Inhoud blog
  • Blinde vink
  • Het eeuwige leven
  • Kop-en-schotel
  • Om ter mooist
  • Ezelsoren
  • Charon
  • Het Boek J
  • Lotto
  • Luchtmisdrijf
  • French Fries
  • Cafépraat
  • Zwanenzang
  • Horen en zien
  • Man met ballen
  • Mama
  • Paaps
  • Grote kuis
  • De rode fontein
  • Moeskopper
  • Dakloos
  • Darwin, geen leven
  • Epoque
  • Weerzien
  • Weerzien bis
  • Essence
  • Robin Cruysse
  • No essef
  • De varkenshazy's
  • Mestgeur
  • Kunst met peren
  • Mystery shopper
  • Braaf!
  • Wild!
  • Bloed & Wonden
  • Rolex
  • Boeftie
  • Smashing
  • Japan
  • Mensenmepper
  • Winnetou
  • Zon & regen
  • Dood
  • Etappes
  • IJsdood
  • Wurgseks
  • Boren naar olie
  • Handelslapte
  • High Noon
    Verhalen boven kamertemperatuur
    Foto
    Foto
    Knetterkunde
    Foto

    Moi by Magician Marcelino

    Foto

    Moi in the Mirror

    VRESELIJKE VERHALEN
    JORIS DENOO
    15-03-2021
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Darwin, geen leven

    DARWIN, GEEN LEVEN

     

    Myriam Hobo was een Joods Darwinvinkje op het kleinste Galàpagoseiland. Daar waren enkele schildpadden al zo oud geworden dat ze de beroemde geleerde persoonlijk gekend hadden toen hij op hun eilandje onderzoek verrichtte. De vinken was natuurlijk een veel korter leven beschoren. Vooral de Joodse. Ook de vinkjes die met trots de naam van de wetenschapper droegen: de Darwinvinkjes. Myriam Hobo floot vroeger tweemaal per jaar vals: telkens als de vrachtboot aanmeerde, met voorraden voor de schaarse eilandbewoners. Die mensendrukte oefende een slechte invloed uit op haar gezang. Later leerde Myriam Hobo beter omgaan met stress, want er kwamen veel vrijetijdsboten bij. Het minuscule Galàpagoseiland werd door de toeristen ontdekt. Een vruchtenstalletje tussen de bomen groeide uit tot een heuse stad. Myriam Hobo, het Joodse Darwinvinkje, mocht dan nog de grilligste toonladders uit haar keel persen als geweldloze daad van verzet en protest: de mensen kwamen, bleven en hokten samen als stad. De reusachtige schildpadden trokken hun schilden op; een zoveelste stap in de geschiedenis van de mensen kon hun geen reet schelen. Ze lieten maar betijen, paarden af en toe ongegeneerd en stonden rechtopstaand toe dat vogels hun teken uit hun oeroude lijf kwamen pikken. De een zijn blootje is de ander zijn broodje.

    De eerste moord op dat kleine Galàpagoseiland, zeer on-Darwiniaans, gebeurde op een avond in mei. (We laten de vroegere massa- en seriemoorden door mensen op de schildpadden uitgevoerd hier buiten beschouwing). Myriam Hobo was de verbijsterde getuige. Dagenlang kreeg ze helemaal geen toonladder meer uit haar strot. Haar gevederde judaïsme protesteerde tot in elke follikel. Mensen? Eens te meer bewezen die dat hun geschiedenis een treurige bloemlezing was van veldslagen, oorlogen, wapengekletter en doodsgereutel. Voor de periodes daartussenin hanteerden ze het woord 'vrede', zolang de voorraad strekte.

    Nou, die moord dus. Waar anders dan in die ene stad kon die gebeuren? Myriam Hobo was toen zelf al voor een flink stuk verstedelijkt. Ze woonde gewoonlijk in de riante achtertuin van een Joods kunstschilder. Darwinvinken hebben iets met kleuren. En Joden hebben iets met, nou: met Joden. Overal ter wereld. Ook op dat Galàpagoseilandje dus.

    Wie kunst zegt, zegt passie. Of geld. Was dat een beroemde kunstschilder misschien? Zeer zeker. Waarom zou hij anders op dat oeroude exotische eiland woonachtig en werkzaam zijn? En geen klap uitvoeren tenzij verf dermate uitsmeren dat hij er ook nog veel geld voor kreeg? Geen enkele Joodse Darwinvink ter wereld had ooit al meer vrouwelijk naakt aanschouwd dan Myriam Hobo, Galàpagosallochtoon. In de broeierige hitte van Ecuador vergaapte ze zich dagelijks aan het leuke geldgewin van mister Toni, afkomstig uit het verre Transsylvanië, opgegroeid met de bevreemdende klanken die aan de cymbalon werden ontlokt door Joodse tziganes door wier aderen Roemeens en Hongaars bloed stroomde. Joden moeten zwerven. Toni belandde hier, aan een andere kant van de wereld. Hij schilderde, versierde ongegeneerd vrouwen, verdiende geld en was zich niet bewust van de vrouwtjesvink in zijn achtertuin.

    Kunstenaars trekken ook andere vreemde vogels aan. Vrouwen en mannen die in een soort van pikorde de hofhouding vormen met alle voorspelbare kenmerken: jaloezie, wedijver, hoogmoed, behaagzucht, pluimstrijkerij. Voor een plaatsje in het hart en het testament van de meester waren ze bereid elkaar de kop in te slaan of te elektrocuteren.

    Hier begint eigenlijk het verhaal van de moord waar Myriam Hobo niet anders dan lijdzaam op toekijken kon. Een sujet, op en top snob, vriend des huizes, verkocht de kunstschilder volstrekt illegaal en hoogst verboden zo'n reusachtige schildpad. Toni telde er een smak geld voor neer.

    'Een prima schildwacht heb je daar nu', lachte de snob. 'Niemand zal het wagen zich via de achtertuin toegang te verschaffen tot al dat moois en kostbaars hier. Die pad is van geen kleintje vervaard. Ze overtreft zelfs de gevaarlijkste waakhond op het eiland'.

    En hij verdween voorgoed, de vette cheque netjes in tweeën gevouwen in zijn portefeuille. Toni verzorgde de ontvoerde schildpad goed. Hij schiep een exacte kopie van haar biotoop in zijn achtertuin. De schildpad was echter niet gelukkig. Natuurlijk niet. Schildpadden zijn van nature uit eigenlijk al geen doetjes. Marie-Mathilde, zoals Toni ze noemde, kweekte al ras gemengde gevoelens, die escaleerden tot onverdunde haat en agressie jegens hét Darwinsoortje bij uitstek, die monsters op twee benen: de mensen. Zij die haar hadden ontvoerd, verkocht, gekocht en van de vrijheid beroofd.

    Mister Toni, Transsylvaniër, hoopte Marie-Mathilde levenslang bij zich te kunnen houden. Maar hij was ook tevreden met haar prachtige schild, mocht ze ooit komen te overlijden. Myriam Hobo keek ondertussen toe: hoe de schilder met opengeschoven atelierdeuren konterfeitte, hoe de schildpad met steeds meer moordzucht in haar ogen zich elke dag een duimbreed dichter bij de veranda waagde.

    SNAP! klonk het op een avond in mei. Het moment!

    Myriam Hobo schrok op uit een mafje op een drafje. Marie-Mathilde was het openstaande atelier binnengeslopen en hield mister Toni in een klemvaste kaakgreep bij zijn Versace-broekspijp vast.

    KRAK! ging het, want daarin bevond zich de enkel van de schilder. Het bismoment!

    'Au! Au au au! Aààà!!!! $*$µ%}!"&=//²²&!¨¨!!'

    Een Transsylvaanse vloek knetterde door het atelier. Toni greep naar zijn broekspijp, waar het bloed als een Rode Zee eensklaps uit gulpte. Maar Marie-Mathilde deed nog eens SNAP! Nu knapte ze met een krachtige ruk van haar kop de pols van Toni middendoor. Ogenblikkelijk daarna vermorzelde ze alle vingers van de linkerhand met één beet van haar kaken. Schreeuwend zeeg de schilder neer, ziedend van pijn, kronkelend als een worm, in zijn val zijn ezel en doek meesleurend. Verf spatte op de grond en vermengde zich met wijnrood bloed uit het been en rozerood bloed uit de arm. Met een snelheid die je van zo'n gigantisch dier niet zou verwachten, maakte Marie-Mathilde het karwei af. Verbijsterd keek Myriam Hobo toe hoe vrijwel alle botten en beenderen van de onfortuinlijke mister Toni hetzelfde lot ondergingen. Dat ging gepaard met naargeestig geknap en dierlijk gehuil. Marie-Mathilde rukte grote hompen vlees los en zwierde die het atelier rond. Kleinere repen slikte ze zo door, na amper twee, drie maalbewegingen van haar kaken.

    In een mum van tijd gaf de schilder de geest. Met een mokerslag van haar rechtervoorpoot verbrijzelde Marie-Mathilde ten slotte de schedel. Dat was de kroon op het werk. Geheel onder het bloed toog ze daarna naar het zwembad in de achtertuin. Het water kleurde wollig rood toen ze erin plonsde. De stralen van de avondzon voltooiden deze aquarel met een paarse weerschijn. Kokhalzend vluchtte Myriam Hobo de tuin uit, zonder ook maar één geluid te kunnen uiten. Overal in het atelier verspreid lagen de bloederige, vermaalde resten van wat eens mister Toni was geweest. De moord van een schildpad op een kunstschilder was voltrokken. In het zwembad omarmde het water Marie-Mathilde allesbegrijpend.

    Natuurlijk groeiden er stadslegendes. Maar die lieten wel buiten beschouwing de vroegere massa- en seriemoorden door mensen op schildpadden uitgevoerd.

    'Die wrede schildpad', deed de ronde, 'wel, die kan niet tot een celstraf veroordeeld worden, want ze zit nu eenmaal al gevangen in haar schild. En de strafmaat bepalen, vormt ook al een probleem: die oldtimers leven verdorie honderden jaren lang. Het schijnt dat die Marie-Mathilde, of hoe heet ze ook weer, tijdens de moordpartij iets uitgestoten heeft dat op taal gelijkt. Het klonk als 'met de groeten van Charles Darwin'.

    Tja, de stad bevordert de criminaliteit. Waar mensen dicht samenhokken, is het dubbel uitkijken geblazen. Ook op een eiland. En Darwin, die draaide zich nog maar een keer om in zijn graf.

    Myriam Hobo kwam de schok maar langzaam te boven. Om de achtertuin van mister Toni vloog ze met een grote boog heen. Marie-Mathilde werd onder scherpe bewaking weer naar het strand getakeld. Daar werd ook een waarschuwingsbord voor toeristen neergepoot. Op de begrafenis van Toni huilden veel vrouwen. Hun minnaars en mannen legden artistiek begrip aan de dag. En op Galàpagos leefden de schildpadden nog lang en gelukkig. Ze paarden af en toe ongegeneerd en stonden rechtopstaand toe dat vogels hun teken uit hun oeroude lijf kwamen pikken. Een ervan vertoonde geruime tijd een soort van wijnvlek op haar schild, waar bij avondzon een paarse weerschijn van afstraalde. Maar het sleet.


    JORIS DENOO

    15-03-2021 om 16:23 geschreven door Joris Denoo  


    26-02-2021
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Epoque

    EPOQUE

     

    Alexia Yerna.

    Ik ben jaloers op mensen met mooie namen. Die namen spreek ik dan zacht proevend voor me uit, vijfmaal na elkaar. Alexia Yerna heb ik al honderdmaal gearticuleerd. Haar voornaam associeer ik met Byzantijnse rites, kaarsen, kersenbloesems en uivormige kerkkoepels. Haar achternaam klinkt als die van een stad aan een rivier waar in oudere tijden een belangrijk verdrag werd getekend.

    Haar vader was een Pruisische ulaan, 2 m 04 groot, nog indrukwekkend groter toen hij hoog op zijn paard gezeten tijdens De Groote Oorlog op verkenning dwars door de velden van Vlaanderen reed, voor de troepen uit. Haar moeder was een hemelse harpiste, die ook het wiskundeonderwijs uit die tijd een nieuwe wending gaf. Zij had overigens het Erdösgetal 2. (*)

    Oude tijdperken: knevels, eau-de-cologne, Caruso, luizen. Ook kindersterfte: drie broertjes van Alexia bleken al vroeg niet levensvatbaar te zijn en stierven voor hun eerste of tweede verjaardag.

    Alexia Yerna is er nu 81. Ze rookt sigaren en drinkt 24-year-old Boar’s Head whisky.

    Ze vertelt over Russische soldaten die brullend hun baard afbrandden tot tegen het vel en over Vlaamse soldaten die vertwijfeld hun keel open probeerden te halen na een gasaanval: verhalen van haar vader.

    Er waren weinig stille periodes in de twintigste eeuw. De voorraden vrede en rust strekten niet lang. Op de achtergrond van elke idyllische foto of pastorale filmopname uit die tijden hoor je ver gedonder, geratel, gekreun, geschreeuw, gebulder, gereutel. Van in het begin van die eeuw was dat al zo.

    Zoals in een gedicht de belangrijkste boodschap tussen de regels staat, zo speelt zich ook buiten het kader van een foto of een film niet de bijzaak af. Altijd kijkt er wel iemand opzij, net op het bewaakte ogenblik dat alle anderen glimlachend naar het ‘vogeltje’ turen en dat er afgedrukt wordt. (Dat is dan gewoonlijk het stoutste kind of de meest verstrooide mens, een discipel van de verkeerde lieveheer, die aan zijn kruis de moeite deed zijn hoofd naar links te buigen om het relaas of het alibi van de slechte moordenaar te beluisteren.)

    Wat is daar gaande buiten die collectieve vrolijkheid op zo’n foto anno 1912? Een portret anno 1935? Een kiekje uit 1952? Een plaatje uit 1992?

    Alexia kan het weten. Zij kan vele donderwolken invullen die ontbraken op zovele kiekjes. Zij kan die ook inkleuren: Pruisisch blauw, feldgrau, gifgroen, kakibruin, bloedrood, verzengend wit, loodgrijs. Een bedenkelijke regenboog overspant de tijd die zij reeds op aarde heeft doorgebracht, deze blauwe plek in het heelal. Is men ‘een kind van zijn tijd’? Soms moet men zichzelf heruitvinden, want het zijn niet de tijden die veranderen, maar de mensen die verouderen.

    Paulette Goddard, de goddelijke actrice uit o.a. ‘Modern Times’ van Chaplin, en Erich Maria Remarque, de auteur van o.a. ‘Im Westen nichts Neues’, twee onafhankelijke geesten, die samen-apart een aantal jaren van hun leven deelden, zijn goede bekenden geweest van Alexia Yerna. Naast hun namen kun je de accolade van de twintigste eeuw tekenen: een krul gelijkend op de pinhelm van een ulaan. Scheefgezakt.

    Alexia Yerna leerde hen kennen in de Verenigde Staten, waar ze eigenlijk op zoek was naar iemand anders. Omwille van dat vreemde Erdösgetal van haar moeder ondernam ze in de loop van de eeuw uit nieuwsgierigheid een queeste naar, zeg maar: zette ze de achtervolging in op de Hongaarse wiskundige Pàl Erdös (*). Ze trof hem aan in Amerika, zoals gewoonlijk ergens onderweg. Het excentrieke genie reisde namelijk constant, van de ene naar de andere conferentie, overal bij vrienden en bekenden aankloppend met de mededeling: ‘Mijn brein staat open, laten we samen wat artikelen produceren en publiceren.’ Hij was toen al stevig aan de amfetamine. Na een weddenschap met vrienden voor 500 dollar bleef hij een maand clean. Dat was het tijdstip waarop Alexia even kennis met hem kon maken. Hij nam echter daarna zijn oude gewoonte weer op, protesterend dat de wiskunde een maand vertraging opgelopen had. Korte tijd later ontmoette Alexia in de V.S. de wereldberoemde filmster en de wereldberoemde schrijver, die elkaar een huwelijk berokkend hadden waarvan de vlam ondertussen al vlug aan het doven was.

    Alexia Yerna, enig kind, is jong geweest tijdens het interbellum. Het was de enige periode met wat windstilte, maar als je goed luisterde, hoorde je het gerommel al in de verte.

    De Vrede van Versailles veroorzaakte grote armoede in Duitsland. Frankrijk daarentegen herademde. Het kon zijn schulden aflossen bij Groot-Brittannië. De Britten konden dat op hun beurt doen bij de Verenigde Staten. Toch zat Europa met een probleem. In 1922 sloten Duitsland en de Sovjet-Unie, twee landen op hun knieën, het Verdrag van Rapallo. Er stonden onschuldige politieke dingen in, maar er waren ook geheime militaire afspraken, waar het leger en sommige geleerden in betrokken waren. Dat baarde zorgen. Een en ander was in strijd met de grote officiële verdragen.

    Anno 1923 begon Duitsland ook achter te lopen met herstelbetalingen. Frankrijk en België hadden hier weinig begrip voor en bezetten het Ruhrgebied, waardoor Duitsland zijn schulden helemaal niet meer kon aflossen. Gevolg: economische crisis in een land dat zich al tussen hangen of wurgen bevond. In 1924 stelde de Amerikaanse bankier Dawes voor om tegen een aanzienlijke rente geld te lenen aan Duitsland. Daardoor ging het economisch weer ietwat beter. Duitsland sloot zelfs enkele nieuwe verdragen met de Geallieerden. In 1925 bijvoorbeeld was er het Verdrag van Locarno, waarin Duitsland wel zijn west-, maar niet zijn oostgrenzen erkende. Omstreeks 1929 deed zich een economische wereldcrisis voor, die begon in de Verenigde Staten. De wereldmarkt (toen al voor een flink stuk door de V.S. beheerst) deelde in de brokken. Duitsland werd andermaal getroffen. Hitler profiteerde van deze malaise. Hij speelde in op de gevoelens van de Duitsers. Sterk geformuleerde standpunten en slimme toespraken brachten de korporaal uit De Groote Oorlog al snel aan de macht. Hij had er amper anderhalf jaar voor nodig. Het einde van het interbellum was in zicht.

    Wat gaat er om buiten de officiële foto’s van al die verdragen? Daarvoor moet je soms de cartoons uit die tijd bekijken. Kattebelletjes op het spoor komen. Of luisteren naar wat er door de mensen verteld wordt bij de slagers en de bakkers. Een onweer kent voorbodes: dieren zwijgen stil, mensen worden onrustig.

    De grijze dreiging, de bruine pest, het rode gevaar, de gele koorts, de koude oorlog: de kleuren en de temperatuur van de twintigste eeuw zijn genomen.

    ‘Er komen nieuwe laarzen opmarcheren.’

    Deze zin heeft Alexia Yerna ettelijke keren uitgesproken, op bezwerende toon.

    Ze bewondert ook Marlene Dietrich mateloos: de Duitse diva die Nazi-Duitsland ontvluchtte en later terugkeerde naar Europa om voor de geallieerde troepen op te treden. Pas na de dood van schrijver Remarque vernam Alexia dat die een vrij lange verhouding met la Dietrich had gehad, vaak via brieven, kattebelletjes en telefoons. De wereldberoemde filmster uit ‘De Blauwe Engel’, ook al een culturele mijlpaal uit de twintigste eeuw, was culinair onderlegd en kon goed overweg met champignonsoep, leversaus en zuurkool. Er is een snipper papier van Marlene aan Erich bewaard, ooit ergens aan vastgeprikt, die vrij vertaald luidt: ‘Liefste, dit is een stuk vlees zonder vet en in zijn EIGEN NAT – je kunt het opeten of weggooien.’

    Deze snipper is in het bezit van Alexia Yerna: een ‘cadeautje’ van Erich Maria Remarque aan haar, ergens onderweg, in de twintigste eeuw, in de V.S. of in Europa (Venetië? Waar Remarque ook Dietrich voor het eerst ontmoette?), dat herinnert Alexia zich niet zo goed meer. Ze bewaart de krabbel als een kostbaar kleinood.

    Hoe heeft Alexia Yerna de Tweede Wereldoorlog meegemaakt?

    Ze was ongeveer 16 toen de gemoederen overal zo verhit raakten dat de mensheid alweer, nauwelijks een paar decennia later, slaags raakte met zichzelf.

    De korporaal uit de Groote Oorlog werd partijvoorzitter en Führer. (Wie een mythe in stand wil houden, moet veel verzwijgen: in de jaren twintig zat Adolf Hitler ook acht maanden in de gevangenis, na de mislukte Bierkellerputsch: een eerder groteske vertoning, waarbij de toekomstige Führer in een bierhalle wild met een pistool stond te zwaaien teneinde Beieren te veroveren en de Weimarrepubliek omver te werpen. Buiten slaagden zijn gewapende aanhangers evenmin in hun opzet, en er vielen enkele doden. Hitler kwam, vier jaar vervroegd, weer vrij in het geboortejaar van Alexia Yerna.)

    De hemelse harpiste onderhield naar Nazinormen te veel contact met Joodse wiskundigen, o.a uit Boedapest. Vandaar overigens haar Erdösgetal 2. Daardoor kreeg ook haar eega, de oude ulaan, problemen. Hij bevond zich, zoals zovelen, tussen hangen of wurgen, tussen communisme en nationaal-socialisme, en wou noch voor het ene, noch voor het andere kiezen. Een tussenweg of een oude weg leek in die donkere bruine dagen uitgesloten. Het feit dat hij oud-strijder uit de Groote Oorlog was - hij had tot de geduchte falanxen van de keizerlijke troepen behoord -, maakte het er niet makkelijker op. Zo stootte zijn weigering om lid te worden van de Gestapa (Geheimes Staatspolizeiamt) op onbegrip. Ook zijn naam, Yerna, veroorzaakte argwaan. Dus sloeg het gezin op de vlucht, toen dat nog mogelijk was: vader, moeder, dochter. Midden- en Zuid-Europa boden weinig perspectieven; Amerika was de andere kant van de moeilijke medaille. Sedert de beurskrach van 1929 in New York waren de V.S. geen echt land van belofte meer. De Yerna’s verlieten op een nacht Lüneburg en reisden in een ruk via een duurbetaalde vluchtroute door naar Herning(**), Jutland. Planning, termijndenken, vooruitziendheid, relaties, maar ook toeval, intuïtie, geld en geluk bepaalden hun route en (voorlopige) eindbestemming. Ze belandden er in een kleine, streng-lutheraanse Duitse gemeenschap, het resultaat van een braindrain die al in de vroege jaren twintig op gang was gekomen. Vader Yerna sprokkelde her en der handenarbeid, moeder Yerna begeleidde vrome erediensten op de piano, want haar harp had ze noodgedwongen achter moeten laten. Vlucht, zelfbehoud.

    Toch werd het nog Amerika. Vlak na de oorlog, Alexia was er dan 22, slaagden de Yerna’s erin de grote plas over te steken, na enkele donkere, armoedige jaren in het noorden van Denemarken. In Syracuse, New York, kon de harpiste nog enkele jaren aan de slag als wiskundelerares. Ze gaf er ook muziekonderricht. De oude ulaan, vermoeid van het vele reizen en vluchten, kon er niet wennen, wapperde op een valavond even met zijn handen voor zich uit en verwisselde bijna onmerkbaar het tijdelijke voor het eeuwige. Twee jaar later volgde zijn vrouw hem, na een kwaadaardige ziekte. Alexia werkte ondertussen op de drukkerij van een lokale county-krant voor emigranten. Ze werkte zich op tot redactrice. Ze slaagde er in enkele beroemdheden voor de krant te interviewen: Remarque, Goddard. E.M. Remarque ontmoette ze daarna nog bij diverse gelegenheden. Omwille van de talenmix (Duits, Deens, Amerikaans-Engels, en andere varianten van diverse oorsprong) werd ze lid van de Esperantistenbond aldaar. Het Esperanto bloeide weer wat op, zoals het gewoonlijk deed na een grote, wereldwijde oorlog. Daar kwam ze in contact met een oude professor, die naar eigen zeggen in de scheikunde was gespecialiseerd en Russisch-Pools-Joodse roots scheen te hebben. De man miste verschillende vingers aan beide handen, was halfblind en sprak ongeveer twaalf talen, waaronder zelfs Chinees. Toch geloofde hij rotsvast in het Esperanto als mondiaal bindmiddel. Professor Siggy Bloomfield, zoals hij zich noemde, gaf haar les. Binnen het jaar sprak en schreef Alexia Yerna vloeiend Esperanto, maar toen stierf Bloomfield schielijk. In een nagelaten brief aan haar, die hij twee dagen voor zijn dood op de post had gedaan, en die volledig in het Esperanto was opgesteld, beschreef hij haar zijn bizarre leven als Sigmund Rosenblum, alias Sidney Reilly, Brits meesterspion en fel gehavende overlevende van Russische gevangenissen (***). Alexia borg de vreemde brief op bij de Dietrich-snipper, wees een aantal huwelijksaanzoeken af, trok een streep onder haar werk voor de krant en de Esperantobond en vertrok naar Europa, België, na een omweg via Venetië, waar ze zichzelf trakteerde op een maand bezinning. 

    Alexia Yerna. Brussel, België.

    Ze trouwde nog, laat, met een antiquaar. De boeken, weet je wel. Er kwamen geen kinderen, want ‘Er komen nieuwe laarzen opmarcheren.’

    De rimpelingen en steekvlammen van de laatste drie decennia van de twintigste eeuw en de aanvangsjaren van het nieuwe millennium beroeren haar minder. Het lijkt alsof ze wacht op een grote nieuwe allesverzengende wereldbrand, zelf gereed om desgevallend zo te verdwijnen. Het moederlijke Erdösgetal, de Dietrich-snipper, de Reilly/Bloomfield-brief: het is hààr eeuw. Geweest.

    In 1968, het jaar waar men om verschillende redenen blossen op de wangen van kan krijgen, bevindt Alexia zich andermaal in Venetië. Mann, Mahler.

    ‘En op een dag ving hij bij de kapper, waar hij nu dikwijls kwam, een woord op dat hem aan het denken zette. De man had gesproken over een Duits gezin dat zo pas na een kort verblijf weer was vertrokken, en hij voegde er vleierig babbelend aan toe: ‘U blijft, meneer; u bent niet bang voor het kwaad.’ Aschenbach keek hem aan. ‘Het kwaad?’ herhaalde hij.’ (****)

    Ze is 44: te oud voor revolutie, te jong voor berusting. Venetië is dus aangewezen. Het is een onverdachte plek, van alle tijden. En het antiquariaat in Brussel, waar zij de administratie voor doet, boert goed.

    De oude wereld dooft uit; de oude idolen sterven. Het oosten van een nieuwe wereld krijgt de volle aandacht. Alleen in de achtertuin van Europa wordt het nog roerig: het Balkanbuskruit explodeert en blijft lang nasmeulen in verspreide brandhaarden. Sarajevo, of all places, is andermaal the place not to be. Alexia, ondertussen bestorven weduwe, bereist alle landen van Europa, met uitzondering van Duitsland en Denemarken. Ze neemt de draad van het Esperanto weer op en geeft privélessen.

    In die hoedanigheid ontmoet ik haar al ongeveer een decennium lang. Het Esperanto heb ik ondertussen al onder de knie. Haar geschiedenis, die voor een stuk de geschiedenis van de twintigste eeuw is, bijna ook. Ik blijf komen. Sigaren, whisky.

    Ik heb de Dietrich-snipper en de Reilly/Bloomfield-brief gezien. Ik heb het wiskundeartikel gelezen dat haar moeder samen met een Hongaarse collega van Pàl Erdös schreef. Ik hoor het gereutel en het kanongebulder. Ik maak het geklater en de glitter van de roaring twenties mee, van horen zeggen. Ik zie de donkere kleuren van de jaren dertig opdoemen. Ik voel het gedreun van laarzen in de straat.

    Elke week bezoek ik Alexia Yerna trouw. Dat gebeurt gewoonlijk op maandagavond. Ik beluister er de twintigste eeuw, uit de meest gewone, betrouwbare bron die er kan bestaan:

    een ooggetuige,
    een vrouw,
    niet arm,
    niet rijk,
    niet van adel,
    van de overkant,
    kosmopoliet,
    polyglot,
    op de vlucht,
    terug thuis,
    en toch weer niet,
    herinnering,
    toeval,
    fragment,
    accolade,
    Alexia Yerna,
    thans 81,
    sigaren en Boar’s Head whisky.

    Ik schrijf haar op: Alexia Yerna.

    Als ze sterft, wat ze niet mag doen, mag niemand laarzen dragen bij haar laatste afscheid.

    (*)  Erdös Pàl  (1913 – 1996) was een excentriek Hongaars wiskundige, continu op reis. Door zijn enorme productiviteit (hij schreef ongeveer 1 500 wetenschappelijke artikelen) introduceerden zijn vrienden-wiskundigen, deels als grap, het Erdösgetal. Erdös zelf kenden ze het Erdösgetal 0 toe (omdat hij nu eenmaal zichzelf was); zijn directe coauteurs kregen Erdösgetal 1; de onderzoekers die gepubliceerd hadden met deze coauteurs kregen Erdösgetal 2, etc … Ongeveer 90 % van de huidige actieve wiskundigen in de wereld hebben een Erdösgetal kleiner dan 10. Op die manier kun je de afstand tussen twee onderzoekers definiëren, via zogenaamde ‘grafen’. Zelfs de beroemde honkballer Hank Aaron (recordaantal homeruns in een carrière) heeft Erdösgetal 1 omdat hij samen met Erdös een honkbal heeft gesigneerd toen zij beiden een eredoctoraat ontvingen aan de universiteit van Georgia. Ook het taalgebruik van Erdös was eigenaardig. ‘Het Boek’ was een denkbeeldig boek waarin God de beste en meest elegante bewijzen voor wiskundige stellingen had opgeschreven. (Hij was niet-gelovig en noemde God de ‘Opperste Fascist’). Kinderen noemde hij ‘epsilons’, vrouwen waren ‘bazen’ en mannen ‘slaven’. Mensen die geen wiskundig onderzoek meer deden waren ‘dood’; overledenen waren ‘weg’. Zijn grafschrift moest volgens hem luiden: ‘Eindelijk word ik niet meer dommer’.

    (**) Geboorteplaats van de Deense wielrenner en eenmalig Tour-de-Francewinnaar Bjarne Riis. Denemarken bleef onder Duitse bezetting enigszins gespaard van het grote oorlogsgeweld, met uitzondering van het eiland Bornholm in de Baltische Zee (of Oostzee), dat in 1945 nog even dreigde achter het IJzeren Gordijn te verdwijnen, maar toch ontsnapte aan inlijving door de Russen.

    (***) Sigmund Rosenblum, aka Sidney Reilly, werd in 1874 in het Russische Odessa geboren en getogen. Hij studeerde scheikunde in Wenen. Toen hij ontdekte dat hij een onwettig kind was, ensceneerde hij op 19-jarige leeftijd zijn ‘afscheid’ van de wereld: in een brief meldde hij dat men zijn lichaam terug kon vinden onder de ijsschotsen in de haven van Odessa. In werkelijkheid reisde hij als verstekeling aan boord van een Brits schip naar Zuid-Amerika, waar hij meer dan drie jaar bleef, grotendeels in Brazilië. Door contacten met Britse legerofficieren aldaar en door zijn uitzonderlijke talenten werd hij in Londen gerekruteerd door de pas opgerichte Britse Geheime Dienst. Als eerste opdracht van Churchill moest hij in de verwarring van de Russische Revolutie proberen om Lenin te vervangen. ‘Reilly’ ontpopte zich als een meesterspion en kameleon, die overal in Europa de geschiedenis mee hielp bepalen, al bleef hij meestal ‘onzichtbaar’ in de coulissen. Ook zijn liefdesleven was legendarisch: hij trouwde driemaal en had meer dan negentig maîtresses. Na zijn laatste opdracht, het organiseren van het verzet tegen de communisten, verdween Reilly, medio jaren twintig. Hij zou in de Boetyrsk-gevangenis in Moskou gedood zijn. Hij zou in Finland het genadeschot gekregen hebben. Hij zou overgelopen zijn naar de andere kant. Hij zou een leven in China opgebouwd hebben. Het bleef een mysterie. Tot nu.

    (****) Thomas Mann, De dood in Venetië.


    JORIS DENOO

    26-02-2021 om 09:00 geschreven door Joris Denoo  


    22-02-2021
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Weerzien

    WEERZIEN

     

    De zaken waren min of meer afgehandeld. Ieder van de broers en zussen Vanhoutte was zijns of haars weegs gegaan. Mauwerik stapte alleen verder door het stadje van eierboerpraatjes en koektrommelplaatjes, zonder concreet doel, gaande gehouden door een combinatie van nieuwsgierigheid en weerzin. Warenhuis Lana van weleer heette nu Pool Snooker Darts Palace. Op de plaats van bakkerij C. was bakkerij D. verrezen, met behoud van de twee grote ramen waarachter het manna in manden tentoongesteld lag. De inboedel en inhoud van het oude stadhuis waren luidens een mededeling op een bord verkast naar een nagelnieuw spuuglelijk complex aan de periferie. Mauwerik was er daarnet gepasseerd, op zoek naar een parkeerplaats voor zijn auto. De plompe kerk stond nog steeds in het midden: een kloek met brede flanken die hooghartig de middenstip van deze samenleving bezette. Dat katholieke gevaarte had de handel en wandel van het stadje bepaald. Ongelooflijk hoe generatie na generatie onder de knoet van de kerk-met-hoofdletter werd gehouden. Het stadje leek uitsluitend bewoond te worden door dat ridicule leger van god-met-hoofdletter. Die ‘Großschreibung’ deed hun teksten op conservatief Duits gelijken en veroorzaakte bladspiegels om bij te bibberen. Die G-plek! Pikken dienden om voort te planten; kutten om te baren. Stijve harken vermenigvuldigden zich met levendbarende kruisvaarsters. Zwartrokken en kapteven ejaculeerden hun dubbelzinnige metaforen, hautaine retoriek, gelijkhebberige voorschriften en valse nederigheid over de gebogen hoofden van de goedgelovige gemeente: de tsjeven, de kaloten, de pilaarbijters. Na het sneuvelen kregen deze soldaten van god allemaal een identieke witte zerk op eenzelfde formaat. De koppels werden gezamenlijk in de aarde gestopt; één leven één steen – zo konden lange jaren nog de langstlevenden hun naam op zo’n zerk zien prijken. Gewoonlijk was dat moeder de vrouw, want de vent had het meeste vet en nicotine tot zich genomen.

    Mauwerik voelde nog altijd zijn bloed koken als hij aan die donkere tijden met de brandglasramen en de preekstoelen terugdacht. Niks geen goede oude tijd. Niks geen onbekommerde zonovergoten jeugd. Krampachtigheid alom. Angst. Verbod en gebod. Kattenpis in de kerkportieken. Spionnen achter de gordijnen. Verklikkers in de straten. Verstikkende wierook. Dwingend geklingel. De walm van natte kleren. De rozige wangzakken van een dienaar des heren die een kelk hief. De smells en bells van een pronkerige bedoening die ‘geloof’ werd genoemd.

    Dat geverfde kutwijf uit de parfumerie met die vreselijke haartoren op haar kop hield de kudde schoolgaande Vanhouttes viermaal per dag nauwgezet in de gaten. Ook dat bakkerswijf die haar vette haren in een fundamentalistische knot achter op haar kop wurgde, beschreef in geuren en kleuren alle straatmanoeuvres van de jonge Vanhouttes. Madeleine van de hoedenwinkel bespioneerde elke dag achter haar besmuikte etalage het passerende kindervlees in de straat. In de Lana moest je een kinderdetector passeren in de vorm van een caissière die je met vernietigende blikken fouilleerde. Zo was er nog een heel legertje collaborateurs actief. De Mossad van het Leger van God. De MI5 van onze Moeder De Heilige Kerk, zeg maar Kerker. Verklikking alom. Alle informatie kwam vroeg of laat bij de vroede verwekkers van de Vanhouttes terecht, ook wel ‘ouders’ genoemd. Gescheurde oorlellen, pandoeringen, terreur van wasstok en vlakke hand, bedplassen: hoe het groeide en bloeide, zo’n schoon kroostrijk gezin in de welvaartsjaren met de extra betaalde ‘dertiende’ maanden dankzij koloniale uitbuiting. De gefrustreerde vrouw aan de haard en de missing link tussen ‘boerhof’ en kantoor konden dat karwei niet aan. Overal leed de konijnenkweek van de katholieke gezinnen gaandeweg aan myxomatose. Het nageslacht vertoonde roodomrande ogen en begon veelvuldig te niezen: alternatieve linkserigheid en vrije liefde ondermijnden de grondvesten van een naoorlogse gemeenschap die zo schoon was opgebouwd rond de lul van een mannelijke eenverdiener. De aanschaf van een broeksriem waarvan de gesp het woord JERUZALEM vormde, aldaar gekocht tijdens die ene symbolische reis, zette geen zoden aan de dijk. De caravangeneratie vertoonde metaalrot en puberpuisten. Het was gedaan met ‘levet scone’, ‘ora et labora’ en ‘starcke tronck, altyd jonck’. Zij die met elke opgespaarde fuck een vers kind bijeen schoten, kregen die fuck welgemeend en welgemikt terug, in their face.

    Mauwerik voelde de woede weer opborrelen en stak een verboden sigaret op, terwijl een paternoster aan vloeken en verwensingen als een serpentine door zijn hoofd warrelde. Gefrustreerde kaarsvetkwezels. Rukkende biechtafnemers. Kwijlende huichelaars. Zwartgerokte verkrachters. Met bloed en zaad bevlekte soutanedragers die de mensen verplichtten op de mooiste ogenblikken van de week naar hun kille kerken te komen om boete te doen en die op de topmomenten van zoveel mensenlevens met hun geile poten de zaak meenden te moeten bekruisen in de naam van een vage god – een man. Waarom waren de vrouwen niet in opstand gekomen? Kon die god dan geen borsten hebben en een godin zijn? Was de testikelhorde meer waard dan de gleuvenbrigade?

    Hij inhaleerde zo diep dat de rook niet eens meer uit zijn lijf tevoorschijn kwam. Plotse duizeligheid deed hem even voor een zitbank bij een oude waterpomp kiezen. Officieel was hij gestopt met roken. Maar de checkpoints waren weggevallen: zijn ex-vrouw was al jaren met een ander en zijn dochter woonde in Zuid-Afrika. Er waren alleen maar enkele vage caféweddenschappen met vrienden die uitblonken in vergeetachtigheid. En hier zou niemand hem erop aanspreken. Het was drie jaar geleden dat hij nog in zijn geboortestadje verschenen was. De sigaret was in een recordtempo op. Hij stond op en knipte de peuk met een boog op straat. De timing was bijzonder slecht. Net op dat ogenblik passeerde een auto met omlaag gedraaid raam aan de passagierskant. Het was raak.

    ‘Godverdomme,’ zei Mauwerik. Een verontwaardigd vrouwengezicht boog zich even zijdelings naar de bron van het kwaad toe. De getroffen auto hield stil vijf meter verder, op een vrije strook voor apotheek D’hoest. Even wou Mauwerik het op een lopen zetten. Hij kon zich nog net inhouden.
    ‘Ewel??’
    Met een misprijzend gezicht stapte de mooiste vrouw ter wereld op hem toe, de peuk als een kaarsstompje voor zich uit dragend. Mauwerik trok verontschuldigend zijn wenkbrauwen op, terwijl hij zijn mondhoeken als spijtbetuiging omhoog hees.
    ‘Sorry… Sorry… En zeggen dat ik gestopt was… ‘
    Ze gooide de peuk voor zijn voeten. Twee oude mannen waren nieuwsgierig op de bank komen zitten.
    ‘Maar… ‘
    ‘Maar… ‘
    ‘’t Is niet waar… ‘
    ‘Ja… ? Ja toch?’
    ‘Jaja… !’
    ‘Dorothea!’
    ‘Mauwerik!’
    Dorothea en Mauwerik vlogen elkaar onvoorwaardelijk in de armen. De oude ramptoeristen keken ontgoocheld toe hoe die twee gesmoorde woorden wisselden en zowat door elkaars schouderbladen heen wreven.
    ‘Die peuk was zeker als vredespijp bedoeld?’ opperde de ene.
    ‘Het was alleszins geen scudraket, eerder een verdwaalde kogel’ zei de andere.
    ‘Mauwerik … in hoogsteigen persoon… en hier dan nog wel!’
    ‘Dorothea … vlam van mijn jeugd… jou hier te treffen… wat een vreugde!’
    Toen het gewrijf en gezoen de rand van het gênante bereikten, knikte Dorothea naar haar auto.
    ‘Kom je even mee? Heb je wat tijd?’
    ‘Eh… ja. Heb ik de passagiersbank niet verschroeid?’
    ‘Ha ha. Vlug, want die oudjes hier komen bijna klaar.’
    ‘O, dat mag niet in het openbaar.’
    ‘Nog altijd dichter hé?’
    ‘Rij je altijd met dat raam open?’
    ‘De airco werkt niet meer.’
    ‘De wonderen van de techniek hé.’
    ‘Het is een dure en een mooie, maar een oude auto. Al zeg ik het zelf. Wat loop jij hier te doen? Je verdween toch eeuwen geleden? Brussel was het? Wat doe je? Waar hou je je mee bezig? Getrouwd?’
    ‘Veel vragen ineens. Eh, ja. Ons ouderlijk huis wordt verkocht. Je weet wel: die Griekse neptempel op Golgotha. En copywriting. Eh: reclameschrijverij. En nee: was getrouwd. Wat jij? Hoe maak je het?’
    ‘Ah ja: dat protserige huis met de twee zuilen op de Keiberg. Ik? Gewoon. Nog altijd thuiswerkende secretaresse van de manege hé. Dagobert heeft weer een lespaard gekocht, samen met een compagnon. De manege boert goed.’
    ‘Rij je ook zelf?’
    ‘Natuurlijk. Hobby. Wil je straks mee naar de manege? We hebben een bar met snacks. Mijn dochter en haar vriend baten die uit. Het is bijna middag.’
    ‘Mm… ja.’
    ‘Hoelang zal dat geleden zijn? Dertig jaar? Vijfendertig?’
    ‘Hou op, Dorothea. We zien er nog niet zo verschrompeld uit. Herinner je je nog de geur van de oude muziekschool?’
    ‘De reuk, zou ik zeggen. Ja. Vochtige muren. In hetzelfde gebouw trainden er ook bodybuilders. Oud zweet. Koud zweet.’
    ‘Gymzalen hebben dat. Gezondheid riekt raar. Gezondheid riekt naar de dood.’
    ‘Ja: gezondheid heeft een lijklucht.’
    ‘Hoezo? Ben je bekend met lijklucht?’
    ‘Mijn vioollerares rook naar natte hond. En ik woon hier al mijn hele leven.’
    ‘Ha ha! Ik ben er na twee jaar notenleer mee gestopt. Speel je nog viool?’
    ‘Nee. De strijkstok is allang opgeborgen.’
    ‘Meester Wim gaf notenleer. Na zijn schooluren. Duidelijk tegen zijn zin.’
    ‘Bijverdienste hé. Ze hadden in die tijd allemaal iets extra’s. Overuren. Verzekeringen. Kindergeld. Een dertiende maand.’

    Ze zaten op het terras van een tearoom bij nog een andere historische waterpomp die het stadje rijk was. Daar leden ze hier geen gebrek aan. Een opgedirkte vrouw die zo uit een slechte film leek weggelopen, bracht ze de gevraagde macchiato’s.
    ‘Woon je hier eigenlijk graag?’
    ‘Ik ga hier dood,’ antwoordde Dorothea fluks.
    ‘En ik kon hier niet rap genoeg wegkomen. Kan ik je redden?’
    ‘Wat heb je te bieden?’
    ‘Eeuwige liefde. Brussel.’
    ‘We raaskallen.’
    ‘Zeg nooit nooit. Ze kunnen nog een tv-programma over ons maken.’
    ‘Hebben wij eigenlijk ooit… ‘
    ‘Neen.’
    ‘Het was nooit echt aan hé?’
    ‘Neen.’
    ‘Inderdaad niet.’
    ‘Mm.’
    ‘Misschien omdat we bijna-buren waren?’
    ‘Misschien.’
    ‘Wat als… ‘
    ‘Zie je: dat klinkt als een tv-programma.’
    ‘Ha!’
    ‘God beware me: je hele smeerboel van liefde en lust te grabbel gooien voor het verzamelde kijkvee.’
    ‘Je praat nog altijd als een dichter hé.’
    Dorothea legde haar hand op Mauweriks arm.
    ‘Maar ik weet ook nog altijd waarom je hier gevlucht ben, meneer de Brusselse reclameschrijver.’
    ‘Het is allemaal lang geleden hé.’
    ‘… zei hij. Je moet er nu nog aan toevoegen: ‘I was young’.
    ‘Ha ha. Nee: het was een escalatie van onvoorziene gebeurtenissen. En ik zou sowieso toch dit rotstadje verlaten hebben. Claustrofobie. Ademnood.’

    Mauwerik nipte van zijn macchiato.

    ‘Het begon in de Lana, dat warenhuis uit het steentijdperk van de shopping-gekte.’
    ‘Ja hé? Haring? Vertel het me allemaal nog een keer.’
    ‘Er stond een emmertje haring bij de visafdeling. Zonder deksel.’
    ‘Hilarisch: haring!’
    ‘Je snoept al bij voorbaat hé?’
    ‘Die goede oude tijden… ‘
    ‘Ik was met mijn moeder en mijn tweede broer in de Lana… ‘
    ‘Wat bedoel je met een tweede broer?’
    ‘Die net een jaar jonger was. Er volgden nog drie koters. Die waren thuisgebleven, bij het oudere buurmeisje dat gewoonlijk op ons paste.’
    ‘Aha. Een kroostrijk gezin hé.’
    ‘Breek me de bek niet open. Per vers kind dat erbij kwam slonken de kansen op leuke dingen zienderogen voor de reeds geborenen. Ik was de oudste en moest baanbrekend werk verrichten. Ik was pionier, verkenner, wrevelagent, tussenschot, golfbreker, boksbal. Mijn jeugd was een hel vol huilende kinderen.’
    ‘Je bent echt wel reclameschrijver hé.’
    ‘Ter zake. Terug naar de haring, de bron van alle kwaad. Nou: goed, eigenlijk, op de keper beschouwd. Ik vertrok later namelijk met plezier; nooit heb ik nog terugverlangd naar hier. In een opwelling gaf ik die tweede broer een duw, zodat hij pardoes met zijn smalle kont in de haringemmer viel. Hij paste er perfect in: ze kregen hem er bijna niet meer uit. De viswijven snelden onmiddellijk toe.’
    ‘Wou je hem verdrinken? Wegens te kroostrijk?’
    ‘Misschien wel. Zussen waren om in te knijpen, broers om weg te duwen of slaag te geven.’
    ‘Dat moet daar gestonken hebben!’
    ‘Weet niet: mijn zintuigen sloegen tilt, want ik incasseerde onmiddellijk een draai of twee om mijn oren. Mijn vrouwelijke verwekker had er zelfs speciaal voor haar boodschappentas op de grond gezet, om stevig te kunnen uithalen. Er vormde zich natuurlijk ook een samenscholing van ramptoeristen. Iedereen trok partij voor mijn arme broertje.’
    Dorothea slurpte het bovenste laagje van haar macchiato eraf en vroeg dan: ‘Waarom gaf je hem een zet?’
    ‘Omdat ik die emmer had gezien, verdorie. Ik dacht dat hij gewoon zou struikelen en zich redden, gevolgd door een klap voor zijn kop van moeder. Maar neen: meneer kukelde het haringsop in.’
    ‘Ha ha. Je hebt het vaak over ‘moeder’ hé? Zo… moederachtig.’
    ‘Ma’ komt niet over mijn lippen, nee. Bon. Een heel gedoe dus. En ik daar middenin met een kop als een biet. Ze wrikten mijn blèrende broer uit de emmer en brachten het stinkerdje naar een ruimte waar de caissières zich kalefaterden voor of na het werk. Ik werd in afwachting van verdere pandoeringen en straffen even ondergebracht in een kleine bergruimte vol rookgerei en poets- en onderhoudsmiddelen. Mijn vagevuur. En daar sloeg de duivel weer toe. Zeg maar: Lucifer.’
    ‘Mauwerik… mijn eeuwige vlam… ‘
    ‘Het duurde lang. Dus verkende ik even mijn omgeving. Ze hadden de kat bij de melk gezet. En mijn oren gloeiden nog na.’
    ‘Hoe het groeide… Hoe het broedde… Hoe het bloeide… ‘
    ‘… Hoe het brandde. Ja. De betaalbare wegwerpaanstekers waren net op de markt. Nieuwe hebbedingetjes in leuke kleuren. Pure popart. Nou: combineer zo’n voorraad maar eens met een regiment scheikunde uit de poets- en wrijfwereld. Het duurde niet lang of ik had een slof Stuyvesant open gewrikt. Ik pulkte er een sigaret uit. Die schreeuwde om een vuurtje. De aansteker die ik uitkoos werkte echter als een vlammenwerper. Hij stond op zijn hoogste stand en ik kreeg hem niet klein. Mijn wenkbrauwen werden geschroeid. Ik schrok me dood en wou van het ding af door de vlam dood te schudden, als een lucifer. Daardoor belandde de aansteker pardoes tussen de spullen op de rekken, midden in een morsplek. Roos! De vlam likte zich gretig een weg naar de dichtstbijzijnde stapel toiletpapier, om vervolgens met een walmend WHAM! nog gretiger bezit te nemen van de belendende voorraad vodden, doeken, watten en pullen. De hele reutemeteut stond onmiddellijk in de fik. De meeste spullen waren immers pure brandversnellers.’
    ‘Wauw! Eerst vislucht, dan brandlucht.’
    ‘Ik kon niet rap genoeg weg zijn.’
    ‘Gelukkig hadden ze die deur niet gesloten.’
    ‘Ja. Anders was ik eraan. Levend verbrand.’
    ‘Maar het werd echt erg hé?’
    ‘Ja… maar ik ga hier nu geen krantenclichés gebruiken. Een groot stuk van de achterste vleugel van de Lana brandde uit. De linnenafdeling, het lampencompartiment, de toiletten voor het personeel en dat berghok dus. Ik holde naar het vertrek van de caissières waar ze mijn broer tegen visreuk behandelden en kalefaterden en bonkte op de deur. Het duurde een tijd voor iemand opendeed. Ondertussen ontstond er paniek onder de klanten en het personeel. Iedereen haastte zich naar buiten, via de enige toegang aan de voorkant, die zowel in- als uitgang was. De achterkant werd alleen voor leveringen gebruikt en die rolluiken was neergelaten. Er was een soort uitsparing in een rolluik die als nooduitgang moest dienen, maar niemand kon daar gebruik van maken: de brand ontstond immers aan de achterkant. De brandweer kon de schade beperken; het voorste gedeelte werd gered. Althans: het gebouw. Rook, roet, water en schuim vormden natuurlijk geen prettige combinatie met vis, vlees, koekjes, brood en fruit. Maar er waren geen slachtoffers.’
    ‘De brand ‘ontstond’. Ha ha. Je hebt de Lana wel zelf in de fik gestoken.’
    ‘Ik moet een vurig jongetje zijn geweest hé.’
    ‘Je was verbrand voor de rest van je dagen hier.’
    ‘Klopt. De jaren die volgden, waren de hel voor mij. Het scheelde geen haar, of ik belandde in zo’n ‘heropvoedingsgesticht’. Eerst de haringaanslag, vlak daarna brandstichting. Twee ooms die bij de vrijwilligersbrandweer waren, namen ontslag.’
    ‘Waren ze thuis verzekerd tegen zulke… zulke dingen?’
    ‘Er is het een en het ander geregeld. De netwerken begonnen te trillen; het stadje was maar een zakdoek groot en de kliekjes boden elkaar onderling bescherming, dat moet gezegd. Het werd noch het zwaard van Damocles, noch de bedelstaf. Maar het was ingewikkeld. En nog erger waren de jaren die volgden. Schande alom. Ik zat permanent in zak en as. De hele goegemeente kende me. Ik vermomde me met mutsen en sjaals, trok kappen over mijn kop bij twintig graden Celsius. Op school heerste een dubbel gevoel bij de leerlingen: ik werd gemeden en bewonderd. Ze dachten waarschijnlijk dat ik op een dag toch weggeplukt zou worden en achter de tralies van een of ander gesticht zou belanden. Pestkoppen namen de moeite niet meer om me totaal te verpletteren. De meesters traden wel genadeloos tegen mij op. Om de haverklap werd ik door Jan en alleman op straat spottend om een vuurtje gevraagd. En ik werd permanent scherp in de gaten gehouden. Ik had het voorgoed verknald: thuis, op straat en op school. Later deed ik verplichte jobs tijdens de paas- en de zomervakanties, maar naar de centen kon ik natuurlijk fluiten: inleveren. Mocht er een schandpaal bestaan hebben, dan had ik er een langlopend abonnement op. Ik was… nou: brandgevaar.’
    ‘Het kereltje dat het enige warenhuis uit het stadje in brand stak… ‘
    ‘Tja.’
    ‘En nog altijd roken. Je probeerde daarnet ook mijn auto in de fik te steken. Heb jij een probleem, pyromaan?’
    ‘Jij bent mijn echte oude vlam, Dorothea. Maar ik was eigenlijk gestopt met roken. De rook om mijn hoofd is grotendeels verdwenen.’
    ‘Gestopt met stoppen, zeker?’
    ‘In mijn studententijd rookte ik als een turk. Iedereen zoog zich toen te pletter aan tabak. Ik verborg me achter de rook. En op kot was ik tenminste uit het zicht van de goegemeente verdwenen. Ik ben hier nooit meer echt teruggekeerd. Geen heimwee. Dankzij het linnen en de lampen van de Lana.’
    ‘In de Lana kun je nu biljart en snooker spelen.’
    ‘Merkte ik daarnet. Is er ook een bar?’
    ‘Ja.’
    ‘Wil je mee naar Pool Snooker Darts Palace? Aperitiefje?’
    ‘De moordenaar wil terug naar de plaats van de moord?’
    ‘For old times’ sake. Ik ben wel benieuwd. Heb je wat tijd?’
    ‘En jij?’
    ‘Ik ben hier de hele dag. En misschien hebben ze daar ook wel iets eetbaars.’    
    ‘Mm… Even bellen. Zo terug.’

     

    Ze gingen te voet naar het biljartpaleis, twee straten verder. Er was ook een toegang aan de achterkant, waar ooit de goederen voor warenhuis Lana geleverd werden, hoewel het een straatje op z’n smalst betrof. De voorkant van het complex gaf uit op de drukste winkelstraat.

    ‘Wauw. Toch vreemd om hier weer binnen te gaan.’
    ‘Dat zal wel. Speel jij biljart?’ vroeg Dorothea.
    ‘Ik ben de laatste jaren een kijksporter geworden,’ zei hij. ‘Ik doe aan topsport vanuit de sofa. Ik verorber elk jaar in het voorjaar de Wereldkampioenschappen Snooker in Sheffield. Op televisie.’
    ‘Aha. Een ballenjongen.’
    ‘Ik ben niet gekomen om te spelen, Dorothea. Vooral niet in deze negorij. Laten we gezellig iets drinken en verder bijpraten. Graag zonder brandgeurtjes.’
    ‘Je mag hier toch niet roken.’

    Het Palace bood onderdak aan vier snookertafels, drie dartbanen, zes biljarttafels en een ruime bar. Tegen de wand waren zitbanken zoals in een treincompartiment. Mauwerik probeerde zich het warenhuis van weleer weer voor de geest te roepen. Blauwe nylon schorten, vrouwen met opgestoken haar en felroze wangen, zwierende rokken van levendbarende vrouwen, gerinkel van kassa’s, gedoe met zegeltjes. Nu was er ver getik van ballen.
    ‘De bar?’
    ‘De bar.’
    Twee oudere mannen speelden aan een klassieke biljarttafel. Hun glazen bier stonden op het tussenschot van twee zitbanken. Een kauwgum malende puber oefende zijn stoten op een snookertafel. Verder was er niemand. De vrouw achter de bar droogde in slow motion koffiekoppen af. Blijkbaar waren er al theetantes langs geweest. Of het moest de vaat van gisteren geweest zijn. Ze gaf geen kik toen Dorothea en Mauwerik op een kruk aan de bar kwamen zitten.
    ‘Apero-time. Wat jij?’
    ‘Eh… ja. Ricard. Doe me maar een Ricard.’
    ‘Goed idee. Twee Ricard a.u.b.’ zei Mauwerik, vooroverbuigend naar de waardin. De afdrogende knikte droog en legde in nog slower motion haar werk neer.
    ‘Typisch voor de streek,’ mompelde Mauwerik.
    ‘Hé?’
    ‘Die starheid. Die stomme statigheid. Zei ze gedag toen we binnenkwamen? Nee toch? Maar op onbewaakte momenten kijkt ze ons aan flarden, met ogen als kogels. Zo zijn ze hier. Op hun hoede. Let maar eens op.’
    ‘Ho-ho! Rustig, Mauwerik. Ik ben hier ook… woonachtig hé, hi hi. Dat woord!’’
    ‘Hopelijk ben jij niet besmet met die… die epidemie. Je woont hier al je hele leven. Ga mee naar Brussel. Verlaat dit provinciale nest.’
    ‘Straks, Mau-Mau. Straks. Eerst een aperitief. Vertel even verder over je leven.’
    ‘Eerst jij.’
    ‘Huisje-tuintje-boompje-kindje. Vertaling: villa-manege-bos-dochter.’
    ‘Hoe heet ze?’
    ‘Esmeralda.’
    ‘Manegenaam. Draagt permanent rijlaarzen. Haar in een staart. Zweepje. Hoogstwaarschijnlijk huig-r. Klopt het?’
    ‘Clichés zijn altijd waar. Helemaal correct.’
    ‘De wederhelft?’
    ‘Geld. En zorgen dat er vers geld komt. Rijlessen. Paarden trainen. Onderdak en verzorging bieden. Er is nog een klein beetje geld op deze wereld. Een klein beetje veel. Ik kan het weten: ik hou de boeken bij. Paardenvlees kan nog altijd een goede belegging blijken. Levend, wel te verstaan.’
    ‘Heeft Dagobert zich ingeneukt in jouw clan of heb jij hem verleid? Jullie waren ook niet bepaald arm thuis hé.’
    ‘Het was wederzijds.’
    ‘Hij had zich al van jongs af opgeknoopt met een das. Vreemd voor die tijd.’
    ‘Ach.’
    ‘De das is de facelift van de penis.’
    ‘Wauw.’
    ‘Toch was ik jouw vlam.’
    ‘Korte tijd. Zoals het hoort. Avontuur. Kaarsvlam. Waait zo uit.’
    ‘Je bent bedankt voor deze duidelijke metafoor.’
    ‘Toch blij je te zien, Mauwerik. Nu jij. Jouw beurt.’
    De Ricards kwamen er verrassend snel.
    ‘Alstu,’ zei de barvrouw.
    ‘Dank u,’ riep Mauwerik, halfluid verrast. Hij deponeerde een flapje van tien op de toog; ze toverde fluks het gepaste teruggeefgeld uit haar voorschoot, enkele futiele muntjes
    ‘Zie je: we kennen hier ook al Hollands,’ fluisterde Dorothea. ‘Heb je dat gehoord? Alstu?’
    ‘Ja ja. Krokettenparlé. Heinekenspraak. Gierige horecataal. Ze korten zelfs hun woorden af.’  
    ‘Vertellen, Mauwerik. Vat je leven samen. Na de brand. Nieuwe jaartelling. Ha ha. Toen de rook om je hoofd was verdwenen.’
    ‘Unief, Filologie, Militair Hospitaal, huwelijksbootje, dochter, vertaalbureau, uitgeverij, weer vertaalbureau, twee weken onderwijs, whisky, muiterij, scheepsramp, reclameschrijverij, eenmaal per jaar Zuid-Afrika.’
    ‘Hoe heet ze?’
    ‘Marieke. Ze werkt in het Belgisch consulaat in Johannesburg.’
     ‘Whisky?’
    ‘Past in het rijtje. Ongenoegen. Onbehagen. Lost de zaken op, maar flambeert ze ook. Een van de oorzaken en een van de gevolgen van de scheepsramp met het huwelijksbootje.’
    ‘Niet doen. Whisky wakkert aan. Santé.’
    ‘Gezondheid.’

    De barvrouw was nu ongemerkt weer wat genaderd. Ze staarde naar de nabije verte, naar waar het getik van ballen vandaan kwam.
    ‘Mauwerik Vanhoutte?’ bracht ze plotseling uit.
    Ze draaiden gelijktijdig hun hoofd opzij.
    ‘Ja?’ deed Mauwerik verrast.
    ‘Niemand vergeet die naam.’
    ‘Ook jij was een van hen,’ flitste het door Mauweriks hoofd.
    Hij sperde zijn ogen. Dorothea mimede sussend en schudde onmerkbaar van nee.
    ‘Eh?’
    De vrouw keek hem nu aan zoals ze dat wel vaker in dit stadje deden: met vermoedelijke voorkennis, en zowel wantrouwig als nieuwsgierig.
    ‘Jij hebt me werkloos gemaakt. Lang geleden.’
    ‘En toen kraaide de haan driemaal.‘
    ‘Ik was de jongste rayonverantwoordelijke in de Lana. Linnen en lampen.’
    ‘O… ‘
    ‘Na de brand schakelde de directie over op uitsluitend voedingsmiddelen.’
    ‘Ja… de brand. Eh… en kon je dan niet mee… ‘
    ‘Nee.’
    Dat was veel informatie ineens. Er viel een paar seconden stilte.
    De vrouw knikte dan naar de snookertafel die baadde in een plas licht:
    ‘Dat is mijn kleinzoon daar. Luca. Hij wordt een kampioen. Zie hem weer bezig.’
    Dorothea en Mauwerik draaiden zich half op hun kruk om en knikten stom.
    ‘Hoe heb je me herkend?’ vroeg Mauwerik, zich weer naar de bar wendend. ‘Het is meer dan veertig jaren geleden. Ik woon hier allang niet meer.’
    ‘Het brandluchtje om je heen,’ zei de vrouw onbewogen.
    Even bleef het stil.
    ‘Mogen we nu lachen of moeten we deemoedig ons hoofd buigen?’ vroeg Dorothea dan fel.
    ‘Ja: hoe moeten we dat brandluchtje nu blussen?’ vulde Mauwerik strijdlustig aan. Hij nam een fikse slok. De vrouw haalde haar schouders op en keek veelbetekenend naar zijn Ricard.
    ‘Daar blus je niet mee. Dat goedje stookt het alleen maar op hé.’
    ‘Hé?’
    ‘Dat het brandversnellend werkt.’
    De barvrouw leek plotseling vinniger te worden.
    ‘Slechte parfum doet dat ook,’ sneerde Dorothea.
    ‘Luca is ook goed in aikido. Een vechtsport.’
    De vrouw knikte andermaal naar de speeltafel onder de lichtplas. De twee oudere mannen hadden hun strijdperk verlaten – daar heerste inmiddels duisternis.
    ‘Met die biljartstok?’
    ‘Ik heb niet gezegd waarin hij kampioen is hé. Het is alleszins iets met een stok.’
    ‘Ballenjongen,’ meesmuilde Dorothea.
    ‘En gij zijt van de manege zeker?’
    ‘Klopt.’
    ‘Ik riek het.’

    De sfeer werd troebel. Zo vlug kon het gaan. Het gevaar zat erin dat een tweede Ricard hun dood zou kunnen betekenen – door vergif. Dat kleinjoch kon ook net zo goed op een teken van haar op ze toestormen en hun schedel klieven met zijn keu.

    Dorothea speelde de ‘verstandigste’ en negeerde de barvrouw verder. Mauwerik spreidde theatraal zijn handpalmen, geïllustreerd met de bijhorende mimiek.
    ‘Wat was dat allemaal?!’
    ‘Tja… Keizer Nero is ook nog niet vergeten hoor. De Rijksdagbrand in Duitsland evenmin.’
    ‘Aha, een brandmerk hé. Ik ben gebrandmerkt.’  
    ‘Ze zijn je hier nog niet vergeten.’
    Ze observeerden de barvrouw, die zich nu van hun afgewend had en zich verder onledig hield met prijslijsten, bierviltjes en citroenschijfjes. Af en toe wierp ze een verstolen blik op ze, met een zweem van een spotlachje om haar mond.
    ‘Ze blijft grijnslachen, kijk.’
    ‘Het is misprijzen; ze kijken hier allemaal zo.’

    Het getik van de ballen was stilgevallen. Puber Luca vestigde zich aan de bar. Hij legde een heuse snookerkoker op het dichtstbijzijnde bankstel. Hij beschikte blijkbaar al over zijn eigen keu met toebehoren. Oma pootte een frisse pint voor hem neer. Er ontspon zich onmiddellijk een geanimeerd gesprek op fluistertoon, waarbij de kerel diverse keren vrank en vrij naar Mauwerik keek en nadrukkelijk ja knikte of nee schudde.
    ‘Je kijkt voortdurend naast me heen.’
    ‘Dat joch en zijn omaatje daar beginnen danig op mijn zenuwen te werken. Eerst dat vezelen, en nu dat staren.’
    Dorothea draaide zich om. De genaamde Luca keek haar uitdagend aan, tot ze het weer opgaf.
    ‘Wat een etter zeg!’
    ‘En hij blijft kijken… Zo typisch voor dat boerengat hier.’
    ‘Rustig, Mauwerik. Rustig. Een bisnummer?’
    Ze tikte tegen haar glas.
    ‘Bah ja. Op een leuk weerzien.’
    ‘Daarna verdwijn ik weer. Als je wil, kun je nog even mee naar de manege. Iets eten. Een snack. Ik heb mezelf vrijgegeven tot rond twee uur.’
    ‘Ja, oké. Nog eens hetzelfde?’
    ‘Ja.’
    Mauwerik wenkte de barvrouw. Die knikte kort. Nu duurde het zijn tijd. Zij had de touwtjes in handen. De brandstichter moest geduld oefenen.

    ‘Die komt in het Guinness Book of Records voor Vijandig Staren. Dat is nu al de hele tijd,’ foeterde Mauwerik.
    ‘Ik voel het. Ogen in mijn rug.’
    Ze tikten hun tweede Ricard tegen elkaar.
    ‘Eng puistenjoch hé?’
    ‘Zo was jij misschien ook toen je dat etablissement hier in brand stak.’
    ‘Ik was nog wat jonger. Pre-puistperiode.’
    ‘Wil je van plaats wisselen?’
    ‘Ja.’
    Zo gebeurde.
    Het snookerjoch snoof misprijzend. Ze konden het duidelijk horen. Zijn oma leverde hem inmiddels al zijn tweede pint.
    ‘Ze heeft hem blijkbaar alles verteld. Hij is boos op jou. En hij haat je halflange haar. Die gel op zijn stoppelkop zegt al genoeg.’
    ‘Boos? Die puber mag blij zijn dat ik dat ooit gedaan heb. Nu kan hij hier snookeren naar hartenlust.’
    ‘De Lana is wel eerst weer heropgestart hé. En kijk maar uit: pubers zijn erg ontvlambaar. Vooral die met een komma tussen hun benen.’
    ‘De ballenjongens hé.’
    ‘Je pleegt plagiaat.’
    ‘Zit hij nu nog te loeren?’
    ‘Zijn ogen staan op steeltjes.’
    ‘Wat een kort lontje.’

    Mauwerik draaide zich bruusk om: ‘Probleem?’
    ‘Niet doen!’ waarschuwde Dorothea. Ze trok hem aan zijn arm.
    De kerel bliksemde met zijn ogen, glipte fluks van zijn kruk en stootte daarbij zijn snookerkoker om. Die viel open; twee halve keus gleden op de grond en rolden een eind weg.
    Mauwerik grinnikte hardop.
    ‘Luca!’ zei de barvrouw scherp.
    ‘Mauwerik!’ fluisterde Dorothea. ‘Laat hem!’
    ‘Luca!’ herhaalde de vrouw, dwingend en bezwerend. Hij gaf geen gehoor en mompelde iets onverstaanbaars. IJlings kwam ze van achter de toog vandaan. De kerel bukte zich om de weggerolde halve stokken bijeen te graaien. In een poging hem daarin voor te zijn, haalde ze hem met een gek sprongetje in en duwde ze hem opzij. Zo belandde ze met haar ene voet onbedoeld op de halve stokken, die haar uit haar evenwicht brachten en op de grond deden vallen. Er brak hoorbaar iets. De vrouw schreeuwde het uit.
    ‘Aauw!! Aauw!! Ik… Aauw!!’
    ‘Oma!’

    Dorothea en Mauwerik keken beduusd op het tafereel toe.
    ‘Miljaardedju!! ‘ klonk het.
    ‘Heb je betaald?’ vroeg Dorothea snel.
    ‘Ja.’
    ‘Vlug.’
    ‘Eh?’
    ‘Vlug, weg hier!’
    Terwijl toekomstig kampioen Luca vertwijfeld zijn aandacht probeerde te richten op drie dingen tegelijk, zijn keu, zijn oma en zijn uitdager, muisden ze er vanonder via de hoofdingang aan de winkelstraat, die vlakbij was.

    Ze stapten haastig door en verlieten de hoofdstraat, af en toe omkijkend.
    ‘Dat zag er niet goed uit.’
    ‘Nee. Er zat aikido aan te komen hé.’
    ‘Waarom moest je dat joch ook uitdagen.’
    ‘Hij deed zelf niks anders dan dat. Dat stom gevezel. Heb je zijn ogen gezien? Wat een driftkikkertje. Zo word je nooit kampioen.’
    ‘Het is de leeftijd.’
    ‘Wat zou ze hem in hemelsnaam allemaal verteld hebben? Het is zo lang geleden. Wie ligt daar nog wakker van!’
    ‘Zijzelf. En ze zal hetzelfde gezegd hebben als ze ons toegooide: dat ze door jouw schuld haar werk kwijtspeelde.’
    ‘In de jaren stillekes. Ze is toch barvrouw ondertussen? Zoveel leuker dan caissière.’
    ‘Zeg: je hebt toch betaald hé?’
    ‘Eh… die eerste twee wel, ja. Ik dacht dat jij dat tweede rondje…’
    ‘We gaan nu niet meer terug hoor.’
    ‘Heb je dat ook horen kraken?’
    ‘Ja. Wat was het?’
    ‘Oma? De keu? Er zijn een paar mogelijkheden.’
    ‘Ik hoop maar… ‘
    ‘Ik ben hier amper een halve dag en ik moet alweer vluchten. Kijk: hier in de hoofdkerk was ik ooit misdienaar. Acoliet, zeiden ze. Ik moest niets anders dan begrafenissen dienen. Blijkbaar had ik een rouwkop.’

    22-02-2021 om 08:39 geschreven door Joris Denoo  


    21-02-2021
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Weerzien bis

    ‘Dat vond dat kereltje van daarnet ook.’
    ’En het schoof niet eens wat. De jongens die de trouwmissen kregen, hadden meer geluk.’
    ‘Waar staat je auto?’
    ‘Bij het nieuwe administratieve complex.’
    ‘Heb je zin om nog mee te rijden naar de manege? Neem jouw auto.’
    ‘Ik ken Dagobert niet zo goed.’
    ‘Die krijg je niet te zien tussen de middag. Alleen mijn dochter en Danny, haar vriend.’
    ‘Ik lust wel een hap na die opwinding.’
    ‘Je kent de weg tot in Weidhove? Twee kilometer. Er is nog altijd maar één manege. Je kunt er niet naast kijken. Parkeergelegenheid in overvloed.’
    ‘Ja, geen probleem.’
    ‘Tot zo.’
    ‘Tot zo.’

    Toen Mauwerik het portier van zijn auto opende (en hierbij onwillekeurig glimlachend terugdacht aan de peuk van daarnet die hij door Dorothea’s raam mikte), hoorde hij het gezeur van een ambulance. Even sloot hij zijn ogen.
    ‘Het was niet de stok,’ mompelde hij.
    Op hetzelfde ogenblik stopte een scooter vlakbij. De gehelmde berijder stapte af en ritste zijn jas op.
    ‘Hé! Probleem!’ klonk het gesmoord.
    Verbaasd draaide Mauwerik zich om. Een stok rees; een stok daalde.
    ‘Het is volbracht.’

    JORIS DENOO

    21-02-2021 om 00:00 geschreven door Joris Denoo  


    03-02-2021
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Essence

    ESSENCE

     

    Zijn gezicht sprak nooit boekdelen. Hij verborg elk hoofdstuk zorgvuldig. Ze staken een hand vooruit wanneer ze hem naderden. Gruwelijk. Zelf deed hij dat nooit. Zweet. De vergadering, de avond, het feest, de party, het etentje was naar de vaantjes wanneer zich dat voordeed. Zeep. Hij zweette water en bloed in de nabijheid van klamhandigen. Beter ware hen een molensteen om de hals te binden en hen in het diepste der wateren te gooien dan dat ze ook maar één vinger naar hem uitstaken. Water. Onwelriekende adems bestreed hij door ononderbroken zacht voor zich uit te blazen. De aanval was de beste verdediging. Andermans adem kon hij moeilijk behappen. Elke ontmoeting eindigde in kokhalzen. Sommigen stonken naar twee warme maaltijden per dag, begeleid door goedkope rode wijn. Deurklinken en dergelijke opende en sloot hij met zijn rechterelleboog. Hij hoopte vaak dat het regende. En woei, zo hard woei dat alles gereinigd werd. Een zelfreinigende wereld.

    De heer Vandernoten waste echter nooit zijn handen onder de kraan. Dat zou verondersteld mogen worden. Zo’n krampachtige halvegare die zich twaalf keer per dag verwijdert om zijn handen te wassen en zowat door zijn huid heen wrijft. Nee. De heer Vandernoten was uitermate vies van kraantjeswater. Hij vermoedde dat er urine in zat. En galopkak, veroorzaakt door antibiotica en voedingssupplementen slikkende viespeuken. Dat sommige mensen dat godgenageld nog dronken ook! Nee dus, nooit. De heer Vandernoten had in zijn keuken een kleine zandbak die hij om de twee weken ververste met Noordzeezand, dat hij bij nacht aan de Vlaamse kust oogstte. Daar waste hij om de haverklap zijn handen in, soms tot twintig keer per dag. Uitvoerig baden (gepaard gaande met de gehele onderdompeling van het vege lijf) deed de heer Vandernoten in regenwater, dat hij vermengde met allerlei oliën uit de Maghreb-landen.      

    Bij het stappen ging de heer Vandernoten een geurkegel vooraf, terwijl hij in zijn kielzog een wolk neusduizeling met zich meevoerde. Men keek niet op of om omwille van zijn uiterlijk. Men haperde wel aan zijn parmantig gedragen bedwelming. Des zomers stootte hij daardoor muggen en ongedierte van zich af. Des winters werd hij achtervolgd door parasiterende okselmensen. Zijn dagelijkse kleren en zijn slaaptextiel waren doordrenkt met een weldoende essence: aanwezigheid van geur. Het resultaat van een jarenlang ontwijken van klamheid, bederf, verrotting, sportvelden, kleedkamers, fitnesscentra en fuiftenten. Zelfs zijn onderbroek – soms met de preluderende of nagelaten remsporen van zijn ontlasting erin – bleef na gebruik een zeker aura behouden. Ja: de heer Vandernoten waste dagelijks zijn lulletje in rozenwater. Jammer dat genot en uitscheiding (dank en stank) zo vlak bij elkaar zaten – een grove fout van de schepper van hemel en aarde, vond hij.

    Extra gevaren die de heer Vandernoten belaagden:

    duivenkwak op je kop gedropt krijgen;
    in een hondendrol trappen;
    een dienster die in je eetbord hoestte;
    een slager die in zijn neus peuterde;
    speeksel van een medemens over je heen gesproeid krijgen;
    door anderen afgekloven olijvenpitten die op verse nootjes lijken per vergissing in je mond stoppen;
    de fluimen van wielertoeristen incasseren (of zelfs maar constateren);
    een echt haar in de boter vinden;
    een dode kever in brood aantreffen;
    de alomtegenwoordigheid van huidschilfers en dode haren die over de hele wereld verspreid waren;
    uitgeademde lucht van anderen inademen;
    zwembad- en zeewater slikken;
    aangesproken worden door iemand met zichtbare neusharen;
    er getuige van zijn hoe iemand na het snuiten de inhoud van zijn zakdoek inspecteerde.

    De heer Vandernoten was een Leiaart. Hij woonde in de omgeving van de rivier de Leie, ooit de slagader van een bloeiende vlasindustrie in het zuiden van de provincie West-Vlaanderen. De stank langsheen de boorden van die Leie moet weleer uitgesproken geweest zijn, want het roten van het vlas gaf sterke geurhinder. Gelukkig werd de heer Vandernoten pas later ter aarde besteld, toen de Leie weer als een onbemand dus onbemind traankanaal door beemden en stadjes stroomde en een graad van vervuiling vertoonde waar niemand in die tijden van opkeek of zich om bekommerde. En toen het weer mode werd om schone wateren te eisen, en de Leie ook verbreed werd zodat ze weer met schepen bemand kon worden, en bemind door de oevervolken, en er weer vissen in zwommen, bekommerde hij zich niet meer om de zuivere natuur, want hij had de handen vol met zichzelf.

    De Leie zou de heer Vandernoten echter parten spelen. In een samenzwering met een tornado liet ze het op een bepaalde valavond levende en dode vissen, kikkers en allerlei waterdiertjes regenen op zijn woning, zijn tuingazon en uiteindelijk ook op hemzelf. De watertornado zoog die op uit de rivier en dropte die weer aan land. De hele straat deelde in de vissenregen. De tornado ventileerde bovendien ook een aanzienlijke hoeveelheid riviersmurrie in het rond, die het vooral bestond op het perceel Vandernoten en de man zelf neer te dalen. Deze ongewenste bemesting dreef hem tot waanzin.

    Terwijl buren en ramptoeristen vooral foto’s namen, lag de heer Vandernoten in krijtstreepjesbroek en muisgrijs zijden hemd te gronde te gillen en met zijn ledematen te wieken als een uitzinnige grasengel op zijn met visseningewanden besmeurde gazon, waar twee zwerfkatten en een nietsontziende reiger reeds duchtig aan het moorden waren geslagen. Eensklaps werd hij in open mond getroffen door een pijlsnel neerdalende tweede reiger, die in hem een reuzenvis zag. De heer Vandernoten vond aldus doorboord de dood. Met zijn laatste zucht steeg nog een restje mondspray ten hemel, terwijl de reiger er met zijn tong vandoor ging.

    JORIS DENOO

    03-02-2021 om 11:09 geschreven door Joris Denoo  


    25-01-2021
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Robin Cruysse

    ROBIN CRUYSSE, ENKELING, DRENKELING

     

    De lucht zat duifgrijs, met een blauwe ondertoon als van wintermelk. Robin Cruysse stapte vloekend van zijn fiets. Was dat zijn beloning voor het stoppen met roken en het dagelijkse vermalen van dieetvoer? Zat gezondheid zo in elkaar? Een godverongelukte kettingbreuk midden de godverongelukte modderbaden van Laag-Vlaanderen? Wat waren de goden dan wel van plan met hem?!

    Balorig keek Robin om zich heen, zoekend naar iets om tegen  te schoppen, maar er was alleen zijn kaduke fiets. Aldus geschiedde. Hierbij brak Robin zijn kleinste rechterteen. Een pijnscheut bliksemde door zijn schoen. Vloekend en tierend hinkte hij naar de berm. Natuurlijk dat het een halve minuut later oude wijven begon te regenen. In geen velden of wegen was een kapelletje of een beschuttend onderdakje te bespeuren. Net als je die dingen nodig had, waren die ondingen er niet.

    Even later stoof er een bestelwagentje voorbij: Pommes de Rosa. Verbijsterd keek Robin Cruysse het na. Hij had gedacht dat het vanzelf zou stoppen om hulp te bieden, en dat hij niet eens een teken hoefde te geven. Hij had zich al verwachtingsvol half opgericht. In plaats daarvan kreeg hij het nakijken op twee geheven middelvingers aan weerszijden van het autootje en incasseerde hij nog een extra portie waaierend hemelwater. Het scheelde ook geen haar of Pommes de Rosa had puree van zijn fiets gemaakt.

    ‘Verdoeme, verdoeme! Apenland! Hufters!’ 

    Overal om hem heen was er het oorverdovende gedruis van de regen. Na enkele minuten al was hij badnat. Van heel lang geleden herinnerde hij zich een flard van een kinderversje:

    … maak jij maar beenen voor mijn part / het regent ginder even hard …

    Robin Cruysse snakte naar een sigaret en een pak friet. Hij bleef een tijdlang roerloos maar rillend staan, zeulde zijn fiets rechtop, huiverde bij de aanraking met koud metaal, gooide die rammelkast weer neer, wreef de druppels uit zijn ogen en keek tegen een steeds grijzer om zich heen grijpende opaakheid aan. De regen leek zich als donkere mist te vermommen. Hoe laat was het? Hij knipperde het waas van voor zijn ogen en boog zich naar zijn linkerpols. Daarna bukte hij zich om zijn rechterschoen los te knopen. Het duurde lang voor hij erin slaagde de doorweekte veter los te peuteren. Hij deed omzichtig de schoen uit en draaide zich om, even op één been huppend. Het was op dat ogenblik dat alles hem zwart voor de ogen werd, en niet meer donkergrijs, en dat er een andere ruis zijn oren binnendrong, en niet een regenruis, en dat gebrul vanuit zijn borstkas opborrelde. Er was ook een flits van scherpe pijn, die niet langer uit zijn rechterschoen opsteeg.  

    ‘Daar staat iemand aan de kant… als mijn ogen me niet bedriegen.’
    ‘Ja, ik zie het nu ook. Hij is precies aan ’t overgeven… zou ik zeggen.’
    ‘Zou HIJ het kunnen zijn?’
    ‘Dan moeten we geweldig oppassen met die kerel.’
    ‘Er ligt ook iets op de kasseien… ‘
    ‘Godver… een slachtoffer?’
    ‘Hij kuist misschien zijn mes af in de graskant.’
    ‘… beschermd door de regen… ‘
    ‘Zouden we niet stoppen?’
    ‘Een goed gedacht. Het regent toch haaientanden.’
    ‘Zo’n rood autootje zie je al van ver komen.’
    ‘Hopelijk werkt het niet als een rode lap op een stier.’

    De postauto hield halt. Twee mannen tuurden ingespannen door de voorruit, waar steeds meer en groter wordende druppels over biggelden.

    ‘Zou dat nu serieus die ontsnapte kunnen zijn?’
    ‘We mogen geen risico nemen. Hij is gesignaleerd.’
    ‘Wat doen we?’
    ‘Bellen?’
    ‘Mijn batterij is plat.’
    ‘En mijn mobieltje ligt thuis. Glad vergeten.’
    Een van de mannen graaide in de ruimte achter hem.
    ‘Hier: de krik.’
    ‘Amai… meent ge dat nu?’
    ‘We zijn nu met drie, hé.’
    ‘Stappen we uit misschien?’
    ‘Ik vind dat we dat moeten doen, ja.’
    ‘Allez dan… maar ’t is toch geen weer om een hond door te jagen hé.’
    ‘Juist daarom: wij hebben het voordeel van de verrassing. En we zijn met twee. Eh… drie.’
    ‘Ge spreekt zoals in de boeken, jong!’

    De geheimzinnige gedaante sprong op en draaide zich om, zwaaiend met een handwapen. De grootste van de twee mannen aarzelde niet en sloeg onmiddellijk hard toe met de krik. De kerel zakte brullend in elkaar, terwijl…

    ‘Een schoen! Het is een schoen!’ riep de andere man met overslaande stem, wijzend naar het vermeende wapen, dat nu naast de gevelde in de grasberm lag. Hij deinsde achteruit en struikelde over de fiets. De man met de krik verstarde. Regen mengde zich met bloed in het gras; bloed droop van de krik.

    Een uur later werd op de verlaten kasseiweg in de velden van Laag-Vlaanderen de verongelukte fietser ontdekt. Hij moest, vermoedelijk na kettingbreuk, een dodelijke val op de kasseien gemaakt hebben. Zijn hoofd vertoonde een gapende wonde en zijn rechterschoen lag naast hem. Een combinatie van kasseien en regen was hem fataal geworden. Hij heette Robin Cruysse.

    Toen de postmannen weer in paniek naar hun dienstautootje holden, merkten ze tot hun verbijstering dat hun rode vlek zich steeds verder van hen verwijderde. Er zat een vreemde achter het stuur. Hij reed vol gas achteruit, met de huilende motor hoog in de versnelling. De mannen vloekten, zwaaiden, renden, hielden weer halt, schreeuwden, wisten niet of ze moesten doorgaan of stoppen en constateerden uiteindelijk hoe hun wagentje na een snel manoeuvre in een uitwijkzone langs de weg rechtsomkeer maakte en door het regengordijn werd opgeslokt. Woedend en machteloos gooide de ene postman er nog de krik achter aan; ze hoorden die ergens in de grijsheid op de kasseien neerkletteren.


    JORIS DENOO

    25-01-2021 om 00:00 geschreven door Joris Denoo  


    15-01-2021
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.No essef

    NO ESSEF

     

    Dit is geen verhaal over de toekomst. Het is echt aan het gebeuren. Het is wetenschap noch fantasie. We noemen dit realiteit. Of werkelijkheid. Die moet u onder ogen zien. Maar dat moet u ook willen. Met de zesentwintig letters van ons alfabet en de tien beschikbare getallen vertel ik u dat we weliswaar met z’n velen alleen zijn op deze ondermaanse wereld, maar dat er nog anderen zijn in de kosmos. Probeer dat te begrijpen. Het cliché ‘geloof het of niet’ heeft hierbij slechts het gehalte van een regel uit een rijmpje voor peuters bij het slapengaan. De begrippen ‘leven’ en ‘dood’ rijmen evenmin nog met hun bekende wereldse betekenissen.

    M8ro’s sabelde haar spriet richting 7Y-me’ek, die dankbaar vlakte. Zo kwam xcxc³ uit de onbesmemelde voervouw: broesend, welhaast vrandolien uit der wisse. Zeven onderen ontfermden hun ik-heid over de alleraura’s van xcxc³, die verankerlijk daarna tot de gevreesde ³cxcx werd gemasponeerd. 7Y-me’ek glansde; M8ro’s wedervoer die schijn. Over de alomme restster P*9,oooK sluierde nu vatbaarheid: partikelanige kram- en vromro’s en evenwelle 8Y- en 9Y-me’ek duidden vanzelfheid, zodat de zeven onderen gekweten werden. Uit pure zyzyzyzyquarum zwoef P*9,oooK spiraaldadig even om haar vlixxen baddelpuntas. Zo werd ook de schutgaskleur muimui opgestaven, want zo’n ³cxcx smoerde pas om de (0³)& oooKheden. Naastelijke en vooronderlijke reststerren pprrookten immers per haasmatigheid ook &ltijdelijk op een derdemachtje. Zo viel de A in de éénpui op P*9,oooK. Alheelheiden zwormen mijndaleus gis en ges en gos naar hun bracbrac om verder iktaveel te µ*ĦğœƔ (: te södrEn). Dat was echter buiten de onbewemelde 5 gerekend.   

    Om de zoveel tijd licht mijn tekst op. De woorden lijken een rilling te ondergaan; sommige worden onderstreept; andere lijken te leven. Een paar keer ook duiken onbekende emoticons op wanneer ik over de zinnen zwerf. Eerst dacht ik iets in de trant van het world wide web en internetlinks. Ik raak echter niet op het wereldse digitale netwerk wanneer ik de klassieke clicks en zo uitvoer. Het is iets anders. Er gaat een andere wereld schuil achter mijn cijfers en letters. Ik wens hier opzettelijk ook niet het woord ‘parallel’ te gebruiken. Dat ware iets voor ouderwetse sciencefiction. Numerologie en lettermagie zouden meer in aanmerking kunnen komen. Ook hoor ik soms iets wat stervelingen misschien als ‘zoemen’ zouden omschrijven. Ikzelf heb al begrepen dat woorden hierbij te kort zullen schieten. Ik heb nood aan het ongebruikte 77-percentage van mijn hersencapaciteit. Daar zitten nog behoorlijk wat mogelijkheden opgesloten in cellen. (Geen idee waarom men die ‘grijs’ noemt – misschien omdat ouderen verstandiger lijken?). Vlak na deze opmerking ontsnapt een ongewild stuk tekst aan mij en mijn middelen.    

    5! 5 was kneperig mots toen die t derdemachtje inbereikte. 5 was immers &ltijd algeheel gemasponeerd. (Behebbe: 55, 555, 55555 zyzy). (Behebbequo: S, s, S, Sss). 5Heid vernulde het snaarsnoor van ³cxcx (voorheen dus xcxc³). 5! verparraadde het. 5! 55! Ss! Hier kwam arsobraitsie van! Yklaspp! Zelfs revoonton, want &neind8 dremde! (3! 5! ³! 5!)

    Bij dit protest (het is er nu eenmaal; ik kon het niet beletten) past een verhaal dat ik u niet mag onthouden. Het komt gedeeltelijk uit de werkelijke wereld – een nagelaten ik-tekst van een goede kennis (Z) van mij, die me als getuigenis droomgewijs bereikte. (Ik was ook zelf getuige geweest van het dodelijke voorval, waarbij die vriendin (Z) van Maureen en mezelf deze wereld verliet. Bovendien had ik voorheen al vaak van Z gedroomd). De woorden en zinnen schreven naderhand zichzelf – hoewel de mij aangereikte droom toen al niet meer ovenvers was. Het verhaal rees zo uit mijn toetsenbord op. Het bewijst echter ook het gelijk van Zijne Vijfheid. Ik rol het hieronder even uit ter illustratie.

    Na de leegte van de flessen hadden we een grote honger naar een volle maaltijd. We lieten de tuin van de jarige Maureen als een rampgebied achter en reden in colonne naar eethuis Het Vagevuur. We droegen het feestvarken op onze schouders naar binnen en weer naar buiten, want het was mooi weer en we wilden op het terras eten. Er was gereserveerd voor tien personen van het menselijk geslacht. Op dat feest – waarvan verder niets ter zake doet, want ik (Z) liet er het leven – zouden we de beroemde kogelvis eten, voorafgegaan door een veilige forel. Een forelgraat deed me de das om. Ik stierf nog voor de gevreesde kogelvis op tafel kwam. Het Vagevuur doofde die dag uit.

    Nadat de worggreep van de dood me helemaal te pakken had, dreef ik achterwaarts mijn leven uit. Ik deinsde uit mijn lijf terug en verliet het bestaan op deze aarde. Trillend als een snaar maakte ik de overslag tussen tijd, ruimte en materie en wisselde die in voor het 5-gehalte. (Ik kies hier voor het cijfer 5 als symbool voor iets onbeschrijfelijks). Mijn geluk werd onmiddellijk vermenigvuldigd met honderd. De laatste scènes uit Het Vagevuur bleven nog even vlakbij, maar riepen een feestgevoel op. Ik werd verwelkomd door een grote hoeveelheid 5. Snaargewijs werd ik er zelfs naartoe getrokken, definitief weg uit de vleselijke wereld. Het fameuze licht waarover zoveel geluld werd door teruggekeerden, leek nog het meest op het zonnezwart. Het ontbrak in het wereldse kleurenspectrum, maar nu onderging ik het wel van aan de andere kant, voorbehouden aan niet-mensen.

    In een van de eerste 5-slingers wachtte Maria Morfine me op. Een serpentine a-materie leek me naar haar toe te zuigen.
    ‘Amsterdaman’, groette MM. ‘Men was mens.’
    ‘Mijn lievelingsnaam’, mompelde ik. ‘Wat deugd.’
    ‘Zwemt Met De Zalm.’
    ‘Die ook. Zalf. Ziel goed.’
    ‘Of Gedroogd Vlees.’
    ‘Evenzeer. Vleit. Harttik.’
    ‘Hier ben ik voor. Ontvang.’
    Maria Morfine splinterde in talloze partikeltjes.
    ‘Word getroffen door alle feesten.’

    Zacht sissende geurvlagjes namen bezit van me, terwijl ik spreidde en happend lachend hikkend de flinters ontving. Mijn 5 werd een parabolisch vierkant waarvan de opspanning nog veel meer heerlijks beloofde op z’n parallellepipedums.

    ‘Vlie dan’, vertolkte Maria Morfine. ‘De Zeusen zijn er. Ook de Schaduwwakers. Elke on-man daar en hier. Elke niet-vrouw hier en daar. Is-was. Was-is. Egorosa.’

    Mijn begrip werd hoger; mijn 5 intenser. Mezelf kon ik niet voelen, maar nog nooit (ooit? nu? nimmer?) had ik me zo gevoeld. Mijn parabolische vierkant knapte aangenaam pipedanig. 5,5 – maar dit te logisch; keer het om in en buiten zichzelf. Ik zweefde, daalde, steeg, viel en struikelde prettig een eeuwige tel tot ik met kosmiet geladen (of was het watheid? veelektriciteit? maanroes?) opduikelde tot bij Maria Morfine.

    ‘Maria Morfine, u weer’, groette ik.
    Ze verstraalde in een flukse deining.
    ‘Niet ik’, zei ze. ‘Maria Morfine is-was, was-is. Egorosa.’
    ‘Hoe dan aan wie mijn watheid besteed?’
    ‘Niet-vrouw Simon Sevensegel wijst.’
    ‘U?’
    ‘Jezebel Ocharmen. Een schuilnaam. Scheldnaam. Ik ben een kant van Maria Morfine. U ziet: onvolmaaktheid is perfect. Vond me. Ga dan. Geen waanhoop.’

    Stuiterend belandde ik alweer geboren in de donkerloze zone van Simon Sevensegel, de passantenduider.
    ‘U wijst waar mijn watheid?’
    ‘Is het kosmiet?’ vroeg SS.
    ‘Roes en veel.’
    ‘Duik, plons. O… uw naam?’
    ‘Amstelzalm’.
    ‘Heel goed. Niets zelf. Een aanwinst. Hoedanig.’
    Nu deinde ik terloops maar voorgoed het 5-staketsel tegemoet. Nimmer bestond er een gelukkiger niet-mens. 5-5 te weten ook bij ontwijfelheid.

    Het scheelde niet veel of er stikten er enkelen van het lachen op mijn crematie. Een visgraat!  

    Tijdens mijn rouwmaaltijd (de nabestaanden en genodigden kregen rauwkost) vertelde een bevriend verpleger dat verstikking bij een maaltijd een frequente doodsoorzaak betekende. Wekelijks werden er dergelijke gevallen op de Spoedeisende Hulp bij hem binnengebracht.

    Het kon me echter allemaal niet meer schelen.

    (Z)

    Snapt u het nu?   

    En zie: ik voorvoelde hierna (: na mijn trillende tekst over de restster, na de protestflard, na de mij via een droom aangereikte doodsgetuigenis van Z) hoe het de aarde, onze liefste knikker, ooit zou vergaan. Ik sloeg (stevig rekenend op het toeval, een vertrouwde medestander van mijn lot) een oud boek open en las tot mijn kleine (: geringe) verbazing een splitverhaal over de planeet waarop we leven, geschreven in het abjad. Deze voorspellende fictie verwonderde mij niet, want ik geloofde in het toeval. Het had zich al vaker op die wijze aan mij geopenbaard, zonder rekening te houden met de valse chronologie van verleden, heden en toekomst. M.a.w.: gebeurde dit al? Gebeurt dit nu? Zal dit nog gebeuren? Hier volgt de abjadversie. (Noot: (…) is optioneel. Ik maak het de lezers makkelijk door de ontbrekende klanken zelf te suggereren. Het is tevens een taaltest, mochten de lezers ooit ergens ver weg… Ach, dat leidt ons te ver).  

    (O)p h(e)t (o)g(e)nbl(i)k d(a)t (E)r(i)c(a) (o)p vr(ij)d(a)g(a)v(o)nd (i)n h(e)rb(e)rg H(e)t V(ij)fd(e) W(ie)l (ee)n t(o)m(a)t(e)ns(a)p (aa)n h(e)t (ui)tsch(e)nk(e)n w(a)s v(oo)r d(e) w(e)th(ou)d(e)r, b(e)g(o)n d(e) (aa)rd(e) (i)n tw(eeë)n t(e) spl(ij)t(e)n. D(e) (aa)rd(e), s(y)n(o)n(ie)m(e)n: w(e)r(e)ldb(o)l, (aa)rdkl(oo)t, bl(au)w(e) pl(a)n(ee)t, w(e)r(e)ld, M(oe)d(e)r (Aa)rd(e), h(e)t (o)nd(e)rm(aa)ns(e). D(a)t g(i)ng (aa)nv(a)nk(e)l(ij)k g(e)p(aa)rd m(e)t (ee)n (o)nh(oo)rb(aa)r g(e)kr(eu)n (ui)t d(e) d(ie)pst(e) (i)ng(e)w(a)nd(e)n v(a)n d(e)z(e) M(oe)d(e)r, d(a)t (a)ll(ee)n (o)p d(e) sch(aa)l v(a)n (ee)n d(i)cht(e)r t(e) r(e)g(i)str(e)r(e)n z(ou) z(ij)n.

    D(ie) vr(ij)d(a)g vl(oei)d(e) (o)ng(e)m(e)rkt (o)v(e)r (i)n (ee)n z(a)t(e)rd(a)g, z(oa)ls d(a)t (a)l (eeu)w(e)n h(e)t g(e)v(a)l w(a)s g(e)w(ee)st. M(aa)r d(ie) z(a)t(e)rd(a)g w(oei) h(e)t (o)v(e)r(a)l t(e)r w(e)r(e)ld (o)pv(a)ll(e)nd h(a)rd, (o)ng(ea)cht (o)f h(e)t d(aa)r d(a)g, n(a)cht, z(o)m(e)r (o)f r(e)g(e)ns(ei)z(oe)n w(a)s. H(e)t w(a)s (ee)n t(e)k(e)n (aa)n d(e) w(a)nd. (A)cht(e)nv(ee)rt(i)g (uu)r l(a)t(e)r l(ie)p (e)r (ee)n t(o)t(a)l(e) br(eu)kl(ij)n (o)v(e)r d(e) g(e)h(e)l(e) (aa)rdk(o)rst, v(a)n (oo)st n(aa)r w(e)st, h(ee)n (e)n t(e)r(u)g d(e) w(e)r(e)ldb(o)l (o)msp(a)nn(e)nd. D(e) br(ee)dt(e) (e)rv(a)n b(e)dr(oe)g v(ij)ft(ie)n c(e)nt(i)m(e)t(e)r. (A)ls(o)f d(e) Gr(o)t(e) K(aa)sm(ee)st(e)r v(a)n h(e)t H(ee)l(a)l m(e)t Z(ij)n k(aa)sm(e)s d(oo)r d(e) kl(o)nt w(a)s g(e)g(aa)n (e)n N(oo)rd- (e)n Z(ui)dk(aa)s (o)nh(e)rr(oe)p(e)l(ij)k v(a)n (e)lk(aa)r h(a)d g(e)sch(ei)d(e)n. D(e) br(eu)kl(ij)n l(ie)p z(e)lfs dw(a)rs d(oo)r M(aa)gd(e)nb(u)rg, (o)f (a)ll pl(a)c(e)s. (IJ)l(i)ngs w(e)rd(e)n p(ei)l(i)ng(e)n (ui)tg(e)v(oe)rd, (e)n d(ie) w(e)z(e)n (o)p h(e)t (o)nv(oo)rst(e)lb(a)r(e): d(e) (aa)rdb(o)l w(a)s (i)nd(e)rd(aa)d m(i)dd(e)nd(oo)r (aa)n h(e)t spl(ij)t(e)n. (O)v(e)r (ee)n w(ee)k z(ou) m(e)n (ee)n p(o)lsst(o)k n(o)d(i)g h(e)bb(e)n (o)m v(a)n d(e) (e)n(e) n(aa)r d(e) (a)nd(e)r(e) h(e)lft t(e) h(u)pp(e)n. (E)n w(e)ldr(a) z(ou) m(e)n (aa)n b(ei)d(e) k(a)nt(e)n v(a)n (ee)n br(e)d(e) gr(a)nd c(a)n(yo)n n(aa)r (e)lk(aa)r st(aa)n schr(eeu)w(e)n.

    R(ee)ds k(o)lkt(e) (i)n b(e)p(aa)ld(e) str(e)k(e)n (ee)n kl(ei)n(e) h(oe)v(ee)lh(ei)d m(a)gm(a) n(aa)r b(o)v(e)n. D(e) (aa)rd(e) k(oo)kt(e) (i)nw(e)nd(i)g h(e)v(i)g. H(e)t (ei)g(e)n(aa)rd(i)g(e) w(a)s d(a)t z(eeë)n (e)n (o)c(ea)n(e)n (a)ls k(o)k(e)nd w(a)t(e)r (i)n d(e) d(ie)pt(e) v(e)rdw(e)n(e)n, h(oe) sm(a)l d(ie) br(eu)kl(ij)n (aa)nv(a)nk(e)l(ij)k (oo)k w(a)s. G(i)g(a)nt(i)sch(e) l(e)g(e) k(o)mm(e)n bl(e)v(e)n (a)cht(e)r, (a)lth(a)ns: l(ee)g v(a)n w(a)t(e)r, w(a)nt z(e) w(a)r(e)n v(oo)r (ee)n d(e)rd(e) v(o)lg(e)st(ou)wd m(e)t m(e)ns(e)l(ij)k (a)fv(a)l v(a)n (ee)n p(aa)r (eeu)w(e)n w(e)lst(a)nd. (Oo)k d(ie) k(o)mm(e)n v(e)rt(oo)nd(e)n (o)p h(u)n b(o)d(e)ms cr(a)q(ue)l(é), t(o)t z(e) (ui)t(ei)nd(e)l(ij)k n(e)t z(o) g(oe)d (i)n tw(eeë)n spl(e)t(e)n (e)n d(e) (a)ld(u)s (o)ntst(a)n(e) g(eu)l [… (i)n h(e)t v(e)rl(e)ngd(e) v(a)n d(e) (aa)rdg(eu)l… ] g(e)l(ei)d(e)l(ij)k (a)ll(e) (a)fv(a)l (o)psl(o)kt(e) d(a)t (i)n d(ie) r(i)cht(i)ng (a)f gl(ee)d. (O)c(eaa)nw(a)t(e)r (e)n (eeu)w(e)n (a)fv(a)l v(e)rdw(e)n(e)n v(oo)rg(oe)d (i)n d(e) k(o)sm(o)s, l(o)sg(e)l(a)t(e)n d(oo)r d(e) (aa)rd(e), w(aa)rv(a)n d(e) b(ei)d(e) dr(o)g(e) h(e)lft(e)n z(i)ch st(ee)ds v(e)rd(e)r v(a)n (e)lk(aa)r v(e)rw(ij)d(e)rd(e)n. 

    ‘Z(o), d(a)t (i)s d(u)s h(e)t f(a)m(eu)z(e) (ei)nd(e) v(a)n d(e) w(e)r(e)ld,’ c(o)nst(a)t(ee)rd(e) (E)r(i)c(a) n(u)cht(e)r. Z(e) w(a)s (ee)n v(a)n d(e) m(i)lj(a)rd(e)n m(e)ns(e)n (o)p (aa)rd(e) d(ie) n(ie)t (i)n g(o)d (o)f ‘(ee)n’ g(o)d g(e)l(oo)fd(e)n. D(e) (o)v(e)nw(a)rm(e) kl(oo)f v(a)n d(e) (aa)rd(e) l(ie)p (a)ls (ee)n (e)v(e)n(aa)r d(oo)r H(e)t V(ij)fd(e) W(ie)l. (E)r(i)c(a) h(u)pt(e) (o)v(e)r d(e) (i)nm(i)dd(e)ls d(e)rt(i)g c(e)nt(i)m(e)t(e)r br(e)d(e) spl(ee)t, s(i)g(a)r(e)t (i)n d(e) (e)n(e), gl(a)s r(o)d(e) w(ij)n (i)n d(e) (a)nd(e)r(e) h(a)nd. (Ei)g(e)n(aa)r (E)rn(ie) z(a)t m(i)str(oo)st(i)g n(aa)r d(e) sch(eu)r(e)n (i)n z(ij)n m(u)r(e)n t(e) st(a)r(e)n. H(ij) g(e)l(oo)fd(e) w(e)l (i)n d(e) (e)n(e) G(o)d v(a)n h(e)m(e)l (e)n (aa)rd(e).

    ‘W(aa)r(o)m m(oe)t (ui)tg(e)r(e)k(e)nd H(e)t V(ij)fd(e) W(ie)l g(e)tr(o)ff(e)n w(o)rd(e)n?’ vr(oe)g h(ij) z(i)ch h(a)rd(o)p (a)f.
    ‘(E)n z(e)gg(e)n d(a)t d(ie) br(eu)k (oo)k d(oo)r d(e) m(a)rkth(a)ll(e) l(oo)pt,’ (a)ntw(oo)rdd(e) (E)r(i)c(a). ‘(Ui)tg(e)r(e)k(e)nd h(ie)r d(oo)r H(e)t W(ie)l (e)n d(oo)r d(e) m(a)rkth(a)ll(e) v(e)rd(o)r(ie). M(ij)n v(a)st(e) sh(o)pp(i)ngpl(e)k’
    ‘Z(e)lfs d(oo)r M(aa)gd(e)nb(u)rg, h(e)b j(e) h(e)t g(e)l(e)z(e)n?’ z(ei) (E)rn(ie) dr(oe)v(i)g. ‘D(i)t (i)s (e)rg.’

    D(e) w(e)r(e)ldp(e)rs b(i)v(a)kk(ee)rd(e) n(a)t(uu)rl(ij)k (o)v(e)r(a)l t(e)r w(e)r(e)ld l(a)ngsh(ee)n d(e) br(eu)kl(ij)n, (aa)n b(ei)d(e) k(a)nt(e)n (e)rv(a)n. (E)lk(e) (e)xtr(a) c(e)nt(i)m(e)t(e)r (o)p(e)n(i)ng w(e)rd n(au)wl(e)tt(e)nd g(e)r(e)g(i)str(ee)rd (e)n b(e)c(o)mm(e)nt(a)r(iee)rd, (i)n (a)ll(e) d(e)nkb(a)r(e) m(ee)t(ee)nh(e)d(e)n v(a)n d(e) w(e)r(e)ld, n(ou): w(e)r(e)ld(e)n. M(e)ns(e)n d(ie) l(a)ngsh(ee)n (o)f (o)p d(e) (aa)rdbr(eu)k w(oo)nd(e)n (o)f w(e)rkt(e)n, w(e)rd(e)n g(eï)nt(e)rv(ie)wd. V(oo)r(a)l M(aa)gd(e)nb(u)rg kr(ee)g d(e) p(e)rsm(eu)t(e) (o)v(e)r z(i)ch h(ee)n. D(e) h(a)lv(e) b(o)ll(e)n z(a)t(e)n n(o)g (o)nl(o)sm(a)k(e)l(ij)k (i)n h(e)t c(o)ll(e)ct(ie)v(e) g(e)h(eu)g(e)n.

    ‘D(e) kl(oo)f w(o)rdt st(ee)ds gr(o)t(e)r,’ r(a)pp(o)rt(ee)rd(e) m(e)n wr(a)ng, (ee)n cl(i)ch(é) (o)pd(ui)k(e)l(e)nd (ui)t d(e) n(o)n-pr(o)f(i)ts(e)ct(o)r, d(ie) h(e)t v(aa)k h(a)d g(e)h(a)d (o)v(e)r d(e) w(e)lst(a)ndskl(oo)f t(u)ss(e)n N(oo)rd (e)n Z(ui)d.

    (Oo)k b(a)rm(ei)d (E)r(i)c(a) w(a)s (a)l (o)nd(e)rvr(aa)gd, (i)n dr(ie) v(e)rsch(i)ll(e)nd(e) t(a)l(e)n. (O)f z(ij) v(oo)rh(ee)n (i)n d(e) (o)mg(e)v(i)ng v(a)n H(e)t V(ij)fd(e) W(ie)l (ie)ts (ei)g(e)n(aa)rd(i)gs (o)pg(e)m(e)rkt h(a)d? (Ie)ts g(e)h(oo)rd (o)nd(e)rgr(o)nds? (Ee)n r(aa)r g(e)v(oe)l h(a)d g(e)h(a)d? V(oo)rg(e)v(oe)l m(i)ssch(ie)n?
    ‘N(ee), n(o), n(ei)n,’ h(a)d (E)r(i)c(a) g(e)sch(u)d. ‘(O)nl(y) th(e) s(u)dd(e)n w(i)nd (o)n th(a)t S(a)t(u)rd(ay), th(a)t gl(o)b(a)l w(i)nd, (you) kn(o)w. (E)s w(a)r s(o)… ’
    ‘(A)nd (you) (a)r(e) (a) w(ai)tr(e)ss?’
    ‘(Ye)s (I) (a)m.’
    ‘D(o) y(ou) th(i)nk th(i)s (i)s th(e) (e)nd (o)f th(e) w(o)rld?’
    ‘(I) th(i)nk (i)t’s th(e) b(e)g(i)n(i)ng (o)f tw(o) w(o)rlds.’
    ‘M(ay) w(e) h(a)v(e) y(ou)r f(u)ll n(a)m(e) f(o)r th(e) r(e)c(o)rds?’
    ‘(E)r(i)c(a) Bl(a)nc(o).’
    ‘Th(a)nk y(ou), (E)r(i)c(a) Bl(a)nc(o).’
    H(e)rb(e)rg(ie)r (E)rn(ie) w(e)rd m(e)t r(u)st g(e)l(a)t(e)n, w(a)nt d(ie) b(e)h(ee)rst(e) (a)ll(ee)n m(aa)r z(ij)n d(ia)l(e)ct.

    T(oe)n d(e) br(eu)kl(ij)n v(ia) d(e) spl(ee)tf(a)s(e) (e)cht (ee)n kl(oo)f v(a)n (a)nd(e)rh(a)lv(e) m(e)t(e)r br(ee)d w(a)s g(e)w(o)rd(e)n, w(e)rd h(e)t v(e)rb(ij)st(e)r(e)nd d(ui)d(e)l(ij)k d(a)t M(oe)d(e)r (Aa)rd(e) (o)p (ee)n b(e)st(aa)n (i)n tw(ee) w(e)r(e)ld(e)n (aa)n h(e)t ((a)fst(e)v(e)n(e)n w(a)s. H(e)t V(ij)fd(e) W(ie)l (e)n d(e) m(a)rkth(a)ll(e) (ee)n k(i)l(o)m(e)t(e)r v(e)rd(e)r w(e)rd(e)n (o)ng(e)n(a)d(i)g (i)n tw(eeë)n g(e)spl(i)tst (e)n d(ie)nd(e)n (o)nv(e)rw(ij)ld h(u)n l(u)cr(a)t(ie)v(e) w(e)rkz(aa)mh(e)d(e)n t(e) st(a)k(e)n. D(a)t g(e)b(eu)rd(e) (o)v(e)r(a)l t(e)r w(e)r(e)ld (i)n d(e) c(o)ncr(ee)t g(e)tr(o)ff(e)n (e)t(a)bl(i)ss(e)m(e)nt(e)n (e)n (o)p (o)p(e)nb(a)r(e) pl(aa)ts(e)n: k(e)rk(e)n, m(u)s(ea), sch(o)l(e)n, p(a)rl(e)m(e)nt(e)n, z(ie)k(e)nh(ui)z(e)n, k(a)z(e)rn(e)s, m(a)rkt(e)n, sp(o)rtt(e)rr(ei)n(e)n, …

    (I)n M(aa)gd(e)nb(u)rg v(e)rg(a)d(e)rd(e) (ij)l(i)ngs (ee)n W(e)r(e)ldr(aa)d v(a)n W(e)t(e)nsch(a)pp(e)l(ij)k(e) W(ij)z(e)n; d(e) (a)fk(o) WWW v(e)rsch(ee)n h(ie)r v(oo)r h(e)t (ee)rst. D(e) h(e)lft v(a)n d(e) g(e)l(ee)rd(e)n w(e)rd (e)r p(e)r l(u)chtb(a)ll(o)n (o)f z(e)pp(e)l(i)n (aa)ng(e)l(e)v(e)rd.  D(ie) WWW h(a)d g(ee)n g(oe)d n(ieu)ws t(e) m(e)ld(e)n. D(oe)md(e)nk(e)rs v(oo)rsp(e)ld(e)n d(a)t d(e) (aa)rd(e) v(e)rd(e)r (i)n kw(a)rtj(e)s (o)pg(e)d(ee)ld z(ou) w(o)rd(e)n, z(oa)ls (ee)n s(i)n(aa)s(a)pp(e)l. V(oo)r(a)lsn(o)g (e)cht(e)r bl(e)v(e)n (o)p d(e) b(ei)d(e) h(e)lft(e)n d(e) c(o)ns(i)st(e)nt(ie) (e)n d(e) zw(aa)rt(e)kr(a)cht z(i)ch h(a)ndh(a)v(e)n. B(ij)g(e)l(o)v(i)g(e)n g(ooi)d(e)n m(u)nt(e)n (i)n d(e) spl(ee)t. V(e)rz(e)k(e)r(i)ngsm(aa)tsch(a)pp(ije)n v(a)n (ee)n (e)n(e) h(e)lft r(i)chtt(e)n (ij)l(i)ngs f(i)l(ia)l(e)n (o)p d(e) (a)nd(e)r(e) h(e)lft (o)p. D(ie) g(e)l(oo)fd(e)n (oo)k n(o)g (i)n (ee)n g(o)d: d(ie) v(a)n h(e)t g(e)ld. G(eo)l(o)g(e)n g(ooi)d(e)n tr(a)pl(a)dd(e)rs n(aa)r b(e)n(e)d(e)n, m(aa)r w(e)rd(e)n (o)p (ee)n b(e)p(aa)ld d(ie)pt(e)p(u)nt g(e)p(o)ch(ee)rd, g(e)br(a)d(e)n, g(e)k(oo)kt (o)f g(e)r(oo)st(e)rd. D(e) kl(oo)f sp(uu)gd(e) z(e) g(e)r(a)dbr(aa)kt w(ee)r (ui)t. L(a)ngsh(ee)n d(e) h(e)l(e) br(eu)kl(ij)n v(e)rr(e)z(e)n (aa)n b(ei)d(e) k(a)nt(e)n h(o)g(e) (a)fr(a)st(e)r(i)ng(e)n, w(a)nt m(ee)r (e)n m(ee)r h(o)p(e)l(o)z(e)n b(e)st(e)ld(e)n h(u)n v(e)g(e) l(ij)f t(e)r d(ie)pt(e).

    W(e)rd h(e)t t(ij)d v(oo)r (o)v(e)rbr(u)gg(i)ng(e)n v(oo)r d(e) b(ei)d(e) w(e)r(e)ld(e)n? R(e)kb(a)r(e) (o)f r(e)kk(e)l(ij)k(e) br(u)gg(e)n (i)n d(e) h(oo)p d(a)t d(e) kl(oo)f (o)p (ee)n b(e)p(aa)ld p(u)nt (o)f (o)g(e)nbl(i)k n(ie)t t(e) br(ee)d w(e)rd, st(a)gn(ee)rd(e), j(a): z(e)lfs w(ee)r m(i)nd(e)r z(ou) w(o)rd(e)n? (I)n M(aa)gd(e)nb(u)rg w(a)s d(a)t (ee)n v(a)n d(e) v(e)l(e) d(i)sc(u)ss(ie)th(e)m(a)’s (o)nd(e)r (i)ng(e)n(ieu)rs, g(eo)l(o)g(e)n, f(y)s(i)c(i) (e)n ch(e)m(i)c(i), n(aa)st d(e) p(a)n(ie)ks(e)ss(ie)s v(a)n d(e) h(u)m(aa)nw(e)t(e)nsch(a)pp(e)rs. M(i)ssch(ie)n m(oe)st(e)n d(e) b(ei)d(e) h(e)lft(e)n z(e)lfs m(e)t gr(o)t(e) m(i)dd(e)l(e)n w(ee)r (aa)n(ee)ng(e)h(e)cht w(o)rd(e)n, m(i)dd(e)ls g(i)g(a)h(a)rp(oe)n(e)n b(ij)v(oo)rb(ee)ld, (o)f r(eu)z(e)n(e)nt(e)rh(a)k(e)n, (o)f m(i)lj(oe)n(e)n k(ie)pw(a)g(e)ns m(e)t ‘c(o)ll(e) t(ou)t’.

    (E)r(i)c(a) Bl(a)nc(o) [(o)nd(e)rt(u)ss(e)n n(ie)t m(ee)r w(e)rkz(aa)m (i)n h(e)rb(e)rg H(e)t V(ij)fd(e) W(ie)l w(e)g(e)ns n(oo)dg(e)dw(o)ng(e)n g(e)sl(o)t(e)n, n(ou): g(e)spl(e)t(e)n] d(a)cht th(ui)s n(a) (o)v(e)r (ee)n m(o)g(e)l(ij)k(e) r(e)dd(i)ng v(a)n d(e) w(e)r(e)ld(e)n, d(ie) w(ee)r (éé)n b(o)l m(oe)st(e)n w(o)rd(e)n. B(e)st(o)nd (e)r (ee)n (ei) v(a)n C(o)l(u)mb(u)s t(e)g(e)n d(e)z(e) vr(e)s(e)l(ij)k(e) spl(i)ts(i)ng? (E)r(i)c(a) w(a)s n(ie)t z(o) k(i)nd(e)rl(ij)k dw(aa)s (o)m, z(oa)ls b(e)p(aa)ld(e) z(e)lfv(e)rkl(aa)rd(e) g(e)n(ieë)n, G(o)ds g(e)d(a)cht(e)n t(e) w(i)ll(e)n k(e)nn(e)n. D(ie)ns z(o)g(e)n(aa)md(e) sch(e)pp(i)ng w(a)s (i)mm(e)rs (a)l g(e)spl(e)t(e)n. V(a)n r(e)l(a)t(i)v(i)t(ei)t g(e)spr(o)k(e)n.

    (Ui)t M(aa)gd(e)nb(u)rg – n(u) g(e)s(i)t(uee)rd (o)p (éé)n w(e)lb(e)p(aa)ld(e) w(e)r(e)ldh(e)lft; d(e) h(a)lv(e) st(a)d w(a)s (ij)l(i)ngs g(eë)m(i)gr(ee)rd – kw(a)m n(o)g (a)lt(ij)d g(ee)n g(oe)d n(ieu)ws. (E)r kw(a)m z(e)lfs h(e)l(e)m(aa)l g(ee)n n(ieu)ws. D(e) w(e)r(e)ldb(o)l w(a)s (a)ls (ee)n (o)kk(e)rn(oo)t n(e)tj(e)s d(oo)rm(i)dd(e)n g(e)kr(aa)kt (e)n n(ie)m(a)nd l(ee)k d(aa)r (ie)ts (aa)n t(e) k(u)nn(e)n d(oe)n. H(a)d d(e) (i)nh(ou)d v(a)n d(e)z(e) b(ei)d(e) h(e)lft(e)n g(e)n(oe)g v(a)n (e)lk(aa)r? M(oe)st d(e) r(e)m(e)d(ie) d(a)n (oo)k d(aa)r w(o)rd(e)n g(e)z(o)cht?

    D(ie)z(e)lfd(e) (a)v(o)nd – d(e) kl(oo)f w(a)s (a)l (a)cht(e)nv(ee)rt(i)g (uu)r l(a)ng n(ie)t m(ee)r br(e)d(e)r g(e)w(o)rd(e)n – b(e)g(o)n n(ie)t (a)ll(ee)n M(aa)gd(e)nb(u)rg (o)p z(ij)n gr(o)ndv(e)st(e)n t(e) d(a)v(e)r(e)n. D(e) h(e)l(e) w(e)r(e)ld(e)n d(e)d(e)n d(a)t. (Oo)k (E)r(i)c(a)’s b(o)rst(e)n l(i)ld(e)n (ee)nskl(a)ps d(u)cht(i)g. D(e) b(ei)d(e) w(e)r(e)ldh(e)lft(e)n bl(e)k(e)n pl(o)ts(e)l(i)ng v(oo)rtd(u)r(e)nd d(oo)r (e)lk(aa)r (aa)ng(e)tr(o)kk(e)n (e)n v(a)n (e)lk(aa)r (a)fg(e)st(o)t(e)n t(e) w(o)rd(e)n. Zw(i)ts(e)rs(e) k(e)rn(o)nd(e)rz(oe)k(e)rs [j(a)r(e)nl(a)ng (i)n h(e)t (u)ltr(a)g(e)h(ei)m (o)p(e)r(e)r(e)nd (i)n d(e) d(ie)p(e) (i)ng(e)w(a)nd(e)n v(a)n h(u)n b(e)rg(e)n] h(a)dd(e)n n(a)m(e)l(ij)k (i)n (ee)n (ui)t(e)rst(e) w(a)nh(oo)psp(o)g(i)ng (ee)n h(oe)v(ee)lh(ei)d z(o) m(oei)z(aa)m v(e)rkr(e)g(e)n (a)nt(i)m(a)t(e)r(ie) (i)n d(e) kl(oo)f g(e)g(ooi)d. (E)r b(e)st(o)nd (ee)n w(a)t(e)rk(a)ns d(a)t (ee)n (o)ntpl(o)ff(i)ng (e)n(e)rg(ie) vr(ij) z(ou) m(a)k(e)n, w(aa)rd(oo)r h(e)l(e)nd w(e)r(e)ldc(e)m(e)nt (aa)ng(e)m(aa)kt z(ou) k(u)nn(e)n w(o)rd(e)n D(ie) (a)nt(i)m(a)t(e)r(ie) g(e)dr(oe)g z(i)ch (e)cht(e)r h(e)l(e)m(aa)l n(ie)t z(oa)ls v(e)rh(oo)pt. (E)r v(o)lgd(e) g(ee)n (o)ntpl(o)ff(i)ng. W(e)l b(o)nkt(e)n n(u) d(e) w(e)r(e)ldd(e)l(e)n (o)n(o)ph(ou)d(e)l(ij)k t(e)g(e)n (e)lk(aa)r, tw(ee)m(aa)l p(e)r s(e)c(o)nd(e). (A)ls(o)f (ee)n gr(a)pp(i)g(e) g(o)d d(e) tw(ee) h(e)lft(e)n v(a)n (ee)n (o)kk(e)rn(oo)t t(e)g(e)n (e)lk(aa)r kl(e)pp(e)rd(e). D(a)t w(a)s n(e)f(a)st v(oo)r (a)ll(e)s (e)n (ie)d(e)r(ee)n. W(a)t b(o)nkt, m(aa)kt br(o)kk(e)n. (E)r(i)c(a) B. g(i)ng (o)p (ee)n b(e)w(aa)kt (o)g(e)nbl(i)k t(e)n (o)nd(e)r (i)n v(uu)r (e)n vl(a)m, s(a)m(e)n m(e)t X(: 4,6,8) 886 263 755 (aa)rdb(e)won(e)rs. M(oe)d(e)r (Aa)rd(e) w(a)s n(ie)t m(ee)r.

    De quoncweste tussen ³cxcx en de vampele 5 (Behebbe: 55, 555, 55555 zyzy) deed MA inderdaad evenharig splaffen. De gigpad van ³cxcx versus 5 (Behebbe… ) was nefast geweest voor de blauwe planeet.  

    Erica Blanco (en ook Ernie natuurlijk, plus iedereen) belandde(n) in de gelukzalige 5-heid.

    Z was er al. Haar getuigenis bleek te kloppen.

    Mijn tekst NO ESSEF ontbrandde vanzelf.

    *---------------------------------------OONED SIROJ---------------------------------------------*

    15-01-2021 om 14:41 geschreven door Joris Denoo  


    09-01-2021
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De varkenshazy's

    DE VARKENSHAZY’S

     

    Een oud opaards geslacht. Edellijk van delen. Wroetend met de toet. Woonachtig in Truffalgar Squeeze (population: 28 769 inwoners en een paardenkop), een splinter hertogelijke steppe in leenroerig Midden-Europa. Eigen munteenheid: de knőrint. Op de stukken van 20 KNT staat de zwond afgebeeld: de typische Truffalgarkruising tussen het gevlekte Balkanvarken en de Magyaarse waterhond. Een belangrijke bron van inkomsten voor dit ministaatje betreft nou net deze zwonden: zij zijn wereldvermaard als truffelvinders. In Truffalgar Squeeze wordt sterven beschouwd als een enkele ruimtereis. Overigens geloven de Varkenshazy’s niet in een Oerknal of een Einde der Tijden, maar wel in Permanente Gelijktijdigheid en een Oneindige Ruimte die het begrip ‘tijd’ opheft. Zij zijn van oordeel dat ‘tijd’ is uitgevonden door de mensen, opdat niet alles tegelijk zou gebeuren. Een horloge aan de pols of aan de muur beschouwen zij als hoogst pretentieus: men kan volgens hen niet eerst ‘tijd’ uitvinden en die daarna vastbinden of ophangen.

    Er is een legende in Truffalgar Squeeze. Ongeveer zevenhonderd ruimtes ver waren de Varkenshazy’s de mooiste mensen in Europa. Daarom werd de hertogelijke steppe, hoe klein ook, bij herhaling vereerd met het gewapende bezoek van buitenlandse mogendheden. Vooral de Horecanen konden maar niet met hun fikken van Truffalgar Squeeze afblijven.

    Op zekere keer in een benauwde ruimte verzuchtte hertog Varkenshazy XIV hardop en gemeend:
    ‘Had mijn volk maar iets afstotelijks, zodat die vreemde invasies stoppen!’

    En zie, nog waren zijn woorden niet koud of zijn wens werd warm: iedere Varkenshazy kreeg terstond een joekel van een neus in de vorm van een truffel. Ze begonnen wonderwel op hun zwonden te gelijken. Van dan af bleven wapengekletter en gevloek in vreemde talen er achterwege. Truffalgar Squeeze kon weer rustig ademen, zij het dan door truffelvormige snoeten. De bruid van de hertog, dame Suzepens, werd gespaard van zo’n truffeltoet. Haar was echter als enige inwoner een ander lot beschoren: zij kreeg baard en snor toebedeeld. Volgens hertog Varkenshazy XIV betrof dit een miskleun van de afgodinnen. Daarom liet hij dame Suzepens met touwen aan een kruis vastbinden (een beetje in navolging van de Here Jeezes Kristus vele mistige ruimtes verder) en in een diepe vergeetput zakken. Aangezien ‘tijd’ geen rol speelde op de hertogelijke steppe, werd deze beperkende ruimte gekozen om haar dood te veroorzaken. Vervolgens huwde hij een andere lieve truffelsnoet in de persoon van Magenta Pigmenta, een operadiva. Daarmee had hij meteen heel ander vlees in de kuip.

    Bent u op (door)reis in Truffalgar Squeeze, vergeet dan niet de Suzepens-put te bezoeken: een put in de vorm van een truffel, waarin op een podiumpje het kruis staat waar het beeld van de bebaarde en besnorde Suzepens aan hangt. Wie een scheermesje in de put gooit, mag een negatieve wens doen: een verzuchting opdat iets niet gebeure. Het schijnt dat veel van die wensen inderdaad werkelijkheid worden. Gezwond hé, vindt u ook niet?


    JORIS DENOO

    09-01-2021 om 08:30 geschreven door Joris Denoo  


    02-01-2021
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Mestgeur

    MESTGEUR

    Mestgeur woei hem tegemoet. Inspecteur Mauser hurkte bij het lijk en telde dan de tanden. Drie. ‘Het moordwapen is een riek,’ besloot hij. 

    (Anno 2020 winnaar van de Zeer Korte Verhalen Wedstrijd in Nederland)

     

    02-01-2021 om 10:45 geschreven door Joris Denoo  




    Foto

    Blog als favoriet !

    Copyright Joris Denoo


    Zielsverwante links
  • NEERSLAG
  • BIEBJONG
  • PLANKENKOORTS
  • ROMANS
  • VERHALEN
  • POËZIE
  • VERHALEN
  • PAT.VANDOORNE
  • MIE BOGAERTS
  • MAAIKE MONKERHEY

    Archief per jaar
  • 2022
  • 2021
  • 2020

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto


    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!