Woordenlijst Nr 13: Geld Financies
Aalmoeëzu: aalmoes
Aksjus: acties, aandelen
Al slaapundu rieku wordn: al slapend rijk worden, er niets moeten voor doen
Andeeëln: aandelen
Andeeëloedur: aandeelhouder
Bankbieljet: bankbiljet
Bankbrieftju: bankbriefje
Bankgugeim: bankgeheim
Bankkluuzu: bankkluis
Bankkoörtu: bankkaart
Bankleeëniengu: banklening
Bankofsjhriftu: bankafschrift
Bankreekniengu: bankrekening
Bankroeët: bankroet
Banktugoeët: banktegoed
Batju: koopje
Beeteewee: BTW belasting op de toegevoegde waarde
Bendug: zuinig
Beuzu: beurs (instelling en zak)
Biebutaaliengu: bijbetaling
Biedraagu: bijdrage
Bielegn: bijleggen
Biepasn: bijpassen
Bievurdieën: bijverdienen
Bievurdieënstu: bijverdienste
Binbrieng: binnenbrengen (als bijdrage aan gezinskosten, bvb)
Boekoediengu: boekhouding
Boekoedn: boekhouden
Borgsteliengu: borgstelling
Brantkasu: brandkast
Brieftju: briefje (van twintig euro bvb)
Budervn: bederven
Budriefsbulastiengu: bedrijfsbelasting
Bukostugiengu: bekostiging
Bukostugun: bekostigen
Bulastboör: belastbaar
Bulastieng: belastingen
Bulastieng oentduukn: belastingen ontduiken
Bulastiengaängiftu: belastingsaangifte
Bulastiengefiengu: belastingsheffing
Bulastiengoftrek: belastingsaftrek
Bulastiengsjhievu: belastingsschijf
Bulastingsiestiïm: belastingssysteem
Bulastiengvrie: belastingsvrij
Bulegiengu: belegging
Bulegur: belegger
Bulooniengu: beloning
Bumiduln: bemiddelen
Buslaglegiengu: beslaglegging
Buspoöriengu: besparing
Busteediengu: besteding
Butaalboör: betaalbaar
Butaaliengu: betaling
Butaalkoörtu: betaalkaart
Butaaln: betalen
Buzitieng: bezittingen
Buzoldiegiengu: bezoldiging
Dadis giïn gelt: dat is goedkoop
Dieëru: duur
Dieëzn: duurder worden
Dran toesteekn: geld verliezen op een door jou betaalde zaak
Drienkgelt: drinkgeld
Dur gelt uutsloön: winst maken
Dur warmtjus iïn zitn: er warmpjes inzitten, veel geld hebben
Erfunisu: erfenis
Ervn: erven
Fajiet(u): bankroet
Fortuunu: fortuin
Garaaänsju: waarborg
Gasboeëtu: gasboete, opgelegd door de gemeente
Gelt moe roln: geld moet rollen
Gelt rieëkn: geld ruiken, voelen dat er iets te verdienen is
Gelt uut utwieën zu zak klopn: iemand te veel doen betalen
Gelt vurdieën lik sliek: op gemakkelijk manier veel geld verdienen
Gelt vurdoeën: geld uitgeven
Geltzak: rijke
Gin rostu kluutu en: niets bezitten
Gupast gelt: gepast geld
Ienkulgelt: muntstukken, kleingeld
Iepoteeku: hypotheek
Infloösju: inflatieInt zwart werkn: in het zwart werken
Ju gelt plaseern: je geld vastzetten op termijn
Ju gelt vastu zetn: je geld vastzetten
Ju ku gin kei vloön: je kunt niets ontnemen aan iemand die niets heeft
Ju mag ut up ju buuk sjhrievn: je zult nooit betaald worden
Kapietaal: kapitaal
Kasu: kassa
Kiendurgelt: kindergeld
Kluturgelt: kleingeld
Kluutu: tien centiem oud Belgisch geld
Kluuzu: kluis in de bank
Kortiengu: korting, afslagKoruupt zien: korrupt zijn
Krebu bietn: armoe, hongerlijden
Kroozn (va ju gelt): rente
KrotEnKompanjieë: grote armoede
KrotEnOörmoeë: grote armoede
Krotu: armoede
Lamurn: geld geven
Leeëniengu: lening
Leeflooön: leefloon
Leevun van du dis: onderhouden worden door het OCMW
Leevun van zu rentn: leven van de opbrengst van zijn geld
Meeërweërdu: meerwaarde
Met u fursjetu sjhrievn: te veel aanrekenen
Ne gi naagul voe zu gat tu krabuln: hij bezit niets en hij heeft geen geld
Nis me zu gat in du butur guvoln: hij is in een rijke familieterechtgekomen
Nu biet u frang in tweeën: het is een gierigaard
Nu zoet u frang in tweeën bietn: hij is erg gierig
Nu zit op zu geld: hij is gierig
Ofbieën: afbieden
Obliegoösju: obligatie
Oenkostn: onkosten
Ofbutaaln: afbetalen
Ofgusleegn: prijs is verminderd
Ofkortn: een schuld afbetalen
Ofslag: korting
Oftrekn van ju bulastieng: aftrekken van je belastiengen (gedane onkosten, forfait)
Oftrogln: aftroggelen
Ofpriezn: afprijzen
Ofslag: afslag
Oörmoeë: armoede
Oörmoeë troef: daar heerst armoede
Oovursjhot: overschot
Oovursjhrieviengu: overschrijving
Otomoöt: geldautomaat
Parkeerboeëtu: parkeerboete
Parkeergelt: parkeergeld
Poenku: spaargeld (verdoken)
Portufuju: portefeuille
Portumonee: geldbeugel Fr portemonnaie
Pronostiekn: een pronogstiek invullen
Reeguulariezoösju: regularisatie
Riekdom: rijkdom
Rieku stienkur: rijke stinker/man
Rinuweern: ruineren
Rusuu: ontvangstbewijs Fr reçu
Rutu: blut
Senteuru doeën: de riem toehalen om te besparen Fr ceinture
Sentn: centen
Sjhaavurgoeëdiengu: schadevergoeding
Sjhatbuwoördur: schatbewaarder
Sjhatkistu: schatkist
Sjhatrieku: schatrijk
Sjhuldn: schulden
Sjhuldn maakn: schulden maken
Sjhuldn ofbutaaln: schulden afbetalen
Sjik: cheque
Sjikboek: chequeboek
Sliek van deërdu: geld
Smooörrieku: zeer rijk
Speelsjhuldn: speelschulden
Spoörboeksju: spaarboekje
Spoörgelt: spaargeld
Spoörkasu: spaarkas
Spoörn: sparen
Spoörn voe ju noedun dag: sparen voor de oude dag
Spoörreekniengu: spaarrekening
Sponsurn: sponsteren, steunen met geld
Steeg: stijf
Steeg van ofgoön: gierig zijn
Steeënrieku: steenrijk, zeer rijk
Stortiengu: storting
Suukurtantu: suikertante, rijke tante zonder kinderen
Teëru doeën: verteren, geld uitgeven
Tgelt deur deurun en viïnsturs smietn: geld door deuren en vensters gooien
Tgelt dur deuru jaagn: veel en snel geld uitgeven
Tgelt groejt nie up mu rik: het geld groeit niet op mijn rug, ik ben spaarzaam want ik moet er hard voor werken
Tis eeën me kluutn: één met kluiten, een rijke
Toar zoet deur ju klaku groejn: je geld zou ervan op geraken
Tu nieëtu goön van tgelt: waardevermindering van het geld
Tvolt va nie oogu: het is niet duur
Tzoet up ju patatn nie vurdieën: heel weinig verdienen
U fluutu van u sent: een kleinigheid
U kleeën peënsjoeëntju: een klein pensioen
U kostlik batju: een dure aangelegenheid
U lotju koopn: een lot kopen
U neuroo: een euro
U neezul en die geld sjhiet: over onuitputtelijke geldbron beschikken
U nomaaliengu doeën: geld inzamelen
U zak gelt en: rijk zijn
Up du poef koopn: kopen op afbetaling
Up gin frang/euroo kiekn: het komt niet op een frank/euro
Up ju geld zitn: gierig zijn
Up zwart zoöt zitn: op zwart zaad zitten, geen financiële mogelijkheden meer hebben
Upbrieng: opbrengen
Upbriengstu vaju gelt: opbrengst, rente
Upslag: opslag
Uutspoörn: uitsparen
Vakaaänsugelt: vakantiegeld
Van zu gelt klapn lik u boer van zu kleeënu patatjus: van zijn geld spreken zoals een boer van zijn kleine aardappelen
Voe gin gelt van du weeërult: voor geen geld van de wereld, wat je ook mag bieden
Voe tzeëfstu gelt: voor hetzelfde geld
Vraagn kost giïn gelt: vragen kost geen geld, toch vragen als er weinig kans op slagen is
Vraagpries: vraagprijs
Vrie van taks: vrij van belastingen
Vurdieën: verdienen
Vurdieënstu: verdienste
Vureurn: verhuren
Voöksupvoeëdiengu: volksopvoeding
Voe nietn: gratis, kosteloos
Voer u napul en u nei: zeer goedkoop
Vooördeeël: voordeel
Vooördeeëlug: voordelig
Vooörnsjhieëtn: voorschieten
Vooörsjhot: voorschot
Vurdoeën: uitgegeven => aal zu gelt vurdoëen aaän snoep
Vurgoeëdiengu: vergoeding
Vurkoopupbriengstu: verkoopopbrengst
Vurkwistiengu: verkwisting
Vurlieës: verlies
Vurlieëzn: verliezen
Vurigtiengu: verrichting (op bankrekening)
Vuriekn: verrijken
Vurspiliengu: verspilling
Wediengu: wedding
Wedn: wedden
Witwasjhun: witwassen
Woekurn: te veel geld vragen
Woekurpries: veel te hoge prijs
Woekurwiïnstu: woekerwinst, te veel verschil tussen waarde en gevraagde prijs
Woörborgu: waarborg
Zo rieku of datu zeeë diepu is: zo rijk als de zee diep is, zeer rijk
Zo woörmu lik djop: zo arm als job, zeer arm
Zoöjn no du zak: de tering naar de nering zetten
Zu broek draän sjheurn: zijn broek eraan scheuren, verlies lijden
Zu gelt dur deurujasn: snel veel geld uitgeven
Zu gelt plaseerun: zijn geld vastzetten, investeren, plaatsen
Zu gelt zit in u koesu: hij heeft geen vertrouwen in de banken
Zu slepn draan sjheurn: verlies lijden bij een zaak
Zwart geld: niet aangegeven geld
Zwem int gelt: rijk zijn

