De titel van dit stuk is een liedje uit de jaren '70, dat hier met een sarcastische ondertoon gebruikt wordt voor de bedenkingen bij een stuk van Marc Grammens uit 1990, kwestie van de continuïteit in de geschiedenis vast te stellen.
Federalisme ten dienste van de bestendiging van de Franstalige macht
Pas na ‘Leuven Vlaams’ ontstond er geleidelijk een consensus tussen de Waalse nationale belangengroepen en partijen enerzijds en het Belgische Franstalige establishment anderzijds om een ‘unionistisch federalisme’ na te streven, dat paal en perk diende te stellen aan de Vlaamse macht die door beide, Wallonië en de in hoofdzaak Franstalige feitelijke leiding van het land, als een bedreiging werd aangevoeld. Beter dan de meeste Vlamingen zagen hun tegenstanders in dat als de Vlaamse massa in beweging kwam, zoals dat gebeurd was bij de strijd voor ‘Leuven Vlaams’, de Vlaamse Beweging haar doelstelling dreigde te bereiken en de machtsverhoudingen in België beslissend kon wijzigen.
Dat diende koste wat het kost te worden verhinderd, en om dat te kunnen, werd handig gebruik gemaakt van de in Vlaanderen aanwezige federalistische strekking, die vrij plotseling salonfähig bleek te zijn geworden (waar ze vroeger voor ‘inciviek’ werd uitgescholden) en de ‘macht’ als het ware op een schoteltje aangeboden kreeg, - echter niet de macht om, voortbouwend op de dynamiek van ‘Leuven Vlaams’, Vlaamse veroveringen binnen te halen, maar de macht om te verhinderen dat de wet van het getal nog ooit, zoals in de kwestie ‘Leuven Vlaams’, in het voordeel van Vlaanderen zou spelen, kortom zij kregen de Belgische macht om de opkomende Vlaamse macht te fnuiken.
Sindsdien wordt van elke grondwetsherziening, elke staatshervorming, haast elke regeringscrisis zelfs, gebruik gemaakt om stukje bij beetje die Waals-Franstalige doeleinden van de tweede helft der jaren zestig te verwezenlijken. Men gunt de Vlaamse Beweging haar federalisme, maar uitsluitend op voorwaarde dat hierdoor de macht van de francofonie wordt versterkt en Wallonië er beter van wordt.” (blz. 33-36)
De ware betekenis van ‘inacceptable’
Telkens als er een toestand wordt geschapen die voor hen voordelig is, noemen ze die vervolgens ‘onbespreekbaar’. Hoewel de Vlamingen, met behulp van wetgeving en rechtspraak, in Voeren vooruit gingen, maakten zij hiervan geen ‘onbespreekbare’ kwestie, integendeel: zij aanvaardden een wijziging van de wetgeving die de Franstaligen hadden geweigerd uit te voeren. Die wetswijziging is er gekomen, met instemming en actieve medewerking van de Vlaamse regeringspartijen. En nog veel meer ook. (blz. 51-52) Een grote strijd wordt zeer vaak gewonnen of verloren op wat de buitenstaander een ‘detail’ toeschijnt, maar dat, wegens de symboolfunctie die het vervult, het verloop van de strijd wezenlijk bepaalt. Staatslieden weten dat, en proberen de tegenstander steeds tot toegevingen te dwingen op een tot symbool verheven detailpunt. De demoralisering die op de toegevingen volgt, doet de rest.” (blz. 55-56)
Daar staan wij, nu wij het nog moeten meemaken dat identiek dezelfde personen die destijds de leiding hadden van het Vlaamse verzet tegen de faciliteiten, thans, in een soort opwelling van boosaardige beginselloosheid, degenen zijn die de faciliteiten in de Belgische Grondwet laten opnemen. De tegenstander wint tweemaal: hij haalt veroveringen binnen, én hij compromitteert de Vlaamse staatslieden zo grondig dat er een algemene demoralisering intreedt en de weg wordt vrijgemaakt voor de volgende aanval en voor nieuwe Vlaamse toegevingen. Hij tast onze immuniteit aan, en hij weet wat hij doet. (blz. 59-60)
Met twee maten meten
Kunnen de Franstaligen in gemeenten waar zij de meerderheid der inwijkelingen vormen, dan geen rechten doen gelden? Hebben zij niet het democratische recht om het taalstelsel van hun dorp aan te passen aan hun wensen? Neen, want overal is het de natie of de deelstaat die het taalregime van de gemeenten regelt; nergens ter wereld ligt dit anders. De Engelstalige dorpen in de Franstalige autonome provincie Québec (Canada) genieten geen bescherming en zijn verplicht het Frans te gebruiken in al hun bestuursdaden. Wenst men te weten hoe de francofonie de gemeentelijke vrijheden op taalgebied eerbiedigt, dan volstaat het dat een Belgisch parlementariër de Franse taalwetgeving voor de twee departementen van de Elzas letterlijk en zonder daar iets aan te wijzigen, in de vorm van een wetsvoorstel aan het Belgische parlement voorlegt. Men zou er nogal van opkijken. Het Duits, dat daar immers nog in vele dorpen door een meerderheid van de bevolking gesproken wordt, is in de Elzas een verboden taal, waarvan geen gebruik mag worden gemaakt in het officiële verkeer. Geen woord Duits dus in een gemeenteraad; zou iemand wel Duits spreken, dan heeft de aanwezige gendarme de plicht dit aan de prefect van het departement te signaleren, die over de ernst van de zaak oordeelt en eventueel een sanctie oplegt aan de schuldige. (blz. 61-62)
Wenst men de sociale zekerheidswetten 'nationaal' (Belgisch) te houden, dan kan dat, zoals dat trouwens ook in sommige andere federale landen het geval is (niét echter in Zwitserland, waar de voordelen van de sociale zekerheid sterk kunnen verschillen van kanton tot kanton, en zelfs niet... in Frankrijk, waar de departementen van de Elzas over een sociaal zekerheidsstelsel beschikken dat nog grotendeels uit de tijd van Bismarck stamt en dat bijvoorbeeld wat de terugbetaling betreft enige procenten méér voordelen biedt dan het elders in Frankrijk vigerende stelsel), maar dan wel op voorwaarde dat inkomsten en uitgaven een regionale bevoegdheid worden, d.w.z. dat als het ene gewest de gewoonte heeft om méér ligdagen in de kliniek aan te bevelen dan het andere gewest, dit laatste daar niet voor moet opdraaien. (blz. 69)
Moet er dan niet zoiets zijn als ‘solidariteit’? Jazeker, - solidariteit met de verdrukten. Solidariteit van de ondergeschikten met zijn meester is masochisme. Waarom zou Vlaanderen, tenzij uit masochisme, solidariteit moeten opbrengen met een volk dat Happart plebisciteert omdat hij erin slaagt de Vlamingen uit te dagen en bespottelijk te maken? Waarom solidariteit met een Franstalige Gemeenschap die imperialistische propaganda voert in Vlaanderen? Waarom solidariteit met de politieke partijen van Wallonië en Franstalig Brussel, die de verovering van Vlaams-Brabant in hun programma hebben staan? Waarom solidariteit met de gemeentebesturen van Brussel, die nooit de taalwet hebben toegestaan? Zulk een solidariteit staat gelijk met het zich verlustigen in de nederlaag en is een volk onwaardig. (blz. 70-71)

Federalisme met drie: de isolering van de Brusselse Vlamingen
Een federalisme met drie minoriseert beslissend de Vlaamse meerderheid, het levert Brussel uit aan de francofonie, het verbreekt de band tussen de Brusselse Vlamingen en de rest van Vlaanderen, en het biedt de francofonie een stevige uitvalsbasis voor haar niet aflatende ambitie om Vlaams-Brabant te verfransen.” (blz. 76)
Ze hebben de laatste jaren in Voeren en Vlaams-Brabant bewezen hoe ze onwettige feitelijke toestanden kunnen scheppen, en vervolgens Vlamingen bereid vinden om die, in ruil voor ‘federalisme’ nog wel, formeel te erkennen. Dit dus is de voornaamste reden waarom Vlamingen nooit hadden mogen instemmen met de omvorming van Brussel tot derde gewest, ook niet als daar ‘waarborgen’ voor de Vlaamse minderheid aan verbonden waren. Straks zullen, volgens aloud gebruik, feitelijke toestanden, deze ‘waarborgen’ vanzelf ongedaan maken, en blijft er van de huidige staatshervorming nog slechts Brussel als Franstalig derde gewest over.
De enige mogelijkheid om dit alsnog te verhinderen, ondanks de omvorming van Brussel tot derde gewest, was geweest de invoering van pariteit op het niveau van de wetgevende macht, dat is de Brusselse Gewestraad. (blz. 77)
De enige afdoende waarborg voor de Vlamingen in Brussel was het behoud van de nationale voogdij; gaf men die op door van Brussel een derde gewest te maken, dan was de enige overblijvende reële waarborg de invoering van de pariteit in de Gewestraad.” [er is thans enkel enige pariteit in de Gewestregering, niet in de Gewestraad] (blz. 79)
De Brusselse demografie ontwikkelt zich op een wijze die voor de Vlamingen niet gunstig is,” heeft Johan Leman, die daar iets van kent, immers terecht geschreven.” (blz. 80) “Voor zover nodig, wordt deze ontwikkeling trouwens actief aangemoedigd door de Brusselse gemeentebesturen, die er wel voor zorgen dat Vlamingen niet in aanmerking komen voor sociale huisvesting […], en de voorkeur geven aan Franstaligen en zelfs aan Waalse immigranten.” (blz. 81)
De kern van de zaak is deze, en geen andere: bij deze staatshervorming hebben Vlamingen Brussel opgegeven. Tijdelijk krijgen ze in ruil voor aan de francofonie aldus bewezen diensten nog wat baantjes en dertig zilverlingen toegeworpen. Maar ze mogen zelfs daarin niet overdrijven: de Vlaamse ministers in de Belgische gewestregering beheren op dit moment tien procent van de Brusselse gewestbegroting.” (blz. 83)
Maar het ergste is wel, dat de neiging om geen rekening te houden met het staatsbelang, dat een dergelijke schuldenlast niet verdraagt, tijdens het jongste decennium zozeer tot de gebruiken van de Belgische oligarchie van belangengroepen is gaan behoren, dat er geen weg terug meer is, en dit regime derhalve regelrecht zijn eigen ondergang tegemoet gaat. […] Maar intussen gaat men er wel mee door, en wordt de driestheid waarmee de oligarchie van belangengroepen de staat plundert en onze welvaartskansen hypothekeert, met het jaar groter. (blz. 96)
Uit: Mark Grammens, “Gedaan met geven en toegeven”, Davidsfonds, 1990, ISBN 9061525667, 9789061525660
Stradi