Woordenlijst Nr 29 Leger Oorlog Wapens
Aaänsjieën: oudgediende Fr ancien
Aaänsteliengu: aanstelling
Aaänvoln: aanvallen
Aaänvolsplang: aanvalsplan
Aakunkruus: hakenkruis
Aalftrak: halfrupsvoertuig Eng half-track
Aalmoeëzunieër: aalmoezenier
Afuut: affuit
Agturoedu: achterhoede
Ambuulaansu: ziekenwagen Fr ambulance
Antgrunoötu: handgranaat
Antiepursoonsmienu: antipersoonsmijn
Antietankkanong: antitankkanon
Antietankmienu: antitankmijn
Antietankwaapn: antitankwapen
Artielurieë: artillerie
Artieluriesjhoolu: artillerieschool
Artieluriest: artillerist
Artielurievier: artillerievuur
Artieluriewoörneemr: artilleriewaarnemer
Atmieniestroösju: administratie
Atmieraal: admiraal
Atoombomu: atoombom
Bajonetu: bajonet
Bakboört: linkse kant van schip
Baliestiek: balistiek
Baretu: baret
Bataljong: bataljon
Batrieë: batterij
Bazoeka: bazouka, antitankwapen
Bem: stafbrevethouder Fr breveté d'état-major
Bievak: bivak
Binudieënst: binnendienst
Bleëndiesieëdu: blindicide, antitankwapen
Boebietrap: valsstrik Eng boobytrap
Bombardument: bombardement
Bomu: bom
Botien: bottines
Briegadieër: brigadier
Briegaadu: brigade
Brugunooft: bruggenhoofd
Buleeguriengu: belegering
Bumaniengu (van vliegtuig of tank)
Bunoemn: benoemen
Burgurdieënst: burgerdienst (in plaats van militaire dienst)
Burgurleevn: burgerleven
Busjhieëtiengu: beschieting
Busluupn: besluipen
Bustormiengu: bestorming
Butaalmeeëstur: betaalmeester
Buunkur: bunker
Buvelebur: bevelhebber
Buwaapniengu: bewapening
Buwient: bewind
Dagmarsj: dagmars
Deefielee: défilé
Deefieleern: defileren
Deezirsju: desertie
Deezirtuür: deserteur
Dekofiesier: dekofficier, officier bij de zeemacht
Dieënstiet: diensttijd, periode militaire dienst
Dievieszju: divisie
Dragt van u waapn: dracht, reikwijdte van een wapen
Drienkubusu: drinkbus
Droon: drone Eng: drone
Eeënijt: eenheid
Eeëru buwiezun: eer bewijzen
Eeëruteeëkn: ereteken
Eepolitn: schouderstukken Fr épaulettes
Eesjulong: echelon
Flankaaänvol: flankaanval
Flankdekiengu: flankdekking
Foerieër: foerier belast met ravitaillering (eten, kledij, uitrusting)
Froent: front
Fusulieër: fusilier
Galauunieformu: galauniform
Gamilu: gamel, eetketeltje
Garniezoeën: garnizoen
Geeneeraal: generaal
Geeneeraalu staf: generale staf
Granoötu: granaat
Groeëtn: groeten
Groöt: graad
Grunadier(s): Grenadier(s)
Gulit: gelid
Gupakt guwist van du goözu: gepakt geweest van het gas
Guvegt: gevecht
Guweëru: geweer
Guweërukooglu: geweerkogel
Iïnfanturiest: infanterist
Indurlaagu: hinderlaag
Iskadrong: escadron
Jieëp: jeep
Ju dieënst doeën: je militaire dienst doen
Kaamurwagt: kamerwacht
Kaazumatu: gewelfde kamer voor beschermde opslag, accomodatie, eventueel met kijkgat
Kaliebur: kaliber
Kamiejong: camion
Kamjonitu: camionette
Kamoefleern: camoufleren Fr camoufler
Kanong: kanon
Kanongboeër: misprijzende naam voor een artillerist
Kanongvieër: kanonvuur
Kanonieër: kanonnier
Kapieting: kapitein
Karabienu: karabijn
Karabienieër: karabienier
Karjiïru: loopbaan Fr carrière
Kartoesju: huls Fr cartouche
Kasjot: cachot
Kasku: helm Fr casque
Kavalurieë: cavalerie
Kavaluriest: cavalerist
Kazeërn: kazerne
Keepie: kepi
Kolonel: kolonel
Kolonu: kolonne
Komandant: commandant
Komandeern: commanderen, bevelen
Komietee: jury die beslist over bevorderingen van hoofdofficieren
Kompanieë: compagnieKooglu: kogel
Koönzjee: verlof Fr congé
Korvee: karwei Fr corvée
Kriegsguvang: krijgsgevangenen
Kriegsguvangunu: krijgsgevangene
Kriegsroöt: krijgsraad
Kruusraketu: kruisraket
Ku Im: QM, bevoorrader
Kwartieërmeeëstur: kwartiermeester
Leegurdieënst: legerdienst
Leegurkoör: legerkorps, grote eenheid
Leeguroefuniengu: legeroefening
Leegurstok: legerstock
Leegurtentu: legertent
Logiestiekur: van de logistieke dienst
Loop van u kanong: loop van een kanon
Luutnant: luitenant
Manuüvurs: maneuvers
Marien: marinetroepen, zeemacht
Marsj: mars
Marsjeern: marcheren
Masjienuguweëru: machinegeweer
Matrooözu: matroos
Mazjor: majoor
Mieliesju: militie
Mienu: mijn
Mienujaagur: mijnenjager
Mienuvaagur: mijnenvager
Mienuvelt: mijnenveld
Mietrajeuzu: mitrailleuse
Mietrajitu: mitraillette
Mikn up u doeël: mikken naar een doel
Mis: lokaal of gebouw waar officieren de maaltijden nemen Eng mess
Mobieliezoösju: mobilisatie
Mortieër: mortier
Munoözju: huishouding Fr ménage
Muuniesju: munitie
Muuniesjudiepoo: munitiedepot
Muutoösju: mutatie, verandering van garnizoen, eenheid
Nagtvurguniengu: nachtvergunning
Neerusjhieëtn: neerschieten
Obuus: obus
Oedstriedur: oudstrijder
Oefnmuuniesju: oefenmunitie
Oendurluutnant: onderluitenant
Oendurofusier: Onder-Officier
Oentplofiengu: ontploffing
Ofdeeëlieng: afdelingen
Ofdeeëliengu: afdeling
Ofeënsief: offensief
Ofsjhieëtn: afvuren
Ofusier: officier
Ofzwoöjn: afzwaaien
Omsienguln: omsingelen
Ooörlogvoeëriengu: oorlogsvoering
Ooörlogstiet: oorlogstijd
Ooörlogsvurkloöriengu: oorlogsverklaring
Ooörloogu: oorlog
Opuroösju: operatie
Owitsur: houwitser
Parasjuutu: valscherm Fr parachute
Paroödu: parade
Patroeju: patrouille
Patroejusjhip: klein marineschip ontworpen voor kustdefensie
Patrooön: patroon, kogel
Pieket: piket
Pielooöt: piloot, vliegtuigbestuurder
Piestoolu: pistool
Pijuür: betaalmeester Fr payeur
Pit e staaku: verdediging tegen paras en lichte vliegtuigen (bvb op het strand)
Plantong: planton
Platgusmeetun: platgesmeten (gebouwen)
Poliesjukaamur: politiekamer, straf 's nachts in cachot doorbrengen
Preesenteern: presenteren
Pulutong: peloton
Raketu: raket
Ravietajeerun: bevoorraden Fr ravitailler
Reezjiement: regiment
Riebruvet: rijbrevet
Riesjhoolu: rijschool
Riglument: reglement
Rigtn: richten (met een wapen)
Rukruut: rekruut
Rumorku: aanhangwagen Fr remorque
Rupsu: rups, tankwiel
Ruvolvur: revolver
Salueern: groeten Fr saluer
Sijnpiestoolu: seinpistool
Seksju: sectie
Siebul: doelschijf op schietstand
Sjhieëtn: schieten
Sjhieëtstant: schietstand
Sjieneesjhu vriewilugur: Chinese vrijwilliger, aangeduid voor vervelende karwie
Sjhot: schot
Sjhrapnilu: schrapnel
Slagvelt: slagveld
Sneuvuln: sneuvelen
Soldoöt: soldaat
Soldu: soldij
Standoört: standaard, vaandel van een eenheid
Stekurdroöt: prikkeldraad
Stoöt van buleg: staat van beleg
Strafu: straf
Stuurbooört: rechtse deel van schip
Surzjant: sergeant
Tankiest: iemand die ingelijfd is bij een pantsereenheid
Teegunaaänvol: tegenaanval
Tentu: tent
Traaänsjees: loopgraven Fr tranchées
U nantgrunoötu: een handgrenaat
U noogukop vant leegur: een militair met een hoge graad
Ulzu: huls van een patroon
Uunieformu: uniform
Up kamp goön: op kamp gaan
Up wagt stoön: op wacht staan
Upbloözn: opblazen, doen ontploffen
Updragt: opdracht
Upguroopn: opgeroepen (voor de dienst)
Vaandrieg: vaandrig, officier bij de zeemacht
Veltkeukn: veldkeuken
Vestiengu: vesting
Vieër: vuur
Vieërlienu: vuurlijn
Vlagugroeët: vlaggegroet
Vlamuwerpur: vlammenwerper
Vleuguladjuudant: vleugeladjudant
Vooöroedu: voorhoede
Vooörpost: voorpost
Vrie van dieënst: vrij van dienst
Vriesteliengu: vrijstelling
Vurdeediegiengu: verdediging
Vurguniengu: vergunning
Vurkeniengu: verkenning
Vurnieëliengu: vernieling
Vuroovuriengu: verovering
Vursloön: verslaan
Waapnmagazien: wapenmagazijn
Wagtmeeëstur: wachtmeester (bij artillerie en tanks)
Wagtukotju: wachthuisje
Zantstuuvur: infanterist
Zieëkuwaagun: ziekenwagen
Zjeenie: genie
Zjeeniejak: ingelijfd bij een Genie-eenheid

