Naar de inhoud

Woordenboek Westends Dialect

Laten we dat niet verloren gaan
akke.beakke.be

Woordenlijst Nr 1: sport - spel - kermis

Sport – spel - kermis (en het speelgerief dat ermee gepaard gaat)

Aaänklampn: aanklampen
Aaänsluutiengsgol: aansluitingstreffer, als ploeg die 2 treffers achterstaat een tegengoal maakt
Afsijt: buitenspel bij voetbal, ook ofsijt         Eng off-side
Agturstoön: achterstaan (in de score)
Agturwieël: achterwiel
An du boom sjhudn: harder rijden om tegenstanders te lossen 
Ankomstu: aankomst
Antbal: handbal
Aplowsvurvangiengu: voor einde van een wedstrijd een speler vervangen om zijn uitstekende wedstrijd in de verf te zetten
Arbietru of arbietur: scheidsrechter
Arievee: aankomst (van een koers)    Fr arrivée
Asiest: voorzet waaruit een medespeler scoort     Eng-assist
Atlutiek: atletiek

Awoeë roepn: uitschelden van een speler
Bakaree: afgebakend stuk terrein bij voetbal     Eng back area
Bantbreuku: bandbreuk
Bantstooötn: bandstoten (biljart)
Baskitn: basketball spelen
Baskitur: basketballspeler
Batmienton(g): badminton
Beekur: beker
Beekurfoetbal: bekervoetbal
Beekuroedur: bekerhouder
Beekurwetstriet: bekerwedstrijd
Beekurwinoöru: bekerwinnaar
Bergkeunienk: bergkoning (wielrennen)
Bergwanduliengu: bergwandeling
Biedong: drinkbus                     Fr bidon
Bieljoörn: biljarten
Bieljoört: biljart
Bieljoörtboln: biljartballen
Bieljoörtbolu: biljartbal
Bieljoörtstok: biljartkeu
Bliseurutiet: blessuretijd, speeltijd na 90 minuten om rekening te houden met kwetsuren, tijdwinst of wissels
Blintoek: blinddoek
Blintvlieëgn: blindvliegen
Bloeëtformu: bloedvorm, zeer goede vorm
Blok(u)doozu: blokdoos
Boöjtju: truitje
Boönkoeruür: baanrenner
Boöntjustrekn: baantjestrekken (atletiek, zwemmen)
Boksaaänsjhoeën: bokshandschoenen
Boks(u)n: boksen
Boksotoos: boksauto’s op de kermis
Bokspartieë: bokspartij
Boksprieng: bokspringen (turnen)
Bolu: bal
Boluketu: marbel
Boloosmietoo: werpen met een bal om zoveel mogelijk op elkaar gestapelde blikjes te treffen en te doen vallen (op de kermis)
Boogbolu: boogbal
Boogsjhieëtn: boogschieten                                
Boogsjhutru: boogschutter
Boösiesplatsu: basisplaats, vast opgesteld, geen reserve op de bank
Bowlienk: bowling
Bowlienkbolu: bowlingbal
Broeksju: broekje
Buoefn: beoefenen
Buutnspeelur: buitenspeler
Buwoenduroöru: bewonderaar
Deegradoösju: degradatie
Deeleegee: ploegafgevaardigde        Fr délégué
Dieëpu: in zwembad grootste diepte
Dieskuus: discus
Dimareern: demarreren                   Fr démarrer
Dimaroözju: démarrage
Dirbie: wedstrijd tussen 2 rivalizerende ploegen, meestal uit dezelfde streek           Eng derby
Djokarie: jokari, tennistrainer

Doesjn agtur u matsj: een douche nemen na een match
Doopieng: doping
Driebuln: dribbelen
Drienkubusu: drinkbus
Droöjmeuln: draaimolen
Du narbietur e gusjhuufult: de scheidsrechter heeft gefloten
Duukn: duiken
Duukplanku: duikplank
Duukr: duiker
Duuvumeëkur: duivenmelker
Eeëntwitju: een-twee, bal gaat van A naar B en terug 
Eeërulit: erelid
Eeëruliestu: erelijst
Eeëruplatsu: ereplaats
Eeëruroendu: ereronde
Eevunoöriengu: evenaring (van een record)
Ertuneeëru: harten heer
Ertunoös: hartenaas
Ertuns: harten (kaarten)
Ertutieënu: harten tien
Ertuvrowu: harten dame
Ertuzot: harten boer
Floötur: flater
Flutsu: maar half de bal raken, bvb in biljart, voetbal
Foel: overtreding in voetbal              Eng  foul
Foetbal: voetbal
Foetbalboent: voetbalbond
Foetbalkampjoeën: voetbalkampioen
Foetbalkluup: voetbalclub
Foetbalkomputiesju: voetbalcompetitie
Foetbaliest: voetballer
Foetbaln: voetbal spelen
Foetbalpling: voetbalplein
Foetbalploeg: voetbalploeg
Foetbalsiezoeën: voetbalseizoen
Foetbalsjhoeën: voetbalschoenen
Foetbalspeelur: voetbalspeler
Foetbalstaadjon: voetbalstadion
Foetbalwetstriet: voetbalwedstrijd
Fowtu: fout, overtreding
Frietukot: friture bijvoorbeeld op de kermis
Gatriek: reeks van drie doelpunten in één helft niet onderbroken door een doelpunt van een medespeler Eng-hattrick
Geelu koörtu: gele kaart
Giedong: stuur van een fiets      Fr - guidon
Gol: rechthoekig raam op voetbalveld voor beide ploegen
Golu: doelpunt
Gordun: horden, hindernisspringen in atletiek
Grooötu meuln: groot verzet, grote versnelling
Gulost wordn: niet meer kunnen volgen (wielrennen, lopen)
Indurnisu: hindernis (veldrijden, veldlopen, paardenwedstrijd, ...)
Iespiestu: ijspiste
Iïn zu kasu kriegn: goals incasseren
Iïnsmietn: ingooien
Ins: handspel in voetbal      Eng  hands
Juutukakoo: schommel
Kampjoeën speeln: kampioen spelen
Kampjoeënsjhap: kampioenschap
Katju duuk: verstoppertje
Katju sjeinu: kinderspelletje
Katju wo daju kriegn kut speeln: om het even waar iemand aantikken
Katsubolu: tennisbal

Katsn: kaatsen
Keeglbolu: kegelbal
Keeglboönu: kegelbaan
Keegln: kegelen
Ketu: marbel om mee te knikkeren
Kietn iïnsmeërn: je benen masseren
Klaavurneeëru: klaveren heer
Klaavurnoös: klaveren aas
Klaavurs: klaveren (kaarten)
Klaavurvrowu: klaveren dame
Klaavurzot: klaveren boer
Klakubusu: uitgeholde cylindervorm in hout van de vlierstruik waarmee men papierproppen kan wegblazen
Klemn: klimmen
Klitkaamur: kleedkamer
Knieëlapn: knielappen voor doelman
Knokoet: uitgeteld                 Eng  knockout
Koekns: ruiten (kaarten)
Koekudrieë: koekedrie
Koekuneeëru: ruiten heer
Koekunoös: ruiten aas
Koekuvrowu: ruiten dame
Koekuzot: ruiten boer
Koeroözju: moed    Fr courage
Koers: wielerwedstrijd
Koersboöj: koerstrui
Koerspeërt: koerspaard
Koersvielo: koersfiets
Koeruür: wielrenner      Fr coureur
Kontur: plotse tegenaanval       Eng counter
Koönu: wandelstokKoörtie,gu: kaarting
Koörtn: kaarten
Kopn: een bal met het hoofd spelen (voetbal)

Kornu: hoekschop            Eng  corner
Kornuvlegu: hoekschopvlag
Krol: crawl (zwemmen)
Kros: cross
Krosur: loper of rijder met fiets of motor in het veld
Kwetseuru: kwetsuur
Kwies: quiz
Latu: bovenlat van een goal
Lieburoo: centrale verdediger die van aanvaller afgenomen bal weer naar voor brengt                         Ital libero
Lienksjhunoek: linksbuiten bij voetbal
Lienusman: grensrechter                             Eng linesman
Lob: boogbal getrapt met bal die van de grond gaat
Mandekiengu: mandekking
Manieln: manillen (kaarten)
Maratong: marathon
Marbul: knikker
Marbuln: knikkeren
Meetu: meet, eindstreep
Met du duuvn speeln: deelnemen aan wedstrijden voor duiven
Meur: muur van spelers, bvb in voetbal om de goal af te dekken
Midulienu: middellijn
Muul (mettu): zonder troef bij manillen
Muuluperu: muilpeer
Obie(s): vrijetijdsbeoefening, bezigheid          Eng hobby
Oefn: oefenen
Oefnmatsj: oefenmatch
Oefnpartieë: oefenpartij
Oefnwetstriet: oefenwedstrijd
Oentspaniengu: ontspanning
Oflosiengu: aflossing
Ofsijt: buitenspel                 Eng offside
Okie: hockey
Okiestiek: hockeystick
Oöfbak: voetbalspeler tussen achter- en voorlijn      Eng half back
Ooftpries: hoofdprijs
Oogsprieng: hoogspringen
Oovurwiniengu: overwinning
Otoopiejaanoo: auto-piano
Paalu: doelpaal
Paninka: zacht getrapte elfmeter recht door midden goal boven vallende doelman            Tsjec: panenka
Peërdukoers: wedstrijd voor paarden of de instelling waar het gebeurt
Peërdumeuln: paardenmolen
Pekuln: bikkelen
Pekuls: bikkels
Peurun: hengelen
Piekuneeëru: pijkens heer
Piekunoös: pijkens aas
Piekuvrowu: pijkens dame
Piekuzot: pijkens boer
Piekns: pijkens (kaarten)
Pienantie: strafschop, elfmeter               Eng penalty
Pienantiepunt: punt op elfmeter van het doel bij voetbal
Piestu: renbaan
Pietju me zu peërt: paardenmolen
Pietjusbak: teerlingenbak
Pietjusbakn: spelen met de teerlingen om de hoogste score te realiseren
Pling: terrein voor voetbal, voor de meeste sporten
Polstoksprieng: polstokspringen
Pookurn: pokeren
Potju (u) koörtn: een spelletje kaart spelen
Prof: beroepsspeler
Pulu: drinkbus
Pulutong: peloton
Raketu: raket (tennis)
Rangsjhikiengu: rangschikking
Regsjhunoek: rechtsbuiten bij voetbal
Rieën: rijden
Rooö koörtu: rode kaart
Rooö lanteërn: rode lantaarn, laatste van een rangschikking
Rukorttiet: recordtijd
Runong: dat heb je als je in het kaartspel van één van de vier soorten geen kaarten hebt
Rupsu: rupsmolen
Ruutn: ruiten (kaarten)
Sieklookros: cyclocross, cross per fiets
Sjhaavurdien: schaatsen
Sjhatsn: schaatsen
Sjheenlapn: beenbeschermers (vb bij voetbal)
Sjhieëtkraam: schietkraam (op de kermis)
Sjhieëtlap: katapult
Sjhorsiengu: schorsing
Sjhuufletu: fluit
Sjhuufuln: fluiten
Sjhuutn: schommels (op de kermis)
Sjotn: schoppen, voetballen
Shwalbu: als speler doet alsof een overtreding op hem/haar begaan wordt (laten vallen bvb)    Dui: Schwalbe
Skieën: skiën
Skielatn: skilatten
Slaajdieng: in voetbal over het gras glijden om de bal af te pakken    Eng sliding
Slee: slede
Sliedurn: glijden op het ijs
Slieërboönu: glijbaan
Sliengurpies: slingermolen op de kermis
Smietn: werpen
Smoetbolu: smoutebol
Sneeëwvint: sneeuwman
Snoekur: snooker
Speelbugt: speelgoed
Speelstur: speelster
Speelur: speler
Spilutju (u) speeln: een spelletje spelen
Sportoto: sportauto
Sportuutzendiengu: sportuitzending
Sportwetstriet: sportwedstrijd
Sprintn: sprinten
Spurt antrekn: spurt aantrekken, het iemand anders gemakkelijker maken in de spurt
Stekur: voorkeurknikker waarmee iemand altijd speelt
Stieëpul: hindernisspringen in atletiek of in paardenwedstrijden       Eng steeple
Stift: boogbal vanop de grond over de doelman
Suurplas: op plek stilstaan voor de sprint bij baanrennen     Fr surplace
Swasaaäntnuf: met drie teerlingen een zes, een vijf en een vier gooien
Swietu, u langn of u kortun: suite lang of kort (bij pokeren)
Tapbieljoört: biljart met tappen
Tatsu: nop op schoenzool (vb van voetbalschoen)
Teërlienk: teerling
Toendurspit deëvun: het onderspit delven
Toernooj: wedstrijden met opmaak rangschikking     Fr tournoi
Traaänsfiïr: transfert, overgang naar andere ploeg
Triejatlong: triatlon
Triïnur: trainer
Truitju: trui
Turn: turnen
Tuubu: band 
Tuumuletu: tuimeling
U gat loötn voöln: in een wielerwedstrijd één of meerdere renners laten wegrijden 
U pasju geevn: de bal toespelen
U potju koörtn: een spelletje kaart spelen
U tantju biesteekn/biezetn: een tandje bijzetten
Up kop rieën: op kop rijden
Uutjown: uitjouwen (de scheidsrechter of de ploeg)
Uutrustiengu: uitrusting
Uutsluutiengu: uitsluiting
Veltriedur: veldrijder
Veltrieën: veldrijden
Verusprieng: verspringen
Veugulpiek: darts, vogelpiek
Vieloo: fiets
Vielookoers: wielerwedstrijd
Vielootjus: carrousel
Vloeërn: vloeren, verslaan
Voeëtzoekur: voetzoeker
Voetjulap doeën: een voetje lappen
Voliebal: volleybal
Voöln: vallen
Voöls plat: schijnbaar vals vlakke strook in een wielerwedstrijd
Vooörgiftu: voorgift (wegens klasseverschil)
Vooörnstoön: voorstaan
Vooörroendu: voorronde
Vooörspeelur: voorspeler
Vooörsproenk: voorsprong
Vooörwieël: voorwiel
Vriestoön: vrijstaan
Vulu bak: volle bak, op zijn maximum rijden of lopen
Vursloön: verslaan
Vurdapurn: verdapperen, harder rijden
Vurlengiengu: verlenging als er bij gelijke stand bij einde match absoluut een winnaar moet zijn
Vurlieëzun: verliezen
Vurlieëzur: verliezer
Vurzorgiengu: verzorging
Vurzorgur: verzorger
Wanduliengu: wandeling
Wanduloöru: wandelaar
Wanguln: wandelen 
Weërultkampjoeën: wereldkampioen
Wegrieën: wegrijden
Wegsteekn: verschuilen
Wetstriet: wedstrijd
Wiezun: whist spelen (kaarten)
Wiïnstpreemie: winstpremie
Win: winnen
Winoöru: winnaar
Zakn: naar een lagere afdeling afdalen
Zjiemnastiek: gymnastiek
Zjutong: jeton
Zjuudoo: judo
Zwemkomu: zwemkom

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

Medeklinkers in het Westends

Medeklinkers
    C => k of s    Vb choc-sjok, cinema-sienuma
    Ch  => g       Vb achter-agtur, dicht-digtu, gebracht-gubrogt, geraakt-gugrogt, gerecht-guregt, klucht-klugt, licht-lugt, macht-magt,
                            nacht-nagt, ochtend-ugtunt, opdracht-updragt, parochie-parogju, rechts-regts, richting-rigtiengu, slachter-slagtur, toch-
                            tog, vlecht-vlegtu, vracht-vragt, vrucht-vrugt, wachten-wagtn, zicht-zigt
                          maar: daguur-dacheuru, goochelaar-goochuloaru, lachen-lachun, tachtig-tachuntug, rog- rochu
    Ch  => sj      Vb architect-arsjietikt, cartouche-kartoesju, cachot-kasjot, chance-sjaänsu, chirurg-sjieruurg, choke-sjook, choco-sjokoo,
                             chocolade-sjokla of sjokloatu, machine-masjienu, marcheren-marsjeerun, sandwiche-sandwiesju
    Sch => sjh   Vb schaap-sjhaap, schade-sjhaa, scheet-sjheet(u), scheiden-sjhein, scheren-sjheërn, schil-sjhellu, schminken-sjhmienkn,
                            schoen-sjhoe of sjhoeë, schok-sjhok, school-sjhoolu, schoon-sjhooönu, schors-sjhorsu, schouder-sjhoeëru, schroot-
                            sjhrooöt, schuiven-sjhuuvn, …

     G => zj    Uitspraak van g, niet aan begin van een woord
           Vb agent-azjent,bagage-bagoazju, chauffage-sjofaazju, garage-garaazju, Gerard-Zjuraar, menage-munoazju, occasie-okoazju,
                ontstekingskaarsen-boezjies, uitlaatbuis-sjarzjubuuzu

     N    
            
‘ng’ (als slotklank)  =>   ‘nk’   Vb gang-gank, jong-joenk, koning-keunink, lang-lank
            
‘nd’ (als slotklank)  =>  ‘ng’   Vb amandelen-amanguls, plafond-plafong, wandelen-wanguln, strand-strangu
             
  ‘n’ (als slotklank)  =>  ‘ng’:  Vb ballon-balong, beton-biedong, garçon-garsong, kanon-kanong, perron-pirong

     S (Eind-s) => zu       
         Vb beurs-beuzu, blaas-bloazu, bloes-bloeëzu, geus-geuzu, keus-keuzu, neus-neuzu, reis-reizu, roos-roozu

     Tie => sju          Vb politie-poliesju, positie-poziesju, relatie-ruloasju, provincie-proviïnsju

 Weglaten van medeklinkers (met verlenging van de klinker)
       
  Vb  Dolk-doöku, dwars-dweës, elk-eëk, kaars-keësu, kalk-koök, laarzen-leëzn, ladder-leëru, melk-meëk, ons-uus, volgen-voögn,
              volk-voök

          zonder verlenging van de klinker
                Vb markt-mart
 

Dubbele medeklinkers
             NIET achter a, e, i, o, u
                  Vb appel-apul, kat-katu, klasse-klasu, mette-metu, zitten-zitn, mopperen-mopurn, zotten-zotn, betuttelen-bututuln
                 De dubbele medeklinker wordt wel behouden als het twee bestaande aan elkaar gebonden woorden zijn
                      Vb agturruutu, bankkluuzu, bankkoartu, barokkuünstu,bloeëttraänsfuzju, boeëdulliestu, bommeldiengu, burgurregtn,
                           buukkrempu, dieënsttiet, doenkurrooöt, druggubruuk, gassprieëtu, gassjhoaru, leeggoeët, meëkkanu, meëkkoewu,
                           nagttring, oendurrik, ooggutuugu, oppompn, roenttjooln, rukorttiet, slappilu, smooörrieku, stikkaru, upplakn,
                           veugullieëfebur, vooörroendu, vooörruutu, vurslaggeeviengu, vissowsu, vissoepu, vooörrank, vorssukln, wasspelu,
                           weggubruukr, weggujoogn, zittiet
             NIET achter ie, oe, eu,  oeë, ieë, uu
                   Vb oude-oedu, wij-wiedur, wat-wienu, reuk-reuku, kloek-kloeku, soep-soepu, heup-eupu, suiker-suukur/suukru,

Verkleinwoorden:
            Tussen-s
                (woorden eindigend op k)
                  Vb bakje-baksju, blokje-bloksju, b(r)oekje-broeksju, buikje-buuksju, doekje-doeksju, drankje-dransksju, haakje-aksju, hakje-
                       gaksju, hoekje-oeksju, hokje-goksju, kakje-kaksju, klakju-klaksju, klokje-kloksju, likje-leksju, pakje-paksju, reukje-ruksju,
                       rokje-roksju, slokje-sloksju, smaakju-smaksju, sokje-zoksju, staakje-staksju, stokje-stoksju, struikje-struuksju, stukje-
                       stiksju, takje-taksju, trekje-treksju, tukje-tuksju, vakje-vaksju, zakje-zaksju

             Tussen-t   
                  (woorden eindigend op p)
                          Vb aapje-aptju, een hoopje-unoptju, knoopje-knoptju, mopje-moptju, schaapju-sjhaptju, stapje-staptju, stopje-stoptju,
                               trapje-traptju

                  (woorden eindigend op f)
                          Vb briefje-brieftju, diefje-dieëftju, duifje-duuvutju, liefje-lieëftju, lijfje-lievutju, wijfje-wuuvutju

Uitspraak eerste of laatste letter
           
Neiging om eerste letter, zeker h, niet uit te spreken, lidwoord ‘een’ wordt ‘u’, verbindings ‘n’
                 Vb Een haag-daagu of u naagu, een haan- du of u noanu, een hamer-du of u naamur, een helper-du of u neëpur, een hen-(un)
                      enu, de/een hoed-du of u noeët, een hond-un(oent), een hotel-un(otil), het hotel-totil

            Neiging om laatste letter niet uit te spreken
                             Vb   Daar-doa, maar-mo, waar-woa
            De eind-t wordt niet uitgesproken met-me, dat-da, omdat-omda, niet-nie

Verder gebruik van oude spelling
        
Vb  Blussen-blusjhn, dorsen-dasjhn, fles-flesjhu, kuisen-kuusjhn, mensen-meënsjhn, mus-musjhu, pasen-poasjhn, sinksen-sienksjhn,
               tussen-tusjhn, vissen-visjhn, wensen-weënsjhn, vlaamse-vlamsjhu

Bijzondere woorden die in geen enkele regel passen
        
Vb ajuin-andjoen, bonzen-buusjhn, das-plastrong, dienaar-dieëndur, een(lidwoord)-u, gras-gas, groenten-groeënsuls, hebben-
             en, hoofd-kop, iemand-utwieën, ja ik-jaak, kerstdag-kestag,, lies-lieësjhu, mis-mesu, mooi-snel, neen ik-nink, open wonde-
             gabu, pastoor-pastru, porei-pret, rij-reeku, sjerp-sjarpu, stekje-suüfur, stotteren-staamurn, teljoor-talooru, tonen-toogn,  toren-
             toru, trui-boaj, vod-sluünsu, wateren-pisn

Gebruik van woorden die eigenlijk een andere betekenis hebben
        
Vb Bidden-leezn en Lezen-leezn, licht-lugt en lucht-lugt

Dubbel gebruik van het onderwerp
            
ju kiekt gie nor u foto - je kijkt naar een foto, ju zeg gie dadu

 

Enkele zinnetjes om te oefenen
Nu wenk sjaaänsu get, wi! Kreen u bitju tu zeeëru mo kaan up tiet guzieën datur poliesju stoent met u masjien voe du vitisu te meetn.

Moenk u kir u moptju of u klugt vurteln? Lieëvur nie want ju go jundur tog nie moeëtn lachn.

E ju giedur asan u zaksju mee voe jundur noent o ju go go wanguln?

O mu wuuvutju e nik up reizu goan zitn mu geërn ant strangu. Voe du kindurs ee! Men altiet santwiesjus mee e meëk. In uus otil eetn mu altiet vissoepu o mu dokoazju en.

Vanaf volgende week start ik met het publiceren van de woordenlijsten.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Welkom op mijn nieuwe blog!

Waar heb ik de kennis gehaald om een woordenboek op te stellen van ons geliefd Westends? In eerste instantie bij mezelf en mijn naaste familieleden, natuurlijk. Daarnaast heb ik geput uit websites over andere dialecten die in West-Vlaanderen gesproken worden. Het ‘West-Vlaams dialect’ op zich, bestaat niet. Jullie weten natuurlijk ook dat de dialecten verschillen van dorp tot dorp, van stad tot stad.

Iedereen kent zeker het merkwaardig ‘Oostends Woordenboek door Roland Desnerck’, dat al  lang zijn sporen verdiend heeft. Ik vond het dus logisch om dat werk als vergelijkingsbasis te gebruiken, natuurlijk met in acht nemen van alle verschillen. 

Het Westends dialect is net zoals het Oostends een Noordelijk Westvlaams dialect, dat wil zeggen gesproken tussen de IJzer en het Zwin. Het zijn ‘Ingveoonse’ of Noordzee-Germaanse dialecten.

Ook in Westende zelf zijn er aardig wat verschillen, te wijten aan invloeden van ouders of grootouders of partners, die uit andere gewesten ‘aangespoeld’ zijn. Het is ook mogelijk dat de oorzaak moet gezocht worden in het gebrek aan ervaring met het taaltje. Daarmee bedoel ik dat iemand die zeer regelmatig het Algemeen Nederlands spreekt, op het werk of zelfs thuis omdat men, al dan niet terecht, denkt dat de kinderen daardoor beter voorbereid worden op de studies en op het spreken van een beter, zuiverder Nederlands. Dat kan betwist worden, maar alhoewel ik het spijtig zou vinden dat minder en minder Westends gesproken wordt, is het hier niet de plaats en het ogenblik om daarover te redetwisten.

En dan … is er Facebook. Een redelijk groot aantal FB’ers maken vaak gebruik van het dialect bij het versturen van een bericht. Ik stelde daarbij vast dat er nauwelijks overeenkomst is tussen de gebruikte woorden en zinnetjes, vooral dan in de schrijfwijze. Iemand die de taal minder goed kent, kan daaruit niet opmaken hoe ze die moeten uitspreken.
Er bestaat natuurlijk een fonetisch schrift. Dat is een alfabet dat bedoeld is om de klanken uit de gesproken taal eenduidig in geschreven vorm vast te leggen. De symbolen van het alfabet corresponderen op een unieke manier met spraakklanken, terwijl dit voor gewone geschreven taal helemaal niet opgaat. In het Nederlands vertegenwoordigen bijvoorbeeld de drie e-s in "december" drie verschillende klanken. Eigenlijk is fonetisch schrijven dus het schrijven zoals een woord uitgesproken wordt. Dat heb ik dus ook gedaan.

Dat is niet altijd eenvoudig. Luidop lezen vergemakkelijkt het uitspreken.

Mijn schrijfwijze wijkt op enkele punten af van de klassieke fonetische spelling. Ik gebruik ook de symbolen niet.

Voor een eerste week en als kennismaking, wil ik het hebben over de klinkers           

  1. De “a’
    ‘a’ => ‘aa’     Vb  dagen-daagn, haken-aakn, jagen-jaagn, maken-maakn, plagen-plaagn, slagen-slaagn, slapen-slaapn, vragen-
                             vraagn, zagen-zaagn, zaken-zaakn
    ‘a’  =>  ‘ e’    Vb hart-ertu (maar hard-art), tarwe-terwu, dak-dek
                                 maar: bak-bak, lak-lak, mak-mak
    ‘a’ =>  ‘o’      Vb  bal-bolu, gebracht-gubrogt, vallen-voln, zacht-zogtu
                                 maar: getracht-gutragt
    'a’ =>  ‘oa’   Vb baren-boörn, datum-doötum, gas-goözu, gebaren-guboörn, jaren-joörn, kader- koödur, kalf-koöf, laten-loötn,                                   mate-moötu, paren-poarn, pater-poatur, sparen-spoarn, vader-voadru, varen-voarn, water-woatur          'aa’ => ‘oa’      ‘oa’ stelt het langer rekken van de ‘o’ voor
                       Vb baan-boönu, baard-boört, baas-boös, blaas-bloözu, draad-droöt, gevaar-guvoör, haar-oör maar eur als bezittelijk
                            voornaamwoord, jaar-joör, kaart-koörtu, kaas-koas, laat-loatu, maart-moartu, maat-moat, paar-poar, plaat-
                            ploötu, schaar-sjhoöru, straat-stroötu, taart-toörtu, twaalf-twoövu, vaas-voözu, zaad-zoöt, zwaar-zwoör
    ‘aa’ => ‘eë’      ‘eë’ stelt het langer uitspreken van de e voor
                        Vb aarde-eërdu, graag-geërn, lantaarn-lanteërn, paard-peërt, staart-steërt, waard-weërt, zwaard-zweërt
    ‘aan’ => ‘aän’  ‘aä’ stelt het langer uitspreken van de a voor
                         Vb: aangenaam-aängunaam, aangekleed-aänguklit, balans-balaänsu
                                       maar: aanbieding-anbiediengu, aankomen-ankomn, aanhangen-anang
  1. De ‘e’
    ‘e’   =>  eë’        de e in open of gesloten lettergreep wordt langer gerokken     
                           Vb expert-ikspeër, her(s)tellen-er(s)teëln, melk-meëk, smeren-smeërn, verteren-vurteërn, ’t zelfde-tseëfstu,
                                wensen-weënsjhun
    ‘ee’ => ‘eë’       ‘eë’ = e + e wordt verlengd
                          Vb  beer-beër, geweer-guweëru, peer-peëru, scheerzeep-sjheërzeeëpu,
     ‘e’ => ‘eeë’           verlengde e in open lettergreep: eeë = ee + e
                          Vb (af)deling-(Of)deeëliengu,bleken-bleeëkn, delen-deeëln, keren-keeërn, kleden-kleeën, kleren-kleeërn, kweken-
                               kweeëkn, lelijk-leeëluk, lenen-leeën, lening-leeëniengu,  leraar-leeëroöru, leren-leeërn, menen-meeën, regering-
                               rugeeëriengu, strelen-streeëln, tekenen-teeëkun, vreselijk-vreeësuluk, zeveren-zeeëvurn, zweten-zweeëtn   ‘ee’ => ‘eeë’   verlengde ‘ee’ = ee + e
                          Vb been-beeën, beest-beeëstu, een-eeën, Eernegem – Eeërnugem, heet-eeët, kleed-kleeët, leep-leeëp, meer-meeër,
                              meester-meeëstur/meeëstru, scheef-sjheeëf, teen-teeën, twee-tweeë, vlees-vleeës, zee-zeeë
    'e' of 'ee’ => ’i’       Vb beentju-bintju, spel-spil, venster-viïnstur, vent-vint, vreemde-vrimdu
      ‘ei’       = > ‘i’       Vb trein-tring; plein-pling
      ‘ei’       => ‘e’       Vb einde-endu
      ‘ei’       => ‘eeë’    Vb geit-geeëtu, klein-kleeënu, sprei-spreeë, zeiken-zeeëkn
      'ei'       => 'ij'       Vb veilig-vijlug, veiligheid-vijlugijt
      ‘e’        => ‘ie’       Vb brengen-briengn
    doffe ‘e’ als uitgang => ‘u’
              Vb   acht-agtu, bal-bolu, bed-bedu, bloem-blomu, bom-bomu, broer-broeëru, brug-brugu, deur-deuru, doos-doozu, drie-
                    drieë, fout-foutu, hemd-emdu, kan-kanu, kar-karu, kas-kasu, kat-katu, kerk-kerku, kist-kistu, klak-klaku, klas-
                    klasu, kool-koolu, mand-mandu, muts-mutsu, naam- naamu, nek-neku, paal-paalu, pan-panu, pen-penu, plant-
                    plantu, pomp-pompu, roos-roozu, school-sjhoolu, slang-slangu, storm-stormu, taal-taalu, tas-
                    tasu, tien-tieënu,  vier-vieëru, vijf-vuuvu, vlag-vlagu, wieg-wieëgu, zes-zesu zetel-zeetlu, zin-zin           
    doffe e op gelijk welke plaats in een woord => u
              Vb  bezet-buzet, geluk-guluk, het-hut, kelner-kelnur, mager-maagur, nutulooös, proper-proopur, …
    ‘
    en’ op het einde van een (werk)woord of van een meervoudsvorm, wordt afgekapt:
     
            Vb aapn, eetn, geevn, loopn, speeln, werkn, zotn
    ‘eu’ => ‘uü’      verlengde u, dit geldt voor de uit het Frans overgenomen woorden
              Vb  ascenseur-asaänsuür, blageur-blaguür, coiffeur-kwafuür, controleur-kontroluür, convoyeur-koönvajuür, coureur-koeruür,
                   décorateur-deekoratuür, dérailleur-dirajuür, 
    directeur-dieriktuür, facteur-faktuür, haut-parleur-ooparluür, ingenieur-
                   eënzjienjuür,
    moteur-motuür, tracteur-trektuür, triporteur-trieportuür, ventilateur-vintielatuür, voyageur-vajazjuür                                 maar: docteur-dokteur
  2. De 'i'
     ‘‘i’ => ‘ie’        Vb binden-bieng, kind-kient, drieling-drieëlienk, vinden-vieng, wind-wient, winkel-wienkul, winter-wientur, ring-rienk,
                               haring-oörienk
      ‘i’ => ‘iï’        De i wordt aangehouden                              Vb inval-iïnvol, venster-viïnstur, binst-biïnst
    ‘ie’ => 'ieë'       De ie wordt uitgerekt                                   Vb vliegen-vlieëgn, diep-dieëpu
    ‘ij’  => ‘uu’     Vb  blijven-bluuvn, pijp-puupu, vijf-vuuvu, wijf-wuuf
    'ij’  => ‘ie’
                    Vb bewijs-buwies, cijfer-siefur, lijden-lieën, lijf-lief, lijk-liek, lijn-lienu, mijn-mien (b.vnw) of mienu (z.n.), dijk-iek, gelijk-
                        gliek, gordijn-gordienu, ijzer-iezur, kijken-kiekn, kozijn-kozien,  lijst-liestu, nijd-nied, pijkens-piekns, prijs-pries, rijk-
                        rieku, rijp-riepu, rijst-ries, schrijven-sjhrievn, slijk-sliek, slijpen-sliepn, slijten-slietn, snijden-snieën, spijt-spiet, stijf-
                        stief, strijken-striekn, tapijt-tapiet, tijd-tiet, vrij-vrie, wijd-wiet, wijk-wiek, wijn-wien, wijs-wies, wijting-wietienk, zijn-
                        zien (zienk, zieju, zijn we- ziemu, zijn jullie-ziejundur, zijn ze-zienzu), zwijgen-zwiegun, zwijn-zwien
                     
                          maar: krijt-krijt
     
    ‘i’ => ‘u’   Vb tippen-tupn, wippen-wupn
     
    ‘i’ => ‘j’    Vb   baai-boaj, bloeien-bloejn, draai-droaj, haai-oaj, hooi-ooj, kaai-koaju, koeien-koejn, vloeien-vloejn 
  1. De ‘o’
     'o’ => ‘u’   Vb  bobbel-bubul, boter-butur, donder-dundur, mosselen-musuls, non-nunu, ochtend-nugtunt, schotel-sjhutul,
                         
    ’s ochtends-snugtuns,  ton-tunu, top-tup, wol- wulu, zon-zunu
                                          maar: kop-kop, mop-mop
     ‘o’  => ‘eu’  Vb koning-keunink, molen-meuln maar kolen-kooln, vogel-veugul, wonen-weun
     ‘o’ => ‘oö’            verlengde ‘o’
                    Vb confiance-koönfjiënsju, concert-koönseër, comfort-koönfort, convoyeur-koönvwajuür, dolk-doöku, kalk-koök, volgen-
                        voögn, volk-voök,
    ‘oo’ => ‘ooö’        verlengde ‘oo’
                       Vb bloot-blooöt, boot-booöt, brood-brooöt, dood-dooöt, groot-grooöt, moord-mooört, rood-rooöt, sjhoon-sjhooönu
    'oo’ => ‘eu’       Vb door-deuru, noot-neutu, zoon-zeunu
    'on' => ong: woorden stammend uit de Franse taal, eindigend op -on: garçon-garsong, téléphon => teeleefong, 
    ‘ou’  => ‘oe’  
                       Vb goud-goet, houden-oedn, houding-oediengu, hout-oet (maar: fout-foutu), jou-joen, koud-koet, kous-koesu, oud-
                            oet, ouders-oedurs, schouder-sjhoeëru, smout-smoet, stout-
    stoet, zout-zoet
    ‘ou’ of ‘au’ => ‘ow’
             
             Vb  bouwen-bown, benauwd-bunowt, flauwte-flowtu, fout- fowtu, gauw-gow, kabeljauw-kabuljow, mouw-mowu,
                            schouw-sjhowu, touw-towu, trouw-trow, saus-sowsu, veelvoud-
    veelvowt, vrouw-vrowu
    ‘ond’ of 'ont' => ‘oend’ of 'oent'
                       Vb grond-groent, hond-oent, honderd-oendurt, kont-koentu, mond-moent, pond-poent, rond-roent, stond-stoent,
                            wond-woendu, zonde-zoendu
    ‘ong’ => ‘oeng’      Vb  jongen-joeng, longen-loeng, tong-toengu en jong-joenk,
    ‘onk’ => ‘oengk’    Vb bonken-boenkn, fonkelen-foengkuln, nonkel-noengkl/noengklu, stronk-stroengku, vonk- voengku
     ‘oe’  => ‘oeë’     verlengde oe
                      Vb bloed-bloeët, goed-goeët, koe-koeë, moe-moeë, moed-moeët ,stoet-stoeët, toe-toeë, voet-voeët, zoet-zoeëtu  
  1. De ‘u’
    ‘u’   =>  ‘i’          Vb dun-dinu, put-pit, rug-rik (maar: mug-muggu), stuk-stik
    ‘uu’ =>  ‘eu’       Vb gebuur-gubeur, huur-euru, kuur-keuru, muur-meur, puur-peur, uur-euru, zuur- zeur
    ‘ui’ => ‘uu’
             Vb     buik-buuk, buil-buulu, buiten-buutn, duif-duuvu, duiken-duukn, duim-duumu, duizend-duust, fruit-fruut, gebruiken-
                     gubruukn, geluid-guluut, huis-uus, juist-zjuustu, kruipen-kruupn, kuip- kuupu, luid-luudu, luis-luus, muil-muulu, muis-
                     muus, pruik-pruuku, puid-puut, ruimte-ruumtu, ruit-ruutu, sluiten-sluutn, struik-struuku, struikelen-struukuln, suiker-
                     suukur, uil-uul, uit-uut, vuil-vuul, zuipen-zuupn 
    ‘uu’ of ‘ui’ => uitgerekte ‘ie’
               Vb 
    duur-dieëru, kuiken-kieëkn, ruiken-rieëkn, stuur (van auto)-stieër, vuur-vieër 

 

Enkele zinnetjes om te oefenen:
Keetn geeërn u ki me mu vrowu in u ristorang, gukent voe zu vreeë goeju sjhutuls me musuls of kabuljow in u niksilent sowsju, nateurluk me frietn en u goe glas wien en doragtur u poör sooörtn koös. Giedur ook? Dat is beetur dan u stuutu me butur wi!

Nu lopt up du diek me zu sjhooön smooörriek lieëf medu dieëru goedn rienk an eur viengur. Eën zu riekt goeët wi! Tis u lieëvu eën zis goeët vorzieën van pooötn en ooörn. Zooön lief!

In moörtu istn go jaagn me zu noenklu eën zu voödur die ook zu boös is, eën zu wildun u nertu sjhieëtn. Neeën, gin buk mor u nertu.

Tu vuuvn (of wast vieëru?) woörn zu ant voörn up du zeeë  in undur blooöt boovnlief. Undur rik en undur sjhoeërn woörn rooöt van u zunusteeku. Zadn undur mo moetn iïnsmeërn, ee?

Hoe vind je dit bericht? 7 stemmen
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Woordenboek Westends Dialect

↑ Terug naar de berichten