Woordenlijst Nr 22: Natuur Hemellichamen Milieu Verschijnselen Weersomstandigheden
Aaguln: hagelen
Aagulsteeën: hagelstenen
Baagumesu: zeer slecht weer met storm; men zegt dat de paling dan aan de oppervlakte zwemt
Baromeetur: barometer
Bietndu koet: het is erg koud
Biet vieër oj koet et: bijt vuur als je koud hebt
Bloeëdeeët: bloedheet
Buutn: buiten
Buutn (du): buiten(de)
Buutntempurateuru: buitentemperatuur
Buvang: bevangen
Daglugt: daglicht
Diekdeurbraaku: dijkdoorbraak
Dooötvrieëzn: doodvriezen
Driefzant: drijfzand
Drogtu: droogte
Du zunu sjhienkt: de zon schijnt
Dundurn: donderen
Eemul: hemel => du neemul: de hemel
Eërtbeeviengu: aardbeving
Eeët: heet
Eevunoöru: evenaar
Erfst: herfst
Erfstweeru: herfstweer
Ies: ijs
Ieskoet: ijskoud
Iezuln: ijzelen
Grooötu beër: grote beer
Kliemoöt: klimaat
Kliemoötvuranduriengu: klimaatverandering
Koet: koud
Leeëgwoötur: laagwater
Lentuweeru: lenteweer
Lentuwirtju: lenteweertje
Lugt: lucht
Meewient: wind van achter
Miljeuvrieënduluk: milieuvriendelijk
Moönsvurduusturiengu: maansverduistering
Moönu: maan
Moönusjhien: maneschijn
Molujoeng reegn: zeer hard regenen
Nateuru: natuur
Nooördn: noorden
Oavu moönu: halvemaan
Oenweeru: onweer
Omuwoöjn: omwaaien
Oogwoötur: hoogwater
Ooöstn: oosten
Oovurstroomiengu: overstroming
Oozonlaagu: ozonlaag
Orkoön: orkaan
Planeetu: planeet
Puupusteërtn: pijpenstelen (regen)
Reegn: regenen
Reegnvlaagu: regenvlaag
Riem: rijm
Rutuln van du koedu: bibberen van de kou
Salaavlaagsju: korte regenvlaag, juist voldoende om de salade de besproeien
Seejootweeuutstoot: CO2-uitstoot
Sjheemuriengu: schemering
Sjhien: schijnen
Sjhowtu: schaduw
Sjhooön weeru: mooi weer
Slagwoötur gieëtun: zeer hard regenen
Sligt weeru: slecht weer
Smooör: mist
Smuuk(n): motregen(en)
Sneeëw: sneeuw
Sneeëwstormu: sneeuwstorm
Sneeëwvint: sneeuwman
Sneeëwvlaagu: sneeuwvlaag
Sneeëwvlokn: sneeuwvlokken
Spriengtieë
Steekudoenkur: zeer donker
Steru: ster
Stikeeët: stikheet
Stormu: storm
Stormopzeeë: storm op zee
Tis kerumesu in delu: het regent maar de zon schijnt erdoor
Tis koet wi: het is koud, weet je
Tis twientug groön: het is twintig graden warm
Treegnt oedu wuuvn: het regent oude wijven
Trek: tocht door de wind
Trekgat: waar het bijzonder erg tocht
Trekn: tochten
Trekt ier: het tocht hier
Trekt up: het (weer) klaart op
Tsjhilt u vestu: warmer of kouder dan voorheen
Tsoenaamie: tsunami
Tun uutkantu: op de buiten
Tuusvuul: het huisvuil
Tvoln van du bloörn: het vallen van de bladeren
Tvrieëst dat krakt: het vriest dat het kraakt
Tzunutju doet deugt: het zonnetje doet deugd
Upwarmiengu van deërdu: opwarming van de aarde
Uutzigtu: uitzicht
Vastuvrieëzn: vastvriezen
Vlaagu: vlaag
Vostsjhaa: vorstschade
Vrieëzn: vriezen
Vrieëskoedu: vrieskoude
Vulu moönu: volle maan
Vurdrienkn: verdrinken
Vurkoedn: kouder worden
Vurniengt: vergif
Vurstievn: verstijven
Vurwarmiengu: verwarming
Vuulkaru: vuilniswagen
Vuulkoön: vulkaan
Vuulugeit: vuiligheid
Waktu: vochtigheid
Weeru: weer
Weerlugt: bliksem
Wervulwient: wervelwind
Westn: westen
Wiendagtur: wind mee
Wiendup: wind op kop
Wiendagtur: rugwind
Wient: wind
Wientstootu: windstoot
Wientureuru: winteruur
Wienturmoönt: wintermaand
Wienturtiet: wintertijd
Wienturweeru: winterweer
Woöjn: waaien
Woöku: wolk
Zandstormu: zandstorm
Zeeëwient: zeewind
Zieduwient: zijwind
Zigtboörijt: zichtbaarheid
Zoomureuru: zomeruur
Zoomurtiet: zomertijd
Zoomurweeru: zomerweer
Zoomurwient: zomerwind
Zoomurwirtju: zomerweertje
Zunsvurduusturiengu: zonsverduistering
Zunu: zon
Zunubrant: zonnebrand
Zunubril: zonnebril
Zunusjherm: zonnescherm
Zuudn: zuiden

