Naar de inhoud

Filmerij

Videokes
akke.beakke.be

Archief

Vertelling

Nr22
Van mijn vader heb ik het allerbeste geërft wat men kan hebben.
Een goed humeur.
En wie was mijn vader? Tja, dat heeft werkelijk niets met humeur te maken.
Hij was levendig en druk, dik en rond. Zijn uiterlijke kenmerken waren tottaal in strijd met zijn ambt.
Want wat had hij als positie in de maatschappij?
Zijn ambt plaatste hem dikwijls aan het hoofd van de allereenzaamste mannen van het land.
En hij was daar volstrekt op zijn plaats.
Hij kwam voor de bisschop en voor de prins, want hij was lijkwagenkoetsier.
Hahahaha, nu is het hoge woord eruit.
Als je mijn vader zo hoog zag zitten op de omnibus van de dood, gekleed in zijn lange wijde zwarte jas en met zijn driekante hoed, met zwarte franjes op het hoofd en je keek naar zijn gezicht, dan leek het net een zon.
Een getekende zon, rond en lachend.
Als je mijn vader bekeek kon je niet denken aan dood en graf.
Dat gezicht zei: " ach het doet er niet toe, het word heel wat beter dan je denkt."
Kijk van hem heb ik dus mijn goed humeur en de gewoonte om vaak naar het kerkhof te gaan.
Dat is altijd een genoegelijke wandeling. Doe het ook een keer meer.
Maar vergeet uw goed humeur niet.
Wanneer de tijd komt dat ikzelf met mijn levensgeschiedenis in het graf zal worden gezet, plaats er dan maar dit opschrift boven: "Hier ligt een goed humeur."
Hahaha, gewoon euh, zonder uitroepteken.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Tony Verbeeck om 21:08 Reageer op dit bericht

Viola

Ik kijk niet om naar de hoogte waarvan ik ben neergestort,
Maar naar de afgrond waaruit ik weer ben opgestaan.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Tony Verbeeck om 00:13 Reageer op dit bericht

Vertelling

nr 20
Grootmoeder is heel oud. Ze heeft veel rimpels en spierwit haar.
Haar ogen stralen als sterren. Ze zijn heel zacht om in te kijken.
Ze heeft een japon van zware krakende zijde, met bloemen erop en ze kent de mooiste verhalen.
Grootmoeder weet zoveel omdat ze lang voor vader en moeder heeft geleeft, dat is zeker. Grootmoeder heeft een gezangboek met dikke zilveren sloten, waar ze dikwijls uit leest.
Middenin ligt een roos. Helemaal plat en droog. Zij is niet zo mooi als de roos die ze in een glas heeft staan. En toch glimlacht ze vriendelijk naar de roos in het boek.
Er komen zelfs tranen in haar ogen.
Waarom kijkt grootmoeder steeds naar die verdorde roos? Weet jij het?
Iedere keer als grootmoeders tranen erop vallen wordt de kleur frisser en zwelt de bloem.
De hele kamer geurt er van. Muren verdwijnen als sneeuw voor de zon. Overal is er heerlijk groen bos en de zon schijnt tussen de blaren naar binnen. Grootmoeder is dan heel jong.
Een snoezig meisje met blonde lokken en rode wangen, mooi en bevallig. Geen roos is frisser.
Maar die ogen, die lieve zachte ogen, dat zijn beslist grootmoeders ogen.
Naast haar zit een man. Hij is jong en knap. Ze krijgt van hem een roos en glimlacht.
Vele gedachten an gestalten gaan voorbij. De roos licht in het gezangboek.
Grootmoeder is een oude vrouw en kijkt naar de verdorde roos in het boek.
Nu is grootmoeder dood. Ze zat in haar leunstoel en vertelde een lang verhaal.
Ze zei nu is het uit, ik ben moe, laat mij maar wat slapen.
Toen ging ze liggen, haar ademhaling werd dieper, ze sliep, het werd stil.
Haar gelaat was zo vredig en gelukkig of de zon erop scheen, men zei dat ze was gestorven.
Ze werd in wit linnen gewikkeld en in een zwarte kist gelegd.
Ze was mooi en toch waren haar ogen gesloten. Maar haar rimpels waren wzeg.
Ze had een glimlach om haar mond.
Haar haar was zilverwit. Zo eerbiedwaardig.
Je werd niet bang als je naar haar keek, want het was die lieve goede grootmoeder.
Het gezangboek werd onder haar hoofd gelegd volgens haar wens.
In het oude boek lag de roos. Zo begroeven ze grootmoeder.
Op het graf vlak onder de kerkmuur planten ze een bloeiende rozenstruik.
Daar zong de nachtegaal.
In de Kerk klonken de pijpen van het orgel. Het speelde gezangen uit het boek onder het hoofd van de dode. De maan scheen op het graf, maar de dode was daar niet.
Ieder kind kon 's nachts veilig een roos gaan plukken bij de kerkmuur.
Een dode weet meer dan wij levende. Dode weten dat we bang zijn hen te zien.
Omdat ze beter zijn dan wij, blijven ze weg. Aarde is op de kist en erin, het gezangboek is verteerd.
De roos en alle herinneringen zijn tot stof geworden. Maar boven het graf bloeien nieuwe rozen.
Daarboven zingt een vogel en speelt het orgel. Men denkt aan grootmoeder met de zachte eeuwig jonge ogen.
Ogen kunnen niet sterven. De onze zullen eens de hare ontmoeten.
Jong en mooi, net als toen ze voor de eerste maal de frisse rode roos kuste,
die nu stof in het graf is.
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Tony Verbeeck om 00:00 1 reactie Reageer op dit bericht

Turfbroek

Schenk onmiddelijk wat gij schenken kunt,
want uitstel vermindert de waarde van elke gift.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Tony Verbeeck om 00:00 Reageer op dit bericht

Poëzie

nr 19
De sterren ranken rond mijn venster,
Rijm met de rozen saam.
Soms valt een bladje van hun kelken
en soms een genster van vuur voorbij mijn raam.
De rozen,ook de sterren zullen eens verwelken.
De rozen vragen niet veel tijd,
de sterren bloeien wel een eeuwigheid.
Ook dat is slechts een splinter van de tijd.
En tijd is slechts een schaar in 's Heren hand,
waarmede hij de bloemen snoeid en snijd,
die hij in d' hemelen en op aarde plant.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Tony Verbeeck om 09:35 Reageer op dit bericht

Sprookje

nr 18
In een klooster was een jonge man die Urbanus heette. Hij was vroom en ijverig. Aan hem waren de sleutels van de kloosterboekerij toevertrouwd. Die schat bewaakte hij trouw.
Hij schreef vele mooie boeken en studeerde ijverig in andere mooie boeken en in de bijbel.
Op een dag vond hij bij de apostel Paulus de spreuk: "Voor God is duizend jaar als 1 dag en 1 nacht." Dat scheen Urbanus onmogelijk toe. Het liet hem niet los. Toen liep de monnik uit het bedompte binnenverblijf naar beneden, de zonnige mooie kloostertuin in, waar een klein bont bosvogeltje naar graankorreltjes zocht. Het diertje vloog op het dak en barste uit in een wonderbaarlijk mooi liedje. Het was ook helemaal niet bang. De monnik kon vlakbij komen. Toch liet het vogeltje zich niet vangen. Het vloog van boom tot boom en steeds zong het zo helder en mooi. De jonge monnik volgde het diertje van de kloostertuin tot diep in het bos.
Eindelijk gaf hij het op, hij keerde terug naar het klooster. Maar alles leek veranderd. De tuin en de gebouwen waren groter en mooier geworden. Op de plaats van de lage kleine kloosterkerk, stond nu een geweldige kathedraal met drie torens. Het leek wel toverij. Toen de monnik bij de kloosterpoort was en aarzelend aan het klokkentouw trok, kwam hem een onbekende portier tegemoet. Deze week verschrikt voor hem terug. Nu ging de monnik over het kloosterkerkhof. Daar waren een heleboel grafstenen die hij, voor zover hij wist, nooit eerder had gezien.
De kloosterbroeders die daar liepen gingen voor hem opzij.
Alleen de abt, maar niet zijn abt, een heel andere jongere man, bleef staan. Hij hield het krusifix afwerend op en riep:" In naam van de gekruisigde, wie zijt gij, onzalige geest verezen uit het graf, en wat zoekt gij onder ons levenden?" Er ging een rilling door de monnik en hij wankelde, zoals een oude man wankeld en sloeg zijn ogen neer.
Kijk een zilverwitte baard reikte hem tot over het middel, waar de sleutelbos hing van de gesloten boekenkasten. De monikken die in hem een wonderbaarlijke vreemdeling zagen, leidde hem met schuwe eerbied naar de bibliotheek. Daar gaf hij een jonge monnik de sleutel van de boekenzaal. De monnik opende die en bracht een geschreven kroniek waarin te lezen stond dat 300 jaar geleden de monnik Urbanus, plots spoorloos was verdwenen. Niemand wist of hij was gevlucht of omgekomen door een ongeluk.
Eindelijk begreep de vreemdeling wat hem was overkomen. "Ha bosvogel, was dat je lied? Nauwelijks 3 minuten volgde ik je en luisterde ik naar je gezang. Intussen vergingen 3 eeuwen.
Je beht voor mij het lied van de eeuwigheid gezongen, dat ik eerder nooit verstond. Nu ken ik het.
Ik aanbid God in het stof." 
 Hij boog zijn hoofd en zijn ledmaten vielen neer als stof.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Tony Verbeeck om 22:53 Reageer op dit bericht

oude boom

nr 17
Neen wacht, hak mij niet om.
Al bleef ik als de vijgeboom reeds jaren zonder vruchten.
Gun mij nog 4 seizoenen de tijd, dat ik mij naar het licht omkeer.
1 herfst vraag ik, die mij van eigenwaan geneest.
Een winter om te sterven als zaad, gehoorzaam in de grond.
En als de lente komt, bekleed mij dan met bloesem.
Een witte mantel, even maar.
Waarvan ik mij ontdoe als gij met zomerzon mijn goede wil beloond.
Pluk dan mijn vruchten,één voor één.
Vergeet het wachten, het jarenlange wachten.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Tony Verbeeck om 10:25 Reageer op dit bericht

Meer van Filmerij

↑ Terug naar de berichten