontwikkeld waren kon Patrick niet ademen en stierf na twee dagen tot Jackies groot verdriet. Na het verlies van haar zoontje hield Jacqueline zich op de achtergrond in het Witte Huis. De president stelde voor dat ze haar zuster in Europa zou bezoeken om te herstellen van Patricks dood. Ze bracht heel wat tijd door in de regio rond de Middellandse Zee tijdens de vroege herfst, waarbij zij en haar zuster onder andere te gast waren op het jacht Christinavan Aristoteles Onassis. Midden november 1963 maakte ze weer haar eerste publieke optreden in het Witte Huis.
In november 1963 ging het koppel op campagnereis naar Texas. Op 21 november begonnen ze in San Antonio en gingen dan door naar Houston waar ze de NASAbezochten. De laatste halte die dag was Fort Worth. Na het ontbijt de volgende dag vlogen ze naar Dallas. Hij werd begeleid door een motorbrigade terwijl hij met Jackie in een limousine zat met een open dak. Vicepresident Johnson en zijn vrouw Lady Bird zaten in de wagen achter hen. Tijdens het rijden door de menigte werd de president neergeschoten. Jackie klom uit de achterzit, niet om uit de limousine te vluchten (zoals regelmatig is beweerd), maar om een deel van de hersenen van haar net beschoten man vast te grijpen. Het bewijs daarvoor werd ontdekt in onder meer de roemruchte Zapruder film, maar ook in verklaringen die later zijn afgelegd. De limousine reed in volle vaart naar het Parkland Hospital alwaar de president overleed.
Na zijn dood weigerde ze haar kleren, die onder het bloed zaten, weg te doen en had er spijt van dat ze het bloed van haar gezicht en handen had afgewassen, omdat ze wilde laten zien aan de mensen wat ze haar hadden aangedaan. Ze had het beroemde roze pakje aan in het vliegtuig toen Lyndon B. Johnson de eed aflegde als nieuwe president. Nadat Jaqueline het pakje had verwisseld voor andere kleding, werd het door haar kamermeisje -ongewassen- in een doos gedaan, waarna het bij de moeder van de weduwe terechtkwam. Die zette de tekst "22 november 1963" op het deksel van de doos, waarna die in haar kelder verdween. Jaren later werd de doos aan The Nationale Archives geschonken, waar hij nog steeds ligt; 'unexposed to the public', zoals in een tv-reportage over de inmiddels historische kledingstukken wordt gesteld.
Jacqueline Kennedy in Givenchy, Robert Kennedy, John Jr., Caroline, en Peter Lawford verlaten het Capitool na de ceremonie van John Fitzgerald Kennedy op 24 november 1963 De hele natie was in de rouw na het overlijden van de president. Hij lag eerst opgebaard in het Witte Huis en daarna in het Capitool. De staatsbegrafenis werd gehouden in de St. Matthews Cathedral. Hij werd begraven op het Arlington National Cemetery en Jackie was de eerste om de eeuwige vlam aan te steken bij zijn graf. Reporter Lady Jean Campbell vertelde aan de Engelse krant Evening Standard: "Jacqueline Kennedy heeft de Amerikanen iets gegeven wat ze altijd misten: een koningin." Na de moord trok ze zich terug uit het publieke leven. Ze werd gespaard bij het proces van de van de moord verdachte Lee Harvey Oswald, die kort daarop doodgeschoten werd door nachtclubeigenaar Jack Ruby. Ze maakte wel een kort optreden in Washington om geheim agent Clint Hill te eren, die in de limousine klom om haar en de president te beschermen Een week na de moord werd de weduwe van de president geïnterviewd in Hyannisport voor het tijdschrift Life. Daarin vergeleek ze haar jaren in het Witte Huis met die van Koning Arthurs mythische Camelot, ze zei dat John vaak de titelsong van de musical Camelot van Lerner en Loewe draaide voor ze gingen slapen. Ze citeerde ook koningin Guinevere uit de musical om zich uit te drukken hoe ze haar verlies aanvoelde: "Nu is hij een legende, terwijl hij verkoos om een man te zijn." Door haar gedrag tijdens de moord en begrafenis won ze de bewondering van velen over de gehele wereld. In het geheim kampte ze met gedachten over zelfmoord, maar ze vertelde haar vrienden en familieleden dat het haar kinderen waren die haar op de been hielden. Na de dood van John bleven Jackie en de kinderen nog twee weken in het Witte Huis. Oud-president Truman moedigde Lyndon Johnson aan om Jackie aan te sporen eerder te vertrekken dan gepland, omdat het nu zijn presidentieel vertrek was. Nadat ze Lady Bird Johnson had rondgeleid zei ze: "Wees niet bang van dit huis, ik heb hier mijn gelukkigste jaren gehad.".
Na de winter van 1964 nog in Washington te hebben doorgebracht besloot ze een luxueus appartement te kopen op Fifth Avenue in New York, in de hoop meer privacy te krijgen. Ze verkocht het huis dat in Virginia gebouwd was en waar zij en John met pensioen zouden zijn gegaan. Ze rouwde een jaar lang, trad niet in de openbaarheid en was erg op haar privacy gesteld. Haar dochter Caroline vertelde in die tijd tegen haar schooljuffrouw dat haar moeder vaak huilde. In mei 1965 wijdden Jacqueline Kennedy en Koningin Elizabeth II een officieel gedenkteken in voor de president in het Engelse plaatsje Runnymede. Het gedenkteken omvatte naast een steen enkele aren grond die door het Verenigd Koninkrijk aan de Verenigde Statenwerd gegeven op de weide waar de Magna Carta werd ondertekend door Jan zonder Land in 1215. Ze was ook betrokken bij de plannen voor de John F. Kennedy Library, een bewaarplaats voor alle officiële documenten tijdens de ambtstermijn van de president. De bibliotheek zou eerst
in Cambridge, Massachusetts komen, dicht bij de universiteit van Harvard maar om verscheidene redenen kwam hij uiteindelijk in Boston. De bibliotheek heeft ook een museum en werd in 1979 ingewijd door president Carter, bijna 16 jaar na de moord. Regeringen van vele landen schonken geld om de bibliotheek te bouwen.
Op 20 oktober 1968 trouwde Jacqueline met Aristoteles Onassis, een Griekse scheepsmagnaat, op het Griekse eiland Skorpios. Vier en een halve maand eerder werd haar eerdere zwager senator Robert F. Kennedy vermoord in Los Angeles. Op dat moment vond Jackie dat de Kennedy’s een doelwit waren en dat zij en haar kinderen weg moesten uit de Verenigde Staten. Een huwelijk met Onassis was zinvol: hij had het geld en de macht om haar de nodige bescherming te geven terwijl zij het sociale cachet had waar hij naar hunkerde. Hij beëindigde zijn relatie met operadiva Maria Callas om met haar te trouwen. Jackie gaf de bescherming van de geheime dienst op en het privilege om gratis brieven te verzenden, een privilege waar weduwen van presidenten recht op hebben. Het huwelijk kreeg een tijdje negatieve publiciteit en leek haar imago van rouwende weduwe aan te tasten. Anderen zagen het huwelijk echter als een positief symbool voor de moderne Amerikaanse vrouw die niet bang was om voor haar eigen financiële belangen te zorgen en haar familie te beschermen. In het begin leek het huwelijk een succes maar al snel werd duidelijk dat dit niet zo was. Het koppel bracht samen weinig tijd door. Onassis kon wel goed opschieten met Caroline en John Junior, zijn zoon Alexanderintroduceerde John in de vliegkunst (ironisch gezien zouden ze later allebei in een vliegtuigongeluk omkomen). Jackie kon niet opschieten met haar stiefdochter Christina Onassis en besteedde veel tijd aan reizen en winkelen. In de jaren 70 wilde Jackies zuster Lee een documentaire opnemen met Albert en David Maysles over de jeugd van Jacqueline in East Hampton. Rond dezelfde tijd kregen haar tante langs vaders kant Edith Ewing Bouvier Beale (Big Edie) en diens dochter Little Edie ongewilde nationale aandacht toen de krant National Enquirer de betreurenswaardige levensomstandigheden bekendmaakte waarin de familie zich bevond in hun landhuis in East Hampton, Grey Gardens. Hierna beval de gezondheidsinspectie om het huis op te ruimen nadat het in verval was geraakt en overspoeld werd door wilde katten. Jackie en Aristoteles schonken $32000 om het huis op te ruimen, het opnieuw te bemeubelen, nieuwe leidingen te laten aanleggen en 1000 zakken vuilnis weg te brengen. De gebroeders Maysles interviewden de Edies en lieten de beelden aan Lee Radziwill zien, die de film in beslag nam. Uiteindelijk werd er toch een documentaire gemaakt die zich focuste op de Edies in plaats van de first lady. Onassis was in het eerste stadium voor het aanvragen van de echtscheiding toen hij overleed op 15 maart 1975; Jacqueline was met haar kinderen in New York. De erfenis was beperkt door een voorhuwelijks contract en door het feit dat Onassis de Griekse regering ervan overtuigde dat er een limiet moest staan op hoeveel een niet-Griekse weduwe kon erven. Jacqueline aanvaardde het aanbod van $26.000.000 dat Christina haar deed.
Toen een paparazzo Jackie naakt fotografeerde op Skorpios, kocht Larry Flynt, uitgever van het pornografische magazine Hustler, de foto’s op en publiceerde ze in de editie van 1975. Dit tot grote schaamte van Jackie en de Kennedy familie, hoewel haar schoonmoeder Rose geamuseerd was door de foto’s.
De dood van Aristoteles Onassis in 1975 maakte haar op 46-jarige leeftijd voor de tweede keer weduwe. Nu haar kinderen ouder waren, besloot ze werk te zoeken dat haar voldoening kon geven. Aangezien ze altijd al gesteld was geweest op schrijven en literatuur nam ze een aanbod aan als uitgever voor Viking Press. Een paar jaar later stapte ze over naar Doubleday. Ze deed grote moeite om Frank Sinatra, de Hertogin van Windsor en koningin Elizabeth II toe te voegen aan de lijst van auteurs voor Doubleday, maar telkens zonder succes. Ze woonde in Martha's Vineyard en in New York. Vanaf het midden van de jaren 70 tot aan haar dood was haar levensgezel Maurice Tempelsman, een in België geboren en al jaren gescheiden diamantair. Jacqueline Onassis waardeerde de bijdragen van Afro-Amerikaanse schrijvers aan de Amerikaanse literatuur. Ze moedigde haar buurvrouw in Martha’s Vineyard, Dorothy West, aan het boek The Wedding af te maken: een verhaal over rassen, klassen, rijkdom en macht in de Verenigde Staten. De novelle kreeg grote literaire waardering nadat ze in 1995 door Doubleday werd gepubliceerd. Oprah Winfrey introduceerde in 1998 het verhaal aan miljoenen Amerikanen met een eveneens The Wedding getitelde televisiefilm, waarin Halle Berry een hoofdrol speelde. In het voorwoord van haar boek vermeldt Dorothy West de steun van Jacqueline Onassis. Jacqueline Onassis zette zich ook in voor het behoud en de bescherming van Amerika’s culturele erfgoed. In haar tijd als first lady protesteerde ze tegen de sloop van historische huizen op Lafayette Square in Washington, omdat ze van mening was dat deze gebouwen een essentiële rol speelden in de geschiedenis van de stad. Later voerde ze campagne om het station Grand Central Terminal in New York te renoveren. In de Terminal is een gedenkteken geplaatst, dat haar prominente rol bij het behoud memoreert. In de jaren 80 protesteerde ze tegen plannen om bij Columbus Circle in New York een wolkenkrabber te bouwen, die een grote schaduw zou werpen over Central Park. En vanuit haar appartement op Fifth Avenue in New York had ze uitzicht op de vleugel van het Metropolitan Museum of Art waarin de tempel van Dendur stond. Dit was een geschenk van Egypte aan de Verenigde Staten, om het land te bedanken voor de generositeit van de Kennedy’s, die hadden meegeholpen bij het redden van enkele historische tempels die anders overstroomd zouden zijn na de bouw van de Aswandam. In januari 1994 werd bij Jacqueline Onassis non-Hodgkin vastgesteld, een vorm van kanker. De diagnose werd in februari bekendgemaakt. De familie was aanvankelijk optimistisch. Haar dochter stond erop dat ze zou stoppen met roken. Jacqueline Onassis bleef werken bij Doubleday, maar deed het wel rustiger aan. In april bleek de kanker zich te hebben uitgezaaid en werd ze opgenomen in een ziekenhuis in New York. Op 18 mei ging ze voor het laatst naar huis. Een grote menigte sympathisanten, toeristen en verslaggevers verzamelde zich buiten haar appartement op straat. Jacqueline Onassis overleed op vrijdag 19 mei 1994 om 22.15u in haar slaap, op 64-jarige leeftijd. De begrafenis vond plaats op 23 mei in de rooms-katholieke kerk Saint Ignatius Loyola, dezelfde kerk waar ze in 1929 gedoopt was. Ze werd naast president Kennedy begraven, dicht bij hun zoon Patrick en dochter Arabella, in Arlington, Virginia.
Net zoals bij haar echtgenoot wordt Jackie herinnerd: De Jacqueline Kennedy Onassis High School, werd ingewijd in 1995 in New York en is de enige school in Amerika met die naam. De grootste vijver in Central Park werd in 2006 omgedoopt in het Jacqueline Kennedy Onassis Reservoir. In de George Washington-universiteit is een hal die de Jacqueline Kennedy Onassis Hall heet.
In het Witte Huis is een tuin die, kort na de dood van haar man, werd omgedoopt in de Jacqueline Kennedy Garden. In 2016 kwam er een biografische film over haar uit over de periode voorafgaande, tijdens en na de moord op haar man, getiteld Jackie.
vandaag jaren terug 28juli 1741 vivaldi
vandaag jaren terug 28juli 1741 vivaldi28 juli 1741 Antonio Lucio Vivaldi (Venetië, 4 maart 1678 – Wenen, 28 juli 1741) was een Italiaans violist, priester en componist. Hij is vooral bekend van De vier jaargetijden, een cyclus van vier vioolconcerten Antonio Lucio Vivaldi werd geboren in Venetië, mogelijk tijdens een aardbeving. Zijn vader, die kapper en violist was, hielp hem met zijn carrière in de muziek en meldde hem aan bij de Cappella di San Marco, waar vader Vivaldi zelf een vooraanstaand violist was. In 1703 werd Vivaldi priester. Hij kreeg al snel de bijnaam Il Prete Rosso ("de rode priester"), vermoedelijk vanwege zijn rode haar. Vanaf 1704 hoefde hij niet meer deel te nemen aan de heilige mis in verband met zijn slechte gezondheid: hij leed aan astma. Maar volgens sommigen mocht hij de mis niet meer opdragen omdat, als hij inspiratie kreeg voor een nieuw muziekstuk, hij dat gewoon ging opschrijven tijdens de mis. Vivaldi werd violist in een meisjesweeshuis in Venetië, het Pio Ospedale della Pietà. De musicerende wezen stegen snel in aanzien, ook in het buitenland. Omdat meisjes eigenlijk geen muziek mochten spelen, gaven zij concerten van achter een doek. Voor hen schreef Vivaldi de meeste van zijn concerten, cantates en gewijde muziek. In 1705 werd de eerste verzameling (raccolta) van zijn werk gepubliceerd en er zouden er nog vele volgen. Als hij niet op een van zijn vele reizen was, vervulde Vivaldi verschillende taken in het weeshuis. In 1713 kreeg hij de verantwoordelijkheid voor alle muzikale activiteiten in het instituut. Hij overleed in 1741 op 63-jarige leeftijd.
Vivaldi was een zeer productieve componist. Zijn werk omvat onder andere: meer dan 500 concerten (waarvan 223 voor viool en 27 voor cello); 46 opera's; 14 sinfonia's voor strijkers; 73 sonates; kamermuziek; gewijde muziek (het oratorio Juditha Triumphans, geschreven voor de Pietà, twee Gloria's, een Stabat Mater, de psalmenNisi Dominus en Beatus Vir, het Magnificat, Dixit Dominus en andere); zijn beroemdste werk is Le Quattro Stagioni (De vier jaargetijden). Weinig bekend is het feit dat het grootste deel van zijn werk in de eerste helft van de twintigste eeuw werd herontdekt, maar pas in de tweede helft uitgegeven. Sommige fluitsonates, zoals Il Pastor Fido, worden ten onrechte wel aan hem toegeschreven in plaats van aan Nicolas Chedeville. Tijdens zijn leven werden er al verschillende werken gepubliceerd. Zij kregen allen een opusnummer (van opus 1 tot opus 13). In de 20ste eeuw werden er verschillende pogingen ondernomen om een volledige catalogus van zijn werk op te stellen. De volledigste catalogus is die van Peter Ryom, genaamd de Ryom-Verzeichnis, gepubliceerd in 1973. De afkorting RV met nummer wordt meestal gebruikt om een werk te identificeren. Vivaldi's muziek is vernieuwend. Zijn composities waren helder, met harmonische contrasten, en Vivaldi slaagde er vaak in vernieuwende melodieën en thema's te bedenken. Van belang is ook dat zijn muziek bedoeld was om ook de massa aan te spreken, in plaats van alleen de intellectuele elite. Het vrolijke karakter van zijn muziek weerspiegelt Vivaldi's eigen plezier in het componeren, en is een belangrijke reden voor de enorme populariteit van zijn werk. Vivaldi werd hierdoor ook snel beroemd in Frankrijk, een land dat toentertijd muzikaal gesproken erg opgesloten zat in bestaande structuren. Hij wordt wel beschouwd als één van de componisten die ervoor zorgde dat de Barokmuziekeen impressionistische stijl kon ontwikkelen. Daarmee wordt hij soms gezien als voorloper van de componisten van de Romantiek. Johann Sebastian Bach werd sterk beïnvloed door zijn concerten. In latere tijden waren
niet alle componisten even enthousiast: Igor Stravinsky zei chargerend dat Vivaldi niet honderden concerten had geschreven, maar slechts honderden variaties op één en hetzelfde concert. Vandaag de dag worden ook zijn opera's langzamerhand herontdekt, zoals Dorilla in Tempe, Ottone in villa en Orlando furioso. Hoewel Vivaldi priester was, wordt hij verondersteld vele liefdesaffaires gehad te hebben, onder meer met de zangeres Anna Giraud. Met haar werd hij ervan verdacht plagiaatgepleegd te hebben ten aanzien van enkele oude Venetiaanse opera's die hij een beetje aanpaste aan haar stem. Dit bracht hem in conflict met Benedetto Marcello, die een pamflet tegen Vivaldi schreef.
vandaag jaren terug 28 juli 1750 bach
vandaag jaren terug 28 juli 1750 bach28 juli 1750 Johann Sebastian Bach (Eisenach, 21 maart 1685 – Leipzig, 28 juli 1750) was een Duitse componist van barokmuziek, organist, klavecinist, violist, muziekpedagoog en dirigent. Hij wordt door de meeste muziekwetenschappers beschouwd als een van de grootste en invloedrijkste componisten uit de geschiedenis van de klassieke muziek vanwege de inventiviteit waarmee hij melodie, harmonie en ritme, maar ook diverse muziekstijlen uit zijn tijd en dansvormen combineerde, wat vele componisten na hem inspireerde en wat ze ook trachtten te evenaren. Zijn omvangrijke oeuvre, dat door Wolfgang Schmieder thematisch voor het eerst werd gecatalogiseerd en gerubriceerd, aanvankelijk slechts ten behoeve van de Duitse muziekuitgeverij Breitkopf & Härtel als uitleen- en publicatiecatalogus, in de Bach-WerkeVerzeichnis (BWV), valt met name op door groot componeertechnisch vakmanschap en – voor velen – een sterke emotionele zeggingskracht [bron?]. Het is een unieke synthese van de verworvenheden van de meerstemmige, polyfone muziek met die van de eenstemmige, de monodie. Bach wordt, met Claudio Monteverdi en Jean-Philippe Rameau, als hoogtepunt van de muzikale barok (ca. 1600 - ca. 1750) beschouwd. Zijn overgeleverde muziek, die pas vanaf circa 1800 in grote oplagen gepubliceerd werd, is ook van grote betekenis gebleken voor vele componisten na hem. In zijn behandeling van polyfonie en harmonie bereikte Bach een kwaliteit waarin hij de grenzen van wat tot dan toe gerealiseerd was in de klassieke muziek verre overschreed. Bachs oeuvre omvat vrijwel alle stijlen en vormen die in zijn tijd gangbaar waren, met uitzondering van opera
Bach werd geboren op 21 maart 1685 te Eisenach in de huidige Duitse deelstaat Thüringen als telg van een oud muzikaal geslacht (over 7 generaties telde het meer dan 120 musici). Hij werd gedoopt op 23 maart in de Sankt Georgenkirche, gelegen op het centrale stadsplein van Eisenach waaraan ook het stadskasteel van de vorsten van Sachsen-Eisenach is gelegen. Als tweede naam kreeg de dopeling de naam van zijn peetoom, Sebastian Nagel, stadsblazer uit Gotha. Hij kreeg al op zeer jonge leeftijd vioollesvan zijn vader Johann Ambrosius Bach.
Op negenjarige leeftijd werd hij wees en kwam hij terecht in het gezin van zijn oudste broer Johann Christoph Bach III, die kerkorganistwas in het stadje Ohrdruf. Hij merkte het bijzondere muzikale talent van de jonge Johann Sebastian op en bracht zijn jongste broer de beginselen van het muziekmaken in extenso bij, vooral wat betreft het bespelen van het orgel en het klavier. In deze periode begon Bach, voornamelijk op eigen kracht, met componeren. Hierbij dienden composities van andere meesters – afkomstig uit de muziekverzameling van zijn oudste broer – als voorbeelden. Een belangrijk deel van de zogeheten Neumeister-koralen die in 1985 in Yale University ontdekt werden – een verzameling van enkele tientallen korte koraalvoorspelen voor orgel – dateert grotendeels uit deze vroege periode. Rond 1700 werd de gezinswoning van zijn broer, waar de jonge Johann Sebastian woonde, te klein. Zijn broer was getrouwd en had inmiddels twee kinderen met een derde op komst. Johann Sebastian kreeg een beurs om gedurende drie seizoenen op het Michaelisgymnasium in Lüneburg in NoordDuitsland te studeren. Op deze school kreeg Johann Sebastian Bach vermoedelijk muziekles van cantor August Braun en van organist F.C. Morhard. In de periode dat Bach op deze school verbleef werd het orgel gerenoveerd en de renoveerder, J.B. Held, logeerde in de school, wat Bach de mogelijkheid moet hebben gegeven om zich diepgaand te informeren over orgelbouw. In Lüneburg was destijds Georg Böhm organist van de Sankt Johanneskirche. Johann Sebastian Bach was een bewonderaar van het spel en de composities van Böhm en bestudeerde deze ijverig. Ondanks het feit dat de relatie tussen het koor van de Johanneskirche en het koor van het Michaelisgymnasium niet goed was, hadden Bach en Böhm in deze tijd meermalen contact. Een later door Bachs tweede zoon Carl Philipp Emanuel Bach gesuggereerde leraar-leerlingverhouding tussen Georg Böhm en de jonge Johann Sebastian Bach blijkt sterkere papieren te hebben dan tot recent werd aangenomen. Dit blijkt uit een door Bach zelf in 1700 ten huize van Georg Böhm vervaardigde kopie van het
orgelwerk An Wasserflüssen Babylon van de Hamburgse meesterorganist en geboortige Deventernaar Johann Adam Reincken. Na de slotmaten staat de volgende door Bach gedateerde en naar Böhm verwijzende tekst: â Dom. Georg: Böhme | descriptum aõ. 1700 | Lunaburgi. Het documenteert de nauwe band in die tijd tussen Georg Böhm en zijn jonge 'meesterleerling' Bach. Uit Forkels Bachbiografie blijkt evenwel dat Bachs zoon in 1775 de verhouding Böhm-Bach als meester-leerling relativeert. C.P.E. Bach noemde Böhm aanvankelijk Bachs leraar, maar sprak daarna meer neutraal over de Lüneburgse componist Böhm.[1]
In zijn 18e levensjaar vond Bach tijdelijk werk aan het hertogelijke hof in Weimar als lakei zoals rekeningen dit vermelden. Veel waarschijnlijker is het dat hij toen reeds, onder bescherming van de toenmalige Weimarer hoforganist Johann Effler (een oude relatie van Bachs vader Johann Ambrosius), aldaar voor het eerst als beroepsmusicus is opgetreden, als plaatsvervangend hoforganist. Niet lang daarna, op 13 juli 1703, wijdde hij het nieuwe orgel in van de Neue Kirche (thans Bachkirche) in Arnstadt. Vermoedelijk deed hij dit onder andere door het vertolken van een van zijn orgelcomposities, de Toccata con Fuga in d-moll, waarvoor de briljante Noord-Duitse orgelspeelstijl van Johann Adam Reincken en Dietrich Buxtehude – hun composities en improvisatietalent had hij tijdens zijn verblijf in Lüneburg onder andere bij Böhm en tijdens excursies naar het nabijgelegen Hamburg leren kennen – model hebben gestaan. Bach werd in de kasregisters van de Neue Kirche niet geheel ten onrechte als hoforganist uit Weimar genoemd. Vrijwel zeker ontving hij voor het inwijden van het orgel een riante financiële vergoeding. Een maand later werd Bach tot organist van de Neue Kirche in Arnstadt benoemd. Ook voor deze functie werd Bach – gezien zijn leeftijd en staat van dienst op dat moment – royaal betaald (hij verdiende ongeveer het dubbele van wat zijn opvolger zou krijgen). Niet ondenkbaar is dat hij bevoordeeld werd door de invloed van een prominent familielid, de ziekenhuisdirecteur en vroegere burgemeester van Arnstadt Martin Feldhaus. Feldhaus moest zich enkele jaren later voor het gerecht verantwoorden wegens geldverduistering en werd uit al zijn ambten ontheven. Volgens zijn contract moest Bach de zondagse kerkdienst, een gebedsuur op maandag en de vroege preek op donderdag op het orgel begeleiden. Verder had hij contractueel geen verplichtingen. Bach weigerde – mede op grond van dit contract – dan ook regelmatig met het schoolkoor van zijn kerk te musiceren. Waarschijnlijk speelde hierbij een rol dat Bach het koor en het orkest te matig van kwaliteit vond. Dit leidde tot enkele conflicten, waaronder een serieus treffen met de student Johann Heinrich Geysersbach die, nadat Bach tijdens een repetitie beledigende opmerkingen zou hebben toegevoegd over diens muzikale kwaliteiten, Bach in het gezicht sloeg, waarna Bach zich met een degen verdedigde. Nadat deze zaak onderzocht was, werd Bach aangeraden toch met het koor te musiceren. In plaats hiervan nam Bach voor vier weken verlof op en vertrok te voet naar de Noord-Duitse stad aan de Oostzee Lübeck. Bach wilde zich hier, zoals hij later zou verklaren, bij Dietrich Buxtehude, de organist van de Sankt Marienkirche (tevens componist en concertondernemer), in zijn kunstzinnige vaardigheden gaan verdiepen. Bach bleef veel langer weg dan de overeengekomen vier weken en kwam pas na vier maanden (in januari 1706[2]) terug in Arnstadt. Hij werd hiervoor door het consistorium berispt. Tegelijkertijd werd hem meegedeeld dat zijn begeleidingen op orgel van de massaal gezongen kerkliederen ‘te ingewikkeld waren’ waardoor de gemeente in de war raakte, dat zijn voorspelen bij binnenkomst te lang waren en dat hij nog steeds weigerde om met het schoolkoor te musiceren. Bach reageerde op het verwijt dat zijn koraalzang-inleidingen te lang waren, door voortaan alleen veel te korte begeleidingen te vertolken; op de andere punten reageerde hij niet of met maanden vertraging. Ondanks conflicten was Bachs 'Sturm und Drang'-periode in Arnstadt wel de tijd waarin hij, zoals zijn zoon Carl Philipp Emanuel Bach later zou schrijven, 'de eerste vruchten van zijn vlijt' toonde: in
Arnstadt ontstonden namelijk zijn eerste cantates (in relatief kleine bezetting), alsook de eerste representatieve orgelwerken in grote vorm.
Een jaar nadien, in 1707, werd Bach organist van de Blasiuskirche in de vrije rijksstad Mühlhausen. In vergelijking met zijn vorige baan betekende deze aanstelling voor Bach een vooruitgang. De 'vrije rijksstad' Mühlhausen was een veel grotere stad dan Arnstadt en de functie van organist in de Blasiuskirche stond in de stad in hoog aanzien, in tegenstelling tot de functie van organist in de Neue Kirche in Arnstadt. In het contract was overeengekomen dat Bach een jaarsalaris van 85 florijnen zou ontvangen (hetzelfde salaris als hij in Arnstadt had ontvangen, maar twintig florijnen meer dan dat van zijn voorganger) en daarnaast een salaris in natura (brandhout, aanmaakhout en graan). Als tegenprestatie werd van Bach verwacht dat hij zich loyaal tegenover het stadsbestuur zou opstellen en dat hij "zich bereid zou tonen om de taken die van hem werden verwacht uit te voeren en te allen tijde beschikbaar zou zijn en zich met name oprecht en ijverig in zou zetten voor diensten op zondagen, feestdagen en andere heilige dagen, dat hij het orgel dat hem was toevertrouwd op zijn minst in goede conditie zou houden, dat hij de daartoe aangewezen personen op de hoogte zou brengen van enig defect en dat hij zorgvuldig zou toezien op de reparaties en de muziek".[3] Verder werd – stilzwijgend – van Bach verwacht dat hij zou samenwerken met de stadsmusici en met koorzangers en instrumentalisten van het plaatselijke gymnasium. Op 1 juli 1707 trad Bach in dienst. In Mühlhausen ging Bach voor het eerst in zijn leven zelfstandig wonen. Korte tijd na zijn indiensttreding (op 17 oktober) trouwde hij met zijn achternicht Maria Barbara Bach, dochter van de gerenommeerde componist Johann Michael Bach. Ze trouwden in de dorpskerk van Dornheim, 3 km ten noordoosten van Arnstadt. Begin februari 1708 voerde Bach daar zijn eerste cantate in zeer grote vocaal-instrumentale bezetting uit: Gott ist mein König, dat hoogstwaarschijnlijk gemodelleerd is naar twee grote oratoriumcomposities van Dietrich Buxtehude, bij wie Bach ruim twee jaar eerder in Lübeck op bezoek was geweest. De cantate – officieel met 'Motetto' aangeduid – werd geschreven ter gelegenheid van de (jaarlijkse) verkiezing van het nieuwe stadsbestuur van Mühlhausen. De autoriteiten waren dermate onder de indruk van de compositie dat zij besloten om het muziekstuk in gedrukte vorm, in aparte stemboeken, uit te geven (een eer die eertijds reeds beroemde componisten als Georg Philipp Telemann en Georg Friedrich Händel nog niet was toegevallen). In juni 1708 vertrok Bach naar Weimar, alwaar het orgel van de hofkapel net was gerestaureerd. Bachs beschermer, de hoforganist Johann Effler, was ziek en vond zichzelf niet in staat om het gerestaureerde orgel te keuren en in te wijden. In plaats hiervan vroeg hij Bach over te komen om deze taak uit te voeren. Dit deed Bach en zijn orgelspel viel bij hertog Willem Ernst van SaksenWeimar dermate in de smaak dat Bach een aanbod kreeg hoforganist te worden tegen een jaarsalaris van 150 florijnen. Bach ging onmiddellijk akkoord met dit aanbod en tekende op 20 juni 1708 het contract. Vijf dagen later, op 25 juni 1708, diende hij in Mühlhausen zijn ontslag in. In zijn ontslagbrief schreef Bach dat hij door dit salaris een "aangenamer leven kon leiden" (zijn vrouw was net zwanger van hun eerste kind) en daarnaast dat hij in Weimar alleen met professionele musici hoefde te werken. Ondanks het feit dat het snelle vertrek van Bach werd betreurd, bleef de verstandhouding tussen Bach en Mühlhausen goed. De volgende jaren zou Bach nog tweemaal een cantate bij de verkiezing van het nieuwe stadsbestuur van Mühlhausen componeren en persoonlijk overkomen om de uitvoeringen te leiden. Beide cantates zijn verloren gegaan. Later, in 1735, zou Bachs derde zoon Johann Gottfried Bernhard Bach in Mühlhausen organist worden in de Marienkirche, de lutherse hoofdkerk van Mühlhausen. Bij de auditie van zijn zoon werd Johann Sebastian Bach als eregast ontvangen en inspecteerde hij gratis het orgel van deze kerk.
In 1708 werd Bach hoforganist en kamermusicus, later concertmeester van Willem Ernst, hertog van Saksen-Weimar, een streng gelovig, vrij autoritair regerend, maar kunstminnend vorst. In deze
periode componeerde Bach het overgrote deel van de orgelwerken waarmee hij later beroemd geworden is. Hij maakte in deze periode furore als orgel- en klavecimbelvirtuoos, briljant kamermusicus en componist. Het verhaal deed de ronde dat Bach op het orgelpedaal loopjes kon uitvoeren die de meeste organisten niet eens met de handen gespeeld kregen. Ongeveer halverwege zijn ambtsperiode in Weimar werd Bach benoemd tot concertmeester van het hoforkest. Ten gevolge van de ziekte van de hofkapelmeester kreeg hij, als lid van een team van vooraanstaande componerende hofmusici, de opdracht om voor een duidelijk bepaalde vaste zondag van elke maand een kerkelijke cantate te schrijven ten behoeve van kerkdiensten in de hofkapel, de 'Himmelsburg'. Bach onderhield in deze periode nauwe collegiale betrekkingen met Georg Philipp Telemann, toen werkzaam als hofkapelmeester aan het hertogelijke hof in Eisenach, die peetoom zou worden van zijn tweede zoon Carl Philipp Emanuel. In Weimar werden zes van Bachs kinderen geboren. Door interne conflicten in de hertogelijke familie, die het hofleven sterk beïnvloedden, keek hij gaandeweg uit naar een post elders. Het vorstenhof in Köthen bood hem die kans en Bach greep deze kans, maar pas nadat hij een maand lang in de gevangenis van het hertogelijke slot had moeten verblijven, omdat hij het had gewaagd bij regerend hertog Willem-Ernst – die Bach uit respect voor zijn grote talenten ongewoon goed betaalde – zijn ontslag aan te bieden. In 1717 werd Bach kapelmeester aan het hof van de muziekminnende vorst Leopold van AnhaltKöthen (1694-1728) in diens vorstendom Anhalt-Köthen. Tegenover Weimar betekende dit een verdubbeling van zijn salaris. Zijn salaris was even hoog als dat van de hofmaarschalk, de op een na hoogste functionaris aan het hof. De aanstelling betekende een radicale breuk met de functies die Bach tot dan toe had uitgeoefend. Het hof te Köthen was calvinistisch, zodat er geen plaats was voor een 'gereguleerde' kerkmuziekpraktijk naar lutherse opvatting. Van hofkapelmeester Bach werd verwacht dat hij zich toelegde op wereldlijke muziek als concerten, feesten en speciale gelegenheden zoals de verjaardag van de prins. Bach kreeg de leiding van een klein (uit 17 musici bestaand) beroepsensemble van een zeer hoog muzikaal niveau. De kern ervan werd gevormd door acht kamermusici, van wie er vijf solist waren geweest in de Pruisische hofkapel in Berlijn en Potsdam, die in 1713 ontslagen waren door Frederik Willem I van Pruisen bij diens aantreden als regerend vorst. In de zes jaar die Bach in Köthen werkte, schreef hij voornamelijk stukken voor kamerorkesten en solo-instrumenten; 'pour le divertissement et le plaisir' van vorst Leopold, diens hof en hovelingen. Bachs hofmuziekrepertoire moet vrij omvangrijk zijn geweest. Toch is daarvan maar een beperkt deel bewaard gebleven, dat dan voornamelijk in versies is overgeleverd van latere datum. Zelfs zijn 'Six Concerts avec Plusieurs instruments' (de zogeheten Brandenburgse Concerten) zijn als verzameling niet voor het hof van Köthen bedoeld, maar zijn door Bach samengesteld uit ouder en nieuw materiaal bij wijze van 'sollicitatie' naar een functie aan het hof van de markgraaf van Brandenburg. Wat uit Bachs Köthener-periode is overgeleverd zijn onder andere vioolconcerten, drie sonates en suites voor viool solo (waarvan een de beroemde Chaconne bevat), zes suites voor violoncello solo en zes Franse suites en zes Engelse suites voor klavecimbel. Met zijn zes sonates voor concerterend klavecimbel en solerende viool uit deze tijd realiseerde hij iets nieuws. In plaats van een compositie waarin het klavecimbel (eventueel met violoncello of viola da gamba erbij) slechts een becijferde baspartij weergeeft voor te improviseren akkoorden en andere notenfiguren in de rechterhand, waardeert hij de klavierpartij op tot gelijkwaardige partner van het eigenlijke soloinstrument (in de oorspronkelijke titel van deze sonatecyclus staat het klavecimbel zelfs vóór de viool vermeld). Bachs eerste vrouw, bij wie hij zeven kinderen had, stierf in 1720. Hij hoorde pas van haar overlijden op de stoep van zijn woonhuis bij terugkeer van een dienstreis met zijn adellijke broodheer. Het jaar daarop trouwde Bach, weduwnaar met kleine kinderen, met de zangeres Anna Magdalena Wilcke bij wie hij dertien kinderen zou krijgen. Van de in totaal twintig kinderen die Bach verwekte, zijn er tien op jonge leeftijd overleden.
Bach besteedde veel aandacht aan didactische werken. In Köthen legde Bach enkele muziekboekjes aan voor zowel zijn vrouw als voor zijn kinderen. Daarvan zijn onder andere de twee 'Clavier-Büchlein' voor Anna Magdalena Bach bewaard gebleven. Die voor Carl Philipp Emanuel Bach helaas niet, alhoewel belangrijke delen ervan in de vorm van afschriften wel de tand des tijds hebben doorstaan. Ook in Köthen rezen voor Bach problemen die de drang naar het zoeken van een nieuwe betrekking deden toenemen. Allereerst huwde prins Leopold in 1721 een vrouw met een beduidend andere, 'lichtere' muzikale smaak. Dit deed de belangstelling van de vorst voor Bachs kunst afnemen. Bovendien moest het vorstendom – dat formeel onder Pruisen viel – bijdragen aan de financiering van het Pruisische leger. Daarom werd er gesnoeid in de kosten van onder andere de hofcultuur. Bovendien begon Bach uit te kijken naar een geschikte plek voor het voortgezette en universitaire onderwijs van zijn opgroeiende zonen Wilhelm Friedemann en Carl Philipp Emanuel. Aan Bachs aspiratie tot het vinden van een nieuwe baan heeft het nageslacht vier belangrijke compositiecycli te danken. Allereerst de 'Brandenburgse Concerten' (zie boven). Nadat hem in 1722 het overlijden ter ore was gekomen van Johann Kuhnau, de Thomascantor (= de verantwoordelijke voor de kerkmuziek in de twee hoofdkerken van Leipzig; de Nikolaikirche en de Thomaskirche, tevens de muziekleraar aan de Thomasschule en leider van het Thomanerchor, het schoolkoor), besloot hij naar deze vacant geworden positie te solliciteren. Omdat Bach weliswaar een gymnasiumopleiding had genoten maar geen universitaire (noodzakelijk voor zo'n functie), stelde hij toen bij wijze van 'sollicitatiepapieren' drie compositiecycli samen als onderbouwing van (vereiste) pedagogische kwaliteiten. Zijn persoonlijke koraalvoorspelenboekje voor orgel uit Weimar voorzag hij toen pas van een pedagogisch-toepasselijk titelblad, met daarboven de titel Orgel-Büchlein. Daarnaast ordende hij een verzameling van betrekkelijk losse, korte twee- en driestemmige klavecimbelstukken uit het muziekleerboekje voor de oudste zoon Wilhelm Friedemann tot een aparte dertigdelige cyclus. Het is bekend geworden als 'de inventies (15 tweestemmige inventies) en sinfonia's (15 driestemmige sinfonia's)'. En tot slot bracht hij reeds bestaande Praeludia en Fuga's – al dan niet bewerkt – met nieuwe samen tot het eerste deel van zijn beroemde klavecimbelcyclus Das Wohltemperierte Klavier, waarin 24 preludia en even zovele fuga's in alle grote- en kleineterts-toonsoorten de revue passeren.
Bachs aanstelling volgde en in 1723 verhuisde hij naar Leipzig, destijds een belangrijk cultureel en handelscentrum met vooraanstaande boek- en muziekuitgeverijen, een gereputeerde universiteit en de alom bekende Leipziger Messe (beurs). J.S. Bach stelde voor zijn zoon Wilhelm Friedemann Bach een reeks samen van zes triosonates voor orgel (BWV 525-530), die tot zijn beste orgelcomposities behoren. Hier vonden de eerste uitvoeringen van de Johannes- en Matteüspassie plaats, respectievelijk 1723 en 1727 of 1729. Bach schreef hier ook het overgrote deel van zijn cantates, in totaal vijf (bij elkaar opgeteld) volledige jaargangen, waarvan vermoedelijk 60% (circa 200) bewaard is gebleven.
In 1731 bedacht Bach voor de installatie van de nieuwe stadsraad van Leipzig een meesterlijke cantate (BWV 29 Wir danken Dir, Gott, wir danken Dir), met een indrukwekkende instrumentale bezetting, compleet met pauken en trompetten. In Leipzig was hij Thomascantor, muzikaal leider van het Thomanerchor, verantwoordelijk voor de muziek in de Thomaskirche en de Nikolaikirche en leraar aan de Thomasschule. Zijn relatie met het stadsbestuur was slecht en men zag hem als een wat vreemde koppige oude man die met verouderde contrapuntische muziek bezig was. Bovendien werd Bach meer gezien als organist dan als componist. Bach was dan ook niet bepaald de eerste keus van het gemeentebestuur. Uiteindelijk werd Bach pas benoemd nadat de componisten Georg Philipp
Telemann en Christoph Graupner hadden bedankt. Bach kreeg in deze periode veel steun van graaf Hermann Carl von Keyserlingk, die als diplomaat werkzaam was aan diverse hoven. De bekendste werken die Bach hier componeerde waren de Matthäus-Passion, de Johannes-Passion, het zogenoemde Weihnachtsoratorium, het tweede deel van het Wohltemperierte Klavier (eveneens 24 preludes en fuga's), de Mis in b klein (Hohe Messe), de motetten, het Magnificat (voor Kerstmis 1723) en de vier delen van de zogenoemde Clavierübung, waaronder deel één met zes Partita's voor klavecimbel en deel vier met de Goldbergvariaties. Zijn bezoek in 1747 aan Carl Philipp Emanuel, die hofklavecinist was bij Frederik de Grote in Potsdam, leidde tot het 'Muzikale offer'. Frederik, die goed fluit speelde, gaf de oude Bach een thema op, dat hij thuis uitwerkte tot het Muzikale offer (BWV 1079). Bach trok zich de laatste jaren steeds meer terug en besteedde veel aandacht aan het perfectioneren van zijn meesterwerken, want hij was zich ervan bewust goud in handen te hebben. In 1747 trad hij toe als veertiende (!) lid van de Societät der musicalischen Wissenschaften. Ter gelegenheid hiervan werd door Elias Gottlieb Haussmann het enige portret van Bach gemaakt waarvan de authenticiteit vaststaat (zie bovenaan). In zijn hand houdt Bach hierop de 6stemmige tripelcanon BWV 1076. Bach stuurde 'Einige canonische Variationen auf "Vom Himmel hoch" (BWV 769) als inauguratie.
Bach had vanaf 1747 een oogziekte, gevolg van ouderdomsdiabetes. Aan het eind van de lente van 1749 kreeg Bach een beroerte. Daarna ging zijn gezichtsvermogen sneller achteruit. Tegen de zomer was hij al vrijwel blind geworden. Begin 1750 besloot Bach zich te laten opereren. De operatie mislukte echter, waardoor Bach uiteindelijk volledig blind werd. Desondanks werkte hij hard aan de voltooiing vooral van de drukvoorbereidingen van Die Kunst der Fuge, een reeks fuga's en canons voor klavecimbel op een en hetzelfde thema waarin de grenzen van alle mogelijke stijlen en vormen zijn aangesproken. Het verhaal gaat dat Bach, toen zijn gezondheid verder achteruitging, vanaf zijn ziekbed een laatste koraalvoorspel – Vor deinem Tron tret'ich hiermit – aan zijn schoonzoon Johann Altnikol dicteerde. Op 18 juli 1750 kreeg Bach volkomen onverwacht zijn gezichtsvermogen weer terug, maar een paar uur later werd hij getroffen door een beroerte. Hij overleed tien dagen later aan de gevolgen daarvan. Bach werd drie dagen later anoniem begraven op het kerkhof van de Johanneskerk van Leipzig. De precieze plek van zijn graf werd al snel vergeten. In 1894 werd de Johanneskerk uitgebreid en gerenoveerd, waardoor een deel van het kerkhof moest worden geruimd. Er werden pogingen gedaan Bachs stoffelijke resten terug te vinden. Uiteindelijk werd er in de buurt van de locatie een skelet gevonden, dat in de kerk werd herbegraven. Nadat de Johanneskerk in de Tweede Wereldoorlog was verwoest, werd Bach in 1950 opnieuw herbegraven in de Thomaskerk. Tot op heden bestaat er echter twijfel of de stoffelijke resten werkelijk van Bach zijn. De graveerfase van Die Kunst der Fuge was op de dag van Bachs overlijden niet voltooid. Om de achtergebleven familie van verdere geldzorgen te vrijwaren, bracht Bachs tweede zoon Carl Philipp Emanuel, die als hofmusicus werkzaam was in Berlijn en Potsdam, het uitgaveproject zo goed en zo kwaad als dit ging tot een zeker einde. Al in 1751 werd Bachs publieke zwanenzang 'in de verkoop' gebracht. Op 7 augustus 1750, ruim een week na de dood van de componist, kwam het stadsbestuur bijeen om een nieuwe cantor te kiezen. Bachs naam werd nauwelijks genoemd, behalve door een raadslid dat met kennelijke wrok het vertrouwde cliché herhaalde: De school heeft een muziekleraar nodig, geen dirigent. De burgers van Leipzig vertrouwden de lastige cantor toe aan de vergetelheid. Bachs vrouw, Anna Magdalena, bleef met haar vijf kinderen achter zonder bestaansmiddelen. Ze was 48 jaar oud toen Bach stierf, en weigerde te hertrouwen, zodat ze het voogdijschap niet zou verliezen over haar minderjarige kinderen. Al in 1752 was de erfenis helemaal op en kreeg zij van de gemeenteraad veertig daalders in ruil voor een aantal onverkochte exemplaren van "Die Kunst der Fuge" en van de zang- en instrumentale partijen van kerkelijke cantates van haar overleden echtgenoot. Samen met haar twee
jongste dochters van 8 en 12 vond zij onderdak bij vrienden. Ze stierf in 1760 op 59-jarige leeftijd als 'Almosenfrau', wat in die tijd betekende dat zij een (bescheiden) kerkelijke uitkering kreeg.
Een van de bijzondere aspecten van Bachs composities is het complexe en ingenieuze gebruik van het contrapunt. Meer dan andere componisten wordt Bach geassocieerd met de fuga. Het bekendste fuga-album is wellicht het Wohltemperierte Klavier; dit werk, in twee delen van elk 24 duo-composities, bevat in totaal 48 preludes en fuga's, twee voor elke majeur en mineur toonsoort. Aan het eind van zijn leven schreef Bach Die Kunst der Fuge, bestaande uit veertien fuga's (die Bach zelf 'Contrapuncti' noemde) en vier canons, alle op hetzelfde thema gebaseerd. Veel van zijn muziek schreef Bach voor de Lutherse Kerk. Vanaf 1723 tot aan zijn dood was hij cantor van de Thomaskerk in Leipzig. Van de overgeleverde motetten zijn vooral Der Geist hilft unsrer Schwachheit auf (BWV 226) en Jesu, meine Freude (BWV 227) bekend. Zijn vele cantates (lijst) componeerde hij voor de reguliere zondagsdiensten buiten de vastentijd; de Johannes-Passion (BWV 245) en de Matthäus-Passion (BWV 244) waren bedoeld voor speciale diensten op respectievelijk Witte Donderdag en Palmzondag. De Matthäus Passion werd voor het eerst uitgevoerd in 1727. De barokke Passion is een zeer uitgebreide cantate (ook wel oratorium genoemd), met als basistekst het lijdensverhaal van Christus als genoteerd door een van de evangelisten en aangevuld met eigentijdse gedichten en kerkliederen. De barokke passies worden soms wel vergeleken met de opera, met dit verschil dat er geen sprake is van dramatische enscenering.
De werken van Bach werden genummerd door Wolfgang Schmieder en kregen alle een BWVnummer waarbij Schmieder niet chronologisch te werk ging maar een systematische ordening naar genre invoerde.
Sinds de scheiding van Duitsland (door 'de Muur') bestonden twee instituten in Duitsland die zich bezighielden met de studie van Bachs partituurhandschriften (autograaf), papiersoorten en watermerk. Dit waren de Bachinstituten te Leipzig (o.l.v. Werner Neumann) en te Göttingen (o.l.v. Alfred Dürr). Dit laatste hield op 1 januari 2007 op te bestaan. De instituten stelden zich tot doel te werken aan de publicatie van de Neue Bach Ausgabe (NBA), een tweede integrale uitgave van de werken van Bach die de fouten moest rechtzetten van de eerste uit de 19e eeuw. Dit project is midden 2007 officieel voltooid. Nadien zullen delen van de NBA (vooral uitgaven uit de jaren vijftig) die de toets der kritiek reeds lang niet konden doorstaan, in herziene vorm opnieuw worden uitgegeven. Het Bach-Archiv Leipzig zelf heeft, in samenwerking met Carus Verlag, een aparte uitgavenreeks opgezet van door Bach bewerkt repertoire van andere meesters. Zo is in 2008 een verzamelband verschenen met Bachs bewerkingen van missen en misdelen van Palestrina. De Bachonderzoekers hadden tot de val van de Berlijnse Muur in 1989 te kampen met grote praktische, maar niet geheel onoverkomelijke problemen. De partituur van de Matthäus Passion bijvoorbeeld bevond zich in Oost-Berlijn, de handgeschreven partijen waren echter in WestBerlijn. Alfred Dürr slaagde er toch in op basis van grafologischeen watermerkstudies van de muziekhandschriften aan te tonen dat Bach zijn cantates in het begin van zijn Leipziger tijd nagenoeg 'op voorraad' schreef. Daarna bleef hij teren op het bestaande, aangevuld met cantatecomposities van onder anderen Telemann en Stölzel. Barthold Kuijken promoveerde eind 2007 aan de Vrije Universiteit Brussel in de musicologie met een onderzoek naar hoe Bachs muziek klonk in zijn tijd. Of, met andere woorden, een zoektocht naar de klank achter de notennotatie. De auteur stelt dat de notatie niet overeenkomt met de muziek of dat bij barokmuziek de partituur slechts in beperkte mate samenvalt met de muziek, hoewel die vandaag soms
het enige houvast is. Daartoe legde hij een portfolio aan dat Bachs gehele uitvoeringspraktijk omvat. Ook inventariseerde hij alle opnames, een discografie en een bibliografisch overzicht. De musicoloog Andrew Parrott is een van de vele onderzoekers rond de "authentieke uitvoeringspraktijk" van Bachs cantates. In zijn publicatie The Essential Bach Choironderzoekt en beargumenteert hij de theorie van onder anderen Joshua Rifkin, dat Bachs cantates oorspronkelijk slechts uitgevoerd werden met enkelvoudig bezette stemmen en niet met een uitgebreid koor. Dit in tegenstelling tot authentieke bronnen uit Bachs tijd, waaruit blijkt dat het vocaal-instrumentale uitvoeringsapparaat van Bach 30 tot 40 musici telde. Bovendien zijn enkele speellijsten van Bachs eigen hand opgedoken, waaruit blijkt dat elke koorpartij van bijvoorbeeld een cantate voor minstens vier stemmen was bedoeld. Parrott stelt in zijn studie ook dat de viola da spalla in Bachs tijd tot het vaste instrumentarium behoorde.
Na zijn dood raakten Bach en zijn werken in vergetelheid, met uitzondering van zijn orgel- en klavecimbelwerken die, al was het dan in beperkte kring van beroepsmusici en gevorderde muziekamateurs, altijd repertoire hebben gehouden. Een andere uitzondering was de omvangrijke compositie, de "Mis in b" (Hohe Messe) die, in de vorm van een handgeschreven kopie, zelfs bij Joseph Haydn en Ludwig van Beethoven in Wenen bekend werd als 'leervoorbeeld'. Na driekwart eeuw, in 1829, werd ook de andere vocale muziek van Bach herontdekt, dankzij de inspanningen van Felix Mendelssohn-Bartholdy die een uitvoering van de Matthäus Passion in de Berlijnse Singakademie organiseerde; het werd het begin van de definitieve erkenning van de enorme waarde van Bachs muziek.
Bachs reputatie ging in zijn latere jaren als componist en na zijn dood achteruit. Zijn stijl werd als ouderwets beschouwd in vergelijking met de opkomende klassieke stijl. Hij werd evenwel herinnerd als musicus, pedagoog, componist en vader van zijn eveneens musicerende en componerende kinderen (met name Carl Philipp Emanuel en Johann Christian). De direct na zijn dood nog bekende composities waren klavierwerken, waarvan vele componisten een exemplaar bezaten. Van onder anderen Mozart en Beethoven is bekend dat ze het werk van Bach bewonderden. Tijdens een bezoek aan de Thomasschule in Leipzig hoorde Mozart een motet-uitvoering (BWV 225). Hij zou hebben gezegd: "Kijk, dit is nu iets waarvan men kan leren!". Nadat hij delen van het motet in handen had gekregen ging hij op de grond zitten met de koorpartijen om zich heen, waarbij hij alles vergat, en niet eerder opstond dan nadat hij alle stukken uitgebreid bestudeerd en in partituurvorm overgeschreven had. Beethoven oefende al als kind op Bachs Wohltemperierte Klavier en noemde Bach later in zijn leven: Urvater der Harmonie (Grondlegger van de harmonie). Van Beethoven is ook de woordspeling: nicht Bach, sondern Meer (geen beek maar een zee, gebruik makend van de letterlijke betekenis van Bachs naam). De wederopbloei van Bachs reputatie als componist bij het brede publiek werd mede mogelijk gemaakt door de publicatie van Johann Nikolaus Forkels biografie (1802), die onder anderen door Beethoven werd gelezen. Philipp Spitta's biografie van 1873 was er een aanvulling op. Goethe maakte relatief laat in zijn leven kennis met het werk van Bach door een serie optredens van klavier- en koorwerken in Bad Berka in 1814 and 1815. In een in 1827 geschreven brief vergeleek hij de ervaring van het luisteren naar Bachs muziek met "oneindige harmonie in dialoog met zichzelf". Vermoedelijk heeft Felix Mendelssohn-Bartholdy de grootste bijdrage geleverd aan het herwaarderen van Bachs nalatenschap door in 1829 de Matthäus Passion opnieuw uit te voeren in Berlijn. Georg Wilhelm Friedrich Hegel, die aanwezig was bij deze uitvoering, noemde Bach later een 'groot, oprecht protestant, robuust en erudiet genie', dat we pas sinds kort weer op volle waarde schatten.
Mendelssohn continueerde zijn promotie van Bach in de hieropvolgende jaren en Bachs reputatie groeide evenredig. De Bach Gesellschaft werd opgericht in 1850 om zijn werk verder te promoten. Deze organisatie vervulde een belangrijke rol in de herwaardering van Bach door het publiceren van de bladmuziek. Ook Johannes Brahms werkte eraan mee. Voor 1871 en kanselier Bismarck probeerde men het opkomende Duitse nationale gevoel via culturele kanalen aan bod te laten komen in taal, literatuur, geschiedenis en bovenal in muziek uit heden en verleden. Deze hele onderneming werd ondersteund door de Romantiek, die zich afzette tegen het rationalisme (Bach zelf was een sympathie voor de oecumene bepaald niet vreemd, hetgeen in zijn dagen een aspect van de Verlichting was). Ook het enthousiasme voor de muziek als enige kunstvorm die direct tot de ziel spreekt, speelde een rol. Bach werd door de Duitse componisten gezien als hun grote voorloper en voorvader. Vandaar het groeiend reveil.
Gedurende de 20e eeuw zijn verschillende stukken van Bach herontdekt. Ook zag men steeds meer hun artistieke en educatieve waarde. Toen ontstond ook een beweging die streefde naar uitvoeringen op hedendaagse kopieën van instrumenten uit de tijd van de componist, en geïnterpreteerd zoals men denkt dat de componist het bedoeld zou kunnen hebben. Voorbeelden hiervan zijn de inzet van klavecimbels in plaats van concertpiano's en het gebruik van kleine koren of louter solisten. In de twintigste eeuw werd het werk van Bach bewerkt en herwerkt in verschillende stijlen: van Stravinsky tot Schnittke, van Schönberg tot Kagel. Sinds Bachs dood zijn er rond de 300 werken geschreven met Bach als bron. Fünf Sätze für Streichquartett opus 5 van 1909 van Anton Webern is een bewerking van Bachs Musikalisches Opfer BWV 1079. Sjostakovitsj schreef in 1950 zijn 24 preludes en fuga's. Andere voorbeelden zijn de Chaconne in d mineur door Ferruccio Busoni en Stravinsky's versie van de Canonische Variaties. Ook bekend is het muzikale eerbetoon van de Noorse componist Knut Nystedt met als veelzeggende titel Immortal Bach. Met dit werk wist de componist traditionele elementen te verbinden met essentiële nieuwe ontwikkelingen. In 1950, op de 200e gedenkdag van zijn overlijden, kreeg Bach officieel eerherstel toen zijn (vermeende) stoffelijke resten overgebracht werden naar het koor van de Thomaskirche. Daar rusten ze nu onder een eenvoudige gedenkplaat.
Willem van Ekeren is bekend van zijn Bach-Bukowskiproject. Hij verweefde hierin 22 gedichten uit The Last Night of the Earth Poems van de Amerikaanse dichter-schrijver Charles Bukowski met de 22 delen van Bachs Wohltemperierte Klavier. Daarbij wordt het Bach-spel op de piano gecombineerd met het bluesy-jazzy zingen van de tekst.
Over Bachs methode om les in compositie te geven beschikken wij over verschillende getuigenissen, waaronder die van hemzelf; hij verwees ernaar aan het slot van het Clavier-Büchlein, dat hij voor zijn tweede vrouw Anna Magdalena schreef. Ook Carl Philipp Emanuel maakte er tegenover Forkel opmerkingen over. Evenals bij zijn klavierlessen vormden een vaste methode en toewijding de sleutels van zijn aanpak. De leerlingen begonnen met het schrijven van een vierstemmige harmonie naar het model van Bachs eigen koralen. Zij kregen bijvoorbeeld een of meer van de partijen – sopraan, alt, tenor en bas – en moesten de rest aanvullen. Elke partij moest op een aparte lijn of notenbalk worden genoteerd zodat men de vorm van de melodie kon zien, want Bach duldde geen saaie meerstemmigheid; zonder de regels te overtreden moest elke partij haar eigen melodische lijn hebben. Bach herinnerde zijn leerlingen eraan dat elke partij als het ware een sprekende stem was die zijn zinnen grammaticaal juist moest vormen en niets mocht zeggen tenzij hij echt iets te zeggen had. Leerlingen mochten pas met eigen composities beginnen als ze deze
vierstemmige polyfonie en het elementair contrapunt onder de knie hadden. En als ze ermee begonnen, vertelde hij hun niets te noteren tot ze het hele stuk doordacht hadden. Improviseren op het klavierals een manier om te componeren werd afgeraden; Bach sprak met minachting over wie hij noemde de 'klaviercavaleristen' die hun vingers op zoek naar ideeën over de toetsen lieten gaan.
Bachs muziek geldt als hoogtepunt van Lutheraanse kerkmuziek en als “muzikale uitdrukking van de Reformatie”. Naar Bachs mening had muziek twee wezenlijke doelen: muziek behoort “tot Gods eer en tot zielsverrukking (Gemüthsergötzung)” te zijn, schreef hij. Al in 1708, toen Bach ontslag vroeg uit zijn dienstbetrekking in Mühlhausen, motiveerde hij dat verzoek door te wijzen op zijn “einddoel, namelijk een gereguleerde kerkmuziek tot Gods eer”. Uiteindelijk zou hij pas vanaf 1723 in Leipzig over de uitvoeringsmogelijkheden beschikken die nodig waren om deze omvangrijke Lutheraanse kerkmuziek te componeren. In Bachs nalatenschap bevonden zich theologische boeken en stichtelijke werken van Maarten Luther en van orthodox-lutheraanse theologen zoals Abraham Calov, Johannes Olearius, Heinrich Müller, August Pfeiffer en Erdmann Neumeister, maar ook geschriften van de piëtisten Philipp Jacob Spener en Johann Jakob Rambach. De weinige overgeleverde schriftelijke uitingen van Bach over zijn religieuze opvattingen, meestal aantekeningen in zijn theologische boeken, tonen hem als een gelovige lutheraan. In tegenstelling tot de toenmalige strenge lutheraanse orthodoxie in Leipzig lijkt hij het contact met andere stromingen niet te hebben geschuwd: al in Köthen had Bach een nauwe persoonlijke band met zijn, calvinistische, hertogelijke dienstheer, en zijn Hohe Messe componeerde hij in zijn Leipzigse tijd voor het katholieke Dresdener hof. Bachs vocale geestelijke werken tonen hem als uitlegger van de Bijbel, ze zijn opgezet als “klinkende verkondiging” en weerspiegelen een doordachte theologische duiding.[4]
De architecten Zaha Hadid en Patrik Schumacher ontwierpen in 2009 een tijdelijk concertzaaltje voor de uitvoering van Bachs solocomposities voor het Manchester International Festival. De constructie heeft de vorm van een grote witte krul als een afgepelde sinaasappelschil om de eindeloze stroom van Bachs muziek te vangen
vandaag jaren terug 28 juli 1952 monique van de ven28 juli 1952 Monica Maria Theresia (Monique) van de Ven (Zeeland (Noord-Brabant), 28 juli 1952) is een Nederlandse actrice. Van de Ven werd geboren in het Noord-Brabantse Zeeland en groeide op in Rijswijk. Haar vader overleed toen ze vijf jaar oud was. Na succesvolle pogingen om haar moeder op te vrolijken, besloot Van de Ven om actrice te worden.[1] Ze volgde één jaar de Toneelschool in Maastricht en werd daar in 1972 vanaf geplukt voor haar filmdebuut in Turks fruit. Van de Ven was zeventien jaar getrouwd met cameraman Jan de Bont, met wie ze vanaf het midden van de jaren zeventig tot 1987 in Los Angeles woonde. Ze is daarna getrouwd met acteur/scenarioschrijver Edwin de Vries, die ze ontmoette bij de opnames voor Een Maand Later (1987). Samen hebben zij twee kinderen gekregen. De oudste, Nino, overleed op de zeer jonge leeftijd van 20 maanden aan een hersenvliesontsteking. De jongste, Sam, speelde in 2018samen met zijn vader Edwin de Vries in het toneelstuk Westerborkserenade over de verzetsdaden van zijn opa, Rob de Vries, in de Tweede Wereldoorlog. Van de Ven ontving twee keer een Gouden Kalf. In 1985 voor haar hele oeuvre en tien jaar later voor haar optreden in de film Romeo (1990). In een interview uit 2010 vertelde ze dat het script en de opnamen fysiek en mentaal zo veel van haar eisten, dat ze nadien, net zoals haar personage in de film, te kampen kreeg met postpartumdepressie.[1] In 1999 werd ze uitgeroepen tot Nederlandsactrice van de eeuw. Met de verfilming van het boek Zomerhitte van Jan Wolkers maakt zij in het voorjaar van 2008 haar regiedebuut.[2] Niettemin had ze in 1996 al een korte film geregisseerd, Mama's proefkonijn. Op 30 januari 2012 begon televisiezender MAX met de 10-delige serie Dokter Deen, spelend op Vlieland waar het echtpaar De Vries-Van de Ven een huis bezit. Monique en haar man Edwin bedachten samen het idee om een serie naar aanleiding van de bestaande geschreven verhalen van deze dokter Deen, oud-huisarts op Vlieland, te maken. In april 2016 was ze gast bij De Kwis. Behalve actrice en regisseuse is Van de Ven sinds 1996 ambassadeur voor UNICEF Nederland. Haar grootvader Jos van de Ven was burgemeester van Zeeland.
vandaag jaren terug 27 juli 1940 bugs bunny
vandaag jaren terug 27 juli 1940 bugs bunny27 juli 1940 Het tekenfilmfiguur Bugs Bunny maakt zijn officiële entree in de cartoon A Wild Hare Bugs Bunny is een personage uit de tekenfilmserie Looney Tunes/Merrie Melodies. Bugs is een van de bekendste tekenfilmfiguren ter wereld. Vooral bekend is zijn in een New Yorks accent gestelde vraag: "What's up doc?", die voor het eerst op 27 juli 1940 te horen was in A Wild Hare. Bugs verscheen echter al in 1938 in een filmpje van Porky Pig: Porky's Hare Hunt. Het bekendst is hij echter geworden met zijn tegenspelers Elmer Fudd en Daffy Duck. Bugs is een antropomorf konijn of haas (de discussie over wat hij nu werkelijk is, gaat tot op heden door) met een grijs-witte vacht. Hij draagt doorgaans geen kleren, met uitzondering van witte handschoenen. Wel verkleedt hij zich geregeld. Bugs raakt in vrijwel elk filmpje waarin hij meespeelt betrokken bij een conflict met een ander personage, maar dit is slechts zelden zijn eigen schuld. Meestal probeert hij conflicten te vermijden, maar als iemand hem echt kwaad maakt, deinst hij voor niets meer terug om die persoon terug te pakken. Wanneer hij zijn geduld verliest en openlijk het conflict aangaat, maakt hij dit altijd kenbaar met de zin: "Of course you realize, this means war!" (een zin waarvan regisseur Chuck Jones later toegaf dat hij die van Groucho Marx in Duck Soup had geleend). In de filmpjes van de jaren dertig en veertig werd Bugs neergezet als een wild konijn. Zo woonde hij onder de grond in een konijnenhol. Ook gedroeg hij zich erg kinderlijk. In de latere filmpjes werd hij kalmer en volwassener in zijn gedrag. Bugs vertoont qua gedrag enkele overeenkomsten met oudere literaire personages als Broer Konijn en Anansi. Hij houdt ervan zijn slachtoffers op het verkeerde been te zetten met practical jokes. In tegenstelling tot andere tekenfilmfiguren trekt hij zelf maar zelden aan het kortste eind.
Volgens historici zou Bugs gebaseerd zijn op een Walt Disney-personage genaamd Max Hare. Dit personage was ontworpen door Charlie Thorson voor het Silly Symphonies-filmpje The Tortoise and the Hare. Een prototype van Bugs Bunny was al te zien in het filmpje Porky's Hare Hunt uit 1938. Dit konijn werd in dat filmpje niet bij naam genoemd. Bugs maakte zijn officiële debuut in het filmpje A Wild Hare uit 1940. De reden dat dit als Bugs' eerste officiële optreden wordt gezien, is omdat hij in dit filmpje voor het eerst lijkt op de Bugs Bunny zoals mensen hem tegenwoordig kennen. Zijn naam werd pas vermeld in het erop volgende filmpje, Elmer's Pet Rabbit. Beide filmpjes waren een groot succes, en Bugs werd een van de bekendste personages van de Looney Tunes. Rond 1942 was Bugs de ster van de Merrie Melodies-serie geworden. Nadien is hij in veel filmpjes te zien geweest. Bugs werd ook buiten de filmpjes populair. Hij werd de mascotte voor Warner Bros, zoals Mickey Mouse de mascotte van Disney was. Van 1943 tot 1946 was Bugs Bunny ook de mascotte van het Kingman Army Air Field in Arizona.
Mel Blanc is de acteur die het bekendst werd als de stem van Bugs Bunny. Hij vertolkte de rol vanaf Bugs' debuut gedurende 51 jaar. Na zijn dood in 1989 nam Jeff Bergman de rol over. Andere acteurs die de stem van Bugs hebben gedaan, zijn