Woordenlijst Nr 33: Water en vuur, vliegen, sporen, wegen, fiets
Water
Ankur: anker
Ankur (t) uutsmietn: het anker uitgooien
Bakbooört: bakboord
Bareeëlu: bareel, spoorwegoverweg
Basing: waterbekken Fr bassin
Bediengu: bedding
Benu vis: mand vis
Binvoörn: binnenvaren (in de haven)
Blusjhn: blussen
Boovn woötur komn: boven water komen, tevoorschijn komen
Brandoet: brandhout
Brantsjhaa: brandschade
Brantstigtiengu: brandstichting
Brantvrie: brandvrij
Brantvurzeekriengu: brandverzekering
Brugu: brug
Bumaniengu: bemanning (van schip)
Buspujtn: bespuiten
Buutnbooörtmotuür: buitenboordmotor
Buuzu van u vieloo: buis van een (mannen)fiets
Buvloejiengu: bevloeing
Buvogtugiengu: bevochtiging
Da folt int woötur: dat valt in het water, dat mislukt
Dek: dek (van een schip)
Distakoödun: staketsel
Doom: damp
Drievun: drijven
Du kastanjus uut vieër aaln: de kastanjes uit het vuur halen, gevaarlijke toestand oplossen
Du kruuku go zo langu tu woötur toeta zu bast: de kruik gaat zo lang te water tot ze barst, bij verdere risico’s gaat het ooit wel mis
Eeët woötur: heet water
Eërdu: aarde
Eluvieër: hellevuur
Gin rook zoendur vieër: geen rook zonder vuur
Golvn: golven
Goözuvieër: gasvuur
In brandu sjhieëtn: vuur vatten
In brandu stoön: in brand staan
Kampvieër: kampvuur
Kanongusjhut: kanonvuur
Koet woötur: koud water
Kooltju vier: stuk brandende kool
Koturn: rakelen (in een vuur)
Leeëgwoötur: laagwater
Leevn lik u vis in twoötur: leven als een vis in het water, onbezorgd leven
Lik u paalu boovn twoötur stoön: als een paal boven water staan, niet aan twijfel onderhevig
Low woötur: lauw water
Maalboot: mailboot
Me vieër speeln: met vuur spelen, gevaarlijk spel, risico’s nemen
Moendiengu: monding (van een rivier)
Oendurgoön: ondergaan (in water)
Oentplofiengu: ontploffing
Oetvieër: houtvuur
Ofvloejn: afvloeien
Ofvoeërn: afvoeren
Oogwoötur: hoog water
Oolie up tvieër gieëtn: olie op het vuur gieten, verergeren, ophitsen
Oörtvieër: haardvuur
Oovurstroomiengu: overstroming
Up mukoör guliekun lik twi drupuls woötur: op elkaar gelijken als twee druppels water
Reegnwoötru: regenwater
Reeliengu: reling
Sasun: sassen
Sietukaru: motor met zijspan Eng: sidecar
Sjhipvoört: scheepvaart
Sjhoepurn: licht verbranden
Slipbooöt: sleepboot
Sluuzn: sluizen
Sluuzu: sluis
Spervieër: spervuur
Stilu woöturs, dieëpu groendn: stille waters, diepe gronden
Stoöntje va ju vieloo: inrichting vooraan of achteraan om bagage of kind te vervoeren
Stroojviertju: een strovuurtje
Stroomiengu: stroming
Stuurbooört of stieërbooört: stuurboord
Tooft boovn twoötur oedun: het hoofd boven water houden, financieel juist rondkomen
Troebul woöter: troebel, onzuiver water
Tvieër an du sjheen legn: het vuur aan de schenen leggen, onder druk zetten
Tvieër veust nog: het vuur smeult nog
Twarm woötur eruutvieng: het warm water heruitvinden, iets wat al langer bestaat voorstellen als origineel
Twoötur komt an du lipn: het water komt aan de lippen, er bestaat groot gevaar
Twoötur lopt altiet no du zeeë: het water loopt altijd naar de zee, zij die al het meeste hebben krijgen nog het meeste
U doovunt viertju: een dovend vuurtje
U loopnt viertju: een lopend vuurtje, snel verspreidend nieuws
U steeku oendur woötur geevn: een steek onder water geven
U stormu in u glas woötur: een storm in een glas water, je druk maken om niets
Uutmoendn: uitmonden
Vaaguvieër: vagevuur
Varutju: vaart
Vieër: vuur
Viertju stookn: vuurtje stoken, ophitsen
Vievur: vijver
Visjhursaavn: vissershaven
Vispersu: vispers
Visvievur: visvijver
Vlamu: vlam
Vloeët: vloed
Vloeiboör: vloeibaar
Vloeistofu: vloeistof
Voenku: vonk
Voörn: varen
Voört: vaart
Vreugduvieër: vreugdevuur
Vurbievoörn: voorbijvaren
Vurbran: verbranden
Vurdrienkn: verdrinken
Vurdroenkn: verdronken
Vursjhoepurn: verschroeien
Vursmooörn: verdrinken
Vurzuupn: verdrinken
Warm woötur: warm water
Woö datur rook is, istur vieër: waar er rook is, is er vuur
Woötru of woötur: water
Woötur en vieër zien: tegenstellingen
Zeeë: zee
Zeeëgat: haven, zeegat
Zeeëwoötru: zeewater
Zo rooöt of vieër: vuurrood
Wegen, spoorlijnen, luchtwegen
Vliegen
Bagaazjuruumtu: bagageruimte
Balong: ballon
Balongvoört: ballonvaart
Boejieng: boeing
Bumaniengu: bemanning (vliegtuig)
Eeërstu klasu: eerste klasse
Eeliekoptur: hefschroefvliegtuig Fr hélicoptère
Jagtvlieëgtuug: jachtvliegtuig
Kokpiet: cockpit
Landiengsbonu: landingsbaan
Landiengsgustel: landingsgestel
Landiengu: landing
Lugtaavun: luchthaven
Lugtvoört: luchtvaart
Lugtvurkeeërslijdiengu: luchtverkeersleiding
Lugtvurkeeërslijdur: luchtverkeersleider
Lugtzak: luchtzak
Nooötlandiengu: noodlanding
Oriezon(g): horizon
Otomoötiesjhu pieloot: automatische piloot
Radaar: radar
Ruumtuvoört: ruimtevaart
Sjartur: charter
Sportvlieëgtuug: sportvliegtuig
Startboönu: startbaan
Straalvlieëgtuug: straalvliegtuig
Toeriestuklasu: toeristenklasse
Vijlugijtsgordul: veiligheidsgordul
Vlieëgbaazies: vliegbasis
Vlieëgn: vliegen
Vlieëgmasjien: vliegmachine
Vlieëgoogtu: vlieghoogte
Vlieëgpling: vliegplein
Vlieëgtuug: vliegtuig
Vlieëgtuugoeënguluk: vliegtuigongeluk
Vlieëgtuugrampu: vliegtuigramp
Vlieëgvelt: vliegveld
Vurbievlieëgn: voorbijvliegen
Vurkeeërstoorn: verkeerstoren
Zweefvlieëgtuug: zweefvliegtuig
Sporen
Boemultring: boemeltrein
Boovunlijdiengu: bovenleiding (voedt elektrische spanning)
Dendurn: denderen, geluid van de trein op de sporen
Dieënstreegliengu: dienstregeling
Dubuldektring: dubbeldekstrein
Iezurweg: spoorweg
Intursietie: intercity (stopt in alle grote steden)
Koesjitu: liplaats op trein Fr couchette
Kompartiement: treincoupé Fr compartiment
Lokoomotief: locomotief
Midungank: middengang tussen de zitplaatsen
Nagttring: nachttrein
Oendurgroeënsjhu: ondergrondse
Pirong: bordes, stoep Fr perron
Rils: spoorstaven Eng rails
Rilu: rail
Slaptring: slaaptrein
Sneltring: sneltrein
Spooörlienu: spoorlijn
Stoösju: station
Stoptring: stoptrein, die in alle stations stopt
Traveër: overweg Fr travers (dwars oversteken)
Tring: trein
Tringrampu: treinramp
Tringroetu: spoorbaan
Tringstaakiengu: treinstaking
Tringstel: treinstel
Tringstoösju: treinstation
Wagong: treinwagen Fr wagon
Wegen
Binuboönu: binnenbaan
Boönvak: baanvak
Boeëruslag: landweg
Boelvaar: hoofdweg Fr boulevard
Bordeuru: stoeprand Fr bordure
Bugoönboör: begaanbaar
Dorpskomu: dorpskom
Dorpspling: dorpsplein
Dorpstroötu: dorpsstraat
Groötu bonu:
Indurnisu: hindernis
Kapoo: motorkap (van een auto)
Kasieë: kassei
Makadamboönu: asfaltweg
Omutoeër: omweg
Ooftbonu: hoofdbaan
Otostraadu: autobaan, autostrade
Platsu: dorpplaats
Pling: plein
Plingsju: pleintje
Riebonu: rijbaan
Rieën: rijden
Rooö lugt: rood licht => tis rooöt of oranju of groeënu
Smeërn: smeren (auto)
Startbonu: startbaan
Stoötsbonu: staatsbaan
Stroötu (uuzu stroötu): straat (onze straat)
Suugistiestrooku: suggestiestrook voor fietsers
Terumak: asfalt Fr tarmac
Tvooörlant of trotwaar: voetpad Fr trottoir
Varutju: vaart
Voeëtpat: voetpad
Vooörrank en: voorrang hebben
Vooörranksbort: voorrangsbord
Vooörranksweg: voorrangsweg
Vurbridiengu: verbreding
Vurkeeër: verkeervursmaliengu: versmalling
Ziestroötu: zijstraat
Fiets
Banduspaniengu: bandenspanning
Bantbreukn: bandbreuken
Bantbreuku: bandbreuk
Belu: bel
Binubant: binnenband
Buutubant: buitenband
Buuzu: buis
Dirajuür: versnellingsapparaat van fiets Fr dérailleur
Foersju: vork Fr fourche
Fringn: remmen werkwoord Fr freiner
Frings: remmen Fr freins
Garduboe: spatbord Fr garde-boue
Giedong: stuur Fr guidon
Keetn: ketting
Rijongs: spaken Fr rayon
Ruustienutju: klever om een gat in een fietsband te dichten
Sjiekuplat: helemaal plat (een band bvb)
Soepapu: ventiel Fr soupape
Stoöntju: pakjesdrager
Trontinitu: step Fr trottinette
Vieloo: fiets
Vieloobonu: fietsbaan
Vieloopompu: pomp om banden te vullen met lucht
Vieloorek: fietsrek
Vielooroetu: fietspad
Vieloospelu: fietsspeld
Vieloostoön(tju): bagagedrager op de fiets
Vietisn: versnellingsapparaat aan fiets of auto Fr vitesse
Vooörwieël: voorwiel
Zantu: velg
Zoötu: zadel

