Naar de inhoud

toen

akke.beakke.be

Archief

VANDAAG jaren terug 30 mei 1431 Jeanne d``Arc

Domrémy , Lotharingen , ca. 1412 – Rouen , Normandië , 30 mei 1431 ) , bijgenaamd de Maagd van Orléans, is een nationale heldin van Frankrijk. Als jong meisje van eenvoudige afkomst speelde ze een beslissende rol in de Honderdjarige Oorlog tussen Engeland en Frankrijk. Op negentienjarige leeftijd werd ze door een partijdige kerkelijke rechtbank veroordeeld en stierf ze op de brandstapel in Rouen. Vijfentwintig jaar na haar dood liet paus Calixtus III het proces herzien, ze werd onschuldig bevonden en kreeg bij de plechtige uitspraak van het proces op 7 juli 1456 de titel van martelares. In 1909 werd ze uiteindelijk zalig verklaard door de Katholieke Kerk en in 1920 volgde de heiligverklaring. Ondertussen wordt ze gerekend tot de patroonheiligen van Frankrijk samen met Dionysius van Parijs, Martinus van Tours, de heilige Lodewijk en Theresia van Lisieux. Jeanne d'Arc werd geboren tijdens de Franse Burgeroorlog, een bijzonder woelige periode in de Honderdjarige Oorlog tussen Engeland en Frankrijk, die samenviel met het Westers Schisma in de kerk met drie tegenpausen van 1378 tot 1417. Aan de basis van de Franse Burgeroorlog lag de moord op Lodewijk I van Orléans, de vierde[ zoon van Karel V en Johanna van Bourbon en broer van Karel VI de koning van Frankrijk van 1380-1422. De hertog van Orléans werd vermoord op 2 november 1407 in opdracht van zijn neef Jan zonder Vrees, hertog van Bourgondië. De aanleiding voor deze moord was de concurrentie tussen de Bourguignons en de Armagnacs in verband met het regentschap over het koninkrijk. De ooms van Karel VI regeerden Frankrijk tussen 1380 en 1388 omdat de koning zelf nog te jong was om te regeren. Vanaf 3 november 1388 zou de koning zelf gaan regeren, maar in augustus 1392 kreeg hij een zware aanval van waanzin en doodde daarbij vier van zijn begeleiders. Na die gebeurtenis had de koning heldere periodes waarin hij zelf trachtte te regeren, afgewisseld met periodes van waanzin waarin de regering werd overgenomen door zijn ooms. Na het Bal des Ardents op 28 januari 1393, waar de koning slechts op het nippertje aan de dood ontsnapte dankzij de tegenwoordigheid van geest van zijn tante Jeanne de Boulogne, sloeg de waanzin compleet toe. Vanaf 1393 werd het land dus wederom bestuurd door een regentenraad voorgezeten door Isabella van Beieren de koningin (echtgenote van Karel VI) en met als leden zijn oom Filips de Stoute, diens zoon Jan zonder Vrees en zijn oom Jean de Berry. Zijn broer Lodewijk van Orléans won meer en meer aan invloed, men beweerde zelfs dat hij de minnaar was van de koningin. Na de dood van Filips de Stoute nam Lodewijk van Orléans de touwtjes in handen, hij profiteerde van de affectie van zijn broer tijdens diens heldere momenten en van zijn invloed op de koningin tijdens de ziekteperiodes van de koning. Op die manier wist hij Jan zonder Vrees opzij te zetten. Met een dreigende inval van de Engelsen als voorwendsel verhoogde hij de belastingen om de opbrengst voor eigen profijt aan te wenden.[5] Negentig procent van zijn inkomen kwam uit de koninklijke schatkist. Jan zonder Vrees kreeg het volk op zijn hand door belastingsverminderingen en hervormingen van het beleid te beloven. De moord op Lodewijk was het begin van de burgeroorlog. Karel van Orléans wilde zijn vader wreken en bij zijn huwelijk met Bonne, de dochter van Bernard VII van Armagnac vormde hij een bondgenootschap tegen de hertog van Bourgondië samen met zijn schoonvader, de hertogen van Berry en Bourbon en Bretagne, Jan van Berry, Lodewijk II van Bourbon en Jan V van Bretagne, en met de graaf van Alençon, Jan I van Alençon. Bernard VII ondernam met huurlingen, die hij rekruteerde in het zuiden, strooptochten tot in de directe omgeving van Parijs maar werd op 9 november 1411 verslagen door Jan zonder Vrees in Saint-Cloud. In 1413 slaagde Jan zonder Vrees erin om de Parijzenaars in opstand te laten komen en de macht te grijpen. Maar door het schrikbewind dat gevoerd werd door zijn medestanders de Cabochiens kwam de bevolking massaal in opstand en konden de Armagnacs weer de macht grijpen. De Engelsen maakten van de gelegenheid gebruik om beide partijen tegen elkaar op te zetten door het afsluiten van verdragen of het afkopen van hun neutraliteit. Zo sloten de Armagnacs in 1412 een verdrag met Hendrik IV van Engeland waarbij ze hem de Guyenne afstonden en hem erkenden als soeverein van Poitou, de Angoulême en de Périgord. Jan zonder Vrees van zijn kant ontzag de Engelsen, omdat hij de wolleveringen in het rijke Vlaanderen niet in gevaar wilde brengen. In 1415 hervatten de Engelsen de vijandelijkheden. Jan zonder Vrees bleef rustig toekijken toen het Franse
leger, dat voornamelijk bestond uit aanhangers van de Armagnacs, bij Azincourt verpletterend verslagen werd. Door verraad werd op 29 mei 1418 Parijs opnieuw ingenomen door medestanders van Jan zonder Vrees. Vele Armagnacs, waaronder Bernard VII, werden door het gepeupel vermoord. Jan zonder Vrees begon onderhandelingen met de Engelsen en leek bereid de aanspraken van de Engelse koning op de Franse troon te gaan steunen. De dauphin Karel VII zocht toenadering tot Jan zonder Vrees, die op dat moment een groot deel van Frankrijk in zijn macht had, en er werden onderhandelingen tussen beide partijen opgestart. Bij een van die ontmoetingen, op 10 september 1419, werd Jan zonder Vrees vermoord op de brug van Montereau-Fault-Yonne. Elk vergelijk werd daardoor onmogelijk en Frankrijk dreigde ten onder te gaan. Philips de Goede, de zoon van Jan zonder Vrees, verbond zich met de Engelsen. Het gevolg van dit alles was, dat Isabella van Beieren met Hendrik V van Engeland in 1420 het Verdrag van Troyes sloot dat bepaalde dat Karel VI na zijn dood opgevolgd zou worden door de zoon geboren uit het huwelijk van Hendrik V en Catherina van Frankrijk, de dochter van Karel VI en Isabella van Beieren. De dauphin, Karel VII, werd van de opvolging uitgesloten, maar de meerderheid van de Franse adel verzette zich hiertegen. Bij de dood van Karel VI in 1422 had Frankrijk geen koning meer die gezalfd en gekroond was in Reims. Engeland eiste de kroon op voor Hendrik VI, die op dat moment nog geen jaar oud was. De dauphin van zijn kant twijfelde zelf aan zijn afkomst en aan zijn rechten op de troon. Met het verdrag van Troyes had zijn moeder zich trouwens akkoord verklaard met het verlies van zijn rechten. Ook wat betreft het grondgebied was de situatie ongunstig voor hem, het zuidoosten en het grootste deel van het noorden van het land waren onder Engelse controle met uitzondering van het onafhankelijke Bretagne. Bretagne zou niettemin een belangrijke rol spelen op het einde van de Honderdjarige oorlog door de blokkade van Bordeaux. Het was in deze voor de dauphin uitzichtloze situatie dat Jeanne een doorbraak zou forceren.
Jeanne werd waarschijnlijk geboren in 1412op een boerderij die eigendom was van haar vader, dicht bij de kerk van Domrémy. Domrémy was toen een dorpje in het grensgebied tussen de Champagne, de Barrois en Lotharingen.Tegenwoordig heet het dorp Domrémy-la-Pucelle ter ere van Jeanne. Ze was de dochter van Jacques d’Arc en Isabelle Devouton (of de Vouthon).[Haar vader was een 'laboureur' en dus in de toenmalige situatie geen arme man. De familienaam, in documenten uit die periode, werd geschreven als Darc, Tarc, Dare, Day. Ze werd Jehanne genoemd, waarschijnlijk naar haar moeders zus Jehanne Lassois of naar een van haar meters Jehanne Royer of Jehanne de Viteau. De andere kinderen in het gezin waren Jacquemin, Jean, Pierre en Cathérine. Tijdens haar proces verklaarde ze zelf dat ze Jehanne heette en in Frankrijk, waar ze later naartoe ging, Jeanne genoemd werd; dat ze dacht dat ze negentien was en geboren was in “Domrémy qui est tout un avec Grus”;dat ze van haar moeder het Pater Noster, het Ave Maria en het Credo had geleerd en niemand anders haar had onderwezen sinds haar geboorte. Op de 9e zitting van haar proces verklaarde Jeanne, dat ze kon naaien en weven en dat ze het hierin tegen elke vrouw van Rouen wou opnemen. Volgens de getuigen uit haar dorp die werden opgeroepen tijdens het rehabilitatieproces was ze een goed, eenvoudig, levenslustig en aangenaam kind dat plichtsbewust haar moeder hielp en graag werkte. Ze ging ook graag naar de mis en ging dikwijls bidden en kaarsen offeren in de kapel van Notre Dame de Bermont bij de kluizenarij van Bermont. Jehanne moest een godvruchtig meisje geweest zijn, want er waren verschillende getuigen die verklaarden dat ze ook tijdens het werk op het veld neerknielde om te bidden als de kerkklokken opriepen tot gebed. Niettemin was Jeanne volgens diezelfde getuigen geen pilarenbijtster maar speelde en vierde ze mee met de jeugd van het dorp. De verhalen rond Jeanne d’Arc hebben van haar een herderinnetje willen maken dat in de weiden met de schapen ronddwaalde, maar dit strookt niet met de getuigenverklaringen. Ze was een boerenmeisje dat zich, zoals alle boerenmeisjes in die tijd, vooral bezighield met de werkzaamheden in en om het huis en haar broers en vader hielp op het veld waar nodig was.
Gedurende de ondervraging van de negende zitting, de tweede keer dat Jeanne zelf ondervraagd werd, verklaarde ze dat ze dertien was toen ze voor de eerste keer de stem van God hoorde. Ze was heel bang de eerste keer en ze verklaarde dat het gebeurde op de middag in de tuin van haar vader. De stem kwam van rechts van de kant van de kerk en ging niet gepaard met een grote ‘klaarte’ zoals het daarna wel dikwijls het geval was. De stem droeg haar op, om zich goed te gedragen en veel naar de kerk te gaan en ze zei ook dat Jeanne naar Frankrijk[ moest gaan. De stem drong aan op dit punt en zei dat Jeanne het beleg van Orléans moest breken. Eerst moest ze Robert de Baudricourt opzoeken om steun te vragen, want zij was maar een eenvoudig meisje dat niet kon paardrijden noch oorlog voeren. Ze ging dan acht dagen bij haar oom[logeren en vroeg, om haar naar Vaucouleurs te brengen, waar ze de kapitein Robert de Baudricourt onmiddellijk herkende dankzij de stem. Na twee vergeefse pogingen kreeg ze de derde keer een onderhoud en gaf Robert de Baudricourt haar de escorte waarom ze vroeg. Na nog een bezoek bij de hertog van Lotharingen te Nancy vertrok ze van Vaucouleurs, gekleed als man met een degen, die ze gekregen had van de kapitein onder begeleiding van een ridder en diens schildknaap en vier mannen. Ze kwam zonder probleem bij het kasteel van Chinon waar de dauphin verbleef. Bij de ondervraging tijdens de 11e zitting van haar proces op 27 februari 1431 identificeerde Jeanne de stemmen als die van de heilige Catharina en van de heilige Margaretha en ze zouden zichzelf bekendgemaakt hebben aan Jeanne. Ook de aartsengel Michaël sprak regelmatig tot haar volgens haar getuigenissen.[Die drie heiligen waren in de middeleeuwen zeer populair en maakten voor Jeanne deel uit van haar dagelijks leven, ze zag ze ongetwijfeld regelmatig in de kerken die ze bezocht. Van Margaretha stond er een beeld in de kerk van Domrémy en van Catharina in de kerk van Maxey-surMeuse Op 2 februari 1429 kwam ze aan in Chinon en twee dagen later werd ze door de dauphin ontvangen in zijn privévertrekken en niet in de grote zaal. Het moet daar geweest zijn, dat ze met Karel haar missie besprak. Het verhaal dat ze tijdens een grote receptie Karel herkende, die gekleed was als een gewoon edelman, werd slechts door één auteur vermeld.[Jeanne kondigt vier evenementen aan: de bevrijding van Orléans, de kroning van Karel in Reims, de bevrijding van Parijs en de vrijlating van de hertog van Orléans die bij Azincourt was gevangengenomen door de Engelsen. Hierop werd Jeanne door de koning naar Poitiers gestuurd om ondervraagd te worden door de geleerden van de universiteit van Parijs die daar hun onderkomen hadden gezocht na de inname van Parijs door de Engelsen. De notulen van deze ondervragingen zijn verloren gegaan, alleen de conclusies die aan de dauphin werden gestuurd zijn bewaard gebleven en zijn zeer lovend over Jeanne.] Naast de ondervraging door de doctors in de theologie werd Jeanne ook nog onderzocht op haar maagdelijkheid omdat een gezondene van God ongetwijfeld maagd moest zijn en om de laster van de tegenpartij te ontkrachten (die noemden haar de hoer van de Armagnacs). Bovendien kon een maagd geen heks zijn. Karel gaf uiteindelijk zijn akkoord dat ze naar het belegerde Orléans zou trekken, hoewel niet aan het hoofd van een leger, maar met een bevoorradingskonvooi. Jeanne werd eerst naar Tours gebracht om haar de nodige wapenrusting te maken. Twee van haar broers sloten zich bij haar leger aan De Engelsen die het noorden van Frankrijk bezetten werden tegengehouden door de natuurlijke grens gevormd door de Loire, om op te trekken tegen het zuiden dat trouw gebleven was aan de dauphin. Om een doorgang te forceren moesten ze Angers of Orléans innemen. Angers werd beschermd door een kasteel en ze besloten daarom Orléans te belegeren. Er werden versterkingen rond de stad gebouwd, maar de Engelsen hadden niet voldoende manschappen om de stad volledig te omsingelen. Na de mislukte aanval op een Engels bevoorradingskonvooi door de Frans-Schotse troepen op 12 februari 1429 (La journée des Harengs) waren de verdedigers volledig gedemoraliseerd. Op 29 april kwam Jeanne met haar leger van 4000 man en de bevoorrading aan in Orléans en werd ze enthousiast ontvangen door de bevolking. Door het vertrouwen dat ze uitstraalde en haar enthousiasme wist ze de Fransen opnieuw te motiveren. Op 4 mei 1429 veroverden de Fransen onder de leiding van Jeanne de bastille van Saint-Loup[ en op 6 mei nam Jeanne de versterking Saint-Jean-le-Blanc in. Op de volgende dag forceerde Jeanne een nieuwe uitval en veroverde ze de vesting Saint-Augustin. Dit was tegen de beslissingen van de legerleiding onder Jean d’Orléans . De legerleiding kwam daarna bijeen zonder Jeanne erbij te betrekken en besloot op versterkingen te wachten, maar zij wilde de hoofdmacht van de Engelsen bij Les Tourelles aanvallen op 7 mei en in de nacht van 7 op 8 mei hieven de Engelsen het beleg op en trokken weg.
In hoeverre Jeanne zelf betrokken was bij de militaire operaties, vormt nog altijd het onderwerp van discussie. Traditionele historici zien haar als de vaandeldraagster die erin slaagde het moreel van de troepen op te krikken. Anderen zijn van oordeel dat ze wel degelijk betrokken was bij de leiding van de operaties. Iedereen schijnt het er wel over eens te zijn dat dankzij haar optreden het Franse leger een serie van successen kende. Na de overwinning op de Engelsen bij Orléans gingen de Fransen door op hun elan en wilden ze de bruggen in de Loirevallei heroveren om zo de weg naar Reims vrij te maken. Een deel van de Engelse troepen die van Orléans waren weggevlucht had zijn kamp opgeslagen bij Jargeau onder leiding van William de la Pole, de hertog van Suffolk en wachtte op versterking van John van Lancaster, beter bekend als de hertog van Bedford, de Engelse regent. Het Franse leger onder leiding van Jean d’Alençon en Jeanne d’Arc kreeg versterking van Jean d’Orléans en Florent d’Illiers. Onderweg werd het tegemoet getreden door de Engelsen. In het gevecht dat volgde konden de Fransen optrekken tot bij Jargeau. De volgende dag, de 12e juni, werden de gevechten hervat. Suffolk probeerde nog een wapenstilstand te bewerken, maar de Fransen gingen door en Jargeau werd diezelfde dag ingenomen. Suffolk werd gevangengenomen en zijn troepen vluchtten naar Meung-sur-Loire en Beaugency. De Fransen trokken verder naar Meung-sur-Loire en op 15 juni 1429 werd hier de belangrijke brug over de Loire door de Fransen heroverd. Het stadje zelf en het versterkte kasteel werden door de Franse troepen ongemoeid gelaten. Ze trokken onmiddellijk verder naar Beaugency, een klein stadje op de noordelijke oever van de Loire, waar eveneens een strategische brug lag. In Beaugency trokken de Engelsen zich terug in de citadel in het midden van de stad. Toen Jean d’Alençon de informatie kreeg dat er Engelse versterkingen uit Parijs onderweg waren, ging hij onderhandelen met de Engelsen, die de stad opgaven en ongemoeid mochten vertrekken. De campagne van de Loire zou afgesloten worden met de slag bij Patay op 18 juni, de enige echte open veldslag in de campagne. Het Engelse leger stond onder leiding van John Fastolf die met versterkingen uit Parijs was aangekomen. De troepen uit Beaugency hadden zich bij hem gevoegd. De Engelsen vertrouwden op hun gebruikelijke tactiek, die hen sinds de slag bij Crécy de ene overwinning na de andere had bezorgd, namelijk hun uitzonderlijk goed getrainde beroepskorps van longbowschutters. Dit elitekorps stak ter verdediging gepunte palen in de grond, die de vijandelijke cavalerie tegenhield en de infanterie zodanig hinderde dat ze ten onder gingen aan de moordende pijlenregen. Bij Patay verrieden ze hun stelling door in het veld waarin ze zich bevonden een hert neer te schieten. Met het rumoer dat daarbij ontstond, trokken ze de aandacht van Franse verkenners. [25] De voorhoede van het Franse leger viel daarop het longbowkorps aan op de flanken, waar de verdedigingsstellingen vanwege tijdsgebrek nog niet waren uitgevoerd. Het korps werd afgeslacht en de Franse cavalerie dreef de Engelsen op de vlucht. John Talbot werd gevangengenomen. Het Engelse longbowkorps is deze nederlaag nooit te boven gekomen en werd nooit meer heropgericht.Wat Azincourt geweest was voor de Fransen werd Patay voor de Engelsen: de complete nederlaag. Er zouden (afhankelijk van de bron) 2000 à 2500 Engelsen gesneuveld zijn op een leger van 5000 man, tegen 5 tot 100 Fransen. Na de slag bij Patay trok Jeanne naar Loches en overtuigde de dauphin om naar Reims te gaan om zich als koning te laten zalven. De tocht naar Reims ging door Bourgondisch gebied en verliep zonder problemen. Het gezelschap vertrok uit Gien-sur-Loire op 29 juni. Auxerre stelde zich neutraal op, Troyes capituleerde na een belegering van vier dagen waarbij geen slachtoffers vielen en Châlonsen-Champagne opende zijn poorten voor het leger van de dauphin. Op 16 juli kwamen ze aan in Reims, dat ook de poorten opende voor de dauphin. Karel VII werd op 17 juli 1429 in de kathedraal van Reims in de aanwezigheid van Jeanne d’Arc, tot koning gekroond en gezalfd door aartsbisschop Regnault de Chartres. Na de kroning drong de koning er bij Jeanne op aan om rust te nemen, want de koning had onder invloed van zijn raadgevers het besluit genomen om niet aan te vallen. Men had wapenstilstanden gesloten met de Bourgondiërs voor 14 dagen. Onder invloed van zijn raadgevers en in het bijzonder van Georges de la Trémoille en Regnault de Chartres wilde Karel VII in de eerste plaats de alliantie tussen Filips de Goede en Jan van Bedford breken. Jeanne moest dus geneutraliseerd worden, want zij wilde naar Parijs optrekken.
Filips de Goede brak dit verdrag door van de pauze gebruik te maken om de versterking van Parijs uit te bouwen.[ Op 4 augustus trok de hertog van Bedford op tegen het Franse leger vanuit Parijs met een leger van 10.000 man. Karel VII trok de vijand tegemoet en sloeg zijn kamp op tussen Montépilloy en Mont-l'Évêque. Op 15 augustus stonden de twee legers tegenover elkaar opgesteld, maar Azincourt indachtig riskeerde het Franse leger geen frontale aanval tegen het ingegraven Engelse leger; eigenlijk vond er geen veldslag plaats. Het koninklijke leger trok daarna op naar Parijs. Onderweg waren er nog een aantal steden die Karel VII als hun vorst binnenhaalden, waaronder Beauvais. De tegenstanders van Karel VII mochten ongemoeid de stad verlaten. Onder hen was bisschop Cauchon, een fervent aanhanger van de Engelsen. Met zijn bisdom verloor Cauchon een belangrijk deel van zijn inkomsten en hij zou het Jeanne nooit vergeven, want hij hield haar verantwoordelijk voor zijn verlies. Jeanne d’Arc met Jan II van Alençon, de maarschalken Gilles de Rais en Jean de Brossevoerden op 8 september 1429 een aanval uit op de stadspoort van SaintHonoré. Jeanne raakte bij deze aanval gewond aan een been. ’s Avonds trokken ze zich zonder resultaat terug en Jeanne kreeg bevel van de koning om de vijandelijkheden te staken. De koning trok zich terug naar de Loire en het leger werd ontbonden. In oktober nam Jeanne met haar eigen troep Saint-Pierre-le-Moûtier en sloeg het beleg op voor La Charité-sur-Loire, maar tegen kerstmis hief ze het beleg op en keerde ze terug naar Jargeau. Op 29 december 1429 werden Jeanne en haar familie in de adelstand verheven. De originele akte hiervan is verloren gegaan, maar er zijn diverse kopieën bewaard gebleven. In 1614 zou Lodewijk XIII deze beslissing voor de familie hebben herroepen omdat ze in de praktijk gewoon volk waren gebleven. Na de expeditie bij La-Charité-sur-Loire kreeg Jeanne bevel om in het kasteel van la Trémouille in Sully-sur-Loire te blijven, maar zonder toestemming van de koning trok ze naar Compiègne dat door de Bourgondiërs belegerd werd. Tijdens een uitval uit de belegerde stad en de schermutseling die daar op volgde werd Jeanne d’Arc gevangengenomen door de Bourgondiërs op 23 mei 1430. In een dergelijk geval was het normaal geweest, dat Jeanne vrijgekocht zou zijn voor losgeld, maar Karel VII deed geen enkele poging daartoe. Drie dagen na haar gevangenneming schreef de grootinquisiteur van Frankrijk, waarschijnlijk geïnspireerd door de professoren van de Sorbonne, al een brief aan Philips de Goede met het verzoek, om haar zo snel mogelijk over te brengen naar Parijs, om haar te berechten voor misdaden die aan ketterij deden denken. Jeanne was de gevangene van Jean II de Luxembourg-Ligny. Om te voorkomen dat ze door de Fransen bevrijd zou worden werd ze overgebracht naar het kasteel van Beaulieu in de Vermandois. Ze genoot daar een mild regime en mocht zelfs haar eigen hofmeester Jean d’Aulon bij zich houden. Niettemin waagde ze hier een eerste ontsnappingspoging. Daarop werd het besluit genomen om haar weg te brengen uit de gevechtszone en haar onder te brengen in het kasteel van Beaurevoir waar ze goed werd opgevangen door een tante van Jean de Luxembourg, Jeanne de Luxembourg-Saint-Pol en door Jeanne de Béthune, zijn echtgenote. Ze kon bezoek ontvangen en werd op de hoogte gehouden van de situatie bij Compiègne. Niettemin waagde ze een tweede ontsnappingspoging door uit een venster in de toren te springen van 21 meter hoog. Ze raakte daarbij ernstig gewond. Daarop werd ze door de Bourgondiërs overgebracht naar Arras. Pierre Cauchon had al zeer snel contact opgenomen met Jean de Luxembourg met het aanbod om Jeanne te “kopen” voor een aanzienlijk bedrag om haar uit te leveren aan de Engelsen. Hij handelde daarbij in opdracht van Jan van Bedford. Deze koehandel met een krijgsgevangene was in strijd met de toen geldende gedragscode: een krijgsgevangene werd gewoonlijk vrijgelaten in ruil voor een losgeld. De tante van Jean de Luxembourg, die genegenheid had opgevat voor Jeanne, verzette zich tegen de verkoop en dreigde ermee om haar neef te onterven. Uiteindelijk, na het overlijden van zijn tante op 13 november 1430, werd ze door Jean de Luxembourg voor 10.000 pond verkocht aan de Engelsen] op 21 november 1430. Ze werd overgeleverd aan Pierre Cauchon die het proces tegen Jeanne zou voer Het werd een politiek proces: de hertog van Bedford eiste de troon op voor zijn neef Hendrik VI van Engeland en de Engelsen waren er dus erg op gebrand Jeanne als heksen ketter neer te zetten, om zodoende het koningschap van Karel VII te ondermijnen. Het proces werd gevoerd in Rouen, de zetel van de Engelse bezetting. De procedure was van het begin op verschillende punten omstreden. Zo had bisschop Cauchon geen jurisdictie om deze zaak te voeren. De inquisiteur van Rouen, Jean le Maître, tekende hier dan ook bezwaar tegen aan voor wat betreft zijn eigen deelname tot hij tot de orde geroepen werd door de inquisiteur van Frankrijk op vraag
van Cauchon. Cauchon dankte zijn aanstelling alleen aan zijn evidente partijdigheid ten gunste van het Engelse regime, zijn broodheren. De Engelsen financierden het proces ook. De griffier Nicolas Bailly die aangesteld werd om getuigenissen ten laste van Jeanne te vinden kon niets aanbrengen, zodat er geen grond was om een proces te beginnen. Hij zou hierover getuigen tijdens het rehabilitatieproces. Ook weigerde het hof aan Jeanne rechtskundige bijstand van geestelijken uit de delen van Frankrijk waar zij afkomstig was,wat eveneens een inbreuk was op het kerkelijke recht. De partijdigheid van Cauchon was vanaf het begin overduidelijk. Hij zorgde er bijvoorbeeld voor dat Jean de Saint-Avit, bisschop van Avranches en deken van de bisschoppen van Normandië, niet als rechter aangesteld zou worden. Deze bisschop had geen verplichtingen ten aanzien van de Engelsen, en had zich gunstig uitgelaten over Jeanne. Jeanne werd door de Engelsen aan de kerkelijke rechtbank overgedragen onder de voorwaarde, dat ze weer aan het wereldlijke gerecht moest worden overgedragen als ze zou worden vrijgesproken. Deze hypocriete voorwaarde liet een eventuele vrijspraak open, hoewel de veroordeling vanaf het begin vaststond. De zorg waarmee alle wereldlijke autoriteiten van het proces wegbleven is tekenend en het schouwspel dat georganiseerd werd met een ongezien aantal doctoren in de theologie, licentiaten in kerkelijk en wereldlijk recht en andere geleerden die van de Engelsgezinde universiteit van Parijs werden gehaald, naast het bijna volledige kapittel van Rouen, abten en prelaten, was ongezien voor een proces over geloofszaken. In gelijkaardige processen die echt over geloofszaken gingen zetelden hooguit drie of vier kanunniken naast de bisschop en de inquisiteur. Het proces begon op 21 februari 1431 en zou duren tot 23 mei 1431. In totaal waren er 56 zittingen. Jeanne werd opgesloten in een toren van het kasteel van Philippe Auguste, waarvan tegenwoordig alleen de donjon nog bestaat. De donjon wordt nu de toren van Jeanne d’Arc genoemd wordt, hoewel Jeanne in een ander deel van het kasteel gevangen werd gehouden. Hoewel het over een kerkelijk proces ging, bleef Jeanne opgesloten in een wereldlijke gevangenis, wat nogmaals een aanfluiting van de rechtsregels was. Cauchon had weliswaar de gevangenis gekwalificeerd als een kerkelijke gevangenis, maar zelfs dan was het in strijd met het canoniek recht dat Jeanne bewaakt werd door mannelijke wachten. Het regime waaronder ze werd opgesloten was weliswaar niet zachtaardig, maar ze werd niet gemarteld om bekentenissen af te dwingen. Ze beklaagde zich wel verscheidene keren bij Cauchon, Jean Lemaître en Nicolas Loyseleur dat een van de wachten had geprobeerd haar te verkrachten.[38] Het werd haar ook verboden om te biechten, de communie te ontvangen en de mis bij te wonen. Dit moet voor de vrome Jeanne een zware beproeving zijn geweest. Het rechtscollege telde ongeveer 120 personen, waarvan er verscheidene achteraf op het rehabilitatieproces zouden getuigen dat ze onder dwang hadden gehandeld, onder meer Jean Lemaître, de vice-inquisiteur. Ondanks de talloze ondervragingen slaagden de rechters er niet in, om een geloofwaardige beschuldiging te formuleren. Jeanne bleek een goed christelijk meisje te zijn, overtuigd van haar goddelijke missie. Men hield het dan maar bij de magere beschuldigingen van het weglopen uit het ouderlijk huis zonder toestemming van de ouders, het dragen van mannenkleren en vooral het ontkennen van de kerkelijke autoriteit, omdat ze de stemmen volgde die ze hoorde, zonder daarvan rekenschap af te leggen aan de kerkelijke autoriteiten. De rechters namen gemakshalve aan dat die stemmen geïnspireerd waren door de duivel. De notities van het proces die zijn overgeleverd tonen een Jeanne d’Arc die helemaal niet geïntimideerd is door het college van geleerden die haar moeten ondervragen en met allerlei spitsvondigheden probeerden om haar foute dingen te laten zeggen zodat ze zichzelf zou beschuldigen. Een beroemd voorbeeld daarvan was de vraag of zij in staat van genade was. Dit was een theologische valstrik van de geleerden, want de leer van de kerk zei dat niemand dat van zichzelf kon weten. Als ze ja antwoordde was dat een ketterij en als ze nee zei, gaf ze zelf haar schuld toe. Tot grote verbazing van de geleerden antwoordde Jeanne: "Si je n’y suis pas, Dieu m’y mette et si j’y suis, Dieu m’y tienne. Je serais la plus dolente de tout le monde si je savais ne pas être en la grâce de Dieu. De ondervragers stonden versteld van dat antwoord. Cauchon lukte het niet om Jeanne iets fout te laten zeggen en zelfs de slinkse bezoeken in de gevangenis door Loyseleur, een van de bijzitters van het hof, die zich valselijk voorstelde als een medestander van Karel VII en als een streekgenoot leverden geen resultaat op. Cauchon had zelfs geprobeerd om valse notulen te laten opnemen door twee geestelijken achter een gordijn geposteerd.
Manchon, de griffier van het proces, weigerde hieraan mee te werken en wilde met deze notities geen rekening houden. Manchon is waarschijnlijk een van de weinigen die bij het proces betrokken was die altijd geprobeerd heeft de zaak eerlijk te behandelen. Vanaf 10 maart werden er geen algemene zittingen meer gehouden. Omdat Cauchon vaststelde dat Jeanne meer en meer op sympathie kon rekenen binnen het rechtscollege, besloot hij nog een aantal ondervragingen met een klein aantal ondervragers waarvan hij zeker was, te laten doorgaan in Jeannes gevangenis. Jeannes beroep op het Concilie van Basel en op de paus werd door Cauchon verworpen omdat dit zijn positie onmogelijk zou hebben gemaakt, onder meer door zijn negeren van richtlijnen van de inquisitie zoals het gevangen houden van Jeanne in een seculiere gevangenis met mannelijke bewakers. Op 5 april 1431 werd een lijst van twaalf artikels opgesteld die de “misdaden” van Jeanne samenvatten. Op 12 en 13 april werden de deelnemers aan het proces gehoord die in hun conclusie unaniem Jeanne veroordeelden. Op 18 april bezocht de rechtbank Jeanne in haar kerker, omdat ze ziek was, en stelde haar voor om zich te bezinnen en haar fouten toe te geven en zich onder de leiding te plaatsen van een of meerdere van de geleerde doctoren om weer op de goede weg te komen. Jeanne vroeg enkel om te mogen biechten en om begraven te worden in gewijde grond, maar dat werd haar geweigerd: ze moest zich eerst onderwerpen aan de kerk. Op 2 mei 1431 werd een publieke admonitie tegen haar uitgesproken vooraleer over te gaan tot de definitieve veroordeling om haar nog een “kans” te geven zich te bekeren na de mislukte poging op 18 april, maar Jeanne bleef zich toevertrouwen aan God en voor alle zogenaamde misdaden die haar werden toegeschreven verwees ze naar haar goddelijke opdracht. Ook hier bleef Jeanne nog zeer alert en verstandig de opwerpingen en vragen beantwoorden, bijvoorbeeld wanneer men haar vroeg, of ze de paus wilde gehoorzamen, waarop zij antwoordde: “breng me voor hem”. Op 9 mei werd ze in de kerker gebracht waar de marteltuigen stonden en bedreigd met marteling. Ze zei hierop, dat ze geen andere verklaringen zou afleggen onder marteling en als ze dat toch zou doen, ze die zou herroepen voor de rechtbank en zeggen dat ze door marteling waren afgedwongen. Op 12 mei werd besloten om van marteling af te zien. Uiteindelijk werd Jeanne veroordeeld door de geleerde doctoren van de Parijse Sorbonne en door het kapittel van Rouen die geen van beiden hun broodheren wilden teleurstellen. Zij werd schuldig bevonden als schismatieke, afvallige, leugenares, zienster, verdachte van ketterij en godslaster. Haar visioenen worden afgedaan als falsificaties, omdat Jeanne niet was aangekondigd in de heilige schrift en omdat ze geen mirakels had verricht Op 24 mei werd Jeanne naar het kerkhof van Saint-Ouen in Rouen gebracht, waar een brandstapel was opgericht. Na een donderpreek en nieuwe ondervragingen bezweek Jeanne in een zwak moment onder de druk en tekende een abjuratiedocument waarin ze haar fouten toegaf en het gezag van de kerk erkende.Hierop werd ze veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf “avec le pain de douleur et l’eau de l’angoisse” Als eerste stap in haar “bekering” zou Jeanne weer vrouwenkleren aantrekken. De abjuratie vormde een belangrijk element voor Cauchon en zijn Engelse opdrachtgevers omdat op een "hervallen in de dwaling" na een abjuratie automatisch de veroordeling tot de brandstapel zou volgen. Op 28 mei deed Jeanne in de gevangenis weer mannenkleding aan.Ondervraagd hierover zei ze dat ze werd vastgehouden door mannen en dat men de beloften die haar gedaan werden niet gehouden had; men had haar onder meer beloofd dat ze de mis mocht bijwonen en de communie mocht ontvangen. Bovendien was ze nog steeds in de ijzers geslagen in tegenstelling tot de beloften die men haar gedaan had. Ze zei dat ze zich bij alle wensen van haar rechters zou neerleggen als men eerst uitvoerde wat haar beloofd was en dat ze vrouwenkleding zou aantrekken als ze niet meer door mannen werd bewaakt en geen risico meer liep om verkracht te worden. Vervolgens herriep Jeanne haar abjuratie door te verklaren dat ze nog steeds haar stemmen hoorde, dat ze door God gezonden was en alleen aan hem verantwoording verschuldigd was en dat ze een grove fout gemaakt had door, onder bedreiging met de brandstapel en uit angst voor het vuur, op het kerkhof van Saint-Ouen de waarheid te verloochenen. Ze zei ook dat ze liever wilde sterven dan levenslang opgesloten te worden. Hier hadden de rechters op gewacht, met Jeannes ontkenning hoopten ze aan te tonen, dat Karel VII onder valse voorwendsels tot koning was gezalfd en anderzijds konden ze Jeanne liquideren. Er werd
niet getalmd; op 29 mei werd Jeanne tot ketter verklaard, waarna ze op 30 mei werd overgedragen aan het wereldlijke gerecht en nog dezelfde dag levend verbrand op de Oude Markt (Place du Vieux Marché) van Rouen. In wezen was het enige “gerechtelijke” argument voor haar veroordeling een Bijbels kledingvoorschrift,[50] men had het ver moeten zoeken. Henri Beaufort, de kardinaal van Winchester had erop aangedrongen dat er niets van het lichaam van Jeanne zou overblijven dat zou kunnen gebruikt worden als reliek, omdat hij vreesde voor een postume verering van Jeanne. Jeanne stierf waarschijnlijk eerst door koolmonoxidevergiftiging, maar daarna werd de brandstapel opgestookt om haar organische resten te verbranden en na een derde verbranding bleven alleen nog wat beenresten en as over. Die werden door de beul Geoffroy Thérage vanaf de Pont Mathilde in de Seine geworpen. De zogenoemde Jeanne d’Arcrelieken worden bewaard in het museum van kunst en geschiedenis van Chinon en zouden volgens een opschrift op het perkament dat de bokaal afdekte, afkomstig zijn van onder de brandstapel waarop Jeanne werd verbrand. Deze relieken werden in 1867 ontdekt op de zolder van een apotheek in Parijs. Aanvankelijk werden ze bewaard in een glazen flesje uit het begin van de 19e eeuw met als opschrift: Restes trouvés sous le bûcher de Jeanne d’Arc, Pucelle d’Orléans. Multidisciplinair wetenschappelijk onderzoek[ wees echter uit dat het om een vervalsing gaat, waarschijnlijk uit de late 18e of de vroege 19e eeuw. Het monster bevat een stuk kattenbeen, menselijke resten (deel van een rib) die waarschijnlijk afkomstig zijn van een Egyptische mummie van tussen de 7e en de 3e eeuw v.Chr., stukjes houtskool en een stuk linnen. De beenderen waren gekleurd met een bitumenmengsel, analoog aan de producten die gebruikt werden bij het balsemen in het oude Egypte, om een verkoold aspect te creëren. De houtskool is van dezelfde materie. Karel VII, die zijn koningschap aan Jeanne d'Arc te danken had, deed toen het nog kon geen enkele moeite om haar te bevrijden en het zou bijna twintig jaar duren voor hij een actie ondernam om Jeanne van elke schuld te zuiveren. Sommigen zien daar dan ook slechts een poging in om zichzelf van de blaam te zuiveren dat hij door een ketterse naar Reims was gebracht om zich tot koning te laten kronen. Er waren natuurlijk ook enkele praktische bezwaren. Karel moest in bezit zijn van Parijs voor hij iets kon ondernemen. Het was immers de universiteit van Parijs die een zeer belangrijke rol had gespeeld in de aanklacht tegen en de veroordeling van Jeanne d’Arc. Hij kon de medeplichtigen van de Engelsen pas ter verantwoording roepen, nadat Parijs in zijn handen zou zijn gevallen. Maar ook Rouen moest in zijn bezit zijn, voor hij echt iets kon ondernemen, omdat het proces daar was gevoerd en de originele documenten in Rouen werden bewaard. Rouen kwam pas in de handen van Karel VII in november 1449.



2150699-fdd6b148b4d2c770db54688c9b7ce36c.JPG

2150699-eaac2831c30a5c89ed61ace517ed3e27.JPG
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door rami om 09:25 Reageer op dit bericht

VANDAAG jaren terug 29 mei heizeldrama

29 mei 1985 heizeldrama Het is vandaag precies drieendertig jaar geleden dat er bij rellen voor de Europacupfinale tussen Liverpool en Juventus 39 mensen stierven in de Heizel in Brussel. Dat is vanmorgen herdacht met een korte, sobere plechtigheid aan het Koning Boudewijnstadion. De Britse en Italiaanse ambassadeur in ons land waren daarbij aanwezig en legden bloemen neer als eerbetoon aan de slachtoffers. Op 29 mei 1985 braken ongeveer een uur voor de start van de fnale van Europacup I op de Heizel tussen het Italiaanse Juventus Turijn en het Engelse Liverpool zware rellen uit tussen Britse en Italiaanse voetbalsupporters. Door een blunder van de organisatoren bleken de verschillende clans vlak naast mekaar te staan. Dronken Britse fans begonnen meteen met het gooien van stenen en chargeerden daarna richting de Italiaanse supporters in blok Z. Door de druk van de mensenmassa bij de Engelsen stortte een muur in en mensen tuimelden naar beneden. In de paniek die daarop uitbrak, werden tientallen supporters vertrappeld. Politie en rijkswacht konden nauwelijks ingrijpen. Er waren overigens ook veel te weinig manschappen. Na afoop werden 39 doden (32 Italianen, twee Belgen, vier Fransen en een Ier) en tientallen zwaargewonden geteld. De fnalewedstrijd werd een paar uur later alsnog gespeeld, en gewonnen door Juventus na een doelpunt van Michel Platini. Oorzaak van het drama waren onder andere de slechte staat van het stadion, het gebrekkige en ongecoördineerde optreden van politie en rijkswacht. Er waren ook te veel mensen in het stadion doordat er tickets op de zwarte markt verkocht werden.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door rami om 09:00 Reageer op dit bericht

VANDAAG jaren terug 29 mei Kennedy

29 mei 1917 geboorte John F Kennedy John Fitzgerald („Jack”) Kennedy ( Brookline ( Massachusetts), 29 mei 1917 – Dallas ( Texas), 22 november 1963), ook bekend onder zijn initialen JFK , was een Amerikaans politicus van de Democratische Partij. Vanaf 20 januari 1961 was hij de 35e en jongst gekozen[1] president van de Verenigde Staten, totdat hij op 22 november 1963 op 46-jarige leeftijd, tijdens een rondrit in een open limousine, in Dallas werd vermoord. Bij het grote publiek is Kennedy bekend geworden als de president die de Amerikaanse plannen bekendmaakte om een man op de maan te zetten om zo de ruimtewedloop met de Sovjet-Unie te winnen. Daarnaast werd zijn voortijdig afgebroken termijn gekenmerkt door de Cubacrisis en steeds sterkere Amerikaanse inmenging in de Vietnamoorlogen zijn poging de wapenwedloop te stoppen. Kennedy was evenwel een meer pragmatisch dan ideologisch geïnspireerd leider. Kennedy kwam uit een van oorsprong Ierse rooms-katholieke familie. Zijn moeder heette Rose Kennedy. Zijn vader Joseph (Joe) Kennedy was een politicus en steenrijk zakenman. Het echtpaar had negen kinderen. Het gezin werd na Kennedy's verkiezing tot president ook wel schertsend de onofficiële koninklijke familie van de Verenigde Staten en de Kennedyclan genoemd, omdat er zo veel invloedrijke personen uit voortgekomen zijn. Kennedy bleek zeer intelligent en had goede schoolresultaten, maar hij had al vroeg een slepende ziekte en, later, zware rugproblemen, die hem de rest van zijn leven zouden kwellen. Hij woonde en studeerde enige tijd in Londen en maakte vóór de oorlog een reis door Europa, waarover hij in 1940 als afstudeerscriptie een scherp analyserend verslag schreef met daarin waarschuwingen tegen Hitler, getiteld "Why England Slept" over het Britse aandeel in het Verdrag van München, een scriptie die daarna als boek gepubliceerd een bestseller werd. Hij behaalde aan Harvard cum laude een graad in internationale betrekkingen. In de oorlog was hij luitenant bij de marine, hoewel hij als gevolg van zijn lichamelijke kwalen in eerste instantie niet werd goedgekeurd voor actieve dienst. Dankzij de invloed van zijn familie lukte het hem echter in een gevechtsfunctie te worden geplaatst. Voor veel kiezers zou dat bij presidentsverkiezingen een voorwaarde voor hun stem zijn. Een dag nadat de Japanners Pearl Harbor bombardeerden (op 7 december 1941), werd Kennedy uitgezonden naar de Stille Oceaan. Daar voerde hij het bevel over een motortorpedoboot (de PT-109) die door de Japanse kruiser Amagiri bij de Salomonseilanden overvaren werd en zonk, waarna hij met een moedige actie toch zijn bemanning wist te redden. Na het zinken van de boot zwom Kennedy met de overlevenden vier uur in zee voordat zij een 5,6 km verder gelegen eiland (Kasolo Island of ook wel Kennedy Island) wisten te bereiken. Kennedy, die deel had uitgemaakt van het zwemteam van Harvard, trok hierbij een gewond bemanningslid. Omdat Kasolo Island slechts 100 meter in doorsnede is en er geen voedsel te vinden was, zwommen Kennedy en zijn mannen naar een ander eiland (Olasana Island). Omdat er in dit gebied regelmatig Japanse schepen langsvoeren, was deze tocht niet zonder gevaar. Na 10 dagen van kokosnoten geleefd te hebben, werden Kennedy en zijn mannen ontdekt door inboorlingen en ten slotte gered. Voor zijn betoonde moed en doorzettingsvermogen ontving Kennedy de Navy and Marine Corps Medal.Tegen verslaggevers die aan hem vroegen hoe hij een oorlogsheld was geworden, grapte Kennedy "doordat ze mijn boot tot zinken brachten". Als gevolg van de bij deze actie opgelopen verwondingen en andere kwalen, zoals de ziekte van Addison (waar toen nog geen goede medicatie voor ontwikkeld was), leed Kennedy aan ernstige rugpijnen. Buiten het zicht van de openbaarheid liep hij daarom vaak op krukken. Hoewel Kennedy naar buiten toe de indruk maakte een buitengewoon gezond man te zijn, was dat in werkelijkheid niet zo. Hij stond onder voortdurend medisch toezicht en had een eigen lijfarts. Kennedy had al vroeg een levendige belangstelling voor vrouwen en had een groot aantal minnaressen, zoals lange tijd de Deense journaliste Inga Arvad in Washington in de jaren 40, [bron?] waarvan de verdenking bestond dat zij een nazi-spionne was. Ook wordt beweerd dat Kennedy tijdens zijn huwelijk een relatie zou hebben gehad met Marilyn Monroe, die hem op zijn vijfenveertigste verjaardag zo verleidelijk had toegezongen (Happy Birthday, Mr. President). Bewijs hiervoor ontbreekt echter. Hij was sinds 1953 getrouwd met Jacqueline Bouvier, met wie hij vier kinderen kreeg: Arabella
(1956, doodgeboren), Caroline (1957), John F. Jr.(1960-1999) en Patrick (1963, stierf twee dagen na zijn geboorte). In 1946 werd Kennedy gekozen tot Afgevaardigde voor het Congres voor Boston en in 1952 tot senator. In 1956 schreef hij "Profiles in Courage" over Amerikaanse senatoren die met gevaar voor hun loopbaan standpunten innamen die afweken van die van hun partij. Dit boek kreeg in 1957 de journalistieke Pulitzerprijs voor biografie. Als Congreslid bezocht Kennedy voor het eerst Frans Indo-China, waar op dat moment de Eerste Indochinese Oorlog aan de gang was. In 1956, na de stichting van Noord- en Zuid-Vietnam, bezocht hij de regio opnieuw. John F. Kennedy werd in 1960 gekozen tot 35e president van de VS na een nipte verkiezingsoverwinning (een half procent verschil)[4] op de Republikein en zittend vicepresident Richard Nixon. Zijn running mate was Lyndon B. Johnson, die dan ook zijn vicepresident werd. Kennedy's presidentschap was sterk pragmatisch georiënteerd; historica Barbara Tuchmankenmerkt Kennedy als "progressief noch conservatief (...) een man met een snel verstand en sterke ambitie die vele verheven principes overtuigend, welsprekend en zelfs barmhartig wist te verwoorden, terwijl zijn daden daar niet altijd mee in overeenstemming waren. (...) In het Kennedykamp werden idealisten gewoonlijk 'zeveraars' genoemd of 'sentimentele doetjes'." Kennedy liet zich niet makkelijk manipuleren en liet al vroeg merken wie de baas was. Na de mislukte invasie in de Varkensbaai ontsloeg Kennedy twee hoge CIA-bazen en dreigde naar verluidt de CIA "in duizend stukjes te versplinteren en uit te strooien in de wind."Kennedy wilde ook J. Edgar Hoover ontslaan, die al sinds mensenheugenis de directeur van de FBI was. Hij veranderde van gedachten toen dit plan, vanwege de politieke gevolgen ervan, niet haalbaar bleek te zijn.Kennedy's presidentschap werd ook gekenmerkt door zijn hang naar vrede en zijn menslievendheid. Dit alles leverde hem medestanders op, maar zorgde ook voor tegenstanders op hoge posities. Kennedy's presidentschap begon in een economischvoorspoedige tijd. Wel waren er in de Verenigde Statenintern veel strijdpunten. Vooral in het zuiden kwam nog veel racisme voor en was er in het openbare leven sprake van een strikte rassenscheiding, vergelijkbaar met apartheid in Zuid-Afrika. Het verzet daartegen nam toe, mede onder invloed van Ds. Martin Luther King. Veel strijders voor burgerrechten waren geïnspireerd door de vooruitgangsboodschap van president Kennedy, maar kregen in de praktijk geen steun van de president. Kennedy vond het opheffen van rassenscheiding een zaak van de individuele staten en niet van de federale overheid. Slechts als federale wetten werden overtreden (zoals de weigering zwarte reizigers te bedienen bij interstate busreizen) greep hij in. De zwarte bevolking van de VS moest wachten op president Johnson, de opvolger van Kennedy, voordat er daadwerkelijk wetgeving tot stand zou komen die discriminatie op basis van huidskleur onwettig verklaarde De Koude Oorlog speelde vanaf het allereerste begin de boventoon in Kennedy's buitenlandbeleid, dat mede werd vormgegeven door de Republikeinse minister van Defensie Robert McNamara. In december 1960 was het Nationaal Bevrijdingsfront van Zuid-Vietnam opgericht en twee weken voor Kennedy's inauguratie op 20 januari 1961 had Nikita Chroesjtsjov, de Russische president, de 'nationale bevrijdingsoorlogen' in Vietnam, Cuba en elders volledige steun van de Sovjet-Unie beloofd. Kennedy refereerde hieraan in zijn inaugurele rede als het 'uur van het grootste gevaar' voor de vrijheid. Al in de eerste tien dagen van Kennedy's presidentschap werd een plan gelanceerd om met Amerikaans geld en personeel de Zuid-Vietnamese strijdmachten uit te breiden met 20.000 militairen en 32.000 paramilitairen. De inmenging in de Vietnamese burgeroorlog werd steeds intensiever; begin 1963 waren er 17.000 Amerikaanse militairen aanwezig in Zuid-Vietnam. Het Congres werd buiten de besluitvorming omtrent Vietnam gehouden; op beschuldigingen uit Republikeinse hoek dat hij "niet openhartig" was tegenover zijn volk, antwoordde Kennedy in februari 1962 dat er "daarheen geen gevechtstroepen in de gebruikelijke betekenis van het woord gestuurd" waren. De voornaamste activiteiten van de Amerikaanse krijgsmacht in Vietnam waren troepentransport, opleiding van Zuid-Vietnamese manschappen, luchtsteun bij anti-guerrilla-acties en ontbladering van bossen door o.a. Agent Orange (vanaf 1961). Het aantal Amerikaanse doden in het gebied bedroeg tijdens Kennedy's eerste ambtsjaar 14, het jaar daarop 109. Onder Amerikaanse leiding leken de kansen voor Zuid-Vietnam te keren; gewelddadige deportatie van de Zuid-Vietnamese
plattelandsbevolking door de eigen regering speelde hierin overigens ook een grote rol, omdat zo de "Vietcong"-guerrillero's de toegang tot voedsel kon worden ontzegd. Al snel kreeg Kennedy te maken met een erfenis van zijn voorganger, president Eisenhower: plannen om een invasie te laten plegen op Cuba door anti-Castro-Cubanen onder regie van onder andere de CIA. Kennedy was door zijn staf op de hoogte gebracht van de onder Eisenhower geplande invasie en besloot dit plan door te zetten. Kennedy verzekerde de Amerikaanse bevolking ervan dat de Verenigde Staten hierbij niet zelf betrokken zouden raken. Op het laatste moment wilde de CIA toestemming om Amerikaanse strijdkrachten in te zetten, omdat de invasie met de anti-Castro-Cubanen mislukte. Kennedy weigerde en de invasie liep uit op een groot fiasco. Honderden mannen sneuvelden of werden gevangengenomen. Voor een hoge prijs kon Kennedy ze later "kopen" van Castro. Dit incident werd bekend onder de naam Invasie in de Varkensbaai en het Varkensbaai-Fiasco. Kennedy hield een speech op televisie waarin hij de volledige verantwoordelijkheid van de blunder op zich nam. Kennedy gaf tijdens zijn presidentschap de ruimtevaart een enorme impuls door, nadat de Sovjets een voorsprong hadden genomen in de ruimterace, in 1961 aan het Amerikaans Congres voor te stellen geld beschikbaar te stellen voor een reis naar de maan. Kennedy vroeg zich echter af of deze reis een nationale kwestie zou moeten zijn. In een voordracht voor de Verenigde Naties op 20 september 1963 gaf hij aan dat hij mogelijkheden zag deze reis in samenwerking met de Sovjet-Unie te maken.Kennedy kreeg de kans niet dat voorstel nader uit te werken, twee maanden later werd hij vermoord. In de tweede helft van zijn presidentschap werden de internationale spanningen in de Koude Oorlog groter en mondden uit in de Cubacrisis, die had kunnen uitlopen op een Derde Wereldoorlog. Er waren nucleaire raketten in het spel en Chroetsjov had gedreigd deze af te schieten. Kennedy speelde blufpoker op het hoogste niveau, maar kwam op 28 oktober 1962 als winnaar uit de strijd. Door het diplomatiek oplossen van de crisis, steeg zijn populariteit. Kennedy was een begaafd spreker met een sterk charisma, dat opviel bij mensen uit de gehele westerse wereld. Hij werd een icoon van het westerse kamp in de Koude Oorlog. Bij zijn buitenlandse bezoeken kreeg hij altijd veel enthousiaste belangstelling, zoals in Berlijn, waar hij staande op het balkon van Rathaus Schöneberg de legendarisch geworden woorden "Ich bin ein Berliner" uitsprak. Een andere veelgeciteerde uitspraak van hem is "ask not what your country can do for you, ask what you can do for your country", die deel uitmaakte van zijn inauguratietoespraak. Enkele andere markante en nog veel geciteerde uitspraken hadden betrekking op het begin jaren 60 geuite voornemen om binnen tien jaar "mensen op de maan"te zetten (en ze weer veilig terug te brengen). Dit zou ook gebeuren met het toen opgestarte Apolloprogramma. Uit zijn toespraak voor de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in september 1961 komen de uitspraken dat deze organisatie "het enige alternatief voor oorlog" zou zijnen dat "de mensheid een einde aan de oorlog moet maken, omdat de oorlog anders een einde aan de mensheid zal maken". Weer een andere uitspraak, over de conditie van de moderne mens, leidde tot de invoering van de naar hem genoemde Kennedymarsen over 80 km (50 mijl), die in Nederland jaarlijks in veel plaatsen worden georganiseerd.
Op 22 november 1963 om 12.30 uur CST (18.30 UTC) werd Kennedy dodelijk verwond door twee geweerkogels, één door het hoofd en één door zijn rug, terwijl hij in een open presidentiële limousine over Dealey Plaza in Dallas in de Amerikaanse staat Texas gereden werd. Zijn rijtour was onderdeel van een publieksreis door Texas, mede georganiseerd met het oog op zijn eventuele herverkiezing in 1964. Kennedy was de vierde president van de Verenigde Staten die vermoord werd en de achtste die tijdens de uitoefening van zijn ambt overleed. Twee officiële onderzoeken leidden tot de conclusie dat Lee Harvey Oswald, werkzaam in het schoolboekenmagazijn op Dealey Plaza, de moordenaar was. Volgens het onderzoek van de Commissie-Warren handelde Oswald alleen, volgens het onderzoek van de Enquêtecommissie van het Huis van Afgevaardigden was er ten minste nog één andere schutter. De moord op Kennedy is nog altijd onderwerp van speculatie en heeft stof opgeleverd voor vele samenzweringstheorieën.
Twee dagen na de moord op Kennedy werd Oswald op het politiebureau van Dallas vermoord door nachtclubeigenaar Jack Ruby, waardoor hij niet meer kon worden voorgeleid en er geen proces tegen hem werd gevoerd. Het graf van John F. Kennedy bevindt zich op de begraafplaats Arlington National Cemetery, Virginia, vlak bij het Pentagon. Met een "eeuwige vlam" getooid, is het voor de vele bezoekers een herdenkingsplaats. Na de moord op Kennedy leidde Jim Garrison, de officier van justitie in New Orleans, een uitgebreid onderzoek naar de omstandigheden rondom deze moord. Dit leidde uiteindelijk tot een proces wegens samenzwering tegen de zakenman Clay Shaw, die evenwel werd vrijgesproken. De naam van Kennedy leeft onder andere voort in het vliegveld John F. Kennedy International Airport (voorheen: Idlewild) in het stadsdeel Queens in New York en na zijn dood bepaalde zijn opvolger dat de lanceerbasis op Cape Canaveral in Florida voortaan het Kennedy Space Center zou heten. Midden jaren 60 werd in de VS het vliegdekschip de USS John F. Kennedy gebouwd, het enige schip in de John F. Kennedyklasse. Welke grote indruk hij had gemaakt bleek onder meer toen binnen een paar maanden na zijn overlijden ook in Europa al grote straten en pleinen naar hem werden vernoemd. Zo werd al op 9 januari 1964 de Rivierenlaan te Amsterdam omgedoopt tot President Kennedylaan. In Antwerpen werd een tunnel onder de Schelde naar hem genoemd. Kennedy's naam leeft ook voort in verschillende films en televisieseries die zijn uitgebracht, waarin hij voorkomt. Deze films en series gaan veelal over zijn presidentschap, of over prominente gebeurtenissen die in zijn presidentschap plaatsvinden. Er kwamen ook films uit waarin vooral zijn biografie op de voorgrond treedt.



2150433-6787a0cffbc6103ae67df4402854442c.JPG

2150433-4027679b335f7853d3350c28c197606f.JPG
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door rami om 08:58 Reageer op dit bericht

VANDAAG jaren terug 29 mei Romy Schneider

29 mei 1982 overlijden Romy Schneider Romy Schneider , pseudoniem van Rosemarie Magdalena Albach , ( Wenen, 23 september 1938 – Parijs, 29 mei 1982 ) was een Duitse actrice, die doorbrak met de vertolking van de rol van Elisabeth van Oostenrijk in Ernst Marischka's filmcyclus Sissi. Ze was de dochter van Magda Schneider en Wolf Albach-Retty , die beiden ook acteur waren. Omdat haar moeder Duitse was en Wenen tijdens haar geboorte bij Duitsland hoorde, kreeg Romy de Duitse nationaliteit. Haar grootmoeder Rosa Albach-Retty was eveneens een actrice. De Sissi-films (1955-1958) maakten Schneider wereldwijd dermate beroemd, dat ze daarna nooit meer van het suikerzoete imago van die rol afkwam. Met beide handen nam ze dan ook het aanbod aan om te acteren in de nogal zwaarmoedige film Christine. Tijdens de opnamen in 1958 kreeg ze een relatie met haar medeacteur, de Fransman Alain Delon en trok met hem naar Parijs. Ze werkte daar o.a. met Luchino Visconti en Orson Welles. Hoewel ze door het publiek nog steeds als Sissi gezien werd, betekende deze carrièrewending wel de ontsnapping aan haar imago. Via Frankrijk kwam ze in 1964 in Hollywood, waar ze samen met Jack Lemmon in Good Neighbor Sam speelde en in 1965 in What's New, Pussycat met Woody Allen. In 1964 eindigde haar relatie met Delon. Later speelde ze nog met hem in de broeierige misdaadfilm La Piscine(1969) en in het historisch drama The Assassination of Trotsky (1971). In 1966 trouwde ze met Harry Mayen. In datzelfde jaar werd hun zoon David geboren. Haar huwelijk met Mayen liep in 1975 op de klippen. Op de dag na de echtscheiding trouwde ze met haar privésecretaris Daniel Biasini. Later dat jaar werd dochter Sarah Magdalena geboren. Niettemin was ze niet erg gelukkig en raakte ze in deze periode aan de drank en nog later aan de drugs. Vanaf La Piscine reeg ze de successen aan elkaar en werd ze een van de topactrices van Frankrijk. In 1976 behaalde ze de allereerste César voor beste actrice voor haar aangrijpende vertolking van een mislukte actrice in het drama L'important c'est d'aimer (1975) van de Poolse cultregisseur Andrzej Żuławski. Ze schitterde onder meer ook in vijf films van Claude Sautet. Haar favoriete tegenspeler in die periode was Michel Piccoli. Met hem speelde ze onder meer in het echtelijk drama La Voleuse (1966), het tragisch drama Les Choses de la vie (1969), de misdaadfilm Max et les ferrailleurs (1971), de zwarte komedie Le trio infernal (1974) en het oorlogsdrama La passante du Sans-Souci (1982), haar laatste speelfilm. In 1981 kwam er nog meer rampspoed in haar leven. Na de scheiding van Biasini volgde het verongelukken van haar zoon David: hij werd op 5 juli gespietst op een hek toen hij naar beneden viel tijdens een klimpartij bij het huis van de ouders van Biasini. Niet lang na de première van La passante du Sans-Souci (op 14 april 1982 in Frankrijk), werd ze dood in haar woning in Parijs aangetroffen: een overdosis slaappillen zou de oorzaak zijn geweest maar later werd dat ontkracht en was de doodsoorzaak een hartaanval. Ze werd begraven op de begraafplaats van Boissy-sans-Avoir. Haar zoon David rust in hetzelfde graf. In het weekend van 30 april 2017 is het graf door nog onbekenden geopend. Omstanders zagen dat de hoofdsteen was verplaatst.[4] Verder onderzoek loopt nog.



2150432-5dcda4b9c4296880a956000aa62005b5.JPG

2150432-de4d4dfb15683d8182ba276bc448e41b.JPG
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door rami om 08:56 Reageer op dit bericht

VANDAAG jaren terug 28 mei 1940 WOII

28 mei 1940 overgave leopold III Vanaf 25 mei en zelfs al vroeger wisten de koning, en ook de regering, dat ze onder de voet zouden worden gelopen door het Duitse leger. Het enige wat nog telde was nog enkele dagen stand te houden, teneinde de evacuatie van de geallieerde legers mogelijk te maken. Om hierin te helpen liet men grote delen van de Westhoek onder water lopen om zo de opmars van de Duitse troepen te hinderen. De koning spande zich in om de geallieerden duidelijk te maken, als ze dit niet uit zichzelf wisten, dat het uur van de capitulatie van de Belgische troepen snel naderde. Onmiddellijk na die capitulatie werd door de Britse maar vooral door de Franse overheid geprotesteerd dat ze onverwacht was gekomen en ze hierdoor schade hadden geleden. Achteraf bleek dit onjuist te zijn, want de signalen waren talrijk geweest: Op 24 mei schreef Leopold een brief naar de koning van Engeland, waarin hij duidelijk liet weten dat voor het Belgisch leger de strijd ten einde liep. Via admiraal Roger Keyes, de speciale gezant van de eerste minister Winston Churchill, verwittigde hij deze in dezelfde zin. De Franse generaal Champon en de Britse kolonel Davy die bestendig op het Belgische hoofdkwartier aanwezig waren, kenden de hopeloze toestand waarin het leger zich bevond en berichtten hierover aan hun respectieve chefs. Op 26 mei ontving de koning de generaals Champon en Blanchard en gaf hen een boodschap mee voor opperbevelhebber Maxime Weygand, die meldde dat de grenzen van het weerstandsvermogen bereikt waren. Leopold achtte de capitulatie onvermijdelijk om een grote slachting onder de Belgische soldaten en onder de massa in West-Vlaanderen toegestroomde vluchtelingen te vermijden. Een groot deel van de Belgen volgde hem in die gedachtegang en rond zijn persoon ontstond een ware cultus. Nadat tot capituleren besloten was werd nog een aantal uren gewacht, om nog een laatste respijt te geven voor de evacuatie van de Engelse troepen in Duinkerke. De wapens werden neergelegd op 28 mei om 4 uur. In de loop van de voormiddag namen de Duitsers de stad Brugge in en meldden zich aan op de residentie van de gouverneur, waar de koning verbleef. Hij werd in de nacht van 29 mei onder militair escorte naar Laken gevoerd. Nu de koning in handen was gevallen van de vijand en onder huisarrest in het kasteel van Laken verbleef ontnam de ministerraad hem zijn grondwettelijke bevoegdheden, op basis van artikel 82 van de Grondwet: de koning "verkeerde in de onmogelijkheid om te regeren". De grondwet voorzag in dit geval de bijeenroeping van de verenigde kamers, die een regent moesten aanduiden. Aangezien ook dit onmogelijk was besliste de regering dat zij de volheid van de grondwettelijke bevoegdheden op zich nam. Naar de buitenwereld werd de verantwoordelijkheid van de gerezen toestand op de koning gelegd. Pierlot zei in een radioboodschap: "Geen enkele houding van de koning kan enig effect hebben als die niet door de regering wordt gedekt. Door de band met de bevolking te verbreken, plaatst de koning zich onder het gezag van de bezetter. Hij is bijgevolg niet meer in staat te regeren, want de functie van staatshoofd kan niet worden uitgeoefend onder controle van de bezetter. In afwachting zal de grondwettelijke macht van de koning worden uitgeoefend door de regering, verenigd in raad en onder haar verantwoordelijkheid worden uitgeoefend."
"Op het laatste moment toen de invasie van België al een feit was, riep Koning Leopold ons om hulp en zelfs op dit laatste moment kwamen we. Hij en zijn dapper, efficiënt leger, bijna een half miljoen man sterk, beschermden onze linkerflank en hielden zo onze terugweg naar de zee open. Plotseling, zonder voorafgaand overleg, met zo min mogelijk waarschuwing, zonder advies van zijn ministers en op zijn eigen persoonlijk initiatief, zond hij een bericht naar het Duitse opperbevel, waarin hij de overgave van zijn leger betekende en onze hele flank en onze terugtocht in gevaar bracht."
De Britse pers noemde hem de "Koning Verrader" en "Koning Rat". De Daily Mirror drukte zijn portret af met onderschrift "Het gezicht dat elke vrouw nu veracht". Belgische vluchtelingen in Parijs plaatsten bij het standbeeld van koning Albert een bericht "uw onwaardige opvolger". De Britse historicus Sir Basil Liddell Hart noemde de beslissing van Leopold nochtans eervol. De Franse premier Paul Reynaud beschuldigde Leopold van verraad. Leopold was de zondebok geworden, omdat Reynaud besefte dat ook de Slag om Frankrijk verloren was. Een koning kon door het republikeinse Frankrijk verantwoordelijk gesteld worden voor het eigen falen. Uiteraard had de breuk tussen de koning en zijn regering het gemakkelijker gemaakt om hem als schuldige aan te wijzen. Dat ook de Belgische regering hem met de vinger wees en dat op 31 mei in Limoges de aanwezige parlementsleden dit onderschreven, deed Leopold beslissen alle contacten met de regering af te breken. Hij zou dit in de volgende oorlogsjaren consequent doorzetten.
Toen Leopold III van Brugge naar Brussel werd gevoerd en in het paleis van Laken aankwam, waren er al meldingen dat een gesprek met Hitler zeer binnenkort te verwachten was. Op 31 mei meldden twee gezanten van Hitler zich aan in Laken (staatsminister Otto Meissner en dokter Karl Gebhardt) met een uitnodiging voor de koning om de Führer te ontmoeten. Het antwoord van de koning luidde dat hij de uitnodiging aanvaardde, maar op voorwaarde dat de ontmoeting incognito gebeurde. Generaal Van Overstraeten en ook Hendrik De Man schreven dat de koning uitgeput was en erg tegen een confrontatie met Hitler opzag. Op 4 juni antwoordde Hitler dat hij zich over de principiële aanvaarding verheugde, maar dat hij het incognito onmogelijk achtte. Hij zou er later op terugkomen, wanneer de militaire operaties in Frankrijk achter de rug waren. Op 26 juni, na de wapenstilstand in Frankrijk, bevestigde Leopold aan zijn bewaker kolonel Werner Kiewitz dat hij bereid bleef Hitler te ontmoeten (zonder nog aan de voorwaarde van incognito te houden) en verzocht hem dit door te seinen. Nu was het Hitler die weigerde. In zijn instructies van 11 juli 1940 over België werd geen rol meer voorzien voor de koning en werd het toekomstig lot van het land onbeslist gelaten. Als er vanuit de omgeving van de koning nog vragen zouden komen over de toekomst van België, moest daar 'dilatorisch' op geantwoord worden. Begin oktober 1940 verbleef prinses Marie-José gedurende drie weken bij haar moeder en broer in Brussel. Vandaar vertrok ze naar Duitsland en op 17 oktober ontmoette ze er Hitler, tot wie ze relatief gemakkelijk toegang had. Ze vroeg opnieuw een onderhoud Hitler-Leopold aan. Hitler ging op het verzoek in en liet enkele dagen later weten dat hij de koning zou ontmoeten op 27 oktober 1940 in het station van Yvoir, in de trein waarmee hij door België reed, bij terugkeer uit Frankrijk. De afspraak werd echter te elfder ure afgezegd, omdat Hitler dringend naar Florence afreisde voor een ontmoeting met Benito Mussolini. Een nieuwe datum werd voorgesteld, die deze keer werd gehonoreerd: 19 november 1940, met als plaats van het onderhoud Hitlers Berghof bij Berchtesgaden. Zowel de koning als de Führer wisten dat van politieke onderhandelingen geen sprake kon zijn, maar de drie punten die de koning wilde bespreken lagen er toch dichtbij. Hij wilde het met name hebben over: 1.de terugkeer van de Belgische krijgsgevangenen naar België, 2.de verbetering van de voorwaarden voor voedselbedeling (de rantsoenering zat onder het peil van Frankrijk en Nederland), 3.de mogelijkheid tot behoud van de Belgische onafhankelijkheid in een door Duitsland gedomineerd Europa. Het gesprek was georganiseerd door generaal Raoul Van Overstraeten, militair raadgever van Leopold. Aanwezig waren Hitler, Leopold en professor Schmidt, tolk van Hitler.Het gesprek leverde geen resultaat op, want zelfs de vage beloften van Hitler over humanitaire kwesties kregen geen gevolg. Wat
betreft het politieke gesprek wisten beiden dat het onmogelijk om onderhandelingen kon gaan betreffende het toekomstig lot van België. Zelfs de door Leopold verhoopte verklaring die de toekomstige onafhankelijkheid van België zou hebben gegarandeerd kwam er niet. De door officieren opgerichte eerste verzetsgroepen in België wekten argwaan op bij de regering in Londen. Niet alleen waren ze zeer trouw aan de koning, die ze als hun echte chef beschouwden, maar ze sympathiseerden ook met politieke plannenmakers van uiterst rechtse strekking. Ze waren de regering in ballingschap zeker niet genegen. De Britse SOE zag dat anders en wilde graag samenwerken met de lokale verzetsbewegingen. Vooral het Belgisch Legioen van commandant Claser sprak hen aan. Deze en een paar andere bewegingen zoals Falanx (van majoor De Grunne) en Gereconstrueerd Belgisch Leger (van kolonel Lentz) bestonden hoofdzakelijk uit Belgische officieren, die al dan niet ondergedoken leefden. De Britten zette dan ook de Belgische regering onder druk het verzet in België te erkennen en te ondersteunen. Dit gebeurde niet zonder problemen, vanwege de bestaande argwaan. De eerste contacten met de naar Londen overgevlogen Claser veranderden daar weinig aan. Het is pas nadat Claser door de Duitsers was opgepakt en kolonel Jules Bastin de leiding nam dat het tij keerde. Het Belgisch Legioen werd vanaf midden 1942 als verzetsbeweging aanvaard. Ze wijzigde haar naam in Geheim Leger. Het vertrouwen in Bastin, een vriend van François De Kinder, de schoonbroer van Pierlot, was groot. Voortaan liepen de contacten direct met de Belgische diensten in Londen en niet meer via de Britse SOE zoals voorheen. De Belgische regering gaf voortaan opdrachten en verstrekte financiën en wapens. De koning bleef op de hoogte van de verzetsactiviteiten via generaal Van Overstraeten, die nauwe contacten had met verzetslui. Het belette niet dat de koning terughoudend bleef tegenover militaire verzetsacties, die volgens hem te veel offers zouden eisen, zowel tijdens gevechten als tijdens de represailles die er zouden op volgen.



2149968-afe18f41546c0282d1cc679791a4a47a.JPG

2149968-703131a6d9c58fa82053ce634416f153.JPG
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door rami om 09:30 Reageer op dit bericht

VANDAAG jaren terug 28 mei John Fogerty

28 mei 1945 geboren John Fogerty John Cameron Fogerty (Berkeley, Californië, 28 mei 1945) is een Amerikaans singer-songwriter. Hij is vooral bekend als voorman van de rockgroep Creedence Clearwater Revival. Karakteristiek is zijn raspende stem en zijn vermogen om pakkende gitaar-riffs te bedenken. Creedence Clearwater Revival Fogerty en zijn broer Tom vormden een bandje in El Cerrito, Californië, aan het eind van de jaren vijftig, als Tommy Fogerty and the Blue Velvets. De naam werd, door toedoen van de platenmaatschappij die hen wilde contracteren (Fantasy), veranderd in The Golliwogs in 1964. In 1968 bracht de band zijn eerste album uit onder de naam Creedence Clearwater Revival. Deze naam had de band in 1967 aangenomen. Op dit album stonden onder andere covers als Susie Q en I Put a Spell on You, die hun eerste hits werden. Nadien volgden vele hitsingles, waaronder Proud Mary, Fortunate Son, Up Around The Bend, Green River, Down On The Corner, Travelin' Band, Lookin' Out My Back Door, Bad Moon Rising en Who'll Stop The Rain. Door onderlinge spanningen vertrok Tom na het zesde album, Pendulum. De andere bandleden wilden meer invloed in de composities en uitvoering, aangezien Fogerty de bepalende factor was. Dit experiment duurde één album, Mardi Gras, en de groep ging in 1973 uit elkaar. Fogerty brengt nadien enkele soloalbums uit. In 1973 brengt hij Blue Ridge Rangers uit met countrycovers, waarbij hij alle instrumenten zelf bespeelt. In 1975 brengt hij John Fogerty uit waar onder andere Rocking All Over The World op staat, dat later een grote hit zal worden voor Status Quo. Ondertussen ruziet Fogerty met Fantasy Records over de royalty's van zijn CCR-songs. In 1985 komt Centerfield uit. Dit wordt een succes in de VS. Op dit album staat het nummer The Old Man Down The Road. Platenmaatschappij Fantasy klaagt Fogerty aan omdat dit nummer te veel zou lijken op Run Through The Jungle van CCR. Fogerty wint het proces door de songs voor te spelen in de rechtszaal. Hierbij weet hij de rechter ervan te overtuigen dat het wel degelijk een andere song is. Maar de mogelijkheid op een eventuele reünie is voor altijd verkeken, zoals Fogerty in interviews benadrukt. In 1986 komt het album 'Eye of the Zombie' uit, dat door critici slecht wordt ontvangen. Hierna trekt Fogerty zich voor lange tijd terug uit de muziekwereld. In 1993 wordt Creedence Clearwater Revival in de Rock and Roll Hall of Fame opgenomen. Fogerty weigert met zijn oud-collega's op te treden tijdens deze huldiging en speelt enkele CCR-nummers samen met Bruce Springsteen. Pas in 1997 komt Fogerty met een nieuw album, Blue Moon Swamp, dat wordt bekroond met een Grammy Award. In 1998 komt het live-album Premonition uit, waarbij hij onder andere weer zijn oude CCR-songs ten gehore brengt. In 2004 wordt het album Deja Vu (All Over Again) uitgebracht. Inmiddels zijn Fogerty en Fantasy Records met elkaar verzoend, wat Fogerty de gelegenheid geeft zijn oude repertoire weer op te pakken. De reden is dat Fantasy is verkocht en het nieuwe management de zaak met Fogerty schikt. In 2006 wordt onder het label van Fantasy een verzamelalbum uitgebracht van CCR-songs en songs van Fogerty zelf, genoemd "The Long Road Home". Fogerty heeft in september 2007 een nieuw studio-album uitgebracht en gaat weer op wereldtournee. Dit nieuwe album heet "Revival". Als onderdeel van de "Revival Tour" treedt Fogerty op 20 juni 2008 op in Ahoy Rotterdam. Op 2 september 2009 komt er een nieuw album uit. Het is een vervolg van de "Blue Ridge Rangers" uit 1973 en heeft als titel 'Blue ridge rangers ride again'. Het betreft hier wederom covers uit de country and western scene, van o.a. John Denver & Ricky Nelson. Ook staat hier een eigen cover op: 'Change in the weather' van het album 'Eye of the zombie' uit 1986. Aan het album verlenen ook Bruce Springsteen en enige leden van The Eagles hun medewerking. In songs als Who'll Stop The Rain, Have You Ever Seen The Rain en Fortunate Son levert Fogerty kritiek op de Vietnamoorlog. Vandaar dat deze muziek prominent aanwezig is in de populaire televisieserie Tour of Duty. Met het album Deja Vu (All Over Again) levert Fogerty kritiek op de Irakoorlog en wijst hij op de vergelijking (Deja Vu) met de Vietnamoorlog.



2149966-343570976d0c9353ce09001f34cde756.JPG

2149966-dc9ab0474493928d21cd5c196101425d.JPG
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door rami om 09:25 Reageer op dit bericht

VANDAAG jaren terug 27 mei 1975 Jamie Oliver

Geboren 27 mei 1975 Jamie Oliver James 'Jamie' Trevor Oliver MBE (Clavering, 27 mei 1975), bijgenaamd The Naked Chef, is een Britse chef-kok. Oliver groeide op in zijn geboorteplaats Clavering waar zijn ouders een pub-restaurant (The Cricketers) bezaten en hij na schooltijd meehielp in de keuken.Toen hij zestien werd, ging Oliver van school af. Hij meldde zich aan bij Westminister Catering College, volgde lessen in Frankrijk en trad in dienst bij kok Antonio Carluccio. Daarna ging hij werken in The River Café in Londen. Oliver kwam in The River Café voor het eerst in aanraking met televisie. Op een dag kwam er een televisieploeg opnames maken voor de documentaire Christmas at the River Café. De redacteuren van het programma merkten Oliver op. De dag dat het programma op televisie verscheen, kreeg hij meerdere aanbiedingen van televisieproducenten. Oliver ging in zee met Optomen Television, de producent van onder meer het kookprogramma Two Fat Ladies. Het idee achter The Naked Chef was om eten terug te brengen naar de essentie (vandaar de naam Naked). Het programma had als insteek dat dure ingrediënten en keukenmachines geen voorwaarde zijn om iets smakelijks klaar te kunnen maken. Oliver maakte sindsdien verschillende programma's, schreef een aantal kookboeken en werd consultant-chef bij Monte's restaurant in Londen. Ook ging hij artikelen schrijven voor het Saturday Times Magazine. Oliver was te zien in een reclamecampagne van een supermarktketen, maar daar was de BBC niet blij mee.Ook begon hij het restaurant Fifteen in Londen, waarin vijftien kansarme jongeren een opleiding tot horecaprof kregen. Oliver wil meer soortgelijke restaurants opzetten in Groot-Brittannië, Sydney en New York. Hij opende ook een Fifteen-restaurant in het Oostelijk Havengebied in Amsterdam. Oliver begon een actie voor het verbeteren van de kwaliteit van schoolmaaltijden. Op 24 juni 2000 trouwde Oliver met voormalig model Juliette Norton, alias 'Jools'. Het koppel leerde elkaar kennen in 1993 en kreeg drie dochters en twee zoons. De familie woont in Clavering, Essex Oliver heeft een eigen bier: Lady Marmalade. In oktober 2012 werd Oliver als ereridder opgenomen in het Ridderschap van de Roerstok der Brouwers. Dit is een onderscheiding voor personen die hun diensten bewezen hebben voor het brouwersberoep. De onderscheiding wordt toegekend door de vereniging van Belgische brouwers.



2149684-f182f6930f51389d996269d055c74787.JPG

2149684-0157dcf0152f029fefc013d4eb3634c8.JPG

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door rami om 10:01 Reageer op dit bericht

VANDAAG jaren terug 27 mei 1968 softenon

In West-Duitsland begint op 27 mei 1968 het proces tegen het chemische bedrijf Grünenthal, maker van het slaapmiddel Softenon. Softenon werd eind jaren vijftig als slaapmiddel en als middel tegen ochtendmisselijkheid op de markt gebracht. Na een aantal jaren bleek dat het bij baby's ernstige aangeboren afwijkingen veroorzaakte als de moeder het gedurende een bepaalde periode van de zwangerschap had gebruikt. Aangedane baby's hadden ontbrekende of onderontwikkelde ledematen. Deze ontdekking zorgde voor een schok door de medische en farmaceutische wereld en naar aanleiding van dit schandaal zijn de eisen voor nieuwe geneesmiddelen aanzienlijk strenger geworden, en wordt zwangere vrouwen nog steeds aangeraden het gebruik van geneesmiddelen tijdens de zwangerschap tot een minimum te beperken. Ongeveer 15000 baby's hebben wereldwijd door Softenon schade opgelopen. Het proces duurde negen jaar en eindigde met 200 miljoen mark aan schadevergoedingen.
HISTORISCH SCHANDAAL: DE SOFTENON-BABY’S Soms moeten grootschalige schandalen plaatsvinden om tot inzicht en verandering te komen. Toen eind jaren ’50 plotseling duizenden baby’s werden geboren met de daarvoor uiterst zeldzame afwijking focomelie, waarbij de armen en benen ontbreken, moest men op zoek naar de oorzaak. Dat bleek het middel thalidomide te zijn, in Nederland beter bekend onder de merknaam Softenon. Sindsdien worden geneesmiddelen uitgebreid getest voordat ze goedgekeurd worden voor de markt. Wondermiddel Toen het middel thalidomide, een geneesmiddel van de Duitse frma Chemie Grünenthal, op 1 oktober 1957 op de markt gebracht werd, leek het een wondermiddel te zijn. Thalidomide, dat in Duitsland als Contergan en in Nederland als Softenon verkocht werd, werkte efectief als slaapmiddel, kalmeringsmiddel, pijnstiller en tegen ochtendmisselijkheid bij zwangere vrouwen. Bovendien leek het een buitengewoon veilig medicijn in vergelijking met andere slaap- en kalmeringsmiddelen, omdat de ademhaling van de gebruiker niet onderdrukt werd. Wegens die initiële succesverhalen werd het middel in 1960 al in meer dan veertig landen gebruikt. In WestDuitsland was het middel zonder recept verkrijgbaar en daardoor erg populair. Ongewone baby’s Al voordat thalidomide op de markt gebracht werd, viel het eerste slachtofer. Op 25 december 1956 werd in Duitsland een baby zonder oren geboren. Het was een kind van een medewerker van Grünenthal, die het geneesmiddel aan zijn zwangere vrouw had gegeven, maar nog niemand legde het verband daartussen. Nadat in de jaren daarop in Duitsland en andere landen waar het middel op de markt was gebracht duizenden baby’s geboren werden met focomelie, een aandoening waarbij de ledematen onderontwikkeld zijn of zelfs helemaal ontbreken, ging het balletje rollen. Grootschalig schandaal Focomelie was voor de introductie van thalidomide een zeldzame aandoening. Zo had de pediatrische afdeling van het universiteitskliniek van Hamburg van 1949 tot 1959 geen enkel kind met focomelie gezien. In 1959 deed zich een enkel geval voor, in 1960 waren dat er 30 en in 1961 werden er maar liefst 154 kinderen met de aandoening geboren. Omdat Contergan in Duitsland zonder recept verkrijgbaar was, werden daar uiteindelijk meer dan 5000 baby’s met de afwijking geboren. In Nederland, waar wel een recept nodig was en artsen terughoudend waren met het
voorschrijven van nieuwe medicijnen, lag dat aantal beduidend lager. Er zijn 25 Nederlandse slachtofers van het Softenon-schandaal bekend, waarvan er negen jong zijn overleden. Op zoek naar de oorzaak De hoge slachtoferaantallen verhoogden de noodzaak om snel op onderzoek uit te gaan, maar vergemakkelijkten de zoektocht tegelijkertijd. In de Verenigde Staten, waar thalidomide niet verkocht werd, waren bijvoorbeeld geen baby’s met afwijkende ledematen geboren. Op 18 november 1961 legde de Hamburgse arts Widukind Lenz als eerste het vermoedelijke verband tussen thalidomide en focomelie vast. Hij vroeg de moeders van de misvormde kinderen in de Vrouwenkliniek in Hamburg naar hun medicijngebruik tijdens de zwangerschap, en die gaven allemaal aan Contergan gebruikt te hebben. Na verder internationaal onderzoek werden zijn vermoedens bevestigd: als een vrouw in het eerste trimester van haar zwangerschap, tussen dag 35 en 49 na de laatste menstruatie thalidomide had gebruikt, dan was focomelie bij haar ongeboren baby onvermijdbaar. Gevolgen Nog voordat onomstotelijk was bewezen dat softenon schadelijk was voor ongeboren kinderen, werd het middel in de meeste landen uit de verkoop gehaald. Het nieuws verspreidde zich snel. Op 5 december 1961, toen nog geen zekerheid over de schadelijke efecten van Softenon bestond, kopte de Nederlandse krant Het Vrije Volk: ‘Misvormingen bij baby’s door Duits slaapmiddel?’ Het hoge woord was eruit. De universiteit van Hamburg en Grünenthal Chemie begonnen ondertussen aan uitvoerige dierproeven om te achterhalen wat er aan de hand kon zijn. Thalidomide bleek in kleine hoeveelheden teratogeen (vruchtbeschadigend) bij bepaalde diersoorten in specifeke perioden van de zwangerschap. Mensen en konijnen ontwikkelden afwijkende foetussen, maar muizen hadden bijvoorbeeld nergens last van. Zo waren de schadelijke efecten van het middel niet ontdekt voordat het op de markt werd gebracht. Pas in 2012 maakte de frma Grünenthal ofcieel excuses. Ook heeft het bedrijf schadevergoedingen uitgekeerd aan een stichting voor Softenonslachtofers. Softenon nog steeds op de markt Het Softenon-schandaal leidde tot aanscherping van de regels rondom medicijntesten. Tegenwoordig moeten medicijnen op meerdere diersoorten en mensen getest worden voordat ze op grote schaal verkocht mogen worden. Verbazingwekkend genoeg is thalidomide nog steeds verkrijgbaar en wordt het gebruikt als middel tegen ontstekingen, lepra en kanker. De eigenschappen van het ‘wondermiddel’ uit de jaren ‘50, dat voor zover bekend alleen schadelijk is voor de ongeboren vrucht van zwangere vrouwen, maken het medicijn nog steeds aantrekkelijk. Vooral in derde wereldlanden is het medicijn in trek, waar vanwege verkeerd gebruik en onvoldoende kennis opnieuw baby’s met afwijkingen geboren worden. Thalidomide (α-N-[phtalimido]glutarimide) is een geneesmiddel dat door Chemie Grünenthal, een in Stolberggevestigd Duits farmaceutisch bedrijf, op 1 oktober 1957 als slaapmiddel, sedativum, pijnstiller en als middel tegen zwangerschapsbraken op de markt kwam. In 1960 werd het in meer dan veertig landen gebruikt. Het was populair als slaapmiddel en als middel tegen ochtendmisselijkheid. Het is bekend onder merknamen zoals Softenon(Nederland en België), Contergan (Duitsland), Distaral, Neurosedyn, Isomin, Kedavon, Telergan en Sedalis. Nadat bleek dat het middel ernstig schadelijk was voor de ongeboren vrucht van moeders die het gebruikten, werd het in 1961 in de meeste landen voor de oorspronkelijk bedoelde indicatie van de markt gehaald.
Bijna 10.000 kinderen waren inmiddels geboren met een aandoening ten gevolge van de medicatie, de helft daarvan in West-Duitsland, het middel was daar zonder recept verkrijgbaar. Het eerste geval van schade door thalidomide betrof een baby die op 25 december 1956 zonder oren werd geboren. Dit was tien maanden voor de introductie van het middel en kon gebeuren door een medewerker van Grünenthal die het aan zijn zwangere vrouw gaf. Op 18 november 1961 legde de Duitse arts-geneticus Lenz het verband tussen thalidomide en ernstige afwijkingen bij pasgeborenen. In december 1961 volgde de bevestiging van dit verband door de Australische gynaecoloog McBride. De stof thalidomide bleek teratogeen. Aangedane baby's hadden ontbrekende of onderontwikkelde ledematen (focomelie). Deze foetale afwijkingen waren onvermijdbaar als de moeder in het eerste trimester van de zwangerschap tussen dag 35 en 49 na de laatste menstruatie thalidomide gebruikte. Eind 1961 werd thalidomide in de meeste landen uit de handel genomen. Opvallend is dat de Verenigde Staten gespaard bleven; de FDA, de beoordelende instantie, liet thalidomide nooit op de Amerikaanse markt toe. Dat een geneesmiddel zulke schadelijke effecten teweegbracht, schokte de medische en farmaceutische wereld. Het schandaal maakte de testeisen voor kandidaatgeneesmiddelen strenger en sindsdien wordt zwangere vrouwen aangeraden geneesmiddelen tot een minimum te beperken, hoewel de middelen waarvan bekend is dat ze de ongeboren vrucht schaden in de minderheid zijn. Ook staat tegenwoordig in elke registratietekst de invloed van het geneesmiddel op het embryo beschreven. Op 31 augustus 2012 bood de firma Grünenthal voor het eerst excuses aan.Een week later maakte de firma bekend opnieuw schadevergoeding te gaan betalen, vijftig jaar nadat er een bedrag van 100 miljoen Duitse mark in een stichting was gestort. Thalidomide is een racemisch mengsel, dus bestaande uit gelijke delen van de R-enantiomeer en de Senantiomeer (zie Optische isomerie). Men heeft onderzocht of de teratogene werking door een van de twee enantiomeren werd veroorzaakt. Voor veel verbindingen zou dit betekenen dat door een selectieve synthese van de actieve en niet-schadelijke enantiomeer de problemen kunnen worden voorkomen. Bij muizen bleek de S-enantiomeer de veroorzaker, bij konijnen beide enantiomeren. Het lijkt erop dat de onderzoekers een bijzondere eigenschap van thalidomide over het hoofd hebben gezien: in het lichaam gaat de ene enantiomeer heel snel over in de andere en ontstaat het mengsel van de S- en de R-vorm, waardoor het onmogelijk is een definitieve uitspraak te doen over welke enantiomeer de teratogeniciteit veroorzaakt. In 2009 is beschreven dat de teratogeniciteit van thalidomide hoogstwaarschijnlijk afkomstig is van het effect van een geïdentificeerd metaboliet. Dit is onderzocht door experimenten met een variant van het metaboliet, CPS-49 genoemd, dat werkt als angiogeneseremmer en een soortgelijk teratogene werking lijkt te hebben als thalidomide. Kort na de ontdekking van de schadelijke effecten van thalidomide, kwam men op het idee dat het middel weleens tegen kanker gebruikt zou kunnen worden. De eerste onderzoeken leverden echter niets op. Het middel bleef op de markt omdat bij een aantal andere aandoeningen positieve effecten werden gezien. lepra (1964): effectief en werkzaam, echter slechts onder zeer strikte voorwaarden wordt het voorgeschreven; ziekte van Behçet (1979): effectiviteit aangetoond, dat echter alleen duurt zolang het middel genomen wordt; graft-versus-hostreactie (1988); hiv/aids-complicaties zoals zweren en sterke vermagering (1989); angiogeneseremmer (1994), dat wil zeggen dat het de vorming van nieuwe bloedvaatjes (angiogenese) afremt, wat van nut kan zijn bij de behandeling van bepaalde vormen van kanker; erythema nodosum leprosum (1998) multipel myeloom. In 2008 werd het middel voor deze indicatie weer officieel Europees goedgekeurd. Twee onafhankelijk van elkaar werkende onderzoekers beweren, dat thalidomide niet is ontstaan in de laboratoria van Chemie Grünenthal, maar al eerder werd ontwikkeld door onderzoekers in naziDuitsland. Het werd volgens dr. Martin Johnson van Thalidomide Trust onder leiding van nazi
wetenschapper Otto Ambrosontwikkeld als een mogelijk middel tegen zenuwgassen als sarin. Ambros werkte bij IG Farben en kwam na de oorlog bij Chemie Grünenthal werken. Een auteur van een boek over nazi-wetenschappers, Carlos DeNapoli, zegt dat in een memo van IG Farben aan het hoofd van Hitlers euthanasie-programma, Karl Brandt, wordt gesproken over een stof waarvan de chemische formule lijkt op die van thalidomide. Volgens hem is de stof getest in concentratiekampen. De firma Chemie Grünenthal, in 1946 opgericht door de broers Alfred en Herman Wirtz, heeft altijd volgehouden, dat de stof door het bedrijf is ontwikkeld. Volgens haar was dr. Heinrich Mückter een van de uitvinders. Mückter was een farmacoloog die tijdens de oorlog experimenten deed op Poolse gevangenen om een middel tegen buiktyfus te vinden. In het Louvre in Parijs hangt een sepiatekening van Francisco de Goya uit 1798, waarop een kind is afgebeeld met de afwijking die nu bekend is als focomelie.Dit is een aangeboren afwijking waarbij de bovenarm of het bovenbeen ontbreekt en de hand, de voet of delen daarvan direct aan de schouder of het bekken zitten. Tot 1957 was focomelie een uiterst zeldzame afwijking. Dat veranderde toen Softenon in de handel kwam.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door rami om 09:59 Reageer op dit bericht

Meer van toen

↑ Terug naar de berichten