Naar de inhoud

Woordenboek Westends Dialect

Laten we dat niet verloren gaan
akke.beakke.be

Berichten van 25 maart 2019 tot 31 maart 2019

Woordenlijst Nr 16: Relaties Verwijten tussen personen eventueel met geweld

Aaän zu flasjhu: hij heeft het zitten
Aaänveërtboör: aanvaardbaar
Aaänroön: aanraden
Aaänsluutiengu: aansluiting

Agtur tgat klapn: roddelen
Agturaaln: achterhalen
Akooört: akkoord
Akuwerie: ruzie
Al moestn du kroöjn tuutbriengn: de waarheid komt wel ooit aan het licht
Alu bitjus eëpn: hoe klein ook het voordeel, het helpt vooruit
Aleeënu: alleen
Altroösju: ontroering
Altugoöru: allemaal samen
Ambras zoekn: ruzie zoeken
Ambrasseerun: omhelzen
Ambuteerun: lastig vallen      Fr embêter
An du lisu loopn: aan de leiband lopen, niet zelfstandig een beslissing kunnen nemen, maar het laten afhangen van een ander
Andunoölsbrieng: kapot maken
Andrieng: aandringen
Anduudn: aanduiden
Aniemoösju: animatie
Antoedn: onthouden
Art teegn oeënzogtu: hard tegen hard
Babultju (u) sloan: een babbeltje slaan
Baturn: vechten
Beetur u goeju gubeur dan u veru vrieënd: beter een goeie buur dan een verre vriend
Bie du buk doeën: bedriegen
Bie du buk guzet wordn: bedrogen worden
Bie zu pietju pakn: beetnemen
Biedroöjn: bijdraaien
Biejeeënbrieng: bijeenbrengen
Biejeeëndrievn: bijeendrijven
Biejeeënoedn: bijeenhouden
Biejeeënraapn: bijeenrapen
Biejeeënkomn: bijeenkomen
Biejeeënzoekn: bijeenzoeken
Biekomn: bijkomen
Bielegn: bijleggen (een ruzie)
Biezien: bijzijn
Binloötn: binnenlaten
Blamot gusleegn: murw geslagen
Boeërubudrog: boerenbedrog
Boeëzumvrieënd: boezemvriend
Boent: bond
Boovnoörms: bovenarms (ruzie)
Boözug: bazig
Budroogn wordn datu doom uut ju nooörn komt: bedrogen worden dat de damp uit je oren komt
Bugleidn: begeleiden
Bugleidiengu: begeleiding
Bugoestn: goesting doen krijgen
Bugroeëtn: begroeten
Bukentmaakiengu: bekendmaking
Bukentunisu: bekentenis
Bukomn: bekomen (van een hevige emotie)
Bukrooöniengu: bekroning
Bukukuln: verwennen
Buloeërn: beloeren
Buloftu: belofte
Bulooöniengu: beloning
Buluusturn: beluisteren
Bumiduln: bemiddelen
Bumoejn: bemoeien
Bunoödeeëln: benadelen
Bunoödriengu: benadering
Bunoödurn: benaderen
Buooördeeëliengu: beoordeling
Buooördeeëln: beoordelen
Burispiengu: berisping
Busjheetn komisju: iets wat je niet graag doet maar waarvoor men je in ‘t gat gestoken heeft
Busjhermiengu: bescherming
Busjhutiengu: beschutting
Busluupn: besluipen
Bustriediengu: bestrijding
Butastiengu: betasting
Butoovriengu: betovering
Butrapn: betrappen
Bututuln: in de watten leggen, bederven
Buutnsluutn: buitensluiten
Buutnstoöndur: buitenstaander
Buveilugiengu: beveiliging
Buvolugeit: bevalligheid
Buvooördeeëliengu: bevoordeling
Buzoekeuru: bezoekuur
Buzoekreegliengu: bezoekregeling
Buzoektiet: bezoektijd
Buzwoör: bezwaar
Das bie toör gugreepn: dat is bij het haar gegrepen
Deuren: doorhebben
Deurusteekn: verwijten
Deuruvurteln: doorvertellen
Deuruvurbien: doorverbinden
Deurzieën: doorzien
Dinu doeën: flauw doen
Djok (u): een duw, stoot
Droef: stout
Du daavur up ju lief: de daver op het lijf, zeer bang zijn
Du kerku int midn oedn: de kerk in ’t midden houden, bemiddelen
Du nuul van tspil zien: tenslotte het slachtoffer zijn
Du zot oedn met utwieën: iemand voor de gek houden
Duts: slachtoffer, benadeelde
Dwieng: dwingen
Eekulen anutwieën: een hekel aan iemand hebben
Eëk zu goestu: elk zijn goesting
Eësnspoeëliengu: hersenspoeling
Ej gie da guglooft?: hebt gij dat geloofd?
Eën gie gulooft dadu? En gij gelooft dat?
Ertulik: hartelijkFarsu: grap
Feezln: vezelen, fluisteren
Fiegn agtur poösjhun: vijgen na Pasen, iets wat te laat komt
Flak in zu noönzigtu: vlak in zijn gezicht
Gin klooötn weërt zien: voor niets deugen
Go vors: ga weg
Got magt weetn: niemand zal het ooit weten
Gotvurmielu djuu: vloek
Greëtn: de zot houden, uitlachen, spotten
Guburtu: gebuurte
Gunaakn: aanraken
Guriengult: om de tuin geleid, geklopt in een rechtstreeks duel (vb bij voetbal)
Gutoesjeert: geraaktIn kwestju zien: ruzie hebben
In kenisu zien: vrijen, iemand leren kennen
In stokn komn: ruzie krijgen
In toendurstu sjhof lign: in de onderste lade liggen, zegt men van iemand die niet bemind/gerespecteerd wordt
In utwieën zu raapn gusjheetn en: iemand kwaad op jou gemaakt hebben
In zu raapn gusjheetn: een slechte beurt maken
Jeun: gunnenJu duumtju driïn vetn: leedvermaak hebben
Ju ka su kusun: je kunt mijn kl.... kussen
Ju manieërn oedn: je goed gedragen
Ju moet dovooörn van u peërd geetn en: je moet daar zot voor zijn
Ju moe froöj zien: je moet braaf zijn
Ju moe ju muulu oedn: je moet je mond houden
Ju noarienk brat nie: je haring braadt niet, je krijgt niet gedaan wat je wenst
Ju zie gie zeekru up ju kop gustuukt?: jij bent zeker gek geworden?
Kadoo en kadootju: geschenk en geschenkje
Kapootu: condoom
Katju mien, katju weeru: weervraak, oog om oog, tand om tand
Katjuporu: lichte duw of tik
Katenoent: kat en hond, die steeds ruzie maken
Kbraakn vaju: ik heb genoeg van je
Kbraakn vaju muulu tu zieën: ik wil je niet zo vaak meer zien
Kekgoöjn: giechelen, zotte praat verkopen
Ken dromu gudoön: ik heb het opzettelijk gedaan
Kendur nie omu gudoön: ik deed het niet opzettelijk
Kent a mu rekul: ik heb pech, het lot valt op mij
Keunuklooötn: klungelen, knoeien, prutsen, vitten
Klaagurs eën gin nooöt mo gift du bofurs u brooöt: klagers hebben geen nood maar geef de stoefers een brood
Klintjus zien nie gumakt om in du grooöte under gat tu kiekn: kleine mensen spelen ook een rol en zijn niet onderdanig
Klooötn: kloten, pesten, plagen
Kgloovn da nie: ik geloof dat niet
Kmeugn ier dooötvoln ot gi woar is: ik mag hier doodvallen als ik lieg
Knegtubraku: meisje dat zot is van de jongens
Koentukraafs: tegendraads
Koetnaaänsju: gesprek
Komeern: roddelen
Komeeruklaps: praat van een roddelaar(ster)
Kompanieë: gezelschap            Fr  compagnie
Kompasju en: medelijden hebben                       Fr compassion
Kompensoösju: tegenprestatie            Fr compensation
Kul: zever
Kust mu botn: kust mijn kl…. wat je doet of zegt interesseert me niet
Kwoöt spreekn: roddelen
Kzien da braakndu beu: ik ben dat erg beu
Let mor up datur nieëtnt teegn ju kop woöjt: pas maar op dat er niets tegen jouw hoofd waait, zegt men tegen iemand die te zot of
          uitbundig doet
Lieëgn dajt zeëvu glooft: zeer hard liegen
Litkoörtu: lidkaart
Lop no du moönu: loop naar de maan
Mangkieërn: ontbreken                              Fr manquer
Mangkument: wat ontbreekt                        Fr manquement
Medulankgat: tegen de zin
Meeluusturn: meeluisteren
Meemaakn: meemaken
Met du groovu bustul durdeuru goön: zeer grondig opkuisen
Met du poepurs zitn: angst hebben
Misjeun: misgunnen
Misvurstoön: misverstaan
Miszieën: miszien
Moeëdurtjusdag: moederdag
Moeëtn: moeten
Moötugun: matigen
Moptju: mop, grap

Mu nooörn eën gutuut: mijn oren hebben getuit, er werd over mij gesproken, meestal kwaad
Mukoör (me): met elkaar
Muulupeëru: muilpeer, oorveeg
Net em of eur iïnguzwoögn: hij loopt hoog op met hem of haar
Net u piek up mu: hij heeft iets tegen mij
Nie koentroörju zien: best meevallen                   Fr contraire
Nieëtn of nieks tu pieëpn en: niets te zeggen hebben
Nis/zis nie op zu/eur muulutju guvoln: hij of zij heeft altijd een antwoord klaar
Noar in du butur (u): een haar in de boterNondudjuu: vloek                                            Fr nom de dieu
Nu mieëk vaaän zu neuzu: hij reclameerde
Oedjantgas: houd je klaar, er komt iets op je af
Oedu ki ju klepu: houd eens je mond
Oedu ki ju kwebul: houd eens je mond
Oedu ki ju moent: hou eens je mond
Oedu ki ju muulu: hou eens je mond
Oedu koejn uut du gragt aaln: oude koeien uit de sloot halen
Oendurandlieng: onderhandelingen
Oenduroeënsju: onderonsje
Oengurstaakiengu: hongerstaking
Oentkopliengu: ontkoppeling
Oentmoeëtiengu: ontmoeting
Oentwiekn: ontwijken
Oet du zot me ju metu: spot met iemand anders
Ofdwieng: afdwingen
Ofgoön: afgaan, gezichtsverlies lijden
Ofluusturn: afluisteren
Ofmatn: afmatten
Oframuln: aframmelen
Ofreekn: afrekenen
Ofsjhrikn: afschrikken
Ofsloön: afslaan
Ofsnoepn: afsnoepen
Ofspreekn: afspreken
Oftroevn: aftroeven
Ofweërn: afweren
Ofzegn: afzeggen
Okoözjen van u twadu: ergens de kans toe krijgen                     Fr occasion
Omaaliengu: omhaling
Omugoön: omgaan
Oogagtiengu: hoogachting
Oogoedn: hooghouden
Oovurkomstu: bezoek
Op zu steru kriegn: op zijn kop krijgen
Opdriengn: opdringen
Ortn: luisteren
Ort u ki: hoor eens
Osjublieëf: alstublieft
Ovanduln: afhandelen
Ovreeënkomn: overeenkomen
Palufun: in de watten leggen, overdreven troosten, strelen, knuffelen
Peërduvroet: zeer kwaad
Peëruls smietn voe du zwieëns: goede raad geven aan mensen die daar evenwel niets van horen willen
Pies in du wient: beteuterd, bedrogen zonder resultaat
Proöt teegn du vaak: praat tegen de vaak
Ramuliengu: pak slaag, rammeling
Rasiesmu: racisme
Rienguln: beetnemen, ringeloren, de baas over spelen
Riesjhu: risico                         Fr risque
Riesjhieërn: proberen op het gevaar af
Riesjhieërluk: risicovol
Ripuutoösju: goede naam                Fr  réputation
Rukomandee: aangetekende zending               Fr recommandé
Ruloösju: relatie, verhouding
Rutuln: reclameren, van zijn neus maken
Rut(tu)liengu: schelding
Ruuzju maakn: ruziemaken
Saamnwerkiengu: samenwerking
Saluu: groet, gegroet                                         Fr salut
Saluuweerun: groeten                       Fr saluer
Siefa: slag in het gezicht
Sjhein van utwadu lik u noent van zu stroent: iets zorgeloos achterlaten
Sjheër ju weg: maak dat je wegkomt
Sjheëvu sjhatsu rieën: zijn partner bedriegen
Sjheur ju puustu: ga weg
Sjhop i ju nol (u): een trap in jouw achterste
Slag om sliengur: gevecht om elkaar om het even waar te raken
Sneuvu: steek onder water
Spaniengu: spanning
Spekujoodu: spekjood, jood die zich niet aan de Joodse regels houdt
Spuugn: spuwen
Stik stroent (u): misprijzende uitdrukking voor iemand die hooghartig is
Stopt u ki me zaagn: stop eens met zagen
Stribuln: tegenwerken
Tgat sjhooönen: zijn kans zien/hebben
Tgot a ju neuzu zien: reken er maar niet op dat je krijgt wat je wenst
Tietbomu: tijdbom
Tilufong: telefoon
Tis stilu woö dat nooöjt u ki woöjt: het is stil waar het nooit eens waait
Tis u vuul stik stroent: ’t is een hoovaardige
Tis weël bustit: verdiende loon
Tisof: ze zijn uit elkaar
Titsn: plagen
Tnie kun aaln: het niet kunnen halen, niet tegen iemand op kunnen
Toefuliengu: pak slaag
Toeloötiengu: toelating
Toetan: afblaffen
Toet nieët in: er is niets aan
Toopu: samen
Top zu buuk meugn sjhrievn: er niet meer op mogen rekenen
Trekn op utwieën: gelijken op iemand
Troeëtuliengu: rammeling
Trutsuln: treuzelen
Truukn van du fooöru: listen van de foor
Truut in paksjus: zever
Tstoön boomn in du weg: kinderen die niet mogen horen wat volwassenen vertellen
Tugoöru: samen
Tugoöru me mukoör: allemaal tezamen
Tugoörubluuvn: samenblijven
Tugoörudoeën: samendoen
Tugoörukomn: samenkomen
Twistriet: tweestrijd
Tzien klaps teegn du vaak: tevergeefs
Tzotjuutang: het zotje uithangen
U boeër zu kuünstn ofvraagn: uithoren
U breeë rik en: brede rug, veel kunnen verdragen
U keeml sjhieëtn: een fout begaan
U naap sjheërn: slecht varen bij een initiatief
U nertu van koekubrooöd: braaf mens
U niksju en teegn utwieën: iets hebben tegen iemand
U noedu naap muuln leeërn trekn (proberen): een ouder persoon van iets willen overtuigen
U noogsjhu flikn: een oogje trekken
U noör in du butur: er is onenigheid, ruzie
U snak en u beetu kriegn: afgesnauwd worden
U sneuvu geevn: een verdoken opmerking maken
U toengu van lintjus: die veel babbelt
U zaagsju span: zagen
U zwien in du beitn: een haar in de boter
Up u goe blatju stoön bie utwieën: bij iemand op een goed blaadje staan
Upboksun teegn utwieën: met iemand in aanvaring komen
Upitsn: ophitsen
Upsuüfrn: opsolferen, opdringen
Upvang: opvang
Utwadu upsuüfrn: iets opsolferen
Utwieën bie zu pietju en: er iemand inluizen, iemand liggen hebben
Utwieën deuren: iemands bedoelingen doorzien
Utwieën in tgat steekn: iemand doen opdraaien voor een vuile job
Utwieën nog van oör nog van pluumn ken: een persoon absoluut niet kennen
Utwieën roent ju viengur droöjn: iemand beïnvloeden, in je macht hebben
Utwieën teegn zu zjilee trekn: iemand omhelzen
Utwieën u droaj geevn: iemand een slag geven
Utwieën u keunubilu geevn: met je knie tegen zijn dij tikken, wat pijn doet
Utwieën u klooöt oftrekn: iemand bedriegen
Utwieën zu kop ofbietn: brutaal en luid tegen iemand spreken
Utwieën zu kop updroöjn: iemand opstoken
Utwieën zu toengu peeln: iemand uitvragen tot hij/zij alles vertelt
Utwoö gin keuru van en: ergens geen kans toe hebben
Uutbastiengu: uitbarsting
Uutlachn: uitlachen
Uutooörn: uithoren
Uutsjhieëtn: plots al scheldend reageren
Uutsjhietn: iemand uitmaken
Va ju neuzu maakn: reclameren
Vaagu: oorveeg, mep
Van koo guboörn: doen alsof je niets gehoord of gezien hebt
Van u sjheetu u dundurslag maakn: een kleinigheid opblazen tot iets ergs
Veesloörs zien leugnoörs: wie vezelt, liegt
Vegtpartieë: vechtpartij
Veelugooört: veelgehoord
Veeluguvraagt: veelgevraagd
Veugulvrie: vogelvrij
Vieëriengu: viering
Vloekn: vloeken
Voe wieën su nilugun: in wiens voordeel
Voetju lapn: pootje lappen
Voetsululpu: voedselhulp
Voetsulvorzieëniengu: voedselvoorziening
Volsjheit: valsheid
Voödurtjusdag: vaderdag
Voöksmoent: volksmond
Voöksuproeër: volksoproer
Vooörsmaksju: voorsmaakje
Vrieloötn: vrijlaten, vrijheid teruggeven
Vrieviengu: wrijving
Vrimdu goön: zijn partner bedriegen, seks bedrijven met een andere partner
Vuragtiengu: verachting
Vurdeediegiengu: verdediging
Vurdistruuweerun: kapot maken, vernietigen
Vureinugiengu: vereniging
Vurgeeviengu: vergeving
Vurgifunisu: vergiffenis
Vurgisiengu: vergissing
Vurgoödurzaalu: vergaderzaal
Vurgoöriengu: vergadering
Vurgoörn: bijeenkomen van personen
Vurjoördagsfeeësju: verjaardagsfeestje
Vurjoördagskadoo: verjaardagsgeschenk
Vurjoördagskoörtu: verjaardagskaart
Vurjoördagstoartu: verjaardagstaart
Vurjoörn: verjaren
Vurkent: herkend
Vurkriegn: verkrijgen
Vurmomiengu: vermomming
Vurnestuln: in de war brengen
Vurniengt: vergif
Vuroentsjhuldugieng: verontschuldigingen
Vurofgoodiengu: verafgoding
Vurooördeeëliengu: afkeuring
Vurpligtieng: verplichtingen
Vurpligtiengu: verplichting
Vursmooörn: moord door verdrinking
Vurstandug: verstandig
Vurstant: verstand
Vurstantoediengu: verstandhouding
Vurtrouwulienk: vertrouweling
Vurveeliengu: verveling
Vurvrimdn: vervreemden
Vurvrimdiengu: vervreemding
Vurweënsjhieng: verwensingen
Vurweënsjhun: verwensen
Vurwiet: verwijt
Vurwietn: verwijten
Vurwitugiengu: verwittiging
Vurwitugun: verwittigen
Vurwoörlooöziengu: verwaarlozing
Vurwoörlooözn: verwaarlozen
Vurzeurn: verzuren
Vurzoeën: verzoenen
Vurzoeëniengu: verzoening
Weëlbustit: verdiende loon
Weggujoogn: weggejaagd
Wieën draagtrier du broek: wie is er baas in dit gezin
Woötur en vieër: water en vuur: niet bij elkaar passende naturen
Zaagt u ki nie: zaag eens niet
Ze veelu kak an eur gat: ze is hoogmoedig
Zeëfvurdeediegiengu: zelfverdediging
Zeim an utwieën zu gat smeërn: zeem aan iemand’s gat smeren
Zet u muulu van lintjus: zij is een babbelkous
Zu kak inoedn: niets willen of durven doen of zeggen
Zu karu keërn: zijn houding wijzigen

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Woordenboek Westends Dialect

↑ Terug naar de berichten