Inhoud blog
  • Fragment uit HET VERBORGEN LEVEN VAN GERARD WALSCHAP: Mijn Heimat en mijn Volk
  • INHOUD van HET VERBORGEN LEVEN VAN GERARD WALSCHAP
  • HET VERBORGEN LEVEN VAN GERARD WALSCHAP
    Zoeken in blog

    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    HET VERBORGEN LEVEN VAN GERARD WALSCHAP
    Over de discrepantie tussen werk en leven bij Walschap
    21-06-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.HET VERBORGEN LEVEN VAN GERARD WALSCHAP
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    “Het verborgen leven van Gerard Walschap”

    Een alternatief onderzoek naar de mens achter de schrijver.

    Dat Gerard Walschap een monument in de Nederlandstalige literatuur en een keerpunt in de evolutie van de Vlaamse roman was, staat buiten kijf. In de loop der jaren werd aan zijn oeuvre dan ook meer dan gewone aandacht besteed in allerlei geschriften. Over Walschaps leven werd echter nog niet zoveel geschreven. Toch is het leven van een auteur minstens even belangrijk als zijn werk. De twee van elkaar loskoppelen leidt tot literair-historische vervalsing, vond ook Multatuli: “Een biograaf, die alleen mijn gedrukte werken tot uitgangspunt kiest, kan slechts onzin te berde brengen.”

    Het werd dus tijd om de de mythe ‘Walschap’ aan een grondig onderzoek te onderwerpen. En dat gebeurt in dit boek. Met de nodige zin voor relativering zoekt Frans Depeuter een antwoord op de vragen:

    • * Was Walschap een racist?
    • * Was zijn afscheid van Kerk en geloof méér dan een rancuneuze reactie?
    • * Hoever ging zijn Deutschfreundlichkeit?
    • * Hoe stond hij tegenover de jeugd? En tegenover zichzelf?
    • * Hoe echt was zijn ‘socialisme’?
    • * Was hij recht voor de vuist of soms ook een manipulator?
    • * Was hij ook in zijn latere boeken nog de meester-verteller van ‘Houtekiet’?…

    Depeuter baseert zijn controversiële studie op historische documenten, op getuigenissen van derden, maar vooral op Walschaps eigen brieven en uitspraken en op de woorden van zijn romanpersonages waarmee de auteur zich ondubbelzinnig vereenzelvigt.

    Het verborgen leven van Gerard Walschap is dus geen ‘essay’ in de stroeve zin van het woord, maar een vertellend dossier dat bijna leest als een roman.

    Het boek, dat hoofdzakelijk nieuw feitenmateriaal bevat en geïllustreerd is met (ook nieuw) beeldenmateriaal, is een must voor voor literatuurkenners in het algemeen en de Walschapkenners in het bijzonder, kortom voor iedereen die geïnteresseerd is in het “verborgen leven” van een groot schrijver.

    Wie meer informatie wenst, kan mailen naar depeuter.frans@telenet.be

    21-06-2009 om 21:21 geschreven door Heibelaar


    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.INHOUD van HET VERBORGEN LEVEN VAN GERARD WALSCHAP

    Inhoud van HET VERBORGEN LEVEN VAN GERARD WALSCHAP

     

    Woord vooraf

     

    Deel 1 De (schijn?)heiligheid van Jan Mus

     

    1.1. Van seminarist tot baron

    Peutrus Biezemans aan Het Avondmaal

    Ontslagen wegens ‘vuile manieren’

    ‘Het Vlaamsche Land’ en ‘Dietsche Warande en Belfort’

    Apostel van de PelgrimbeweginG

     “Vader was nondedju ’ne smeerlap”

    Dat kieken legt geen windeieren

    In een geur van linkse heiligheid

    Tegen de muur zetten en neerknallen!

     

    1.2. Een kruidenier uit Londerzeel

    Een flessenwinkel die goed draaide

    ‘Pornograaf’ en moraalridder tegelijk

    Onze Vlaamse Einstein

    “C’est la voix même de l’orgueil”

    “De potsierlijk opgeblazen Pascal”

    “Het heelalletje van God-de-Vader”

    Spuwen als een zakkendrager

    “Hier is dat kleine kereltje”

    Reebok, jonge duifjes, eendjes en kreeft

    Geen nagel om zijn gat te krabben?

    Kieskeurig als een Siamese kater

     

    1.3. Kleinhandel in melk, boter en eieren

    Een diarree van Uedele’s

    Het betere ellebogenwerk: vleien, kruipen, smeken, danken

    Sjoemelen, bekladden, kwaadspreken

    Help mij, help mij uit de nood!

    De haan kraait rood en blauw en oranje

    Eindelijk toch, de buit is binnen!

    Nog wat hand- en spandiensten

     

    1.4. Was Walschap een racist?

    “Ik draag sedert jaren dit erelint van de cultuurmens”

     “Analfabete, konijnachtig zich voortkwekende miljoenenvolkeren”

    “Behoor ik tot een inferieur ras, dan moet ik zwijgen”

     “Ik kan niet zoveel vragen beantwoorden als dwazen mij kunnen stellen”

    “Wij zijn de weldoeners van het mensdom”

    “ik kan die terribele zever niet vergeten”

     

    1.5. Boeken vol geliteratureluur

    “Achter de runderen met knuppels het slachthuis in!”

     “Van een ongekende burgertruttigheid”

    “Uw kunst is iets, maar voor het volk is zij niets”

    “Praat van een paar oude wijven”

    Zo simpel als een scheetje zonder krampen

    “Al die vuile kapitalisten in de Boeing”

    De velowinkel van Disco-Pateet

    “Twee sneetjes worst en drie teerlinkjes Gouda volvet”

    Over Kwak en Straffe Hendrik

    “Wij zijn allemaal atoombommen die uit atoombommen bestaan”

    “Laten we haten al wat onecht  is”

     

    Deel 2 In de plooien van een fascistische staat

    Chronologie van de voornaamste feiten uit de oorlogsjaren van Walschap

     

    2.1. De Vlaamse literatuur tijdens de tweede wereldoorlog

    Heksen en inquisitie

    Een ‘cordon protecteur’

    Deutschfreundlichkeit?

    Helden van het woord

    In de burgerlijke plooien van een fascistische staat

     

    2.2. Walschap en zijn Duitse uitgevers

    Debuteren in het jaar van de boekverbrandingen

    Eindelijk verlost van de joden

    ‘Fassungslos’: nog nooit meegemaakt

     “Diederichs is nogal nazi, meen ik”

    Een muis op een zinkend schip

     

    2.3. Verenigingen, kamers, gilden

    De ene Kamer is de andere niet

    De VVL en de Kunstenaarsgilde

    “Stadsgildemeester Walschap aan Rijksgildemeester Roelants”

    Uitsluiting van joden en vrijmetselaars

    Als een kat in een zak

    Beschuldigde en getuige à décharge

    De VVL wordt… VVL

    “Zich van geen kwaad bewust”

     

    2.4. Adolf von Hatzfeld en de Berlijnse Rede

    Aangenaam, Hatzfeld, met kleine ‘von4

    Op uitnodiging van de DeVlag

    Trouw in nederlaag en triomf

    Tussen aanhalingstekens

    “Aus demselben Volk und demselben Blut”

    Verdwenen documenten

    De Berlijnse rede of “Wege der flämischen Literatur”

    “Herhaaldelijk onmiddellijk doodsgevaar”

    “De Ereraad vergist zich”

    Verschil tussen de oorspronkelijke tekst en de vertaling van de ‘Berlijne rede’

     

    Deel 3. miskende held of sluwe opportunist?

     

    3.1. Duitse relaties in Vlaanderen

    Snoeckjes in troebel water

    Dechenne: Duits of katholiek?

    Mit Hans und Franz am Kaffee

    Brieven aan de Gestapo

    “Gevochten op leven en dood” 

    Allemaal ‘kleine collaboratie’

    Bokken en kemels

    Beweringen zijn nog geen feitelijkheden

    “Wir haben es nicht gewußt”                                                                                       

     

    3.2. Walschap in het offensief

    Een held in wierookwalm

    Stremmingspolitiek en een gevoelig gat

    “Geheel het land wist het”

    “En ik stond helemaal alleen”

    In rook opgelost

    “Een woest Engelsgezinde vrouw”

    Koud en warm blazen

    “Ik heb evenveel recht als de koning”

    “Moffen”, “zwarten”, “derde kolonne”

    Fluimen op de ruiten

    Inke pinke pelle… als ge liegt, komt g’in de helle

    Kwakkels op sterk water

     

    3.3. Mijn Heimat en mijn Volk

    “Ungeeigneten und unzuverlässigen Elementen”

    “Künstlern, die volksverbunden sind, ohne es zu wissen”

    “De modelvolksverbondenen, de Duitsers, verstaan mij”

    “Die wichtigsten Vertreter flämischen Volkstums”

    Geen ‘attentist’? Maar alleszins een ‘tist’

    “Tot leniging van het leed der mensheid”

    “Collaboratie is een tragedie, geen misdaad”

    Pleidooi voor vergevensgezindheid

    “Een monstertje van hoogdravendheid”

    Victor E. Van Vriesland over ‘Zwart en Wit’

     

    Woord achteraf

     

    Documenten

    Patrice Lumumba vs. Adi-Gerard Breugelovs-Walschap

    Chronologie van de voornaamste feiten uit de oorlogsjaren van Walschap

    Ferdinand Vercnocke: ‘Aan Adolf Hitler’

    Vrije indirecte rede, free indirect speech, erlebte Rede

    Verslag over het onthaal van Adolf von Hatzfeld in de DeVlag

    Programma van het onthaal van Adolf von Hatzfeld

    Verschil tussen de oorspronkelijke tekst en de vertaling van de Berlijnse Rede

    Kerngedachten van het nationaal-socialistische wereldbeeld

    The Walschap-connection

    De bladzijden uit ‘Adelaïde’ waarop Hammenecker afknapte

    Walschap en enkele collega’s auteurs-staatsambtenaren

    Tekst van de lezing van Adolf von Hatzfeld

    Aanval op en antwoord van Walschap in ‘Weerstand’

    Wederwoord van  ‘Weerstand’

    “Gerard Walschap schrijft ons” : tweede brief in ‘Weerstand’

    De collaborerende uitgeverij ‘De Lage Landen’

    ‘Een mensch van goeden wil’ en ‘Mijn Kamp’

    De Reichsschrifttumskammer en de Entartete Kunst

    “Diederichs-Verlag, eine Sammeladresse für  völkisch-nationale Autoren"

    De Mijol en ‘De 3 Fonteinen’

    Stemmen uit de linkse kerk, toen en nu: Herwig Leus

    Stemmen uit de linkse kerk, toen en nu: Julien Weverbergh

    Stemmen uit de linkse kerk, toen en nu: Walter Van den Broeck

    Gerard Walschap en Willem Elsschot

    Gerard Walschap en Mark Grammens

    Walschap en het Vlaams-nationalisme

    21-06-2009 om 21:50 geschreven door Heibelaar


    >> Reageer (0)
    27-06-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Fragment uit HET VERBORGEN LEVEN VAN GERARD WALSCHAP: Mijn Heimat en mijn Volk

    3.3. Mijn Heimat en mijn Volk

    “Ungeeigneten und unzuverlässigen Elementen”

    Na de oorlog schrijft Walschap aan de epurator Fernand Toussaint van Boelaere: “Uw eigenbelang was veilig onder het democratisch bestuur en onder het naziregiem niet. Bij mij ging het precies andersom” (29.03.1945). Hij wist het dus, dat de Duitsers graag hun boterhammetje smeer-den met een laagje Walschap en kon ook wel vermoeden dat ze dat niet deden om zijn blozende wangen.

    Als verklaring voor dat geknuffel voerde hij aan: “De Duitsers stelden zeer hoge prijs op mijn collaboratie. In hun ogen behoorde ik met Streuvels, Timmermans en Claes tot de belangrijkste Vlaamse auteurs en hun uitgesproken voorkeur ging naar mij omdat ik de enige antiklerikaal was van de vier. Mijn positie bij hen was uitzonderlijk sterk: Dr. Petri, hoofd van de Landeskulturdienst, was collega en vriend van mijn Duitse vertaalster, en Dr. Teske, hoofd van de Propagandastaffel van Brussel, was studiemakker en vriend van mijn Duitse uitgever” (Brief aan Herman Sabbe, 28.10.1945).

    Het waren ook deze beide Herren, en vooral Sonderführer Dr. Hans Teske, die Gerard af en toe thuis ontving. Maar Walschap weet daar wel een verklaring voor: “Ik kon de Duitsers niet van mijn lijf houden,” beweerde hij ooit in (ik-weet-bijgod-niet-meer-welk nummer van) ‘Knack’. Méér nog, hij heeft ze zelfs afgeweerd, herhaalt hij uitentreuren, en dat klinkt bijna alsof hij vliegen rond zijn hoofd heeft weggemept – waarbij men evenwel niet mag vergeten dat vliegen worden aangetrokken door honig en stroop en niet door bittere amandelen!

    Hoe dan ook, tijdens de vier bezettingsjaren niet minder dan zeven Duitse (her)drukken plus een novelle in het door Filip de Pillecyn samengestelde Das zwiefache Leben, er waren bakkers die minder broodjes verkochten dan de volksjongen uit Londerzeel. Uiteraard moesten al die geschriften wel beantwoorden aan de eisen die de Reichsschrifttumskammer had uitgevaardigd, nl. dat alles wat in Duitsland uitgegeven werd, in overeenstemming moest zijn met het nationaal-socialistische wereldbeeld. Blijkbaar behoorde Walschap dus niet tot dat stelletje “ungeeigneten und unzuverlässigen Elementen” die een “undeutschen Geist” uitstraalden en op de ‘zwarte lijst’ kwamen te staan, zoals een Thomas Mann, Franz Kafka, Bertold Brecht, Erich Maria Remarque, e.a. Kortom: de romans van Walschap, de ene al meer dan de andere, waren gegeerd in Duitsland.

    Zo werd Trouwen door sommige critici zelfs beschouwd als een soort propagandaschrift voor het arische kroostrijke gezin. Urbain Van de Voorde schreef: “Ware ik Hitler (), ik liet het (Trouwen – FD) op staatskosten in honderdduizenden exemplaren in het hele land verspreiden en ik schonk de auteur de orde ‘Pour le mérite’” (in ‘k Heb menig uur bij u, 1937). Ook formuleringen van andere critici, zoals “de oergezonde mentaliteit” (Gerard Knuvelder, in Bouwers aan eigen Cultuur, 1934) en “sterke gezonde vrouwen” (Jos Borré, in Rebel en Missionaris), wijzen op een mentaliteit die nauw aansloot bij de Germaanse geest. Een honkvast personage als Mie Zaterdag, die in het kraambed van haar 12e (!!) kind blijft, een idealere moedergodin kon Goebbels zich amper wensen!

    De roman Celibaat, dat was andere koek! De uitgave werd door de Duitse uitgevers afgewezen omdat de belevenissen van het misvormde, sadomasochistische Heerke, dat verlekkerd was op de gruwel van de oorlog, niet pasten in de pronkkast van het nationaal-socialisme (zie pag. 61 en 118). Ook katholieke critici verwierpen het boek, zoals E.H. Joris Eeckhout die er de “bedorven smaak van een rotte fazant” in proefde (Literaire profielen 8, 1939). Zijn eerwaarde collega Karel Elebaers loofde het dan weer, zij het als “een aanklacht tegen de huisgezinnen met één kind”. Elebaers zag in het boek tevens “een pleidooi voor de getrouwheid aan de geboortestreek. De roep van de grond en het bloed” (De romankunst van Gerard Walschap, monografie, 1942). In zijn dankbrief aan Elebaers schrijft Walschap dat diens monografie voor hem “een balsem op wonden” is en ook in latere brieven distancieert hij zich geen millimeter van de bloed- en grondgeur waarover de flamingante priester-essayist het heeft. Elke Brems daarentegen relativeert Elebaers’ woorden wel ietwat: “Het boekje van Elebaers verscheen in 1942 (). Zijn interpretatie is te fel geworteld in de toenmalige retoriek gebaseerd op begrippen als ‘vruchtbaarheid’, ‘bloed en bodem’, ‘volk’ om nu nog overtuigend te zijn.” Maar zij erkent toch ook dat “de opmerking van Van de Voorde over Hitler en Trouwen en het oordeel van Elebaers over Celibaat al aangeven dat het proza van Walschap vatbaar is voor interpretaties die stroken met de Bloed-en-Bodemmystiek en het volkse gedachtegoed dat op dat moment in Duitsland de mentaliteit beheerste” (Alles is Leugen).

    Das Kind (1939) wordt door de Duitse critici ontvangen als “einem Loblied auf seine zwar durchaus nicht immer heilige, stets aber gottnahe Heimat Flandern”, en in Houtekiet prijst de ‘Kulturschaffender und Literaturkritiker’ Herbert Schönfeld “den starken Lebenskräften seines Volkes” (‘Deutsche Zeitungen der Niederlanden’, 15.11.1941). Helene Henze van haar kant formuleerde het dan weer zo: “Die Depser roden und bauen und zeufen viele Kinder, allen voran Houtekiet, der mit seiner Kraft und Schaffenslust das rasch aufblühende Dorfwesen trägt und wie ein Patriarch beherscht” (‘Frankfurter Zeitung’, 24.11.1941). Het klinkt bijna alsof het over de stamvader van een ras gaat. De Noorse Nobelprijswinnaar (1920) Knut Hamsun, die openlijk de pro-nazi regering van Vidkun Quisling steunde en zijn Nobelprijsmedaille aan Goebbels schonk, is zowaar niet veraf.

    “Künstlern, die volksverbunden sind, ohne es zu wissen”

    En daarmee zijn we opnieuw beland bij het thema ‘volksverbondenheid’, dat centraal stond in het Duizendjarig Rijk en dat ook aan het werk en de persoon van Walschap niet vreemd is. Op zich is met dat begrip overigens niets mis – hoewel in de 21e eeuw blijkbaar wel, want volksverbondenheid wordt thans door de correct verlichte geesten beschouwd als een kwispedoor waarin je naar hartelust mag spuwen.

    Met die volksgebondenheid van Walschap blijkt er echter méér aan de hand. Wanneer hij tijdens de bezetting die verbondenheid verdedigt, voegt hij daar een dimensie aan toe, nl. de verwantschap en verbondenheid met het Duitse, zeg maar Germaanse volk. Reeds in zijn betwiste ‘Berlijnse Rede’ maakt hij er enkele keren een allusie op. Ik citeer nogmaals (uitvoeriger) enkele fragmenten uit de originele tekst, ‘Wege der flämischen Literatur’ (‘Berlijnse Rede’), waar hij tegelijk de loftrompet steekt voor de Duitse uitgevers en zich subtiel distantieert van de niet-Germaanse literatuur (cursief van FD):

    -“Unser Volk verdankt die Verbreitung seiner Literatur und ihr europäisches Ansehen vor allem deutscher Vermittlung. Durch das lebhafte und eifrige Interesse deutscher Verleger fanden unsere Bücher einen breiteren Leserkreis, der die flämische Gefühlswelt und ihre Schönheitsträume als verwandt empfindet.“

    -“In den Nebeln des Gefühls und der Leidenschaft ’immer strebend bemüht’, wie Goethe sagt, empfindet die deutsche Seele Heimweh nach Kindlichkeit, Einfalt, Ländlichkeit und Ruhe. Heimatkunst ist ja ein Begriff, für den es in den anderen Sprachen nicht einmal ein Wort gibt. Dem Franzosen und dem Engländer gilt sie als zu primitiv. Das deutsche Volk, das doch in seinem Wesen viel geistiger ist, hat sie stets in hohen Ehren gehalten. Vermutlich liegt die deutsch-flämische Kunstverwandtschaft in diesen Hauptmerkmalen. Der Flame ist weder Seher noch Weiser, noch Beobachter. Der Nordniederländer, der ihm gegenüber ein so starkes Überlegenheitsgefühl an den Tag legt, kann doch nicht umhin, die Stärke der Leidenschaft und das produktive Vermögen des Flamen anzuerkennen. Die ganze Geschichte des flämischen Stammes beweist, daß er unter allen Germanen gewiß nicht der am wenigsten leidenschaftliche ist. Wenn die flämische Literatur dem deutschen Leser durch ihren leidenschaftlichen Charakter anspricht, so ist sie deswegen doch nicht kompliziert. Sie bleibt vielmehr ländlich und idyllisch.”

    -“Ganz von selbst ist so in Flandern alle Prosakunst Heimatkunst: Erzählungen aus dem Leben bescheidener Landleute, geschrieben von Künstlern, denen jede gebildete Blasiertheit fremd ist, die volksverbunden sind, ohne es zu wissen, freudig erfüllt von der Unverdorbenheit ihres Volkes, seiner Sitten und Gebräuche.“

    “De modelvolksverbondenen, de Duitsers, verstaan mij”

    Ook in verband met de (uiteindelijk mislukte) poging om in augustus 1940, onder impuls van de uitgever Albert Pelckmans van de Nederlandsche Boekhandel, een gloednieuw “tijdschrift voor Vlaamse eenwording” op te richten, dat ‘Stroom’ zou heten en waarvoor Walschap een redactie had bijeengebracht bestaande uit een ‘dagelijkse redactie’ (Timmermans, Claes, De Pillecyn, Roelants en hijzelf als secretaris) en een ‘redactieraad’ (waarin o.m. Jef Van de Wiele zou zetelen), komt de volksverbondenheid ter sprake. Walschap schreef aan Nest Claes: “Ik heb V.D.W. (Van de Wiele – FD) de volledige garantie gegeven dat de volksverbondenheid volledig tot haar recht zou komen () (cursief van FD). Ik heb dan Pelckmans als getuige genomen dat het tijdschrift De Stroom () verzekerd was van de medewerking van al wie in Vlaanderen iets kan, onder leiding stond van onze beste schrijvers wier naam zelf een waarborg was voor een ruime eenheid in het teken van de volksverbondenheid (cursief van FD) en dat dit tijdschrift hier ter plaatse gekelderd werd door de grote jan van de volksverbondenheid (Van de Wiele – FD), enkel en alleen, enkel en alleen (cursief van Walschap – FD) omdat hij in de redactie niet van zijn jan zou kunnen maken” (26.12.1940).

    De volksverbondenheid van Walschap blijkt, zoals hierboven aangetoond, ook uit de confrontatie met Jeanne De Bruyn, die als vurig redactielid van de uitgesproken nationaal-socialistische krant ‘Volk en Staat’ na de oorlog veroordeeld werd. De Bruyn had in 1941 tweemaal een positieve recensie geschreven over het ‘volksverbonden’ De wereld van Soo Moereman, maar op 9 april 1944 haalde ze de cynisch-pessimistische Tor en De Consul – welke laatste ook door Elebaers een “brok menselijke aberratie” genoemd werd (brief aan Walschap, 09.05.1943), – en meteen ook de auteur Walschap compleet onderuit: “’s Schrijvers kunst is doodgelopen in een steegje zonder eind, dat van een ontluisterende, vernietigende ideologie. () En nu ebt het leven steeds verder uit zijn werk weg. Was De Consul een opeenstapeling van akeligheden zonder zin, Tor is een opeenstapeling van kunstmatigheden.”

    Walschap is van de haan gepikt en reageert furieus in een brief aan de redactie (12.04.1944), waarin hij De Bruyn, ofschoon vier jaar jonger dan hij (!), “een extremistisch kwezelke van kanonieke leeftijd” en een impotente “sukkel” noemt door wie hij niet “wens(t) berispt te worden.” Want, schrijft hij, (cursief van FD) “ik heb in volksverbondenheid niets te leren van die sukkel (). Ik schrijf Vlaams over Vlaamse mensen. Die verstaan mij en haar niet. De modelvolksverbondenen, de Duitsers, verstaan mij en haar niet.” Na de oorlog komt hij daar nog eens op terug, in een interview in ‘Trouw’ (13.10.1945, cursief van FD): “Inderdaad, in dat ‘volksgezonde’ genre heb ik twee betere novellenbundels, Volk en De Dood in het Dorp, laten verschijnen in 1930 en 1932, toen nog nergens spraak was van volksverbondenheid, zodat ik tijdens de oorlog tot de ortodoxen kon zeggen en ook gezegd heb: volksverbonden was ik vóór u en niet op bevel!”

    27-06-2009 om 00:00 geschreven door Heibelaar


    >> Reageer (0)


    Archief per week
  • 22/06-28/06 2009
  • 15/06-21/06 2009

    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.


    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek


    Blog als favoriet !


    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!