Net toen ik met mijn motorboot Kaap De Goede Hoop aan het ronden was, kwam de oudste paus ter wereld mij ook tegemoet, vanuit omgekeerde richting, ook welvarend. ‘Dag meneer de paus,’ begroette ik hem hartelijk doch beleefd. Hij lichtte even zijn pauspetje op. Dat was witter dan wit, want hij was met vakantie en hij gebruikte ook dat bepaald soort waspoeder. Hij lichtte dus, om kort te vertellen, zijn verblindend witte petje op en sprak in een soort van latijnachtig Pools dialect tot mij: ‘Dag Joris. Hoe vaart gij heden?’ ‘Ik vaar wel ende leef schoon, o paus,’ wedervoer ik. ‘En ik dank u om deze vraag tot mij te richten.’ We legden onze motoren even het zwijgen op. ‘En gij, o opperste der kerkheren?’ verstoutte ik me op mijn beurt te vragen. ‘Ik moet er even uit, meneer Denoo. Ik … ‘ ‘Zeg maar weer Joris, Johannes-Paulus.’ ‘Eh … ik moet er even uit, Joris. Suid-Afrika leek me zo … zo apart.’ ‘Inderdaad, een mooi landje, voorwaar. Het bengelt zo gezellig onderaan het Zwarte Continent, waar wellicht de beenderen der eerste mensachtigen zijn aangetroffen. Een goede keuze, kerkvader.’ ‘Ach, ik heb me weer door de rook laten leiden. Bij de laatste barbecue in Vaticaanstad merkte ik dat de witte rook boven de witte pensen deze richting uit dreef. Dat gaf de doorslag. Toen dacht ik: ‘Daarnaartoe, paapje.’ ‘En dan nog wel met de boot, Heilige Vader?’ ‘Precies. Ik kan niet achterblijven bij de sint, nietwaar. Of bij de bootvluchtelingen. Ik was ook het pausmobiel wat beu. Te warm achter dat glas. Onvoldoende vering. Overal klamme hand- en tongafdrukken. Nee, mijn motorboot is mijn vrijheid.’ ‘Idem wat mij betreft,’ beaamde ik, ‘allez, ik bedoel: alleen de boot hé, Johannes-Paulus.’ ‘Zeg maar Jean-Pol.’ ‘Jean-Pol.’ De paus lichtte zijn vakantiepetje andermaal even op en veegde er zich het zweet van zijn voorhoofd mee af. Daarna mikte hij het weer op zijn schedel. ‘Ik heb nog een boodschap voor uw Belgische lotgenoten,’ sprak hij dan. ‘Deze woonachtigen in dat druilerige driehoekje.’ ‘Landgenoten, niet lotgenoten, o baas der bisschoppen en keizer aller kanunniken,’ verbeterde ik hem. ‘Maar dat is hetzelfde,’ antwoordde de paus met een beslistheid in zijn stem die me toch even deed opkijken. ‘Dewelke is uw boodschap?’ waagde ik het te vragen. De Heilige Vader pakte zijn staf beet en met de krul ervan manoeuvreerde hij nonchalant een handgreep naar omlaag. Met een brul schoot de motor op gang. ‘Bedank uw landgenoten voor de bloemen!’ riep de kerkvorst dan. ‘Maar laat het een volgende keer eens geen tulpen zijn! Verras me!’ En hij stoof weg in Urbi & Orbi, zijn wit-gele motorboot, om Kaap De Goede Hoop heen, een spoor van schuim nalatend. Als van de hand Gods geslagen bleef ik ter plekke achter. Wat een paus!
Hoedenavond, provinciehugenoten uit mijn lage streek in West-Vlaanderen. Heeft u al gehoord van de haa-naar-omhoog en de hee-naar-beneden? De gele dag al spookt die vraag door mijn hoofd. ‘Ja maar: moet het nu met een haa-naar-omhoog of schrijf ik het met een hee-naar-beneden? (ofte: omlaag). Ik lach me te pletter bij dergelijke kwesties. Het slachtoffer herstelt zich dan, maar vervalt alweer in een ander euvel: al zijn haa-naar-omhoogs worden plotseling diep in de keel halfzacht in de boter gewenteld, en al zijn hee-naar-omlaags (ofte: benedens) worden in overdadig geschraap geflambeerd. Hij begint dan plotseling als een Hollander te spreken die te veel Dixmuudsche boerenboter op zijn kop heeft. Is me dat toch een alomtegenwoordig griepje! Nu, erg is het niet: er bestaan remedies tegen. Frans spreken bijvoorbeeld. Of Engels. Of niet spreken. En de Antwerpenaren, Oost-Vlamingen, Limbo’s en Brabanders hebben ook hun afschuwelijkheden. Die zijn dan nog gewoonlijk in de waan dat ze officieel Nederlands babbelen. Ze gebben heen helijk!! Het West-Vlaams is het ‘verste’, het ‘oudste’ en het ‘waterachtigste’ dialect. Het scheelde verdorie geen haar of het werd de voertaal, toen Brugge economisch hoogtij vierde. Jammer dat de haven van Brugge verzandde: het zand verzwond, het zwin verzandde. Misschien komt het door deze aanslibbing dat ook de hee’s en de haa’s een heel apart wildwestelijk leven zijn gaan leiden. Maar de laatste jaren boert Brugge-aan-de-Zee verre van slecht. Er is weer hoop voor de hasj en de zjee. Heert Goste moet zich vooralsnog heen zorgen maken. Het West-Vlaams ligt tamelijk goed in de markt: vette e’s die als drassige weiden met een huigplof word’n afgeslot’n, zodat ze niet uit hun omheining ontsnapp’n, sk’tjes die klinken als het klappen van zwepen en lasso’s van ondernemende cowboys, o’s die als donkere modder in een betonmolen hun rondjes baggeren. O ja, begrijp me niet verkeerd: ik hoor heel graag mijn dialect. Niemand als wij kan de haa’s naar omhoog doen gaan en de hee’s naar beneden. We maken er soms ook een tekeningetje bij: een haastige luchtkrabbel die op een zwijnenstaart gelijkt.
Geld bestaat niet. Het is uit de lucht gegrepen. Iedereen ontkent het bestaan ervan. Zo worden bij elke overval de handen symbolisch omhoog geheven. Overal ter wereld. Geld heeft wel een kleur: die van de spijt waarmee afgedokt en de gretigheid waarmee ontvangen wordt. Slijmgroen dus, en gespikkeld. Geld wil altijd het huis uit. Overal langs de weg staan vriendelijke wisselagenten. Ze wrijven zich in de handen en tuiten hun lippen. Hun gelach wordt door anderen betaald. Dieren hebben geen geld. Geld onderscheidt de mens van het dier en de onmens van de mens. Daarom ook kunnen baby’s geen dieren worden genoemd: van soms in de baarmoeder al hebben ze een spaarrekeningetje. Is geld dus belangrijk? Ja hoor, anders ben je een beest. Geld moet circuleren zoals op de renbaan of de achtbaan. Geld zou vlugger de ronde moeten doen. Iedereen wil het aan zijn neus voorbij zien gaan. Vroeger blonk alles. Wie geld had, bleef geld hebben. Wie er geen had, kon er aan geen geraken. Nu is er overal beweeglijkheid. Piepjonge ondernemers in te ruime apenpakjes in te grote fauteuils zitten zelden stil. Geld zweeft tussen hart en kont, zoals de doodskist van Mohammed tussen hemel en aarde. Geld plant zichzelf voort, in dezelfde families. Niet erg gezond is dat. Je krijgt er ezeloren van, en een zeer wazige blik. Geld is dubbelzinnig. ‘Iets aan te geven?’ vroeg de douanier aan de zondagsschilder op terugreis van een buitenlandje. ‘Iets van onschatbare waarde,’ antwoordde de schilder. Prompt werd het wagentje van de arme konterfeiter naar de pechstrook geloodst. Neem nu Van Gogh, de beste langetermijnbelegger aller tijden: vrijwel de enige Hollander voor wie geld geen rol speelde. Of een zeer kwalijke. Geld: het stinkt als de ziekte, het schiet vormloos over, het is bezinksel, men glijdt erin uit, men struikelt erover, het heeft de kleuren van vallen en pijn, men verzinkt en verzuipt erin: geld is het slijk der aarde. Alleen de varkens wroeten erin rond. Geld verricht ook een mirakel. Het zendt mensen door simpele handoplegging wandelen: de gouden handdruk. Geld groeit, en herkent op den duur zichzelf niet meer. Als het heel groot is geworden, krijgt het koorts: het wil meer en andere gelden om te genezen en te groeien. Of het valt uiteen in brokstukken om verder op kleine schaal zacht ziek te zijn. Dan herkent het zichzelf weer. Op je tellen passen, maat! Voor je het beseft, ben je uitgeteld.