Woordenlijst Nr 43 Rookwaren Genotmiddelen
Aartdrug: harde drug
Alkol: alcohol
Amfeetamien: amfetamines
Asjhubak: asbak
Bieër: bier
Blatju: sigarettenblaadje waarin de tabak gerold wordt
Boeksju blatjus: boekje blaadjes
Brieki of briekee: aansteker Fr briquet
Drugs: verdovende middelen
Eeroowienu: heroïne
Foku: sigaret half opgerookt
Gasj: hasjiesj
Gudrogeert: gedrogeerd
Ienaleerun: inhaleren
Ientravuneus: in ader gespoten
Ilisdee: lsd
Ju meugdieër nie smooörn: je mag hier niet roken
Ju puupu uutklopn: je pijp uitkloppen
Kafeejienu: cafeïne
Kafju: koffie
Kanabies: cannabis
Kokajienu: cocaïne
Loengkankur: longkanker
Marieguuwana: marihuana
Meesmooörun: meeroken, rook van iemand anders’ sigaret inademen
Morfienu: morfine
Niekotienu: nicotine
Oentweniengskeuru: ontwenningskuur
Oentweniengu: ontwenning
Ofkiekn: afkicken
Oopiejum: opium
Oovurdoozies: overdosis
Pafn: roken
Pruumutuubak: pruimtabak
Puupu: pijp
Puuputuubak: pijptabak
Roeës: roes
Roln: zelf sigaret rollen
Rook uutbloözn: rook uitblazen
Sandriejee: asbak GFR: cendrier
Siegaar: sigaar
Siegretju: sigaret, woord gebruikt door iemand die graag en veel rookt
Siegretu: sigaret
Siegretu droöjn: sigaret rollen
Sjieku: tabak om op te kauwen
Slappilu: slaappil
Slikn: slikken
Smooörn: roken
Snuuf: snuif
Snuufdoozu: snuifdoos
Snuuvun: snuiven
Softdrug: minder verslavende drug
Spuitn: spuiten
Stopn me smooörn: stoppen met roken
Suüfurdoozu: stekjesdood
Suüfurs: stekjes
Tee: thee
Treksju doeën a nu siegretju: een trekje doen aan een sigaret
Tuubak: tabak
U paksju daags: een pakje (sigaretten) per dag
Uutbloözn: uitblazen (de rook)
Vieër geevn: vuur geven om sigaret of sigaar aan te steken
Vurslaaft zien verslaafd zijn
Vurslaaviengu: verslaving
Zu puupu uutklopn: zijn pijp uitkloppen

