Woordenlijst Nr 12: Gemoedstoestand Gevoelens
Aänjaagn: zich fel haasten
Agturdogtug: achterdochtig
Agturloop: veel moeite
Alturoösju: ontroering
Ambjaaänsu: stemming Fr ambiance
Andagtug: aandachtig
Ankurn: hevig verlangen
Barmertug: barmhartig
Bendig: nieuwgierig, hevig naar iets uitkijkend
Beu lik koedu pap: iets zeer beu zijn
Biebudoeëliengu: bijbedoeling
Bleëtn: wenen
Bliedu of blieë: blij
Blietsjhap: blijdschap
Bliekboör: blijkbaar
Bloeëtstolunt: bloedstollend
Braavu zien: braaf zijn
Brimstug: geil, bronstig
Budoeëliengu: bedoeling
Budoeëln: bedoelen
Budwieng: bedwingen
Bugoeftu: behoefte
Bukn: koppig zijn
Bukomuriengu: bekommering
Bukooöriengu: bekoring
Bukrompn: bekrompen
Bulachuluk: belachelijk
Bulang: belang
Bulangsteliengu: belangstelling
Buleedugt: beledigd
Buleeëriengu: belering
Bulemuriengu: belemmering
Buletsul: beletsel
Bumoeëdurn: bemoederen
Bunowt zien: bang zijn
Buproeviengu: beproeving
Burustiengu: berusting
Busjhaamt zien: beschaamd zijn
Busjhijdun: bescheiden
Busjhowiengu: beschouwing
Buwoöjt: scheel van de goesting (naar eten)
Da werkt op mu zilmus: dat werkt op mijn zenuwen
Dankboör: dankbaar
Deegoe: afkeer Fr dégoût
Deeliekoöt: delikaat Fr délicat
Dinu doeën: er niet goed van zijn
Dragtur kun sjhuufuln: erachter mogen fluiten, iets niet krijgen
Droomweirult: droomwereld
Drukdoeëndurieë: drukdoenderij
Du kituls en: gevoelig voor kriebels
Du krul kriegn: zeer hard op de zenuwen gewerkt
Dul zien: kwaad zijn
Dur geërn bie zien: er graag bij zijn
Dur me ju klaku noö sloön: op goed geluk polsen of raden
Dur nie goeët vaän zien: er niet goed van zijn
Dur tertu van iïnzien: er het hart van in zijn
Durbie kwieëln: erbij kwijlen
Durvan braakn of spuugn: er genoeg van hebben
Eeënzaam: eenzaam
Eëk weërt em: iedereen doet zijn best
Eëk zu goestu: ieder zijn wil, zijn goesting
Eemulstuvroet: zeer kwaad
Eeërlik zien: eerlijk zijn
Enuvleis: kippenvel (rilling van ontroering, van ‘t verschieten)
Ertulik: hartelijk
Espres: opzettelijk Fr exprès
Foeëln: voelen
Froöj zien: braaf zijn
Gamuuzeert: geamuseerd
Gintriseert: geïnteresseerd
Goestu: goesting
Goestu en: goesting hebben
Groeën van zjaloezieë: groen van jaloezie
Guboöriengu: doen alsof, iets gebaren, veinzen
Guboejt: geboeid
Gubrookn: gebroken
Gukwetst: gekwetst
Gulukug zien: gelukkig zijn
Guneërn: amuseren
Guwoöru wordn: gewaarworden
I ju gat gubeetn zien: verbolgen zijn over iets
In du duuk: stiekem
In u vroedu koleeru sjhieëtn: koleriek reageren
In zu broek doeën: bang zijn
Intoesjast: enthousiast
Jankn: huilen als een hond
Jeun: genieten
Ju juünstu toogn: tonen dat je iets wil doen
Ju karu keeërn: van mening veranderen
Ju kasu upfretn: zich vervelen, ongeduldig zijn
Ju kazaku droöjn: van gedacht veranderen, overlopen
Ju kluts kwiet zien: van niets meer weten
Kaan al bunowt da: ik was al bang dat
Kajietn: uitschreeuwen van de pijn
Kalmtu: kalmte
Kalmu: kalm
Kanuguluk: geluk dat er voor jou nog wat overgebleven is
Ken dur gunoeg van: ik heb er genoeg van
Ken dur mu klaku vaan vul: ik heb er genoeg van
Ken dur mu kot in: ik geniet ervan
Kgo no mu kip: ik ga slapen
Koeroözju: moed Fr courage
Kompasju: medelijden
Kontent zien: tevreden zijn Fr content
Kontentument: tevredenheid, voldoening Fr contentement
Koönfjeënsju: vertrouwen Fr confiance
Koönfort: comfort Fr confort
Kopug: koppig
Kriegn dur kieëkuvel van: ik krijg er kippenvel van
Kriesjhn: wenen
Ksien dul: ik ben kwaad
Kurjeus: nieuwsgierig Fr curieux
Kurjeuzuneuzn en vraagsteërtn: nieuwsgierig zijn
Kurjeuzuteit: nieuwsgierigheid
Kutent: content, tevreden
Kuumn: niets zeggen
Kvoeëln muniegoeët: ik voel me niet goed
Kwetsboör: kwetsbaar
Kwieln: kwijlen
Kwitzoendur of: ik ben benieuwd of
Kwoöt zien: kwaad zijn
Kzien kuük: ik ben pompaf
Kzien murwu: ik ben murw geslagen
Kzien tertu of: ik kan niet meer
Kzient zo moewu lik aaängubrandu pap: ik ben het heel erg moe
Lachun: lachen
Lank gat (met u): tegen de goesting iets doen
Leeg: lui
Leegoört: luiaard
Liebur: vrij Fr libre
Lieburtijt: vrijheid Fr liberté
Lieën: lijden
Lujugeit: luiheid
Malsjaaänsu en: ongeluk hebben Fr malchance
Me ju pies in du wient stoön: verslagen, geen raad meer weten
Meegoöndu: gewillig, sympathiek
Meeleevn: meeleven
Meënsjhuluk: menselijk
Meefoeln: meevoelen
Meevoln: meevallen
Meewiln: meewillen
Meezitn: meezitten
Me tu poepurs zitn: bang zijn
Met u kleeën ertju: met een klein hartje, beschroomd
Met u lank gat: met tegenzin
Mien bobienu is of: in ben doodop
Moeë: moe
Moeëduloos: moedeloos
Moeëdurertu: moederhart
Moeëdurlieëfdu: moederliefde
Moentzieënt: we zien er tegenop
Mu zoendur kloör upstoön: het zou niet goed zijn als we dat deden
Nie va wantn weetn: nergens iets van afweten
Nis dul, zisdul: hij is kwaad, zij is kwaad
Nis/zis goeët vanertu wi: hij/zij heeft een goed hart, hoor
Nooötgudwoeng: noodgedwongen
Oedjan tgas: bereid je er maar op voor
Nu jeunt em doö: hij voelt zich daar goed
Oenaaängunaam: onaangenaam
Oenduvroet zien: heel erg boos zijn
Oeëngudult: ongeduld
Oeënguduldug: ongeduldig
Oeënguluk: ongeluk
Oeëngulukug: ongelukkig
Oeëngurust: ongerust
Oeënpusjentug: ongeduldig Fr impatient
Oeënsjaänsu: ongeluk, tegenvallend
Oeënvrieënduluk: onvriendelijk
Oeënzeekru: onzeker
Oeërusjaänsu: veel geluk
Oentmoeëdugt: ontmoedigd
Oentroeëriengu: ontroering
Oentroeërt: ontroerd
Ofvraagn: afvragen
Ooörndul: geschift, getikt
Oovurguvoeëlug: overgevoelig
Op zu sjieku bietn: zich inhouden
Peizn: peinzen, denken => kpeizn: ik denk
Pieëpn: schreeuwen
Pienluk: pijnlijk
Poepurs: schrik
Poeër: pit
Preus: fier
Preus lik veeërtug: zeer fier
Pusjeënsju: geduld Fr patience
Pusjentug: geduldig Fr patient
Riliengu: rilling
Roesputeern: misnoegen uiten Fr rouspéter
Rooj: last
Rooöt van sjhamtu: rood van schaamte
Roözunt van koleeru: razend van woede
Ruksju: reukje
Rutuln: misnoegdheid uiten
Seënsoösju: sensatie
Simpatiek: sympathiek
Sjaänsu: geluk, meeval Fr chance
Sjhieë: bevlieging
Sjhien: schijn
Sjhietur: bangerik
Sjhiln: schelen
Sjhreimn: wenen
Sjhruwuln: zeer luid schreeuwen
Spietug: spijtig
Stilu: stil
Surjeus: ernstig Fr sérieux
Tertu durvan iïn zien: er het hart van in zijn
Tienkt mien da: me dunkt dat
Tis mo daj twit: als je het maar weet
Tis mu juustu gliek: het is mij om het even
Tis voe bie tu bleëtn: je zou erdoor wenen
Tka mu nie sjhiln: het kan me niet schelen
Toed an du rebn: het is straffe kost
Trow zien: trouw zijn
Tsloeg (d)a mu nertu: ik verschoot mu rot
Tspek a ju klooötn en: het zitten hebben, het slachtoffer zijn
Twerkt up mu zilmus: het werkt op mijn zenuwen
U noent zoet rieëkn: het was te verwachten
U sjheetu lachn: plezier hebben
U vroedu koleeru: erg kwaad zijn
Ulpuloos: hulpeloos
Up ju kinu meugun klopn: op je kin mogen kloppen, niet krijgen wat je verwacht
Up ju peërt zitn: kwaad zijn
Up ju weeroedn zien: afwachten en voorzichtig zijn
Upgulugt: opgelucht
Upguwekt: opgewekt
Upjaagn: opjagen, aanzetten tot grotere haast
Upoedn: ophouden
Upregt zien: oprecht zijn
Utwa doeën met u lank gat: iets doen tegen zijn goesting
Utwa geeëstug vieng: iets leuk vinden
Utwa meeën: iets ernstig menen
Utwieën geërn zieën: van iemand houden
Utwoö dinu van zien: ergens niet goed van zijn, ontgoocheld zijn
Uutbundug: uitbundig
Uutguloötn: uitgelaten
Uutoedn: uithouden
Uutpluuzn: uitpluizen
Uutgupluust: uitgeplozen
Van u noözu gupoept zien: haast hebben, haastig zijn
Veelu pusjeënsen: veel geduld hebben Fr patience
Vijandug: vijandig
Voeëlboör: voelbaar
Voeëliengu: voeling
Vooörguvoeël: voorgevoel
Vooörkeuru: voorkeur
Vooörlieëfdu: voorliefde
Vooörooördeeël: vooroordeel
Vooörproevutju: voorproefje
Vooörsmaksju: voorsmaakje
Vorspelboör: voorspelbaar
Vorspeliengu: voorspelling
Vraagteeëkn: vraagteken
Vreeësuluk: vreselijk
Vriedom: vrijheid
Vrieënduluk: vriendelijk
Vriegeevug: vrijgevig
Vriejijt: vrijheid
Vriejuut: vrijuit
Vriewilug: vrijwillig
Vroegiengu: wroeging
Vroet: kwaad
Vrowunertu: vrouwenhart
Vuldoön: voldaan
Vurboöziengu: verbazing
Vurdrieët en: verdrietig zijn
Vurdwoöst: verdwaasd
Vurlang: verlangen
Vurlijdiengu: verleiding
Vuroendursteliengu: veronderstelling
Vurasiengu: verrassing
Vurneedriengu: vernedering
Vurneedurt: vernederd
Vursjhieëtagtug: die gemakkelijk schrikt of verschiet
Vursjhrikt zien: verschrikt, zeer bang
Vursmagtn: verstikken
Vurstievn: verstijven (van angst bv)
Vurvuliengu: vervulling (wens)
Vurwerkiengu: verwerking (van een tegenslag)
Vurwoendriengu: verwondering
Vurwoendurn: verwonderen
Vurwoendurt: verwonderd
Wa sjhiltur: Wat scheelt er
Walgiengu: walging
Wanoopug: wanhopig
Weënsjhn: wensen
Wijgur zien oovr utwa: zorg dragen over iets
Wit van koleeru: wit van woede
Zis nie zindlik: ze kijkt niet nauw, ze is niet kieskeurig
Zjaloeës zien: jaloers zijn
Zjaloezieë: jaloezie
Zoendu: zonde
Zu booöntjus tu weeëku legn: azen op iets
Zu gat sjhuufult: hij is zenuwachtig, op zijn ongemak
Zu jeun undur doö: ze voelen zich daar goed
Zu jeunt eur doö: ze voelt zich daar goed
Zu lipu loötn ang: ongelukkig, verdrietig zijn
Zu toopu sloön: bang zijn
Zu zit met du poepurs/sjhieturs: ze is bang

