Naar de inhoud

TEMPO DOELOE (Vroegere tijden)

Herinneringen aan mijn geboorteland
seniorennet.beseniorennet.be
Ik werd in 1938 geboren in het toenmalige Nederlands-Indië, in Batavia. In 1956 ben ik met mijn ouders, broer en zuster naar Nederland gerepatrieerd. De verhalen op deze weblog gaan over herinneringen aan mijn LAND VAN HERKOMST. (Door op de foto's bij de artikelen te klikken worden deze enigszins vergroot)

Kruidje-roer-mij-niet, ijs lilin en Waterlooplein

Kruidje-roer-me-niet, ijs lilin en Waterlooplein

Kruidje-roer-mij-niet, ijs lilin en Waterlooplein, een rare titel voor een verhaal, maar die drie horen in MIJN herinnering bij elkaar.

Tot maart 1956 zat ik in Djakarta (voorheen: Batavia, later Jakarta) op de HBS van de CAS (Carpentier Alting Stichting) aan het Koningsplein-Oost.

Als ik van huis naar school fietste (zie ook het artikel "Fietsend naar school" op deze weblog) dan passeerde ik (tenzij ik een alternatieve route nam, wat ook wel eens gebeurde) het Waterlooplein.

Ik naderde het Waterlooplein dan vanuit de Vrijmetselaarslaan, dus ik kwam op het hoekpunt Waterlooplein Noord –Waterlooplein Oost. En ik moest dan naar de Willemslaan en die lag weer aan de overkant van het grote plein, dus aan Waterlooplein West.

Ik kon natuurlijk de noordkant van het plein pakken, maar de afstand die ik dan moest afleggen via Waterlooplein-Noord en nog een deel van Waterlooplein-West tot aan de afslag Willemslaan was volgens mijn wiskundige knobbel (en ik zat toch op HBS-B, de wiskunde kant!) veel langer dan wanneer ik het plein diagonaal zou oversteken. Dan moest ik wel over het gras rijden, maar ik was kennelijk niet de eerste die op dat idee was gekomen, want in het gras was een spoor uitgesleten, waarlangs kennelijk al meer voetgangers en fietsers waren gegaan. Er was een soort smal zandpaadje ontstaan, dat door de moessonregens tot een smal geultje was geërodeerd.

En midden op het plein had de natuur een lichtgroen kleedje gelegd dat afstak tegen het donkergroen en bruin van het gras. Een stuk grond van ongeveer 4 bij 4 meter was bedekt met kruidje-roer-me-niet-planten.

Het kruidje-roer-mij-niet of gevoelige mimosa is een lid van de vlinderbloemfamilie. Deze kruidachtige plant toont aan dat planten, ondanks het feit dat ze geen zenuwstelsel hebben toch snel kunnen reageren. Bij aanraking van het samengesteld de blad gaan blaadjes " dicht", ze vouwen zich samen. Niet de hele plant reageert, maar alleen het deel dat wordt aangeraakt. Na enkele minuten strekken de bladstelen weer en vouwen de bladeren weer open.

Omdat ik bekend was met dit fenomeen kon ik het vaak niet nalaten om, als ik door dat kruidenveld reed even van mijn fiets af te stappen en verschillende bladeren in de slaapstand te zetten. Het gebeurde wel eens dat ik daardoor bijna te laat kwam op school, maar het optreden als hypnotiseur van planten gaf me zo vroeg in de morgen toch wel een voldaan gevoel….Tegenwoordig noemt men dat een ‘ kick’.

Als ik ’ s middags uit school kwam en dezelfde weg reed om naar huis te gaan, dan stak ik weer het Waterlooplein diagonaal over. Maar nu geen tijd voor slaapverwekkende activiteiten. Want in de verte, aan de andere kant van de diagonaal zag ik hem al aankomen, de jongen met zijn "es lilins". Letterlijk betekent ‘ es lilin’ ‘kaarsvormig ijsje’, waarmee een ijsje op en stokje werd bedoeld.

Bijna elke dag kwam ik dezelfde jongen tegen. Hij was ongeveer twaalf jaar en droeg een juk over zijn linkerschouder waaraan zowel aan de voor- als achterkant een

thermoskan aan touwtjes hing. Op de opening van de kan zat een dikke stop van kurk en daarbovenop was nog een deksel geschroefd. Hij had in de thermoskannen es lilins in diverse smaken van een in Batavia bekend merk, " Baltic".

Chocolade-ijsjes, ijsjes met de smaak van djeroek (sinaasappel), kelapa kopjor (jonge kokos), nangka (jackfruit) en nog veel meer.

En alsof we het met elkaar hadden afgesproken, we kwamen steeds bij elkaar op het stuk veld waar de kruidje-roer-me niet-plantjes groeiden.

En elke middag vond daar in het midden van het immens grote Waterlooplein, vernoemd naar de Slag bij Waterloo, een plein met een grootse geschiedenis , weer hetzelfde simpele ritueel plaats.

Onze blikken ontmoetten elkaar en ik stopte en stapte af van mijn fiets. Mijn fiets legde ik op de grond, want ik had geen standaard en de ijsjongen haalde het juk van zijn schouders.

Daarna opende hij de deksels en stoppen van beide thermoskannen en liet mij rustig een ijsje kiezen. Het scheen dat hij al het geduld van de wereld had. En als ik mijn keuze had gemaakt en daarna mijn zakken naliep om te zoeken naar geld, wendde hij zijn blik discreet af en zwaaide zachtjes met zijn hand door de dan nog wakkere kruidjes om hem heen om ze te laten slapen. En beiden zeiden we dan zachtjes " Selamat tidur", welterusten, tegen de slapend plantjes. Als ik mijn ijsje had betaald en hij de thermoskannen weer had gesloten, legde hij zijn juk weer op zijn schouder, pakte ik mijn fiets weer op, glimlachten zwijgend naar elkaar en gingen dan beiden onze eigen weg.

 

 

 

 

 

Geschreven door rene persijn om 16:17

Toen er nog geen rookverbod was!!

Toen er nog geen rookverbod bestond.....

In die tijd, toen we nog in Batavia/Djakarta woonden (tot 1956) was er nog geen sprake van een antirooklobby en zeker nog niet van een rookverbod in de horecagelegenheden en andere openbare gebouwen en op het werk. Er werd nog lustig op los gepaft en zeker in het toenmalige Nederlands-Indië. Als Indo-jongen hoorde je er ook pas echt bij als je rookte. En liefst op een manier die je ook zag bij je helden op het witte doek, met een pokerface (of rokerface), diep inhalerend en met je sigaret nonchalant bungelend in één van je mondhoeken en dan nog liefst met je ogen half toegeknepen als om de wereld kond te doen dat je overal maling aan had. Wel oppassen dat je niet hoestte, want dan had men door dat je een baroe (nieuweling) was in de grote wereld der rokers.

Wanneer je een jeugdige en beginnende roker was en je nog rond moest komen van het geld dat je verdiende door het verkopen van lege flessen aan de toekang botol, de opkoper van leg flessen, zoals bij mij het geval was, dan kocht je natuurlijk de ‘rokok kètèngan’, sigaretten die je niet per pak maar pers stuk kocht.

Elke zichzelf respecterende verkoper van sigaretten had wat geopende pakjes sigaretten liggen en als hij ze niet had, dan werd er altijd wel één geopend en dan kon je bij hem de sigaretten per stuk kopen.

Aangezien ik met het geld dat ik kreeg van de toekang botol ook nog ander dingen moest kunnen doen, kocht ik altijd losse sigaretten. De ene keer krètèk (kruidnagelsigaretten), de ander keer een gewone sigaret. Wat merken betrof had je keuze genoeg. Bijvoorbeeld KANSAS, CHESTERFIELD, COMMODORE, BISON en natuurlijk ESCORT.

Over escort deed nog een grapje de ronde. Van voor naar achteren gelezen vormden de letters van de naam de eerste letters van de zin: Eerste Slechte Cigaretten Onder Regerings Toezicht en van achter naar voor: Toch Rookt Onze Commandant Spoor Escort, waarbij met Spoor generaal Simon Hendrik Spoor werd bedoeld, die in de jaren 1946 -1949 bevelhebber was van de landstrijdkrachten in Nederlands-Indië.

Zelf kocht ik mijn sigaretten bij ons in de straat. Als ik de poort uitliep en zo’n honderd meter naar links de straat inliep kwam ik aan de rechterkant van de weg een sigarettenstalletje tegen. Dit stalletje stond voor een huis waarin ondermeer een Chinese familie woonde. Deze familie beheerde dat stalletje en meestal waren het de kinderen van de familie, die achter de ‘ toonbank’ stonden. Aangezien ik ouder was dan deze kinderen en steevast mij ‘ rokerface’ opzette, kreeg ik door middel van tawarren (afdingen) de losse sigaretten meestal voor een veel lagere prijs dan ze ervoor vroegen. Stond pa of ma Chinees in het stalletje, dan nam ik genoegen met één in plaats van twee sigaretten of nam ik krètèks, want die waren goedkoper en op de oudere Chinezen maakte mijn ‘rokerface’ geen enkele indruk!

 

 

 

 

Geschreven door rene persijn om 15:50

De toekang bami

De toekang bami

Ach, elke Indo kent hem wel, de toekang bami, die met zijn karretje laat op de middag of vroeg in de avond de straten afstruint, op zoek naar klanten.

En ik was een regelmatige klant. Niet dat ik thuis te weinig eten kreeg, maar zoals bijna elke Indo-in-de-groei had ook ik ’ s avond wanneer de schemering viel, zo’n ‘ trek in iets lekkers’.

En de toekang bami kon voor je een bordje ‘ iets lekkers’ bereiden voor het geld, dat je net die middag had verdiend door het verkopen van lege flessen aan de toekang botol. Geld moet rollen, ja toch? Is goed voor de economie van het land.

Dus, wanneer de schemering viel en in de kampong achter het huis de bedoek (grote trom) klonk en de gelovigen werden opgeroepen tot gebed, dan zat ik in de tuin op het bankje onder de cherryboom en wachtte….

Zodra ik in de verte het ‘ tok tok’ hoorde , wist ik dat hij in aantocht was. Het voor de toekang bami kenmerkend geluid dat ontstond door het slaan met een stokje op een uitgehold stuk hout deed je maag ‘ krioeken’ van de honger.

" Krioek, krioek" klonk het ter hoogte van je navel. Echt honger had je niet, dacht je, maar wat zo’ n geluid ( tok, tok) toch i je lichaam te weeg kon brengen….. Voer voor (liefst Indische) psychologen…….

Natuurlijk liep ik dan naar de poort en keek de straat in, want stel je voor dat de man ongemerkt je huis voorbijliep. Maar gelukkig, in de verte zag je in het schemerdonker al een bewegend lichtje naderbij komen en hoorde je weer wat luider dan daarnet het ‘ tok tok’. Ik wachtte hem op en wenkte naar hem. Hij knikte en parkeerde zijn karretje aan de kant van de weg, want in de Vliegveldlaan (Jalan Garuda) waar we woonden waren geen trottoirs.

Hij had onder zijn karretje een opklapbare poot uitgezet, zodat de kar nu stevig stond en ik deed mijn bestelling. " Bami goreng dengan oedang (garnalen)", want je kon ook bami goreng met kip bestellen, maar kip at ik al vaak, dus…..

De toekang bami zette zijn wadjan (wok) op het vuur waar hij nog even in porde en dan met een kipas (bamboe waaier) de vlam wat aanwakkerde en deed dan wat olie in de pan.

Ik had mijn bestelling geplaatst dus excuseerde ik me om snel even in huis een bord te halen. Maar ik was net zo rap weer terug want ik wilde niets missen van het hele bakritueel.

Toen de olie warm genoeg was deed de man wat voorgekookte garnaaltjes in de olie en wat fijngehakte knoflook. Het rook meteen zo lekker… Ik begon al te ‘ ‘ngiler’ (watertanden).

Daarna werd een handvol fijnesneden groenten (selderij, katjang polong, peultjes en taugé) toegevoegd en tenslotte tilde de toekang bami een deksel op dat in zijn kar een vierkant gat afsloot en verdween met zijn arm in dat gat om er met een handvol gekookte bami weer uit te komen en dat in de wadjan te gooien. Ik vraag me nu pas af hoe lang het geleden was dat hij daarvoor zijn handen had gewassen…., maar toen waren dat vragen die niet bij je opkwamen…..

Hij roerde de bami goed los en zorgde dat alles goed door elkaar werd gehutseld. Dan nog op smaak brengen met wat peper en ketjap asin. Ik gaf hem mijn bord waarop hij de bami schepte en het geheel nog lardeerde met bawang goreng ( gebakken uitjes) en rawit (kleine spaanse pepers) in zuur.

Ik gaf hem het geld en hij wenste me nog een " selamat makan" .

Nou, ik makande heel selamat op het bankje in de tuin onder de cherryboom en genoot van mijn bami goreng, van de schemering en van de straatgeluiden. Morgen maar weer lege flessen zoeken en verkopen aan de toekang botol……

 

 

Geschreven door rene persijn om 17:44

Zijt gij het die komen zou?.....

Zijt gij het die komen zou?.....

Na de tweede wereldoorlog woonden we in Batavia op Vliegveldlaan 56, Kemajoran.

Mijn vader was een tijdje ouderling geweest in de gemeente van de Pniëlkerk (Haantjeskerk) vlak bij Pasar Baroe. Daar ging ik ook op zondagschool..

Elk jaar op het Kerstfeest werd in de kerkdienst op kerstavond een lekenspel opgevoerd.

De regie was in handen van zuster Abels, een diacones van de gemeente.

Op een dag vroeg ze aan mijn broer Johan ( voor mij Boengke ) en aan mij of we mee wilden doen in het kerstlekenspel van dat jaar. Dat wilden we graag, want het leek ons wel spannend.. Ik zei direct ‘Ja’, omdat ik wist dat ook Maaike Ripassa mee zou doen en ik zag haar wel zitten…….Ze zou de rol van Maria krijgen en in stilte hoopte ik die van Jozef te krijgen. Maar helaas, ik zou één van de herders worden. Minder eervol, maar het vooruitzicht van de vele repetities met Maria / Maaike stemde me toch blij.

Boengke kreeg de rol van Johannes de Doper, die Jezus in een latere fase van diens leven zou ontmoeten bij de Jordaan en , omdat hij er niet zeker van was of Jezus inderdaad de lang verwachte en voorspelde messias was, hem de vraag zou stellen: "Zijt gij het die komen zou of hebben wij een ander te verwachten? "

Boengke zegde toe mee te doen al voelde hij zich eigenlijk al een beetje te volwassen voor een kinderlekenspel. Hij werkte immers al en hoorde dus tot de wereld der volwassenen. Hij had onlangs een baan gekregen bij de Stoomvaart Maatschappij Nederland (zie ook het artikel " Stoomvaart Maatschappij Nederland" op deze weblog) en ook al zijn eerste salaris ontvangen. Hij had voor zichzelf een groot en blinkend horloge gekocht met een stalen band, die net zo hard glom als het horloge.

Maar goed, hij zou de rol van Johannes op zich nemen en hij leerde driftig die woorden "Zijt gij het die komen zou of hebben we een ander te verwachten?", woorden die nu niet bepaald behoorden tot zijn dagelijkse Indische vocabulaire….

Toen hij de woorden uit zijn hoofd kende werkte hij aan zijn houding tijdens het spreken en de intonatie. Voordat hij de woorden uitsprak ging hij in een licht spreidstand staan, strekte zijn linkerarm schuin omhoog en wees daarbij als het ware naar de hemel en bulderde: "Zijt gij het die komen zou of hebben we een ander te verwachten?". Ik kreeg er kippenvel van….

Ik hoefde in mijn rol gelukkig niets te zeggen.

Eindelijk was het zover. Kerstavond. We verkleedden ons in de consistoriekamer van de kerk. De kerk zat al vol en er stond een grote kerstboom met heel veel witte lichtjes.

Het spel begon en de mensen keken ademloos toe. Ik speelde, vond ik zelf, met overtuiging mijn rol. Maria vond ik adembenemend.

Toen moesten de inmiddels volwassen geworden Jezus en Johannes de Doper opkomen. Boengke zag er echt uit als een woestijnprofeet. Een staf in de hand en een ruige mantel om met wijde mouwen. Een aangeplakte baard maakte hem haast onherkenbaar.

Toen Jezus op het toneel verscheen, hief Johannes zijn arm op en riep met bulderstem:

"Zijt gij het die komen zou of hebben we een ander te verwachten?"

Plots hoorde ik gegrinnik in de kerkbanken en ik zag hoe veel toeschouwers hun lachen niet konden bedwingen. Ik volgde hun blikken en zag toen waarom zij zo moesten lachen. In het stemmige licht van de kerstboomverlichting zat aan de pols van de uitgestrekte arm van Johannes de Doper een nieuw en kolossaal horloge als een schoolvoorbeeld van een anachronisme te fonkelen!

Geschreven door rene persijn om 10:09

de TOEKANG BOTOL

de TOEKANG BOTOL

Wie in Indië ( en zeker in Batavia) kende hem niet, de toekang botol, de opkoper van lege flessen.

’ s Middags, vaak als de zon nog hoog aan de hemel stond, liep hij langs de stoffige straten en liet schallend zijn roep horen: " Botol……"

Zijn beroep bestond bij de gratie van het feit dat er nog geen glasbakken bestonden en zelfs nog geen statiegeld werd geheven bij het kopen van een flesje met inhoud.

Hij was vaak de redder in nood voor menig Indische jongen, die platzak was en toch iets wilden kopen, djadjan (snoeperijen) of zoals dat bij mij vaak het geval was, een stripboek van Dick Bos (zie ook het artikel " Dick Bos, de held uit mijn jeugd" op deze weblog).

Meestal wandelde ik ’ s middags na schooltijd, als mijn moeder haar middagdutje deed, langs de straten van Kemajoran, de wijk waar we na de oorlog woonden op zoek naar lege flessen. Vaak vond ik ze gewoon langs de kant van de weg, zowel in de grote straten als in de kampongs in Kemajoran.

Als je een lege eau de colognefles vond dan was je de koning te rijk, want die brachten het meeste geld op.

Als je tijd en zin genoeg had ging je de huizen af vroeg je aan de mensen die daar woonden of ze lege flessen hadden, die ze kwijt wilden. En aangezien de meeste, veelal oudere Indische dames verzot waren op de geur van eau de cologne ( 4711 of Boldoot) gebeurde het niet zelden dat ik bij zo’ n ‘ persoonlijke benadering’ een lege eau de colognefles kreeg.

Zo’ n fles erbij en Dick Bos was nabij!.....

Had je genoeg flessen verzameld, dan was het wachten op de toekang botol, die de flessen van je opkoopt.

Natuurlijk moest er flink worden onderhandeld, want hij wilde zo min mogelijk betalen, maar jij wilde een nieuwe Dick Bos of een portie gado-gado met lontong.

Als je beiden tot een akkoord was gekomen wat betrof de ‘gewone’ flessen, dan liet je meestal als een soort verrassing als laatste de eau de colognefles zien. Surprise!. Want je wist dat de toekang botol daar een goed prijs voor wilde geven.

Had je het geld in je zak, dan was het meestal snel op de fiets springen en naar Pasar Baroe rijden voor een nieuwe Dick Bos, die ze daar verkochten in een stalletje links achter in de marktloods aan het einde van de Pasar Beroeweg

En met het geld van de eau de colognefles kon er (op weg naar huis en met je nieuwe aanwinst in je zak) ook nog wel een portie gado-gado met lontong af.

 

 

Geschreven door rene persijn om 16:55

De nieuwe schoenen van neef Leo

De nieuwe schoenen van neef Leo

Na de oorlog met Japan woonden mijn ouders met hun 3 kinderen in Batavia (Djakarta/ Jakarta),

Ons adres was: Vliegveldlaan 56 ( na de soevereiniteitsoverdracht in 1949 werd de straatnaam veranderd in Jalan Garuda).

Op een keer kwamen mijn neven Leo en Rudy uit Soerabaja bij ons logeren. Zij waren zonen van oom Coen, een broer van mijn vader.

Eigenlijk heette neef Leo, die in 1931 in Koedoes werd geboren, voluit José Leonardo. Een mooie naam, vond ik.

En Rudy, geboren in 1933, heette officieel Rudolf Alexander.

Neef Leo vertelde ons dat hij sinds kort een baan had en dat hij al enkele malen loon had ontvangen. Verder vertelde hij dat hij van zijn laatst ontvangen loon speciaal voor zijn logeerpartij bij ons nieuwe modieuze schoenen had gekocht. Hij had ze aan en liet ze met trots zien. Ze waren zwart en glommen heel mooi. Ze hadden ook een elegante vorm. "Heel mooi, Leo" zei ik dan ook uit de grond van mijn hart.

Na het eten zou ik Leo en Rudy wat van de omgeving laten zien. Aangezien ik zelf graag door de kampong achter ons huis zwierf, stelde ik Leo en Rudy voor door de kampong naar de markt te lopen. Ze vonden het prima en dus liepen we naar de kampong. Het had die ochtend flink geregend en in de kampong lagen er op de paadjes nog wat plassen en de grond was tamelijk drassig.

"Tabeh, sinjo" riepen de inwoners van de kampong me toe . Ik liep trots naast Leo met zijn glimmende zwarte schoenen.

Plotseling bleef Rudy staan en keek achterom. Leo en ik stonden ook stil en vroegen Rudy wat er aan de hand was. "Kijk", wees Rudy, "er lopen kippen achter ons aan, een hele tijd al".

Hij had gelijk. Er volgden ons een paar magere kampongkippen. Ze pikten daarbij driftig op de grond en bleven toen bij de schoenen van Leo staan. Zij pikten nu driftig naar zijn zolen. Leo vroeg: "Wat heb ik nou aan mijn schoen hangen" en bekeek de zolen van zijn schoenen. Wat bleek? Deze waren niet van leer of rubber gemaakt, maar kennelijk van geperste rijstschillen ( de schillen die overblijven bij het pellen van de rijst worden vaak in plakken geperst en voor eenden- en kippenvoer gebruikt. De plakken hebben iets weg van zachtboard). Door het regenwater waren de zolen week geworden en zo liet Leo een spoor van rijstschillen achter, voer voor de hongerige kippen.

"Waar heb je die schoenen gekocht? " vroeg ik aan Leo. "Op de pasar in Soerabaja en ze waren nogal prijzig", antwoordde hij sip.

"Dan ben je behoorlijk bedonderd…." zei ik.

"Dat zie ik"antwoordde Leo.

Aangezien hij nu praktisch op zijn kousen liep trok hij zijn schoenen, of wat er nog van over was, uit en ook zijn kousen en liepen we maar naar huis. Leo op blote voeten.

Die avond zijn we nog met vader gympies wezen halen voor Leo bij de Bata, want je kunt beter op goede gympjes lopen dan op en paar mooie zwarte glimmende schoenen zonder zolen, ja toch?

Geschreven door rene persijn om 14:51

Kepitings vangen

Kepitings vangen

(Krabbenvangst)

Toen we nog in Kemajoran (een wijk van Batavia) woonden lag aan de weg naar de haven Tandjong Priok een tamelijk moerassig gebied, Antjol (nu Ancol) met vele "empangs" (meertjes).

En die meertjes wemelden van de kepitings (krabben.

Hendrik Jellema, die bij ons inwoonde, was toen (in 1950) 25 jaar en ik 11. Hij viste graag en ik ging graag mee. Toen hij me vroeg of ik mee wilde gaan op kepitingvangst zei ik uiteraard geen neen. Hij ging altijd op de brommer en ik zat dan achterop. Op die dag dus ook. We hadden een plunjezak meegenomen om de vangst in te doen, want je hebt bij de krabbenvangst al snel een heleboel gevangen, aldus Hendrik, de eraveren kepitingvanger.

We gebruikten een speciale techniek. Hendrik had bamboe stokjes gemaakt van ongeveer een pink dikte en 1 meter lengte. Aan één van de uiteinden hadden we touwtjes gebonden van ongeveer 1,5 meter lang. Dit werden onze "kepitinghengels". Op de vismarkt op Tandjong Priok gingen we naar de afvalhoop, waar vissen, die niet meer geschikt waren voor consumptie, werden gedumpt. We verzamelden (met een zakdoek voor de neus voor de stank) in een grote blik wat visjes en palingen en reden toen naar Antjol. Daar bonden we aan elk touwtje van een ‘kepitinghengeltje’ een klein visje of een stukje paling.

Het aas werd in het water gegooid en het andere uiteinde van de hengel in de oever van het meer gestoken. Zo liepen we het hele meer rond. Als je weer terugkwam bij de eerst geplaatste hengel, dan kon je met een schepnetje in de hand al meteen kijken of je beet had. En aan heel veel "hengels" zat al een krab te bungelen.

Eén van ons hield de krab boven het netje en de andere opende de schaar waar het beest het aas mee vast hield en dan viel de kepiting in je net. Als het net vol was gooiden we de krabben in de plunjezak. Thuis zouden ze dan worden gekookt en door het hele gezin worden opgepeuzeld… njami, njami…

We waren ongeveer anderhalf uur bezig geweest en de plunjezak was al aardig vol. "Zullen we naar huis gaan? , vroeg Hendrik. "

"Ok"’ zei ik en we knoopten met een stevig touw de plunjezak dicht.

We stapten op de brommer en ik gooide met een zwierige zwaai de plunjezak over mijn schouder. De bodem van de zak rustte achter mij op de bagagedrager, dus ik kreeg niet het volle gewicht van de volle plunjezak op mijn schouder. En daar gingen we, met een rijke buit op weg naar huis. Dat wordt straks smullen geblazen!

We hadden ongeveer 5 minuten gereden, toen ik plots een felle pijn in mijn linkerbil voelde. "Stop!" schreeuwde ik luid en Hendrik remde geschrokken uit alle macht. "Wat is er?" vroeg hij toen we waren gestopt. Ik wees op mijn linkerbil. Hij keek en begon hard te lachen. Eén kepiting had dwars door de plunjezak en mijn broek heen zich in mijn bil vastgebeten.

Hendrik bevrijdde me van de scharen van de hongerige krab en we reden verder naar huis.

Thuisgekomen werden de krabben gekookt. Met een wreed genoegen heb ik de grote krabbenscharen gekraakt en met een triomfantelijke grijns het vlees eruit gezogen, want mijn linkerbil, waarop een blauwe plek zat, deed nog steeds zeer……Zo, ik zal jullie leren!

 

Geschreven door rene persijn om 14:27

De Tjiliwoeng

De Tjiliwoeng

We hebben ze op school in Indië moeten leren, de rijtjes met namen van bergen, eilanden, rivieren. Zo kenden we de namen van de rivieren Tjiliwoeng, Tjitaroem, Tjimanoek enz. uit het hoofd. Maar de Tjiliwoeng (nu: Ciliwung) kenden wij, Batavianen, niet alleen vanuit het aardrijkskundeboek, maar ook van ZIEN, van RUIKEN en van VOELEN, ja toch?

We kennen als Anak Betawi (Kind van Batavia) zeker allemaal wel de gekanaliseerde Tjiliwoeng tussen Noordwijk en Rijswijk, waar het altijd druk was met mensen die hun kleren wassen of zelf een bad nemen in het bruine water. Verderop doet iemand, hurkend op een stenen trapje dat naar het water voert, een grote boodschap in het water. Adoeh, zucht je dan, alles ken dese…….

En de Tjiliwoeng op Meester Cornelis. Gegrift in het geheugen.

In de Tjiliwoeng heb ik ook de eerste beginselen van het hengelen geleerd. De vangst bestond meestal uit lilihs, zoetwatermeervallen [zie ook het artikel " Daar bij de waterkant’ op deze weblog].

De Tjiliwoeng ontspringt vlakbij de Poentjak (Puncak), ook bekend bij veel Batavianen, die in het weekend in de bergen en ‘ koude neus’ wilden halen en stroomt zeewaarts naar het Noorden via Buitenzorg (Bogor) met de bekende Plantentuin naar de Baai van Batavia, stromend langs de weg van Goenoeng Sari naar Priok.

Nadat de VOC zich in 1609 in het toenmalige Jacatra aan de Tjiliwoeng vestigde werden al snel huizen aan de Tjiliwoeng gebouwd.

Nadat Jacatra was vernietigd en aan de monding van de Tjiliwoeng een nieuwe vestiging werd gesticht noemde J.P.Coen haar Nieuw-Hoorn (naar zijn geboorteplaats), maar de Heren XVII besloten de plaats Batavia te dopen, een erenaam voor Holland die refereerde aan de dappere, vrijheidslievende Batavieren: de mythische voorvaderen van de even dappere en vrijheidslievende Hollanders ten tijde van de Tachtigjarige oorlog.

Batavia groeide uit van een fort en wat huizen aan de Tjiliwoeng tot een drukke volle stad, ontworpen volgens een rationeel, geometrisch patroon met grachten, straten, pleinen, kerken, een stadhuis.

Maar de Tjiliwoeng bleef de levensader van de stad.

Tjiliwoeng, ik weet het. Zij is niet te vergelijken met de Bengawan Solo in Midden-Java, de rivier waar een lied over is gemaakt. Maar voor mij blijft de Tjiliwoeng gegrift in mijn herinnering, niet alleen als de levensader van Batavia, maar ook als die van mijn jeugd in Nederlands-Indië.

 

 

Geschreven door rene persijn om 09:54

Djagoeng bakar,adoeh enak sekali!!..

Djagoeng bakar,adoeh enak sekali……..

(Geroosterde maïs, wat heerlijk!)

Welke Anak Betawi kent die verkopers van djagoeng bakar (geroosterde maïs) niet. Ze zaten met hun houtskoolroostertje en hun maïskolven aan de kant van de straat. Bijvoorbeeld op pasar Senen, op pasar Baroe, aan het Koningsplein of zo maar in een willekeurige straat. Ook in de Vliegveldlaan (later Jalan Garuda) , waar we toen woonden, zat er zo’n man voor een Chinese toko. De baas van de toko had er alle belang bij, dat de man daar voor zijn winkel zat. Immers als iemand een maïskolfje had gekocht was de kans aanwezig, dat hij of zij daarna nog de Chinese winkel bezocht en al kluivend op de kolf ook nog iets anders bij de Chinees kocht.

Het rook altijd zo lekker als je langs de maïsverkoper liep. Ik kreeg steevast trek van de geur alleen al. En dan voelde ik snel in mijn broekzakken of er nog wat centen in zaten, genoeg om zo’n heerlijke geroosterde maïskolf te kopen . En als dat inderdaad het geval was, dan ging ik bij de man in de buurt op mijn hurken zitten (djongkok) en bestelde een geroosterde maïskolf. " Dengan garam, pak" (Met zout, pak). Hij knikte dan terwijl hij met zijn kipas (waaier van bamboe) het vuur van de rooster nog even aanwakkerde.

Dan nodigde hij me uit om zelf een kolf uit te zoeken uit de grote bak die bij hem stond, die hij dan van me overnam en van de schutbladeren ontdeed. Daarna bestreek hij de kolf met wat zoutwater met behulp van een kwastje (meestal van kokosvezels) en legde die dan op het vuur.

Af en toe draaide hij de kolf om en bestreek die nogmaals met zoutwater. Ik zei hem dan, dat ik de maïs het lekkerste vond als die goed donker geroosterd waren. Weer knikte de man, want je kon het krijgen zoals je het hebben wil. De klant is koning…ook bij hem.

Als mijn maïskolf klaar is, lekker bruin geroosterd, betaal ik de afgesproken prijs en neem ik de djagoeng bakar dankbaar en gretig in de hand om er lekker aan te knabbelen.

De eigenaar van de Chinese warong staat in de deuropening van zijn winkel. Ik zwaai naar hem. Vandaag koop ik niets bij hem, helaas, want mijn geld is op……….

Geschreven door rene persijn om 13:22

In de kampong

In de kampong

Batavia was in de jaren ‘ 50, toen we daar nog woonden aan de Vliegveldlaan, een stad van nieuwe wijken (Kebajoran Baroe) en moderne gebouwen, maar ook van kampongs. Ook achter de Vliegveldlaan lagen de kampongs met hun nauwe straatjes van verharde grond en hun huisjes van hout of bilik (gevlochten bamboe) met daken van oude dakpannen, golfplaat of atap (palmbladeren). In de kampong heb ik leren fietsen omdat ik daar geen last had van ander verkeer, maar wel aandacht kreeg (en vaak ook aanmoedigingen en aanwijzingen) bij mijn eerste pogingen om de fiets van mijn moeder, die dan haar middagslaapje deed, onder controle te krijgen.

De kampong, waar de tijd scheen stil te staan en men nog tijd en aandacht had voor elkaar.

Ik was daar heel graag en maakte vaak een praatje met de bewoners, die me niet zelden uitnodigden om wat te drinken of te eten. Daar proefde ik ook voor het eerst het gerecht dat de kampongbewoners met een vorm van zelfspot sajoer orang miskin noemden, "groentegerecht voor de armen".

De verzuchting " What is in a name?" gaat wat mij betreft zeker voor deze sajoer op. Ik vond en vind de sajoer orang miskin één van de lekkerste gerechten bij de witte rijst. Een sajoer van kangkong, tahoe, tempé en lombok idjo (groene pepers). Voor de armen….. maar met een rijke smaak!

In de kampong leerde ik ook de ‘allerkleinste boengs’ kennen, de nazaten van Europeanen met vaak alleen nog hun Europese namen die naar hun afkomst verwezen , maar volkomen geïntegreerd in het kampongleven. Vaak zonder werk en dikwijls uit noodzaak scharrelaars geworden, die allerlei spullen kochten en met (kleine) winst weer verkochten en hun vele vrije tijd invulden met vliegeren (met glasdraad), hanengevechten houden of sleutelen aan een oude auto die ze ergens voor een prikje op de kop hadden getikt. Daarbij rookten ze kretek of zware Van Nelleshag.

Hoewel ze nog Europese, vaak Nederlandse, namen hadden, konden ze doorgaans niet meer met officiële papieren aantonen dat ze Europeaan waren. Veel van hen bleven dan ook achter toen enkele jaren later de repatriëring van de Indische Nederlanders begon (zelf vertrokken we in 1956 naar Nederland), omdat zij niet konden bewijzen dat ze Nederlander (of andere Europeaan) waren.

De ‘ allerkleinste boengs’, nog lager op de sociale ladder dan de kleine boengs, die tenminste nog een baantje hadden als lage ambtenaar of laaggeplaatste employé bij een groot bedrijf.

Deze allerkleinste boengs, zo noem ik ze maar gemakshalve, woonden meestal in een kampong, hadden een Inlandse vrouw en een rijtje kinderen en geen uitzicht op een regelmatige en goedbetaalde baan, veelal omdat ze ook de opleiding daarvoor misten.

Nu ik hier in Nederland sinds 2003 bezig ben met mijn stamboom ( zie ook mijn weblog: https://blog.seniorennet.be/renepersijn2006/ ) en in mijn Indisch verleden graaf denk ik heel vaak aan hen, de allerkleinste boengs,die in Indonesia zijn blijven wonen en geen enkele kans meer hadden om naar hun ‘ vaderland’ te gaan, maar wiens voorvaderen, evenals de mijne, eens vanuit hun geboorteland naar het verre Oosten trokken, misschien met de gedachte daar fortuin te kunnen maken.

 Allerkleinste boengs, saluut!

 

Geschreven door rene persijn om 17:08

Meer van TEMPO DOELOE (Vroegere tijden)

↑ Terug naar de berichten