|
2/1 Pater Daniel
1 Meditatie: O Kerstnacht, die schone…
“Kerstnacht, die schone, kan liefde niet wonen, in ieders gemoed? Kerstnacht, wij smeken, wees ’t wekkende teken, van Opperste Goed. Schitter o sterre, daar hoge en verre, als liefdessignaal voor ons allemaal”.
Zo schreef, in het midden van 17e eeuw, de onvergetelijke Nederlandse dichter Joost van den Vondel het refrein van zijn kerstgedicht “O Kerstnacht, schoner dan de dagen”.
Aan de twee meditaties over het wondere Kerstgebeuren willen we nog een derde overweging toevoegen. De grootheid van dit gebeuren kunnen we niet genoeg in het licht stellen. Overigens wordt zowel in de westerse als in de oosterse liturgie dit mysterie gevierd met drie Eucharistievieringen: de vigilie, de nacht en de dag zelf. Deze worden verbonden met drie aspecten van Jezus’ geboorte: van alle eeuwigheid in de schoot van de Vader, zijn historische geboorte in Bethlehem, zijn geestelijke geboorte in ieder van ons. Immers, zijn geboorte openbaart niet alleen de Almacht van God in de zwakheid van een hulpeloos Kind, ze wil in ieders mensenhart de goddelijke roeping wakker schudden. God werd mens opdat de mens zijn goddelijk leven zou herwinnen.
Ziehier de indrukwekkende aankondiging in het Martyrologium Romanum:
“In het jaar 5058 sinds de schepping van de wereld, wanneer God in het begin hemel en aarde maakte, volgens de chronologie van de oosterse kerk; het jaar 2957 sinds de zondvloed; het jaar 2015 sinds de geboorte van Abraham; het jaar 1510 sinds Mozes en het volk van Israël uit Egypte trokken; het jaar 1032 sinds David tot koning werd gezalfd; de zestigste week volgens de profetie van Daniël; het 42e jaar van de regering van Octavus Augustus; het 33e jaar van de regering van Herodes de Idumeër; toen de scepter uit Juda kwam volgens de profetie van Jacob, en heel de aarde in vrede verkeerde, werd Jezus Christus, Eeuwige God, Zoon van de Eeuwige Vader geboren in Bethlehem van Juda omdat Hij de wereld wilde heiligen door zijn komst”.
Wijzen, geleid door een ster kwamen het goddelijk Kind aanbidden. Herders die hun kudden weidden werden verwittigd van de geboorte van hun Redder door een menigte hemelse geesten die in de hemel zongen: Glorie aan God in het hoogste van de hemelen en vrede op aarde aan de mensen van goede wil. Aan Jezus onze Heiland, glorie en eer, en vrede op aarde aan de mensen van goede wil”.
Een moderne, geseculariseerde beschaving mag nog zo sterk doordrongen worden van de ideologie van de vrijmetselarij en de “Verlichting”, ze zal er nooit in slagen om de diepste goddelijke-menselijke betekenis en kracht van het Kerstgebeuren geheel uit te wissen. Kerstmis zal altijd in het centrum van het wereldgebeuren blijven. De ontroerende film over Ebeneser Scrooge, naar een kerstverhaal van Charles Dickens, toont op indrukwekkende wijze hoe een hartvochtige zakenman in de kerstnacht uiteindelijk van rijke vrek tot een joviale en barmhartige weldoener werd. Dit is niet alleen de typische uitdrukking van een Londense kerstsfeer van de 19e eeuw, maar vooral een weergave van de onvergankelijke boodschap van Kerstmis.
Duitse en Britse soldaten verbroederen in de kerstnacht van 1914!
Het wondere gebeuren op kerstavond 1914, na vijf maanden oorlog, aan het westfront (Diksmuide, Vlaanderen), moeten we blijven vertellen. Deze verschrikkelijke eerste wereldoorlog zou uiteindelijk onder militairen en burgerbevolking meer dan 37 miljoen slachtoffers maken, 16 miljoen doden en meer dan 20 miljoen gewonden. Uit brieven van Britse en Duitse soldaten en uit oorlogsdagboeken weten we nu wat er die kerstnacht gebeurde in de loopgraven.
Duitse soldaten hieven een kerstboom omhoog en begonnen kerstliederen te zingen: Stille nacht, heilige nacht… Britse soldaten antwoordden hierop met hun kerstliederen. Duitsers staken vanuit hun loograven een spandoek naar boven: “You no fight, we no fight” (jullie niet vechten, wij niet vechten). De Britten antwoordden met “Merry Christmas”. De eerste soldaten kwamen ongewapend uit de loopgraven…
Een spontane wapenstilstand! Wat staatshoofden en politieke leiders niet konden klaarkrijgen, werd gerealiseerd door gewone mannen vanuit het diepste verlangen van hun hart. Duitse en Britse soldaten begonnen elkaar de hand te schudden en geschenken uit te wisselen. Soldaten die tot enkele minuten voorheen nog klaar waren om elkaar te doden, gaven elkaar chocolade, hun rantsoen van eten, tabak, cognac…
Samen begonnen ze de doden te begraven. Een soldaat die van beroep haarkapper was, stelde voor om de mannen, die het nodig hadden, hun haren te knippen. Een Brit haalde een voetbal boven en er werd een match geïmproviseerd. Uit een brief van een hen weten we dat de Duitsers wonnen met 3-2.
Terwijl soldaten begrepen dat zij slechts de speelbal waren van waanzinnige grillen van wereldheersers, was de legerleiding aan beide kanten woedend en zorgde ervoor dat het bloedvergieten de volgende jaren tijdens Kerstmis onverminderd zou verder gaan. Scherpschutters kregen de opdracht iedere soldaat die ongewapend de loopgraven zou verlaten, neer te schieten! Criminele wereldleiders die oorlogen organiseren voor eigen eer en macht, smoren het diepste verlangen van hun soldaten.
Wie een ander fysisch doodt zal doorgaans zelf psychisch sterven. Zelfmoorden onder Israëlische soldaten zijn zorgwekkend hoog met een grote stijging sinds de gruwelijke oorlog tegen Gaza. Jaarlijks vragen duizenden Israëlische soldaten een PTSS-diagnose aan (posttraumatische stressstoornis). Duizenden Amerikaanse veteranen plegen jaarlijks zelfmoord. Anderen doden om aan de drang naar macht, bezit en eer van een elite te voldoen, is niet onze eigenlijke roeping.
“Hij die heiligt en zij die geheiligd worden hebben allen eenzelfde Oorsprong” (Hebreeën 2, 11). God nam het menselijke bestaan aan opdat de mens de goddelijke waardigheid zou kunnen aannemen. God daalde naar ons neer opdat wij zouden kunnen opstijgen naar Hem. Dit is ook het diepste verlangen dat in ieder mens verborgen ligt: volmaakt gelukkig zijn in God. We kunnen dit zelfs gedeeltelijk met onze dagelijkse ervaring bevestigen. Onze verlangens zijn immers onbeperkt en kunnen hier op aarde nooit helemaal voldaan worden. We verlangen altijd opnieuw naar iets anders omdat God ons zo gemaakt heeft, namelijk om volmaakt gelukkig te zijn in Hem.
En soms borrelt het onweerstaanbare vuur van deze kerstnacht in ons op. Ze geeft ons creativiteit en kracht om het onmogelijke te realiseren zoals in de kerstnacht van 1914. Het verlangen naar vrede was veel sterker dan de krijgswet.
P. Daniel
2. Spiritualiteit: Vereniging van de ziel met God (27)
De zevende verblijfplaats – Het leven in God omgevormd
Wij zijn gekomen tot het hoogtepunt van onze zoektocht naar de volmaakte vereniging van de ziel met God: de zevende verblijfplaats. Het is moeilijk om in woorden de onmetelijkheid van de genaden en de spirituele diepten uit te drukken die de zielen daar ervaren. Toch waagt de heilige Theresia van Ávila (1) het om dit mysterie te schetsen.
In de zevende verblijfplaats beschrijft de heilige Theresia de toestand van een ziel die tot de diepste omvorming is gekomen. Deze ziel lijkt elk houvast aan zichzelf verloren te hebben, zo volledig is het werk dat God in haar heeft voltrokken. “De omvorming die in haar heeft plaatsgevonden is zo totaal, dat zij zichzelf niet meer kent.” Zij bekommert zich noch om haar eigen gelukzaligheid, noch om de heerlijkheid van de hemel, noch zelfs om leven of eer. “Zij houdt zich geheel en al bezig met het bevorderen van de heerlijkheid van God.” In haar wordt dit woord van de Heer vervuld: “Houd jij je bezig met mijn belangen; Ik zal zorgen voor de jouwe.”
Deze zelfvergetelheid is radicaal. De ziel “schijnt geen eigen bestaan meer te hebben” en zij “zou niets meer willen zijn in welk opzicht ook”, behalve wanneer zij kan “meewerken om, al was het maar met één graad, de heerlijkheid en de eer van God te vergroten.” Zij zou zelfs “zeer bereid zijn haar leven daarvoor te geven.” Toch heft deze innerlijke zelfontlediging de concrete trouw niet op: zij verwaarloost noch het eten, noch het slapen, noch de plichten van haar staat. Sint Theresia verduidelijkt dat zij hier spreekt “over wat het innerlijke betreft.” Wat de uiterlijke werken aangaat, vlucht de ziel die niet; integendeel, “haar pijn is te zien dat wat haar krachten haar toelaten voor God te doen, niets zijn.” Alles wat zij herkent als dienst aan de Heer, “onderneemt zij met een ijver die door niets op aarde kan worden tegengehouden.”
Een tweede belangrijk gevolg van dit leven in Jezus Christus is het verlangen om te lijden. Maar dit verlangen is niet langer onrustig; het is tot rust gekomen. “Zo groot is de onuitsprekelijke vurigheid waarmee deze zielen verlangen dat de wil van God in hen wordt volbracht,” dat zij even tevreden zijn met alles wat Hij beschikt. Wil God dat zij lijden, “dan zijn zij daar blij om”; wil Hij het niet, “dan kwellen zij zich er niet meer over zoals vroeger.” Zelfs vervolging wordt een bron van innerlijke vreugde. Zij bewaren “een veel diepere vrede dan in de vorige verblijfplaatsen.” Ver van elke wrok “hebben zij een bijzondere liefde” voor hen die hun kwaad doen, bereid om te lijden om hen te verlichten, en zij zouden zelfs “bereid zijn afstand te doen van enkele van de genaden die zij ontvangen” om deze zielen te helpen ophouden God te beledigen.
Wat de hl. Theresia het meest verwondert, is de omkering in de houding tegenover de dood. Vroeger werden deze zielen verteerd door het verlangen te sterven om God te zien; het leven was voor hen een ondraaglijke ballingschap. Nu zijn zij “zo ontvlamd door het verlangen Hem te dienen” dat zij wensen lang te leven, zelfs “te midden van het grootste lijden,” gelukkig dat zij de goddelijke Meester “een deel van de lof kunnen aanbieden die Hij verdient.” Zelfs met de zekerheid onmiddellijk de heerlijkheid binnen te gaan, “zou dit hen niet raken.” Hun heerlijkheid ligt elders: “iets te mogen doen in dienst van de goddelijke Gekruisigde.” Hun blik is gericht op de beledigingen die God ontvangt en op het kleine aantal zielen dat uitsluitend zijn eer zoekt.
Toch gebeurt het dat het verlangen naar de hemel opnieuw ontwaakt, vooral wanneer zij beseffen “hoe weinig diensten zij Hem bewijzen.” Dan herleeft “met een onuitsprekelijke tederheid van liefde” het verlangen deze ballingschap te verlaten. Maar bijna onmiddellijk doen zij daarvan afstand. Het innerlijk bezit van God is hun voldoende. Zij bieden Hem “de vrijwillige aanvaarding van de verlenging van dit leven” aan als het kostbaarste liefdespand dat zij in deze wereld kunnen geven.
De dood boezemt hun geen vrees meer in; zij verschijnt slechts als “een zoete verrukking.” Dezelfde Bruidegom die hen vroeger aan een hevig martelaarschap had overgeleverd, schenkt hun nu “dit rustige verlangen.” Hij leeft in hen, en “het is hun genoeg met Hem te zijn.” Zij zoeken geen gunsten, geen vertroostingen meer. Zoals zijn aardse leven één voortdurende pijn was, wil Hij dat het hunne daarop gelijkt, al is het slechts “in het verlangen,” terwijl Hij hun zijn kracht meedeelt wanneer zij die nodig hebben.
Deze zielen leven in een grote onthechting. Zij verlangen naar de eenzaamheid of naar het heil van de naaste. Zij hebben “geen droogte en geen innerlijke pijnen meer.” Zij zijn zo vervuld van de gedachte aan de Heer, met zo’n tederheid, dat zij niets anders zouden willen doen dan Hem lof brengen. Als hun aandacht verslapt, “wekt Hijzelf hen weer.” Zij herkennen duidelijk dat deze innerlijke aandrang “uit het binnenste van de ziel voortkomt,” zonder medewerking van de vermogens. Theresia vergelijkt dit met een vuur dat enkel kan opstijgen: “vertrekkend uit het centrum van de ziel, stijgt het omhoog en wekt het haar vermogens.”
Deze genade toont de bijzondere zorg van God “om zich aan ons mee te delen en ons uit te nodigen bij Hem te blijven.” Elk lijden zou reeds rijkelijk beloond zijn door “deze zo zachte en diep doordringende aanrakingen van zijn liefde.” Wanneer deze liefdesimpulsen zich voordoen, spoort Theresia aan te bedenken dat zij voortkomen “uit deze laatste verblijfplaats waar God in uw ziel woont.” Zij zijn “een boodschap,” “een briefje dat Hij u schrijft met een onuitsprekelijke liefde,” bestemd om alleen door de ziel gekend te worden.
Wat deze verblijfplaats kenmerkt, is de bijna volledige afwezigheid van droogte en innerlijke onrust. De ziel geniet “bijna altijd van de zuiverste rust.” Zij is er zeker van dat God de auteur van deze genade is, omdat “de zintuigen en de vermogens er geen deel aan hebben,” en omdat God haar heeft binnengeleid in een plaats waar “de duivel niet zou durven binnendringen.” Van haar kant is er slechts één daad: “die overgave waardoor zij zich geheel in de handen van God heeft gelegd.”
De heilige Theresia vergelijkt deze verblijfplaats met de tempel van Salomo, gebouwd in stilte. “Men kan deze zevende verblijfplaats de tempel van God noemen,” waar God en de ziel “in een zeer diepe stilte van elkaar genieten.” Het verstand wordt tot rust gebracht; de vermogens zijn als door verwondering gegrepen, maar niet opgeheven.
Hevige extases worden zeldzaam. Vroeger was de geringste aanleiding voldoende om de ziel buiten zichzelf te brengen; nu “brengen dezelfde omstandigheden deze grote effecten niet meer teweeg.” Zij heeft “de plaats van haar rust” gevonden. De Heer heeft haar versterkt, verruimd en bekwaam gemaakt deze genaden zonder zwakheid te dragen. Hier wordt de vereniging vervuld waar de Bruid van het Hooglied om vroeg: “die kus” die “het hoogste onderpand van zijn liefde” is. Dit is “de bron van het levende water,” “de tabernakel van God,” en hier vindt de duif eindelijk “het vaste land” na de stormen van de wereld.
De vrede die hieruit voortkomt is diep, maar nog niet onherroepelijk. De vrees een zo groot goed te verliezen, drijft de ziel tot een uiterst waakzaam leven. Hoe meer genaden zij ontvangt, des te meer wantrouwt zij zichzelf, zich bewust van haar ellende. Kruisen ontbreken niet, maar “zij gaan voorbij als een golf,” en onmiddellijk keert de rust terug, want “de tegenwoordigheid van hun aanbiddelijke Bruidegom doet hen al het andere vergeten.” Zo eindigt de beschrijving van deze verblijfplaats waar God ten volle in de ziel heerst. “Moge Hij tot in eeuwigheid gezegend en geprezen worden door alle schepselen.” Amen.
(1) Hl. Theresa van Avila, Het innerlijk kasteel, Zevende verblijven, Hoofdstukken 1 tot 3
P. Jean
3. Kerk en wereld
De Franse legergeneraal Christian Blanchon wil uitdrukkelijk hulde brengen aan hen die tijdens de zogenaamde coronacrisis het vaccin hebben geweigerd: “Zelfs als ik volledig gevaccineerd zou zijn, zou ik de ongevaccineerden bewonderen omdat ze de grootste druk die ik ooit heb gezien, ook van echtgenoten, ouders, kinderen, vrienden, collega’s en artsen, hebben weerstaan”. “Ze lijken normaal, maar het zijn superhelden”. “Mensen die tot een dergelijk karakter, moed en kritisch vermogen in staat zijn, belichamen ongetwijfeld het beste van de mensheid”.
“Uitgesloten van de kersttafel van hun families, hebben ze nog nooit zoiets wreeds gezien. Ze verloren hun baan, ze lieten hun carrière in het honderd lopen, ze hadden geen geld meer… maar het kon ze niets schelen. Ze leden onder onmetelijke discriminatie, aanklachten, verraad en vernederingen… maar ze gingen door”. “Vrouwen, mannen, oud, jong, rijk, arm, van alle rassen en alle religies, de ongevaccineerden, de uitverkorenen van de onzichtbare ark, de enigen die zich wisten te verzetten toen alles instortte”
Terwijl zovele religieuze gemeenschappen en abdijen een stille dood sterven, wordt in Frankrijk een nieuwe abdijgemeenschap gesticht! Le Barroux (Vaucluse) zal vanuit zijn toevloed van roepingen deze zomer 12 benedictijner-monniken met hun charisma en traditionele liturgie naar Anjou zenden om daar de huidige cisterciënzergemeenschap te vervangen. Zij zullen de historische abdij van Bellefontaine (Maine-et-Loire) overnemen. De abdij Sainte-Madeleine du Barroux telt meer dan 60 religieuzen terwijl hun gebouwen oorspronkelijk ontworpen zijn voor slechts 40 personen.
Zij begonnen in 2002 reeds in Sainte-Marie-de-la-Garde bij Agen een tweede stichting. Zij willen enerzijds de traditionele mis bewaren en tegelijk in gemeenschap blijven met de Heilige Stoel. Daarom zijn zij Mgr. M Lefèbvre sinds 1988 niet meer gevolgd nadat hij besliste zelf los van Rome bisschopswijdingen toe te dienen. Dom Louis-Marie, abt-vader van de gemeenschap: “Wij zijn mannen van gebed, en dat is onze hoofdtaak. Wij zijn geen strijders, geen politici, geen influencers. Wij leven in clausuur, met de natuurlijke uitstraling van een biddende abdij”

Aan allen van harte een gezegend 2026!
|