Een halve eeuw leugens
Een blik in de achteruitkijkspiegel leert ons dat niets wat politici en overheid ons ooit over het thema gastarbeiders en immigratie verteld hebben klopt. Vijftig jaar leugens: hier volgt een overzicht van de tien bekendste leugensprookjes.
1. “Dat zijn gastarbeiders, die vertrekken weer”
Geen enkel sprookje werd zo lang en overtuigend verteld als het sprookje van de “gastarbeiders”. 30 jaar lang hield men het vol: van het begin der 60-er jaren tot in de late jaren 90, de gastarbeiders zouden terug naar huis keren. Wij geloofden het verhaaltje. Eigenlijk waren we goed gek dat we er enig geloof aan hechtten. Er werd nooit actief opgetreden om hen tot een terugkeer te dwingen. Integendeel. Zelfs toen de werkloosheid toesloeg en het overduidelijk was er absoluut geen nood was aan buitenlandse arbeidskrachten werd er niets ondernomen. Het ging van kwaad naar erger: in de 70-er jaren werd het recht op een familieleven, ook gezinshereniging genoemd, door de linkse kerk uitgebreid.
2. „Dat zijn vluchtelingen: die moeten terug als ze niet meer vervolgd worden“
De saga van de vluchtelingen begon op het einde van de 70-er jaren. Het royale asielrecht bood een ideale uitvalsbasis om de immigratie voort te zetten. Dat de “asielzoekers”, in contrast met het uitgangspunt van “asiel” – een tijdelijk verleende bescherming – slechts in uiterst zeldzame gevallen naar hun oorsprongslanden teruggewezen werden zodra de kust daar veilig was (voor zover er ooit een veiligheidsrisico bestond), kan ons vanuit het huidig perspectief niet meer verbazen. Elke teruggekeerde asielzoeker zou het gastland minder “kleurrijk” gemaakt hebben. Geen enkele wet werd ooit door de politiek zo misbruikt als het asielrecht.
3. “De Marokkanen zullen zich integreren zoals de Italianen“
Van bij het begin was er de neiging naar een parallelle maatschappij. Waar we eerst moesten gesust worden met het vooruitzicht van terugkerende gastarbeiders, kregen we nadien het sprookje van de archaïsche dompelaars te horen, die onze levensstijl en gewoontes niet kenden, en die wij met raad en daad moesten bijstaan. Geef hen wat tijd: ze zullen zich aanpassen. Daarbij werd er dan verwezen naar de Italiaanse mijnwerkers, die toch geen problemen gaven. Dat we met de Italianen een groot stuk gemeenschappelijke geschiedenis delen, werd niet vernoemd. En dat die Italianen niet in de watten gelegd werden, dat ze wel degelijk hier kwamen werken en tot onze samenleving bijdroegen, dat werd wijselijk verzwegen. Van integratie geen sprake: de segregatie wordt met de dag groter.
4. “Maar neen, niemand wil hier moskeeën bouwen”
Wie in de 80-er jaren erop wees dat het integratieprobleem uitsluitend met moslims optrad, werd als “vreemdelingenhater” gebrandmerkt. Wie erop wees dat moslims naar een moskee trekken om er te bidden en dat de bouw van moskeeën het logische gevolg hiervan zou zijn, was een zwartkijker, een kankeraar, iemand die ten allen prijze de integratie wou doe mislukken. Moskeeën ? Maar neen. Alleen al omwille van de bouwvoorschriften. De islam zal immers dezelfde weg opgaan als het christendom: vanuit de moderne samenleving naar een wegdeemsterende betekenisloosheid. Kortom: geen moskeeën en de islam is geen probleem. Vandaag weten we beter.
5. „We moeten hen de Belgische nationaliteit geven: dan zullen ze integreren”
Het begrip “gastarbeider” verdween in de 90-er jaren. We kregen een nieuw woord, de “immigranten” of de “allochtonen” – dit om ons duidelijk te maken dat ze hier zouden blijven. Of we ht ermee eens waren of niet. De verenigde politieke strijdkrachten uit het zuidelijk landsgedeelte waren de grootste voorstanders, samen met de linkse kameraden uit Vlaanderen. De Franstaligen zagen hierin de mogelijkheid de taalverhoudingen in het land b in hun voordeel te doen omslaag, de rood-groene Vlaamse slippendragers herkenden het kiespotentieel. Een “nieuwe Belg” mag immers naar het stamhokje, is zelf ook verkiesbaar, kan stemmen ronselen bij zijn achterban. Dus werd het sprookje gelanceerd dat de integratie pas écht kon lukken, als ze onze nationaliteit hadden. Normaal worden de prijzen pas aan meet uitgedeeld: in dit sprookje was het net andersom.
6. “De immigranten zullen straks onze pensioenen betalen”
Het flagrantste leugensprookje. De gastarbeiders werden immigranten, allochtonen, nieuwe Belgen, Belgen van Noord-Afrikaanse oorsprong… Elke verwijzing naar hun oorsprong werd niet politiek-correct beschouwd tenzij men er subsidies aan verbond. Want dan ging het weer om de heilige koe van de integratie. De meeste immigranten zijn economische gelukzoers, die meestal niet uit het zelfgekozen cordon van hun eigen leefwereld willen komen. Voor zover ze deelnemen aan het arbeidsproces, zitten ze meestal op de onderste ladder van de lonen. Hun bijdragen aan alle sociale bijdragen voldoen zelfs niet om later hun eigen pensioenen te betalen. Bovendien zijn ze voor de samenleving een zware financiële dobber: OCMW, stempelgeld, sociale woningen, kindergeld… dragen niet bij tot een zilverfonds.
7. “Islam betekent vrede, slechts de islamisten prediken haat”
Na 11 september 2001 leek het even of het gezond verstand terug gekeerd was. De terroristische aanslagen in het hart van de VSA, de bereidheid van Al Quaida om onnoemelijk geweld te gebruiken, de vreugdekreten van de moslims over heel de wereld, de haatpreken in moskeeën – heel even moest de toonaangevende elite zich bezinnen en de open wonden van hun fantasia- land likken. Het duurde niet lang. Men koos voor het laffe compromis: jazeker, de islam kan gevaarlijk zijn, maar dan slechts in de vorm van “islamisme”. Wat het verschil nu juist is, dat stond er niet bij. Het voldeed om de onverhinderde toestroom van vreemdelingen goed te praten en ons tot zwijgen te brengen.
8. “Brandstichting en rellen zoals in Frankrijk zijn hier uitgesloten”
De terreur en brandstichtingen in Frankrijk door immigranten in 2005 trof het politiek-correcte propaganda-apparaat even onvoorbereid als de Franse politie. Op televisie zag men brandende auto’s, brandende handelszaken, brandende scholen, brandende bibliotheken en lelijke torenhoge appartementsgebouwen. Het lag voor de hand dat men allerhande excuses zou verzin om de criminele feiten als wanhoopsdaad voor het tekort aan kansen en uiteraard racisme voor te stellen. Ook werd er gesteld dat de lelijke torengebouwen er voor iets tussen zaten. Het zou dus om een legitiem protest tegen de architectuur – een sociaal probleem – gaan. De uitingen van verontwaardiging hadden absoluut niets met de islam te maken. Raar maar waar : de Turkse krant Hürriyet speelde geen verstoppertje. Daarin sprak men onomwonden over een “moslimopstand”. Wij ook, maar wij mogen dat niet zeggen.
9. “Brandstichting en rellen zoals in Londen zijn hier uitgesloten, omdat wij niet zo’n stoute “bendes” hebben”.
In Londen staan er in de buitenwijken geen lelijke appartementsgebouwen zoals in Frankrijk. Daarom moest men in 2011 een ander verhaaltje verzinnen opdat niemand een verband zou kunnen leggen tussen de criminele meute en het thema immigratie. Het werd het intussen afgezaagd geworden sprookje van kansarme jongeren, die hun zelfbewustzijn als lid van een bende willen opkalefateren en geen andere uitweg meer zien om hun frustraties kenbaar te maken dan door hun toevlucht te zoeken in geweld. Stelen, och, da’s toch niet zo erg. Het is de schuld van de maatschappij: ze zien hebbedingetjes in de etalages liggen en ze kunnen die zich niet veroorloven. Bij ons bestaat zoiets niet. Hier beperken ze zich tot een handtasdiefstal of een halsketting, nietwaar? Eigen schuld. Je moet maar niet met je rijkdom te koop lopen. Over de angst die er leeft op straat in de verrijkte buurten, over de uittocht van onze eigen mensen uit de steden, over de inbraken in auto’s en woningen, over gewapende overvallen met geweld bij apothekers, juweliers, supermarkten e.d. mag slechts in bedekte termen gerapporteerd worden.
10. “Niemand wil bij ons de sharia invoeren”
Er bestaan twee varianten op dit thema. Het eerste gaat van de stelling uit dat hoe meer immigranten bij ons aan de bak kunnen komen (niet al te letterlijk nemen), des te minder zullen ze zich verbonden voelen met hun oorsprongsland. Ook als ze niet meer moeten integreren (wij moeten ons aanpassen), dan zou men toch ten minste kunnen verwachten dat ze zich loyaal opstellen tegenover hun nieuwe vaderland. Fout. Men gaat van de veronderstelling uit dat het verkrijgen van een dubbele nationaliteit (meestal is dit het geval) zal leiden tot een vaderlandsgevoel. Een vaderlandsgevoel met respect voor de wetten en gebruiken. Het tegendeel is waar. Het nieuwe land dient slechts om het “eigen” land, de “eigen” cultuur en taal, de “eigen” portemonnee te subsidiëren. Het nieuwe land is niet meer of minder dan een melkkoe.
De tweede variante is de waan van sommigen dat “een beetje sharia toestaan zal de islamieten sussen en dan blijft alles rustig”. In deze zin is elk woord een leugen: we hebben het de laatste twintig jaar mogen ondervinden. Met een vinger waren ze niet tevreden, met een hand duidelijk nog minder.
Het sprookje van Dhimmiropa is begonnen.
Floriaan Terbeke
Bron & Bewerking :
http://www.pi-news.net/2012/02/bunte-lugen-aus-funf-jahrzehnten/













