Naar de inhoud

Woordenboek Westends Dialect

Laten we dat niet verloren gaan
akke.beakke.be

Berichten van 7 januari 2019 tot 13 januari 2019

Woordenlijst Nr 6 Lichaam – Uiterlijke kenmerken Onderdelen Uitwerpselen Toestand

Andn: handen
Ant: hand
Baarmoeëdru: baarmoeder
Bakuboördn: bakkebaarden
Beeën: been, benen
Bekof: zeer moe
Bekoör: licht krullend haar
Biburn: bibberen
Bieërbuuksju: bierbuikje, dik buikje door alcoholgebruik
Biezieëndu: bijziendu
Bilu: bil
Blindudermu: blindedarm
Bloeët: bloed
Bloentoör: blond haar
Bloent(u): blond(e)
Blooöt: bloot
Blooötu pekuls: blote voeten
Bloözu: blaas
Boeëzum: boezem
Boksursneuzu: boksersneus
Boluwoördu: bewusteloos
Boög: lichaam
Boört: baard
Boörtgroej: baardgroei
Bost: borst
Bostn: borsten
Braakn: braken
Braksul: braaksel
Briln: een bril dragen
Bubul: bobbel
Bultu: bult
Buuk: buik
Buuksju: buikje
Buukspieërn: buikspieren
Buukunaful: navel(ju)
Buukupit(ju): navel
Buukvlieës: buikvlies
Buzwit: bezweet
Dermu(s): darm(en)
Duum: duim
Duumunaagl: duimennagel
Eësuns: hersenen
Elupuupu: elleboog
Elutuutju: elleboog

Ertu: hart
Ertuklepu: hartklep
Fabriezun: bakkebaarden
Fasn: bakkebaarden
Fientug: tenger, mager
Flapooörn: grote wijdstaande oren
Fokutan: tanden die fel naar voor staan
Galubloözu: galblaas

Gat: achterste
Gildug: stevig, dik
Goeët vorzieën van pooötn en ooörn: met volle boezem
Griesdu: grijze (van haar)
Griesdoör: grijs haar
Gusjheetn en guspoogn: gelijken op elkaar als twee druppels water
Guspoogn en gubrakt: goed gelijken op
Ieëlu: hiel

Ienkul: enkel
Iïn ju viengur gusneen en: een wind gelaten hebben
Iïn zu blooötu flikur: in zijn blootje
Jukstu: jeuk
Ju patatun ofgieëtn: wateren
Junertu: je hart
Kaaku: kaak

Kaksju: uitwerpsel bij stoelgang
Kakn: stoelgang maken
Katulam: zeer moe
Keelugat: keelgat
Kegu: grote neus
Keunubloözu: konijnenblaas, kleine blaas
Kietu: kuit
Kinu: kin
Klepu: mond
Kletsukop: kaalkop
Klooötn: kloten, teelballen
Kmoeëtn no bagtn: ik moet naar het toilet
Knoeëzul: enkel
Koentu: achterwerk

Koturn: peuteren (in de neus bvb)
Krabul: kwetsuur door gekrab
Krootn: neuskreutn
Krulu: haarkrul
Kruloör: krulhaar
Kruln: haarkrullen
Kutul: keutel
Kwieëln: kwijlen, speeksel uit de mond lopen
Leen: lenden
Leënzu: lens
Lieësjhu: lies

Lief: lijf
Lienksandug: linkshandug
Lik uut u doosju komn: er goed en verzorgd uitzien
Lipu: lip
Loengn: longen
Loengu: long
Maagduvlieës: maagdenvlies
Maagu: maag

Makiejoözju: maquillage
Meëktant: melktand
Miezaampli: soort haartooi        Fr mise en plies
Mimoorju; geheugen
Mismakt: mismaakt
Misvormiengu: misvorming
Mochul: fluim
Moeëdurvleku: moedervlek
Moendoek: mondhoek
Moent: mond
Moentwoötur: mondwater
Moestasj: snor
Muulu: muil
Naful: navel
Neku: nek
Netvlieës: netvlies
Neupu (u): een heup
Neuzu: neus
Neuzugoötn: neusgaten
Nieëru: nier
No bagtn goön: naar toilet gaan

Nu komt toetan mu sjhoeëru: hij is zo groot als mijn schouderhoogte
Oendurrik: onderrug
Ofgank: afgang, diarree
Ofgoön: afgaan
Ofsjheërn: afscheren
Ofslankn: afslanken

Ofslankiengu: afslanking
Oödurs: aders
Oogbloent: hoogblond, ros

Oönzigtu: aangezicht

Ooörklepn: oorkleppen
Ooörn en lik talooörn: oren zo groot als teljoren
Oörsprij: haarspray
Oöru: oor
Oösum: adem
Oözulipu: hazenlip
Orgoön: orgaan

Oör: haar
Oör volt uut: haar valt uit
Oörmu: arm
Otuntot: ottentot, klein ventje

Peënsu: pens, buik

Peezu: pees
Pienksju: pinkje
Piesoogsjus: kleine oogjes (vb bij een drankkater of na te weinig slaap)
Piestukietn: magere bleke kuiten
Pisu: urine
Poeptju boovn deërdu: klein van gestalte
Poepu: achterste
Poepunolutju: achterste van een klein kind
Puustu: puist
Puustju: puistje

Puustumuulu: met puisten en/of zweren in het gezicht
Rebu: rib
Rebukasu: ribbenkast
Regtsandug: rechtshandig
Rik: rug

Rompuls: rimpels
Rostu: ros van haar
Rostu teevu (u): een roodharige vrouw
Rostun: roodharige man
Rostoör: ros haar
Rutuln van du koedu: rillen van de kou
Ruuzul: zeer doof
Sjhartn: krabben (wo dat jukt: waar het jeukt)
Sjhartuln: krabben
Sjheeln: schele
Sjheetu: scheet, wind
Sjhermienkul: lelijk mens
Sjhoeërs: schouders
Sjhoeëru: schouder
Sjhooönu: schoon
Sjhooönugeit: schoonheid
Sjmienkn: schminken

Slagoödur: slagader
Sliekuvet: zeer dik
Slokdermu: slokdarm
Smiekul: aangezicht
Snotukeësu: lopende neus
Spieëru: spier
Spletu: spleet, haarscheiding

Spuug(sul): speeksel

Staakustief: zo stijf als een staak
Steeënmoeë: zeer moe
Stokudoof: stokdoof
Streusjhu vint: een struise vent
Stroent: stront
Tendunoösum: buiten adem
Tetn: borsten
Tgatof: uitgeput
Tis lik u noedu petu: hij ziet er uit als een oud mannetje

Toengu: tong
Tootu: gezicht
Trutu: vagina
Trutulap: maandverband

Tu leeëlik om/voe teëpn dundurn: zeer lelijk
U grooötu lanteërn met u kleeën lugtju: alleen uiterlijk groot maar innerlijk  klein
U nant: een hand
U sjhoöonu moku: een mooi meisje
U snelu poeëzu: een mooie vrouw
Uuturluk: uiterlijk
Va ju zeëvn voln: bewusteloos worden
Variezn: spataders      Fr varice
Vel: huid

Viengur: vinger
Voeëtzeulu: voetzeul
Vooörkomn: voorkomen
Vooörooft: voorhoofd
Vooörtant: voortand
Vratu: wrat
Vrowubost: vrouwenborst

Vrugtboör: vruchtbaar
Vurdikt: verdikt
Vurmaagurn: vermageren
Vurmaagurt: vermagerd
Vurmienkt: verminkt
Vuroedurn: verouderen
Vuroedurt: verouderd
Vurvet: verdikt
Vurwoendiengu: verwonding
Vuust(u): vuist
Weerbustul: weerborstel, wild opstaand haar
Weezn: aangezicht
Wienkbrown: wenkbrauwen

Wiesijtstant: wijsheidstand
Wiesviengur: wijsvinger
Wimpurs: wimpers

Witgriesdu: wit-grijs (haar)
Zeeër iju nooft/buuk: koppijn/buikpijn
Zilmu: zenuw
Zilmus: zenuwen
Zoöt: zaad, sperma

Zu noör iïn zu tan: zijn haar in zijn tanden, onverzorgd en te lang haar
Zweeëtdrupul: zweetdruppel
Zweeëtn: zweten
Zwoörlievug: zwaarlijvig

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Woordenboek Westends Dialect

↑ Terug naar de berichten