Woordenlijst Nr 2: Gezondheid (artsnamen staan bij beroepen)
Aaänzjien: keelontsteking
Aambijun: aambeien
Aaändoeëniengu: aandoening
Aaänguboorn: aangeboren
Aaänsteekuluk: aanstekelijk, besmettelijk
Ambuulaaänsu: ziekenwagen Fr ambulance
Amanguls: amandelen
Ampuuteern: amputeren
Amputoösju: amputatie
Andiekap: handicap
Andoeëniengu: hartaanval
Apandiesiet: blindedarmontsteking Fr appendicite
Apses: abces
Apulflowtu: appelflauwte
Asjieluspeezu: achillespees
Asprienu: aspirine
Asjhun: as (overschot na verassing van een lichaam)
Asan du riepu of du sjhietu en: altijd iets mankeren
Ataku: (hart) aanval, trombose
Ataksju: lichte hartaanval
Baarmoeëdur: baarmoeder
Bakteerju: bacterie
Beeënbreuku: beenbreuk
Biekomn: bijkomen, ontwaken (na operatie bvb)
Biezieëndu: bijziende
Bliïnu: blaar
Bloörn: blaren
Bloözn: blazen
Bloöru: blaar
Bloözoentsteekiengu: blaasontsteking
Bloeblïinu: bloedblaar
Bloeëdiengu: bloeding
Bloeëtdruk: bloeddruk
Bloeëtgroep: bloedgroep
Bloeëtneuzu: bloedneus
Bloeëtoörmoeë: bloedarmoede
Bloeëtproef: bloedproef
Bloëetsierkuuloösju: bloedsomloop Fr circulation
Bloeëtspeegul: bloedspiegel
Bloeëtsuukurspeegul: bloedsuikerspiegel
Bloeëttraaänsfuuzju: bloedtransfusie
Bloeëtvurgiftiegiengu: bloedvergiftiging
Bloeëtvurlieës: bloedverlies
Blokjoörn: blokjaren, waarin je uitzet, dikker wordt
Blowu pleku: blauwe plek
Bobienu (mu) is up: ik ben doodmoe
Braakn: braken
Braankaar: brancard
Brantwoendn: brandwonden
Brantwoendu: brandwonde
Breuku: breuk
Broönsjiet: bronchite
Bruunvurbrant: bruinverbrand
Bugraaviengu: begrafenis
Buregtn: laatste sacramenten toedienen
Busmetiengsguvoör: besmettingsgevaar
Busmetiengu: besmetting
Busmetuluk: besmettelijk
Bustraaliengu: bestraling
Butraapuluk: besmettelijk
Buukloop: buikloop
Buukkrempu: buikkramp
Buukspieërn: buikspieren
Buukvlieësoentsteekiengu: buikvliesontsteking
Buulu: buil
Buwustuloos: bewusteloos
Buwustzien: bewustzijn
Buwustziensvurliëes: bewustzijnsverlies
Buzoektiet: bezoektijd (in hospitaal)
Dermbloeëdiengu: darmbloeding
Dermiïnfeksju: darminfectie
Diejeet: diëet
Doof zien: doof zijn
Dooön (u): een dode, overledene
Dooötgoön: sterven
Dooötvurkloörn: doodverklaren
Droöjiengu: draaiing
Du nuusdokteur: de huisdokter
Dur deuru komn: genezen => Nis/Zis tur deuru: hij/zij is genezen => nu go tur nog deuru komn: hij gaat er nog doorkomen
Duuzuliengu: duizeling
Duuzuln: duizelen
Duuzulug: duizelig
Eësunbloeëdiengu: hersenbloeding
Eësunvlieësoentsteekiengu: hersenvliesontsteking
Ertaaänvol: hartaanval
Ertspeesjaliest: hartspecialist, cardioloog
Eupu: heup
Fleurusien: reumatisme
Foetbalknietju: voetbalknietje
Gabu: wonde =>Net u grooötu gabu aän zu kop: hij heeft een grote wonde aan zijn hoofd
Galu: gal
Galusteeën: galstenen
Geelzugt: geelzucht
Gin steeku zieën: geen steek voor ogen zien
Guzoenteit: gezondheid
I ju bedu pisn: in je bed wateren
Ieksustraaln: x-stralen
Iïnfeksju: infectieIjds: aids
Iïngent: ingeënt
Inoösumn: inademen
Jis/zis tgoön zegn: hij/zij is gestorven
Joörluksju kontrolu: jaarlijkse controle
Ju sjieku uutspuugn: sterven
Jukstu: jeuk
Kalorieën: calorieën
Katulam: doodmoe
Keunubloözu: vaak moeten plassen
Kienkoeëstu: kinkhoest
Klienieku: kliniek
Kloentur: klonter
Kmoeëtn spuugn: ik moet overgeven
Koedu: verkoudheid
Koönsuultoösju: raadpleging Fr consultation
Koönu: wandelstok
Korsn: koorts
Korsubloözu: koortsblaas
Korsupuustu: koortsblaas
Korsn(s): koorts
Kozientjus: jicht
Kraambedu: bed waarin kind geboren wordt
Krabuln: krabben
Krempu: kramp
Kruveern: kreperen
Kriku: kruk
Liek: lijk
Liekdieënst: lijkdienst
Lieksjhowiengu: lijkschouwing
Liekwaagun: lijkwagen
Loengoentsteekiengu: longontsteking
Luumbagoo: lumbago
Maagbloeëdiengu: maagbloeding
Maagkangkur: maagkanker
Maagkrempn: maagkrampen
Maagliedur: maaglijder
Maagzeur: maagzuur
Maagzoet: maagzout
Maagzweëru: maagzweer
Maboel: getikt, zot
Mankn: manken
Me zu pekuls omoogu lign: overleden zijn
Meediekamentn: medicamenten
Meediekoösju: medicatie
Meediesienu: medicijn
Meezubeetu: muggenbeet
Met u kriku goön: stappen met behulp van een kruk (stok)
Mismeeësturt: verkeerd behandeld door de dokter
Misvol: miskraam
Mochul: fluim
Moeëtn spuugn: moeten overgeven
Moözuls: mazelen
Muuluplaagu: mondontsteking
Net asan du riepu of du sjhietu: er mankeert wel altijd iets aan zijn gezondheid
Net du sjhoolsjhietu: veinzen ziek te zijn om niet naar school te moeten
Net u sjheutu gukreegn: hij is fel gegroeid
Nieëru: nier
Nieërn: nieren
Nieërsteeën: niersteen
Nieëzun: niezen
Nie goeët ooörn: niet goed horen, doof zijn
Nis an zu nertu: hij heeft iets aan zijn hart
Nis in zu blokjoörn: jaren waarin je uitzet en dikker wordt
Nis slieku vet: hij is zeer dik
Nis sligt tu pooötu: hij heeft moeite om te stappen
No du wup goön: kapot gaan
Nu kent tendu van zu magt nie: hij is ijzersterk maar is zich daar niet altijd van bewust
Nu rutult in zu vel: hij is mager
Oendurdiekstraaln goön: radiologisch onderzocht worden
Oeënguzoent: ongezond
Oentsmetiengu: ontsmetting
Oentsteekiengu: ontsteking
Oeëst: hoest
Oeëstn: hoesten
Oeëstsieroopu: hoestsiroo
Ofgank: diarree
Ofguvoln: afgevallen, vermagerd
Ofgustorvn: afgestorven
Oftaakuln: aftakelen
Ofzetn: amputeren
Ofzieën: afzien
Ofzoenduriengu: afzondering, quarantaine
Ojmoguzoentziet: als ge maar gezond zijt
Oödur: ader
Oödurbreuku: aderbreuk
Oödurvurkoökiengu: aderverkalking
Ooftwoendu: hoofdwonde
Oogmeeëstru: oogarts
Ooöraparei: hoorapparaat
Ooöraparoöt: hoorapparaat
Ooörn loötn uutspuijtun: oren laten uitspuiten
Oördug zien: zich onwel voelen => kvoeln mu lik oördug: ik voel me onwel
Oösum: adem
Oösumn: ademen
Oösumnoöt: ademnood
Opuroösju: operatie, heelkundige bewerking
Osan du riepu of du sjhietu en: altijd iets mankeren aan de gezondheid
Ospietaal: hospitaal
Ospietaalbedu: hospitaalbed
Ospietaalkaamur: hospitaalkamer
Ospietaalupnaamu: opname in het hospitaal
Ospietaliezoösju: hospitalisatie
Oovur eërdu lign: dood maar nog niet begraven
Oovurbrugiengu: overbrugging
Piekeuru: pikuur
Pijsmijkur: pacemaker Eng pacemaker
Pilu: pil
Plakiestur: pleister, plakker (op een wonde)
Ploöstur (in du): in het gips
Poziesju (in): zwanger
Potudoof: zeer doof
Puusju: puistje
Puustu: puist
Reeguls: ongesteldheid, maandelijkse menstruatie
Roötpleegiengu: raadpleging
Rolstoeël: rolstoel
Rooötvoenk: roodvonk
Rutuln i ju vel: mager zijn
Rutuln uut ju kleeërn: het koud hebben
Rutuln van du koedu: zeer koud hebben
Ruuzuldoof: erg doof
Sjheetu: wind, scheet
Sjheutu i ju rik: plotse pijnsteek in de rug
Sjhietu: afloop, buikloop, diarree
Sjhramu: schram
Skanur: scanner
Sliekuvet: zeer dik
Sligt tu pooötu: die moeilijk gaat
Sliem i ju keelu: keelslijm
Snotubelu of Snotukeësu: lopende neus
Snotukalu: neusvocht
Snotvoliengu: snotvalling
Spakn: hinken
Spaku: iemand die hinkt
Speen: aambeien
Spoeëtupnaamu: spoedopname
Steeg: stijf
Steeg van ofgoön: moeilijke stoelgang hebben
Steekublint zien: iets niet zien, zonder dat de ogen daarom slecht zijn
Stievu neku: stijve nek
Stroent in zu nooörn/noogun en: niet goed horen/zien
Sus (vaaän zu): bewusteloos
Suukurziektu: suikerziekte
Tantpienu: tandpijn
Tendu noösum zien: buiten adem zijn
Tenturdjot: jodiumtinctuur Fr teinture d’iode
Tinieseluboogu: tenniselleboog
Tis u veugul voe du katu: er is niets meer aan te doen
Tis veru va ju gat, ju moetur nie op zitn: reactie op pijn of kwetsuur
Tjukt: het jeukt
Trutulap: maandverband
U kient koopn: bevallen
U puut in ju keelu: een kikvors in je keel, hees zijn
Upnaamu: opname
U sjheutu gukreegn en: fel gegroeid zijn op korte tijd
Uutlet: uit het lid
Uutoösumn: uitademen
Variezu: spatader Fr varice
Variezukoesu: spataderkous
Veru dooöt: op sterven liggen
Vieruus: virus
Vieruusiïnfeksju: virusinfectie
Vietamien: vitamines
Vogtvurlieës: vochtverlies
Voliengu: verkoudheid
Voöksguzoenteit: volksgezondheid
Vooörnsjhrievn: voorschrijven (medicijn)
Vors sukuln: verdersukkelen
Vul zitn: zwanger zijn
Vurasjhn: verassen
Vurbantkisju: verbandkistje
Vurdikn: verdikken
Vurdooviengu: verdoving
Vurdoovn: verdoven
Vurekiengu: verrekking
Vurfeln: feller, dikker worden
Vurkoedn: verkouden
Vurlamiengu: verlamming
Vurmaaguriengskeuru: vermageringskuur
Vurmaaguriengu: vermagering
Vurmaagurn: vermageren
Vurmoejteit: vermoeidheid
Vurslaaviengu: verslaving
Vursmagtn: versmachten
Vurstikiengu: verstikking
Vurstuukingu: verstuiking
Vurstuukn: verstuiken
Vurveeln: vervelen
Vurveln: vervellen
Vurzorgiengu: verzorging
Vurzwakiengu: verzwakking
Vurzweëriengu: verzwering
Vurzweërn: verzweren
Wareern: rondlopen (vb de griep)
Woendu: wonde
Wortu: wrat
Zeeër en: pijn hebben
Zeeër i ju buuk: buikpijn
Zeeër i ju nooft: hoofdpijn
Zeeër i ju rik: rugpijn
Zeeër i ju tan: tandpijn
Zieëk voln: ziek vallen
Zieëk zien: ziek zijn
Zieëkuboent: ziekenbond
Zieëkufoeëns: ziekenfonds
Zieëkukasu: ziekenkas
Zo zieëk of u noent: zo ziek als een hond
Zoövu: zalf
Zotukot: tehuis voor mentaal gehandicapten
Zu bobienu is of: zijn krachten zijn uitgeput
Zu sjieku uutspuugn: sterven
Zweeëtn: zweten
Zweërn: zweren
Zweëru: zweer
Zwienusteeku: oogongemak

