Op "De dag van de Duitse eenheid" op 3 oktober 2010 slaagde de opperdhimmi, de na drie pogingen verkozen president Christian Wulff van de Bundesrepublik Deutschland, erin het debat over de islam aan te zwengelen door zijn uitspraak “Der Islam gehört zu Deutschland”.
Wat absoluut niet zijn bedoeling was : de grote meerderheid van de bevolking reageerde eerder bitter. Waarom wordt er zoveel over een minderheid gesproken en zo weinig over de meerderheid? Wat is er mis met “Wir sind das Volk”?
Als de sharia bij de islam hoort, als de islam bij Duitsland hoort, dan hoort bijgevolg de sharia ook bij Duitsland. Het ziet ernaar uit dat de Bundeswehr, het Duitse leger, de stelling van de president niet volgt. En het Gerechtshof Administratief Recht in Minden geeft het leger gelijk. Wie het vonnis wil lezen, kijkt naar Verwaltungsgericht (VG) Minden entschiedener Fall (Urt. v. 04.10.2011, Az. 10 K 823/10 – II).
Het gaat om een beroepssoldaat die zich zes jaar geleden tot de islam bekeerde. Bij een doorlichting door de MAD (militaire veiligheidsdienst) bleek dat de nu 28-jarige man de sharia als het beste rechtssysteem beoordeelt en er voorrang aan geeft boven de Duitse grondwet. Ook zou volgens hem geweld toegestaan zijn als men onderdrukt wordt. Hij ziet zich verplicht “dawa” te vervullen, te prediken, ziet zich als een missionaris in het oerwoud der ongelovigen.
Daarop heeft de Bundeswehr de man ontslagen met als reden dat hij niet de noodzakelijke karakteriële eigenschappen heeft omdat hij de grondwet niet als basiswetgeving erkent. De rechtbank gaf de Bundeswehr gelijk: de soldaat erkent de grondwet immers pas in tweede volgorde, na de sharia. Dit kan niet beoordeeld worden als vrijheid van meningsuiting omdat hij deze mening ook bij de uitoefening van zijn dienstplicht toegepast heeft.
Meer dan slechts een rechtssysteem
De betekenis van dit vonnis wordt pas duidelijk als we het begrip “sharia” onder de loep nemen. De sharia wordt in het algemeen als tegenpool van de westelijke rechtspraak gezien, met drastische, soms gruwelijke, straffen. Het gaat hier echter niet om een samenhangende rechtspraak, maar wel om het ideaalbeeld van een goddelijke wetgeving, die alle bereiken van het menselijke leven op een onveranderbare manier regelt. Als alomvattende plichtenleer beperkt zich de sharia niet tot de domeinen, die omvat zijn in de westelijke rechtspraak – zoals bv. het straf-, erf- en familierecht. De sharia regelt bovendien het religieuze, politieke en privé leven van het individu. De sharia wordt door de moslims als een door Allah geplaatste wegwijzer op het aardse tranendal gezien, die de stervelingen naar hem, als bron van alle leven, moet voeren.
De inhoud van de koran vindt zijn oorsprong voor het grootste gedeelte uit de koran en de soenna, die gebaseerd is op zes verzamelingen van hadith over de levenswandel van Mohammed en zijn volgelingen. In de fiqh, de islamitische rechtsleer, zitten zowel het principe van de idschma, de consensus van islamitische rechtsgeleerden, als de qiyas, een vergelijking met soortgelijke gevallen, vervat.
Islam zonder sharia : ondenkbaar
Daar de sharia rechtstreeks uit de koran en de soenna afgeleid werd, is de politieke eis dat moslims zich van de sharia moeten distantiëren, volledig zinloos. Een islam zonder sharia is vergelijkbaar, ondenkbaar, zoals het christendom zonder nieuw testament. Tegelijkertijd kan de sharia niet als criterium gehandhaafd worden om vast te stellen of de islam, of de grondwettrouw van moslims in hun geheel, past binnen het raam van de grondwet. Elk geval moet apart beoordeeld worden, want men moet rekening houden met de verschillende stromingen binnen de islam. Men moet dus telkens weer de feiten onderzoeken.
Het vonnis van Minden is uiterst explosief
Het gerecht heeft duidelijk gemaakt dat soldaten, bij het vervullen van hun dienstplicht, hun ideologische mening niet boven de bestaande wetgeving mogen plaatsen. Dit telt ook voor ambtenaren en werknemers in openbare dienst. Deze eerder vanzelfsprekende vaststelling heeft een grote draagwijdte. Want niet alleen de als radicaal beschouwde stromingen, zoals de salafisten, plaatsen de sharia boven de Duitse wetgeving. Ook andere moslim verenigingen prediken deze rangorde. De Duitse overkoepelende moslimraad wordt binnen de politieke arena als een gewaardeerde gesprekspartner beschouwd; nochtans staat er op hun webstek www.islam.de meermaals te lezen „dat moslims, die zich in een niet-islamitische rechtsstaat bevinden, slechts ‘in zover’ volgens diens wetgeving moeten gedragen dat deze niet in tegenspraak met de islam is”.
Meer moed tot debat
Deze tegenstrijdigheden en conclusies zouden in de politiek, in de samenleving en de rechtswetenschappen onderwerp van een debat moeten uitmaken. Vooral als het om de islam gaat, is het triest gesteld met een debatcultuur in Duitsland. Kritische meningen worden snel als “islamofobie” verworpen. Andersdenkenden als ziek of gek te catalogiseren herinnert aan de duistere tijden van de Duitse geschiedenis. Des te belangrijker is het de rechtswetenschappen en de rechtspraak neutraal en objectief te houden.
Tenslotte zullen de talrijke problemen met de islam zich pas laten oplossen als juristen en politici zich bezinnen over één van de grondregels van het democratische debat (Martin Kriele - (ZRP 1968, blz. 2): “Bij de praktische rede hoort niet slechts dat alles wat gezegd wordt juist is, maar ook dat al het relevante erbij betrokken wordt. Openheid voor het argument is de moraal van de democratie.”
Floriaan Terbeke
Bron: Legal Tribune Online – Prof. Dr. Arnd Diringer