Woordenlijst Nr 17: Dranken Dronkenschap
Alkol: alcohol
Akolgubruuk: alcoholgebruik
Alkolmisbruuk: alcoholmisbruik
Alkolvrie: alcoholvrij
Alkolvurslaaviengu: alcoholverslaving
An du toog ang: aan de toog hangen
Avukoöt: advokaat (drank)
Baarkruku: barkruk
Bak bieër: bak bier
Busjwipst: lichtjes dronken
Biedong: bidon
Bieër: bier
Bieër uut du flesjhu : bier uit de fles
Bieër van tvat: bier getapt uit vat
Bieër van du streeku: streekbier
Bieërbuuk: bierbuik
Bieërflesjhu: bierfles
Bieërkroönu: tapkraan
Bieêrsjhuum: bierschuim
Bieërtunu: bierton
Bieërvurbruuk: bierverbruik
Bluuvnang: lang in een café blijven in plaats van huiswaarts te keren
Boemuln: boemelen, van het ene café naar het andere
Botul: fles
Botuln: bottelen, vullen van fles
Bronwoötur: bronwater
Buneevult: beneveld
Buturmeëk: botermelk
Buzoopn: bezopen
Deekanteern: rode wijn van bezinksel scheiden door overgieten in karaf Fr décanter
Deur du neuzu zien: zat zijn
Deur du noeënu voln: blijven plakken over de middag
Diezjistief: spijsverteringsbevorderend drankje Fr digestif
Djien: gin
Drankgubruuk: drankgebruik
Drankmisbruuk: drankmisbruik
Dranksju: drankje
Drienkn: drinken
Drienk(u)busu: drinkbus
Drienkwoötur: drinkwater
Droenku: dronken, zat
Droenku guzijt is nugtur gupijst: dronken gezeid is nuchter gepeinsd
Du zoeëtu niïnvol: de zoete inval
Dust: dorst
Flambeern: ontbranden van sterke dranken voor afwerking van bepaalde gerechten Fr flamber
Flasjhu of flesjhu: fles
Flesjhu wien (u): een fles wijn
Fluutjusbieër: bier van slechte kwaliteit
Fruutsap: fruitsap
Gesturt: gemorst
Gin dust: geen dorst
Gistiengu: gisting
Goerdu: drinkbus Fr gourde
Groötu dust: grote dorst
Hopu: hop
I ju leëzu gieëtn: gulzig en veel drinken
Iestee: ijsthee
In du droöj zitn: aan het uitgaan zijn
Int zop zitn: bezig zijn met zich te bedrinken
Joegoert: yoghurt
Kafju: koffie
Kamielutee: kamillethee
Kantienu: kantine
Kloöru wien sjhienkun: klare wijn schenken, duidelijke taal spreken
Korksmaaku: kurksmaak (van wijn)
Kortndrank: sterke drank
Kriku: zwaar bedronken
Kroöntjuswoötur: kraantjeswater
Lampetn: zwaar drinken
Leeggoeët: leeggoed
Liekeuru: likeur
Liemonatju: limonadetje
Moeëtn bloözun: moeten blazen (bij alhocoholcontrole)
Nie mi weetn van wufur progju daj ziet: erg dronken zijn
Nie mir op ju beeën kun stoön: niet meer op zijn benen kunnen staan van dronkenschap
Nis bluuvn plakn: hij is (te) lang op café gebleven
Nis boovn zu teewoötru: hij is boven zijn theewater, hij heeft te veel gedronken
Oendur iïnvloeët: bewegingen en handelingen beïnvloed door drankgebruik
Oendrienkboör: ondrinkbaar
Pekur: iemand die graag lang in de cafés blijft hangen
Pekn: blijven hangen in café
Piels: pils
Pientu of Pientju: pint
Pilil: pale ale
Plat woötur: plat water, niet bruisend
Poepuloeëru: verschrikkelijk dronken
Poestur: cognac in een tas koffie
Portoo: porto
Promielu: promille (in het bloed)
Pulu: container voor drank
Rusepsju: receptie
Ruum: rum
Santee!: Gezondheid! Fr Santé
Sjambreern: op kamertemperatuur brengen van rode wijn Fr chambrer
Sjampanju: champagne
Sjheel van du dust: scheel van de dorst
Sjhuum: schuim (op een pint)
Sjoklakafju: chocomelk
Sjoklameëk: chocolademelk
Sloksju: slokje
Soeboks: bierviltje
Sterku drank: drank met hoog alcoholgehalte
Stoet: stout (bier)
Streekbieër: streekbier
Stroentzat: zeer zat
Stroojn beeën en: strooien benen hebben, moeilijk op zijn benen kunnen staan (door de drank)
Sturtn: morsen
Taafulbieër: tafelbier
Taafulwien: tafelwijn
Tee: thee
Teusju sietru/woötru: een slokje limonade/water
Toernee: rondje
Toernee zjeeneeral: rondje voor iedereen in ’t café
Trapiest: trappist
Trekteern: een rondje geven
Tu dieëpu int glas kiekn: te diep in het glas kijken, te veel drinken
U botul wien: een fles wijn
U fleshu wien: een fles wijn
U koötur en: een kater hebben
U pientu tapn: een pint tappen
U pientju up en: een pint op hebben, iets gedronken hebben
U staptju in du weërelt zetn: eens goed uitgaan
U stik i ju klooötn: zat zijn
U stik i ju kraagen: zat zijn, een stuk in zijn kraag hebben
U vlamunt stik i ju voeëtn en: een vlammend stuk in je voeten hebben
U vliegu in ju noogn: te veel gedronken hebben
Utwieën oendur taaful drienkn: iemand onder tafel drinken, dronken voeren
Uutdrienkn: uitdrinken
Uutkriegn: uitkrijgen
Uutsjhienkn: uitschenken
Uutzuupn: uitzuipen
Votka: vodka
Vuldoeën: vol doen
Vulgietn: vol gieten
Vulsjhienkun: vol schenken
Vurfrisjhiengu: verfrissing
Vurgeevn van du dust: heel grote dorst
Wieskie: whisky
Woötur bie du wien doeën: water bij de wijn doen
Woöturtju: een glas water
Wien: wijn
Woö datu brouwur is, moet du bakur nie zien: iemand die drinkt moet niet eten
Zjatu kafju (u): een tas koffie
Zjunievur: jenever
Zo droenku lik u kanong: zo zat als een kanon
Zuupn: zuipen
Zuupn lik u tempulier: overmatig drinken

