Gezondheid is een privézaak behalve waar het gaat om besmettelijke aandoeningen: ziedaar een simplistisch voorbeeld van hoe zich een grensgebied opdringt tussen eigendom en gemeenschappelijk bezit.
Er bestaat geen eenvoudige oplossing voor de kwestie van de eigendom, enerzijds omdat wij er niet aan uit kunnen voortdurend in elkanders vaarwater te zitten en anderzijds omdat het leven afhankelijk is van levensmiddelen die schaars zijn, wat bijvoorbeeld meebrengt dat roodkapje moet oppassen voor de boze want hongerige wolf.
Niemand kan er aan uit, de natuur is wispelturig, misoogsten zijn onvermijdelijk en bij hoogconjunctuur rijst de bevolkingsdruk alras de pan uit: waar tekorten zijn, neemt het leed toe en als strijd noodzakelijk is voor het terugdringen van die tekorten, zal het leed dat de tekorten meebrengt worden afgewogen tegen het leed van de oorlog en gaat men misschien aan het vechten. Op die manier lijken oorlogen even onvermijdelijk als misoogsten, ze zijn warempel bijna een natuurfenomeen, alleen zijn het meestal niet tekorten die aan de basis liggen van vijandigheden onder mensen maar wel ongeremde hebzucht en grootheidswaanzin.
Maar wat betreft privézaken en gemeenschappelijk bezit oppert zich nog een ander probleem, met name dat van de vertegenwoordiging van het gemeenschappelijke goed. Wie immers is bekwaam én betrouwbaar genoeg om uit te maken wanneer het nodig is dat wij een stuk van onze privacy inleveren voor het welzijn van allen? Eigenbelang en machtsmisbruik, om slechts die twee te noemen, kunnen immers nimmer worden uitgesloten.
Een dictatuur is pas verkieslijk al de dictator zelf bekwaam is (en dat ook blijft!) en als hij het goed voorheeft met het volk, wat wel een uitzonderingstoestand mag heten en hetzelfde geldt voor de monarchie en de theocratie: zij staan in de schaduw van de democratie waarbij het volk zelf de gemeenschappelijke goederen beheert maar om heel praktische redenen moet men zich laten vertegenwoordigen en dat doet men door zijn vertegenwoordigers te kiezen. Onvermijdelijk botst ook die staatsvorm op zekere grenzen maar op een beter alternatief is het tot op heden wachten: de verfijning van de vertegenwoordiging is alles waarop men hopen mag.
Hierbij oppert zich nog een extra onvermijdelijke malaise, namelijk het kwaad inherent aan de systematisering van processen welke nodig zijn voor het bestuur van een gemeenschap. In zijn Götzen-Dämmerung uit 1895 stelt Friedrich Nietzsche: “Der Wille zum System ist ein Mangel an Rechtschaffenheit.” Systemen immers zijn geen mensen en kunnen niet ter verantwoording geroepen worden, zij kunnen niet gestraft worden omdat zij niet kunnen lijdenen leren, terwijl taken van levensbelang op hun 'schouders' worden gelegd.
Men moet daarom altijd voor ogen blijven houden dat systemen werktuigen zijn: de verantwoordelijkheid voor hun werking ligt bij degenen die deze werktuigen maken en hanteren en zij kunnen zich niet zomaar aan hun verantwoordelijkheid onttrekken door de zwarte piet door te schuiven naar het 'helaas' onvolmaakte systeem, zoals onlangs een universiteitsrector meende toe mogen doen met betrekking tot het werktuig dat Artificial Intelligence heet, wat getuigt van onbegrip inzake de vertrouwenskwestie in het proces van het delegeren en wat uiteraard niet uitnodigt tot credibiliteit want voor hetzelfde geld wordt de relatie tussen de mens en zijn gebruiksvoorwerpen omgekeerd met onvermijdelijk de totale ondergang tot gevolg. Men mag geen macht in handen geven van Big Brother maar nog veel meer geldt dat men geen macht mag delegeren aan een golem.
(J.B., 8 februari 2026)
07-02-2026
De detectie van de Untermensch
De detectie van de Untermensch
Hitler maakte zich sterk dat de uitroeiing van de 'onvolmaakten' een zaak was die uiteindelijk het volk ten goede kwam: hij verving de hoogopgeleide artsen, paramedici, sociale werkers en nog andere zorgverleners door ongeletterde beulen en bespaarde op die manier fortuinen die anders uitgegeven werden aan de verpleging van ouderlingen, andersvaliden, zieken, marginalen, asielzoekers en nog andere zogenaamd 'verlieslatende' groepen uit de samenleving. De Führer wilde Duitsland weer groot maken na de nederlaag ingevolge de Eerste Wereldoorlog en hij stelde zich niet tevreden met een herstel van de economie: hij beoogde niets minder dan de wereldheerschappij, met zijn zogenaamde 'Derde Rijk', een imperium in de lijn van het eerste, het Heilig Roomse Rijk, en het tweede, het Duitse Rijk.1 Zichzelf en zijn trawanten, verenigd in een geheim genootschap, jutte hij op met onder meer een krankzinnige rassenleer om aldus zichzelf tot de messias van het uitverkoren volk te kunnen uitroepen en alle middelen, inclusief genocide, te kunnen inzetten als gewettigd voor de onderwerping van de zogenaamde 'Untermenschen': andere volkeren maar dus ook de hoger genoemde groepen uit de eigen natie. Hitler werd gefinancierd door het grootkapitaal dat dan ook deze besparingspolitiek ten koste van talloze onschuldige mensenlevens wilde en bepaalde. En vandaag lijkt het monster waarvan men geloofde dat men het verslagen had, zich te hebben vermenigvuldigd: de huidige leiders van China, Rusland, de V.S. en nog andere staten delen eenzelfde megalomanie die zich pas kan realiseren door dienst aan de mammon - lees: door de onderwerping van de mens aan een (moordende) economie gericht op de verrijking en vergoddelijking van de bezittende klasse - die later door de geschiedenis zal worden ontmaskerd als een klasse van bezetenen.
Het begint allemaal met grootheidswaanzin en dat is zichzelf voorhouden dat men meer waard is dan een ander. Het is een 'spel' binnen de pikorde waar geldt dat geluk een kwestie is van sociale vergelijking maar tegelijk volgt deze waanzin ook uit de miskenning van de eigen gebrekkigheid en sterfelijkheid. De vernedering van anderen is de gemakkelijkste manier van zelfverheffing maar die verheffing is vermeend: zij berust op leugens die dan ook met hoogdringendheid in stand gehouden dienen te worden.
Tot die leugens behoren in de eerste plaats de voorwendsels voor het zich kunnen voltrekken van gigantische misdaden want snode plannen worden altijd in het verborgene gesmeed en bedrog noopt tot een dubbele boekhouding waarbij de ware, misdadige verborgen dient te blijven terwijl de geopenbaarde het publiek een rad voor de ogen moet draaien en uiteraard wordt daarbij het tegendeel voorgewend van wat er in werkelijkheid gaande is: maatregelen, zogezegd in functie van de volksgezondheid, decimeren de bevolking of wetten inzake onderwijs, houden de massa dom. Men hoeft geen hogere studies te hebben gedaan om in te zien dat waar bijvoorbeeld kapitalen worden besteed aan bevolkingsonderzoek ter preventie van darmkanker terwijl men het nalaat om de harddrug alcohol alsook nicotine te verbieden, er iets niet klopt: de genoemde inconsistentie valt echter wel te begrijpen in het licht van het feit dat de beide houdingen elkaar pas tegenspreken waar men de ware toedracht uit het oog verliest, met name louter winstbejag.2
Er zullen altijd mensen zijn die graag blijven geloven in het sprookje van the American Dream, dat een illusie te voorschijn tovert gelijkaardig aan die waarin men belandt als men op de lotto speelt, of in religies die goden vermenselijken en derhalve mensen vergoddelijken, maar het kapitalisme verkapt de hulde aan de klassenmaatschappij die, erger nog dan de natuur met zijn recht van de sterkste, dit recht ook nog eens beschermd wil zien middels in wetten vastgelegde voorrechten. De gelijkenissen tussen de gang van zaken bij de huidige grootmachten en deze ten tijde van het nazisme in Duitsland betreffen uiteraard niet alleen de propaganda maar evenzeer de misdaden, die dankzij de hedendaagse media echter veel moeilijker te verbergen zijn dan destijds terwijl om dezelfde reden het verzet daartegen veel makkelijker de kop wordt ingedrukt.
Actueel is nu de kwestie van de genetische screening die zich graag profileert als een zaak van medische ethiek terwijl het ook hier overduidelijk is dat het morele andermaal een dekmantel moet zijn voor zich verhullende economische belangen. Aan mensen gaan vertellen dat zij er bij te winnen hebben als zij zich laten nakijken op hun aanleg om in de loop van hun bestaan bepaalde ongeneeslijke ziekten te ontwikkelen, is wat commerçanten doen wanneer zij alleen maar eigen gewin op het oog hebben. De waarheid is dat slechts de bezittende klasse er (met het oog op de doeltreffendheid van hun investeringen) bij gebaat is om te weten wie voor hen wel of niet winstgevend zullen zijn en wie dan ook nog geloven dat die informatie zal gebruikt worden om de betrokkenen tijdig ter hulp te kunnen schieten, zullen terugkeren van een koude kermis.
Destijds was er alleen de reputatie als cruciale informatiebron om potentiële werknemers te screenen, weliswaar aangevuld met de gegevens uit de biecht, maar het zou onverstandig zijn voor wie hun winst tot elke prijs willen maximaliseren indien zij de informatie uit de medische sector niet te baat zouden nemen. Met respect voor ieders privacy weet elke doorgewinterde commerçant aan jan of an met de pet alras een handtekening te ontfutselen onder een verklaring die aan de behandelende artsen carte blanche geeft, want dat is wat zij nodig hebben om goede punten te scoren in een systeem dat draait om de voorrang van het geld.
2De zorg om de gezondheid van burgers en hier in het bijzonder senioren, kan pas een geloofwaardig argument zijn voor het bevolkingsonderzoek naar darmkanker als diezelfde zorg zich ook toont in een wetgeving die ons tegen die ziekte beschermt. Die zorg blijkt totaal afwezig in onze wetgeving inzake de handel in alcohol en tabak, overduidelijk omdat hoge taksen deze vergiften winstgevend maken voor de staat. Stoute tongen beweren dat ook preventief kankeronderzoek de staatskas spijzigt en niet omdat het de kosten voor de verpleging van die ziekte zou inperken maar omdat het onderzoek als zodanig letaal zou zijn, wat dan een besparing zou betekenen inzake pensioenen. Letaal bleken alvast reeds de maatregelen inzake de preventie van borstkanker waarvan aan het licht kwam dat screening slapende kankercellen wekt.
06-02-2026
"Dat mag" - Het goede is geen feit: het wordt gemaakt
“Dat mag”
Het goede is geen feit: het wordt gemaakt
De stelling dat verwende kinderen verkieslijker zijn dan kinderen met een waterbuikje gaat aan het wankelen als men in rekening brengt wat er van die kinderen kan worden omdat het een feit is dat wie hebben moeten vechten, het er in het leven dikwijls beter afbrengen. Verwendheid is het vanzelfsprekend vinden van het genot dat men heeft van het bevredigd zijn van zijn behoeften, wat een gevaarlijke onverschilligheid daartegenover voedt welke zich vertaalt in ondankbaarheid. Die ondankbaarheid betreft uiteindelijk een houding jegens die mensen die met hun arbeid en derhalve middels leed, gezorgd hebben en zorg dragen voor de luxe waarin men zelf mag leven.
Verwendheid maakt blind voor het feit dat het goede van het leven en uiteindelijk ook het leven zelf geen vanzelfsprekendheden zijn, geen zaken die er van nature zijn en al zeker geen zaken waar men recht op heeft. Als men met andere woorden de dingen missen moet waarvan men geniet als men verwend is, kan men nergens terecht om zijn beklag te doen, precies omdat hetgeen waarop men bogen kon, geen rechten waren doch gunsten. Het goede is derhalve een gunst, uitgaande van een of meer personen die het zonder nood of dwang geheel vrijwillig schonken.1
Het goede bestaat dan ook uitsluitend als iets dat werd of wordt gegeven, het is aldus geen entiteit op zich, het ontstaat krachtens de handeling van het geven waarin uiteraard personen betrokken zijn, met name de gever(s) en de ontvanger(s).
De gever heeft geen plicht om te geven maar hij weet dat de ontvanger, ofschoon ook hij geen plicht heeft tot ontvangen, het geschenk niet zal weigeren omdat het hem goed doet en hij dit ook weet en ondervindt. De ontvanger heeft strikt gezien geen plicht tot dankbaarheid jegens de schenker omdat die door de schenking reeds afstand deed van wat hij schonk maar het al dan niet dankbaar zijn tekent hem wel en niet zomaar oppervlakkig als iemand die al dan niet sympathiek oogt maar in die zin dat het uiteindelijk zijn eigen wezen vastlegt.
De ondankbare immers wordt spontaan geassocieerd met de dief, zij het een dief die men niet betrappen kan omdat hij zelf niets deed, niets van een ander wegnam, daar hij de schenking louter onderging, maar wel omdat hij het naliet iets te doen, met name liet hij het na om de schenker als zodanig te erkennen, wat hij had kunnen doen middels een teken van dankbaarheid. Juridisch gezien hebben gunsten geen betekenis, weldoeners azen niet op een beloning en wie hun weldaden genieten in ondankbaarheid, worden daar ook niet voor vervolgd omdat de wet zich beperkt tot het vrijwaren van de rechten - indien zij zich met gunsten inliet, dan ging het immers niet langer om gunsten doch om plichten.2
De ondankbare ontvanger miskent de schenking en derhalve ook de schenker die door zijn schenking het goede tot stand bracht en bijgevolg miskent de ondankbare ontvanger ook het goede als zijnde een persoonlijke creatie: hij doet alsof het goede een natuurlijk gegeven is, zoals een appel aan een boom - en uiteraard een boom die men tot zijn bezit kan rekenen. En hier belandt men bij het fenomeen van het privaatbezit, dat is ontstaan met handelingen die lijnrecht staan tegenover de gunsten, de schenkingen of de weldaden, met name de inbeslagnames of de veroveringen welke wezenlijk geweldplegingen zijn.
Eigendom is een complex iets omdat wij nillens willens het eigen lichaam beschouwen als het onze en we zijn er mede verantwoordelijk voor. Maar het eigen lichaam is in het verleden, in het heden en in de toekomst verbonden met dat van onze moeder en met de lichamen van onze clan maar ook met de rest van de natuur vanwege de levensnoodzakelijke behoeften want lichamen zijn niet zelfbedruipend, wij moeten ademen, eten en op velerlei wijzen onderonsen om in leven te kunnen blijven. Zolang wij kunnen erkennen dat onze clan en de natuur, incluis het hele heelal, het onze zijn, lijken problemen uitgesloten want daar vervalt dan ook spontaan de betekenis van het privaatbezit.3 Maar de werkelijkheid is om de een of andere reden niet gediend met deze al te mooie insteek die verwijst naar een toekomstig toneel waarin de wolf en het lam in vrede samenleven4: de wolf die roodkapje opeet, is boos, of wild, hij heeft geen zeg over zijn daden omdat hij instinctmatig handelt, hij gehoorzaamt zijn natuur die wij niet kennen dan door de tragedies zoals verhaald in Roodkapje en de boze wolf.
Op die manier blijkt ook dat er nog werk is aan de winkel vooraleer het Bijbelse Utopia zich realiseren kan: zoals ook de dode en blinde natuur, moeten wilde dieren worden getemd en moeten mensen worden beschaafd, en dat alles kan bezwaarlijk gebeuren zonder slag of stoot en vrij van allerlei risico's en gevaren. De wereld zoals wij die kunnen wensen, staat (nog) mijlen ver af van de wereld zoals hij vandaag aan ons verschijnt en willen wij onze wensen waar maken, dan verbinden zij ons ertoe te werken aan de toekomst. Kinderen mogen dan al denken dat hun smartphones aan de bomen groeien: al het goede van het leven en het leven zelf werden ons gegeven, het zijn gunsten. Dankbaarheid daartegenover kan worden geuit door de aanvaarding van een uitnodiging die wij geheel vrijwillig tot onze plicht kunnen maken om mee voort de werken aan de voltooiing van de realisatie van die wens. Het goede en het leven zelf, het zijn geschenken, met veel zorg tot stand gebracht en ons gegeven, door personen die het goede voor ons wensen, en uitgerekend het voortduren van die werkelijkheid komt in gevaar waar dankbaarheid niet langer als een morele plicht beschouwd wordt. Om die reden stuit het tegen de borst wanneer een nieuwsoortig gedrag zich gelden laat, dat mensen ervan weerhoudt om “dank u” te zeggen en waar hen gevraagd wordt of zij het een of andere aangebodene willen, niet langer antwoorden zoals weleer: “Ja, dank u wel” maar kort en bijna bruut: “Dat mag.”
(J.B., 6 februari 2026)
1De veronachtzaming van deze visie resulteert in inconsistenties van zekere regelgevingen, zoals bijvoorbeeld in de zogenaamde mensenrechten, omdat er geen rechten zonder plichten denkbaar zijn, zoals er ook geen ontvangers zonder schenkers kunnen zijn, want evenmin als geschenken hebben wij rechten van nature. Zo kan men geen aanspraak maken op het recht op euthanasie zonder ook de plicht tot het plegen daarvan aan mensen op te kunnen leggen, terwijl uiteraard niemand een ander onder dwang kan zetten om medemensen te doden.
2Echter, niet alles kan als plicht aan mensen worden opgelegd - zie verderop in deze tekst.
3Als iedereen alles tot zijn bezit mag rekenen, verliest het begrip 'bezit' zelf uiteraard elke inhoud.
4Bedoeld wordt hier de passage uit de Bijbel in Jesaja 11:6-9: “Dan zullen wolven en schapen bij elkaar leven. Panters en geitjes zullen samen liggen rusten. Kalveren en jonge leeuwen groeien samen op. Een kleine jongen zal ze hoeden. Koeien en beren zullen samen gras eten. Hun jongen zullen samen spelen. Leeuwen zullen net als koeien hooi eten. Baby's zullen spelen bij het hol van een adder. Kleuters zullen giftige slangen uit hun nest pakken. Niemand zal een ander nog kwaad doen op Gods heilige berg.” (Zie: https://www.biblegateway.com/passage/?search=Jesaja%2011&version=BB;HTB;LSG;NIV )
05-02-2026
Friedrich Nietzsche over goed en kwaad - Afleveringen 2 en 3
Friedrich Nietzsche over goed en kwaad
Aflevering 2. Zur Genealogie der Moral
In Zur Genealogie der Moral1(zoals vermeld in het boek: geschreven ter vervollediging en ter verduidelijking van Jenseits von Gut und Böse)vraagt Nietzsche zich af waar men het dan vandaan haalt om te stellen dat iets goed of slecht is2 en daar blijkt dat morele begrippen geen redelijke oorsprong hebben maar veeleer door toeval tot stand gekomen zijn.3
De (Griekse en Romeinse) adel leeft egoïstisch en volgens de natuur die het recht aan de sterken geeft terwijl de zwakkeren zich moeten tevreden stellen met de dienstbaarheid waarvan ze dan maar een deugd maken, wat meebrengt dat zij het daaraan tegengestelde egoïsme van de sterken als ondeugdelijk bestempelen.4
De priesterklasse, aldus Nietzsche, kweekt een ressentiment door de natuurlijke waarden om te keren. Aan slaven wordt namelijk geleerd dat zij schuld hebben tegenover hun meesters en dat ze die moeten uitboeten. Hun moraal maakt dat ze hun leed zien als een rechtvaardige straf. Uiteraard keuren zij dan de daaraan tegengestelde moraal van hun meesters af en aldus kunnen zij zich boven hen verheven achten.
Nietzsche zegt dat er geen ander, eigen fundament bestaat voor de altruïstische moraal, die dus zelfbedrog is, en men beschouwt die moraal als goed omdat men eraan gewend is. De priesterklasse die de slavenmoraal predikt, gelooft aldus dat zij de sterke tot haar moraal moet bekeren, dat zij de wilde moet temmen.
Verwant met het schuldbewustzijn is het zich binden aan beloften, wat de slaaf voorspelbaar en beheersbaar maakt en wat staat tegenover de bevrijdende kracht der vergetelheid. Het natuurlijke leedvermaak dat sterkeren hebben tegenover zwakkeren, richt zich bij de zwakkeren op zichzelf en uit die frustratie vormt zich een schuldbewustzijn, een verantwoordelijkheidsgevoel voor de eigen daden, een zichzelf met ascese straffende ziel. Ten langen leste heeft op die manier de zwakkere betekenis gegeven aan het zinloos leed van zijn slavernij.5
De wetenschapper overschat zichzelf want hij is verwant met de priester omdat hij zijn ascese van hem heeft afgekeken: beiden geloven in een waarheid die zij zoeken als een doel op zich. Nietzsches ideaal is dat de mens leert te leven zonder doel.6
Aflevering 3. Een bedenking bij Nietzsche's Genealogie van de moraal
Nietzsche beschouwt het christendom als een slavenmoraal met geen ander fundament dan een ressentiment tegenover de herenmoraal en derhalve als een perversiteit of een tegennatuurlijkheid.
Het altruïsme heeft geen ander fundament dan ressentiment, zo betoogt Nietzsche, maar hij staart zich blind op het verleden en op de koop toe wil hij ook nog dat verleden vergeten maar wat dan gezegd van het altruïsme van zovele vrijheidsstrijders: zij betalen met hun leven voor het welzijn van anderen7 met wie zij zich kennelijk identificeren, met wie zij hun lot verbonden hebben, zodat men zonder een zweem van twijfel kan stellen dat zij dat altruïsme funderen op de hoop en derhalve op de toekomst welke zij met de kracht van hun hoop uiteindelijk ook waar weten te maken.
De conclusie dat men op grond van Nietzsche inzichten dan maar moet terugkeren naar de natuurlijke, 'edele' waarden, is zodoende een bijzonder problematische stellingname. Het is immers niet de eerste keer in de loop van de evolutie dat zich een 'perverse' of een 'vreemde' kentering voordoet met kennelijk bijzonder heilzame gevolgen. De tarwe, een afwijkend gewas, voedt de hele wereld en de mens is een 'onaf' en derhalve een afwijkend dier. Maar het leven zelf is een kentering in de ontwikkeling der dingen daar de wetten die het voortdrijven, deze van de dode stof vierkant tegenspreken: de tweede wet van de thermodynamica, de vervalwet, lijkt daar te worden omgebogen tot een wet van toenemende complexiteit.
Eensgelijk kan het voortkomen van altruïsme uit egoïsme gezien worden als alleen maar een schijnbare tegenstelling. En is het overigens niet pas vanuit de realiteit van het altruïsme dat het egoïsme van de aan de cultuur voorafgaande natuur aan het licht komt, zoals het ook pas vanuit de realiteit van de complexiteit van het leven en het denken is dat aan het licht komt dat alles aan verval onderhevig zou zijn? De feiten spreken met andere woorden de theorieën tegen en in dat geval moet men uiteraard niet de feiten maar wel de theorieën laten varen.
2Nietzsche heeft het over zijn “Gedanken über die Herkunft unsere moralischen Vorurteile (...)”. Cf.: F.W. Nietzsche, Zur Genealogie der Moral. Eine Streitschrift, in: Friedrich Nietzsche, Werke III, Verlag Ullstein Gmbh, Frankfurt/M, Berlin, Wien 1976, 1969 (Oorspronkelijk: 1886), Vorrede, 2, pag. 763.
3Met dit standpunt zet Nietzsche zich af tegen een publicatie uit 1877 van zijn vriend Paul Rée, getiteld: Der Ursprung der moralischen Empfindungen. die hij pervers noemt en hij stelt: “Vielleicht habe ich niemals Etwas gelesen, zu dem ich dermaszen, Satz für Satz, Schlusz für Schlusz, bei mir Nein gesagt hätte wie zu diesem Buche (...)” (Nietzsche, o.c., pag. 766) en hij stelt een nieuwe, 'genealogische' onderzoeksmethode voor.
7Zie bijvoorbeeld: Costica Bradatan, Sterven voor een idee. Filosoferen met gevaar voor eigen leven, Ten Have, Utrecht 2016. (Oorspronkelijk: Dying for ideas. The Dangerous Lives of the Philosophers, Bloomsbury Academic, 2015.)
03-02-2026
Friedrich Nietzsche over goed en kwaad - Aflevering 1. Jenseits von Gut und Böse
Friedrich Nietzsche over goed en kwaad
Aflevering 1. Jenseits von Gut und Böse
Max Wildiers mag dan wel stellen (samen met zijn achterban, de katholieke kerk) dat aan de grondslag van een cultuur een metafysica ligt: waar Friedrich Nietzsche laat zien hoe de slavenmoraal van het christendom een overlevingsstrategie is, blijkt ten langen leste het tegendeel, namelijk de superstructuur als product van de infrastructuur: de westerse cultuur volgt weliswaar voor een groot stuk uit het geloof maar op zijn beurt is het geloof een gevolg van de onderdrukking, en wel als een verweer daartegen, waarin meer bepaald de slaaf van de nood een deugd maakt en hij zijn plicht identificeert met zijn lot. Deze analyse gebeurt in zijn Jenseits von Gut und Böse (1886) en in Zur Genealogie der Moral (1887).
Zoals het denken een verinnerlijkte dialoog is1, zo kan men het willen opvatten als een verinnerlijking van een machtsverhouding met een ondergeschikte - die opvatting past alvast bij Nietzsche's opvatting over de wil zoals verwoord in Jenseits von Gut und Böse: “Das, was "Freiheit des Willens" genannt wird, ist wesentlich der Überlegenheits-Affekt in Hinsicht auf Den, der gehorchen muss: "ich bin frei, "er" muss gehorchen" (…). Ein Mensch, der will -, befiehlt einem Etwas in sich, das gehorcht oder von dem er glaubt, dass es gehorcht.”2 (“De zogenaamde 'wilsvrijheid' is eigenlijk het superioriteitsgevoel tegenover wie moet gehoorzamen: ‘Ik ben vrij, hij moet gehoorzamen’ (…). Een mens die wil, beveelt [iets in] zichzelf [dat gehoorzaamt of waarvan hij gelooft dat het gehoorzaamt].”)
Men kan zijn wil opleggen aan zijn lichaam zoals men zijn wil kan opleggen aan wie gehoorzaamheid verschuldigd zijn, en dat zijn de zwakkeren, over wie men aldus macht uitoefent. Derhalve is moraal de leer van de machtsverhoudingen. Religie is machtsuitoefening door de omkering van de waarden (de installatie van een slavenmoraal met de plicht tot dienstbaarheid) en het socialisme kweekt een kuddemens die de moraal bepaalt - uiteindelijk legt de sterkste kudde de moraal aan iedereen op.
(Wordt vervolgd)
(J.B., 3 februari 2026)
1Zie: E. de Strycker, De kunst van het gesprek. Wat waren de dialogen van Plato? De Nederlandsche Boekhandel, Antwerpen/Amsterdam 1976.
2F.W. Nietzsche, Jenseits von Gut und Böse. Vorspiel einer Philosophie der Zukunft, in: Friedrich Nietzsche, Werke III, Verlag Ullstein Gmbh, Frankfurt/M, Berlin, Wien 1976, 1969 (Oorspronkelijk: 1886), par. 19., pag. 582. Zie ook: https://www.gutenberg.org/cache/epub/7204/pg7204.txt
01-02-2026
De Einsteintelescoop
De Einsteintelescoop
31-01-2026
Onze cultuur en Max Wildiers
Onze cultuur en Max Wildiers
De tijd vliegt, inmiddels al dertig jaar geleden overleed de rebelse katholieke theoloog en schrijver Max Wildiers maar hij blijft actueel. In zijn essay uit 1988 heeft de kapucijn (die dan 84 is) het over cultuur en meer specifiek over de toekomst van de westerse cultuur. Cultuur ontstaat waar de mens in dialoog gaat met de natuur en Wildiers meent dat niet de economie het fundament ervan uitmaakt maar veeleer een zekere metafysica die dan ook de sleutel vormt tot het begrijpen ervan met als centrale waarden die van de zedelijkheid.1
Edoch, sinds de opgang van het mechanistisch wereldbeeld in de zeventiende eeuw telt Europa twee culturen: deze uit de oudheid en de middeleeuwen die gefundeerd is op het beeld van de wereld als hiërarchisch geordende sacrale eenheid en die (vooral) vanuit haar ethiek en esthetiek het menselijk geluk nastreeft en deze die de wereld ziet als een door de zich aldus emanciperende mens rationeel te beheersen machine.2 De eerste steunt op ontzag voor de natuur, de tweede wil hem beheersen.
Wildiers noemt het een misvatting dat Erasmus (1466-1536) de aankondiger zou zijn van een nieuwe tijd: de natuurwetenschappen interesseerden de humanist niet maar wel de oude culturele waarden.3 Pas met Bacon en Descartes krijgt het nieuwe wereldbeeld ingang door de nieuwe, experimentele methode van de fysica, een kennis die het meesterschap over de natuur in het vooruitzicht stelt, wat in de mens de machtswellust wekt en een toename van geluk belooft.4
Een viertal eeuwen later is door de technische en wetenschappelijke vooruitgang, met onder meer de kernenergie, de genetica en het communicatienetwerk, de beheersbaarheid van de wereld een vaste overtuiging geworden. Tegelijk echter geven zowel de mogelijkheid van een aanwending van de kennis voor het kwaad (kernwapens) als het vreedzaam gebruik ervan (milieubelasting) aanleiding tot onzekerheid en angst maar het kwaad zit ook dieper.5 Wildiers: “De bron van ons onbehagen is de metafysische leegte die eigen is aan een mechanistisch wereldbeeld.”6
Edoch, eveneens onder invloed van nieuwe wetenschappelijke inzichten maakt momenteel weer een nieuw wereldbeeld opgang, “een soort resacralisatie van het Universum”7, die zowel bij gelovigen als bij atheïsten bewondering wekt voor natuur en kosmos.8 “Wij hebben thans een autonoom technisch Universum (Jacques Ellul) opgebouwd [en dit] is thans onze meest vertrouwde wereld geworden. Dit (…) wordt in zijn groei en ontwikkeling niet door de menselijke willekeur maar door een innerlijke logica geleid, alsof het ging om een levend organisme.”9
Edoch, die wonderbare wereld heeft iets onmenselijks, hij is (gewild) eenzijdig en draait alleen om efficiëntie en macht in een materialisme waar geen plaats is voor dichters of metafysici. Bovendien geeft die wereld teveel macht in handen van broze mensen: “Zijn wij bij machte meester te blijven over de geesten die wij hebben opgeroepen?”10 Zullen kernwapens worden ingezet bij oorlog en betekenen de nieuwe uitvindingen ook in vredestijd geen vergiftiging van het milieu? Wij kennen een innerlijke onvrede.11 Welke finaliteit dient de technologie?
Zij is werkzaam inzake de communicatie, de kunst, het maatschappelijke leven en de techniek. Welke krachten drijven ons en waarheen? Naar bevrijding of naar vernietiging? De technologische samenleving moet gehumaniseerd worden, anders brengt zij geestelijke armoede.Wildiers verwijst naar Hans Jonas: “De voor goed bevrijde Prometheus, die dank zij de wetenschap een nooit gekende kracht en dank zij de industrie een rusteloze aansporing kreeg, roept om een ethiek die zijn macht weet te beteugelen en hem ervan weerhoudt tot onheil van de mens te dienen.”12 De technologie heeft ons op een dwaalspoor gebracht en moet ondergeschikt worden gemaakt aan de ethiek en de esthetiek en zij moet iedereen ten goede komen, het evenwicht herstellen en tot een meer humane wereld leiden.13
(J.B., 31 januari 2026)
1Max Wildiers, Het verborgen leven van de cultuur, Davidsfonds en Kredietbank, Leuven/Brussel 1988, pp. 11-25.
In het verrassend rijke essay Liefde in tijden van eenzaamheid - over drift en verlangen1, vertelt Paul Verhaeghe eerst over hoe in de clan of de familie genot en goederen verdeeld worden tussen de partijen rond de man en de vrouw, waarbij in de loop van de tijd het patriarchale in de plaats komt van het matralineaire met het tot stand komen van het monotheïstisch patriarchaat waarin de man middels strenge regels en met het onderstrepen van de tegenstelling tussen de geslachten, de (gevreesde) vrouw 'onschadelijk' tracht te maken. Vandaag is het monotheïstisch patriarchaat verdwenen en komt bij de man de angst voor de vrouw weer naar boven, getuige de agressie (zoals bij clitoridectomie) én de aanbidding tegenover haar, alsook verdwijnt de scherpe tegenstelling tussen de geslachten, er komt een meer gedifferentieerde genderidentiteit. De man vreest namelijk door de vrouw herleid te worden tot een willoos lustobject en zo zichzelf te verliezen. Maar het verdwijnen van de klassieke regelgeving inzake man-vrouwverhoudingen resulteert niet in de mogelijkheid van een totale bevrediging: in plaats daarvan blijkt men almaar minder zin te hebben in seks. Desondanks blijft de blinde drift, door Verhaeghe behandeld in het derde en laatste deel van zijn boekwerk.
Drift beduidt controleverlies en sowieso geweld, ook inzake de seksualiteit: men wordt gedreven naar iets dat men niet wil, zoals in de fascinatie voor horror en perversie maar de mens moet het (door Milgram aangetoonde2 en door onder meer Joseph Conrad3 beschreven) monster in zich in toom houden. Het gaat hier niet om een regressie4 want reptielen kennen dit niet: “[De drift] is de bron van een vreemdsoortig genieten dat door het subject niet verlangd wordt. Verlangen en drift staan tegenover elkaar zoals de schone en het beest. Beter: zoals het bekende tegenover het andere.”5 Het verlangen wil niet bevredigd worden, de drift kan niet bevredigd worden. Dieren hebben instincten, geen driften, de drift is typisch menselijk, hij treedt op bij het overschrijden van een grens en men verliest zich erin.
Inzake seksualiteit is een beveiligingsmechanisme ingebouwd: de drift stopt bij het bereiken van het orgasme. Verhaeghe: “Maar wat als een dergelijk eindpunt ontbreekt? De man of vrouw die blijvend in extase gebracht wordt tot steeds hogere niveaus, de achtbaan die blijft ronddraaien, de gillende massa die niet tot bedaren te brengen is? Elke massarevolutie eindigt in een paroxisme van bloed waarbij vergeleken voetbalhooliganisme kinderspel is. De drift is inherent traumatisch”6
“De drift drijft het subject voorbij de eigen grens”7 Daar bestaat tegelijk aantrekking en angst, tremendum et fascinans, en het verbod maakt het verbodene aantrekkelijk: men wil opnieuw regels omdat zonder maat de zin in seks verdwijnt. De “allesverslindende liefde” verwekt seksuele trauma's verwant aan de oorlogsneurosen ingevolge ongebreideld geweld door de afwezigheid van de normale regelgeving en men spreekt dan over een “orgie van geweld.”8
De groep stimuleert overgave aan (zowel het uitoefenen als het ondergaan van) geweld en verdooft het bewustzijn, het trauma ontstaat pas als de groep uiteenvalt: PTSS. “De getraumatiseerde herinnert zich het trauma niet, hij herbeleeft het.”9 In zelfhulpgroepen probeert men het onverwoordbare alsnog gezegd te krijgen en te bezweren in de eigen (scanderende) taal van lotgenoten, zoals bij rap. De wet verbiedt het verlangen dat zij uitgerekend daardoor mogelijk maakt.10 Het neoliberalisme gedoogt zowat alles waardoor niets nog begerenswaardig is en vandaag worden de clerici afgelost door de medici maar de tolerantie is illusoir want verkapt een (economische) oorlog: alles is te koop voor elkaar beconcurrerende individuen.11 Dan rijst de vraag, aldus Verhaeghe: “Wat drijft mij naar die transgressie, voorbij het punt waar ikzelf ophoud te bestaan?”12
Voor Freud streven wij naar een zo laag mogelijk spanningsniveau maar dat is het nirwana, de dood: eros en thanatos. Eencelligen en andere wezens die geen seks kennen omdat zij zichzelf quasi perfect repliceren, leven eeuwig maar vernieuwing (door reductiedeling) vergt seksualiteit en “seksualiteit impliceert dood.”13“La petite mort”, zoals het orgasme wordt genoemd, verwijst hiernaar. In tegenstelling tot wat Freud meent, zijn eros en thanatos voor Verhaeghe twee verschillende vormen van leven en zo vraagt de bioloog zich af of hij de honingbij moet bestuderen of niet veeleer de zwerm.
Ter afronding van zijn essays wijst Verhaeghe erop dat naast de blinde drift en de burgerlijke banaliteit een derde weg openligt, die van de liefdesverhouding die een sublimatie van het onmogelijke is. Maar intussen werd met de bedenkingen over de verstrengeling van de eros met de thanatos en van het individu met het volk, een kwestie aangesneden die zich vandaag14 actualiseert in Europa waar zich een oorlogsfront aan het uitbreiden is: dreigt het zich opofferen van het individu aan het volk met de aangereikte, al dan niet vermeende inzichten niet gelegitimeerd te worden en betekent een morele verantwoording daarvan middels die inzichten geen terugkeer naar de wet van de sterkste en naar de horror zoals de door de auteur aangehaalde Joseph Conrad beschreven? Want eenmaal het hek van de dam is, stokt élke dialoog, grijpt de transgressie plaats naar het uitvoeren van wat men eigenlijk niet wil, en opent zich de weg naar een nimmer te stoppen roes waarvan in ons continent niemand meer in leven is om nog te getuigen van de gruwel die hij verkapt.
(J.B., 29 januari 2026)
1Paul Verhaeghe, Liefde in tijden van eenzaamheid. Over drift en verlangen, De Bezige Bij, Amsterdam 2013 (2011).
2Stanley Milgram, Behavioral study of obedience (1963) en Obedience to Authority: An Experimental View (1974).
4Paul Verhaeghe, o.c., pag. 200: “Mijn stelling is dat wij [in de drift] juist het verst verwijderd zijn van het natuurlijk-biologische. Dieren kennen geen Auschwitz (…). Het gaat om het stuk biologie dat geen psychologie kan worden en omgekeerd. (...) De woede en agressie die [bij de drift] vaak komen kijken, zijn steeds uitingen van onmacht en onvermogen die in natuurlijke omstandigheden onbekend zijn bij het dier. (...)”
10Verhaeghe verwijst hier naar de belangrijke brief van Paulus aan de Romeinen over de relatie tussen de wet en de zonde. Cf.: Paul Verhaeghe, o.c., pag. 227.
14Ter herinnering: Verhaeghes essays dateren van 2011.
28-01-2026
Orpheus en Eurydicè film (Gia Coppola)
Orpheus en Eurydicè film (Gia Coppola)
26-01-2026
De wereld op zijn kop
De wereld op zijn kop
Het is avond en donker, een man staat onder een lantaarn de grond af te speuren.
– Wat doet u hier?
– Ik heb mijn sleutelbos verloren.
– Hier?
– Neen, ginder wat verderop.
– Waarom zoekt u ginder wat verderop dan niet?
– Omdat het hier klaarder is.
Er zit een logica in wat de speurder doet: in het donker ziet men niks en is de kans om daar iets te vinden nul, dus is alles beter dan dat.
Gelijkaardig is het volgende probleem.
In de kerk zit een weduwnaar, geknield en prevelend.
– Wat doet u hier?
– Ik bid voor mijn vrouw die overleden is.
– Gelooft u dat ze dan terug zal komen?
– Neen, maar als ik niets doe, zal ze zeker en vast niet terugkomen.
Het geloof vertrekt van de machteloosheid, onder meer en vooral tegenover de eindigheid van het bestaan. Men weet dat de dood het einde is maar er is nog de logische mogelijkheid dat dit niet zo is, derhalve houdt men met die mogelijkheid rekening. Men vergeet dat men aldus het weliswaar eindige leven zelf ondergeschikt maakt aan een onsterfelijk bestaan waarvoor men geen andere reden heeft om aan te nemen dat het waar is dan deze dat zij een louter logische mogelijkheid is, dat wil zeggen een mogelijkheid die geen rekening houdt met de werkelijkheid.
De absurditeit waaraan de gedragingen van de sleutelzoeker en de pilarenbijter onderhevig zijn, volgt uit een drang tot algehele controle over de zaken waarvoor wij sowieso de duimen moeten leggen. Die drang verplaatst het zwaartepunt van ons handelen van de concrete situatie in de wereld naar een afbeelding daarvan in ons hoofd. We stellen ons dan niet langer tevreden met schipperen, we wensen daarentegen alles te beheersen. Maar precies omdat die wens impliceert dat we gaan werken met iets dat volledig beheersbaar is, moeten we onze toevlucht zoeken tot een afbeelding van de werkelijkheid: de werkelijkheid zelf ontsnapt immers voortdurend en fataal aan onze greep. En het gevolg daarvan is dat datgene wat we dan gaan beheersen, een eigen fantasie is en zeker niet de realiteit.
Edoch, op het vlak van eigenzinnigheid en koppigheid steekt de mens de ezel naar de kroon: hij wil alsnog zijn zin doordrijven en uiteraard kan hij dat pas doen als hij de ganse werkelijkheid reduceert tot de afbeelding die hij daarvan maakt in zijn hoofd. Vergelijk het met de wegenkaart die de autobestuurder naar zijn bestemming moet gidsen: de bestuurder volgt blindelings zijn gps en belandt in de vaart.
Maar waar de ganse werkelijkheid dient herleid te worden tot het beeld dat men zich daarvan vormt, zijn de gevolgen eender en dan uiteraard ook ingrijpender. De wetenschap waarmee het mensdom zo hoog oploopt, is niets anders dan de reductie van wat echt is tot een prentje en waar men zich verlaat op wat zij allemaal uitkramen, herleidt men ook zichzelf tot een prentje van zichzelf. Het is warempel een oud zeer dat de hele westerse cultuur tekent en dat haar richting de ondergang voert.
In zijn Kritik der Grundlagen des Zeitalters1 uit 1973 heeft Rudolf Boehm het over dit foute en uiteindelijk doodlopende spoor waarop ons denken zich begeven heeft. Boehm spreekt daar over het weten dat een doel op zich geworden is, een 'weten om te weten', vanuit een drang om te zijn zoals de goden: almachtig en onsterfelijk. Wat gebeurt tegen de prijs van het offer van het leven zelf.2
(J.B., 26 januari 2026)
1Boehm, Rudolf, Kritiek der grondslagen van onze tijd, Het Wereldvenster, Baarn. (Oorspronkelijk: Kritik der Grundlagen des Zeitalters (1973)). Nederlandse vertaling door Willy Coolsaet met een taalkundige revisie d.d. 2011 van Guy Quintelier. De integrale tekst van het werk is beschikbaar op het internet op het volgende adres: https://www.marxists.org/nederlands/boehm/1977/kritiek/index.htm
Iedereen is er intussen van op de hoogte dat wij allen door het 'systeem' gewantrouwd worden en dat zich overal camera's verschuilen en microfoons, dat wij doorgelicht worden bij elke sollicitatie en controle. Maar tegelijk is het, omgekeerd, ook zo dat dit systeem van ons een blind vertrouwen vereist: wij deponeren ons have en goed bij de banken, we geven onze gezondheid in handen van medische firma's en wij vertrouwen de opvoeding van onze kinderen toe aan de staat; we moeten er maar op vertrouwen dat betaalkaarten blijven werken, dat onze rekeningen niet geplunderd worden door hun onzichtbare beheerders of dat de persoonlijke informatie die van ons vereist wordt om toegang te kunnen krijgen tot diensten die wij niet kunnen missen, niet misbruikt worden - om maar enkele voorbeelden te noemen. Maar van mensen van wie blind vertrouwen wordt vereist terwijl zij tegelijk gewantrouwd en gecontroleerd worden, kan men, om het op de zachtst mogelijke manier uit te drukken, zeggen dat zij onmenselijk behandeld worden en dat betekent: niet zoals mensen. En zelfs niet als dieren want wij stellen vertrouwen in onze huisdieren. In geen geval worden wij behandeld als medestanders of als medewerkers: er wordt vanuit gegaan dat wij tegenstanders zijn, erop uit om te verslinden, te branden en te moorden, ja, misdadigers. Maar wie is het dan die ons wantrouwt, ons blind vertrouwen opeist en ons op die wijze ontmenselijkt?
Wie is degene die ons controleert, die ons fortuin beheert, die zich zegt te ontfermen over onze opvoeding, over onze gezondheid en over onze toekomst? Want stel eens dat op een dag men in een winkel zijn inkopen doet, men haalt zijn betaalkaart boven en zij werkt niet meer; daarop gaat men naar zijn bankkantoor (als dat nog bestaat want vandaag zitten al die diensten 'online') en daar krijgt men te horen dat zijn rekening op nul staat; men werpt tegen dat dit onmogelijk is maar de bediende antwoordt dat hij alleen maar kan voortgaan op wat er in de databanken genoteerd staat; hij draait zijn computerscherm naar de klager toe en wijst onder diens rekeningnummer een getal aan dat ontegenzeggelijk gelijk is aan nul komma nul.
Maar dat kan nooit gebeuren, zegt u? Wel, enkele dagen geleden hebben de burgers van een westers land van hun regering te horen gekregen dat, indien de omstandigheden dat vereisen, de staat onmiddellijk beslag kan leggen op al hun eigendommen. Het gaat hier om een Europese staat die als voorbeeld kan dienen voor alle andere Europese staten want met die 'omstandigheden' wordt uiteraard de oorlogssituatie bedoeld en die geldt voor alle lidstaten van de NAVO.
Verder is het ook zo dat de meeste landen hun burgers in het ongewisse laten over het feit dat zij die praktijken allang toepassen, zij het op een indirecte wijze en wel via de ontwaarding van de betrokken munt of via 'aanpassingen' van de wet die bijvoorbeeld het ongemerkt plegen van pensioenroof mogelijk maken.
Wie blind vertrouwen moeten schenken en tegelijk totaal gewantrouwd worden, en dan bovendien nog door een instantie waar men nimmer bij kan, worden in een toestand van totale onzekerheid gebracht en niet zomaar onzekerheid over de een of andere kwestie: het betreft de totale onzekerheid over het feit of men morgen nog zal leven en zodoende hangen allen die in dat geval zijn met een zwaard van Damocles boven het hoofd.
Edoch, vandaag is iedereen in dat geval en dit feit wordt bovendien gebruikt om die onmenselijkheid goed te praten: klaag niet want het is voor iedereen gelijk. Het burgerschap is een staat van gevangenschap en absolute slavernij.
In bepaalde omstandigheden zou het onmenselijk zijn om de dingen op hun beloop te laten en volgens sommigen getuigt dan niet het gebruik van geweld doch het afzien van geweld als ultiem redmiddel van onmenselijkheid.
Onmenselijk is bijvoorbeeld de bureaucratie die het in alle rellen en protesten niet om niets zwaar te verduren krijgt en kennelijk alleen nog met geweld valt te bestrijden. Arendt schrijft: “De aantrekkingskracht van het geweld stijgt naarmate de bureaucratisering van het openbare bestaan toeneemt. In een volledig ontwikkelde bureaucratie is er niemand overgebleven met wie men kan overleggen, bij wie men zijn klachten kwijt kan, op wie machtsdruk kan worden uitgeoefend.”1
Bureaucratie verhindert ons te handelen, het is “een tirannie zonder tiran.”2 En wie kan de filosofe tegenspreken waar Arendt wat verderop Pareto citeert: “'Vrijheid (…) waarmee ik de macht om te handelen bedoel, wordt in de zogenaamde vrije en democratische landen met de dag kleiner, behalve voor misdadigers.'”3
Maar als de machteloosheid toeneemt, wil geweld haar compenseren. Dictators die hun greep op het volk dreigen te verliezen, grijpen naar geweld. Geweld kenmerkt machteloosheid.
De bureaucratie lijkt een toonbeeld van de redelijkheid, de ratio is er versteend in wetten en in regels, alle handelen gereguleerd, geprogrammeerd door technocraten, door wetenschapslui, die op hun beurt gehoor geven aan de regerende instanties. En herinnert dit niet aan het “non posse peccare” van Aurelius Augustinus?
In een bureaucratie wordt niets meer zonder voorschriften gedaan, voorschriften of programma's uitgedokterd door specialisten en uit te voeren door mensen die verondersteld worden niets te weten en niets te kunnen, mensen die verondersteld worden geen mensen te zijn doch robots. De poging om het ideaal te verwezenlijken strandt in de hel der ontmenselijking.
En in een kapitalistisch systeem gehoorzaamt de regering aan de bezitters. Maar bezitter wordt men niet door arbeid te verrichten: bovenaan de piramide van de bezitters bevinden zich degenen die zich boven alle wetten en regels hebben verheven, die zij straffeloos overtreden, alsof zij geen burgers waren maar goden. Zij maken de voorschriften of ze laten ze maken. Aan hen is alle creativiteit, of tenminste alle initiatief. Niet middels arbeid hebben zij de top bereikt maar met geweld: zij doden wie geen gehoor geven aan hun bevelen en ze hebben op die manier altijd vrij spel.
(J.B., 24 januari 2026)
1Hannah Arendt, Over geweld, Olympus (Atlas Contact), 2021 (2004), (Oorspronkelijke titel: On violence, Harcourt 1969, pag. 104.
3Hannah Arendt, o.c., pag. 105. Vilfredo Pareto (1848-1923) naar wie het Pareto-principe is genoemd, dat zegt dat (in, Italië) 80 pct. van de bezittingen in handen is van 20 pct. van de bevolking.
22-01-2026
Woke of waan (3)
Woke of waan (3)
In de democratie of de volksheerschappij delegeert het volk zijn macht aan een of meer leiders die in naam van het volk regeren. Het verkiezen van leiders gebeurt echter niet in het openbaar (bijvoorbeeld door de hand op te steken) maar in een stemhokje waar niemand ziet voor wie de kiezer kiest: de stemming is geheim. En naast de vele voorwendsels is daar ook een echte goede reden voor, het stemhokje is immers verwant met de slaapkamer, in die zin dat daar dingen gebeuren waarmee anderen geen zaken hebben omdat ze niet redelijk te verantwoorden zijn.
De rede heeft te maken met de openbaarheid omdat denken een verinnerlijkte dialoog is terwijl men zich in de dialoog verantwoordt en waar openbaarheid geschuwd wordt, zijn altijd dingen aan de gang die het daglicht niet mogen zien omdat zij niet verantwoord kunnen worden. Niet omdat ze verkeerd zouden zijn maar wel omdat de rede niet de laatste zeg heeft over het menselijke doen en laten. Om bij de hier gehanteerde vergelijking tussen stemhokje en slaapkamer te blijven: levende wezens worden niet ingevolge redelijk overleg maar wel door hun natuur gedwongen om te copuleren en de natuur is wijzer dan de meest verstandigen onder de mensen omdat het denken anticipatie is, terwijl die anticipatie in de natuurlijke evolutie werd geïncorporeerd in een mechanisme dat gewenst of efficiënt gedrag selecteert middels gissen en missen. Het denken is met andere woorden een verinnerlijking van het proces van de natuurlijke selectie welke werkzaam is binnen elk individu apart, waarbij de afstraffing van ongewenst gedrag niet meer de slachtoffers eist die de natuurlijke proef niet hebben overleefd. Binnen het individuele denken 'herinnert' men zich het gissen en missen van voorgangers uit voorbije millennia, men hoeft zichzelf niet meer in de waagschaal te werpen, dat doet men alleen nog in zijn hoofd.
Maar de wijsheid van de natuur betreft het lot van haar geheel en niet noodzakelijk dat van het individu: het individu beschikt dan ook over de mogelijkheid om af te wijken van natuurlijke drijfveren en het doet dat door verstandelijk overleg. Uiteraard vergt dit overleg een inzicht in de wijsheid van de natuur waarbij vergissingen mogelijk zijn. Een (te) eenvoudige illustratie daarvan vindt men in de geneeskunde waar de appendix onnodig werd verwijderd: uit het feit dat men zijn functie niet kende, meende men te mogen besluiten dat hij er helemaal geen had. Onverstand gaat vaker gepaard met een teveel aan zelfzekerheid of met een gebrek aan twijfel en derhalve ook met een overschatting van het verstand of een onderschatting van de betekenis van de natuurlijke gang van zaken.
Wat in de slaapkamer gebeurt, wordt beschermd, het wordt afgeschermd van de buitenwereld of van derden die zich immers bevinden in de sfeer van het redelijke waar zij sowieso om verantwoording vragen voor alles wat anderen (en zijzelf) doen en laten. Eender is het principe dat in het stemhokje van kracht is: niemand heeft zaken met het kiesgedrag van een ander omdat, alle propaganda ten spijt, niet de redelijkheid de doorslag geeft bij het kiezen van zijn vertegenwoordigers voor de uitoefening van macht over zijn leven. Kiezen gebeurt door de band op grond van egoïstische motieven tenzij de kiezer ofwel altruïstisch stemt ofwel overtuigd werd door andermans kiespropaganda.
Egoïsme is de regel, altruïsme is de uitzondering en propaganda is een amalgaam van al het denkbare. Niemand kijkt toe en het ego krijgt zijn gading maar daar vaart het geheel wel bij volgens de 'natuurlijke' regel dat waar ieder voor zichzelf zorgt, dit egoïsme uiteindelijk de ganse groep ten goede komt. In die regel zit het recht van de sterkste vervat, dat een natuurlijke grond heeft, maar het redelijke wordt evenwel niet buitengesloten. Het is niet omdat medici soms de bal misslaan (zoals m.b.t. de functie van de appendix) dat de geneeskunde betekenisloos wordt en zo ook krijgt in het stemhokje reflectie enige betekenis.
Dit alles om te zeggen dat ofschoon het bestaan van parlementen ('parlement' is verwant met het werkwoord 'parler') het anders laat uitschijnen, de democratie niet (of niet exclusief en zelfs niet in de eerste plaats) steunt op redelijk overleg: het aandeel van redelijke argumenten in de drijfveren van het stemgedrag moet de duimen leggen voor dat van de driften. Het redelijk overleg zelf in het parlement wordt overigens ook nog eens ontkracht doordat uiteindelijk niet het sterkste argument het haalt maar wel het standpunt dat de meeste stemmen haalt: de stemming maakt het aandeel van de rede quasi ongedaan; de kwantiteit wint het van de kwaliteit omdat de stem van degenen die goede argumenten voor hun standpunt missen, evenwaardig is aan de stem van wie wél beschikken over goede argumenten en dit terwijl men met Spinoza moet beamen dat het uitmuntende even zeldzaam als moeilijk is.
De wrevel hieruit volgend vormt de basis van Plato's fabel over het narrenschip dat vierentwintig eeuwen later even triomfantelijk als dom over de wereldzeeën zwalpt maar of de redelijkheid die de idealist zo hoog in het vaandel voert, volstaat om ons heil te bewerken, valt in het licht van wie zijn visie in de politiek hebben binnengeloodst, nog altijd te bezien: ook het marxisme en het communisme met hun op redelijk overleg gebaseerde en zogenaamde planeconomie worden door corruptie aangevreten en door onverstand, meermaals uitmondend in ware rampen. De triomf is hier even misplaatst als in het neoliberaal systeem dat, alle argumenten (!) van Adam Smith ten spijt, geheel stuurloos het milieu om zeep helpt en dictators voor haar kar spant om het natuurlijke recht van de sterkte als wet in de cultuur in te planten. Blijkt dan wellicht dat wij er beter aan doen al het hoogdravende vaarwel te zeggen en vrede te nemen met... geschipper.
Bij de democratische verkiezing van de volksleiders zijn redeloze driften werkzaam en de verkozen leiders dienen blindelings te zorgen voor de uitvoering daarvan, wat betekent dat zij de rede daarvan ten dienste stellen, wat geschiedt middels de zogenaamde retorica of de welsprekendheid, die dan onvermijdelijk een leugenaarskunst zal zijn. Dat is de reden waarom aan politici geen vakspecifieke eisen worden gesteld voor de taak van het zogenaamde regeren, wat echter wel het geval is met betrekking tot de meeste andere beroepen of specialisaties waarin men zijn werkzaamheden delegeert vanuit het inzicht dat die taakverdeling loont voor iedereen. Geneesheren moeten zich bekwamen in gezondheidswetenschappen met het oog op het genezen van allerlei fysieke kwalen maar voor politici geldt slechts dat zij gedwee het programma dat zij kenbaar maken, ongeacht hoe, tot wet te zullen verheffen: dat programma hoeft helemaal niet te deugen want wijsheid is hier van geen tel, alleen de bekwaamheid om listen te verzinnen wordt vereist. De discrepantie tussen argumenten en drijfveren is nergens zo groot als in de politiek en daarom ook is het aan het licht brengen daarvan de enige methode om te verhinderen dat het monster van de hypocrisie ongeremd zijn gang kan gaan.
(J.B., 22 januari 2026)
21-01-2026
Woke of waan (2)
Woke of waan (2)
Emancipatie volgt op een re-bellie of een terug-vechten, meer bepaald tegen meestal geïnstitutionaliseerd en derhalve onzichtbaar gemaakt maar niet minder destructief geweld en rebellie is op haar beurt meestal een antwoord op verontwaardiging maar dan rijst de vraag of verontwaardiging sowieso een solide basis kan zijn voor rebellie. Uiteraard is zij dat waar men zich beschadigd weet door instituties die zich hardnekkig handhaven in dienst van zekere bevoorrechten maar verontwaardiging kan ook aangepraat zijn, zoals ook behoeften oneigenlijk kunnen zijn en wie op macht(sbehoud) belust zijn, zullen de gelegenheid niet laten liggen om ook van die list gebruik te maken.
Verontwaardiging is een morele categorie en zal derhalve te maken hebben met gedrag dat zich per definitie verhoudt tot derden en dus met het sociale maar waar de leden van een gemeenschap 'onthoofd' werden - in de betekenis van geëgaliseerd, gerobotiseerd of onderworpen - vervalst zich uiteraard de ethiek omdat zij daar het voorwendsel wordt voor depersonaliserende en op hun beurt gedepersonaliseerde autoriteiten die zich immers transformeren tot blinde mechanismen waarvan de werking in het maatschappelijke domein vergelijkbaar is met de werking van blinde driften in het domein van de psychologie. Blinde driften zijn verwant met valse behoeften omdat zij - wegens het ontbreken van een authentieke nood - nooit bevredigd kunnen worden en derhalve onbestuurbaar zijn en om die reden vergelijkbaar met een om zich heen grijpende brand of enig ander rampzalig natuurverschijnsel.
Verontwaardiging is authentiek waar de bevrediging van wezenlijke behoeften verhinderd wordt ingevolge onrechtmatige ingrepen vanwege derden maar zij kan dat niet zijn waar dat het geval is inzake valse of verworven behoeften, behoeften die werden aangepraat door uitgerekend degenen die achteraf de bevrediging ervan blokkeren - uiteraard met het oog op verslaving en onderwerping van in dit geval de massa. Verontwaardiging wordt met andere woorden een toneel waar haar object een onrechtpleger is door wie men er als het ware ingeluisd werd omdat de schuld voor het begane onrecht dan uiteindelijk niet ligt bij de 'onrechtpleger' maar bij de verontwaardigde zelf, wat betekent dat de verontwaardiging in wezen een zelfverontwaardiging is, waarvan de bron zich situeert in de instemming die men gegeven heeft met het bedrog en dus werd veroorzaakt door de eigen toegeeflijkheid of zwakheid. En waar men verontwaardigd is met betrekking tot zichzelf zal zich de rebellie richten tegen de eigen misstap en kan emancipatie niets anders meer betekenen dan het zich bevrijden van een juk dat men zichzelf heeft opgelegd en dat bestaat uit die toegeeflijkheid jegens eigen zwakheden - welke dan terug te voeren zijn tot onrechtmatige wensen of verlangens.
Het koesteren van onrechtmatige wensen of verlangens is een grotendeels onbewuste activiteit waartoe men kan worden verleid door degenen die de beschikking hebben over de middelen om het onderbewuste van de massa te infiltreren en dat zijn er vandaag heel wat. De menselijke psyche blijkt vanuit talloze pogingen om het in kaart te brengen, een bijzonder complex systeem (maar ook meer dan een louter systeem) dat samenhangt met het fysieke - met het zenuwstelsel, met de werking van de klieren, met het zintuiglijke en met het verstand - en derhalve ook met het maatschappelijke en al zijn toebehoren, waaronder het communicatieve dat zich echter (met gemak) van het stoffelijke vervreemdt zoals het geld zich van de waren vervreemdt, wat wil zeggen: zonder directe grond en dus absurd maar alsnog met effect of dus met (mogelijk of zelfs waarschijnlijk) achterliggende gronden. Het gaat hier om de werkelijkheid van de leugen en de list die, ofschoon zij onwaar zijn en geen echt bestaan hebben, er toch in slagen om de dingen te beheersen - precies zoals een natuurbrand, die in feite een activiteit is zonder dader en derhalve helemaal géén daad maar een 'negativiteit', in staat blijkt om de dingen waarvan ons voortbestaan afhankelijk is, in de as te leggen en derhalve in staat is om ons leven zelf te bedreigen, om ons te doden. De werkelijkheid van desinformatie, reclame en propaganda betreft inderdaad onbestaande dingen - want aan leugens beantwoordt in de werkelijkheid niets - terwijl hij zelf niet ontkend kan worden. Deze werkelijkheid is binnengeslopen in de communicatiesystemen, verbergt zich daar, vernietigt vanuit zijn positie de waarde van de communicatie en aldus de communicatie zelf die op haar beurt het maatschappelijke vergiftigt en daarmee ook de ethiek of wat voor ethiek gehouden wordt.
In twee woorden komt het aangekaarte kluwen hier op neer dat de massa niet verontwaardigd kan zijn, dat haar verontwaardiging per definitie gefaket is, en wel omdat zij elke grond mist, daar zij niet bestaat uit personen die in de kern van hun wezen geraakt kunnen worden, maar wel uit de fabricaten van een groepsleider, een demagoog: de leden van een massa zijn gedepersonaliseerde individuen, ontzielde lichamen, handlangers van een potentaat... die op zijn beurt een product is van de massa die hem immers in het zadel heeft geholpen en die hem aanbidt. Maar het motief dat de machthebber in zijn positie bracht, het motief van de kiezer, het motief zelf is niet ontsprongen aan verstandelijk inzicht of aan rede maar aan een zwakheid, aan een toegeeflijkheid jegens zekere krachten die het goede leven tegenstaan, die onpersoonlijk zijn en blind. De vraag is alleen of moet aangenomen worden dat deze blindheid natuurlijk is en noodlottig ofwel of er een alternatief bestaat dat op de een of andere manier deze afgrond weet te overbruggen. En uiteraard bestaat die brug maar de zaak is nu dat zij niet eens en voorgoed gebouwd wordt en vervolgens onaantastbaar blijft: precies zoals het leven zelf is haar voortbestaan afhankelijk van permanente zorg. Onze cultuur lijkt daarom kunstmatig, wat sommigen ertoe brengt om haar te verwerpen en de natuur te gaan verheerlijken maar zij is niet minder kunstmatig dan (de natuur van) het leven zelf, dat immers een bijzonder broos plantje is, in zijn verschijning, zijn bestaan en zijn voortbestaan afhankelijk van onophoudelijke toewijding en zorg. En uiteraard omsluit dit antwoord meteen een nieuwe vraag.
(J.B., 21 januari 2026)
20-01-2026
Woke of waan
Woke of waan
Het feminisme en de golf van nog andere emancipatiebewegingen, waaronder de emancipatie van homo's, bijvoorbeeld na het herstel in de jaren volgend op de tweede wereldoorlog, hebben mede te maken met de verontwaardiging over de gruwelijke gevolgen van dictatoriale en totalitaire systemen maar de grondslagen van die systemen zelf werden niet aangepakt en zijn helemaal niet verdwenen zodat op dit vlak in feite geen wezenlijke hervormingen hebben plaatsgevonden doch veeleer symptoombestrijdingen en oppervlakkige aanpassingen die als het ware een laagje vernis vormen over de rottigheid heen en dat is dan ook de reden waarom de door zekere bevolkingsgroepen bekomen vrijheden heden weer aan het wankelen gaan. In tegenstelling tot wat in menige theorie beweerd wordt, is de opvatting dat zich herhalende mentaliteitswijzigingen te maken hebben met een slingerbeweging van links naar rechts en terug, onjuist en gaat het in wezen om een hardnekkigheid eigen aan repressie die wortelt in eerder biologisch en genetisch geprogrammeerde structuren. Een mooi voorbeeld is het proces van de bevrijding van de (loon)slavernij in die zin dat een oppervlakkige beschouwing het kon laten uitschijnen dat nu eens de heren (de patroons) het voor het zeggen hebben en dan weer de slaven (de arbeiders) wat zich dan zou weerspiegelen in een beurtrol van liberale en socialistische regeringen, terwijl het wezenlijk gaat om de hardnekkigheid waarmee het (natuurlijk verankerde) recht van de sterkste zich doorzet, nu en dan gehinderd door opstootjes van de onderdrukten in gevolge onoplettendheid van de overheersers. Toen een paar duizend jaar geleden het Romeinse Rijk de wereld aan zich onderwierp, waren er alom opstanden waaronder ons door allerlei historische bewegingen deze van de joden welbekend gebleven zijn en waarvan wij onthouden dat die opstandelingen alras terug in het gareel werden gebracht met militaire maar vooral ook met politieke en ideologische middelen, namelijk door de inlijving van de opstandelingen nadat dezen eerst geïdentificeerd werden met de christenen, zijnde degenen die gehoorzaamheid boden aan een zekere slavenmoraal of dus een moraal van 'vrijwillige' onderwerping aan het Romeinse gezag. Er wordt ons geleerd dat het wereldse rijk (van de Romeinen) weliswaar de wereld veroverde terwijl het christendom de harten voor zich won maar die voorstelling van zaken doet de waarheid geweld aan, wetende dat de zogenaamd overtuigende kracht van deze religie (van dienstbaarheid) door Friedrich Nietzsche werd ontmaskerd als een ultieme overlevingsstrategie: de slaaf maakt van de nood een deugd door het hem opgelegde werk als zijn plicht te gaan beschouwen en door zijn meester, zijn onderdrukker, lief te hebben zodat hij in feite het onderdrukt worden liefheeft, wat heel duidelijk tot uiting komt in de christelijke godsdienst met als na te volgen ethisch voorbeeld de gekruisigde die door zijn marteldood het heil bereikt. Vanuit puur natuurlijk oogpunt gaat het hier om een perversiteit die intussen echter een dominante plek veroverd heeft in de geschiedenis van de mensheid en wel in die mate dat zij het zogenaamd natuurlijke bij wijlen is gaan overheersen. Als men de achtergronden uit het blikveld houdt, lijkt het dan alsof staatsvormen pendelen tussen bijvoorbeeld fascisme en socialisme maar het gaat alleen maar om een zichzelf voortdurend versterkend fascisme dat zodoende gebruik maakt van een methode waarbij zekere toegevingen in functie staan van daarop volgende verstrakkingen. Een ander en gelijkaardig voorbeeld vindt men terug waar de Britten middels Mahatma Gandhi, die de ahimsa predikte, de geweldloosheid en meer bepaald het geweldloos verzet, het Hindoeïsme zouden hebben proberen te gebruiken in hun gewezen kolonies, Zuid-Afrika en India, ter onderdrukking van opstanden. Het kastenstelsel functioneert immers sinds oudsher ter bescherming van de voorrechten van de rijken, daar men gelooft in de wet van het karma welke voorhoudt dat men zijn maatschappelijke positie in voorgaande levens verdiend heeft.
De huidige oorlogslogica toont andermaal hoe de moraal wordt bepaald door militaire suprematie en zet de hachelijke positie in de verf van de 'tegennatuurlijke' ethiek van bijvoorbeeld het christendom maar ook die van andere 'religies', incluis de humanistische. Het terugdraaien van de 'mensenrechten', die zich verzetten tegen de voorrechten welke de producten zijn van een door het neoliberalisme in de cultuur naar binnen geloodst 'recht van de sterkste' is dan onvermijdelijk aan de orde. De verontwaardiging over het onrecht lijkt dan de duimen te moeten leggen voor de angst voor de pleger ervan of de machthebber.
De maatschappelijke positie van de vrouw, de homo, de allochtoon, de anders-valide, de bejaarde, het (al dan niet reeds geboren) kind, de niet neoliberaal gerichte mens, de Wankja uit het beroemde gedicht van J. Slauerhoff1 of de kunstenaar is in gevaar en daarmee de essentie van de mensheid en haar toekomst omdat alle (dode) materie in functie staat van immateriële (levende) waarden, omdat alle mensen geboren worden uit vrouwen, omdat kinderen de toekomst van de mensheid zijn, omdat de mens niet het werktuig maar het doel is van de economie en omdat wij geen wegwerpdingen zijn.
Maar wij leven vooralsnog in een democratie, wat betekent dat de aanwending van macht in functie van megalomanie kan worden afgestraft, tenminste zolang de verontwaardiging de bovenhand behoudt op de waanzin, want het maakt deel uit van de list der potentaten om ook degenen die zij overheersen en plunderen, ertoe te verleiden te geloven in de leugen van 'the American dream', het lotto-sprookje, het fabeltje dat iedereen rijk kan worden en dat nu verteld wordt door zekere handlangers van de mammon in de vorm van de verblindende parabel dat uiteindelijk allen profiteren van de rijkdom van de rijken en die bestaat bij de gratie van de onwetendheid omtrent het feit dat arbeid de enige niet-misdadige bron van rijkdom is.
De democratie moet worden gekoesterd als enig ofschoon niet onfeilbaar verweer tegen dictaturen en totalitaire regimes, welke hun valse reden van bestaan ontlenen aan angsten die zij zelf creëren eenmaal zij met de vergiftiging van het leven begonnen zijn. Dictators eisen de hegemonie op als verweer tegen een door hen gecreëerde vijand waarvan zij de massa bang maken om die (massa) dan voor hun kar te kunnen spannen, meer bepaald als onnadenkende entiteit die vanuit zijn angst klakkeloos het bevel volgt om zich te gaan offeren aan een door hen gecreëerd oorlogsfront zoals straks een eeuw geleden door John Heartfield werd onthuld.2 Die werkelijkheid is des te meer wraakroepend omdat, zoals vandaag wereldwijd iedereen die zijn ogen en oren durft te geloven, dagelijks kan getuigen, de dictators in oost en west uitsluitend in hun eigen waanwereldje de meest voorbeeldigen onder de mensen zijn.
(J.B., 20 januari 2026)
1J. Slauerhoff, De Schalmei (Serenade, 1930), “Zeven zonen had moeder:/Allen heetten Peter,/Behalve Wanjka die Iwan heette.//Allen konden werken:/Eén was geitenhoeder,/Eén vlocht sandalen,/Eén zelfs bouwde kerken;/Maar Iwan die Wanjka heette/Wilde niet werken.//Op een steen in de zon gezeten/Bespeelde hij zijn schalmei.//'O, mijn lieve,/Mijn lustige,/Laat mij spelen/In de schaduw van mijn/Korte rustige vallei./Laat andren werken,/Sandalen maken of kerken./Wanjka heeft genoeg aan zijn schalmei.'”
Topgangsters, zoals veel huidige potentaten-regeringsleiders, nemen weliswaar geheel schaamteloos en makkelijk het woord 'God' in de mond maar te denken dat zij religieus zouden zijn, is een kwalijke vergissing, tenzij religie wordt geherdefinieerd.
Heel wat auteurs laten zich ertoe verleiden om de huidige toestand van vrijheid in het westen op de korrel te nemen, in de zin van: vroeger was alles verboden maar nu moet alles kunnen. En die 'maar' verraadt dan dat zij eraan denken om redenen te genereren om terug te kunnen krabbelen. Wat zij dan in feite doen, is aanschurken tegen de extreemrechter zijde, die met hun angstvallige, zieke brouwsels beslist haar profijt zal doen.
Want staan wij een ogenblik stil bij die 'maar' van hierboven. Paul Verhaeghe legt (in het kader van de psychologie) de verrechtsing uit als een zoektocht naar de (verloren) oervader.1 Binnen steeds kleiner wordende groepen, gaat het Ik hoogtij vieren, het wordt van elke sociale band ontdaan: “Het tijdperk van de egocratie is een feit”2.
Niets aan de hand maar er schuilt een adder onder het gras. De auteur beschrijft de veranderende seksualiteit: ook daar worden “de klassieke normen en waarden”3 vervangen door “strikt individueel bepaalde afspraken (…) tussen twee unieke individuen”4 en Verhaeghe schrijft: “Op het vlak van de seksualiteit betreft dit de fameuze 'mutual consent' en 'informed consent': alles inzake genot mag, als er [afgezien van de leeftijd of de eis van volwassenheid van de betrokkenen] maar wederzijdse instemming is.”5
Vervolgens wijst hij op de normalisering van homoseksualiteit en hij oppert dat andere perversies, parafilieën zullen volgen en bij die gelegenheid steekt hij de draak met de normaliteit middels de introductie van het neologisme 'normofiel'.6
Zeker, dit zijn observaties en beschrijvingen van feiten maar potentaten van extreemrechts zijn er als de kippen bij om daar een welbepaalde nuance aan te geven. Er zijn al veel teveel dingen die moeten kunnen, zo suggereren zij: al dat woke-gedoe is ziek. En beslist vinden zij gehoor bij medemachthebbers die eigen voordeel ruiken.
De vraag die niet gesteld wordt, luidt dan uiteraard: wie zal onze (zuur verworven) vrijheid aan banden leggen? Wie heeft daartoe het recht? Wie heeft het recht om aan een medemens op te leggen wat hij al dan niet mag doen tussen de muren van zijn slaapkamer? Wie heeft het recht om ook daar camera's en microfoons te plaatsen? Wie heeft het recht om dan die beelden te bekijken, om die tapes te beluisteren en ze aan zijn oordeel te onderwerpen en te gaan sanctioneren?
In vroegere eeuwen (maar ook nog vandaag in zekere werelddelen) bestond er een legaal antwoord op die vraag en wel dankzij het geloof in God en in zijn délégués, dat de basis vormt van de theocratie: de mens heeft zichzelf niet gemaakt, hij is een schepsel Gods en derhalve behoort hij toe aan God die hem de wet kan opleggen. Maar wat meer is: de Bijbelse boodschap dat God de wereld zozeer liefgehad heeft dat hij er zijn eniggeboren zoon heen zond, wordt door potentaten zo geïnterpreteerd dat zij hun wereldse macht kunnen verklaren als zijnde goddelijk van oorsprong. En wie hun gezag afwijzen, zagen aldus de tak af die hen dragen moet en die zonde bewerkt uiteindelijk de dood van de ziel met als bestraffing het eeuwige vuur dat dan uiteraard alhier reeds branden moet.
Topgangsters, zoals veel huidige potentaten-regeringsleiders, nemen geheel schaamteloos en makkelijk het woord 'God' in de mond maar te denken dat zij religieus zouden zijn, is een kwalijke vergissing. Zij willen als de goden zijn.
(J.B., 12 januari 2026)
1Paul Verhaeghe, Liefde in tijden van eenzaamheid. Over drift en verlangen, De Bezige Bij, Amsterdam 2013 (2011) pag. 150.
In 1966 eindigde het tijdperk van de 'index' of de lijst met de verboden boeken van de katholieke kerk maar dat van de A.I. was toen, met als pioniers Marvin Minsky en John McCarthy, al enkele jaren aan de gang en het betreft hier meer bepaald een 'index' om u tegen te zeggen.
De uitschuiver van de UGent-rector doet een beetje denken aan de uitschuiver van die andere zogenaamde BV met die andere Porsche, want A.I. is een Porsche voor wie voor intellectueel willen doorgaan, met alle voor- en nadelen van het hoge snelheidsvoertuig in kwestie, waarbij dan de nadelen ter gelegenheid van uitschuivers aan het licht dreigen te komen.
De UGent treft hier uiteraard geen schuld - was het niet een UGent-professor die het aandurfde om in de media te waarschuwen voor deze Porsche1, wat immers heiligschennend is in deze tijd van blinde dienst aan de automaten van Elon Musk en aanverwanten uit het nieuwste totalitarisme?
De link met de oldtimer legt zich waar nu weer alles in het werk gesteld wordt om de chauffeur in kwestie te verontschuldigen en maar meteen van de nood een deugd te maken met het voorwendsel dat het allemaal met de allerbeste - zijnde pedagogische - bedoelingen gebeurde, met andere woorden: om te tonen hoe het niét moet.
Evenmin immers als die andere televisiefiguur is de huidige in opspraak gebrachte clown met deze 'vergissing' aan zijn of haar proefstuk toe want is het niet een publiek geheim dat de toespraken waarmee deze 'redenaars' applaus oogsten op hun voorstellingen (en hier stond bijna 'ludieke voorstellingen' maar het adjectief kroop rap weer weg bij de gedachte dat met dit toneel wel handenvol geld gemoeid is en dan hebben we het over miljarden), geschreven worden door artiesten die in de werkloosheid zitten of van een leefloon eten?
Maar om bij het onderwerp te blijven: hoe kan het anders dan dat A.I. en informatie uit het internetbrein, dat immers in handen is van een handvol potentaten, stante pede transformeert in propaganda? Wanneer Chomsky en Herman het in 1988 over propaganda hadden2, stond het internet nog in zijn kinderschoenen maar vandaag blijkt het verworden tot het (prompt aangewende) kernwapen van een totalitarisme dat alle voorgaanden in zijn schaduw stelt. Zonder leedvermaak, aldus mijn buurvrouw: is het dan geen schone zaak dat de leugenmachine ook hen niet spaart die er als eersten hun profijt mee doen?
2Noam Chomsky en Edward S. Herman, Manufacturing Consent. De politieke economie van de massamedia, vertaling naar het Nederlands door Jan Reyniers, Epo, Berchem 2025. Oorspronkelijk: Manufacturing Consent. The Political Economy of the Mass Media, Pantheon Books, New York 1988.
08-01-2026
De explosie van hersentumoren
De explosie van hersentumoren
Ter gelegenheid van de viering van het stralende kerstekind komt hoe dan ook het thema van de straling weer ter sprake. Want er is een toename van hersentumoren en, verdacht genoeg, wordt 'straling' als 'onbewezen oorzaak' in één adem genoemd met de factoren 'roken' en 'alcohol'.
Dat adres verwijst naar de onlangs overleden stralingsdeskundige prof. André Vander Vorst in een verslag van een hoorzitting van het Vlaams Parlement.
In dat verslag wordt verwezen naar een onderzoek van prof. Dirk Adang, deskundige in onder meer ecotoxicologie en medische biofysica van de Hasseltse Universiteit waarbij vastgesteld werd dat het sterftecijfer van zeventien ratten langdurig blootgesteld aan een lage dosis straling van gsm, antenne en wifi, dubbel zo hoog was als normaal en dat, op één na, hun doodsoorzaak een hersentumor bleek.
Over dat onderzoek werd overigens een artikel gepubliceerd, getiteld “Gsm-straling toch schadelijker dan gedacht” maar ook de link (via Wikipedia) naar dit artikel geeft “No results found for your search” op een Engelstalige webstek van Elsevier vol mooie prentjes.
De WHO, ons welbekend van de medische instructies uit de coronatijd, houdt vol dat de schadelijkheid van de straling in kwestie onbewezen is.
Maar mogen wij echt op beide oren slapen? Want stoute tongen hebben het alweer over belangenvermenging en doofpotoperaties. Edoch, sinds de fact check methode ingang heeft gevonden, weten wij dat dit allemaal fake news is.
(J.B., 8 januari 2026)
05-01-2026
De antichrist: het 'non posse peccare'
De antichrist: het 'non posse peccare'
De kritiek van Friedrich Nietzsche op het christendom die inhoudt dat de ethiek in deze religie de moraal is van de zich aan zijn meester onderwerpende slaaf die van de nood - de onmogelijkheid om zich van de overheerser te bevrijden - ook heel letterlijk een deugd maakt - namelijk de deugd van de dienstbaarheid of van de slavernij - werd uiteraard alsnog door de christenen zelf verworpen maar blijkt wel wortel te hebben geschoten bij de antichrist(enen) die immers, gewapend met deze gewetenssusser, gretig toehappen door het natuurlijke recht van de sterkste in te lijven binnen hun cultuur die daardoor volstrekt pervers wordt - zoals in het historisch voorbeeld van het nazisme.
Edoch, waar de diefstal een recht werd, is het privaatbezit dat niet langer. Het privaatbezit dat de ultieme grondslag vormt van de individualiteit. Althans binnen de overtuiging die gehoorzaamt aan de regel van het gouden kalf die luidt dat je bent wat je hebt. Van zodra de moraal van de antichrist opgang maakt en de wereld aan zich onderwerpt, sneuvelt in dezelfde beweging meteen de daar tegenover staande regel dat alle mensen kinderen zijn van één en dezelfde god en derhalve elkaars broeders of gelijken.
Waar in de christelijke ethiek de dief zichzelf uiteindelijk excommuniceert of buiten de gemeenschap plaatst omdat hij handelingen verricht die het licht van de openbaarheid niet mogen zien, zal de hoger genoemde perversie, welke erin bestaat dat de openbaarheid zich voortaan afspeelt in een volstrekte duisternis - een contradictie die zich alsnog wil manifesteren en die uiteraard het gesjoemel tot hoogste wet verheft - ervoor zorgen dat de diefstal het middel bij uitstek wordt waarmee men gelooft mét zijn ego zichzelf of zijn ziel te kunnen vrijwaren.
De wegbereider voor die perversie welke maakt dat de openbaarheid van geen tel meer kan zijn, is vanzelfsprekend degene die verantwoordelijk is voor de teleurgang van de schaamte en de schande en uiteraard handelt die verantwoordelijke onverantwoordelijk omdat hij niet langer een persoon is: hij vertegenwoordigt een massa, onderhevig aan ongeordende driften.
Schaamte ontstaat bij het openbaar worden van een misdaad maar dan wel op voorwaarde dat degenen die de misdadiger te kijk stellen, zich moreel van hem onderscheiden. Waar het publiek van de openbaarheid uit criminelen bestaat, kan niet langer van schaamte en schande sprake zijn; de misdaad wordt niet als zodanig onderkend omdat de massa zichzelf niet zal veroordelen en zo weergalmt het historische “Barabbas vrij!”
De huidige Amerikaanse politiek is een immer voorspelbaar geweeste consequentie van het kapitalisme dat een maatschappij heeft gegrondvest van burgers wiens individualiteit steunt op de heiliging van het privaatbezit. De verafgoding van het geld of de dienstbaarheid aan de mammon is onverenigbaar met het onder meer in het christendom gegronde broederschap dat een samenleving moet schragen die om die reden van bij het prilste begin veroordeeld was tot hypocrisie of tot ongeloofwaardigheid. Zoals elders al aangestipt, bestaat de politiek van extreemrechts erin, deze hypocrisie aan het licht te brengen, niet om ze te bestrijden maar om de daardoor verborgen misdaden voortaan ongestraft te kunnen bedrijven. Zij kunnen immers niet veroordeeld worden door een publiek dat zelf bloed aan de handen heeft, wat betekent dat het licht van de openbaarheid niet meer bestaat. En de gevolgen van de zich aldus manifesterende nieuwe realiteit zijn niet te overzien.
(J.B., 5 januari 2025)
04-01-2026
Das Lied von der Erde (Li Tai Po - Gustav Mahler)
Das Lied von der Erde (Li Tai Po - Gustav Mahler)
Die Winterreise (Film)
Die Winterreise (Film)
Schubert, Winterreise
Schubert, Winterreise
02-01-2026
K
K
Over de tijd en de eeuwigheid
Over de tijd en de eeuwigheid
Nadat zij werden verricht en niet meer wijzigbaar zijn, verheffen zich onze daden van deze aarde en zij zweven ten hemel, waar zij ons zoals sterrenbeelden stil en tot in de eeuwigheid blijven aankijken.
Eenmaligheid, onomkeerbaarheid en onherroepelijkheid culmineren in de dood en de dood is niets anders dan de manifestatie van deze zaken.
We dienen te weten dat het goede niet zomaar samenvalt met het prettige of met het aangename en menige ethiek leert ons dat het goede meestal lastig is. De kudde verschaft weliswaar een gevoel van geborgenheid maar waar roofdieren de kudde opjagen, worden wie niet hard genoeg kunnen rennen, prompt door die kudde achtergelaten.
Wie de massa als een instrument bespelen, zien niet om naar mensen, zij kennen alleen aantallen; zij malen niet om waarheid en kennen slechts waarschijnlijkheid; de plaatsen van het goede en het schone worden ingenomen door die van de smaak van het ogenblik, een verwante van de windhaan.
Wie niet geloven in de komst van God op aarde, verdwijnen in het alsmaar zwarter wordende gat van de tijd maar ook de gelovigen worden door de slokop niet gespaard: op de keper beschouwd weten zij tenslotte niet of aan hun geloof ook maar een greintje werkelijkheid beantwoordt, afgezien van deze die zij zelf tot stand brengen. Alles is zodanig vloeibaar dat elke vaste grond wel een illusie moet zijn. Onvaster nog dan vloeibaar, zijn de dingen als van damp of gas of lucht. Of nog onvaster: het zijn geesten.
IJzer en koper zijn vaste stoffen maar in een radiootje staan zij in dienst van de elektriciteit die minder materieel is, het is de verplaatsing van elektronen in aan elkaar grenzende atomen van bijvoorbeeld koper in de buitenste schil, het zijn dus golven. En op hun beurt staan in dat radiootje de elektrische golven in dienst van de muziek: de geluidsgolven die dan weer in dienst staan van betekenisgolven. De betekenis van muziek is de emotie die zij teweeg brengt in wezens van menselijke makelij. Emoties zijn bewegingen die nog fijnstoffelijker zijn dan de golven van het geluid, zij zijn de vormen waarin geluidsgolven door een componist gegoten worden. Of door de muzen die de componisten de muziek inblazen. En muzen zijn wezens uit een immateriële wereld.
Hoe men het ook draait of keert, dit is geen fantasie maar dagelijkse realiteit: de stof ontleent haar betekenis aan het onstoffelijke dat zij dient. En vanaf dat punt verliest ons verstand elke denkbare greep op het gebeuren.
Van dat gebeuren zijn de handelingen die aan de vrijheid van de wil ontspringen, de meest betekenisvolle maar ook de minst materiële zaken. En uitgerekend die ontsnappen aan het alsmaar zwarter wordend gat van de tijd. Nadat zij werden verricht en niet meer wijzigbaar zijn, verheffen zich onze daden van deze aarde en zij zweven ten hemel, waar zij ons zoals sterrenbeelden stil en tot in de eeuwigheid blijven aankijken.
(J.B., 2 januari 2025)
01-01-2026
Het slechte voorbeeld
Het slechte voorbeeld
Dat het huidige Amerikaanse regime (naast nog enkele andere) een tijdelijke plaag is die met nieuwe verkiezingen eventueel tot de niet allerfraaiste jaren van de geschiedenis zal gaan behoren, is een wat al te optimistische opvatting waarmee sommigen het gigantische probleem dat zich nu stelt, als opgelost beschouwen. Twee en misschien drie termijnen van telkens vier jaar Trump betekenen acht of twaalf jaar aan een stuk het enige en hoogst mogelijke voorbeeld voor een hele generatie van televisiekijkende kinderen in de V.S. en in een nog veel groter deel van de wereld. Niemand kan ontkennen dat de topgangster alle aandacht van zowat iedereen, dagelijks en de wereld rond, naar zich toe trekt en het is geen geheime vrees dat dit fataal zal zijn voor opgroeiende kinderen die dat voorbeeld immers zonder meer klakkeloos imiteren, als ook hun ouders dat al niet doen, wat zeker geldt voor zowat de helft van de opvoeders in de V.S. Want wat kinderen te zien krijgen tijdens hun cruciale vormingsjaren, zoveel is zeker, gaat er nooit meer uit. Nevermore.
Nu dient men zich eerst rekenschap te geven van het feit dat het maatschappelijke voorbeeld altijd een constructie is, een constructie van de machthebbers, met het oog op het behoud en de uitbreiding van hun macht. Zo bijvoorbeeld is de paus van Rome, het voorbeeld bij uitstek voor elke katholiek ter wereld, geen spontaan handelende persoon maar zelfs meer dan letterlijk 'a puppet on a string', een constructie van een instituut dat zich handhaaft middels een heel leger van specialisten en dat nauwgezet alle voorschriften uitdoktert waaraan het toonbeeld of het voorbeeld dient te voldoen. Aan het decor van het hele santenkraam werd eeuwen gewerkt door de beste architecten, schilders en decorateurs die de mensheid ooit heeft opgeleverd; de verkleedpartijen die ermee gepaard gaan alsook de balletten die door de hele entourage opgevoerd worden, werden door genieën gecomponeerd; alle woorden die het Voorbeeld in de mond neemt, werden door de eeuwigheid zelf geselecteerd, gewogen en gekozen; kortom: het voorbeeld is een kunstwerk waaraan tallozen vijlen en schaven om het zo echt mogelijk te laten lijken, zo geloofwaardig mogelijk - wat uiteraard wil zeggen dat het een kostelijke leugen is.
De natuurpracht is geen leugen want het is geen menselijk maaksel en het is de grootste frustratie van elke schilder en van elke artiest zonder meer dat hij die nooit zal evenaren. De spontaneïteit van het kleine kind is allerminst een maaksel en dat geldt voor al wat onverbloemd en naakt is: dat en niets anders maakt dat de dingen schoon zijn, waar en goed. Het zijn pas de verkleedpartijen en de opsmuk die het schone perverteren; het is de hooggeleerde welsprekendheid die aan leugens vleugels geeft; het zijn de verzonnen verzen van papier die het Woord verbergen en gekunstelde muziek probeert het vogelengezang naar de kroon te steken. Maatschappelijke voorbeelden zijn telkenmale opnieuw constructies, weldoordacht, en met het oog op het wegkapen van de spontane menselijke bewondering voor al wat uit de hand van de Schepper komt. De blikken worden omgeleid, weg van het Licht, naar stegen vol met lampionnen, glitter en glamour, geschetter en gebrul, pruiken, ronkende titels en nog andere valluiken en valkuilen.
Zijn laarzen lappen aan het milieu is ontkennen dat men lucht moet inademen om te kunnen blijven leven. Parfum is wat de huidige heerser roemt. Het zal onze tijd nog wel duren, zo bazuint de egoïst het uit, en wat anders kunnen de kinderen daaruit leren dan dat hij hen gewoon laat stikken?
De vraag of men die voorbeelden moet blijven eren, vecht met de angst om af te moeten rekenen met de wraak van de duivel. Chantage immers is wat de massa in de tang houdt en daartoe is dreiging nodig, dat wil zeggen: wapens, alsook het toneel waarop zij actief zijn - de oorlog. Het slechte voorbeeld dringt ons zijn wil op met op de achtergrond als waarschuwing het oorlogsgeweld dat ons verlamt, financieel droog legt en in de rij doet lopen. Te vrezen valt dat, alle goede voornemens ten spijt, deze gang van zaken zich onverminderd doorzet in het nieuwe jaar.
(J.B., nieuwjaar 2026)
31-12-2025
Gastvrijheid
Gastvrijheid
Wie door een wereldstad wandelt, wordt geconfronteerd met een grote variëteit aan mensen die allemaal op pad zijn. Onder hen is er de speciale groep van de toeristen, zoals zij genoemd worden, degenen die op toer of op tournee zijn. Deze mensen zijn in de stad niet thuis, zij zijn er op bezoek - te gast zoals men zegt.
Zoals het verhaal Philemon en Baukis van Ovidius (†17 P.X.) bewijst1, is het aanbieden van gastvrijheid aan vreemden of bezoekers sinds oudsher een heilige plicht. Zij bestaat in het verschaffen van onderdak en voedsel, zodat de gasten zich thuis voelen en de eik en de linde die tot voor kort de toegang tot elk boerenhof sierden, herinnerden daaraan: in Ovidius' verhaal ontvangen twee oudjes buiten hun weten de goden Zeus en Hermes die hen voor hun gastvrijheid belonen, onder meer met hun metamorfose in deze twee elkaar eeuwig omstrengelende bomen.
Dat toeristen gasten zijn, is maar een halve waarheid omdat een gast een genodigde is, terwijl een toerist eigenlijk zichzelf heeft uitgenodigd: hij koopt de gastvrijheid die hij geniet. Met andere woorden wordt in het toerisme de gastvrijheid geperverteerd: zij is verworden tot handelswaar. Immers, in Ovidius' verhaal betuigen de gasten aan hun gastheren hun dank na de goede ontvangst maar in het toerisme dwingen de gasten met geld de gastvrijheid van hun gastheren af. Zij stellen hen te werk en zo perverteren ze de rollen: zij zorgen ervoor dat zij hun gastheer niet hoeven te danken en dat, andersom, hij degene wordt die dank verschuldigd is.
De werkgever bedankt zijn werklieden niet: hij geeft hen een loon en zorgt er zo voor dat zij hem dank verschuldigd zijn. Het geld zorgt voor de vlekkeloze omkering van de plichten en de rechten maar dan wel tegen de prijs van de ontheiliging van elke menselijke onderneming die aldus tot een mechanische transactie wordt gedegradeerd.
Ook en vooral ter gelegenheid van allerlei festiviteiten lijkt de gastvrijheid tot een handel verworden, een ruilhandel in dit geval, een handeltje in relatiegeschenken, een geldspel waarvan alleen de mammon beter wordt, gereserveerd voor de bezittende klasse die hem dient en die de ontmenselijking van de wereld bespoedigt.
Een half miljoen mensen of tien percent van de arbeidsbekwame bevolking van het land zullen vanaf nieuwjaar hun werkloosheidsuitkering verliezen, wat een gevolg is van het zogenaamde 'koninginnenstukje' van de huidige rechtse regering die zich hiermee bekent tot de vleugel van extreemrechts. Tegen elke logica in gelooft die regering te mogen verwachten dat een derde van de van den dop geschrapten gauw werk zullen zoeken en vinden maar zelfs als dat het geval zou zijn, resten er dan nog driehonderdduizend mensen over wie de vraag hoe zij dan moeten overleven.
Wie elke dag zijn buikje rond kan eten, stelt zich geen vragen en in dat geval zijn zonder ook maar één uitzondering alle leden van de regering van dit land: zij genieten uitkeringen, noem het voor mijn part inkomens, om u tegen te zeggen, aangevuld met nog allerlei onkostenvergoedingen en fiscale voordelen. Zij beseffen niet dat jan met de pet het vandaag moet rooien met een bedrag dat allang niet meer volstaat om gezond van te eten: twee stukken fruit per dag, tenminste eens in de week vis, dagelijks verse groeten en melkproducten zit er voor de meesten onder ons niet meer in. Zij moeten winkelen in derderangssupermarkten die rijk worden van de verkoop van ronduit brol waarvan men alleen maar ziek kan worden. Naar geneeskundige zorgen kunnen zij ook fluiten en waar die alsnog voorhanden zijn, liggen zij buiten het bereik van heel wat mensen.
Mensen die zwak zijn, ziek of slecht te been, geraken niet tot aan het ziekenhuis dat weliswaar minimale dienstverlening garandeert maar dat uiteraard geen rekening kan houden met het probleem van het vervoer of met het gegeven dat de zieken dikwijls niet in staat zijn om uren in een lange gang hun beurt af te wachten tussen andere zieken van wie zij dan ook nog eens worden besmet met verkoudheden, longziekten en dies meer, wat maakt dat een volgende afspraak met de dokter afgebeld zal moeten worden, tenminste als zij telefonisch verbinding kunnen krijgen met de kliniek en als hun belkrediet de lange wachttijden overleeft.
Dat iedereen aan de slag kan in een maatschappij die de economie moet dienen in plaats van andersom, is een illusie omdat concurrentiebekwaamheid een ijzersterk zenuwstelsel vergt - bovenop de eis dat men ook voor al het overige verkeert in topconditie. Maar van de sportlessen in de schooltijd herinnert men zich dat een zeker deel van de klasgenoten 'zwak' is: buiten beschouwing gelaten of dat te maken heeft met erfelijkheid, met ondervoeding of met stress en ziekte, is dat een aan iedereen bekend gegeven. Wie niet sterk is, moet slim zijn, maar ook dat spreekt niet vanzelf: elke klas telt enkele knappe koppen maar een zeker fragment van de leerlingen kunnen gewoon niet mee en vandaag weet men dat dit meestal helemaal niet de schuld is van de kinderen die daarvan de slachtoffers zijn en niet de daders. Edoch, zonder een zeker intellectueel vermogen is men in deze concurrentiemaatschappij een vogel voor de kat en ook dat weet iedereen. Echter, bij de aflevering van koninginnenstukjes, doen de mensen alsof hun neus bloedt: zij kijken of zij onder de veroordeelden vallen en is dat niet het geval, dan trekken zij verder hun eigen plan en zien niet naar de anderen om.
De honderdduizenden mensen die in dit land vanaf overmorgen geen inkomen meer ontvangen, zullen aankloppen bij de zogenaamde openbare commissies voor maatschappelijk welzijn in de gemeente waar zij wonen want, de misdaad buiten beschouwing gelaten, missen zij elke andere keuze. In die commissies zetelen door het volk verkozenen en derhalve burgers die gehoor moeten geven aan de wensen van het volk. Maar die wensen zijn, zoals wij weten uit de cijfers, hoe langer hoe minder fraai. Immers, zowat de helft van de burgers stemmen voor extreemrechts dat de partijen van de onverdraagzamen verzamelt. Dat zijn degenen die niet verdragen dat de centen waarvoor zij hard hebben gewerkt, in handen komen van mensen die niet werken. Maar de OCMW's moeten hun geld halen bij deze onverdraagzamen, wat gebeurt door het heffen van belastingen en die zullen, dankzij het koninginnenstukje, uiteraard gelijk een raket de hoogte in schieten.
Wat aan de gang is, is de verplaatsing van de last van het steungeld van de staatskas naar de gemeentekassen. Dit lijkt op hetzelfde neer te komen maar te denken dat dit verschil niet zonder gevolg zal blijven, is wel bijzonder optimistisch gegokt. De werkende jan met de pet zal nu zeer zichtbaar zijn centen afstaan aan de niet werkende jan met de pet die bijvoorbeeld zijn broer zal zijn, zijn neef, zijn zuster of zijn buurvrouw. Nog één stap in die richting en aan de familieleden van de niet werkenden zal worden gevraagd om in te staan voor het inkomen van de 'luiaards'.
Nu is genoegzaam bekend dat de solidariteit waarop onze maatschappij boogt, een bijzonder precair gegeven is dat alsnog bestaat met dank aan zaken zoals bijvoorbeeld de anonimiteit. Valt die weg, dan is gegarandeerd het hek van de dam. Frustraties, haat en ruzies zullen ongetwijfeld ongeziene proporties aannemen en binnen de kortste keren is een burgeroorlog aan de gang. We kenden al de Franse Revolutie en de Amerikaanse Burgeroorlog, om slechts die twee bekende gebeurtenissen te vernoemen - en moet het nog vermeld dat burgeroorlogen nog veel wreder zijn dan oorlogen tussen naties? - maar wat ons nu te wachten staat zal de bijtende spot aan het licht brengen die in de benaming van het 'koninginnenstukje' schuilt.
(J.B., 30 december 2025)
29-12-2025
Handlangers van de duivel
Handlangers van de duivel
Wat Trump wil, wanneer hij beveelt: “We will say Merry Christmas proudly again”, is niet het wederkeren van het christendom, getuige het feit dat de potentaat de armen alleen maar verjaagt en ook het rijkere deel van de wereld aanspoort om dat te doen; noch wenst hij een pact met de kerk te sluiten, die hij al belachelijk heeft pogen te maken met zijn imitatie van de paus - hij wil hooguit zelf paus zijn, ja, keizer! Wat de usurpator beoogt, is de vervulling van een prepuberale droom: de glitter en de glamour van een dennenboom die het Guinness Book of Records haalt alsook overdadige kerstdiners in zijn grootste balzaal aller tijden met als gasten en tafelgenoten zijns gelijken en trawanten: figuren zoals Vladimir Poetin, Kim Yong-un, Elon Musk en Mark Rutte.
Het is een schromelijke vergissing om lui die een religieuze overtuiging uitbazuinen zonder er ook naar te leven, anders te beschouwen dan als hypocrieten ofwel aanhangers van een dubbele moraal en de Nazoreeër zelf liet hieromtrent helemaal geen twijfel over: Hij verjoeg de farizeeën uit het sanhedrin en de handelaars uit de tempel; Hij spelde wie dachten Maria Magdalena te kunnen veroordelen, eens en voorgoed de les en Hij typeerde zijn volgelingen als degenen die hun rijkdommen uitdelen aan de armen die hij zalig predikte op een berg; Hij herhaalde dat zijn rijk niet van deze wereld is, welke wordt beheerd door de duivel zelf en begrijp het goed: niemand kan met de Satan mee regeren zonder voor het kwaad een knieval te doen.
De volgelingen van Jezus van Nazareth verdienen alle respect en zo ook degenen die niet kunnen geloven in wat zij als sprookjes van de hand doen maar wie een geloof voorwenden zonder daarvan ook getuigenis af te leggen, weten van zichzelf dat zij bedriegers zijn, platte opportunisten en lepe commerçanten. Het is een absurditeit om de handlangers van de heer van deze wereld ernstig te nemen.
(J.B., 29 december 2025)
28-12-2025
Op de dag van de onschuldige kinderen
Op de dag van de onschuldige kinderen
Een snaar wordt aangespannen door aan de twee uiteinden te trekken en dat gebeurt in exact tegengestelde richtingen en uiteraard ook met exact dezelfde trekkrachten maar alleen daardoor komt er spanning in de snaar, kan zij worden getokkeld en zal ze trillen en eventueel verbonden met een klankkast muziek maken. Die snaar kan model staan voor de democratie of die staatsvorm waarbij het volk regeert door zijn verkozen vertegenwoordigers. Een regering wordt gevormd met ruimte voor een oppositie, en de twee staan samen borg voor de productie van betekenisvolle geluiden in het parlement.
De tegengestelden zorgen ervoor dat alles in het juiste midden blijft en waar een van de twee partijen het laken naar zich toetrekt en de andere verbiedt of uitsluit, springt de snaar. Kritiek is van levensbelang voor de democratie zoals ook zonder gesprekspartner een gesprek onmogelijk is. Zonder kritiek geen groei of verbetering omdat kritiek de essentie is van onderwijs: de muziekpedagoog die de leerling het meesterschap bijbrengt over zijn instrument, doet niets anders dan hem op zijn fouten wijzen, keer na keer, en alleen met die dialogische methode wordt uiteindelijk het beoogde resultaat bereikt: een correcte uitvoering van de partituur. Sturen is voortdurend bijsturen en dit automatisme wordt beheerst door elke chauffeur. Waar bijsturing en kritiek ontbreken, dreigt binnen de kortste keren stuurloosheid, met alle gevolgen van dien.
Kritiek wordt gegeven door zogenaamde 'tegenstanders' maar in acht genomen de essentie van kritiek, kunnen tegenstanders de beste medestanders zijn. Het onmogelijk maken van kritiek door zijn tegenstanders te liquideren, resulteert heel vlotjes in het verlies van zijn kwaliteiten. Immers, de eigen lof die dan overschiet, zal uiteraard leugenachtig en onbetrouwbaar zijn en per definitie uitgaan van lieden die het tegendeel beogen van wat opvoeders en leraren doen omdat vleiers niet het welzijn maar de overheersing van de gevleide op het oog hebben en derhalve niets anders dan zijn ondergang. Wie hun 'tegenstanders' uitschakelen, worden om die reden een speelbal van vijandelijke listen.
Terwijl zij meent zichzelf aldus te versterken, brengt de huidige Amerikaanse regering door de systematische uitschakeling van haar tegenstanders, door het demoniseren en het fnuiken van de oppositie, door het aan banden leggen van andere meningen alsook door irrationele angsten zoals onder meer xenofobie, het land en dat deel van de wereld dat zij pretendeert te vertegenwoordigen, in onmiddellijk gevaar. Het euvel schuilt in een fundamenteel onverstand omtrent het wezen van het denken zelf, dat een verinnerlijkte dialoog is, en in de miskenning van de waarde van het open debat waarop alle rechtgeaarde denken berust.
In historisch perspectief is het de Verlichting die in de achttiende eeuw een kentering veroorzaakte in het geestesleven dat bevrijd werd van het juk van de onwetendheid in zijn vele vormen. De weliswaar veeleisende rede die het zelfbestuur mogelijk maakt, trad in de plaats van het blinde geloof en van de gemakzuchtige overgave aan de willekeur van dictators allerhande. De Verlichting herstelt met het vieren van de openbaarheid het recht en in de bestrijding van onverdraagzaamheid en discriminatie vormt zij de grondslag voor de geboorte van wat wij heden kennen als de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens waarvan het doel bestaat in het garanderen van een maximale vrijheid en derhalve van het geluk voor elke mens. Voor de mens van vandaag maar ook voor die van de toekomst. Zo ontstaat meteen een politiek van duurzaamheid en van respect voor het milieu zodat het nageslacht zich kan blijven handhaven.
Dat die kostbare historische verworvenheden welke zich verankerd hebben in stabiele maatschappelijke structuren die het leven schragen, eensklaps in het gedrang blijken te komen, vindt zijn oorzaken in een nepotisme dat resulteert uit de combinatie van vooral egoïsme, opportunisme, vleierij en uiteraard een beschamend gebrek aan fundamentele eerlijkheid, eigen aan de winzucht welke woekert in elk kapitalistisch systeem. Dat die ondeugden de wind in de zeilen krijgen, wordt versterkt door het feit dat de deugd verlamd wordt, de loef afgestoken wordt door de dreiging van een enorm geweld, door het bestaan van het juk van een disproportioneel gevaar, een zwaard van Damocles: de door menigeen maar kennelijk zonder gevolg met de vinger gewezen nucleaire vernietigingscapaciteiten van de grootmachten. Zij leggen een druk op de wereld die mensen verhindert om vrijuit te spreken zodat het aan het licht komen van de waarheid bemoeilijkt wordt en het rechtvaardige handelen de strijd verliest tegen bedrog en winzucht.
Het gebeurt steeds vaker: hersenloze miljardairs die zichzelf in beeld wurmen en de politiek bepalen. Deze nitwit-betweters herschrijven de geschiedenis en de wetenschappen en ze bepalen onze agenda. Dubieuze en onbetrouwbare aftroggelaars omringd door lui van hetzelfde kaliber irriteren mateloos en gaan zo aan de haal met de aandacht en vervolgens met het bezit van iedereen. Tegen de tijd dat de mensen het spel doorzien, zijn ze oud en kunnen ze niets meer doen; hun plaats wordt ingenomen door kinderen die nog van toeten noch van blazen weten en die zich opnieuw door dezelfde roofdieren laten verslinden.
Het eigenaardige aan de hele zaak is dat die lui helemaal niets te vertellen hebben: ze werken zich naar het voorplan met steeds weer hetzelfde inhoudsloos gebrabbel opgeluisterd met applaus, fanfaremuziek en vlaggen, glitter, glamour. Zij bezitten alles maar zij zijn niets: achter het maatpak in de limousine en achter het gebrabbel zit helemaal niets meer. Zij zijn omhulsels zonder inhoud, namen zonder verantwoordelijkheid, lichamen zonder ziel. Hun topprestatie bestaat in de genocide.
(J.B., dag van de onnozele kinderen 2025)
27-12-2025
Exponent van de dubbele moraal
Exponent van de dubbele moraal
Heiligheid trekt aan maar dat het vaak schijn is en derhalve slechts een verlokkingsmiddel, hoeft, enkele feiten in acht genomen, helemaal niet te verwonderen. Het aas dat wordt uitgeworpen voor de vis is voorbeeldig voor de praktijk van de verleiding welke een eufemisme is voor misleiding: honger zorgt ervoor dat de vis een feestmaal ziet verschijnen en het komt derhalve bij het onschuldige beestje helemaal niet op om te gaan denken dat achter de taart een ijzeren haak wacht die zo meteen zijn verhemelte zal doorboren om hem met een ruk op het droge te trekken, waar hij binnen de kortste keren de verstikkingsdood sterft.
De vijand van de vis maakt gebruik van zijn kennis van de behoeften van zijn prooi alsook van diens onwetendheid omtrent het gevaar dat hem fataal zal worden en het komt niet bij de jager op om ook maar een greintje medelijden te gaan koesteren met het arme dier: zoals voor de vis het gevaar overschaduwd wordt door diens honger, zo ook overschaduwt de honger van de jager een eventuele zin voor een greintje altruïsme. Bovendien is er het feit dat altruïsme, behalve dan voor vegetariërs of veganisten, over de grenzen van de soort heen voor het merendeel onder ons als misplaatst wordt ervaren of dan toch als helemaal geen must.
In de geschetste, vrij natuurlijke gang van zaken loert op de achtergrond een dubbele moraal waarvan de ene vleugel aangedreven wordt door betrachtingen die aan de andere tegengesteld lijken: het stillen van de honger is een lovenswaardige activiteit in dienst van het leven en derhalve alvast op het eerste gezicht onverenigbaar met, en zelfs tegengesteld aan het ombrengen van andere levende wezens. Maar de moraal achter de jacht snijdt pas hout zolang die voor het eigen leven een absolute noodzaak is.
Respect voor ander leven en dan zeker respect voor soortgenoten is geboden zolang die ons niet naar het leven staan. Het ombrengen of zelfs maar het benadelen van anderen om de eigen luxe te maximaliseren is misdadig, alleen al omdat luxe en preferenties, en wel zeer in tegenstelling tot noodzaak en behoeften, helemaal geen grenzen kennen. Waar een slokop ongeremd zijn gang kan gaan, houdt hij niet op met het elimineren van anderen totdat zij allemaal 'vernietigd' zijn.
De dubbele moraal bestaat niet alleen inzake de jacht maar hij is een alomtegenwoordig gegeven. Klinisch psycholoog Paul Verhaeghe bespreekt het fenomeen waar hij de opsplitsing hekelt tussen liefde en drift, welke nogal wansmakelijk uit de hoek komt waar mannen de redder willen uithangen ter gelegenheid van hun prostitueebezoek: zij willen zogezegd de vrouw in kwestie, waarop ze hun lusten botvieren, redden van een bestaan als hoer om, alle dierlijkheid van hun gedrag ten spijt, alsnog zichzelf als supermens of held te kunnen wegzetten.
Het aperte gebrek aan elementaire eerlijkheid inherent aan de dubbele moraal etaleert zich heden wereldwijd in de schurkenstreken van grote naties die middels verkapte dreigementen elke mogelijke kritiek smoren in de kiem. De leiders van de actuele wereldoorlog knipogen naar elkaar waar zij onder valse voorwendsels aan miljoenen mensen het leven ontnemen uit louter persoonlijk winstbejag want zij houden een oorlog aan de gang om hun wapens te kunnen slijten met aan de beide zijden van het front de allang versleten smoes van de strijd tegen 'de vijand'. Die smoes wordt door de slachtoffers ervan zelf beleden zoals bij uitstek door onze navobaas, eveneens om redenen van persoonlijk profijt. Maar weet: tegen die gang van zaken zal eerlang en vanuit de basis een wereldwijde opstand ontstaan zoals nooit voorheen geschiedde.
(J.B., 27 december 2025)
26-12-2025
Geschoeid op de leest van de communistische dictatuur
Geschoeid op de leest van de communistische dictatuur
Vandaag wordt de link gelegd van het Trumpisme met het beruchte Mccarthyisme waarover wij al moesten berichtten op 22 september l.l. naar aanleiding van enkele publicaties van die datum over het onderwerp in een... Sri Lankaanse krant.1 Kennelijk kan men het zich minder vlot veroorloven om de waarheid te vertellen op de plek van onheil dan om dat te doen van op een veilige afstand, een afstand in de tijd maar evengoed een afstand in de ruimte. Want veilig is het niet om in de onmiddellijke aanwezigheid van de crimineel zijn daad als misdaad te benoemen: de wet van het lijfbehoud gebiedt de dader om wie zich daaraan wagen, stante pede dood, zo niet monddood te maken en het waarachtige relaas door een spectaculaire Hollywoodproductie te vervangen.2
Wie Wikipedia erop naslaan, vinden onder Mccarthyisme een uitleg over wat ook wel de 'tweede rode schrik' genoemd wordt, de golf van onbewezen verdachtmakingen in de V.S. in de jaren 1930 tot 1950 van vermeende sympathisanten met het communisme tegenover wie de V.S. geheel ongrondwettelijk agressie gebruikte.3 Vergelijk opnieuw met de eerder aangehaalde (2600 jaar oude) fabel van Aesopus over de troost van het misprijzen voor wat men niet bereiken kan.4 Het communisme werd immers gedemoniseerd terwijl de Sovjets in een alliantie met het Westen Hitler versloegen, een vrijheidsstrijd waaraan bijna dertig miljoen Russen (de helft van het totale aantal gesneuvelden van de Tweede Wereldoorlog) het leven opofferden. In die tijd bouwden de Russen een atoombom (1949), kwam in China Mao aan de macht (1950) en startten de V.S. een oorlog tegen Noord-Korea (1950). De emancipatie van de vrouwen en de strijd tegen kinderarbeid en slavernij werden als 'communistisch' weggezet en derhalve als verwerpelijk (de omgekeerde wereld!) zoals ook nu onder Trump opnieuw gebeurt, en wel met geen ander doel dan de voorrechten van de superrijken te vrijwaren en de armen geheel straffeloos om te kunnen brengen - het beoogde van elke kapitalistische structuur. De Amerikaan lijkt niet te beseffen dat hij aldus een dictatuur van communistische makelij invoert met een paranoia die doet denken aan het Roemenië van Nicolae Ceaușescu, alleen omvat het speelterrein daarvan dankzij een (al dan niet vermeende) militaire overmacht heden de hele wereld.
2Zie ook: Noam Chomsky en Edward S. Herman, Manufacturing Consent. De politieke economie van de massamedia, vertaling naar het Nederlands door Jan Reyniers, Epo, Berchem 2025. Oorspronkelijk: Manufacturing Consent. The Political Economy of the Mass Media, Pantheon Books, New York 1988.
Inbrekers forceren het deurslot en komen je woonst binnen in het midden van de nacht; als je het merkt, zijn ze allang met de noorderzon verdwenen en ben je alles kwijt. Ze laten zichtbare sporen na die nauwkeurig opgetekend worden door de speurders van de politie, ofschoon de pakkans amper tien percent bedraagt en het duurt nog een hele tijd vooraleer je alles weer op een rijtje hebt, in de kamers van je huis maar ook in je hoofd, want het voorval heeft enkele van je zekerheden doen sneuvelen en je gevoel van veiligheid kreeg een flinke deuk. Er volgen slapeloze nachten, je bent bang om alleen te zijn of om je huis nog te verlaten, er wordt nagegaan of de daders bekenden kunnen zijn en de onwetendheid reikt allerlei scenario's aan met daarbij passende verdenkingen. Het duurt nog een hele tijd voor de storm in je hoofd gaat liggen, al dan niet dankzij psychologische bijstand maar helemaal vergeten doe je het waarschijnlijk nooit. Zo gaat het nu eenmaal met inbraak, die nota bene jaarlijks één van elke honderd woningen treft.
Maar er bestaan ook andere vormen van inbraak, die niet de voordelen hebben die woninginbraak wél te bieden heeft. Want geef toe: meestal wéét je ook dat er bij je ingebroken werd, vooreerst omdat bezittingen weg zijn en er specifieke schade kan opgemeten worden. Er zijn ook inbraken waarover je helemaal onwetend blijft. En die zijn meestal een stuk gevaarlijker, zoals ook ziekten gevaarlijker zijn waarvan je niet weet dat je ze hebt. Schrammen kun je zien en daar past altijd wel een pleister op maar microben beroven je ongemerkt van je gezondheid en krijg je het euvel alsnog in de mot, dan is het veel te laat voor een remedie.
Aan sommige vormen van inbraak valt helemaal niets te verhelpen, om te beginnen omdat ze niet als zodanig geboekstaafd staan en daartoe behoren de gevallen waarbij de inbrekers je open en bloot op de huid komen zitten en daarvan bestaan een eindeloos aantal varianten. De politie krijgt dagelijks klachten van lui van wie geld, juwelen of nog andere valuta afhandig werden gemaakt en als hen dan de vraag gesteld wordt hoe dit kon gebeuren, moeten zij bekennen dat ze het allemaal eigenhandig hebben weggegeven. Ze hebben de inbreker die een smoes vertelde, er zelf in gelaten, ze hebben hem of haar een kopje koffie aangeboden, het relaas van zijn voorgewende ellende aangehoord en hem vervolgens met een gulle gift tevreden gesteld. “Anders kreeg ik hem niet buiten, meneer”, zo luidt dan de uitleg die uiteraard van geen tel kan zijn. En nog lastiger wordt het als de dieven verwanten zijn die men immers niet wil of niet kan aangeven. Blij zijn dat men niet veel méér kwijt is en beter opletten in het vervolg, zo luidt de vriendelijke vermaning waarmee de beroofden vrede moeten nemen, zij zijn dan “gezet zoals een puit op een wegel”, zoals de volksmond het zegt.
Edoch, vandaag is diefstal bijzonder sluw geworden, de middelen om mensen van hun hebben en houden te ontdoen, zijn gigantisch en in tijden van crisis moet de bestrijding van die zaken achterwege blijven door personeelstekort. Daarvan hebben rovers niet te lijden, zij werken met aannemers, onderaannemers enzovoort en zelf worden zij nooit opgepakt.
Zo is de superdief van deze tijd misschien wel de baas van het machtigste land op aarde en hij onderscheidt zich in bijna niets meer van pakweg Dzjengis Khan, Napoleon of Nero en misschien is hij nog wel het best te vergelijken met figuren zoals Luckey Luciano of Al Capone. Wij laten in het midden wie hij dan wel mag zijn maar dat de man de beschikking heeft over vrijwel al het goud van deze wereld, heeft hij uiteraard allerminst te danken aan zijn noeste arbeid want, ga maar na, die kerel heeft nog nooit zijn handen vuil gemaakt, al zal er wellicht wel bloed aan kleven.
Wij krijgen wel de indruk dat het om een noeste werker gaat omdat wijzelf, en dat wil zeggen alle acht miljard verminderd met een zeker percentage opportunisten, al ons hebben en houden aan ons zweet te danken hebben. Wie niet kan werken, kan misschien wel heel tijdelijk overleven maar wie wat bezit verzamelde, heeft daarvoor ook moeten knokken. Rijkelui worden om die reden bekeken voor eerlijke en hard werkende mensen maar vaker zijn zij geen van beide. In deze wereld wordt de rode loper uitgerold voor topgangsters en worden eerlijke lieden weggezet als sukkelaars of, in de taal der gangsters, 'losers'.
Dat daad en misdaad kennelijk zo makkelijk in elkander overlopen en dat het verschil tussen de brute inbreker en de onschuldige huidzitter of aftroggelaar vaak bijna fictief is, moet men wellicht wijten aan het feit dat alle mensen in oorsprong kinderen van dezelfde Eva zijn. De almacht van de oermoeder en de eenheid met haar nageslacht maakt alle grenzen flou maar die worden meteen opnieuw ingesteld middels het principe van het privaatbezit, de ware oorsprong van het kapitalisme.
Met het matriarchaat als origine der culturen en daarin de eenheid van de moeder met het kind, is haar almacht verzekerd maar evengoed het bestaan van haar rivaal die grenzen trekt waar er oorspronkelijk geen waren, en dit middels wetten die van kracht zijn dankzij de werkelijkheid van het geweld. Die twee kunnen een huwelijk aangaan en zo ontstaat bijvoorbeeld wat men de maffia heeft genoemd.
Daarbij vormen de kinderen van de almachtige Eva een familie en zij dwingen de tegenstander die het kapitalisme belichaamt op de knieën door hem zijn geld afhandig te maken. Als troost krijgt hij op het toneel van de wereld de rol toebedeeld van de heerser die hij echter allerminst kan zijn, hij moet immers gehoor geven aan de instructies 'van hogerhand' - van de almachtige. Zijn koningschap over de aarde wordt een kostelijk toneel, zijn macht een luchtkasteel. De zaken die er echt toe doen, spelen zich af achter de schermen en daar gaat het effectief om een strijd op leven en dood, al bespaart men de tinnen soldaatjes de dracht van de kennis van de ware toedracht van die allergruwelijkste feiten. Ga het maar na, zo fluistert Omsk Van Togenbirger het ons van op zijn tot een gammele kruk herleid spreekgestoelte toe: ik kan het niet dikwijls genoeg herhalen, “Krieg und Leichen, die letzste Hoffnung der Reichen.”
(J.B., 25 december 2025)
24-12-2025
Kerst heeft een prijs
Kerst heeft een prijs
Samenhangend met de cognitieve dissonantietheorie van Leon Festinger is het verschijnsel van de groepsaffiliatie of het zich aansluiten bij een groep zonder dat daar goede redenen voor bestaan. Dit laatste is van belang want zolang er goede redenen zijn om zich aan te sluiten bij een groep, is er met affiliatie niets mis, doch van zodra die goede redenen ontbreken, kan men spreken over groepsdruk en over persoonlijke vrijheidsbelemmering.
Groepsdruk kan geïnduceerd worden in functie van zekere vormen van 'misdaad', wat reeds het geval is bij reclame, mode en ideologisering en het blijkt moeilijk en soms zelfs bijna onmogelijk om daaraan te weerstaan. Denk maar aan een groep met een leider die het voortouw neemt in het belachelijk maken van een groepslid: waar externe controle ontbreekt, blijkt iedereen met de groep mee te doen, ook al gaat het slachtoffer in kwestie eronderdoor.
Is de leider bovendien een 'echte' leider, zoals een leraar op school of een president, dan is het zaakje fataal. Doet het slachtoffer zijn beklag bij papa, dan bestaat de kans dat papa de leraar gelooft en niet zijn kind. Tijdens de hoogdagen van de katholieke kerk konden op die manier de geestelijken hun gang gaan; bij kindermisbruik werden hun slachtoffers niet geloofd en zelfs vaker geestesziek verklaard.
Dat is overigens nog steeds het geval in fundamentalistische vormen van religie en voor de slachtoffers is het begrijpelijkerwijze bijzonder traumatiserend omdat zij zich realiseren niet langer veilig te zijn en nooit veilig geweest te zijn: het veiligheidsgevoel is voor hen voortaan een waan en zij ontwikkelen een levenslange onrust die dan geheel onterecht paranoia wordt genoemd, wat het trauma alleen maar erger maakt.
De hele wereld is getuige hoe vandaag voor de leiders van het volgens sommigen machtigste land de rode lopers worden uitgerold door ons, ook als zij op pad zijn om ons tot op het bot te pluimen en Navosecretaris-generaal Rutte gedraagt zich daarbij als een knipmes. De demoraliserende invloed van dat gedrag op de hele bevolking kan maar moeilijk worden onderschat: men is getuige van het voortaan onmiskenbare feit dat de leiders van het land waarvan men het burgerschap heeft, geen leiders zijn doch vazallen en wel vazallen van figuren die leven van diefstal, leugens en bedrog en door wie men straffeloos gechanteerd wordt. Men wordt zich bewust van het feit dat de moraal waarin men werd opgevoed en die de eerlijke arbeid in dienst van de gemeenschap prijst, een fabeltje vanjewelste is.
Jan met de pet ziet nu eens en voorgoed dat hij elke dag om vijf uur opstaat en elke avond weer afgebeuld thuis komt om de wapens te betalen waarmee als de tijd daartoe rijp bevonden wordt, alle jannen met de petten elkaar moeten gaan verminken, zo niet uitmoorden, aan een front dat wordt gecreëerd door die 'leiders' in de vorm van een lijn op een landkaart. Absurder kan het niet maar het gebeurt telkenmale opnieuw en wel zonder enige vorm van protest omdat men vreest voor uitsluiting uit de groep. Dat is groepsaffiliatie.
Vrijheid of zelfbevrijding worden, zoals enkele artikels eerder aangehaald uit een boek van Paul Verhaeghe, betaald met de minimumprijs van de eenzaamheid. Dat geldt voor verzet tegen elk gedrag dat met groepsaffiliatie geassocieerd kan worden en dezer dagen hebben wij het voorbeeld van de kerst. Trump gebiedt: “Vanaf nu wensen we elkaar opnieuw een Merry Christmas!” Ik zie het ons al doen in koor en Rutte doet het ons allen voor.
(J.B., 24 december 2025)
Van USA naar BSA?
Van USA naar BSA?
Waar de Vlaamse dramaturg Dirk Biddeloo zijn pantoffelheld laat zweren dat hij de afwas doet zoals hij dat ook heeft beloofd1, zinspeelt hij op Aesopus' fabel over de vos en zijn (vergeefs begeerde) druiven die de troost van de minachting voor het onbereikbare verklaart.2 Beide verhalen illustreren door hun behandeling van de omgang met frustraties de cognitieve dissonantietheorie3 van de Amerikaanse psycholoog Leon Festinger, tevens de ontwerper van de drie jaar oudere theorie van de sociale vergelijking die aan de basis ervan ligt en die inhoudt dat mensen zichzelf bekijken door andermans ogen. Verschil veroorzaakt onlust en dwingt tot gelijkmaking. Het vreemde bedreigt en frustreert en de frustratie houdt aan totdat de bedreiging wijkt.
Maar dat verschil frustreert pas waar men voor die anderen de duimen moet leggen; waar men beter af is, verschaft dit verschil plezier en zo lijkt geluk een zaak van sociale vergelijking: niet het verschil zit ons dwars maar wel het beheerst worden door anderen daar dit ons met zelfverlies bedreigt. De actuele politiek van Festingers geboorteland is een toelichting bij zijn bevindingen van driekwart eeuw geleden.
Inzake de politieke situatie oppert zich een in feite eigentijds probleem dat zich laat benoemen als het onvermogen om met frustraties af te rekenen op een andere manier dan door de vernietiging van datgene waarvan men verschilt.
Aldus in het geding is, alle schone schijn ten spijt, een onkunde om met anderen handel te drijven, een onvermogen tot communicatie, een tekort aan aanpassingsvermogen, kortom: een schrijnend gebrek aan intelligentie. Het probleem van de huidige Amerikaanse politiek bestaat in niets anders dan in het feit dat daar nu nitwits aan de touwtjes trekken en uiteraard maken die er een zootje van, zij voeren Plato's fabel op over het narrenschip.
Narren aan het roer, een onvermijdelijk gevolg van nepotisme. Vriendjespolitiek duidt op het onvermogen om te delegeren of dus op dictatuur: macht wordt uitgedeeld aan lui op wie men vat heeft terwijl zij toekomt aan wie bekwaam zijn om de problemen aan te pakken.
Die bekwaamheid is nochtans voorhanden maar zij wordt geminacht zoals de druiven door de vos omdat men ze zelf missen moet. Zo komt het dat men dan niet alleen degenen minacht door wie men overtroffen wordt maar tevens versmaadt men hun eigenschappen of dus de dingen die hen beter maken. En het behoeft geen betoog dat dit nergens anders uitmonden kan dan in de reinste Barbarij.
(J.B., Kerstavond 2025)
1“Als ik zeg dat ik de afwas doe, dan doe ik ook de afwas!”
2https://www.gutenberg.org/cache/epub/28/pg28.txt: “The Fox and the Grapes: One hot summer’s day a Fox was strolling through an orchard till he came to a bunch of Grapes just ripening on a vine which had been trained over a lofty branch. “Just the thing to quench my thirst,” quoth he. Drawing back a few paces, he took a run and a jump, and just missed the bunch. Turning round again with a One, Two, Three, he jumped up, but with no greater success. Again and again he tried after the tempting morsel, but at last had to give it up, and walked away with his nose in the air, saying: “I am sure they are sour.” It is easy to despise what you cannot get.” (Editor: Joseph Jacobs, 1992).
3Cognitieve dissonantie is een begrip uit 1957 van Leon Festinger en beduidt de onlust veroorzaakt door psychosociale onverenigbaarheden. Men tracht die op te heffen door middels herinterpretatie een zekere consonantie ter zake te herstellen teneinde de consistentie binnen de persoonlijkheid terug te winnen.
23-12-2025
De worm en het Kerstekind
De worm en het Kerstekind
Het was naar zijn eigen zeggen de grootste angst van de filosoof Jaap Kruithof die toentertijd door menigeen en heel terecht 'het geweten van Vlaanderen' werd genoemd, dat de democratie, ontegenzeggelijk de 'minst slechte van alle staatsvormen', op een keer wel eens een gek aan het roer zou kunnen brengen van het schip dat onze wereld is. En vandaag is het zo ver.
En hoe het zo ver is kunnen komen? Via sluipwegen, uiteraard. Dat antwoord is kort maar het benadert misschien wel de waarheid. Trump is altijd al een extravagant figuur geweest maar pas na zijn verkiezing tot volgens sommigen de machtigste man op aarde - en dat is naar de vierde zin van de vierde paragraaf van de tweede brief aan de Korintiërs “de god van dit tijdperk” - blijkt die zich te ontpoppen tot een entiteit die wel uit een sprookjeswereld lijkt te komen. Trump lijkt onwaarschijnlijk en wel in die mate dat, mocht op een dag aan het licht komen dat hij helemaal niet bestaat doch een plastieken pop is die via hightech werd bestuurd door een leger volksmanipulatoren bijgestaan door de meest gesofisticeerde A.I., het zou misschien helemaal geen verwondering wekken.
Alvast alles - en vooreerst het gestaag uitlekkende chantagemateriaal - wijst er op dat de man in kwestie “a puppet on a string” is in de betekenis van een door (onbekende?) derden bestuurde eigenaar van omzeggens alle wereldse macht. Dat kenmerk werd sinds de oudste tijden toegeschreven aan de duivel, ook nog getypeerd als de niet-persoon bij uitstek. En in de nieuwste tijden blijkt dat men er toentertijd niet zo heel ver naast gegokt heeft.
Personen dragen een verantwoordelijkheid, men kan hen ter verantwoording roepen voor wat zij doen, men kan hen vragen waarom zij iets doen en zij dienen daarop een antwoord te kunnen geven, zo niet worden zij beschouwd als onverantwoordelijk, onvoorspelbaar ook en gevaarlijk en dan moeten zij op het matje worden geroepen, zij moeten verschijnen voor een rechter. Vandaag proberen vooral de machtigen onder de mensen de verantwoordelijkheid voor hun beslissingen en voor hun daden steeds vaker af te schuiven op niet-personen, zoals massa's, instituties, firma's of bedrijven. Die handelwijze heeft zelfs een specifieke logica in het leven geroepen, de zogenaamde paraconsistente logica, wat in feite een eufemisme is voor de volstrekt inconsistente logica, een logica die gelooft zich gedurende zijn proces voor een poos aan de eis van consistentie te kunnen onttrekken terwijl zijn werking alsnog berust op de afleidingsregels waarvan het fundament zich uiteraard nimmer aan die consistentie kàn onttrekken. Het alsnog opvoeren van het onmogelijke is daarom ook zoals elke leugen tijdelijk en vandaar wordt in de Heilige Schrift de duivel “de god van dit tijdperk” genoemd, dat het actuele tijdperk is. Dat de duivel de niet-persoon bij uitstek is, betekent dat hij zoals personen handelt doch zich direct na de handeling aan die handeling onttrekt alsof een ander die gepleegd had, ofwel 'niemand'.
Handelingen hebben personen nodig om zich te kunnen voltrekken en daarom kunnen gebeurtenissen aan welke men niet vragen kan waarom zij bestaan en die men daarom als noodlottig bestempelt, niet het gevolg zijn van persoonlijke beslissingen of van vrije keuzes maar volgen zij noodzakelijk uit de hier beschreven demonische 'activiteiten'. En het is naar die onverantwoordelijkheid dat ook de door Kruithof gebruikte uitdrukking ter typering van de huidige wereld als een 'schip zonder stuurman' verwijst.
Onverantwoordelijkheid is immoraliteit bij uitstek, het is het zich onttrekken aan de openbaarheid van bepaalde zaken, het zich afscheuren van delen van het geheel; het is het doen alsof men niet tot het geheel behoort waarin men nochtans bestaat, het is het fundament van de 'compartimentering' die naar de inzichten van socioloog Abram de Swaan de misdaad faciliteert en hem tegelijk verbergt - de misdaad die zoals een dief in de nacht lichtschuw is, ook met 'licht' in de betekenis van 'verstand', omdat hij niet wil weten van zichzelf.
Die demonische consequentie van de democratie zat echter altijd al in de kiem van haar bestaan verborgen als een worm die haar ooit aan zou vreten, die haar van binnenuit zou verslinden, en wel in de anonimiteit van de stemming die de macht geeft aan de meerderheid, die de kwantiteit verheft boven de kwaliteit en die aldus aan de waarheid, de kwaliteit bij uitstek, de doodsteek toedient. En dat is de sluipweg waarvan hoger sprake. Het is de weg van wie niet wandelen doch sluipen alsook besluipen, het is de weg der adders in het gras, die het gemunt hebben op de zwakke plekken van de levenden, om hen daar te bijten, hun gif in hun bloed te spuiten zodat het stremt, ront, verkilt, stolt - en hen aldus van het leven te beroven en naar de onderwereld te trekken waar zij heersen over de duisternis en de onwetendheid - een heerschappij die insgelijks van deze eeuw is en derhalve bijzonder tijdelijk, want reeds wordt de geboorte van de Waarheid aangekondigd.
(J.B., 23 december 2025)
22-12-2025
Verkapte massa-executie - Een interview met Omsk Van Togenbirger
Verkapte massa-executie
Een interview met Omsk Van Togenbirger
Officieel om gezondheidsredenen hebben ze hem opgepakt en in feite geïsoleerd, zoals ze altijd en overal met klokkenluiders hebben gedaan en wanneer ons gesprek van start gaat, zet hij een radiootje aan dat ruis geeft, kennelijk om te verhinderen dat eventuele derden meeluisteren. Men zou hier meteen gaan denken aan 'geestelijke' gezondheidsredenen en meer bepaald aan paranoïde schizofrenie maar op fouten tegen de logica heb ik onze vriend nooit kunnen betrappen, zeer integendeel, en als ik mij ertoe verplicht voel om het interview dat ik met de oude man mocht hebben, weer te geven, helaas op een plek waar bijna niemand het vernemen kan, word ik overmand door een gevoel dat beslist vergelijkbaar zal zijn met wat hem de hele tijd overkomt: heeft hij mij aangestoken met zijn paranoia of ga ook ikzelf nu redeneren zonder onbewust alle gedachten weg te kapen die verboden zijn? Intussen ken ik het onbetwijfelbare antwoord op die vraag maar laat ik nu van start gaan, alle overtollige beschrijvingen achterwege latend omdat hier geen tijd meer te verliezen valt en ik meen wat ik nu zeg.
Hij spreekt traag en bedachtzaam, niet gehaast en opgewonden zoals geesteszieken doen die in de greep zijn van psychosen en ook niet geheimzinnig zoals iemand doet die aandacht trekken wil: Omsk Van Togenbirger is dezelfde man van vroeger, alleen een heel stuk ouder nu, en kennelijk getekend door een leed dat niemand peilen kan totdat hij kennis heeft genomen van zijn boodschap en die is niet min. Hou u vast want wat een kerstboodschap had kunnen zijn, is de aankondiging van de geboorte van de duivel en wees verzekerd: voordat het wordt gesproken, wordt elk woord, zoals hij zelf zegde, twee keer omgedraaid.
- Ze hebben zich verraden, zo verklaart hij, met hun bombardementen op die zogenaamde drugstransporten vanuit Latijns-Amerika. U moet weten dat dit een tactiek is, toegepast door fascisten sinds het begin der tijden en ik bedoel: onaangekondigd als het kan en zo ongezien als maar enigszins mogelijk is omdat alles geschiedt wars van wet en rechtspraak.
Het valt mij op dat hij moeite heeft met spreken, alsof hij beneveld werd met tranquillizers maar tegelijk klinkt iets dat gelijkt op een zucht van verlichting tussen zijn woorden in, kennelijk omdat hij het eens aan iemand zeggen kan die het zal meenemen buiten de muren van deze medische burcht die zogezegd de maatschappij beschermen moet tegen desinformatie en massale krankzinnigheid.
- Desinformatie, het is voor hen een besmettelijke ziekte, zo legt hij me uit, die zij ook willen uitroeien met alle mogelijke middelen omdat zij bestaan bij de gratie van een fictie die zich verheft zoals een luchtkasteel dat door een 'verrader' zo doorprikt kon worden. Van die fictie leven zij, aan die leugen danken zij hun macht, aan die leugen en aan de massa-executie die zij moet verbergen en voor zichzelf kunnen verschonen.
Een ogenblik heb ik me afgevraagd of hij de draagwijdte van zijn woorden wel begreep maar hij bleef overtuigd klinken de hele tijd en ook bezonnen, zoals wijze, oude mensen spreken die al aankijken tegen de muur die opdoemt waar het leven aan zijn eind gekomen is. Het is niet talmen wat hij doet maar wikken en wegen.
- Zij beschikken over de macht om elke kritiek in de kiem te smoren, zij doen met andere woorden wat zij willen en die willekeur komt aan het licht waar zij tekeer gaan en zonder vorm van proces doch in de volle openbaarheid datgene voltrekken wat nimmer het licht mag zien.
Het gelijkt op orakelen wat hij doet maar met het verstrijken van de minuten word ik gewaar hoe dit niets dan bedachtzaamheid is en speuren naar middelen om het gezegd te krijgen.
- Stel eens, zegt hij, dat die drugsboten helemaal geen drugsboten waren, want dat is een mogelijkheid, er bestaat geen enkele controle door derden over die zaken, en stel eens dat dit aan het licht kwam: zou men dan spreken over misdaden en moorden?
- U hoeft mij niet te antwoorden, zo voegt hij er meteen aan toe, want ik ben nog niet uitgepraat, ik ben er namelijk van overtuigd dat hier drugstrafiek in het geding is maar dat is niet het punt: het punt is dat als men dat zou ontdekken, men zou geneigd zijn om te spreken over een rechtmatig handelen maar dat is het nu eenmaal allerminst. Men moet begrijpen dat alleen een oorlogslogica deze handelwijzen in staat is te verschonen en dat wil zeggen dat daar geen ander recht dan dat van de sterkste speelt. Maar laat ik nu met de deur in huis vallen want onze tijd raakt snel op...
Hij draait het klankvolume van het radiootje een beetje hoger, leunt een weinig voorover om verstaanbaar te blijven en gaat dan door met zijn betoog.
- De tactiek die zich verraadt in de handelwijze voor de aanpak van de bestrijding van drugstrafiek is zoals ik al zei fascistisch van makelij en daarmee bedoel ik, om het allemaal zo kort mogelijk te houden, dat men aan niemand gaat vragen wat men al dan niet mag doen en, meer zelfs, dat men tracht om iedereen buiten zijn geheime zaakjes te houden. De mensen hebben er namelijk geen zaken mee, met het spel dat met hen wordt gespeeld, begrijpt u? Want zo denken zij gewis: zij zullen het u niet vertellen als zij het zo gepland hebben dat zij u zullen afmaken.
Zijn woorden verontrusten mij een beetje en hij knikt om te verduidelijken dat hij meent wat hij vertelt.
- U herinnert zich de coronatijd en ook die 'achterklap' op alsnog aan het licht gebrachte officiële documenten waar uitgelegd wordt hoe men de risico's voor wie vaccins krijgen toegediend verbergt in een mist van woorden? Het is niet onbelangrijk wat ik nu ga zeggen en daarom lees ik die paragraaf hier nog eens voor.
Hij haalt een papier uit zijn binnenzak alsook een leesbril, overhandigt mij dan de tekst en gebiedt mij hem zelf voor te lezen.
– Ik weet dat u de tekst kent, zegt hij, maar ik wil dat u hem nogmaals voorleest, klaar en duidelijk, want dit is van groot belang. Het gaat erom dat men mensen ertoe brengt dat zij uit eigen beweging naar de slachtbank trekken: men vraagt hen om hun toestemming te geven tot medische handelingen die in plaats van hen te genezen, hun dood kunnen betekenen. Lees maar meteen de laatste zin voor, onder 'Results of the study', ik heb het in de marge aangestreept!
Ik neem het stukje papier van de heer Van Togenbirger aan en lees de tekst voor: “This risk is sufficiently obscured in clinical trial protocols and consent forms for ongoing COVID-19 vaccine trials that adequate patient comprehension of this risk is unlikely to occur, obviating truly informed consent by subjects in these trials.”1
- Dank u wel. Moord met voorbedachten rade, toch? Want u dient te weten wat dit risico in wezen inhoudt, waarschijnlijkheid is immers niet zomaar een abstractie, ziet u? Als ik zeg dat u een kans van één op honderdduizend hebt om te overlijden als u voor een zekere behandeling kiest, dan kunt u misschien denken dat u relatief veilig bent maar de waarheid is dat dit betekent dat er voor elke honderdduizend mensen die dat doen, één echte dode valt te betreuren. Dat zijn tien doden op een miljoen; dat zijn tienduizend lijken op een miljard en er zijn acht miljard mensen op deze aarde. En nu kunnen we misschien verder praten.
– Ziet u, zo gaat hij onmiddellijk door: ik besef dat men van hogerhand niet wenst dat er aldus wordt gesproken omdat dit roet in het eten gooit van wie er op gebrand zijn om de massa als een bron van inkomsten te gebruiken. Noteer dat men in die termen denkt: massa, zo zegt men, en dat geeft de valse indruk dat het niet om mensen gaat, dat het gaat om zaken waarvan er genoeg zijn, of zelfs teveel, en dat het niet zo nauw steekt. Maar dat zijn grove leugens want het gaat om u en ik, het gaat om uw ouders en om uw kinderen. Begrijpt u dat goed? Maar loop niet weg want ik ben nog niet aan het eind van mijn Latijn, ik zweer dat ik het zo kort mogelijk houd.
Hij neemt het papiertje van me aan en stopt het terug in zijn jaszak, kijkt me doordringend aan en vertelt verder.
- 'Informed consent' of toestemming met zaken waarover men goed dient ingelicht te worden, zoals de wet het immers voorschrijft, bestaat niet meer, met dank aan de heerschappij van het bedrog. Maar als u dacht dat dit het einde is, dan bent u stekeblind zoals bijna iedereen vandaag, want het laten ondertekenen door de betrokkenen van hun terdoodveroordeling is een stap die voortaan gewoon wordt overgeslagen. Dat gebeurde in het nazitijdperk, zoals u wel weet, maar het gebeurt vandaag opnieuw, en als het algemeen bekend zal worden, zal het kwaad allang geschied zijn. Fascisten handelen nu eenmaal achter onze ruggen om, zij bedisselen hun plannen in de hoogheidswaanzin welke mede een gevolg is van de heroïne of de heldendrugs welke zij gulzig snuiven op hun festiviteiten, of denkt gij dat de paradijsjes van de machtigen der aarde waarvan nu en dan wat uitlekt om dan gauw weer in de doofpotten van de geschiedenis te verdwijnen, zich daar tevreden stellen met een profijtig pilsje, laat het nog een heel goed wijntje zijn? Glinton in een jurk, Tremp in het gezelschap van minderjarige meisjes, in de club van de nog gauw monddood want dood gemaakte topgangster die Hepstein heet? Denk u echt dat zij een frisse pint gaan pakken zoals ook u en ik doen als de molens draaien op het plein en als de wieken waaien en het kermis is voor groot en klein? Heroïne, cocaïne, en misschien nog heel andere drugs waarvan wij nog nooit hoorden, genotmiddelen welke zoals ook alcohol doet maar dan in een nog veel grotere mate, de gebruikers naar het hoofd stijgen en in de waan brengen dat zij goden zijn? Immers, gedragen zij zich niet als goden, die zonder vorm van proces mensen afmaken?
- Niet zomaar afmaken, zult u zeggen, want het gaat over drughandelaars en dat zijn criminelen, maar ik zei het al dat dit helemaal niet ter zake doet want voor hetzelfde geld vermoorden zij wie hun machtsstreven in de weg staan of wie de klokken luiden over wat zij doen, begrijpt u?
- En denk vervolgens eens goed na over de middelen die hen ter beschikking staan, alsook over wat in andere dictaturen reeds gebeurde, zo gaat hij verder: de macht van in de eerste plaats het medische bedrijf is ronduit griezelig. U weet dat een eeuw geleden Aldous Huxley daarover al fantaseerde met zijn Brave New World maar de werkelijkheid, mijn beste, overtreft, zoals onze goede vriend William Shakespeare al wist, de stoutste fantasie en dat is in deze zaken helemaal niet anders.
Nu neigt hij zich voorover zoals mensen doen die absoluut niet willen dat buitenstaanders ook maar iets opvangen van wat zij gaan vertellen.
- Het is geen geheim meer dat men over zowat iedereen zowat alles weet, nietwaar? En wat anders denkt u dat men doet met die gegevens dan ermee spelen zoals de armen spelen met de kaarten van verdriet? De kaarten van plezier in het spel van de machtigen der aarde, mijn allerbeste... en laat ik u nu eindelijk wat verklappen.
- U gaat naar de dokter voor een routineonderzoek waartoe u uitgenodigd werd of niet, dat speelt geen rol, en u denkt dat u gezond bent, totdat u terug moet voor de uitslag. Het verdict luidt 'ernstig ziek', u weet wel hoe men dat nu noemt, niemand die er zal tegen protesteren, men doet alsof men alles in het werk stelt om het te voorkomen en om het te genezen. Maar u hebt nog een kans, zo wordt u althans gezegd, met een zekere behandeling en u gaat terug, u laat zich behandelen maar wat u niet weet en ook niet weten wil, is dat u pas dan en uitgerekend onder het voorwendsel van een geneeskundige behandeling, ziek gemaakt wordt. U wordt bestraald en op de koop toe vertelt men u dat u bestraald wordt en aldus wordt u ter dood veroordeeld. En vertel mij niet dat dit niet kan want het gebeurde in de nazitijd op grote schaal en die tijd is nu terug met een fascisme om u tegen te zeggen.
- Wie met de massa bezig zijn, bekommeren zich niet om mensen, zoals wie de volksgezondheid willen dienen, dit zullen doen ten koste van uw en mijn gezondheid omdat er nu eenmaal minder zieken zullen zijn waar zij worden uitgeroeid, begrijpt u? Inderdaad, daar waar de zieken worden uitgeroeid, blijven alleen gezonde mensen over en zegt men dat het volk als zodanig ook gezonder is, terwijl men helemaal vergeet dat gezondheid een eigenschap is van levende lichamen en allerminst een eigenschap kan zijn van aantallen. Kent u het bollenprobleem? Het is een bijzonder misleidend probleem uit de wiskunde en het handelt over witte en zwarte bollen die blindelings uit een vat worden genomen, ik ga het hier niet uit de doeken doen, het gaat er alleen om dat de eigenschap van het wit of zwart zijn, welke wel kan toegekend worden aan elke bol apart, helemaal geen eigenschap kan zijn van het geheel van alle bollen. Om die reden is ook de zogenaamde volksgezondheid een wanbegrip. Voor de dwaas Hitler die nu samen met zoveel andere fascisten opnieuw verafgood wordt door velen, was de volksgezondheid ermee gediend als men de artsen verving door beulen omdat op die manier de zieken heel wat sneller en ook makkelijker verdwenen. Dezelfde dwaasheid wordt begaan in communistische systemen die immers stellen dat het algemeen belang primeert boven dat van de enkeling. U moet daar eens over nadenken.
- Ik ben niet uitverteld, maar mijn leeftijd verbiedt mij helaas om dit gesprek nog voort te zetten. Misschien tot een andere keer? Het was mij een waar genoegen.
- Het genoegen was helemaal aan mijn kant. Mag ik u nog het beste wensen?
Als in een wazige spiegel van de Vlaamse auteur Ludo Noens confronteert sciëntisten met het bijzonder precair karakter van hun wereldbeeld en met de voorbarigheid van een enthousiasme dat met de zelfverheerlijking, of is het een zelfvergoddelijking, van de mens speelt. Niet zozeer omdat het werk een aantal hiaten blootlegt in die zelfverzekerde opvattingen - wat het weliswaar doet - maar eerst en vooral omdat daar de vinger wordt gelegd op een nog veel pijnlijkere wonde: het uiteindelijk fictief karakter van de criteria welke de zogenaamde realiteit moeten scheiden van de fictie.
Het belichten van die flinterdunne of misschien wel geheel onbestaande, genoemde grens maakte sinds de vroegste publicaties van deze hedendaagse auteur deel uit van de kern van de betekenis van zijn werk maar in de jongste publicaties treedt de ernst van de kwestie steeds meer op de voorgrond: terwijl Noens zich er aanvankelijk op toelegde om middels niet meteen simpele literaire middelen de werkelijkheidswaarde van de fictie aan het licht te brengen, maakte hij ook werk van het aan het licht brengen van het fictief karakter van zekere 'onbetwijfelbare' realiteiten. Deze verwoording vertoont niet geheel toevallig enige verwantschap met die met betrekking tot 'the unsinkable', zoals ooit de Titanic werd genoemd, waarvan echter de noodlottige bestemming binnen de kortste keren de zeebodem bleek te zijn want een gelijkaardig zwaard van Damocles lijkt met de overpeinzingen in de genoemde literatuur boven het hoofd van steeds meer takken van de boom van de wetenschappen te hangen.
Om te beginnen is er de zichzelf tot 'heilige wetenschap' verklarende theologie die het moet opnemen tegen het geschiedkundig onderzoek, de fysica en de psychologie. Tegelijk blijkt steeds vaker hoe ook historisch onderzoek vervalst wordt (denk maar aan inspanningen die nog steeds geleverd worden om de Congohistorie te verdonkeremanen) en ook de psychologie heeft haar beste tijden gehad: de haring van haar menigvuldige veroordelingen van zogenaamde 'abnormalen' bakt niet meer sinds de slachtoffers van die ronduit demoniserende praktijken op de barricaden zijn gaan staan en de dieptepsychologie alsook de psychoanalyse werden grotendeels naar het rijk der fabels verwezen.
Wat betreft de laatstgenoemde discipline worden de zaakjes nu veeleer beheerd door de farmacie die op haar beurt in ongenade dreigt te vallen bij de massa nadat zij als economische topbedrijvigheid volgens velen een wat onfrisse rol speelde in een recente wereldwijde zogenaamde coronacrisis die een totalitarisme aan het licht bracht waarin menigeen de voorbode van een nieuwe wereldoorlog meende te ontwaren.
In de zogenaamde 'harde' wetenschappen dan met op kop de fysica en de kosmologie, schuift de vaste grond onder de voeten van de onderzoekers weg ingevolge zich om de haverklap verversende theorieën en paradigma's waarvan de kwantummechanica niet de geringste is, naast de ooit als absolute waarheid voorgestelde speculaties over het ontstaan van het heelal.
Voor een meer uitvoerige behandeling van deze kwestie, wende men zich tot het werk van Ludo Noens maar hier belangt ons een zekere paragraaf aan in zijn jongste publicatie met betrekking tot het verschijnsel van de levitatie.
Die 'onmogelijkheid' wordt daar allerminst lichtzinnig behandeld: zij kadert in een positief wetenschappelijk gefundeerde situering en meer bepaald leent het boek ons de ogen (en de geest) van verschillende vooraanstaande natuurvorsers voor het beschouwen van het verschijnsel van de zwaartekracht. Maar dus ook voor het verschijnsel van de levitatie bestaan verschillende wetenschappelijk verklaringen, meer bepaald waar die het gevolg is van de werking van zekere winden, van magnetisme of van geluid (de zogenaamde ultrasone of akoestische levitatie waarmee monniken in Tibet zware stenen zouden verplaatsen) maar in het geval van heiligen zou de bevrijding van de zwaartekracht het gevolg zijn van een mystieke extase. Nu wijst onze auteur op de volgens zijn onderzoek meer dan tweehonderd geregistreerde gevallen van levitatie onder (meestal) heiligen van de katholieke kerk en onder hen bevindt zich Thomas van Aquino.
Zoals enkele afbeeldingen van de geleerde van inmiddels duizend jaar geleden tonen, was Thomas nogal corpulent, wat aanleiding zou hebben gegeven tot enige hilariteit bij het ter sprake komen van de genoemde bijwerkingen van de mystieke vervoering tijdens zijn gebed. Sinds de opkomst van fotografie en film is het aantal meldingen van levitatie enigszins geslonken, wat inzake het verschijnsel lijkt te wijzen op een soort lensschuwheid maar toch blijft er een niet weg te werken residu van ernst bestaan hetwelke wordt gevoed, enerzijds door steeds vaker opduikende verklaringen binnen de wetenschappen zelf maar anderzijds ook door het bewaren van een vrome stilte in religieuze middens waarop deze 'bovennatuurlijke' zaken betrekking hebben. Het is de rol van vorsers om het onzichtbare aan het licht te brengen teneinde het ook te kunnen verklaren en op die manier werden in het verleden boze geesten vervangen door microscopisch waarneembare bacteriën, virussen of vergiften en werden aan goden en demonen toegeschreven verschijnselen verklaard met wiskundige formules. Maar toch: er is een onverklaarbare hardnekkigheid in het geloof dat miljarden mensen, onder wie vele vorsers en geleerden, ervan weerhoudt om het onverklaarbare dat nu en dan verschijnt in een wereld waarin het niet thuis lijkt te horen, zomaar af te wijzen omdat er een schijn van heiligheid mee gemoeid is.
Om te beginnen is er het mysterie dat de tand des tijds helemaal geen vat blijkt te hebben op 'heilige gebeurtenissen' zoals bij uitstek het jaarlijkse kerstfeest wereldwijd, dat zich aldus in de dimensie van de onsterfelijkheid lijkt te situeren. Wetenschappelijke bevindingen smelten weg als sneeuw in de zon bij de aanblik van de kerststal waarvan niemand nog betwijfelt dat die een product is van de kinderlijke fantasie. Edoch, wetenschappelijke criteria blijken gewoon niet van toepassing op deze zaken, zoals men ook niet kan beoordelen of het goede en het schone, waar zijn. Waarom ook zou men de vliegkunst van de grote kerkvader Sint Thomas van Aquino, auteur van het Thomisme, fundament voor de katholieke theologie, in twijfel trekken als het nog veel groter mysterie van de verrijzenis de kern uitmaakt van het christelijke geloof?
De beschreven getuigenissen van de eerste opstanding kunnen weliswaar worden afgedaan als historische vervalsingen of als inbeeldingen maar waaraan niet getornd kan worden is aan de hoop dat de verrijzenis alsnog een realiteit zal blijken en die hoop is gegrondvest in de liefde die geen mens kan loochenen en die de mythische Orpheus ertoe aanzette om af te dalen in de diepste krochten van de hel.
Nu Trump aan de macht is, de clown die zich verkleedt in de paus van Rome en die de mond vol heeft over 'God' terwijl hij alles behalve de parabel van de rijke jongeling genegen blijkt, lustig om zich heen bombardeert en tegelijk hengelt naar de Nobelprijs voor de Vrede, is een woordje over sympathie voor schurken geen luxe-aangelegenheid.
Sympathie voor schurken is een gedrag dat van alle tijden is en dat de menselijke nood aan confirmatie en aan consolidatie etaleert, meer bepaald de nood om de zogenaamde cognitieve dissonantie op te heffen.
Cognitieve dissonantie is een begrip uit 1957 van de socio-psycholoog Leon Festinger en het beduidt de onlust veroorzaakt door psychosociale onverenigbaarheden. Men tracht die op te heffen middels pogingen om de genoemde onlust weg te werken en dus om een zekere consonantie ter zake te herstellen teneinde de consistentie binnen de persoonlijkheid terug te winnen.
Dit kan op verschillende manieren gebeuren, en zo bijvoorbeeld betekent dat voor een katholiek gelovige dat hij ophoudt met zondigen: de zonde immers schept een kloof tussen, enerzijds, wat hij doet en, anderzijds, wat hij (volgens zijn religie) zou moeten doen - de bekende kloof tussen Sein en Sollen. Maar deze gelovige kan de genoemde kloof ook op een heel andere manier dicht maken.
De 'zondaar' kan de genoemde dissonantie namelijk ook wegwerken door zijn religie te verwerpen. Hij kan dan bijvoorbeeld de veeleisende Christusfiguur vervangen door Lucifer die immers in het zondigen helemaal geen graten ziet. En het is voor een deel ook in die zin dat men het sympathiseren met zogenaamde schurken moet verstaan.
De tendens om met schurken te gaan sympathiseren neemt toe onder invloed van uiteenlopende factoren. Om het gemakshalve bij het gegeven voorbeeld te houden, is het duidelijk dat de druk die de heersende moraal uitoefent op het volk, van grote betekenis zal zijn: de neiging om te 'zondigen' (tegen de regels van de heersende moraal) wordt door die moraal ingeperkt, of beter nog: zij wordt ingeperkt door de middelen die door de heersende moraal worden aangewend om het gedrag te reguleren.
Zo zullen mensen minder geneigd zijn om te stelen wanneer bij diefstal het afhakken van een hand als strafmaat geldt. Waar daarentegen straffeloosheid van de partij is, zal men zich niet langer aan de morele voorschriften storen en zal men de moraal verwerpen of verwisselen voor een moraal waarin dieven optreden als de nieuwe helden. Bij uitstek gebeurt dit dan waar dieven aan de macht zijn en waar derhalve niet slechts straffeloosheid geldt maar waar bovendien beloningen worden uitgeloofd aan wie het voorbeeld in kwestie genegen zijn.
Het probleem is niet min omdat het hele zaakje draait om de vraag of de criteria welke gehandhaafd worden teneinde goed en kwaad te onderscheiden, gerechtvaardigd zijn. Met andere woorden duikt hier de vraag op welke moraal dan wel de goede moraal is. En het is evident dat we hier te maken krijgen met een slang die in haar eigen staart bijt; men moet immers eerst beschikken over een moraal vooraleer men zich kan uitspreken over het al dan niet deugen van een zaak, in casu een bepaalde moraal.
Een objectief of wetenschappelijk fundament voor een moraal is niet te vinden, hoezeer men ook zoekt: het zal steeds willekeurig zijn omdat de vraag of het goede waar of onwaar kan zijn, absurd is, evenals de vraag of het schone waar of onwaar is. In een maatschappelijke context zal een fundament voor een moraal veelal worden gekozen of gefabrikeerd en aangewend door de sterkste, in functie van het consolideren van diens machtspositie.
Zo bijvoorbeeld wordt het katholicisme al gedurende twee millennia benut door potentaten om het volk eronder te houden, zoals door Friedrich Nietzsche werd verklaard. Het christendom als slavenmoraal is in overeenstemming met de wensen van de heersers en schenkt aan de slaven een zekere gemoedsrust of een consonantie van het innerlijk, die echter verdwijnt en verandert in onvrede van zodra de betrokken 'gelovigen' zich tegen die opgedrongen religie gaan verzetten.
Het adjectief 'opgedrongen' volgt nota bene helemaal niet uit gevoelens van vijandigheid jegens de moraal in kwestie maar uit de vaststelling dat mensen als katholiek worden beschouwd van zodra zij het zogenaamde doopsel hebben ontvangen, wat gebeurt op een ogenblik dat zij pas enkele dagen oud zijn en derhalve in het volstrekte onvermogen verkeren om zich tegen de inlijving door deze religie te verzetten. Dat verzet kan later komen, na de bewustwording van wat men werd aangedaan, en sympathie met zogenaamde 'ketters' zal dan uiteraard worden aanzien als vanzelfsprekend.
Volledigheidshalve: aldus werd het christendom als zodanig, dat een niet altijd even duidelijke verzameling is van uitspraken gedaan door een bepaalde persoon, helemaal niet veroordeeld noch goedgepraat, echter wel de aanwending ervan door machtswellustelingen. En het is geen sinecure om in dat wespennest enige klaarheid te scheppen.
(J.B., 20 december 2025)
Orpheus en Eurydicè (volledig, PDF)-
Orpheus en Eurydicè (volledig, PDF)-
19-12-2025
A.W.W.
A.W.W.
18-12-2025
Over wat verborgen is (2)
Over wat verborgen is (2)
De betekenis van wereldbeelden verandert in de mate dat de wereld verandert, ook als aan die wereldbeelden zelf helemaal niets gewijzigd wordt. Dit is zo omdat een wereldbeeld betrekking heeft op de wereld en het geldt des te meer naarmate die betrekking authentieker is. Zo is een wereldbeeld volgens welk de zon rond de aarde draait, waar totdat wordt aangetoond dat de aarde rond de zon draait. Maar andersom is het ook denkbaar dat een wereldbeeld geheel onwaarachtig lijkt tot op het ogenblik dat de wereld zelf zodanig kentert dat het wereldbeeld in kwestie waar wordt: objectief gezien is het altijd waar geweest, zoals ook het geocentrisme altijd fout was, alleen blijkt dit pas nadat de wereld in het daartoe vereiste stadium is beland.
Men zegt dan dat de waarheid 'uitkomt' en dat gezegde geeft gehoor aan een ander gezegde, namelijk: “Al is de leugen nog zo snel, de waarheid achterhaalt haar wel.” In dat gezegde kan de leugen verwijzen naar de veroordeling van een wereldbeeld dat mettertijd alsnog waar zal blijken. En 'mettertijd' betekent dan: nadat de wereld een zekere verandering heeft ondergaan, bijvoorbeeld door een ontdekking of ingevolge een andere gebeurtenis.
Het precair karakter van wereldbeelden komt echter pas aan het licht in ogenblikken van grote ontdekkingen of van ingrijpende gebeurtenissen. Zolang ontdekkingen uitblijven en er verder niets gebeurt, zijn wereldbeelden stabiel, ze lijken waar en betrouwbaar. Een wereldbeeld dat onvergankelijk lijkt, wijst dan ook vooreerst op het uitblijven van ingrijpende gebeurtenissen en vooral dan op een stilstand inzake inzicht en begrip.
Dat impliceert echter niet dat waar inzichten zich wijzigen, de wereldbeelden die daarmee in strijd blijken, ook meteen vergaan. Ze kunnen een hardnekkigheid vertonen die doet denken aan de wet van de traagheid, omdat zij vast geworteld zitten in het leven. Anderzijds is het tevens niet ondenkbaar dat inzichten louter vermeende inzichten zijn, die achteraf alsnog onjuist blijken want niets of niemand garandeert dat verandering per definitie gelijk is aan verbetering of vooruitgang. Want het is niet zo dat alles spontaan evolueert naar steeds meer waarheid, ook al lijkt die illusie sterk gevoed te worden door het zich opstapelen van technische verworvenheden - die zijn vaak louter en alleen te wijten aan de voortgang van de tijd die als zodanig de opstapeling van ongeacht wat meebrengt. Een garantie dat verandering meer waarheid brengt, is er evenmin als een garantie dat het verloop van tijd (dat spontaan verandering meebrengt) zou volstaan voor een toename van schoonheid of van goedheid en voor de hand ligt het voorbeeld van de eeuwig groeiende afvalberg alsook dat van een steeds meedogenlozer wereldgebeuren.
Het is ook mogelijk dat de hardnekkigheid van wereldbeelden niets te maken heeft met de hoger genoemde 'traagheid' maar wel met een verborgen zekerheid. Die zekerheid manifesteert zich niet in wetenschappelijke bewijzen maar blijkt uit een vorm van trouw welke men ook terugvindt onder mensen die om elkander geven. Ook wanneer buitenstaanders geliefden attent maken op de onzekerheden die zij aangaan door blindelings aan elkaar trouw te zweren, laten die zich niet van de wijs brengen door de weliswaar goedbedoelde waarschuwingen, ook al hebben die hun waarde al menigmaal bewezen. Mensen eigenen zich het recht toe om te handelen wars van zekere bewezen waarheden, waarschijnlijkheden en zekerheden en dat recht komt in feite neer op het recht op vrijheid.
Zonder vrijheid is er slechts het 'kristallen paleis' van Dostojewski of een totalitair systeem in eender welke vorm. De mens is daarin dan herleid tot een loutere uitvoerder van programma's, voorgeschreven door wie aldus over hem heersen: degenen die hem zijn menselijkheid, zijn leven en zijn toekomst trachten te ontfutselen en die een voorganger hebben in Herodes.
Dat de zekerheden waarvan sprake verborgen blijven, heeft het nadeel dat ze zich niet meteen bewijzen aan de wereld maar tegelijk het voordeel dat zij niet zo makkelijk geaccapareerd kunnen worden. De takken van een grote palmboom sluiten zich er omheen zolang zij weerloos zijn en totdat zij zich vanuit de kracht van de waarheid zelf kunnen meten met de openbaarheid. Wat aldus tot leven komt, wordt gewis alsnog veroordeeld door een wereld die alleen oren heeft naar klinkende munten, bewijzen en programma's en het moet zich daarom blijvend verhullen in een geheim dat aan elk werelds oog ontsnapt.
(J.B., 18 december 2025)
17-12-2025
Over wat verborgen is
Over wat verborgen is
Opscheppen lijkt onschuldig maar dat is het misschien wel allerminst en daarom moet daar worden bij stilgestaan nu de feesten naderen want op feesten zijn opscheppers van de partij. Het scheppen laten zij aan anderen over maar opscheppen kunnen zij dus wel en zo bijvoorbeeld scheppen zij op over de geplande gigantische balzalen waarin de festiviteiten van de toekomst hun bestemming zullen krijgen. Samen met collega-opscheppers zullen zij in die zalen hun gigantische successen vieren van het afgelopen jaar. Niemand immers op de hele wereld zal kunnen zeggen dat zijn balzaal groter is, niemand kan aanspraak maken op een gelijkaardig recht op de Nobelprijs voor de Vrede en niemand op aarde kan zeggen zoveel zorg te dragen voor mens en milieu of zoveel respect op te brengen voor de soevereiniteit van andere naties, niemand in de ganse geschiedenis heeft zoveel durf vertoond om met de vier alom en ook door alle kinderen gekende initialen op het voorhoofd aan iedereen kenbaar te maken dat hij de grootste narcist aller tijden is. En als hij voorwaar de allermachtigste man op aarde is, zal zijn voorbeeld uiteraard aanstekelijk werken - ook en vooral voor kinderen - en krijgen wij binnen de kortste keren een Unwertung aller Werte, zoals ze dat een dikke eeuw geleden Nietzsche nazegden en zoals het nu herhaald wordt: een omkering van alle waarden, precies zoals voorspeld in George Orwell zijn 1984: oorlog is vrede, vrede is oorlog. Weg met het christendom en een warm welkom aan de nieuwe 'herenmoraal', de moraal van het recht van de sterkste!
Want het is uiteraard de sterkste die opschept en meer bepaald schept hij op over het feit dat hij sterker is dan wie zwakker zijn. Want al wie opscheppen moeten, krachtens wat zij doen, ook eer betuigen aan alle opscheppers die hen in die kunde overtreffen, totdat zij van de piramide van de pikorde de absolute top bereiken, de top van wie zij het schitterende voorbeeld volgen, dat zij nooit zullen evenaren en waaraan zij derhalve alle eerbetoon en dank verschuldigd zijn: de dood die eeuwig op ons aller graven danst.
(J.B., 17 december 2025)
16-12-2025
Estafette
Estafette
“Nihil nove sub sole”: het lijkt een onschuldige uitdrukking maar de vraag luidt of zij wel waarheid in zich bergt want zij verklankt een statische geschiedenisopvatting, zij staat voor de overtuiging dat er wezenlijk niets verandert zodat de waarheden zoals aangereikt in het boek Genesis, in de Veda's of in de Helleense mythen, niet kunnen inboeten aan geldigheid. Het starre vasthouden aan de wetten van de Thora, de lessen in het Nieuwe Testament, de verzen van de Koran, de Sanātana Dharma uit de Bhāgavata-Purāṇa of de voorschriften uit de Avesta, laat eigenlijk geen wezenlijke ontwikkeling toe inzake het beeld dat men van de wereld heeft.
De statische opvatting van de geschiedenis kan wel cyclisch zijn maar ook in dat geval gelooft men dat de dingen zich weliswaar kunnen ontwikkelen doch zij veranderen niet wezenlijk, zij keren telkenmale naar hun oorsprong terug. Soms vergelijkt men het verloop van de geschiedenis met de beweging van een slinger en in die opvatting pendelt men van het ene uiterste naar het andere terwijl men aan het rustpunt voorbij zoemt met een maximale snelheid zonder de mogelijkheid om halt te houden. Zelfs het teleologisch geschiedenisconcept is star: het ziet een zin of een einddoel in de loop van de gebeurtenissen en wekt daardoor een streven dat tot handelen aanzet maar het einddoel zelf ligt van bij het begin verankerd, het wordt voorspeld, men leeft er naartoe, men stemt zijn hele wezen er op af. En de naar vrijheid strevende mens vraagt zich af of een ontsnapping uit die kerker mogelijk is en hij komt tot het besluit dat hij het weliswaar niet weet maar dat hij hoe dan ook ontsnappen wil.
En dat is uiteraard pas mogelijk waar men gelooft de geschiedenis zelf te kunnen maken. Dat is geen sinecure en een opzet waar durf voor nodig is, zelfvertrouwen, moed en vooral zin voor verantwoordelijkheid want zodoende torst de mens op zijn schouders die gigantische last die anders door het noodlot wordt gedragen. Het is een revolte waarin de mens de goden uitdaagt maar onvermijdelijk zadelt hij aldus zichzelf op met het lot van Sysiphus, terwijl hij ook doet denken aan Atlas, die leefde in Atlantis en die vanwege een straf de wereld torsen moet.
De vertogen over de teleurgang van de oude waarden klinken goed in de oren van wie in donkere tijden op zoek zijn naar een reddingsboei maar zij houden een gevaar in dat niet altijd even zichtbaar is. De overtuiging dat alles altijd hetzelfde blijft en de moraal dat alles ook moet blijven zoals het is, impliceren in het licht van de wetenschappelijke opvattingen over het ontstaan van de mens immers ook de onmogelijkheid om ooit aan onze dierlijke oorsprong te ontkomen. Ze zetten een rem op het wetenschappelijk onderzoek dat immers vooreerst vrijheid vereist alsook de bereidheid tot het verlies van oude, vermeende zekerheden en het aangaan van een verbintenis met een partner die geen enkele garantie biedt, althans niet in de vorm van ruggensteun, omdat wij die partner zelf zijn. Want in de verwerping van de oude 'zekerheden' werpt de mens zich op zichzelf terug, hij wordt zich ervan bewust dat hij op fictie leunde en krijgt nu een koude douche maar tegelijk bestaat er geen alternatief voor wie weg willen uit de kerker van al die schijnzekerheden, dan in de keuze voor het volle licht dat buiten schijnt, achter de dikke en veilige maar ook alles verduisterende muren.
De Verlichting is een onderneming waaraan risico's inherent zijn maar buiten die keuze slinkt in feite alle hoop om ooit te komen tot een bevrijding die alleen kennis bieden kan omdat kennis de wil is om de werkelijkheid recht in de ogen te kijken. De risico's van die onderneming zijn niet min maar of zij ons zullen verlammen, is een kwestie die alleen wijzelf te beslechten hebben. Waar zij zich manifesteren, wordt de verleiding groot om terug te krabbelen naar oude wereldbeelden waar men zich braaf neerlegt bij wat 'de geschriften' ons dicteren maar het is zonde voor die verleiding te bezwijken in een tijd die alle middelen biedt om in te kunnen zien dat ook de auteurs van al die heilige boeken mensen waren die, indien zij daartoe nog in staat waren, ons het verwijt naar het hoofd zouden slingeren dat wij aldus uit pure gemakzucht, ja, uit lafheid, de lasten van het leven op hun schouders lieten liggen. Inderdaad, zij moeten worden afgelost.
(J.B., 16 december 2025)
“Het geestelijk lijden van onzen tijd” (Herhaling van een tekst d.d. 8 en 9 januari 2021, opgenomen in “Panopticum Corona”)
“Het geestelijk lijden van onzen tijd”
(Herhaling van een tekst d.d. 8 en 9 januari 2021, opgenomen in “Panopticum Corona”1)
1. Huizinga
“Wij leven in een bezeten wereld. En wij weten het. Het zou voor niemand onverwacht komen, als de waanzin eensklaps uitbrak in een razernij, waaruit deze arme Europeesche menschheid achterbleef in verstomping en verdwazing, de motoren nog draaiende en de vlaggen nog wapperende, maar de geest geweken."2Dit is de openingszin uit een in 1935 verschenen boek van de Nederlandse historicus Johan Huizinga, getiteld: In de schaduwen van morgen. Een diagnose van het geestelijk lijden van onzen tijd. Wat verderop lezen wij: "De feiten overstelpen ons. Wij zien voor oogen, hoe bijna alle dingen, die eenmaal vast en heilig schenen, wankel zijn geworden: waarheid en menschelijkheid, rede en recht. Wij zien staatsvormen, die niet meer functioneeren, productiestelsels, die op bezwijken staan. Wij zien maatschappelijke krachten, die in het dolzinnige doorwerken. De dreunende machine van dezen geweldigen tijd schijnt op het punt om vast te loopen."3
Er zijn wel degelijk gelijkenissen tussen de crisis van de jaren dertig van de voorgaande eeuw en de huidige tijd. Het boek van Huizinga situeert zich middenin dezelfde crisis die ook Spengler tot cultuurpessimisme dreef en zij delen het wantrouwen in het vooruitgangsgeloof terwijl Huizinga elk optimisme aan onwetendheid wijdt: "Thans is het besef van midden in een hevige en met ondergang dreigende cultuurcrisis te leven tot in breede lagen doorgedrongen. Spengler’s Untergang des Abendlandes is voor talloozen in de geheele wereld het alarmsein geweest. Dit beteekent niet, dat al de lezers van het beroemde boek zich tot de daar geboden inzichten hebben bekeerd. Maar het heeft hen vertrouwd gemaakt met de gedachte aan mogelijkheid van daling der huidige cultuur, waar zij te voren nog bevangen waren in een onberedeneerd vooruitgangsgeloof. Een ongeschokt cultuuroptimisme is voorloopig enkel meer weggelegd voor hen, die of door gebrek aan inzicht niet kunnen beseffen, wat er aan de cultuur ontbreekt, dus zelf door het vervalsproces zijn aangetast, of voor hen, die in hun maatschappelijke of politieke heilsleer de komende beschaving reeds in den zak meenen te hebben, om haar aanstonds over de misdeelde menschheid uit te schudden."4
Het gaat Huizinga niet alleen om de economische crisis van die tijd want die is een teken van een cultuurcrisis: "Al is er geen terug, het verleden kan toch leering behelzen, ons ter oriënteering dienen. Zijn er historische gevallen aan te wijzen, waarin de beschaving van een volk, een rijk, een werelddeel, door even zware weeën ging als onze tijd?"5
De economische crisis van de jaren dertig was tevens een cultuurcrisis en hij is uitgemond in de tweede wereldoorlog. Het gaat om kenteringen die ook nu weer op til zijn en die zich in alle sectoren laten voelen. Huizinga bekijkt de geschiedenis. Ook vroeger hebben schokkende gebeurtenissen plaatsgehad, zo stelt hij, maar de huidige zijn van een heel andere orde: "Zie eerst naar 1500. De veranderingen zijn geweldig: de aarde ontdekt, de wereldbouw ontraadseld, de Kerk gespleten, de drukpers in werking om het woord in oneindig gestegen veelvuldigheid voort te telen, de middelen tot den krijg versterkt, credietwezen en geldverkeer uitbundig groeiende, het Grieksch hervonden, de oude bouwkunst versmaad, de kunst ontplooid in titanische kracht. Zie vervolgens naar 1789—'1815. Opnieuw klinkt ’s werelds gebeuren met het geluid van den donder. (...) In beide tijdperken schijnt op den eersten blik de seismograaf der historie even heftig bewogen als thans. (...) Peilt men echter dieper, dan blijkt toch spoedig, dat zoowel in het tijdperk van renaissance en hervorming als in dat van revolutie en Napoleon de grondslagen der samenleving minder zijn geschokt dan thans het geval is. En vooral: in de beide oudere kritieke tijdperken blijven hoop en idealen de algemeene cultuurstemming sterker domineeren dan thans het geval schijnt. (...) De grondslagen der samenleving, zeiden wij, omstreeks 1500 en omstreeks 1800, minder geschokt dan thans."6
Huizinga verwijst dan naar het opkomende atheïsme, naar de Eerste Wereldoorlog, naar de klassenstrijd, naar de beurscrash en naar de totale instorting van de economie en deze ontwrichting treft ook de kunst en het geestesleven: stevenen wij net zoals de Romeinen af op de barbarij?7 Huizinga: "Wij weten het ten stelligste: willen wij cultuur behouden, dan moeten wij voortgaan met cultuur te scheppen."8
Cultuur heeft te maken met een evenwicht tussen geestelijke en stoffelijke goederen maar is vooreerst een zaak van ethiek, zo zegt Huizinga. Vervolgens richt cultuur zich op een gemeenschappelijk ideaal of heil. Maar vooral is cultuur het beheersen van natuur9: "[De mens] heeft zich een stuk natuur dienstbaar gemaakt. Hij beheerscht de natuur, de vijandige en de schenkende. Hij heeft gereedschap verworven, hij is homo faber geworden. Hij gebruikt die krachten tot verwerven, van een levensbehoefte, tot vervaardigen, van een werktuig, tot beschutten, van zich en de zijnen, tot vernietigen, van jachtdier, roofdier of vijand. Voortaan verandert hij den loop van het natuurleven, want al de gevolgen, met zijn werktuig teweeggebracht, zouden zonder die macht niet zijn ingetreden."10 Toch kan men bij dieren niet spreken over cultuur, want er is nog iets nodig en dat is het vrije plichtsbesef en de dienstbaarheid. Immers, "de ontworteling van het dienstbegrip in den volksgeest is de meest verwoestende actie van het oppervlakkig rationalisme der achttiende eeuw geweest."11"Dan volgt nu de vraag: zijn in het tijdperk dat wij beleven de grondvoorwaarden van cultuur vervuld?"12
Huizinga stelt vast dat er wel beheersing is van de stoffelijke natuur maar niet van de menselijke. Bovendien ontbreekt ook het gemeenschappelijke streven: elkeen streeft slechts het eigen heil na. Alleen welstand, macht en veiligheid worden gemeenschappelijk nagestreefd: "(...) voortvloeiend uit het natuurinstinct, onveredeld door den geest.Reeds de holbewoner kende deze idealen."13 Er is een overproductie van zaken die eigenlijk niemand wenst te hebben, die overbodig zijn, en dit terwijl er nood is en werkloosheid; kunst wordt commercieel en ook het gezinsleven is ontwricht.14 De cultuur is met andere woorden inderdaad in verval.15
2. Vooruitgang?
Vervolgens bezint Huizinga zich over het problematische van de vooruitgang en laten wij hem hier zelf aan het woord [de boektekst werd hier sterk ingekort]: "Vooruitgang immers duidt op zichzelf enkel een richting aan, en laat in het midden, of aan het eindpunt van dien gang heil of verderf staat. Wij vergeten doorgaans, dat enkel het oppervlakkig optimisme onzer vaderen uit de achttiende en negentiende eeuw aan dat louter geometrische begrip ‘vooruit' de verzekering van het bigger and better heeft verbonden. De verwachting, dat elke nieuwe vinding of perfectie van de gegeven middelen de belofte moet inhouden van hooger waarde of meer geluk, is een uiterst naïef denkbeeld, erfstuk uit die bekoorlijke eeuw van intellectueel, moreel en sentimenteel optimisme, de achttiende. Het is volstrekt niet paradoxaal, te beweren, dat een cultuur aan een zeer wezenlijken en onbetwijf elbaren vooruitgang zeer wel te gronde kan gaan. Vooruitgang is een hachelijk ding en een dubbelzinnig begrip. Het kan immers zijn, dat er ietwat verder op het pad een brug is ingestort of een aardspleet ontstaan."16 Vooruitgang is er ontegenzeggelijk wel in de wetenschappen17 maar het is helemaal niet evident dat dit ook maatschappelijke vooruitgang en een steeds groter geluk zou betekenen. Is de wereld wijzer geworden? "Wij weten beter. Dwaasheid in al haar gedaanten, de beuzelachtige en belachelijke, de booze en verderfelijke, heeft nooit zulke orgieen over de wereld gevierd als heden ten dage."18"In een maatschappij met algemeen volksonderwijs, algemeene en onmiddellijke publiciteit van het dagelijksch gebeuren, en ver doorgevoerde arbeidsverdeeling, geraakt de gemiddelde mensch minder en minder aangewezen op eigen denken en eigen uitdrukking."19"De moderne organisatie van kennisverspreiding leidt maar al te zeer tot verlies van de heilzame uitwerking van zoodanige geestelijke beperkingen. (...) Enkel een drift tot eigen cultuur, op welk gebied ook en met welke voorkennis of middelen nagejaagd, kan hem boven dit niveau verheffen."20"De opdringing en weerlooze aanvaarding van kennis en oordeel beperkt zich niet tot het intellectueele gebied in engeren zin. (...) Daarbij komt nog een ander bedenkelijk en onontkoombaar feit. In oudere en engere gemeenschapsvormen schept en bedrijft het volk zelf zijn vermaak: in zang, dans, spel en athletiek. Men zingt, danst, speelt samen. In de moderne cultuur heeft zich dit alles voor het overgroote deel verschoven tot een: men laat voor zich zingen, dansen, spelen. (...) het passieve element neemt voortdurend toe in vergelijking met het actieve. Zelfs ten opzichte van de sport, dien machtigen modernen cultuurfactor, is het steeds meer geworden de massa, die voor zich laat spelen. (...) In dit alles ligt een zekere ontzieling en verzwakking van cultuur. Dit geldt van de filmkunst in het bijzonder (...) De kunst van het toeschouwen wordt omgeschakeld tot een vaardigheid in snel waarnemen en begrijpen van voortdurend wisselende visueele beelden. De jeugd heeft dien cinematischen blik verworven in een graad, die den oudere verbaast. Met dat al beteekent deze veranderde geestelijke ‘Einstellung’ een buiten werking treden van heele reeksen van intellectueele functies. (...) wat tot verzwakking van het oordeelsvermogen moet bijdragen. (...) De inkeer en de wijding ontbreken. Inkeer nu tot het diepste in hem zelf en wijding van het oogenblik zijn dingen, die de mensch om cultuur te bezitten volstrekt noodig heeft. De gereede visueele suggestibiliteit is het punt, waarop de reclame den modernen mensch aangrijpt en hem in zijn zwak van verminderde oordeelskracht tast. (...) 'Nog moeilijker te omschrijven is de werking der politieke reclame. (...) Zeker is, dat de reclame, in al haar vormen, speculeert op een verzwakt oordeel, en door haar buitensporige uitbreiding en nadrukkelijkheid de verzwakking zelf in de hand werkt. Onze tijd staat derhalve voor het benauwende feit, dat twee groote cultuurwinsten, waarop men bij uitstek prat ging: het algemeen onderwijs en de moderne publiciteit, in plaats van regelrecht tot verhooging van het peil der cultuur te leiden, integendeel in hun doorwerking zekere verschijnselen van ontaarding en verzwakking met zich brengen. (...) Onderwijs maakt onder-wijs. Het is een afschuwelijke woordspeling, maar zij bevat helaas diepen zin. Zal de samenleving aan dit proces van geestelijke vervlakking hopeloos overgeleverd blijven? Zal het nog steeds verder gaan? Of komt er een punt, waar bij volledige doorwerking het euvel zichzelf opheft? (...)"2122
1Jan Bauwens, Panopticum Corona, Serskamp 2021, pp. 912-917. Deze tekst is integraal beschikbaar op Tisallemaiet.
(herhaling van een tekst d.d. 4 tot 7 januari 2021, opgenomen in “Panopticum Corona”2)
1. Recessie
Als tot voor kort een derde van het voedsel weggegooid werd en als dit nu ingevolge de coronacrisis niet langer het geval is, dan gaat ook de verkoop van het voedsel met een derde achteruit. Maar als de verkoop achteruit gaat, is er overproductie en moet de productie worden teruggeschroefd - met een derde - waardoor ook een derde van de jobs welke te maken hebben met de voedselproductie, het transport, de verdeling, de controle en zo meer gedoemd zijn om te sneuvelen. Een derde van de werknemers die in de voedselketen aan de slag zijn, worden werkloos. Het inkomen van wie werkloos worden, krimpt fors met het gevolg dat werklozen minder kunnen consumeren: minder voedsel maar vanzelfsprekend ook minder andere zaken. Opnieuw volgt daaruit een overproductie: er moet minder geproduceerd worden waardoor weer meer mensen werkloos worden: ziedaar de vicieuze cirkel die binnen de kortste keren de hele economie tot stilstand kan brengen.
In zijn Geschiedenis van de waanzin beschrijft Michel Foucault hoe in de voorgaande eeuwen na het wegebben van de lepra in Europa de opvangtehuizen voor de zieken een nieuwe bestemming kregen toegewezen: bij de opkomst van de industriële revolutie had de massaproductie ook en vooral massa's werklozen gemaakt en die werden dan als landlopers gebrandmerkt, opgepakt en in die (in West-Europa meer dan driehonderd) tehuizen opgesloten. Ze werden vervolgens verplicht om te werken voor kost en inwoon, wat neerkomt op onbetaalde dwangarbeid, en hun producten waren uiteraard goedkoper dan dezelfde waren die door betaalde arbeiders in fabrieken werden voortgebracht, waardoor die fabrieken niet langer konden concurreren met de gestichten en failliet gingen zodat opnieuw meer mensen werkloos werden, die dan weer als landlopers opgesloten werden in tehuizen waar zijn onbezoldigd dwangarbeid verrichtten en die vicieuze cirkel ondermijnde op den duur de hele economie. In het huidige tijdperk gebeurt iets gelijkaardigs: vierde wereldburgers worden tegen belachelijke lonen aan het werk gezet, de legale arbeid kan die concurrentie niet meer aan en faillissementen van legale bedrijven zijn het gevolg. De arbeidsmarkt verglijdt naar de onderwereld en politici hebben nergens nog vat op.
Bijna negentig jaar geleden gebeurde iets dergelijks ten tijde van de grote beurscrash in Wall Street, New York. In oktober 1929 kelderden de beurzen en op 29 oktober van dat jaar zakte binnen een periode van amper een paar uur, de waarde van het geld met zo maar eventjes veertig percent. Foto's uit die tijd laten beelden zien van werklozen die in lange rijen aanschuiven om een krant te kopen voor de personeelsadvertenties. Door de werkloosheid devalueerde de munt nog meer, de overproductie zorgde voor een prijzenval, er werd verkocht met verlies en het ene bedrijf na het andere ging failliet, de schuldenlast steeg overal en vooral in de VS was het volk ingevolge de gebrekkige sociale voorzieningen aangewezen op weldadigheid waardoor de godsdienst ging floreren en daardoor ook de irrationaliteit als zodanig. Overal tastte de recessie niet alleen de stoffelijke welvaart aan maar zij hypothekeerde ook de redelijkheid en de vrijheid van het denken.
In die context werden noodverordeningen ingevoerd die net zoals vandaag in feite een grondwettelijke basis misten, waardoor grote ontevredenheid ontstond. In Duitsland speelde die ontevredenheid in de kaart van het irrationele nazisme: in 1933 kwam Hitler aan de macht en de nazi's slaagden erin om het volk met theorieën vol van leugens en verzinsels om de tuin te leiden. Een heuse rassenleer kreeg voet aan wal en demonische plannen werden gesmeed voor het kweken van een supervolk, voor de massale sterilisatie van ongewenste burgers en vervolgens ook voor de schaamteloze uitroeiing op industriële wijze van vermeende 'parasieten' en, niet te vergeten: zondebokken. Want naar het vatten van de vermeende schuldigen voor de economische malaise trachtte de massa om haar woedde daarop te kunnen koelen. Willekeur heerste en er werd terreur gezaaid om het volk in het gareel te houden.
Achteraf heeft men zich erover verbaasd hoe het dan mogelijk was dat een zo bekrompen geest als Adolf Hitler aan de macht kon komen maar hetzelfde gebeurde bijna een eeuw later in de VS opnieuw met Donald Trump: irrationele nationalistische gevoelens verwant aan grootheidswaan gecombineerd met het afschuiven van de schuld op zondebokken ofwel wraakzucht, brengen het ondenkbare op de planken. En uiteraard is er dan geen uitweg meer: dat alles mondt uiteindelijk uit in oorlog. 3
Intermezzo: De waarheid over vaccins als heiligschennis en de medische plicht tot wereldwijd bedrog
De eed van Hippocrates bestaat niet meer. Die eed die elke arts moet afleggen, houdt de belofte in nooit iemand kwaad te zullen doen.4 Maar een heel andere eed blijkt vandaag te worden gezworen: de eed op de medische plicht tot wereldwijd bedrog.
Op haar webstek vraagt de advocate meester Carine Knapen die zich in de context van de rechtsstaat inzet voor de waarheid inzake het coronagebeuren zich af of het stijgende aantal coronagevallen in het UK en ook elders iets te maken kan hebben met de vaccinatiecampagne aldaar, aangezien het tijdstip van de aanvang van de beide gebeurtenissen hetzelfde is.5
En kijk: het National Center for Biotechnology Information in Rockville Pike, USA, laat weten via een dringende publicatie dat in een studie over het Covid-19-vaccin werd ontdekt hoe de huidige vaccins mensen ziek maken.
Maar als kers op de taart wordt vervolgens de zaak 'getemperd' met het commentaar dat het betrokken mechanisme te ingewikkeld is om de argwaan van het publiek te kunnen wekken. Het ziek-maken gebeurt “via antilichaamafhankelijke versterking”, zo luidt het en dat staat er: “Dit risico wordt voldoende verdoezeld in protocollen voor klinische onderzoeken en toestemmingsformulieren voor lopende covid-19-vaccinonderzoeken dat het onwaarschijnlijk is dat de patiënt dit risico voldoende begrijpt, waardoor werkelijk geïnformeerde toestemming van proefpersonen in deze onderzoeken wordt vermeden.” (sic!) Dat deze risico's niet werden medegedeeld aan proefpersonen en nu evenmin worden medegedeeld aan patiënten die zich laten vaccineren, druist uiteraard in tegen alle medische en ethische regels.6
Mocht Hippocrates dit weten, hij draaide zich om in zijn graf.7
2. Cultuurcrisis
De uitvindingen in de achttiende eeuw die geleid hebben tot de mechanisering van de arbeid en de massaproductie en die aldus de zogenaamde Industriële Revolutie op gang brachten, hebben de mens meer armslag gegeven en hebben hem bevrijd van een aantal beperkingen maar die ontwikkeling heeft ook een keerzijde gehad. Machines zijn dankbare werktuigen die een aanzienlijk deel van onze slavenarbeid overnemen maar dichters en ook andere kunstenaars waarschuwden er alras voor dat onze werktuigen ons boven het hoofd zouden groeien en dat de rollen dreigden om te keren zodat wij de slaven van onze machines worden: de ontlasting van het lichaam blijkt betaald te moeten worden met een extra belasting van de ziel die immers onder de voet wordt gelopen door het gevoelloze intellect dat deze 'hulpmiddelen' heeft uitgedacht en ontwikkeld.
Dit probleem vormt het hoofdthema van Charlie Chaplin's Modern Times dat in première ging in 1936. Dat was ook het jaar dat Oswald Spengler stierf (hij was pas 56) en deze Duitse wis- en natuurkundige en filosoof schreef een intrigerende geschiedenisfilosofie, getiteld Der Untergang des Abendlandes.8 Het boek dat toentertijd een cultboek was, verdient ook vandaag enige aandacht omdat de historische inzichten die Spengler ontwikkelde van toepassing zijn in het genoemde problematische tijdsgewricht dat alvast in zijn optiek tot op heden voortduurt en waarvan de pijnpunten oplichten in tijden van crisis.
Vooraf moet gezegd worden dat Spenglers filosofie een reactie is op het vooruitgangsgeloof en op de idee dat het verloop van de geschiedenis een doel zou hebben zoals dat wordt beleden in de christelijke wereldvisie maar ook in de opvattingen van de Verlichting en de Renaissance. Culturen, zo zegt Spengler, zijn een soort van superorganismen: zij hebben een levenscyclus van enkele duizenden jaren, zij kennen een opgang en een ondergang, zoals de seizoenen, maar dan sterven zij.
Spengler onderscheidt een achttal grote culturen die allemaal zelfstandige eenheden zijn, of waren. Er zijn de magische culturen: de Babylonische, de Egyptische, de Chinese, de Indische, de cultuur van Maya's en Azteken en de Arabische. Dan zijn er nog de Apollinische culturen, namelijk die van de Oude Grieken en de Romeinen. Tenslotte zijn is nog de Faustiaanse of de moderne Westerse (Europese en Amerikaanse) cultuur. Deze laatste, die onze huidige cultuur betreft, verkeert momenteel in de fase van het verval: de cultuur zelf is in feite al dood en wat rest heet 'beschaving': de beschaving is als het ware het levenloze lichaam van de gestorven cultuur.
Kenmerkend voor onze beschaving of dus voor de eindfase van onze cultuur zijn de megasteden, de gerichtheid op het geld, het imperialisme, de rivaliteit, het caesarisme, de opkomst van het lagere driftleven en de oppervlakkigheid, het wegvallen van wetenschappelijke zekerheden en van principes, het verval van de kunst tot modes en stijlen en de opkomst van het atheïsme.
Vooral Nietzsche en Goethe klinken door in het werk van Spengler die er vooral op wijst dat in de huidige beschaving, de ziel of het gevoelsleven - het élan vital van Henri Bergson - het zwaar te verduren krijgt onder het juk van het intellect, het kille verstand - het rechnende Denken van Martin Heidegger. We zijn nu allemaal burgers maar we zijn niet langer mensen; we hebben nu alles maar we zijn niemand meer; we zijn nu vrij om te denken wat we willen maar we kunnen niet meer denken. Edoch, er is geen oplossing voor die malaise: de tijd immers is onomkeerbaar, het is nu eenmaal het noodlot dat organismen en ook de superorganismen die de culturen zijn, een einde kennen.
Wanneer wij vandaag moeten vaststellen dat het gebeuren rond de wereldwijde pandemie beheerst wordt door de zucht naar geld en dat wetenschappelijke waarheden verzwegen worden en verdraaid uit winstbejag en ten koste van de mensen in wiens dienst zij zouden moeten staan9, dan kunnen we niet anders dan erkennen dat de macht van het anonieme en geheel onpersoonlijke geld bijzonder problematisch is in deze beschaving en Spengler wijdt er dan ook een hoofdstuk aan in het tweede deel van zijn werk.10
3. Onze beschaving is een stokoude man
De symbolen konden bijna niet treffender zijn: de Amerikaanse president Donald Trump en zijn aanhang als vertolkers van het voorspel van de ergst denkbare tragedie die een democratie kan overkomen en de hoogbejaarde president, Joe Biden, die de positie van onze ganse westerse beschaving weerspiegelt die op haar laatste benen loopt.
De Westerse cultuur is dood en wij bevinden ons in de fase van de beschaving die in feite het stoffelijke overschot is van de cultuur. Oswald Spengler schrijft dat de ondergang van het avondland en het beschavingsprobleem een en dezelfde zaak zijn: de beschaving is het onafwendbare noodlot van ongeacht welke cultuur; het is het Gewordene (dat wat geweest is, wat geschiedenis is, wat verstard is, wat al dood is) dat op het Worden zelf (het leven, dat wat zich aan het ontwikkelen is of de cultuur) volgt; het onherroepelijke einde.11
Spengler vergelijkt onze beschaving met de Romeinse, die op de Griekse cultuur volgt en die er het einde van is. De Romeinen waren immers barbaren: brutaal, zielloos, zonder filosofie of kunst. De Griekse cultuur had een ziel, de Romeinse beschaving was nog louter intellect. En dat geldt ook voor alle andere beschavingen.12
Met de verstedelijking verdort de 'Heimat', het volk dat met de aarde vergroeid was, wordt vervangen door een nomade, een parasiet, een kosmopoliet, een stadsmens, een massamens die zakelijk is, intelligent, ongelovig en onvruchtbaar. Het geld regeert, de wereld wordt een speelterrein voor miljonairs en de nieuwe mens heeft geen toekomst meer en wil alleen nog brood en spelen.13
De stenen kolos die de wereldstad is, symboliseert het einde van elke grote cultuur. De mens wordt door zijn eigen schepping, de stad, in bezit genomen, bezeten, eraan geofferd. De demonische stenen massa symboliseert de dood zelf.14
De stad heeft met geld te maken, het platteland met de geest; economie en wetenschap staan diametraal tegenover elkaar: het ene zoekt geldgewin, het andere begrip.15 En de almacht van het geld ondergraaft de geest en zo ook de democratie. Alles komt in het teken van het geld te staan.1617
1Der Untergang des Abendlandes (1918-1923) is de titel van een boek van Oswald Spengler. Zie: Spengler, Oswald. (1973)Der Untergang des Abendlandes (1918-1923). Umrisse einder Morphologie der Weltgeschichte, Verlag C.H. Beck, München, Nachdruck 1973.
2Jan Bauwens, Panopticum Corona, Serskamp 2021, pp. 903-911. Deze tekst is integraal beschikbaar op Tisallemaiet.
8 Spengler, Oswald (1973) schrijft in zijn woord vooraf dat hij de eerste versie van het boek al voor de oorlog maakte terwijl de twee delen verschenen in respectievelijk 1918 en 1923.
9 Bauwens, Jan. (2021), deel V, par.: Intermezzo: De waarheid over vaccins als heiligschennis en de medische plicht tot wereldwijd bedrog.
11Spengler, Oswald. (1973), p. 43v.: “Der Untergang des Abendlandes, so betrachtet, bedeutet nichts Geringeres als das Problem der Zivilisation.(…) Die Zivilisation ist das unausweichliche Schicksaleiner Kultur. (...) Zivilisationen sind die äußerstenund künstlichsten Zustände, deren eine höhere Art von Menschen fähig ist. Sie sind ein Abschluß; sie folgen dem Werden als das Gewordene, dem Leben als der Tod, der Entwicklung als die Starrheit, dem Lande und der seelischen Kindheit, wie sie Dorik und Gotik zeigen, als das geistige Greisentum und die steinerne, versteinernde Weltstadt. Sie sind ein Ende, unwiderruflich, aber sie sind mit innerster Notwendigkeit immer wieder erreicht worden."
12Spengler, Oswald. (1973), p. 44: "Damit erst wird man den Römer als den Nachfolger des Hellenen verstehen. (...) Denn was hat es zu bedeuten (...) daß die Römer Barbaren gewesen sind, Barbaren, die einem großen Aufschwung nicht vorangehen, sondern ihn beschließen? Seelenlos, unphilosophisch, ohne Kunst, rassehaft bis zum Brutalen, rücksichtslos auf reale Erfolge haltend, stehen sie zwischen der hellenischen Kultur und dem Nichts. (...) Griechische Seele und römischer Intellekt – das ist es. So unterscheiden sich Kultur und Zivilisation. (...)Die reine Zivilisation als historischer Vorgang besteht in einem stufenweisen Abbau anorganisch gewordener, erstorbener Formen."
13Spengler, Oswald. (1973), p. ...: "(...) Statt einer Welt eine Stadt, ein Punkt, in dem sich das ganze Leben weiter Länder sammelt, während der Rest verdorrt; statt eines formvollen, mit der Erde verwachsenen Volkes ein neuer Nomade, ein Parasit, der Großstadtbewohner, der reine, traditionslose, in formlos fluktuierender Masse auftretende Tatsachenmensch, irreligiös, intelligent, unfruchtbar, mit einer tiefen Abneigung gegen das Bauerntum (und dessen höchste Form, den Landadel), also ein ungeheurer Schritt zum Anorganischen, zum Ende – was bedeutet das? (...) Die Weltstadt bedeutet den Kosmopolitismus an Stelle der »Heimat« (...) Das Geld als anorganische, abstrakte Größe, von allen Beziehungen zum Sinn des fruchtbaren Bodens, zu den Werten einer ursprünglichen Lebenshaltung gelöst – das haben die Römer vor den Griechen voraus. Von hier an ist eine vornehme Weltanschauung auch eine Geldfrage. (...) eine Sache für Millionäre. Zur Weltstadt gehört nicht ein Volk, sondern eine Masse. Ihr Unverständnis für alles Überlieferte, in dem man die Kultur bekämpft (...) ihre der bäuerlichen Klugheit überlegene scharfe und kühle Intelligenz, (...) das panem et circenses, das heute wieder in der Verkleidung von Lohnkampf und Sportplatz erscheint – alles das bezeichnet der endgültig abgeschlossenen Kultur (...), eine ganz neue, späte und zukunftslose, aber unvermeidliche Form menschlicher Existenz."
14Spengler, Oswald. (1973). p. 673: "Der Steinkoloß »Weltstadt« steht am Ende des Lebenslaufes einer jeden großen Kultur. Der vom Lande seelisch gestaltete Kulturmensch wird von seiner eigenen Schöpfung, der Stadt, in Besitz genommen, besessen, zu ihrem Geschöpf, ihrem ausführenden Organ, endlich zu ihrem Opfer gemacht. Diese steinerne Masse ist die absolute Stadt. Ihr Bild, wie es sich mit seiner großartigen Schönheit in die Lichtwelt des menschlichen Auges zeichnet, enthält die ganze erhabene Todessymbolik des endgültig »Gewordenen«. Der durchseelte Stein gotischer Bauten ist im Verlauf einer tausendjährigen Stilgeschichte endlich zum entseelten Material dieser dämonischen Steinwüste geworden."
15Spengler, Oswald. (1973), pp. 989v.: "(...) das Geld und der Geist. Sie verhalten sich beide zu jenen wie die Seele der Stadt zu der des Landes. Eigentum heißt von nun an Reichtum und Weltanschauung Wissen: entheiligtes Schicksal und profane Kausalität. (...) Und endlich stehen Wirtschaft und Wissenschaft selbst sich feindlich gegenüber und wiederholen in dem Kampfe zwischen Geldgewinn und Erkenntnis, zwischen Kontor und Gelehrtenstube (...)."
De wereld kantelt voor de LGBTQ+ -gemeenschap nu de huidige regering in de V.S. zich ontpopt als zeer vijandig en dat is nog maar een begin. Denk maar aan de gang van zaken in de aanloop tot het naziregime in het Duitsland van een eeuw geleden. Zo werden onder meer de joden eerst verdrongen en gedemoniseerd, ze kregen allerlei verwijten naar het hoofd geslingerd, men noemde hen 'ratten' of 'te verdelgen insecten'.
Maar echt gevaarlijk wordt het pas als die scheldwoorden ook door officiële instanties worden gebruikt: de discriminatie is dan straffeloos geworden en zo ook het geweld tegen alle minderheidsgroepen of tegen al wie niet beantwoordt aan het ideaalbeeld van bijvoorbeeld de blonde Germaanse held (met uitzondering van Adolf Hitler uiteraard). En wat begint met verwensingen en scheldpartijen, eindigt dan alras in een heuse genocide.
In de nazitijd werden de minderheden niet alleen vogelvrij verklaard, zij werden op industriële wijze uitgeroeid. En dat is nog altijd het geval: in het tanende rijk van de voorbije, hypocriete heersers gebeurde dat verkapt, in het trumptijdperk is het geheel openlijk en zonder schaamte gewoon het nieuwe normaal aan het worden. Het uitblijven van verzet kentekent de lafheid van de massamens. Meer nog, de massa wordt het moordwapen bij uitstek in handen van het totalitair regime.
In een van zijn boeken vertelt klinisch psycholoog Paul Verhaeghe hoe de minimale prijs voor de persoonlijke vrijheid, waar die bestaat in de afwijking van de culturele norm, de eenzaamheid is.1 Over een maximale prijs wordt niet bericht en het kan niet de dood zijn omdat die door de veroordeelden dikwijls wordt gezocht. Toen Hitler aan de macht kwam, vluchtte menigeen het land uit en toen de Duitsers binnenvielen in andere Europese naties, zochten heel wat geviseerden de dood door zelfmoord om te kunnen ontkomen aan een veel erger lot. Maar dat is dan meteen wat menigeen ertoe drijft om met het eigen leven te gaan spelen.
Tenslotte is dat de betekenis van de bereidheid om te gaan 'vechten door het vaderland', zoals dat heet. Die bereidheid neemt ook toe in de mate dat men enerzijds blasé geworden is en een speelbal van de verveling en anderzijds onbewust van alles wat het goede leven mogelijk maakt, met andere woorden: ondankbaar. Die tekenen verschijnen als de generaties die alsnog weet hadden van de diepten onder het bestaan, het hoekje om zijn.
(J.B., 14 december 2025)
1Paul Verhaeghe, Liefde in tijden van eenzaamheid, De Bezige Bij, Amsterdam 2013, pag. 39.